12.1.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 15/137


P9_TA(2021)0249

Gevolgen van de EU-regelgeving voor het vrije verkeer van werknemers en diensten: arbeidsmobiliteit binnen de EU als instrument om de behoeften van en vaardigheden voor de arbeidsmarkt op elkaar af te stemmen

Resolutie van het Europees Parlement van 20 mei 2021 over de gevolgen van de EU-regelgeving voor het vrije verkeer van werknemers en diensten: arbeidsmobiliteit binnen de EU als instrument om de behoeften van en vaardigheden voor de arbeidsmarkt op elkaar af te stemmen (2020/2007(INI))

(2022/C 15/12)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien de artikelen 45, 56, 153, 154 en 174 VWEU,

gezien de Europese pijler van sociale rechten, die in november 2017 werd afgekondigd door de Europese Raad, het Parlement en de Commissie,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,

gezien de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de IAO-verdragen en -aanbevelingen inzake arbeidsbeheer en -inspecties,

gezien de uitgebreide Uniewetgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk, in het bijzonder Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (1) en de afzonderlijke en daarmee verband houdende richtlijnen,

gezien de conclusies van de Raad van 8 juni 2020 over omscholing en bijscholing als basis voor meer duurzaamheid en inzetbaarheid ter ondersteuning van economisch herstel en sociale cohesie,

gezien de politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-2024: “Een Unie die de lat hoger legt — Mijn agenda voor Europa”, gepresenteerd door de toen nog kandidaat-voorzitter van de Commissie, Ursula von der Leyen,

gezien Verordening (EU) 2019/1149 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot oprichting van een Europese Arbeidsautoriteit, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EU) nr. 492/2011 en (EU) 2016/589, en tot intrekking van Besluit (EU) 2016/344 (2),

gezien Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (3),

gezien Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013 (4),

gezien het uitvoeringsbesluit (EU) 2018/170 van de Commissie van 2 februari 2018 betreffende de uniforme gedetailleerde specificaties voor de gegevensverzameling en -analyse ter monitoring en evaluatie van de werking van het Eures-netwerk,

gezien het verslag van de Commissie van 2 april 2019 inzake de Eures-activiteiten van januari 2016 tot en met juni 2018,

gezien Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (5),

gezien Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (6),

gezien Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (7),

gezien Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (8),

gezien Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (9),

gezien Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (10),

gezien Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (11),

gezien Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken (12),

gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (13),

gezien Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (14),

gezien Richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 betreffende de overeenkomst voor de organisatie van de werktijden van zeevarenden gesloten tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST) (15), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 volgens de overeenkomst gesloten tussen de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) inzake het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 (16),

gezien Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (17),

gezien Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (18),

gezien Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (“de IMI-verordening”) (19),

gezien Richtlijn (EU) 2020/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU wat betreft de detachering van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en Verordening (EU) nr. 1024/2012 (20),

gezien Besluit (EU) 2019/1181 van de Raad van 8 juli 2019 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (21),

gezien Besluit (EU) 2016/344 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij de aanpak van zwartwerk (22),

gezien de aanbeveling van de Raad van 22 mei 2017 inzake het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren en tot intrekking van de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren (23),

gezien zijn resolutie van 19 juni 2020 over Europese bescherming van grensoverschrijdende werkers en seizoenarbeiders in het kader van de COVID-19-crisis (24),

gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa (25),

gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over doeltreffende arbeidsinspecties als middel om de arbeidsomstandigheden in Europa te verbeteren (26),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 juli 2020 getiteld “Herstelplan voor Europa en meerjarig financieel kader 2021-2027”,

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 5 mei 2020 getiteld “Duurzame financiering van levenslang leren en ontwikkeling van vaardigheden, in de context van een tekort aan geschoolde arbeidskrachten” (verkennend advies op verzoek van het Kroatische voorzitterschap),

gezien het advies van het Europees Comité van de Regio’s getiteld “Braindrain in de EU: een probleem dat op alle niveaus moet worden aangepakt” (C 141/34),

gezien de mededeling van de Commissie van 1 juli 2020 getiteld “Een Europese vaardighedenagenda voor duurzaam concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en veerkracht” (COM(2020)0274), en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2020)0121) en (SWD(2020)0122),

gezien de mededeling van de Commissie van 14 januari 2020 getiteld “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities” (COM(2020)0014),

gezien de mededeling van de Commissie van 17 december 2019 getiteld “Jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2020” (COM(2019)0650),

gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2016 getiteld “Een nieuwe agenda voor vaardigheden voor Europa” (COM(2016)0381),

gezien het voorstel voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 17 december 2019 bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse strategie voor duurzame groei 2020,

gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” (COM(2019)0640),

gezien het verslag van de Commissie van 25 september 2019 over de toepassing en tenuitvoerlegging van Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (“de IMI-verordening”) (COM(2019)0426),

gezien het jaarverslag 2019 van de Commissie over de arbeidsmobiliteit binnen de EU,

gezien het rapport van Cedefop getiteld “Skills forecast trends and challenges to 2030”,

gezien het verslag van Eurofound getiteld “Posted workers in the European Union (2010)” (27) en de nationale verslagen,

gezien de economische voorjaarsprognose 2020 van de Commissie van 6 mei 2020,

gezien de richtsnoeren van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA) van 24 april 2020 getiteld “COVID-19: terug naar de werkplek — Aanpassing van werkplekken en veiligheidsmaatregelen voor werknemers”,

gezien de studie verricht door het Parlement (2015) getiteld “EU Social and Labour Rights and EU Internal Market Law”,

gezien de richtsnoeren van de Commissie van 17 juli 2020 over seizoenarbeiders in de EU in het kader van de uitbraak van COVID-19,

gezien de conclusies van de Raad van 9 oktober 2020 over de verbetering van de arbeids- en levensomstandigheden van seizoenarbeiders en andere mobiele werknemers,

gezien de aanbeveling van de Raad van 13 oktober 2020 betreffende een gecoördineerde aanpak van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie,

gezien de studie verricht door de Commissie (2015) over systemen voor loonvorming en minimumlonen voor gedetacheerde werknemers overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG in een bepaald aantal lidstaten en sectoren,

gezien de richtsnoeren van de Commissie van 30 maart 2020 betreffende de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers tijdens de uitbraak van COVID-19,

gezien de mededeling van de Commissie van 15 mei 2020 getiteld “Naar een gefaseerde en gecoördineerde aanpak van het herstel van het vrije verkeer en de opheffing van de binnengrenscontroles — COVID-19” (2020/C 169/03),

gezien de studie van Eurofound van 2015 getiteld “Social dimension of intra-EU mobility: Impact on public services”,

gezien artikel 54 van zijn Reglement,

gezien de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A9-0066/2021),

A.

overwegende dat non-discriminatie een fundamenteel beginsel is dat verankerd is in de Verdragen; overwegende dat het vrije verkeer van werknemers een fundamenteel beginsel van de Unie is; overwegende dat het beginsel van gelijke behandeling is verankerd in artikel 45, lid 2, VWEU, waarin wordt bepaald dat vrij verkeer van werknemers de afschaffing inhoudt van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden;

B.

overwegende dat de Unie krachtens artikel 3, lid 3, VEU sociale rechtvaardigheid en bescherming bevordert; overwegende dat in artikel 9 VWEU is bepaald dat de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening houdt met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de volksgezondheid;

C.

overwegende dat het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting fundamentele beginselen zijn van de interne markt;

D.

