|
16.7.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 286/88 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Digitalisering van justitie in de Europese Unie — Een instrumentarium met mogelijkheden
(COM(2020) 710 final)
(2021/C 286/16)
|
Rapporteur: |
João NABAIS |
|
Raadpleging |
21.4.2021 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Interne Markt, Productie en Consumptie |
|
Goedkeuring door de afdeling |
31.3.2021 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
27.4.2021 |
|
Zitting nr. |
560 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
237/2/9 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is ingenomen met deze mededeling, die een essentiële en doeltreffende stap is op weg naar de digitalisering van justitie. Het is van cruciaal belang dat de lidstaten op nationaal niveau worden gesteund bij het maken van deze slag, door hun niet alleen de nodige financiering maar ook instrumenten ter beschikking te stellen. Met deze steun kan er namelijk verder worden gewerkt aan de digitalisering van justitie op Europees niveau en kunnen er mechanismen in het leven worden geroepen die nauwere grensoverschrijdende samenwerking tussen de rechterlijke autoriteiten mogelijk maken. |
|
1.2. |
Het EESC stelt vast dat de situatie in de lidstaten op dit moment sterk uiteenloopt. Vanwege de verscheidenheid aan nationale IT-instrumenten worden bepaalde mechanismen, zoals e-Codex (1), niet op consistente wijze gebruikt. |
|
1.3. |
Volgens het EESC wordt het dus steeds belangrijker om regels vast te stellen die voor meer harmonisatie tussen de lidstaten zorgen. |
|
1.4. |
Het EESC is van mening dat de digitalisering van justitie een cruciaal instrument is om ervoor te zorgen dat nationale autoriteiten daadwerkelijk samen de strijd kunnen aangaan tegen criminele praktijken die de Europese ruimte ernstige schade toebrengen. |
|
1.5. |
Het EESC constateert dat sommige specifieke aspecten van de mededeling geen afspiegeling zijn van de veelzijdige realiteit van de rechtsstelsels in de verschillende lidstaten. |
|
1.6. |
Het EESC zou graag zien dat de Commissie met een richtlijn komt voor gerechtelijke procedures op afstand, waarin wordt voorzien in en ingestemd met elke vorm van contact via een videogesprek, ongeacht het medium met behulp waarvan dit gesprek wordt gevoerd, met dien verstande dat het recht op privacy wordt gewaarborgd en de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkene of van de zaak in kwestie niet in het gedrang komt. |
|
1.7. |
Het EESC denkt niet dat het gebruik van andere, reeds bestaande middelen voor communicatie op afstand de gegevensbescherming zelf in gevaar kan brengen, aangezien de meeste gerechtelijke procedures door iedereen kunnen worden bijgewoond. |
|
1.8. |
Het EESC is van mening dat de politie bij het onderzoek naar een mogelijke terroristische groepering in een lidstaat onmiddellijk moet kunnen beschikken over het materiaal dat zich niet alleen in de databanken van Europol, Eurojust en het Europees openbaar ministerie (EPPO) bevindt, maar ook in de databanken van de nationale wetshandhavingsinstanties. |
|
1.9. |
Daarnaast moet optimaal gebruik worden gemaakt van de voordelen die digitalisering biedt voor de tenuitvoerlegging van vonnissen in andere lidstaten, voor alternatieve geschillenregelingen en voor administratieve samenwerking tussen de lidstaten en de EU-agentschappen. |
2. De mededeling van de Commissie
|
2.1. |
In de mededeling wordt een instrumentarium voor de digitalisering van justitie voorgesteld om de justitiële sector vooruit te brengen in het digitale tijdperk. In de voorgestelde aanpak wordt rekening gehouden met de uiteenlopende nationale omstandigheden in de lidstaten en de nationale bevoegdheden en worden de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid ten volle in acht genomen. Tevens wordt gewezen op het belang van samenwerking tussen alle lidstaten om de bestaande digitale kloof op verschillende gebieden te verkleinen, de versnippering tussen nationale rechtsstelsels aan te pakken en de door de desbetreffende Europese financieringsmechanismen geboden kansen te benutten. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
