|
24.9.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 340/115 |
RESOLUTIE (EU) 2021/1547 VAN HET EUROPEES PARLEMENT
van 29 april 2021
met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, afdeling II — Europese Raad en Raad
HET EUROPEES PARLEMENT,
|
— |
gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, afdeling II — Europese Raad en Raad, |
|
— |
gezien artikel 100 van en bijlage V bij zijn Reglement, |
|
— |
gezien het advies van de Commissie constitutionele zaken, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0056/2021), |
|
A. |
overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk legt op het bijzondere belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door het vergroten van de transparantie en de verantwoordingsplicht, alsook het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer; |
1.
is tevreden met het feit dat de Rekenkamer in zijn jaarverslag 2019 (hierna „het verslag van de Rekenkamer” genoemd) opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten in verband met personeelsbeheer en aanbestedingen bij de Europese Raad en de Raad (hierna „de Raad”);
2.
stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer op basis van zijn controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2019 afgesloten jaar, die zowel de administratieve als andere uitgaven van de Raad omvatten, geen materiële fouten vertonen en dat de beoordeelde toezichts- en controlesystemen doeltreffend zijn bevonden;
3.
betreurt in het algemeen dat de reikwijdte en conclusies van hoofdstuk 9 van het verslag van de Rekenkamer betreffende administratie nogal beperkt zijn, ook al wordt rubriek 5 „Administratie” van het meerjarig financieel kader (MFK) beschouwd als een rubriek met een laag risico; verzoekt om bij de controlewerkzaamheden voor dat hoofdstuk meer aandacht te besteden aan kwesties die zeer relevant of zelfs kritiek zijn voor de Raad;
Budgettair en financieel beheer
|
4. |
merkt op dat de begroting van de Raad voornamelijk van administratieve aard is en dat een groot deel ervan wordt gebruikt voor uitgaven met betrekking tot personen, gebouwen, meubilair, uitrusting en diverse werkingskosten; betreurt dat zijn reeds lang geleden geformuleerde verzoek om de begroting van de Europese Raad en de Raad met het oog op een grotere transparantie en verantwoordingsplicht voor beide instellingen te splitsen in een afzonderlijke begroting voor elke instelling niet in overweging is genomen en verzoekt de Raad, zoals het al herhaaldelijk in eerdere kwijtingsbesluiten heeft gedaan, om de begroting van de Europese Raad en de Raad te splitsen in een afzonderlijke begroting voor elke instelling om redenen van transparantie en om de verantwoordingsplicht en de efficiëntie van de uitgaven voor beide instellingen te verbeteren; |
|
5. |
merkt op dat de Raad in 2019 over een totale begroting van 581 895 459 EUR beschikte (tegenover 572 854 377 EUR in 2018 en 561 576 000 EUR in 2017), met een algemene uitvoeringsgraad van 92,3 % (tegenover 91,9 % in 2018 en 93,8 % in 2017); merkt op dat de begroting minder is toegenomen dan in eerdere jaren (9 miljoen EUR, tegenover 11,3 miljoen EUR in 2018 en 16,5 miljoen EUR in 2017), hetgeen neerkomt op een stijging van 1,6 % (tegenover 2 % in 2018 en 3 % in 2017); |
|
6. |
merkt op dat in totaal 56 599 584 EUR aan kredieten van 2018 naar 2019 werden overgedragen, wat neerkomt op 10,7 %, en dat deze kredieten voornamelijk afkomstig waren van posten als computersystemen (19,5 miljoen EUR), gebouwen (16,0 miljoen EUR) en vertolking (11,9 miljoen EUR); is ingenomen met de uitvoering van de naar 2019 overgedragen kredieten, waarvoor de betalingen in totaal 49 240 654 EUR bedroegen, wat neerkomt op 87,7 %, onder meer voor computersystemen (18,7 miljoen EUR), gebouwen (12,5 miljoen EUR) en vertolking (10,4 miljoen EUR); |
|
7. |
overwegende dat het kredietoverdrachtspercentage — 9,8 % van 2019 naar 2020 — licht is afgenomen (vergeleken met 10,7 % van 2018 naar 2019 en 11,5 % van 2017 naar 2018); herinnert de Raad er echter aan dat overdrachten als uitzonderingen op het beginsel van jaarperiodiciteit moeten worden gezien en werkelijke behoeften moeten weerspiegelen; dringt er bij de Raad op aan zijn inspanningen op te voeren om een te ruime begrotingsraming te voorkomen; |
|
8. |
