EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 26.2.2020
SWD(2020) 518 final
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE
Landverslag Nederland 2020
bij
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE EUROPESE RAAD, DE RAAD, DE EUROPESE CENTRALE BANK EN DE EUROGROEP
Europees semester 2020: beoordeling van de voortgang bij structurele hervormingen, de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden, en resultaten van diepgaande evaluaties in het kader van Verordening (EU) nr. 1176/2011
{COM(2020) 150 final}
INHOUD
Samenvatting
1.Economische situatie en vooruitzichten
2.Voortgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen
3.Samenvatting van de voornaamste bevindingen van de diepgaande evaluatie in het kader van de PMO
4.Hervormingsprioriteiten
4.1.Overheidsfinanciën en belastingen
4.2.Financiële sector
4.3.Arbeidsmarkt, onderwijs en sociaal beleid
4.4. Concurrentievermogen, hervormingen en investeringen
4.5.Ecologische duurzaamheid
Bijlage A: Overzichtstabel
Bijlage B: Schuldhoudbaarheidsanalyse van de Commissie en begrotingsrisico's
Bijlage C: Standaardtabellen
Bijlage D: Investeringsrichtsnoeren voor het Fonds voor een rechtvaardige transitie 2021-2027 voor Nederland
Bijlage E: Vooruitgang in de richting van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s)
Referenties
LIJST VAN TabElLeN
Tabel 1.1:Belangrijkste economische en financiële indicatoren
Tabel 2.1:Beoordeling van de uitvoering van de LSA's van 2019 (*)
Tabel 3.1:Heatmap van de uitwaartse overloopeffecten voor Nederland
Tabel 3.2:PMO-beoordelingsmatrix (*)
Tabel 3.3a:Gesimuleerd binnenlands effect en overloopeffecten van een verhoging van de overheidsinvesteringen met 1 % van het bbp gedurende 10 jaar.
Tabel 4.2.1:Financiëlegezondheidsindicatoren
Tabel C.1:Indicatoren financiële markten
Tabel C.2:Kernindicatoren sociaal scorebord
Tabel C.3:Arbeidsmarkt- en onderwijsindicatoren
Tabel C.4:Indicatoren voor sociale inclusie en gezondheid
Tabel C.5:Indicatoren voor de prestatie van productmarkten en beleidsindicatoren
Tabel C.6:Groene groei
Tabel E.1:Indicatoren die de vooruitgang van Nederland in de richting van de SDG's meten
LIJST VAN GraFIEKEN
Grafiek 1.1:
Bbp-groei en -componenten
Grafiek 1.2:
Investeringen per sector, geselecteerde landen (2018)
Grafiek 1.3:
Investeringen in de bouw (2000-2018)
Grafiek 1.4:
Arbeidsmarktontwikkelingen
12
Grafiek 1.5:
Werkelijke en voorspelde loongroei op basis van fundamentele waarden
Grafiek 1.6:
Werkgelegenheidsgroei per soort contract (verandering op jaarbasis)
Grafiek 1.7:
Vorderingenoverschot per institutionele sector
Grafiek 1.8:
Regionale bbp-groei inclusief en exclusief aardgaswinning (2018)
Grafiek 2.1:
Uitvoering van de LSA's van 2011-2019 tot op heden, vanuit een meerjarenperspectief bezien
Grafiek 4.1.1:
Algemene uitgaven, ontvangsten en structureel begrotingssaldo van de overheid
Grafiek 4.1.2:
Tarieven personenbelasting 2015-2020
Grafiek 4.1.3:
Milieubelastingen (2018)
Grafiek 4.1.4:
Belastingmix in Nederland en de eurozone (aandeel in de totale belastingontvangsten)
Grafiek 4.2.1:
Ontwikkeling particuliere schuld ten opzichte van gemiddelde van eurozone