De COVID-19-crisis heeft veel problemen veroorzaakt die van invloed zijn op de werking van het rechtsstelsel en op een effectieve rechtsbescherming. Zo is er vertraging opgetreden bij het verhoor van personen en bij de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke stukken, was het tijdelijk onmogelijk om persoonlijke rechtsbijstand te krijgen en zijn er deadlines verstreken als gevolg van vertragingen. Tegelijkertijd worden rechtbanken nog meer belast door de toename van het aantal insolventie- en ontslagzaken in verband met de pandemie. |
|
3.2. |
Er is dus behoefte aan nieuwe maatregelen om de digitalisering van het justitieel apparaat grondiger en sneller te kunnen doorvoeren. Met het oog hierop is het van essentieel belang dat de lidstaten op nationaal niveau worden ondersteund door hun niet alleen de nodige financiële middelen te verschaffen, maar ook de instrumenten aan te reiken waarmee alle rechterlijke autoriteiten en juridische professionals zich kunnen voorbereiden op deze tijd van verandering. Het is van cruciaal belang om justitie toegankelijker te maken en dichter bij de burgers te brengen. |
|
3.3. |
Alleen met deze steun, op nationaal niveau, kan er verder worden gewerkt aan de digitalisering van justitie op Europees niveau en kunnen er mechanismen in het leven worden geroepen die nauwere grensoverschrijdende samenwerking tussen de rechterlijke autoriteiten mogelijk maken. |
|
3.4. |
De situatie in de lidstaten ziet er op dit moment in het algemeen heel verschillend uit. Vanwege de verscheidenheid aan nationale IT-instrumenten worden bepaalde mechanismen, zoals e-Codex, niet op consistente wijze gebruikt. |
|
3.5. |
Het wordt dus steeds belangrijker om regels vast te stellen die meer harmonisatie tussen de verschillende lidstaten van de Europese Unie beogen. |
|
3.6. |
Doel van de mededeling is in de eerste plaats de verdere digitalisering van de openbare justitiële diensten te bewerkstelligen, het gebruik van veilige en kwaliteitsvolle technologieën voor communicatie op afstand (videoconferentie) te bevorderen, de koppeling van nationale databanken en registers te vergemakkelijken en het gebruik van beveiligde kanalen voor elektronische verzending tussen bevoegde instanties te stimuleren. |
|
3.7. |
De digitalisering van justitie is een fundamenteel instrument om de nationale autoriteiten in staat te stellen daadwerkelijk samen te werken bij de bestrijding van criminele praktijken die ernstige gevolgen hebben voor de Europese ruimte, zoals terrorisme, het witwassen van geld, corruptie, mensenhandel, haatmisdaden en het aanzetten tot haatzaaiende taal en geweld. |
|
3.8. |
Deze misdaden zijn in toenemende mate grensoverschrijdend van aard en digitalisering betekent dan ook een enorme, en essentiële, stap voorwaarts in het onderzoek naar en het uitbannen van dergelijke schadelijke praktijken. |
|
3.9. |
Ondanks de enorme inspanningen die de Commissie zich op dit gebied heeft getroost en los van het feit dat de mededeling als zeer positief moet worden beschouwd, kan niet worden ontkend dat de digitalisering van justitie een langdurig en moeizaam proces is. |
|
3.10. |
Op een aantal specifieke aspecten van de mededeling kan kritiek worden geleverd, omdat er sprake is van tekortkomingen of omdat niet wordt ingezien dat de voorgestelde ideeën niet aansluiten bij de veelzijdige justitiële realiteit in de verschillende lidstaten. |
|
3.11. |
De Commissie lijkt over het hoofd te hebben gezien dat er in civiele, handels- en arbeidsrechtzaken, evenals in strafrechtzaken (bijv. voor het verhoor van verdachten en het horen van getuigen tijdens een strafrechtelijk onderzoek) manieren zijn gevonden om partijen op afstand te laten deelnemen, hetzij met behulp van op de markt verkrijgbare applicaties, hetzij via de videobelfunctie van berichtendiensten. |
|
3.12. |