feliciteert de Raad met het uitstekende vastleggings- en betalingspercentage van 100 % voor het begrotingsonderdeel „Reiskosten van delegaties”; neemt tevens kennis van het vastleggingspercentage van 100 % voor de begrotingsonderdelen „computersystemen” en „Informatie”, maar wijst erop dat het overdrachtspercentage naar 2020 voor deze begrotingslijnen respectievelijk 35,4 % en 32,9 % bedroeg; |
|
9. |
neemt kennis van het feit dat het aantal „institutionele” en „overige” vergaderingen in 2019 uitkwam op 7 668 (tegenover 6 338 in 2010); merkt op dat het totale aantal georganiseerde vergaderingen in 2019 0,8 % (oftewel 65 vergaderingen) lager lag dan in 2018 als gevolg van de verminderde wetgevende activiteiten in het tweede semester in verband met de Europese verkiezingen en de verkiezing of benoeming van nieuwe leden bij alle instellingen van de Unie; |
|
10. |
merkt op dat de vertolkingskosten in overeenstemming met de afgenomen vergaderactiviteit en ondanks een stijging van de „i-slot”-prijs met 2 % (10 EUR hoger dan in 2018), met 11 % zijn afgenomen (62,2 miljoen EUR tegenover 70 miljoen EUR in 2018) en dat die kosten 62 480 tolkdagen dekten, een daling met 13 % ten opzichte van 2018; |
|
11. |
merkt op dat in 2019 in totaal 1 326 rechtshandelingen zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (tegenover 1 210 in 2018, 1 130 in 2017 en 825 in 2010); merkt op dat de toename van het aantal rechtshandelingen voor een groot deel wordt verklaard door de noodzaak om zoveel mogelijk rechtshandelingen aan te nemen vóór de Europese verkiezingen van 2019; |
|
12. |
herinnert de Raad eraan dat de uitvoering van effectbeoordelingen een van de belangrijkste factoren is die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, en dat de Raad heeft toegezegd om effectbeoordelingen uit te voeren met betrekking tot substantiële wijzigingen die hij aanbrengt in de voorstellen van de Commissie; betreurt dat de Raad tot dusver voor geen enkel van zijn amendementen een effectbeoordeling heeft uitgevoerd; |
Intern beheer, interne controle, prestaties
|
13. |
wijst in het kader van de modernisering op de stappen die de Raad heeft ondernomen om een vlakkere managementstructuur te creëren, door lagen uit de hiërarchie te verwijderen met als doel de communicatie te verbeteren, de besluitvorming te vergemakkelijken en het personeel een grotere zeggenschap in dossiers te geven; merkt op dat er een uitgebreid getest IT-instrument op het gebied van HR is ingevoerd (Sysper), alsmede andere IT-instrumenten die worden gebruikt om missies van begin tot eind te beheren; waardeert deze stappen en verzoekt de Raad op de ingeslagen weg voort te gaan; |
|
14. |
erkent dat er een intern controlekader bestaat dat redelijke zekerheid biedt ten aanzien van het halen van doelstellingen; is tevreden dat in de controleverslagen van de intern controleur en de Rekenkamer en in de adviezen van het auditcomité met betrekking tot 2019 geen melding is gedaan van misbruik van middelen of onregelmatigheden; merkt voorts op dat alle afdelingen aan risicobeheer hebben gedaan door risicoregisters bij te houden met informatie over de geïdentificeerde risico’s, alsook een beoordeling en de geselecteerde aanpak ervan; merkt op dat er in 2019 geen kritieke risiconiveaus zijn gemeld en dat zich geen aanzienlijke risico’s hebben voorgedaan; is ermee ingenomen dat 93 % van de in 2016-2018 gedane aanbevelingen is of wordt uitgevoerd; |
|
15. |
is ingenomen met de verbeteringen in de financiële beheers- en prestatiesystemen van de Raad, zoals de lancering in oktober 2019 van het project voor geïntegreerde financiële en activiteitenplanning, waardoor de jaarlijkse en meerjarige begrotingsplanning zullen worden geïntegreerd en de financiële planning wordt gekoppeld aan de uitvoering van de begroting op het niveau van afzonderlijke activiteiten; |
|
16. |
merkt in het kader van de verbetering van de kasstroompositie op dat de gemiddelde vertraging bij de betaling van facturen in 2019 19 dagen bedroeg, met een maximale vertraging van dertig kalenderdagen; |
|
17. |
brengt in herinnering dat kernprestatie-indicatoren een algemeen aanvaard instrument zijn om de behaalde prestaties af te meten tegen de vastgestelde doelstellingen; verzoekt de Raad om in zijn beheersverslagen een samenvatting op te nemen van de belangrijkste kernprestatie-indicatoren en de bijbehorende resultaten; |
Personele middelen
|
18. |