Grafiek 4.2.2:
Schuld van huishoudens ten opzichte van groei bbp
40
Grafiek 4.2.3:
Ontwikkeling van de huizenprijzen (eerste kwartaal 2008 = 100) (1)
Grafiek 4.2.4:
Indicatoren voor de waardering van de huizenprijzen
Grafiek 4.2.5:
Nieuwe woningen ten opzichte van geraamde behoeften
Grafiek 4.2.6:
Verplichteafdrachtenwig op inkomsten uit arbeid (2018)
Grafiek 4.2.7:
Aspecten van het saldo op de lopende rekening
Grafiek 4.2.8:
Spaaroverschot bij niet-financiële vennootschappen: uitsplitsing naar grootte van de onderneming (1)
Grafiek 4.3.1:
Arbeidsmarktindicatoren (1)
Grafiek 4.3.2:
Vacaturegraad per sector (%, Q2 2019)
Grafiek 4.3.3:
Uitsplitsing van de loonkosten per eenheid product
Grafiek 4.3.4:
Doorstromingspercentage van tijdelijk naar vast werk, per opleidingsniveau
Grafiek 4.3.5:
Relatieve “kindboete”
Grafiek 4.3.6:
Arbeidsparticipatie van niet in de EU geboren personen in vergelijking met autochtonen (%)
Grafiek 4.4.1:
Ontwikkeling van het bbp per gewerkt uur (1), NL versus vergelijkbare landen
Grafiek 4.4.2:
Kwaliteitsscore voor vervoersinfrastructuur in Nederland
Grafiek 4.5.1:
Broeikasgasemissies uitgesplitst per sector
Grafiek 4.5.2:
Gebruik van hernieuwbare energie per bron
LIJST VAN KADERS
Kader 1.1: Gevolgen van de stikstofuitspraak
Kader 2.2: EU-fondsen en -programma's pakken structurele uitdagingen aan en bevorderen groei en concurrentievermogen in Nederland
Kader 3.3: Overheidsinvesteringen en mogelijke overloopeffecten
Kader 4.3.1: Monitoring van de prestaties in het licht van de Europese pijler van sociale rechten
Kader 4.4.1: Uitdagingen en hervormingen op het gebied van investeringen in Nederland
Kader 4.5.1: Klimaatbeleid: naar koolstofneutraliteit
Samenvatting
Hoewel de Nederlandse economie over het algemeen veerkrachtig blijft, onderstrepen de gematigde groeivooruitzichten op middellange termijn het belang van handhaving van de hervormingsdynamiek (
). De woningmarkt, de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel worden gekenmerkt door langetermijnuitdagingen die nog niet volledig zijn aangepakt. Hoewel het kabinet beleidsmaatregelen heeft genomen om het woningaanbod te verbeteren en de hoge schuldenlast van huishoudens terug te dringen, blijven aanzienlijke prikkels bestaan om schulden te maken. Het expansieve begrotingsbeleid en de groei van de nominale (niet voor de inflatie gecorrigeerde) lonen en de werkgelegenheid ondersteunen de groei van het besteedbare inkomen van huishoudens en dragen bij tot de externe herbalancering. Het aanpakken van de arbeidsmarktsegmentatie blijft een uitdaging, ondanks recente maatregelen. Het kabinet en de sociale partners hebben overeenstemming bereikt over een belangrijke pensioenhervorming. Voorts zijn verdere investeringen in O&O, menselijk kapitaal en maatregelen op het gebied van klimaat en energie nodig om de groei van de productiviteit op lange termijn te stimuleren en de overgang naar een koolstofarme economie aan te pakken. Het aanpakken van deze uitdagingen zou de veerkracht van de Nederlandse economie verder versterken en de uit onevenwichtigheden voortvloeiende risico’s verminderen.