overwegende dat het vrije verkeer van werknemers en diensten moet aansluiten bij de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten; overwegende dat de toewijding van de Unie aan de Agenda 2030 van de VN en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, de Europese Green Deal en de strategie voor gendergelijkheid, waaronder de bescherming en bevordering van eerlijke lonen, gendergelijkheid en fatsoenlijke arbeids- en werkgelegenheidsomstandigheden, moet worden gemainstreamd in al het internemarktbeleid, waarbij naar behoren aandacht moet worden besteed aan sociale en milieuoverwegingen;

E.

overwegende dat het vrije verkeer van werknemers, met inbegrip van seizoenarbeiders, essentieel is voor de Europese integratie; overwegende dat dit vrije verkeer van wederzijds belang kan zijn voor zowel uitzendende als ontvangende lidstaten, en kan bijdragen aan de doelstellingen inzake economische, sociale en territoriale cohesie; overwegende dat de Unie en de lidstaten ten volle moeten profiteren van het potentieel van mobiliteit binnen de EU maar dat zij tegelijkertijd de naleving van de toepasselijke regels inzake arbeidsmobiliteit doeltreffend moeten handhaven;

F.

overwegende dat het vrije verkeer van werknemers en diensten bijdraagt tot de economische groei en cohesie in de Unie en tevens werkgelegenheid creëert; overwegende dat de interne markt pas duurzaam kan zijn en de welvaart kan vergroten wanneer zij gebaseerd is op eerlijke en gemeenschappelijke regels en op het beginsel van gelijke behandeling, vooral met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers en diensten;

G.

overwegende dat de Unie een cruciale rol moet blijven spelen bij de bevordering van de uitwisseling van goede praktijken op alle overheidsniveaus en bij het opstellen, in samenwerking met de sociale partners, van richtsnoeren en aanbevelingen over het waarborgen van fatsoenlijke arbeids- en werkgelegenheidsomstandigheden voor iedereen, zo ook voor kwetsbare groepen werknemers;

H.

overwegende dat de sociale gevolgen van het vrije verkeer van diensten zich kunnen voordoen in de regio’s van oorsprong maar ook in de regio’s die mobiele werknemers ontvangen, en dat deze gevolgen zowel positief als negatief van aard kunnen zijn; overwegende dat de tekorten aan arbeidskrachten en de braindrain als gevolg van de huidige economische en sociale ongelijkheid tussen de regio’s van de Unie vooral na de financiële crisis een kritiek niveau hebben bereikt in bepaalde lidstaten, hetgeen leidt tot verdere problemen, zoals demografische onevenwichtigheden, gebrekkige zorgverlening en een tekort aan medisch personeel, en in het algemeen meer ongelijkheid tussen regio’s; overwegende dat vooral plattelands- en verafgelegen gebieden hieronder te lijden hebben; overwegende dat er behoefte is aan een duurzaam industrieel beleid en een solide cohesiebeleid om kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid te scheppen en in stand te houden in sectoren en regio’s die een transformatie doormaken, teneinde een braindrain en onvrijwillige mobiliteit te voorkomen;

I.

overwegende dat de concurrentie op het vlak van arbeidskosten schadelijk is voor de cohesie tussen de lidstaten; overwegende dat een gecoördineerde benadering op het niveau van de Unie nodig is om oneerlijke concurrentie op het vlak van arbeidskosten te vermijden en de opwaartse sociale convergentie voor iedereen te vergroten; overwegende dat doeltreffende regelgeving en collectieve overeenkomsten cruciaal zijn om fatsoenlijke arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden, kwalitatief hoogwaardige diensten en eerlijke concurrentie te waarborgen;

J.

overwegende dat grensarbeiders sociale en economische voordelen creëren voor bepaalde regio’s;

K.

overwegende dat het, om de rechten van mobiele werknemers te beschermen, de naleving van de geldende regels te verbeteren en een gelijk speelveld en eerlijke concurrentie tussen alle bedrijven te bevorderen, van cruciaal belang is om de grensoverschrijdende handhaving van Unieregels inzake arbeidsmobiliteit te verbeteren, af te stemmen en te coördineren, en misbruik aan te pakken, waaronder zwartwerk;

L.

overwegende dat de meerderheid van de werknemers in de Unie in dienst is bij micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo’s); overwegende dat mkmo’s en zelfstandigen het meest vatbaar zijn voor inbreuken op de wetgeving van de Unie; overwegende dat tegenstrijdige nationale wetgeving, onnodige administratieve rompslomp en oneerlijke concurrentie een belangrijke bron van problemen zijn voor mkmo’s, zelfstandigen en bonafide bedrijven op de interne markt; overwegende dat initiatieven die zijn gericht op mkmo’s en startups bedrijven moeten helpen om te voldoen aan de bestaande regels, maar niet mogen leiden tot onnodige administratieve rompslomp, dubbele standaarden of lagere beschermingsnormen voor werknemers;

M.

overwegende dat digitalisering een ongekende kans biedt om de mobiliteit te bevorderen en tegelijkertijd bijdraagt aan de controle op de strikte naleving van de regels van de Unie inzake arbeidsmobiliteit;

N.

overwegende dat de Europese Arbeidsautoriteit (ELA) is opgericht om de interne markt, het vrije verkeer van werknemers, de detachering van werknemers en zeer mobiele diensten eerlijker te maken en het vertrouwen daarin te helpen vergroten, de naleving van de Unieregels inzake arbeidsmobiliteit en de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels te controleren, en om de uitwisseling van beste praktijken en de samenwerking tussen de lidstaten en sociale partners bij het garanderen van eerlijke arbeidsmobiliteit en de bestrijding van zwartwerk te verbeteren; overwegende dat de bevordering van eerlijke lonen, gendergelijkheid en fatsoenlijke arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden van cruciaal belang zijn voor de totstandbrenging van een goed functionerende, eerlijke en duurzame interne markt;

O.

overwegende dat de ELA een onlangs opgericht orgaan is dat naar verwachting uiterlijk in 2024 volledig operationeel zal zijn;

P.

overwegende dat de detachering van werknemers, uitzendarbeid en seizoenarbeid intrinsiek en op grond van hun juridische definitie van tijdelijke aard zijn;

Q.

overwegende dat een gebrek aan toereikende wettelijke bescherming en beperkte toegang tot socialezekerheidsstelsels voor werknemers vaak het gevolg zijn van oneerlijke vormen van atypisch werk, kunstmatige constructies zoals schijnzelfstandigheid, onbezoldigde en/of slecht betaalde regelingen voor oproepwerk, zogenaamde nulurencontracten, misbruik van tijdelijke contracten en stages ter vervanging van reguliere arbeidsovereenkomsten, ook in de overheidssector, en brievenbusmaatschappijen; overwegende dat deze problemen dan ook moeten worden aangepakt; overwegende dat het feit dat er steeds meer gebruik wordt gemaakt van regelingen voor onderaanneming ook tot misbruik kan leiden, hetgeen tegenmaatregelen noodzakelijk maakt; overwegende dat met arbeidsmobiliteit binnen de EU die rechtstreeks is gebaseerd op artikel 45 VWEU uiteraard ook kan worden tegemoetgekomen aan de behoeften van de arbeidsmarkt op de lange termijn door middel van standaardvormen van werk die toegankelijk zijn voor alle Unieburgers, zonder discriminatie op grond van nationaliteit;

R.