merkt op dat het aantal posten in de personeelsformatie voor 2019 was vastgesteld op 3 033 (tegenover 3 031 posten in 2018 en 3 027 posten in 2017); is ingenomen met de inspanningen om de organisatie te stroomlijnen door dertig AST5-functies om te zetten naar dertig AD5-functies in het kader van de voortzetting van de administratieve modernisering; is in het algemeen ingenomen met het proces van administratieve modernisering met als doel de kwaliteit van de organisatie van de Raad en het correcte gebruik van de middelen te verbeteren; |
|
19. |
vraagt de Raad verslag uit te brengen over de vereenvoudiging en verbetering van de HR-procedures en alle aanverwante acties, zoals de follow-up van de in het najaar van 2018 afgenomen personeelsenquête, de verbetering van de carrièreperspectieven voor het personeel, de versterking van de uitwisseling van ervaringen en kennis, de bevordering van moderne communicatiemiddelen en de verdere voorkoming van psychosociale risico’s; moedigt de Raad aan de bestaande flexibele werkregelingen aan te vullen met een bescherming van het recht van de personeelsleden om offline te zijn; |
|
20. |
is ingenomen met het positieve actieprogramma van het secretariaat-generaal van de Raad voor stagiairs met een handicap, dat vier tot zes betaalde stages per jaar mogelijk maakt voor burgers van de Unie met een erkende handicap, en met het beleid van de Raad inzake redelijke aanpassingen, dat personen met een handicap in staat stelt hun taken op voet van gelijkheid met anderen uit te voeren; |
|
21. |
verzoekt de Raad verslag uit te brengen over zijn genderactieplan en de maatregelen die zijn genomen om bij de Raad gelijke kansen te garanderen voor personen met een handicap, over de opgezette aanverwante procedures en over de acties die zijn ondernomen om te komen tot een evenwicht tussen mannen en vrouwen op alle hiërarchische niveaus; verzoekt de Raad voorts informatie te verstrekken over het percentage personen met een handicap en over het geografische evenwicht in zijn personeelsformatie, en over de maatregelen die zijn genomen om een evenwicht te verzekeren; |
|
22. |
herinnert aan zijn resolutie van 17 december 2020 over de noodzaak van een specifieke Raadsformatie voor gendergelijkheid, waarbij de ministers en staatssecretarissen die belast zijn met gendergelijkheid wordt verzocht een specifiek institutioneel forum te creëren om ervoor te zorgen dat gendergelijkheid beter wordt geïntegreerd in de strategieën en beleidsprocessen van de Unie, dat alle verwante beleidsmaatregelen worden gecoördineerd en dat de bescherming van vrouwenrechten en gendergelijkheid in Europa wordt geharmoniseerd door middel van een intersectionele benadering; onderstreept dat een dergelijke specifieke formatie een essentieel element zou zijn voor het deblokkeren van de onderhandelingen over de belangrijkste dossiers in verband met gendergelijkheid; |
|
23. |
verzoekt de Raad gender- en geografische onevenwichtigheden aan te pakken om te komen tot een adequate vertegenwoordiging van onderdanen van alle lidstaten, inclusief op managementniveau; |
Belangenconflicten, intimidatie, klokkenluiders
|
24. |
betreurt niet meer informatie te hebben ontvangen over verbeteringen in de ethische cultuur en normen van de Raad, zoals een speciale webpagina over specifieke opleidingen over publieke ethiek, een voor alle personeelsleden geldende gedragscode waarin de verwachtingen rond integriteit en ethische waarden worden uiteengezet, alsook interne richtsnoeren met betrekking tot veelgestelde vragen over ethische aangelegenheden en procedures ter bescherming van klokkenluiders; |
|
25. |
is zich bewust van de sleutelrol van de Raad bij voordrachts- en benoemingsprocedures voor de instellingen en organen van de Unie, met name voor de Europese Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de raadgevende comités (het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité); beveelt ten zeerste aan deze rol te herzien in het licht van de door de Unie vastgestelde ethische beginselen, onder meer met betrekking tot integriteit en waardigheid; herinnert aan de verklaring van de Rekenkamer dat ethisch gedrag „[bijdraagt] tot een beter financieel beheer en een sterker vertrouwen van het publiek, hetgeen onmisbaar is wil overheidsbeleid succes kunnen hebben” en met name dat „onethisch gedrag van personeel en leden van de instellingen en organen van de Europese Unie veel publieke aandacht [krijgt] en het vertrouwen in de EU [vermindert]”; acht het daarom noodzakelijk te voorkomen dat bij de benoeming van leden van instellingen en organen van de Unie kandidaten worden geselecteerd die een reputatierisico vormen voor de Unie als geheel, zoals kandidaten met onethisch gedrag dat is bevestigd door OLAF of tegen wie juridische procedures lopen; |