De binnenlandse vraag is de enige drijvende kracht achter een afnemende economische groei. In 2019 is het bbp met 1,7 % gestegen als gevolg van de zwakkere buitenlandse vraag. In 2020 en 2021 zal de groei naar verwachting afvlakken tot 1,3 % in beide jaren. In combinatie met een lagere belastingdruk op inkomen uit arbeid en dalende inflatie zal het besteedbare inkomen van huishoudens naar verwachting de grootste verbetering in jaren te zien geven. Als gevolg hiervan zal de particuliere consumptie de economische activiteit in 2020 nog steeds ondersteunen. Het begrotingsbeleid zal de groei eveneens ondersteunen, aangezien de belastingverlaging voor huishoudens en de verhoging van de overheidsuitgaven leiden tot een lager begrotingsoverschot van ongeveer 0,5 % van het bbp in 2020. De overheidsschuld is gedaald tot minder dan 50 % van het bbp in 2019 en zal de komende jaren blijven dalen, wat erop wijst dat de overheidsfinanciën gezond zijn. Tegelijkertijd wijst de verwachte stijging van de overheidsuitgaven als gevolg van de vergrijzing op middelgrote risico’s voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn.
Ondanks een krappe en over het algemeen goed presterende arbeidsmarkt is de loongroei nog steeds bescheiden in vergelijking met de fundamentele waarden. De werkloosheid heeft het laagste niveau sinds 2008 bereikt en de arbeidsparticipatie is toegenomen. De werkgelegenheidsgroei zal naar verwachting positief blijven, maar in de komende jaren wel zwakker zijn. Vaste contracten maken het grootste deel van de recente werkgelegenheidsgroei uit, wat eerder een weerspiegeling lijkt te zijn van de krapte op de arbeidsmarkt dan van een vermindering van de arbeidsmarktsegmentatie. Het voortbestaan van een hoge mate van segmentatie zou de iets achterblijvende loonontwikkelingen ten dele kunnen verklaren en blijft een bron van kwetsbaarheid voor ongunstige economische schokken.
De investeringen zullen naar verwachting vertragen als gevolg van zwakker vertrouwen van het bedrijfsleven en aanzienlijke beleidsonzekerheid in verband met een uitspraak van de Raad van State over stikstofemissies. De investeringen bleven de groei in 2019 ondersteunen. De investeringsquote bedroeg 21 % van het bbp en was daarmee ruwweg in overeenstemming met het gemiddelde van de eurozone. Het aandeel overheidsinvesteringen zal naar verwachting stijgen tot 3,5 % van het bbp – ruim onder het niveau van vóór de crisis, maar duidelijk boven het gemiddelde van de eurozone. De bedrijfsinvesteringen zullen naar verwachting worden afgeremd door het zwakkere vertrouwen van het bedrijfsleven, de toegenomen handelsonzekerheid en de zwakkere buitenlandse vraag. De risico’s voor de investeringsvooruitzichten zijn betrekkelijk groot, gezien de onzekerheid over de investeringen in de bouw en de infrastructuur als gevolg van de stikstofuitspraak. De uit de uitspraak voortvloeiende beperkingen inzake de afgifte van nieuwe vergunningen rond beschermde Natura 2000-gebieden zullen zich waarschijnlijk vertalen in zwakkere bouwinvesteringen in 2020, ondanks de aanhoudende woningnood en maatregelen om de negatieve effecten ervan te beperken.
Nederland heeft enige vooruitgang geboekt bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen van 2019.
Er is sprake van enige vooruitgang wat betreft:
·Het nemen van maatregelen om huishoudens te stimuleren minder schulden aan te gaan en verstoringen op de woningmarkt terug te dringen, onder meer door de ontwikkeling van de particuliere huursector te bevorderen.
·Het uitvoeren van beleid om het besteedbare inkomen van huishoudens te verhogen, onder meer door de voorwaarden ter ondersteuning van loongroei te versterken.
·Het aanpakken van kenmerken van het belastingstelsel die agressieve fiscale planning in de hand kunnen werken.