Het is begrijpelijk dat de conventies van de rechtspraak moeten worden gerespecteerd, maar de COVID-19-crisis heeft duidelijk gemaakt dat videoconferenties niet noodzakelijkerwijs hoeven plaats te vinden via de bestaande mechanismen voor interactie met rechtbanken (op nationaal of internationaal niveau), waarbij de procespartijen aanwezig zijn in de rechtbank van hun woonplaats of op van tevoren aangewezen en toegestane plaatsen (zoals politiebureaus of de gebouwen van forensische en andere diensten), aangezien via computer of mobiele telefoon contact kan worden gelegd met getuigen, ongeacht hun locatie. |
|
3.13. |
Er bestaan tegenwoordig al bepaalde middelen voor communicatie op afstand waarmee niet alleen het recht op privacy maar ook de bescherming van gegevens kan worden gewaarborgd, een essentieel aspect dat uiteraard moet worden veiliggesteld. |
|
3.14. |
In de meeste rechtszaken geldt het principe van “openbaarheid van de zitting”. Zo kunnen er bij voor het publiek toegankelijke rechtszaken niet alleen familieleden en vrienden van de betrokken partijen aanwezig zijn (eisers en gedaagden in civiele, handels- en arbeidsrechtzaken, getuigen en verdachten in strafzaken), maar ook andere personen die geen enkel belang hebben bij de zaak en in veel gevallen zelfs ook journalisten en andere mediaprofessionals. |
|
3.15. |
Het gebruik van andere middelen voor communicatie op afstand, zoals reeds bestaande computerplatforms of andere naar behoren gecertificeerde digitale toepassingen, zou volgens het EESC geen gevaar inhouden voor de bescherming van gegevens, omdat de meeste rechtszaken immers al toegankelijk zijn voor het publiek. |
|
3.16. |
Bovendien zouden ook verdachten, met name in het strafprocesrecht, de mogelijkheid moeten hebben om door middel van communicatie op afstand te worden gehoord in plaats van persoonlijk voor de rechter te moeten verschijnen, mits er geen specifieke redenen zijn om hierop een uitzondering te maken en de persoonlijke verschijning van de verdachte op de zitting te eisen. |
|
3.17. |
In het geval van getuigen moet ervoor worden gezorgd dat iemand met een lichamelijke beperking die in een klein dorp woont, waar de dichtstbijzijnde rechtbank vele kilometers verderop is, zijn woning niet hoeft te verlaten om urenlang in een gerechtsgebouw te wachten tot hij wordt opgeroepen om zijn getuigenverklaring af te leggen. Dat kan omdat er tegenwoordig betrouwbare en gecertificeerde onlineplatforms bestaan die de veiligheid en vertrouwelijkheid bij de uitwisseling van informatie en het afleggen van getuigenissen op afstand waarborgen. |
|
3.18. |
In deze mededeling stelt de Commissie voor “het gebruik van veilige en kwaliteitsvolle technologie voor communicatie op afstand (videoconferentie)” te bevorderen. |
|
3.19. |
Gezien het bovenstaande zou het EESC dan ook graag zien dat de Commissie met een richtlijn komt voor gerechtelijke procedures op afstand, waarin wordt voorzien in en ingestemd met elke vorm van contact via een videogesprek, ongeacht het medium met behulp waarvan dit gesprek wordt gevoerd (bijv. desktopcomputer, laptop of mobiele telefoon), met dien verstande dat het recht op privacy wordt gewaarborgd en de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkene of van de zaak in kwestie niet in het gedrang komt. |
|
3.20. |
Dit is in overeenstemming met het strategisch prognoseverslag 2020 van de Commissie, waarin wordt geconcludeerd dat de burgers centraal moeten staan in de digitalisering van justitie en dat er nieuwe kansen moeten worden gecreëerd voor de verschillende belanghebbenden zodat de achterstand wordt ingelopen, de rechtszekerheid toeneemt en de gang naar de rechter goedkoper en eenvoudiger wordt. |
|
3.21. |
Wanneer het gaat om minderjarigen en kwetsbare personen en in het geval van haatmisdrijven of zedendelicten, waarbij het nog belangrijker en zelfs essentieel is om de privacy en de rechtszekerheid te waarborgen, is echter waakzaamheid geboden. |
|
3.22. |
In de mededeling toont de Commissie zich bezorgd over de ontwikkeling van een standaardmodel voor de toegang tot de jurisprudentie van de nationale rechterlijke instanties in machineleesbare vorm, de Europese identificatiecode voor jurisprudentie (ECLI). |
|
3.23. |