|
26. |
spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat de Raad herhaaldelijk kandidaten tot lid van de Europese Rekenkamer heeft benoemd ondanks het feit dat het Parlement met een overgrote meerderheid van afwijzende stemmen in de plenaire vergadering een negatief advies had uitgebracht omdat het de kandidaat aan de nodige vaardigheden en persoonlijke of politieke onpartijdigheid ontbrak; |
|
27. |
is bezorgd over het feit dat de officiële website van de Raad geen hoofdstuk bevat over een ethisch kader met regels om mogelijke belangenconflicten te voorkomen, te identificeren en te vermijden; verzoekt de Raad in dat verband het voorbeeld te volgen van andere instellingen van de Unie, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op zijn website een apart hoofdstuk heeft gewijd aan transparantie; verzoekt de Raad een plan voor te leggen om maatregelen op dit gebied in te voeren, met duidelijke termijnen; |
|
28. |
deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer over het ontbreken van een gemeenschappelijk ethisch EU-kader voor het werk van de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad; benadrukt, gezien de herhaalde verzoeken van de Rekenkamer en de Europese Ombudsman om de ethiek en transparantie van de instelling te verbeteren, dat het belangrijk is dat de Raad, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de lidstaten die in de Raad werkzaam zijn, de ethische regels harmoniseert en reeds bestaande ethische regels handhaaft; herinnert aan de verplichting van de Raad om iets te doen aan de belangenconflicten op hoog niveau, de draaideurconstructies en de transparantieregels met betrekking tot lobbying; |
|
29. |
herhaalt nadrukkelijk zijn verzoek aan de Raad om de gedragscode voor de voorzitter van de Europese Raad in overeenstemming te brengen met die van het Parlement en de Commissie zodat er regels gelden voor de goedkeuring van activiteiten met betrekking tot de Uniewetgeving nadat de voorzitter van de Europese Raad zijn of haar functie heeft verlaten; |
|
30. |
benadrukt het feit dat het secretariaat-generaal van de Raad op 21 januari 2020 een brief naar de delegaties heeft verzonden met informatie voor 2019 over de professionele activiteiten van voormalige hooggeplaatste functionarissen van het secretariaat-generaal na hun uitdiensttreding, in overeenstemming met artikel 16, derde en vierde alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en met de uitvoeringsvoorschriften daarvan; |
|
31. |
herhaalt zijn diepe bezorgdheid over het belangenconflict van een aantal vertegenwoordigers van de lidstaten die betrokken zijn bij besluitvormingsprocessen met betrekking tot het beleid en de begroting; herhaalt zijn nadrukkelijke verzoek aan de Raad om ervoor te zorgen dat vertegenwoordigers van de lidstaten die rechtstreeks van subsidies van de Unie profiteren via de bedrijven die zij bezitten, niet deelnemen aan de besprekingen en stemmingen over het beleid en de begroting ter zake; verzoekt de Raad het Parlement informatie te verstrekken over de nodige maatregelen die genomen zijn om belangenconflicten te voorkomen; |
Gebouwen
|
32. |
is ingenomen met het feit dat de definitieve betaling van het bedrag voor het Europagebouw dat verschuldigd was aan de Belgische autoriteiten, in 2019 heeft plaatsgevonden, aangezien het niet mogelijk was de definitieve verkoopakte in 2017 te ondertekenen; merkt op dat de bij besluit van 2017 naar 2018 overgedragen kredieten ter waarde van 4,1 miljoen EUR in 2018 naar behoren zijn vastgelegd, maar niet zijn betaald, en met het oog op betaling naar 2019 zijn overgedragen; |
|
33. |
herhaalt zijn bezorgdheid over de alarmerende informatie in de media over de bouw van het nieuwe Europagebouw; verzoekt de Raad de hoofdcontractant en de volledige keten van onderaannemers (tot twaalf volgens de media) en de arbeidsomstandigheden van hun werknemers grondig door te lichten, en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement al zijn bevindingen te doen toekomen; |