·Het hervormen van de tweede pijler van het pensioenstelsel.
·Het versterken van een leven lang leren en bijscholing.
·Het steunen van een opwaartse trend van de investeringen.
·Het focussen van het investeringsgerelateerde economisch beleid op hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en vermindering van broeikasgasemissies.
·Het focussen van het economisch beleid op het aanpakken van knelpunten in het vervoer.
Er is sprake van beperkte vooruitgang wat betreft:
·Het verminderen van de prikkels voor zelfstandigen zonder personeel en het bevorderen van adequate sociale bescherming voor zelfstandigen.
·Het aanpakken van schijnzelfstandigheid.
·Het focussen van het investeringsgerelateerde economisch beleid op O&O, met name in de particuliere sector.
Nederland presteert zeer goed als het gaat om de indicatoren van het sociale scorebord voor de Europese pijler van sociale rechten. Over het geheel genomen is in Nederland sprake van een goede arbeidsmarktsituatie en sociale situatie. Per hoofd van de bevolking is het reële besteedbare bruto-inkomen van huishoudens verder gestegen, terwijl de inkomensongelijkheid onder het EU-gemiddelde ligt. Nederland is een van de best presterende landen, met een laag niveau van armoede.
Wat betreft de vooruitgang bij het behalen van zijn nationale doelen in het kader van de Europa 2020-strategie, heeft Nederland zijn doelen gehaald voor werkgelegenheid, het tegengaan van schooluitval en het aandeel hoger opgeleiden. Hoewel de doelstelling inzake de vermindering van broeikasgasemissies in de sectoren die buiten de regeling voor emissiehandel vallen, waarschijnlijk zal worden gehaald, zal dat voor energiebesparingen waarschijnlijk niet het geval zijn. Het streefcijfer van 14 % van het verbruik uit hernieuwbare energie in 2020 blijft naar verwachting buiten bereik. Hoewel Nederland vooroploopt bij het koolstofarm maken van zijn vervoerssector, ligt het gebruik van hernieuwbare energie in het vervoer onder het EU-gemiddelde. Hoewel Nederland maatregelen heeft genomen om de O&O-uitgaven te verhogen, is er nog een substantiële inspanning vereist om op 2,5 % van het bbp uit te komen.
Als hooginkomensland is Nederland een van de best presterende EU-lidstaten bij verschillende duurzameontwikkelingsdoelstellingen (Sustainable Development Goals - SDG’s), zoals geen armoede (SDG 1) en ongelijkheid verminderen (SDG 10). Het enige gebied waarop Nederland momenteel relatief slecht scoort – al is de trend positief – is klimaatactie (SDG 13) (
).
De voornaamste bevindingen van de in elders in dit verslag opgenomen diepgaande analyse en de daaraan gerelateerde beleidsuitdagingen volgen hieronder.
·De hypotheekrenteaftrek blijft de schuldenlast van huishoudens aanjagen. De particuliere schuld ligt ruim boven de drempels voor de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden. De bedrijfsschulden houden grotendeels verband met intraconcernschulden van multinationals en houden beperkte macro-economische risico's in. Hoge schulden van huishoudens maken huishoudens kwetsbaar voor schokken, met macro-economische repercussies. Hoewel de schuld van de huishoudens als percentage van het bbp inmiddels terugloopt, is deze nog steeds tweemaal zo hoog als het eurozonegemiddelde. De schulden van huishoudens bestaan grotendeels uit hypotheekschulden en worden aangejaagd door het genereuze belastingvoordeel voor hypotheekrentebetalingen. Ondanks de verlaging van de hypotheekrenteaftrek wordt schuldgefinancierd eigenwoningbezit nog steeds fors gesubsidieerd.