overwegende dat sociale cohesie een van de belangrijkste beginselen van de Unie is; overwegende dat er in de Unie desalniettemin aanzienlijke verschillen in levens- en arbeidsomstandigheden bestaan; overwegende dat hogere lonen en een hoger bbp, een robuuste sociale zekerheid, betere toegang tot de arbeidsmarkt en hogere werkgelegenheidspercentages in het ontvangende land belangrijke factoren zijn die de mobiliteit binnen de EU aanwakkeren (28); overwegende dat anderzijds armoede, sociale uitsluiting, slechte levens- en arbeidsomstandigheden en een gebrek aan maatschappelijke bijstand in de lidstaat van herkomst aanleiding geven tot mobiliteit binnen de EU; overwegende dat de aanhoudende tekorten aan arbeidskrachten in een aantal kritieke sectoren in bepaalde lidstaten ook grotendeels kunnen worden verklaard door slechte arbeidsomstandigheden en lage lonen; overwegende dat dergelijke tekorten moeten worden aangepakt door de arbeidsomstandigheden in deze sectoren te verbeteren, met name via sociale dialoog en collectieve onderhandelingen, in plaats van werk van slechte kwaliteit over te laten aan migrerende en mobiele werknemers, met inbegrip van grensarbeiders en/of zwartwerkers;

S.

overwegende dat de keuze om het recht op vrij verkeer uit te oefenen altijd vrijwillig moet zijn en niet mag worden ingegeven door een gebrek aan kansen in de lidstaat van verblijf; overwegende dat eerlijke mobiliteit op basis van solide sociale en arbeidsrechten een absolute voorwaarde is voor duurzame Europese integratie, sociale cohesie en een rechtvaardige transitie;

T.

overwegende dat vormen van misbruik zoals sociale en ecologische dumping de steun onder de bevolking voor de Unie en verdere Europese integratie, de werking van de interne markt en het concurrentievermogen van bedrijven, met name mkmo’s en zelfstandigen, verzwakken en de rechten van werknemers ondermijnen; overwegende dat het toezicht op de naleving van de geldende wetgeving moet worden versterkt; overwegende dat het beginsel van “eerst klein denken” op Unieniveau naar behoren in acht moet worden genomen bij de voorbereiding van wetgevingsvoorstellen; overwegende dat tegenstrijdige bepalingen in nationale wetten obstakels opwerpen voor mkmo’s en dus moeten worden voorkomen;

U.

overwegende dat het beginsel van gelijke behandeling een noodzakelijke voorwaarde is voor de socialemarkteconomie en opwaartse sociale convergentie, waarvoor naleving van de toepasselijke wetgeving en collectieve overeenkomsten van het land van bestemming vereist is, zodat er een gelijk speelveld tussen lokale en mobiele werknemers en tussen lokale en buitenlandse dienstverleners kan worden gewaarborgd;

V.

overwegende dat meer dan 8 % van de mobiele werknemers werkzaam is in de zorg en de maatschappelijke dienstverlening, meer dan 7 % in de sector vervoersdiensten en meer dan 10 % in de accommodatiesector en de levensmiddelenindustrie; overwegende dat mobiele werknemers en seizoenarbeiders vaak essentieel zijn voor de lidstaten, bijvoorbeeld in sectoren zoals de gezondheidszorg, de zorg voor ouderen of personen met een handicap, of in de bouw;

W.

overwegende dat ten minste 80 miljoen werknemers in Europa niet over de juiste kwalificaties beschikken en dat meer dan de helft van de moeilijk in te vullen vacatures betrekking heeft op hooggekwalificeerde banen (29);

X.

overwegende dat de COVID-19-pandemie eens te meer heeft laten zien dat zeer mobiele werknemers die zich vaak binnen de Unie verplaatsen, essentieel zijn; overwegende dat de pandemie verder heeft aangetoond dat seizoenarbeiders, gedetacheerde, migrerende en mobiele werknemers, met inbegrip van grensarbeiders, enorm hebben bijgedragen aan het voortbestaan van de economie van de Unie en aan de internationale handel van de Unie tijdens de pandemie; overwegende dat zij in de frontlinie hebben gewerkt met groot gevaar voor hun eigen gezondheid en die van hun gezinsleden; overwegende dat seizoenarbeiders van essentieel belang zijn gebleken om veel Europese landbouwbedrijven draaiende te houden; overwegende dat zeer mobiele werknemers tegelijkertijd ook het kwetsbaarst blijven en de minste bescherming genieten; overwegende dat deze werknemers tijdens de eerste fase van de COVID-19-pandemie de meeste hinder ondervonden van ongecoördineerde grensbeheermaatregelen;

Y.

overwegende dat seizoenarbeiders en gedetacheerde werknemers tijdens de COVID-19-pandemie vaak geen toegang hadden tot basisgezondheidszorg, deugdelijke huisvesting, persoonlijke beschermingsmiddelen en toereikende informatie; overwegende dat ze vaak gebrekkige of helemaal geen toegang hadden tot socialezekerheidsstelsels in de ontvangende lidstaten, waaronder ziektegeld en regelingen voor kortdurende werkloosheid; overwegende dat ze in sommige gevallen zelfs het land zijn uitgezet; overwegende dat de mobiliteit van werknemers in grote mate afhankelijk is van de beschikbare vervoermiddelen en dat vooral werknemers die op een eiland of in een ultraperifeer gebied van de Unie wonen hier last van hebben; overwegende dat grenssluitingen ook gevolgen hebben gehad voor grensarbeiders, aangezien het daardoor moeilijker is geworden voor hen om te pendelen tussen werk en gezin, en hun toegang tot sociale diensten en gezondheidszorg beperkter is geworden; overwegende dat mobiele werknemers in sommige gevallen te lijden hadden van discriminatie en slechte arbeids- en levensomstandigheden, met COVID-19-uitbraken tot gevolg;

Z.

overwegende dat de COVID-19-uitbraak de moeilijke en vaak zelfs deplorabele arbeids- en levensomstandigheden van honderdduizenden seizoenarbeiders — voor het overgrote deel mobiele werknemers — en van een aantal van de meer dan een miljoen gedetacheerde werknemers in de EU heeft blootgelegd en verergerd; overwegende dat hun toch al onzekere omstandigheden nog schrijnender worden door structurele discriminatie op de arbeidsmarkt en een gebrekkige handhaving van de bestaande wet- en regelgeving;

AA.

overwegende dat de COVID-19-pandemie tal van structurele tekortkomingen in de Europese en nationale regelgevingskaders aan het licht heeft gebracht; overwegende dat veel van deze tekortkomingen niet alleen verband houden met de pandemie; overwegende dat deze tekortkomingen urgent moeten worden aangepakt op Unie- en lidstaatniveau om eerlijke concurrentie en gelijke behandeling op de interne markt te waarborgen; overwegende dat de COVID-19-pandemie een fundamenteel en langdurig effect heeft op de Europese arbeidsmarkten;

AB.

overwegende dat arbeidsmobiliteit en met name de detachering van werknemers niet mag leiden tot concurrentie op basis van onzekere arbeidsomstandigheden, werkgevers die hun verplichtingen uit de weg gaan en/of het omzeilen van de toepasselijke nationale wetgeving en collectieve overeenkomsten in ontvangende lidstaten, aangezien dergelijke wanpraktijken alleen maar aanleiding geven tot spanningen tussen de lidstaten, oneerlijke concurrentie tussen bedrijven en wantrouwen onder werknemers; overwegende dat deze nadelige effecten, waaronder de braindrain en oneerlijke concurrentie, ook te wijten kunnen zijn aan het gebrek aan opwaartse sociale convergentie; overwegende dat arbeidsmobiliteit moet worden gezien als een mogelijkheid die het delen van vaardigheden en professionele ervaring vergemakkelijkt en opwaartse sociale convergentie bevordert; overwegende dat de regels inzake arbeidsmobiliteit en de detachering van werknemers niet mogen leiden tot onevenredige administratieve lasten; overwegende dat de detacheringsregels ook van toepassing zijn op ingezetenen die van de ene naar de andere lidstaat worden gedetacheerd en die bijzonder vatbaar zijn voor uitbuiting en daarom extra aandacht behoeven van nationale arbeidsinspecteurs en de ELA;