|
34. |
is ingenomen met de inspanningen van de Raad ter vermindering van zijn ecologische voetafdruk in al zijn gebouwen, die sinds 2016 zijn geregistreerd in het kader van het Europees milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS); is ingenomen met de publicatie van een gedetailleerde milieuverklaring in oktober 2020 op basis van gegevens van 2019; |
Digitalisering
|
35. |
merkt op dat de afdeling Digitale Diensten van de Raad (SMART) in 2019 een uitgebreid scala aan diensten aan de Raad heeft verleend en dat aanzienlijke investeringen zijn gedaan in de ontwikkeling van nieuwe instrumenten, zoals het vertaalbeheersysteem, het briefinginstrument, het programma voor het maken, bewerken en beheren van trialoogtabellen, EDiT voor het gezamenlijk opstellen en bewerken van wetgevingsteksten, eAgenda en andere technische platforms; |
|
36. |
moedigt de Raad aan gebruik te maken van opensourcetechnologieën om afhankelijkheid van aanbieders te voorkomen, de controle over zijn eigen technische systemen te behouden, sterkere waarborgen te bieden voor de privacy en de gegevensbescherming van de gebruiker en de veiligheid en transparantie voor het publiek te vergroten; |
|
37. |
moedigt de Raad aan de aanbevelingen van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming op te volgen en opnieuw te onderhandelen over het interinstitutioneel licentieakkoord en de uitvoeringsovereenkomst die in 2018 door de EU-instellingen en Microsoft zijn ondertekend, met als doel technologische soevereiniteit te bereiken, afhankelijkheid van één aanbieder en een gebrek aan controle te vermijden en de bescherming van persoonsgegevens te waarborgen; |
Transparantie
|
38. |
merkt op dat het secretariaat-generaal van de Raad de ontwerprichtsnoeren met beste praktijken voor de voorzitterschappen van de Raad met betrekking tot sponsoring op 29 juni 2020 naar de delegaties heeft verzonden, nadat de Raad de aanbeveling van de Europese Ombudsman (hierna de „Ombudsman” genoemd) over richtsnoeren voor de lidstaten met betrekking tot sponsoring had goedgekeurd en nadat de Commissie begrotingscontrole van het Parlement er regelmatig aan had herinnerd; wijst er nogmaals op dat belangenconflicten schadelijk zijn voor de reputatie van de Raad en de Unie als geheel; |
|
39. |
merkt op dat van de lidstaten wordt verwacht dat zij hun eigen voorzitterschap van de Raad financieren en betreurt dat zij een beroep doen op sponsoring door bedrijven om een aantal van hun uitgaven te dekken; maakt zich grote zorgen over de mogelijke reputatieschade die deze praktijk kan berokkenen aan de Raad en de Unie; dringt erop aan dat voorzitterschappen geen gebruik maken van sponsoring door bedrijven om hun kosten te dekken en verzoekt de Raad in dit verband te overwegen de voorzitterschappen op te nemen in de begroting; |
|
40. |
spoort de Raad aan de voorzitterschappen naar behoren te adviseren over de vaststelling van duidelijke en transparante regels inzake sponsoring, met bijzondere aandacht voor mogelijke belangenconflicten in gevallen waarbij de bedrijfssector expliciete belangen heeft in de besluiten van de Raad; dringt er bij de Raad op aan onverwijld vooruitgang te boeken met betrekking tot de richtsnoeren en zich met name te bezinnen op het huidige niet-bindende karakter van de richtsnoeren; |
|
41. |
brengt in herinnering dat de Ombudsman in 2017 een onderzoek is gestart (OI/2/2017) naar de transparantie van de wetgevingswerkzaamheden van de Raad om het voor burgers makkelijker te maken het wetgevingsproces van de Unie te volgen; is ingenomen met de recente positieve reactie van de Ombudsman op de nieuwe transparantiemaatregelen van de Raad, zoals de proactieve publicatie van voortgangsverslagen inzake de onderhandelingen over ontwerpwetten, die volledig in overeenstemming zijn met de voorstellen die de Ombudsman heeft gedaan naar aanleiding van haar onderzoeken en met de verzoeken uit de laatste kwijtingsbesluiten; |
|
42. |
herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 17 januari 2019 over het strategisch onderzoek van de Ombudsman OI/2/2017 betreffende de transparantie van het wetgevingsoverleg in de voorbereidende instanties van de Raad van de EU zijn krachtige steun heeft uitgesproken voor de voorstellen van de Ombudsman inzake transparantie van de wetgeving en erop heeft aangedrongen dat de Raad de transparantie van de wetgeving voort verbetert, met name door de standpunten van de lidstaten vast te leggen en te publiceren en meer trialoogdocumenten beschikbaar te stellen; dringt er bij de Raad op aan zijn inspanningen op het gebied van transparantie op te voeren, onder meer door werkdocumenten van de Raad te publiceren in een machineleesbaar formaat; verzoekt de Raad verslag uit te brengen over andere maatregelen die zijn genomen om de transparantie van de wetgeving te verbeteren; |
|
43. |
wijst op het besluit van de Ombudsman in zaak 1946/2018/KR, waarin de Ombudsman het secretariaat-generaal van de Raad verzoekt een volledig overzicht bij te houden van alle bijeenkomsten tussen lobbyisten en de voorzitter van de Europese Raad of leden van zijn kabinet; steunt krachtig de verklaring van de Ombudsman dat de leden van het kabinet van de voorzitter alleen belangenvertegenwoordigers mogen ontmoeten en door hen georganiseerde evenementen mogen bijwonen indien die belangenvertegenwoordigers zijn ingeschreven in het transparantieregister; is bezorgd over het feit dat deze verklaring onopgemerkt is gebleven en dringt erop aan dat een antwoord aan de Ombudsman wordt gegeven; |
|
44. |
is verheugd dat de drie instellingen, het Parlement, de Raad en de Commissie, opnieuw de gezamenlijke ambitie hebben uitgesproken om een akkoord te bereiken over een transparantieregister van de drie instellingen, met het doel de transparantie over contacten met belangenvertegenwoordigers te verbeteren; feliciteert de Raad met de positieve stappen en verdere resultaten die zijn behaald onder het Duitse voorzitterschap en die hebben geleid tot een politiek akkoord over een verplicht transparantieregister op 15 december 2020, en beveelt alle betrokken actoren aan het op 27 april 2021 door het Parlement goedgekeurde interinstitutioneel akkoord te ondertekenen, zodat het register verplicht wordt door de Raad erin op te nemen; dringt er bij de Raad op aan het toepassingsgebied van het akkoord uit te breiden door lobbyisten te verplichten zich in te schrijven voor ontmoetingen met de ambassadeurs van het huidige of toekomstige voorzitterschappen en hun plaatsvervangers in het Comité van permanente vertegenwoordigers, alsook met de secretaris-generaal of de directeuren-generaal van de Raad; |
|
45. |
merkt op dat er zeven klachten zijn ingediend bij de Ombudsman en dat er één strategisch onderzoek is verricht, alle met betrekking tot transparantie; merkt op dat de Ombudsman bij twee van de zeven klachten van oordeel was dat er sprake was van wanbestuur; merkt op dat één zaak is gesloten, dat twee zaken niet werden beschouwd als gevallen van wanbeheer en dat de resterende twee klachtenprocedures nog hangende zijn; merkt op dat de Ombudsman bij het strategisch onderzoek, dat betrekking had op de transparantie van de bij de voorbereiding van de vergaderingen van de Eurogroep betrokken instanties, heeft geconstateerd dat de Raad stappen had gezet om het transparantiebeleid verder te verbeteren en heeft besloten om het onderzoek af te sluiten; |
Communicatie
|
46. |
is het ermee eens dat in 2019 voorrang werd verleend aan het toegankelijker maken van de website van de Raad, zoals aanbevolen in het kader van de externe controle in 2018; is ingenomen met de bemoedigende ontwikkeling dat de zogeheten „beleidspagina’s”, die achtergrondinformatie bieden over de belangrijkste initiatieven en wetgeving waarover de Raad discussieert, het snelst groeiende deel van de website waren; |
|
47. |
is ingenomen met het feit dat de verbeteringen hebben geleid tot een betere gebruikerservaring met de website, ook voor personen met een handicap, zoals blijkt uit de toegankelijkheidsscore, die is gestegen van 47 % eind 2018 naar 67 % in december 2019; merkt op dat de resterende aanbevelingen naar aanleiding van de controle, die hoofdzakelijk verband houden met gebruikerservaring en normen voor het creëren van inhoud, in 2020 zullen worden uitgevoerd; verzoekt de Raad verder verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de resultaten en verwezenlijkingen als gevolg van de auditaanbevelingen, met name wat de toegang van personen met een handicap betreft; |
|
48. |