·Subsidies voor eigenwoningbezit en sociale huisvesting leiden tot een onderontwikkelde particuliere huurmarkt. De (gereguleerde) socialewoningsector is groot in vergelijking met andere lidstaten. De particuliere huurmarkt is de enige woningmarktsector die niet gesubsidieerd wordt, en blijft onderontwikkeld. Door het gebrek aan een goed functionerend middensegment op de huurmarkt worden huishoudens ertoe aangezet eerder de koopmarkt op te gaan, wat leidt tot hoge schuld/inkomen-ratio's en mogelijke problemen in verband met financiële kwetsbaarheid.
·De tweede pijler van het pensioenstelsel draagt in belangrijke mate bij tot een hoge spaarquote, met name in combinatie met een hoge hypotheekschuld. Terwijl het pensioenstelsel goed presteert qua toereikendheid van de pensioenen en budgettaire houdbaarheid, heeft het minpunten in termen van intergenerationele billijkheid, transparantie en flexibiliteit. De pensioenbijdragen van de tweede pijler zijn bovendien een belangrijke motor van verplichte besparingen voor huishoudens en kunnen de consumptie van huishoudens op procyclische wijze beïnvloeden. Huishoudens combineren een substantieel vermogen in de vorm van een eigen huis en pensioen met een hoge hypotheekschuld. Dat vermogen is echter uiterst illiquide en ongelijk verdeeld over de generaties. Daardoor zijn huishoudens kwetsbaar bij economische schokken en wordt de procyclische dynamiek van de financiën van huishoudens versterkt. Bij een doeltreffende implementatie van de geplande pensioenhervorming zouden de belangrijkste uitdagingen van het tweedepijlerstelsel kunnen worden aangepakt.
·De lopende rekening blijft een aanmerkelijk overschot vertonen. Nederland had over de laatste twee decennia een overschot op de lopende rekening van gemiddeld meer dan 7 % van het bbp. Alle institutionele sectoren blijven een overschot vertonen, waardoor het overschot op de lopende rekening toenam tot 11,2 % van het bbp in 2018. De niet-financiële vennootschappen zijn de belangrijkste structurele aanjager van het spaaroverschot. Dit hangt deels samen met de grote aanwezigheid van multinationals in Nederland, maar ook het midden- en kleinbedrijf levert een aanzienlijke bijdrage. Dit laatste lijkt deels te worden veroorzaakt door fiscale prikkels en andere structurele factoren die de verdeling van ingehouden winsten ontmoedigen. Het spaaroverschot van huishoudens is grotendeels het gevolg van hoge verplichte besparingen, onder meer via het pensioenstelsel, in combinatie met druk om de hypotheekschuld te verminderen. De overheidssector had tijdens de crisis en in de nasleep daarvan grote tekorten. Sinds 2017 is de overheid weer nettokredietverstrekker, maar dit zal gezien het huidige expansieve begrotingsbeleid geleidelijk afnemen. In de komende jaren zal het overschot op de lopende rekening naar verwachting enigszins afnemen omdat de invoer sneller zal groeien dan de uitvoer als gevolg van een verzwakking van de externe omgeving in combinatie met een relatief robuuste binnenlandse vraag.
·Verhoging van de binnenlandse investeringen zorgt voor kleine, maar positieve internationale overloopeffecten. Uit simulaties in dit verslag blijkt dat een structurele verhoging van de overheidsinvesteringen in Nederland het Nederlandse overschot op de lopende rekening zou verminderen en ook een positief effect zou hebben op de economische groei in andere landen van de eurozone.
Andere belangrijke structurele kwesties die in dit verslag aan de orde komen en die bijzondere uitdagingen voor de Nederlandse economie meebrengen, volgen hieronder.