Dit voorstel verdient alle steun, maar om volkomen doeltreffend te zijn is een aanvulling op de wetgeving in de zin van formele (geen inhoudelijke) standaardisering van gerechtelijke vonnissen wellicht noodzakelijk. |
|
3.24. |
Zoals bekend heeft iedere lidstaat niet alleen zijn eigen wetgeving, maar ook zijn eigen vormvoorschriften. De structuur en de vorm van een vonnis zullen in Portugal bij lange na niet dezelfde zijn als in Italië of Frankrijk en met dergelijke verschillen dient de Commissie dan ook terdege rekening te houden. |
|
3.25. |
De Commissie stelt ook voor een digitaal samenwerkingsplatform voor gemeenschappelijke onderzoeksteams op te zetten (waarin rechercheurs en officieren van justitie van de lidstaten worden samengebracht, zo nodig met de steun van Europol, Eurojust en het EPPO). De toegang tot beschikbare gegevens en gegevensbanken in de lidstaten moet worden beperkt tot de bevoegde autoriteiten, met inachtneming van de voorschriften inzake gegevensbescherming. |
|
3.26. |
Dit is een uitstekend voorstel, dat echter zou kunnen stranden door het gebrek aan standaardisering van de regels in de verschillende nationale wetboeken van strafvordering, waarin alle kwesties in verband met bewijsverkrijging zijn vastgelegd. |
|
3.27. |
Zolang een dergelijke standaardisering niet heeft plaatsgevonden, bestaat de kans dat bepaalde onderzoekshandelingen volgens de wetgeving van sommige lidstaten ongeldig worden verklaard, wat de doeltreffendheid van gezamenlijke onderzoek zou kunnen ondermijnen. |
|
3.28. |
De bestrijding van terrorisme is een van de aandachtspunten van de Commissie in deze mededeling. Er moet echter niet alleen een wetgevingsvoorstel komen voor de uitwisseling van digitale informatie over grensoverschrijdende gevallen van terrorisme, maar er moeten ook digitale communicatie-instrumenten worden gecreëerd en gebruikt voor het uitwisselen van informatie over zowel gerechtelijke dossiers als verdachten en activiteiten van groepen die in de gaten worden gehouden (2). |
|
3.29. |
Gezien de noodzaak om terrorisme in te dammen, is het EESC van mening dat de politie bij het onderzoek naar een mogelijke terroristische groepering in een lidstaat onmiddellijk moet kunnen beschikken over het materiaal dat zich niet alleen in de databanken van Europol, Eurojust en het EPPO bevindt, maar ook in de databanken van de wetshandhavingsinstanties van de lidstaten. Er moet echter op worden gelet dat de informatie niet wordt doorgegeven aan onbevoegde of onbetrouwbare personen. |
|
3.30. |
Ook moet het mogelijk zijn om online een nieuwe identiteitskaart aan te vragen, bijvoorbeeld, of elektronische gerechtelijke stukken en uittreksels uit het bevolkingsregister of zelfs uit het strafregister op te vragen, en om online inzage te verkrijgen in gerechtelijke dossiers. Dit vermindert niet alleen het aantal verplaatsingen naar de fysieke locaties waar deze diensten zijn gevestigd, maar maakt het ook mogelijk die diensten te verlenen wanneer de fysieke locatie gesloten is. |
|
3.31. |
Wat de onderlinge koppeling van gegevens betreft (met name gegevens over bedrijven, faillissementen, kadasters, handelsregisters en strafregisters) moet er echter voor worden gezorgd dat de toegang tot deze gegevens in bepaalde gevallen (bijv. in het geval van strafregisters) het recht op privacy of de bescherming van persoonsgegevens niet in gevaar brengt. |
|
3.32. |
Er moet dus bijzonder grondig worden nagedacht over het computermodel dat hiervoor wordt ontworpen, om ervoor te zorgen dat de beoogde digitalisering niet nadelig uitpakt voor de burgers en hun grondrechten niet ondermijnt. |
|
3.33. |
In de mededeling stelt de Commissie voor een instrument genaamd “Mijn e-justitieruimte” op te zetten, dat tot doel heeft particulieren elektronisch toegang te geven tot gerechtelijke stukken (in nationale zaken of in zaken die in andere lidstaten aanhangig zijn) die zij of hun wettelijke vertegenwoordigers mogen raadplegen en/of kunnen verkrijgen. |
|
3.34. |
Het digitaal toegankelijk maken van informatie over zaken waarin een burger partij is, is heel belangrijk voor het creëren van echte justitiële transparantie en een essentieel instrument om mensen het gevoel te geven dat justitie niet ondoorzichtig en ontoegankelijk is; zo wordt een snellere en efficiëntere rechtsgang, tegen lagere kosten, bevorderd. |