merkt op dat de audiovisuele uitzendinfrastructuur en productievoorzieningen van de Raad in 2019 verder zijn verbeterd om doeltreffender te werken en de infrastructuur toekomstbestendig en veerkrachtiger te maken zodat die de toenemende hoeveelheid videoverslagen kan opvangen; |
Rol van de Raad bij de benoeming van de Europese aanklagers bij het Europees Openbaar Ministerie (EOM)
|
49. |
herinnert eraan dat de nationale preselectiecommissies in 2019 en 2020 kandidaten hebben voorgedragen voor evaluatie en dat de Europese selectiecommissie heeft beraadslaagd over de kwalificaties van de 22 Europese aanklagers die in 2020 bij het EOM moesten worden benoemd; herinnert eraan dat de Europese selectiecommissie overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 van de Raad (1) de kandidaten evalueert en de Raad een rangorde geeft waarmee de Raad rekening houdt; |
|
50. |
herinnert eraan dat in Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1117 van de Raad (2) staat vermeld: „Wat de door België, Bulgarije en Portugal voorgedragen kandidaten betreft, heeft de Raad niet de niet-bindende volgorde van voorkeur van de selectiecommissie gevolgd, op basis van een andere beoordeling van de verdiensten van die kandidaten die in de betrokken voorbereidende instanties van de Raad is verricht”; |
|
51. |
herinnert eraan dat op 27 juli 2020 Oostenrijk, Estland, Luxemburg en Nederland een verklaring openbaar hebben gemaakt, waarin zij beklemtonen dat „concurrentie tussen de rangorde van de nationale selectiecommissies en de rangorde van de Europese selectiecommissie — wat het risico inhoudt dat de Europese component van de benoemingsprocedure wordt uitgehold — [moet] worden vermeden”; |
|
52. |
betreurt dat de Raad tussen juli en september 2020 geen behoorlijk antwoord heeft gegeven op diverse schriftelijke parlementaire vragen waarin hij werd verzocht uit te leggen waarom hij heeft besloten de aanbevelingen van de Europese selectiecommissie niet te volgen en nadere uitleg te verstrekken over de beoordelingsprocedure die heeft geleid tot dit besluit om de aanbevelingen van de Europese selectiecommissie niet te volgen; |
|
53. |
maakt zich grote zorgen over de onthullingen in de media dat de Portugese regering de Raad onjuiste informatie heeft verstrekt over de titel en ervaring van de kandidaat die als tweede gerangschikt werd door de Europese selectiecommissie, hetgeen heeft geleid tot zijn benoeming als Portugese Europees aanklager; |
|
54. |
herinnert eraan dat de Europese aanklagers onafhankelijk moeten zijn en dat elk vermoeden van interventie door een nationale regering ten gunste van een kandidaat tegen de aanbeveling van de Europese selectiecommissie ernstige negatieve gevolgen heeft voor de reputatie, integriteit en onafhankelijkheid van het EOM als instelling; |
Stand van zaken met betrekking tot de weigering om kwijting te verlenen
|
55. |
onderstreept de bevoegdheid van het Parlement om kwijting te verlenen krachtens artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de toepasselijke bepalingen van het Financieel Reglement en het Reglement van het Parlement, in overeenstemming met de tot nu toe gehanteerde interpretatie en praktijk, namelijk de bevoegdheid om kwijting te verlenen teneinde de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen; |
|
56. |
merkt op dat het Parlement in de loop van bijna twintig jaar de praktijk heeft ontwikkeld om kwijting te verlenen aan alle instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie; |
|
57. |
wijst erop dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie het recht van de belastingbetalers en het publiek ondersteunt om op de hoogte te worden gehouden van het gebruik van overheidsinkomsten; |
|
58. |
herhaalt dat een open en transparant bestuur van de Unie en de bescherming van de financiële belangen van de Unie allebei een open en transparante kwijtingsprocedure vereisen waarbij iedere instelling van de Unie verantwoordelijk is voor de begroting die zij uitvoert, overeenkomstig artikel 59 van het financieel reglement; |
|
59. |
herhaalt dat de samenwerking tussen de instellingen in het kader van de kwijtingsprocedure moet worden verbeterd door middel van een memorandum van overeenstemming tussen het Parlement, de Raad en de Commissie over de samenwerking tussen het Parlement en de Raad in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure; |
|
60. |