·De arbeidsmarkt heeft over de hele linie goed gepresteerd, maar er zijn nog uitdagingen op het gebied van arbeidsmarktsegmentatie en integratie van mensen met een niet-EU-achtergrond, met name vrouwen. De werkgelegenheid bereikte een recordhoogte en de werkloosheid blijft dicht bij het laagste niveau ooit. De steeds krapper wordende arbeidsmarkt heeft werkgevers recentelijk prikkels gegeven om meer contracten voor onbepaalde tijd aan te bieden. Toch blijven het aandeel flexwerk en het aantal zelfstandigen zonder personeel hoog en zijn er grote verschillen in de arbeidsvoorwaarden en de sociale bescherming in de verschillende arbeidscontracten en arbeidsregelingen. Daarbij vormen de vele in deeltijd werkende vrouwen en niet in de EU geboren migranten een grote bron van arbeidskrachten die nog niet is aangeboord. Voorts blijft de arbeidsparticipatie van mensen aan de rand van de arbeidsmarkt een uitdaging vormen. Dit hangt deels samen met de nog steeds grote prestatiekloof tussen niet-immigranten en in het buitenland geboren leerlingen en het feit dat in Nederland geboren leerlingen met een migratieachtergrond slechts een deel van hun achterstand inhalen.
·Economische gegevens wijzen erop dat de Nederlandse belastingregels worden gebruikt voor agressieve fiscale planning. Met name het ontbreken van bronbelastingen geeft reden tot bezorgdheid. Naast de uitvoering van Europese en internationaal overeengekomen initiatieven heeft Nederland enkele unilaterale maatregelen genomen, met name de invoering van een nieuwe bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende landen met ingang van 2021, maar de doeltreffendheid daarvan moet nog worden afgewacht.
·Er is een doeltreffender antiwitwaskader nodig om misbruik van grote financiële instellingen en juridische structuren voor witwasdoeleinden te bestrijden. De discrepantie tussen het geringe aantal ongewone transacties dat door aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten en belastingadviseurs wordt gemeld, en hun hoge risicoblootstelling noopt tot strenger toezicht. Aangezien complexe juridische structuren wijdverbreid zijn, zal de snelle totstandbrenging en goede werking van het register van uiteindelijk begunstigden cruciaal zijn om misbruik van dergelijke entiteiten te voorkomen. Uit recente grote witwaszaken waarbij Nederlandse financiële instellingen betrokken waren, blijkt ook dat toezicht en handhaving moeten worden versterkt.
·Er zijn ambitieuze doelstellingen vastgesteld voor het aanpakken van de uitdagingen in verband met de klimaatverandering. De budgettaire en macro-economische gevolgen van de beleidsplannen in het kader van het klimaatakkoord zijn naar verwachting beperkt. De transitie naar het gebruik van hernieuwbare energie verloopt tot nu toe trager dan verwacht. Om de duurzaamheidsdoelstellingen op lange termijn te ondersteunen, zijn aanzienlijke investeringen nodig in op het klimaat gerichte O&O en innovatie, alsook de productie van hernieuwbare energie en bijbehorende infrastructuur. Het voorstel van de Commissie voor een mechanisme voor een rechtvaardige transitie binnen het volgende meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027 omvat een Fonds voor een rechtvaardige transitie, een specifieke regeling voor een rechtvaardige transitie in het kader van InvestEU en een nieuwe leningsfaciliteit voor de overheidssector met de EIB. Het moet ervoor zorgen dat de transitie naar een klimaatneutrale EU billijk is door de meest getroffen regio’s in Nederland te helpen de sociale en economische gevolgen aan te pakken. In bijlage D worden de belangrijkste prioriteiten vermeld voor steun van het Fonds voor een rechtvaardige transitie, dat is opgericht als onderdeel van het mechanisme voor een rechtvaardige transitie, op basis van de analyse van de transitie-uitdagingen die in dit verslag worden beschreven.