AC.

overwegende dat discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden en de tekorten aan vaardigheden de arbeidsmarkt en de onderwijs- en opleidingsstelsels in de Unie voor enorme uitdagingen plaatsen; overwegende dat hieruit blijkt dat er een aanzienlijke behoefte is aan een verbetering van de stelsels voor onderwijs en beroepsopleiding om ze toekomstbestendiger en -gerichter te maken, evenals aan een verbetering van het stelsel voor de om- en bijscholing van werknemers; overwegende dat er desondanks nog steeds geen officiële statistieken of indicatoren voorhanden zijn om discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden op de Europese arbeidsmarkten te meten;

AD.

overwegende dat de polarisatie van de arbeidsmarkt naar verwachting verder zal toenemen en dat er meer hoog en laag gekwalificeerde banen zullen komen;

AE.

overwegende dat de digitale kloof tussen stedelijke en plattelandsgebieden en de effecten van sociaal-economische factoren op de digitale kloof nog steeds als enorme uitdagingen gelden die acuut moeten worden aangepakt; overwegende dat er een aanzienlijk tekort aan digitale en groene vaardigheden bestaat onder de beroepsbevolking, waaraan iets moet worden gedaan, onder meer door middel van een leven lang leren;

AF.

overwegende dat investeringen door bedrijven in opleiding en onderwijs en in arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden een belangrijk instrument zijn om geschoolde werknemers aan te trekken; overwegende dat de wederzijdse erkenning en transparantie van kwalificaties cruciaal is voor het bewerkstelligen van de convergentie van beroepen, de vrijheid van dienstverrichting en de eerlijke mobiliteit van werknemers;

AG.

overwegende dat er in dit verband rekening moet worden gehouden met de ontwikkeling van het systeem voor de erkenning van informeel verworven kennis en vaardigheden, bijv. in het geval van mantelzorgers; overwegende dat deze ontwikkeling essentieel is in het licht van de huidige demografische uitdagingen en trends met betrekking tot de vergrijzende samenlevingen in de lidstaten;

AH.

overwegende dat een doeltreffende tripartiete dialoog en de sociale dialoog een goede aanvulling kunnen vormen op de inspanningen van overheden en instellingen om de bestaande spanningen en verdeeldheid in de EU te verhelpen; overwegende dat de betrokkenheid van sociale partners de invulling, uitvoering en handhaving van beleid ten goede kan komen en verder moet worden vergroot op alle politieke niveaus;

AI.

overwegende dat er geen systematische methode voor gegevensverzameling in de hele EU voorhanden is om toereikende informatie te verschaffen over mobiele werknemers of hen in staat te stellen hun situatie omtrent hun socialezekerheidsdekking in kaart te brengen en aanspraak te maken op verschillende verworven rechten; overwegende dat toegang tot informatie over toepasselijke regels, in combinatie met doeltreffende naleving, controle en handhaving, noodzakelijke voorwaarden zijn voor eerlijke mobiliteit en de bestrijding van misbruik van het systeem; overwegende dat digitale technologie — waarmee het toezicht op en de handhaving van wetgeving ter bescherming van de rechten van mobiele werknemers kan worden vergemakkelijkt — bijgevolg moet worden bevorderd en gebruikt, met inachtneming van de regels inzake gegevensbescherming;

1.

merkt op dat de bepaling over het land van bestemming het leidende beginsel is van de dienstenrichtlijn, en is van mening dat deze bepaling niet mag worden gewijzigd; benadrukt dat het vrije verkeer van diensten moet worden verwezenlijkt zonder de rechten van werknemers en de sociale rechten in het gedrang te brengen; herinnert eraan dat de beginselen van gelijke behandeling en vrij verkeer niet alleen gelden voor dienstverleners, maar evenzeer voor werknemers; is van oordeel dat het vrije verkeer van diensten gepaard gaat met de vrije en eerlijke mobiliteit van de werknemers die deze diensten verlenen, en dat de interne markt gebaat is bij de naleving van de regels inzake arbeidsvoorwaarden en de bescherming van de gezondheid en veiligheid van mobiele werknemers; onderstreept dat de toepassing van de beginselen die zijn verankerd in de Europese pijler van sociale rechten als minimumnorm kan bijdragen aan een versterking van de rechten en de bescherming van Europese werknemers;

2.

benadrukt dat de Uniewetgeving met betrekking tot het vrije verkeer van diensten op geen enkele wijze afbreuk mag doen aan de uitoefening van de grondrechten zoals erkend in de lidstaten en op Unieniveau, waaronder het recht om te staken of andere maatregelen te nemen in het kader van de specifieke stelsels van arbeidsverhoudingen in de lidstaten, in overeenstemming met nationale wetgeving en/of praktijken, en evenmin afbreuk mag doen aan het recht om over collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen, deze te sluiten en te handhaven of om collectieve actie te ondernemen in overeenstemming met nationale wetgeving en/of praktijken; benadrukt dat kwalitatief hoogwaardige wetgeving en de doeltreffende uitvoering ervan een langetermijninvestering zijn;

3.

brengt in herinnering dat de bescherming van de arbeids- en levensomstandigheden van mobiele werknemers op basis van het beginsel van gelijke behandeling het vrije verkeer van werknemers en de vrije dienstverrichting moet omvatten; is bezorgd over de aanhoudende tekortkomingen in de bescherming van mobiele werknemers, onder wie grensarbeiders, die door de COVID-19-pandemie duidelijker aan het licht zijn gekomen; benadrukt dat werknemers geen nadelen mogen ondervinden van het feit dat zij hun recht op vrij verkeer uitoefenen of als gevolg van de Unieregels inzake vrije dienstverrichting; benadrukt hoe belangrijk het is om alle lacunes in de regelgeving op Unie- en nationaal niveau onverwijld op te vullen; onderstreept verder dat de toepasselijke wetgeving inzake de toegang tot sociale rechten en sociale zekerheid, waaronder de meeneembaarheid daarvan, de erkenning van diploma’s, kwalificaties en vaardigheden en toegang tot opleiding moet worden nageleefd met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers en diensten; herinnert eraan dat er bij alle beperkende maatregelen binnen de EU, ook als deze worden getroffen naar aanleiding van een ernstige volksgezondheidscrisis, rekening moet worden gehouden met de gevolgen daarvan voor mobiele werknemers, en dat deze maatregelen moeten aansluiten bij hun specifieke situatie;

4.

uit zijn bezorgdheid over het huidige gebrek aan een geharmoniseerde interpretatie van het EU-recht door de lidstaten, zoals de onlangs herziene richtlijn betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers (30), wat leidt tot een gebrek aan juridische duidelijkheid en tot een bureaucratische last voor bedrijven die in meer dan één lidstaat diensten verrichten; verzoekt de Commissie lidstaten tijdens het volledige proces van omzetting rechtstreeks bij te staan zodat een uniforme interpretatie van de Europese wetgeving wordt gewaarborgd;

5.

benadrukt in dit verband dat er speciale aandacht moet worden besteed aan werknemers die in ultraperifere gebieden van de Europese Unie wonen en dat de mobiliteit van die werknemers van en naar het vasteland en tussen de ultraperifere gebieden onderling gemakkelijker moet worden gemaakt;

6.

betreurt het dat in 2019 slechts 4,2 % van de EU-burgers in de beroepsleeftijd woonachtig was in een andere EU-lidstaat dan die waarvan hij/zij staatsburger was (31); roept de Commissie en de lidstaten op zich meer in te spannen om de belemmeringen voor mobiliteit van werknemers en bedrijven weg te nemen;

