|
20.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 205/57 |
P9_TA(2021)0445
Verzoek om opheffing van de immuniteit van Nils Ušakovs
Besluit van het Europees Parlement van 11 november 2021 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Nils Ušakovs (2020/2239(IMM))
(2022/C 205/08)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien het aan het Parlement voorgelegde verzoek om opheffing van de immuniteit van Nils Ušakovs d.d. 23 oktober 2020, dat werd ingediend door de procureur-generaal van de Republiek Letland in verband met het inleiden van een strafrechtelijke procedure in de Republiek Letland, en van de ontvangst waarvan op 13 november 2020 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven, |
|
— |
na Nils Ušakovs te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement, |
|
— |
gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, |
|
— |
gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011, 17 januari 2013 en 19 december 2019 (1), |
|
— |
gezien de artikelen 29 en 30 van de Letse grondwet, |
|
— |
gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A9-0304/2021), |
|
A. |
overwegende dat de openbaar aanklager van de afdeling Onderzoek Ernstige Strafbare Feiten van het departement Strafrecht van het bureau van de procureur-generaal te Riga heeft verzocht om opheffing van de immuniteit van Nils Ušakovs, lid van het Europees Parlement, om tegen hem een strafrechtelijke procedure te kunnen inleiden wegens schending van het verbod op het voorhanden hebben van apparatuur die aangepast is voor het verrichten van bepaalde clandestiene handelingen; |
|
B. |
overwegende dat op 30 januari 2019, tijdens een huiszoeking in het kantoor van Nils Ušakovs, voorzitter van de gemeenteraad van Riga, waarvoor in het kader van een andere strafrechtelijke procedure een machtiging was afgegeven, een apparaat werd gevonden dat in de eerste plaats bedoeld is geweest voor het maken van clandestiene video- en geluidsopnames, en speciaal is ontworpen en wordt gebruikt voor bepaalde clandestiene handelingen; |
|
C. |
overwegende dat Nils Ušakovs, door in zijn kantoor in het gebouw van de gemeenteraad van Riga het apparaat voorhanden te hebben, inbreuk zou hebben gemaakt op het verbod dat is neergelegd in artikel 51, lid 1, van de wet inzake het verkeer van goederen van strategisch belang, op grond waarvan het natuurlijke personen verboden is om apparatuur, apparaten of instrumenten of onderdelen daarvan te verwerven of bezitten die speciaal ontworpen of aangepast zijn voor het verrichten van bepaalde clandestiene handelingen als bedoeld in de nationale lijst van goederen en diensten van strategisch belang van de Republiek Letland; overwegende dat Nils Ušakovs door zijn daden een misdrijf zou hebben gepleegd op grond van artikel 2371, lid 2, van het Letse wetboek van strafrecht; |
|
D. |
overwegende dat Nils Ušakovs bij de verkiezingen voor het Europees Parlement van mei 2019 werd verkozen tot EP-lid; |
|
E. |
overwegende dat de gestelde inbreuk geen betrekking heeft op meningen die Nils Ušakovs in de uitoefening van zijn ambt als lid van het Europees Parlement heeft geuit dan wel een stem die hij in de uitoefening van dat ambt heeft uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie; |
|
F. |
overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is bepaald dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied de immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend; |
|
G. |
overwegende dat in de artikelen 29 en 30 van de Letse grondwet het volgende is bepaald: “Artikel 29 De leden van de Saeima (Letse parlement) worden niet aangehouden, hun kantoren worden niet doorzocht en hun persoonlijke vrijheid wordt op geen enkele wijze beperkt zonder toestemming van de Saeima. […] Artikel 30 Zonder toestemming van de Saeima kan geen strafvervolging worden ingesteld tegen zijn leden.”; |
|
H. |
overwegende dat het Parlement niet als een rechtbank kan worden beschouwd en dat het lid in het kader van een procedure tot opheffing van de immuniteit niet als een “verdachte” kan worden beschouwd (2); |
|
I. |
overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in het kader van de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden; |
|
J. |
overwegende dat het Parlement in dit geval geen bewijs van fumus persecutionis heeft gevonden, dat wil zeggen feiten die erop wijzen dat de gerechtelijke procedure wordt gevoerd met de intentie de politieke activiteiten van het lid en daarmee het Europees Parlement schade toe te brengen; |
1.
besluit de immuniteit van Nils Ušakovs op te heffen;
2.
verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de bevoegde autoriteit van de Letse Republiek en aan Nils Ušakovs.
(1) Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI:EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23; arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2019, Junqueras Vies, C-502/19, ECLI:EU:C:2019:1115.
(2) Arrest van het Gerecht van 30 april 2019, Briois/Parlement, T-214/18, ECLI:EU:T:2019:266.