benadrukt dat iedere instelling overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld en volgens de daarin bepaalde procedures, voorwaarden en doelstellingen, en dat de instellingen loyaal samenwerken; |
|
61. |
herinnert aan de moeilijkheden die tot op heden herhaaldelijk in de kwijtingsprocedures zijn ondervonden als gevolg van een gebrek aan medewerking van de Raad, en herinnert eraan dat het Parlement heeft geweigerd de secretaris-generaal van de Raad kwijting te verlenen voor de begrotingsjaren 2009 tot en met 2019; |
|
62. |
benadrukt dat het Parlement in de huidige situatie, waarin het alleen de verslagen van de Rekenkamer en de Europese Ombudsman en de informatie op de website van de Raad kan controleren, maar tijdens de jaarlijkse kwijtingsprocedure geen schriftelijke of mondelinge antwoorden van de Raad ontvangt, geen geïnformeerd besluit kan nemen over het verlenen van kwijting, en dat dit langdurige negatieve gevolgen heeft voor beide instellingen en afbreuk doet aan de procedure inzake het politieke toezicht op het begrotingsbeheer; |
|
63. |
beklemtoont dat onderhandelingen moeten worden heropgestart met de Raad, teneinde een voor beide partijen bevredigend akkoord te bereiken en de impasse eindelijk te doorbreken; |
|
64. |
herhaalt dat er een onderhandelingsteam van het Parlement is opgericht en dat de Commissie begrotingscontrole van het Parlement op 25 mei 2020 een brief heeft gestuurd aan de secretaris-generaal van de Raad met het verzoek de onderhandelingen te starten; |
|
65. |
is er nog altijd van overtuigd dat over deze kwestie overeenstemming kan worden bereikt en verzoekt de Raad daarom de onderhandelingen onverwijld te hervatten om tot een oplossing te komen en het recht van de burgers op verantwoording te eerbiedigen; |
|
66. |
merkt op dat de verschillende rollen van de respectieve instellingen in de kwijtingsprocedures van elkaar moeten worden onderscheiden; benadrukt dat het Parlement niet aanvaardt dat de twee instellingen een gelijkwaardige en wederkerige rol in de kwijtingsprocedure spelen; |
|
67. |
herhaalt, met betrekking tot de specifieke rol van de Raad als instelling die aanbevelingen doet voor de kwijtingsprocedure, zijn verzoek aan de Raad om aanbevelingen te doen over het verlenen van kwijting aan de andere instellingen van de Unie; |
|
68. |
erkent dat de positieve trend in dit proces onderbroken werd door de COVID-19-pandemie; merkt evenwel met bezorgdheid op dat alle pogingen van het Parlement om in het najaar van 2020 een eerste voorbereidende gedachtewisseling met de Raad te houden, zijn mislukt; |
|
69. |
wijst erop dat het Parlement aan zijn standpunten blijft vasthouden zolang de partijen niet onderhandelen en dat onderhandelingen tussen de partijen een voorwaarde zijn om tot een oplossing van deze kwestie te komen; |
|
70. |
herinnert aan de verklaringen van vicevoorzitter Věra Jourová en commissaris Johannes Hahn tijdens hun hoorzittingen voor het Parlement in 2019, dat zij bereid zijn overleg te plegen over deze aangelegenheid om tot meer transparantie te komen over de uitvoering van de begroting van de Raad; is van mening dat de onderhandelingen kunnen worden uitgebreid met de Commissie, om ervoor te zorgen dat het Parlement de nodige informatie krijgt over de wijze waarop de Raad zijn begroting uitvoert; |
|
71. |
stelt vast dat veel mededelingen en documenten alleen in het Engels beschikbaar zijn; merkt ook op dat werkvergaderingen worden gehouden zonder mogelijkheid van vertolking; verzoekt de Raad de beginselen, rechten en verplichtingen te eerbiedigen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten en Verordening (EG) nr. 1/1958, alsook in interne richtsnoeren en besluiten, zoals de code van goed administratief gedrag; verzoekt de Raad derhalve de nodige personele middelen ter beschikking te stellen om ervoor te zorgen dat de meertaligheid wordt geëerbiedigd, door het aantal personeelsleden dat verantwoordelijk is voor vertaling en vertolking, uit te breiden. |
(1) Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 van de Raad van 13 juli 2018 over de werkwijze van de selectiecommissie als bedoeld in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (het „EOM”) (PB L 282 van 12.11.2018, blz. 8).
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1117 van de Raad van 27 juli 2020 houdende benoeming van de Europese aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie (PB L 244 van 29.7.2020, blz. 18).