7.

herinnert eraan dat het vrije verkeer van werknemers moet worden gewaarborgd om de werkgelegenheid en de economie van bepaalde regio’s te beschermen en bepaalde activiteiten zoals landbouw in stand te houden;

8.

verzoekt de lidstaten om de herziene richtlijn betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers op correcte en tijdige wijze uit te voeren en te monitoren, teneinde gedetacheerde werknemers en hun vrijheid van dienstverrichting tijdens hun detachering te beschermen, door te voorzien in verplichte bepalingen met betrekking tot arbeidsvoorwaarden en de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers;

9.

verzoekt de lidstaten volledig gebruik te maken van de mogelijkheid om de bepalingen inzake lonen en arbeidsomstandigheden die zijn opgenomen in alle collectieve overeenkomsten toe te passen op gedetacheerde werknemers in de EU, en het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plek voor werknemers en een gelijk speelveld voor bedrijven als onderdeel van de uitvoering van de herziene richtlijn betreffende de detachering van werknemers zo goed mogelijk te garanderen;

10.

verzoekt de Commissie een diepgaand onderzoek uit te voeren naar de trends die invloed hebben op de arbeidsomstandigheden van gedetacheerde onderdanen van derde landen; benadrukt dat er op basis van de uitkomst van dit onderzoek beleidsmaatregelen op Unie- of nationaal niveau nodig kunnen blijken; is ernstig bezorgd over de huidige toename van het percentage onderdanen van derde landen in sectoren met een reputatie van onzekere arbeidsomstandigheden en gevallen van misbruik; onderstreept dat onderdanen van derde landen vaak vatbaarder zijn voor uitbuiting en daarom moeten worden beschermd; benadrukt dat het bij uitbuiting onder andere gaat om wanpraktijken zoals schijndetachering, schijnzelfstandigheid, frauduleuze onderaannemers en wervingsbureaus, brievenbusmaatschappijen en zwartwerk; onderstreept dat werknemers uit derde landen met een werkvergunning in de EU mogen werken mits alle waarborgen uit hoofde van de nationale en Uniewetgeving inzake arbeid ook bescherming en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden voor onderdanen van derde landen garanderen en dit niet leidt tot een verstoring van de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de naleving van de toepasselijke wetten en regels inzake arbeidsvoorwaarden bij de omgang met onderdanen van derde landen, teneinde misbruik uit te bannen; verzoekt de lidstaten de beschermende bepalingen van Richtlijn 2009/52/EG ten uitvoer te leggen en daarbij te zorgen voor toegankelijke en doeltreffende klachtenmechanismen die het mogelijk maken om verschuldigde lonen en socialezekerheidsbijdragen daadwerkelijk terug te vorderen;

11.

herinnert aan de aard van de Europese toeleveringsketens in strategische industriële sectoren die een belangrijke bron van werkgelegenheid en activiteit zijn voor mobiele werknemers en dienstverleningsbedrijven en die zwaar te lijden hebben onder ongecoördineerde maatregelen, zoals uiteenlopende regels voor COVID-19-tests en quarantaines die door de lidstaten zijn genomen in de strijd tegen de pandemie; verzoekt de Commissie evenveel belang te hechten aan het waarborgen van veilige arbeidsomstandigheden voor werknemers als aan het herstel van het vrije verkeer en de ongehinderde stroom van goederen;

12.

herinnert eraan dat de afwezigheid van geharmoniseerde quarantaineperioden, vereisten met betrekking tot testen en reisregels binnen de Unie een grote uitdaging vormen voor veel bedrijven en mobiele werknemers en hun gezinnen, met name in sectoren met een hoge mobiliteit; spoort de lidstaten aan hun inspanningen te coördineren om de socialezekerheidsdekking, de toegang tot ziekengeld en tijdelijke werkloosheidsregelingen uit te breiden, teneinde ook grensarbeiders en mobiele werknemers te beschermen, met name degenen die door de crisis getroffen zijn en daardoor kampen met armoede, werkloosheid, sociale uitsluiting en slechte levensomstandigheden;

13.

herhaalt dat het voor het dagelijks leven van mensen van cruciaal belang is dat de levering van essentiële goederen, zoals levensmiddelen, medische hulpmiddelen of beschermingsmiddelen, in de hele EU doorgang kan blijven vinden; verzoekt de Commissie het continue vrije verkeer van essentiële goederen en diensten binnen de interne markt te waarborgen in tijden van crisis zoals een pandemie;

14.

dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan mobiele werknemers in strategische productieketens, bijv. voor medische apparatuur, te erkennen als essentieel of kritiek en de geldende quarantaine-eis dan ook te herzien als dat geen risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid oplevert, zoals blijkt uit relevante testen in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad betreffende een gecoördineerde benadering van de beperking van het vrije verkeer in reactie op de COVID-19-pandemie;

15.

roept de Commissie op lacunes in de bescherming te onderzoeken teneinde fatsoenlijke arbeids- en levensomstandigheden voor mobiele werknemers te waarborgen en wanpraktijken te voorkomen, en om de Uniewetgeving inzake onderaanneming naar behoren te handhaven; verzoekt de Commissie de gemeenschappelijke en hoofdelijke aansprakelijkheid in de hele onderaannemingsketen te waarborgen om de rechten van werknemers te beschermen; benadrukt dat een dergelijk initiatief de transparantie moet vergroten en de aansprakelijkheid van hoofdaannemers in onderaannemingsketens moet versterken door wettelijk te garanderen dat alle verschuldigde socialezekerheidsbijdragen en rechten van werknemers worden betaald, en door er bij de nationale autoriteiten op aan te dringen dat zij waar nodig afschrikkende sancties opleggen; verzoekt de Commissie de toegang van vakbonden tot alle werkplekken, waaronder werkplekken buiten het land van tewerkstelling, te bevorderen en de lidstaten om dit te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om de sociale dialoog en de autonomie van de sociale partners te versterken en te bevorderen, en werknemers ertoe aan te sporen zich te organiseren, aangezien dit een cruciaal middel is om hoge normen op het gebied van werkgelegenheid tot stand te brengen;

16.

verzoekt de Commissie de negatieve ontwikkelingen in verband met arbeidsmobiliteit te analyseren, in het bijzonder de braindrain in bepaalde sectoren en regio’s; benadrukt dat maatregelen om de braindrain tegen te gaan gepaard moeten gaan met maatregelen om opwaartse sociale convergentie te bevorderen; hamert erop dat lidstaten, ondanks de COVID-19-pandemie, grensoverschrijdingen voor beroepsdoeleinden moeten toestaan en vergemakkelijken indien professionele activiteiten in de desbetreffende sectoren in de ontvangende lidstaat zijn toegestaan, om te garanderen dat lokale en mobiele werknemers gelijk worden behandeld; verzoekt de Commissie duidelijke kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren vast te stellen in het kader van het Europees semester en de publicatie van landenspecifieke aanbevelingen, om toe te zien op de uitvoering en de naleving van de regels voor het vrije verkeer van werknemers; verzoekt de Commissie aanbevelingen voor te stellen om billijke, rechtvaardige en waardige levens- en arbeidsomstandigheden te waarborgen voor mobiele werknemers;

17.

onderstreept dat de doelstellingen van de Europese pijler van sociale rechten, de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN, de Europese Green Deal en de strategie voor gendergelijkheid ook hun beslag moeten krijgen in de benadering van de interne markt, door hoge sociale en milieunormen te bevorderen als voorwaarde voor een stijging van de productiviteit; wijst op het belang van overheidsopdrachten om deze doelstellingen te halen;

18.

dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat de ELA zo snel mogelijk volledig operationeel is om de toepassing en handhaving van het Unierecht op het gebied van arbeidsmobiliteit en de coördinatie van de sociale zekerheid te controleren en te bevorderen; dringt er bij de Commissie op aan de capaciteit van en de samenwerking tussen de bevoegde nationale autoriteiten en de sociale partners te ondersteunen en te versterken om te zorgen voor eerlijke, op rechten gebaseerde mobiliteit, toereikende informatie aan werknemers en werkgevers over hun rechten en plichten, en de doeltreffende grensoverschrijdende handhaving van werknemersrechten, met inbegrip van de meeneembaarheid van rechten, en om socialezekerheidsfraude en wanpraktijken doeltreffend aan te pakken; is van mening dat de ELA zich moet concentreren op een betere handhaving en toepassing van de huidige Uniewetgeving zodat de concurrentie op de interne markt eerlijk en rechtvaardig is; benadrukt dat de ELA, om illegale praktijken doeltreffend te kunnen bestrijden, prioriteit moet toekennen aan de ontwikkeling van een realtimedatabank om informatie van buitenlandse dienstverleners te valideren; benadrukt dat de ELA over voldoende middelen moet beschikken om haar taken te kunnen uitvoeren; onderstreept dat de integratie van Eures in de ELA de koppeling moet versterken tussen de bevordering van het vrije verkeer, informatievoorziening en naleving van het relevante juridische kader voor de bescherming van mobiele werknemers en burgers;

19.

verzoekt de Commissie een EU-kader voor te stellen met bepalingen tegen oneerlijke concurrentie op het vlak van arbeidskosten om de volledige naleving van het beginsel van gelijke behandeling en van het beginsel van gelijk loon en gelijke arbeidskosten op dezelfde plek voor hetzelfde werk te waarborgen;

20.

herinnert eraan dat het Parlement de Commissie herhaaldelijk heeft verzocht haar voorstellen voor een Europese e-kaart voor diensten en voor een herziening van de kennisgevingsprocedure met betrekking tot diensten in te trekken; is ingenomen met het feit dat dit eindelijk is gebeurd in het werkprogramma van de Commissie voor 2021;

21.

benadrukt dat de digitalisering van de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten het vrije verkeer van werknemers op eerlijke en rechtvaardige basis evenals de handhaving van de desbetreffende Unieregels kan vergemakkelijken; verzoekt de Commissie, na eerst een effectbeoordeling te hebben uitgevoerd, zonder onnodige vertraging te komen met haar voorstel voor een Europees socialezekerheidsnummer (ESSN), waarbij het ESSN moet worden onderworpen aan strikte regels voor gegevensbescherming, hetgeen nodig is om de rechtszekerheid voor werknemers en bedrijven, eerlijke mobiliteit en de doeltreffende bescherming, meeneembaarheid, traceerbaarheid en handhaving van werknemersrechten te waarborgen, en om eerlijke concurrentie te ondersteunen door een gelijk speelveld voor bedrijven te waarborgen; is van mening dat het ESSN een aanvulling moet vormen op de nationale socialezekerheidsnummers en de socialezekerheidsverordeningen en de elektronische uitwisseling van socialezekerheidsinformatie (EESSI) moet vergemakkelijken teneinde de coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde nationale autoriteiten te verbeteren; wijst erop dat de EESSI een snelle en accurate vaststelling mogelijk moet maken van de socialezekerheidsstatus, door zowel personen als autoriteiten een controlemechanisme te bieden waarmee de bijdragen en dekking eenvoudig kunnen worden nagegaan;

22.

benadrukt dat de regelgeving en controleprocedures op het vlak van arbeidsmobiliteit verder op elkaar moeten worden afgestemd en gecoördineerd, met inbegrip van gemeenschappelijke controlenormen, gezamenlijke inspecties en informatie-uitwisseling, onder leiding van de ELA en in samenwerking met de nationale bevoegde autoriteiten; dringt er bij de lidstaten op aan de uitwisseling van goede werkwijzen tussen de bevoegde nationale autoriteiten te intensiveren; pleit ervoor de ELA daadwerkelijke arbeidsinspectiebevoegdheden te geven in grensoverschrijdende zaken, in samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten; verzoekt de ELA de gegevensverzameling te verbeteren en realtimedatabanken over arbeidsmobiliteit op te zetten voor analyses en risicobeoordelingen, alsmede om voorlichtingscampagnes en gerichte inspecties voor te bereiden; herinnert eraan dat de IAO aanbeveelt een benchmark vast te stellen van één arbeidsinspecteur per 10 000 werknemers;

23.

beklemtoont dat financiering en subsidies van de Unie moeten bijdragen aan fatsoenlijk werk teneinde duurzame ontwikkeling en sociale vooruitgang te bevorderen;

24.

herinnert eraan hoe belangrijk de sociale dialoog is en moedigt in dit opzicht een grotere betrokkenheid van de sociale partners aan bij agentschappen van de Unie, overheidsinstanties, comités en instellingen teneinde praktijkgerichte initiatieven en wetgeving te garanderen waarin rekening wordt gehouden met de uiteenlopende Europese arbeidsmarktmodellen; benadrukt dat de tripartiete dialoog op EU-niveau moet worden aangewakkerd bij de opstelling en tenuitvoerlegging van verordeningen inzake dienstverrichting en de mobiliteit van werknemers, evenals bij de wederzijdse erkenning van beroepen, diploma’s, kwalificaties en vaardigheden, in overeenstemming met de beginselen die zijn verankerd in de Europese pijler van sociale rechten; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de lokale autoriteiten samen met de sociale partners noodzakelijke ondersteuningsstructuren op te zetten en uit te voeren voor de bij- en omscholing van werknemers, relevant overheidsbeleid uit te voeren en kwalitatief hoogwaardige banen aan te bieden;

25.

benadrukt dat de bescherming van werknemers en de betrokkenheid van de sociale partners de kern moeten vormen van Uniewetgeving op dit gebied zodat de democratische werking, economische groei en hoge sociale en milieunormen kunnen worden gegarandeerd;

26.

roept de Commissie op zo spoedig mogelijk te komen met een nieuw strategisch kader voor gezondheid en veiligheid op het werk voor de periode na 2020 en zich in te zetten voor het uitbannen van dodelijke arbeidsongevallen, uiterlijk in 2030; dringt er bij de Commissie op aan te komen met voorstellen voor een richtlijn over werkgerelateerde stress en aandoeningen van het bewegingsapparaat, een richtlijn over geestelijk welzijn op de werkplek en een EU-strategie voor geestelijke gezondheid om alle werknemers op de werkplek te beschermen; roept de Commissie daarnaast op met een ambitieuzere herziening van de richtlijn betreffende carcinogene of mutagene agentia te komen, en voor ten minste vijftig stoffen in de richtlijn inzake blootstelling aan carcinogene en mutagene stoffen op het werk grenswaarden op te nemen; pleit ervoor dat stoffen met schadelijke effecten op het voortplantingssysteem worden opgenomen in de richtlijn;

27.

verzoekt de Commissie en de lidstaten te voorzien in de nodige veilige en gezonde arbeidsomstandigheden voor werknemers en zelfstandigen, waarbij speciale nadruk wordt gelegd op het vrije verkeer voor werknemers, en hun waardige arbeids- en levensomstandigheden te waarborgen, vooral in het kader van de toekomstige herziening van het strategisch kader van de Unie voor gezondheid en veiligheid op het werk; dringt er bij de lidstaten op aan via nauwere samenwerking met het Europees platform tegen zwartwerk iets te doen aan het probleem van zwartwerk, waaronder zwarte seizoensarbeid, onder meer door meer bewustzijn te kweken onder werknemers en werkgevers over hun rechten en plichten; verzoekt de lidstaten op uniforme wijze en zonder discriminatie maatregelen op te leggen;