|
3.35. |
Het feit dat gerechtelijke autoriteiten en advocaten zelf elektronisch toegang kunnen krijgen tot zaken die in een andere lidstaat zijn behandeld, is een enorme en zeer belangrijke stap in de richting van de gewenste digitalisering van justitie. |
|
3.36. |
Wegens de verschillen tussen de lidstaten wat de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht in strafzaken betreft, lijkt dit uitstekende voorstel van de Commissie in het geval van grensoverschrijdende procedures echter niet het beoogde resultaat op te leveren als de nationale wetgevingen op dit punt niet worden geharmoniseerd. |
|
3.37. |
De gewenste digitalisering van de rechtspleging moet de EU-burgers nieuwe en substantiële mogelijkheden bieden om geschillen in een grensoverschrijdende context te beslechten. Alleen op die manier kan het doel om het recht van de burger op toegang tot de rechter uit te breiden, worden bereikt. |
|
3.38. |
In dit verband verwijst de Commissie bijvoorbeeld naar de invoering van (digitale) middelen om grensoverschrijdende rechterlijke bevelen uit te vaardigen en naar de mogelijkheid tot grensoverschrijdend innen van onderhoudsvorderingen voor minderjarigen in het kader van de ouderlijke verantwoordelijkheid. |
|
3.39. |
De Commissie gaat in haar mededeling echter voorbij aan een werkelijk essentiële kwestie, nl. de mogelijkheid om gerechtelijke vonnissen in andere lidstaten ten uitvoer te leggen. Digitalisering biedt de middelen om dit doel te realiseren, iets waar veel professionals in deze sector al lang naar uitkijken. Deze situatie is op verschillende terreinen (zoals in het handelsrecht en het familierecht) al geregeld, dus het is slechts een kwestie van uitbreiding naar de terreinen waarop dat nog niet is gebeurd. |
|
3.40. |
Het is een sinds lang gevestigd gebruik dat rechterlijke beslissingen worden genomen door de nationale gerechtelijke instanties en dat de soevereiniteit van de lidstaten van de Unie in dit opzicht als onaantastbaar wordt beschouwd. |
|
3.41. |
Feit is echter dat veel rechterlijke uitspraken uiteindelijk betrekking hebben op goederen, bedrijven of burgers die zich buiten het land bevinden waar de uitspraak is gedaan. |
|
3.42. |
In deze gevallen vormen de grenzen tussen de lidstaten een obstakel voor een snelle rechtsbedeling en daarom moet bij de intracommunautaire justitiële samenwerking gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die digitalisering biedt, zodat een vonnis rechtstreeks wordt uitgevoerd in het land waar het betreffende goed zich bevindt. |
|
3.43. |
Hetzelfde geldt voor alternatieve geschillenbeslechtingsprocedures, die ook online moeten kunnen worden afgehandeld; daarbij valt te denken aan arbitragecommissies, vrederechters en nationale ombudsdiensten. |
|
3.44. |
Wat de samenwerking tussen de nationale autoriteiten en de EU-agentschappen en -organen in de strijd tegen grensoverschrijdende criminaliteit betreft, merkt de Commissie (terecht) op dat hun capaciteiten op het gebied van digitale samenwerking moeten worden versterkt. |
|
3.45. |
Ondanks de verwachting dat de Commissie in haar mededeling een model zou schetsen en middelen in het vooruitzicht zou stellen om dit belangrijke doel te halen, spreekt zij slechts de vrome wens uit dat Eurojust, het EPPO, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en Europol “het eens worden over een gezamenlijke aanpak die een vlotte, veilige samenwerking met de lidstaten verzekert […]”. |
|
3.46. |
Op een belangrijk terrein als dit zou de Commissie echter een tijdpad moeten uitzetten voor de vaststelling van een samenwerkingsmodel en zich ertoe moeten verbinden een instrument in het leven te roepen (eventueel een richtlijn) om ook hier een mechanisme in te voeren dat gebruikmaakt van digitale mogelijkheden, in plaats van alleen maar te hopen dat de instellingen de zaken onderling regelen. |
|
3.47. |