28.

dringt er bij de Commissie en de ELA op aan onderzoek te doen naar de talrijke gevallen waarin de toegang tot de arbeidsmarkt wordt ontzegd, en naar misbruik en discriminatie in verband met arbeidsomstandigheden, op basis van nationaliteit, die tijdens de COVID-19-crisis zeer zichtbaar zijn geworden; verzoekt de ELA toegankelijke, transparante en niet-discriminerende procedures te garanderen voor het indienen van zaken bij de ELA door nationale sociale partners, en waarborgen voor een doeltreffende opvolging ervan in overeenstemming met Verordening (EU) 2019/1149;

29.

verzoekt de lidstaten alle aanbevelingen van de Commissie over de aanneming, coördinatie en opheffing van COVID-19-maatregelen toe te passen; verzoekt de lidstaten daarnaast een gemeenschappelijk gezondheidszorgprotocol voor mobiele werknemers, met inbegrip van grensarbeiders, vast te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met de richtsnoeren van het Europees Centrum voor ziektepreventie (ECDC); benadrukt dat bij alle maatregelen die worden getroffen met het oog op de crisis en het hersteltraject de gezondheid en veiligheid van alle werknemers en de eerbiediging van de grondrechten — met inbegrip van de gelijke behandeling van lokale en mobiele werknemers — leidende beginselen moeten zijn, en dat er tegelijkertijd moet worden onderkend dat grens-, gedetacheerde, seizoens- en andere mobiele werknemers zich tijdens de COVID-19-pandemie en de nasleep ervan in een buitengewoon kwetsbare positie bevinden; herinnert aan het constitutionele recht van de lidstaten om in hun nationale democratische wetgevingsprocedures verder te gaan dan de bij de EU-richtlijnen vastgestelde minimumniveaus voor het verwezenlijken van beleidsdoelstellingen, zoals het waarborgen van kwalitatief hoogwaardige overheidsdiensten en een hoge mate van bescherming van werknemers, consumenten en het milieu;

30.

onderstreept dat het vrije verkeer ernstig is belemmerd door de volledige of gedeeltelijke sluiting van de grenzen door sommige lidstaten tijdens de COVID-19-pandemie; betreurt het dat door de overhaaste, ongecoördineerde en plotselinge sluiting van de grenzen en de invoering van begeleidende maatregelen mensen op doorreis niet verder konden reizen en bewoners van grensregio’s grote problemen ondervinden doordat zij nog slechts beperkt de grenzen kunnen passeren om te gaan werken, diensten te verlenen of te ontvangen en vrienden of familie te bezoeken; onderstreept de nadelige gevolgen van het sluiten van de binnen- en buitengrenzen voor de internationale handel, de wetenschappelijke sector en het toerisme; onderstreept dat de lidstaten in plaats van grenscontroles in te voeren moeten streven naar het nemen van maatregelen die nodig zijn om mensen in staat te stellen de grenzen over te steken onder maximale waarborging van de veiligheid en bescherming van de gezondheid;

31.

onderkent de cruciale rol van zorgverleners, met name tijdens de pandemie; verzoekt de Commissie hun mobiliteit te garanderen zodat kan worden voldaan aan de behoeften van de verschillende lidstaten en regio’s met het oog op demografische uitdagingen, toekomstige pandemieën of problemen op gezondheidsgebied; roept de Commissie op om, in nauwe samenwerking met de lidstaten en lokale autoriteiten, volgens de gewone wetgevingsprocedure een gemeenschappelijk, voor de hele Unie geldend en wetenschappelijk onderbouwd protocol voor het vrije verkeer tijdens gezondheids- en andere crisissituaties vast te stellen, en goed na te denken over de rol van de ELA in dit verband; verzoekt de lidstaten die IAO-verdrag nr. 189 inzake huishoudelijk personeel nog niet hebben geratificeerd, dit verdrag alsnog onverwijld te ratificeren en uit te voeren; verzoekt de lidstaten juridische kaders op te zetten om het op rechtmatige wijze in dienst nemen van huishoudelijk personeel en zorgverleners te vergemakkelijken;

32.

onderstreept dat er meer gebruik moet worden gemaakt van instrumenten voor harmonisatie en wederzijdse erkenning van professionele diploma’s, vaardigheden en kwalificaties in de hele Unie, waarbij administratieve rompslomp wordt vermeden en handel en vervoer worden vergemakkelijkt en het fundamentele beginsel van gelijke behandeling wordt geëerbiedigd zonder dat de onderwijsnormen en validatiemechanismen van de lidstaten worden afgezwakt; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook de huidige erkenningsmechanismen en portalen voor beroepsmobiliteit, waarmee transparante mobiliteit wordt vergemakkelijkt en bevorderd, zoals het Europees portaal voor beroepsmobiliteit Eures, het onlineplatform Europass alsmede het systeem inzake de Europese classificatie van vaardigheden, competenties, kwalificaties en beroepen (ESCO), te bevorderen en te verbeteren; verzoekt de lidstaten met name om grensoverschrijdende partnerschappen op te zetten om mobiele werknemers in grensoverschrijdende regio’s te helpen; verzoekt de lidstaten het vrije verkeer van personen met een handicap binnen de Unie te bevorderen en dringt er bij de lidstaten op aan toe te zien op de vaststelling van een gemeenschappelijke Europese definitie van handicaps in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en voor de wederzijdse erkenning van handicaps tussen de lidstaten;

33.

is van mening dat nationale bepalingen, praktijken en regelgeving over de toegang tot en de uitoefening van specifieke beroepen en de toegang tot en de verlening van diensten met het oog op de bescherming van het algemeen belang en de bescherming van werknemers en/of consumenten, geen obstakel vormen voor de verdieping van de interne markt;

34.

verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat mobiele werknemers toegang hebben tot opleiding en bijscholing, teneinde het gebrek aan arbeidskrachten in bepaalde sectoren aan te pakken, en digitale transities en maatregelen voor een klimaatneutrale economie te ondersteunen;

35.

herinnert aan het fundamentele recht van de lidstaten om verder te gaan dan de minimumniveaus die zijn vastgesteld bij richtlijnen van de Europese Unie, zonder onnodige en onevenredige belemmeringen op te werpen;

36.

neemt met bezorgdheid kennis van de problemen met en het gebrek aan gepaste toegang tot socialebeschermingsstelsels voor mobiele werknemers en met name voor grensarbeiders; benadrukt het belang van gecoördineerd optreden op het niveau van de Unie en neemt verheugd nota van de succesvolle bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten om de socialezekerheidsrechten voor alle werknemers te garanderen, als uiteengezet in de aanbeveling van de Raad over de toegang tot sociale bescherming voor werknemers en zelfstandigen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de sociale rechten van mobiele werknemers te garanderen in het geval van een gezondheidscrisis of andere crisissituaties;

37.

herinnert eraan dat goede arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden een concurrentievoordeel vormen voor bedrijven die geschoolde werknemers willen aantrekken; benadrukt het belang van investeringen door bedrijven in formele en informele opleidingen en een leven lang leren om de rechtvaardige transitie naar de digitale en circulaire economie te ondersteunen; benadrukt dat bedrijven die gebruikmaken van artificiële intelligentie, robotica en aanverwante technologieën de verantwoordelijkheid hebben om alle betrokken werknemers passende om- en bijscholing te bieden, zodat zij kunnen leren hoe zij digitale instrumenten kunnen gebruiken en met cobots en andere nieuwe technologieën kunnen werken, waardoor zij zich kunnen aanpassen aan de veranderende behoeften van de arbeidsmarkt en hun baan kunnen behouden; benadrukt in dit verband het belang van de kaderovereenkomst inzake digitalisering van de Europese sociale partners; herinnert eraan dat in deze overeenkomst de verantwoordelijkheid van werkgevers is vastgelegd om te voorzien in om- en bijscholing voor hun werknemers, met name met het oog op de digitalisering van banen;

38.

benadrukt dat de procedures op het gebied van arbeidsmobiliteit en detachering van werknemers teneinde de verstrekking en uitwisseling van informatie tussen nationale autoriteiten te verbeteren en doeltreffende handhaving mogelijk te maken, volledig moeten worden gedigitaliseerd, met inbegrip van het inrichten van een centrale helpdesk over de geldende Unieregels voor werknemers en toekomstige werkgevers, die zowel digitaal als fysiek wordt ondergebracht bij de ELA; dringt er bij de lidstaten op aan zich volledig in te zetten voor de digitalisering van overheidsdiensten, met name socialezekerheidsinstellingen, om de mobiliteitsprocedures voor Europese werknemers te vergemakkelijken terwijl de meeneembaarheid van rechten en de naleving van de verplichtingen in verband met het vrije verkeer worden gewaarborgd; benadrukt dat er betere statistische instrumenten moeten worden gecreëerd om discrepanties tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden op de Europese arbeidsmarkten te meten en om de behoeften van de arbeidsmarkten en de verschillen tussen deze markten te beoordelen; wijst op het belang van Eures en vestigt vooral de aandacht op de koppeling van de Eures-activiteiten aan de behoeften van de arbeidsmarkt om te kunnen voldoen aan de prioritaire sectorale en vaardigheidsbehoeften, en werkzoekenden te ondersteunen bij het vinden van een baan;

39.

verzoekt de Commissie de evaluatie van het mandaat van de ELA binnen een redelijke termijn voort te zetten, nadat de autoriteit ten minste twee jaar volledig operationeel is geweest; dringt er bij de Commissie op aan belanghebbenden met diepgaande kennis van verschillende arbeidsmarktmodellen te betrekken bij de werkzaamheden en evaluaties van de ELA;

40.

verzoekt de Commissie een wetgevingskader voor te stellen met het oog op de regulering van de telewerkomstandigheden in de hele EU, en te zorgen voor behoorlijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden;

41.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en de lokale autoriteiten samen te werken met de sociale partners en de ELA om specifieke sectorale strategieën te formuleren, niet alleen om de vrijwillige mobiliteit van werknemers te bevorderen en te vergemakkelijken, maar ook om de ondersteunende structuren te ontwerpen en op te zetten die nodig zijn voor de bij- en omscholing van werknemers, de uitvoering van het desbetreffende overheidsbeleid en het bieden van kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid die aansluit bij de vaardigheden van werknemers; wijst op de meerwaarde van de wederzijdse erkenning van de verenigbaarheid van vaardigheden en kwalificaties, ondersteund door bestaande erkenningsmechanismen zoals het Eures-portaal voor beroepsmobiliteit, het onlineplatform Europass en het ESCO-classificatiesysteem;

42.

vindt het zorgwekkend dat de toegang tot informatie voor werknemers en werkgevers over de mobiliteit van arbeid en diensten nog steeds problematisch is; merkt op dat informatie over arbeidsomstandigheden en collectieve overeenkomsten die beschikbaar wordt gesteld op de officiële nationale website van elk land vaak beperkt van aard en slechts in een paar talen toegankelijk is; verzoekt de Commissie derhalve de toegang tot informatie te verbeteren door één sjabloon te ontwikkelen voor officiële nationale websites;

43.

dringt bij de lidstaten aan op passende coördinatie van de sociale zekerheid, onder meer via de lopende herziening van Verordening (EG) nr. 883/2004 en door de meeneembaarheid van rechten te versterken, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de meeneembaarheid van socialezekerheidsuitkeringen voor personen met een handicap; benadrukt dat digitalisering een ongekende mogelijkheid biedt voor de grensoverschrijdende activiteiten van mkmo’s, waarbij de regels voor eerlijke mobiliteit wel strikt moeten worden nageleefd; benadrukt hoe belangrijk voorafgaande kennisgeving en de toepassing van A1-certificaten vóór het begin van de grensoverschrijdende tewerkstelling van de werknemer zijn;

44.

benadrukt dat de handhaving van Unieregels inzake arbeidsmobiliteit de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling, het beginsel van non-discriminatie en de bescherming van werknemers moet garanderen, en onnodige administratieve rompslomp moet voorkomen;

45.

verzoekt de Commissie na te gaan of er met betrekking tot Richtlijn 2008/104/EG betreffende uitzendarbeid sprake is van lacunes op het gebied van bescherming en te bespreken of er een herziening nodig is, teneinde fatsoenlijke arbeids- en werkgelegenheidsvoorwaarden te waarborgen voor uitzendkrachten;

46.

benadrukt dat werknemers met een handicap tegen meervoudige obstakels aanlopen die het voor hen moeilijk of onmogelijk maken de voordelen van het vrije verkeer van diensten ten volle te benutten; verzoekt de lidstaten Richtlijn (EU) 2019/882 (de Europese toegankelijkheidswet) onverwijld uit te voeren om belemmeringen voor werknemers met een handicap op doeltreffende wijze weg te nemen en erop toe te zien dat er toegankelijke diensten beschikbaar zijn en dat diensten worden geleverd onder de juiste voorwaarden; merkt op dat het van het allergrootste belang is om een volledig toegankelijke interne markt tot stand te brengen waar werknemers met een handicap gelijk behandeld worden en economisch en sociaal worden geïntegreerd;

47.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.

(2)  PB L 186 van 11.7.2019, blz. 21.

(3)  PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1.

(4)  PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1.

(5)  PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

(6)  PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1.

(7)  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51.

(8)  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 72.

(9)  PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3.

(10)  PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.

(11)  PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7.

(12)  PB L 128 van 30.4.2014, blz. 8.

(13)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.

(14)  PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35.

(15)  PB L 167 van 2.7.1999, blz. 33.

(16)  PB L 124 van 20.5.2009, blz. 30.

(17)  PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.

(18)  PB L 173 van 9.7.2018, blz. 16.

(19)  PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11.

(20)  PB L 249 van 31.7.2020, blz. 49.

(21)  PB L 185 van 11.7.2019, blz. 44.

(22)  PB L 65 van 11.3.2016, blz. 12.

(23)  PB C 189 van 15.6.2017, blz. 15.

(24)  Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0176.

(25)  PB C 337 van 20.9.2018, blz. 135.

(26)  PB C 482 van 23.12.2016, blz. 31.

(27)  http://www.eurofound.europa.eu/publications/report/2010/working-conditions-industrial-relations/posted-workers-in-the-european-union

(28)  Europese Commissie, directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie, “2017 Annual Report on intra-EU Labour Mobility”, eindverslag, januari 2018. Europese Commissie, “Study on the movement of skilled labour”, eindverslag (opgesteld door ICF), 2018; Malmström, Cecilia, voorwoord bij “Rethinking the attractiveness of EU Labour Immigration Policies: Comparative perspectives on the EU, the US, Canada and beyond”, onder redactie van S. Carrera, E. Guild en K. Eisele, CEPS, 2018.

(29)  OECD Skills for Jobs Database, https://www.oecdskillsforjobsdatabase.org/#FR/_.

(30)  Richtlijn (EU) 2018/957 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 16).

(31)  Europese Commissie: “2019 Annual Report on Intra-EU Labour Mobility”, januari 2020.