Het is een goede zaak dat de Commissie in deze mededeling het voornemen uitspreekt om financiële steun te verlenen aan de lidstaten voor de ontwikkeling van adequate IT-systemen en voor de vaststelling van een strategie voor de digitalisering van justitie in de EU in het kader van het nieuwe programma “Justitie” en het programma “Digitaal Europa”. |
|
3.48. |
Er zij op gewezen dat het grootste obstakel voor digitalisering niet de gerechtelijke autoriteiten of de burgers zijn, maar het gebrek aan middelen van de lidstaten om de nodige maatregelen te nemen voor het opzetten en invoeren van digitale platforms en elektronische systemen op het gebied van justitie. |
|
3.49. |
Daarom, en vooral in het licht van de huidige crisis, die de economie van de lidstaten niet alleen op korte maar ook op lange termijn zwaar treft, moeten er dringend oplossingen worden gevonden om deze maatregelen te financieren, zodat de digitalisering van justitie met de nodige harmonie en uniformiteit kan worden gerealiseerd. Alleen zo kan grensoverschrijdende samenwerking op Europees niveau tot stand worden gebracht. |
|
3.50. |
Er zij eveneens gewezen op de opmerking van de Commissie dat gebruik moet worden gemaakt van de middelen die in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit beschikbaar zullen worden gesteld voor het verwezenlijken van dit belangrijke doel, nl. digitalisering inzetten als middel om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de EU tot stand te brengen. |
|
3.51. |
Geruststellend is ook dat het instrument voor technische ondersteuning, dat het resultaat is van een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad, volgens de Commissie alle lidstaten ondersteuning zal bieden bij het doorvoeren van justitiële hervormingen, waaronder natuurlijk ook de hier reeds genoemde investeringen in digitalisering vallen. |
|
3.52. |
Aangezien de Commissie van mening is dat de huidige grensoverschrijdende samenwerking op papier veel tekortkomingen vertoont die een negatief effect hebben op de doeltreffendheid en de kosten van gerechtelijke procedures, is het van essentieel belang dat elektronische verzending het standaardmedium wordt voor communicatie en uitwisseling van documenten. |
|
3.53. |
Er zou een gedecentraliseerd IT-systeem kunnen worden opgezet om de nationale systemen met elkaar te verbinden, zodat documenten sneller en veiliger langs elektronische weg kunnen worden uitgewisseld. Bij het verzenden van documenten en het verzamelen van bewijsmateriaal moet wel rekening worden gehouden met gegevensbescherming en privacy. |
|
3.54. |
De algemene invoering van elektronische procedures voor de behandeling van rechtszaken, papierloze communicatie tussen gerechtelijke en andere instanties en diensten, en toezending van processtukken in multimediaformaat door procesvertegenwoordigers zijn essentieel voor de digitalisering van de rechtspleging. |
|
3.55. |
Wel moet de Commissie er attent op worden gemaakt dat de juridische beroepsgroep de handvatten moeten worden aangereikt om de beoogde maatregelen te kunnen uitvoeren, via IT-trainingen en speciale cursussen in het gebruik van bepaalde elektronische applicaties en platforms, waaraan onvermijdelijk ook kosten verbonden zullen zijn. |
|
3.56. |
Er moet echter een uitzondering worden gemaakt voor lidstaten tegen wie een procedure wegens schending van de grondrechten of schending van de rechtsstaat loopt:
|
|
3.57. |
De huidige inspanningen om verandering tot stand te brengen, bieden een solide basis om met behulp van nieuwe technieken meer gebruik te maken van de technologische mogelijkheden om een justitieel ecosysteem op te zetten dat digitaal functioneert en tegelijkertijd mensgericht is. |
|
3.58. |
Het EESC kijkt uit naar wetswijzigingen die de gewenste digitalisering van de rechtspraak mogelijk maken, zoals het aanvaarden van elektronische identificatie voor de digitale verzending van gerechtelijke stukken en het toelaten van elektronische of elektronisch verzonden stukken als bewijs in gerechtelijke procedures. |
Brussel, 27 april 2021.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Christa SCHWENG
(1) COM(2020) 712 final.
(2) Zie het EESC-advies (PB C 110 van 22.3.2019, blz. 67).