·Investeringen in O&O, menselijk kapitaal, klimaat- en energiemaatregelen kunnen helpen de productiviteitsgroei te ondersteunen en andere belangrijke maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Nederland blijft een van de meest productieve landen in de EU, maar zoals de meeste volgroeide economieën heeft het een aanzienlijke vertraging van de productiviteitsgroei doorgemaakt. Gerichte beleidsmaatregelen, waaronder investeringen in sectoren met de beste vooruitzichten om de potentiële groei in de hele economie op te trekken, kunnen helpen de uitdagingen aan te pakken die deze wereldwijde trend meebrengt. Met name investeringen in O&O en menselijk kapitaal – vooral voor opleiding, bijscholing en verbetering van digitale vaardigheden – kunnen helpen de groei van de productiviteit op lange termijn te ondersteunen en een sterke innovatiecapaciteit te handhaven. Investeringen in initiatieven om de klimaatverandering aan te pakken en de energietransitie te bevorderen kunnen een essentiële bijdrage leveren aan bredere maatschappelijke doelstellingen, zoals de noodzaak om te zorgen voor duurzame en hulpbronnenefficiënte economische groei. Voorts moet in nieuwe woningen worden geïnvesteerd om de huidige woningnood te verlichten.
1.
Economische situatie en vooruitzichten
Bbp-groei
In 2019 is de economie haar zesde opeenvolgende jaar van expansie ingegaan, maar de groei is vertraagd als gevolg van de verzwakte buitenlandse vraag, hetgeen zich vertaalde in een getemperde uitvoer. Tegelijkertijd zorgde een sterke binnenlandse vraag voor een gezonde groei van het bbp van 1,7 %. De grootste bijdrage aan de groei was afkomstig van de investeringen, die profiteerden van lage kapitaalkosten, hoge winstgevendheid en een al met al ondersteunende binnenlandse vraag, ondanks een minder gunstig klimaat (grafiek 1.1). De particuliere consumptie werd gestimuleerd door voortdurende werkgelegenheidsgroei op een krappe arbeidsmarkt.
|
Grafiek 1.1:Bbp-groei en -componenten
|
|
|
|
Bron: Najaarsprognose 2019 van de Europese Commissie
|
De groei zal zich naar verwachting in 2020 en 2021 op een lager niveau stabiliseren aangezien de binnenlandse vraag de enige drijvende kracht blijft van een bescheidener expansie. De particuliere consumptie en de overheidsconsumptie zullen naar verwachting de belangrijkste drijvende krachten achter de groei zijn, waarbij de particuliere consumptie zal profiteren van een verwachte verbetering van de reële lonen. De overheidsconsumptie zal ook een bijdrage leveren aan de binnenlandse vraag, aangezien zij in reële termen zou toenemen met ongeveer 2,6 % in 2020 en 2,1 % in 2021 als gevolg van een expansievere begrotingskoers. De uitvoer zal langzamer groeien dan in het verleden, en de invoer zou dit en volgend jaar sneller groeien dan de uitvoer dankzij een solide binnenlandse vraag. Het vertrouwen van het bedrijfsleven is gedaald als gevolg van de in de loop van 2019 toegenomen handelsonzekerheid, en de bedrijfsinvesteringen zullen in 2020 naar verwachting vertragen, parallel met een bescheidener groei. De investeringen in de bouw en infrastructuur, die in 2019 weliswaar solide waren, hebben te lijden onder beleidsonzekerheid als gevolg van de stikstofuitspraak van de Raad van State (zie kader 1.1). Indien geen maatregelen worden genomen, zou dit tot zwakkere bouwinvesteringen leiden. De output gap, die sinds 2017 positief is, zou positief blijven, maar zich in de komende jaren beginnen te sluiten.
Inflatie
De consumentenprijsinflatie zal naar verwachting na een piek in 2019 dalen. Gemeten aan de hand van het geharmoniseerd indexcijfer van de consumptieprijzen (
) is de inflatie in 2019 gestegen tot 2,7 % als gevolg van hogere indirecte belastingen (btw en energiebelastingen). In 2020 zal de inflatie naar verwachting afzwakken tot 1,4 % wanneer deze verhogingen van de indirecte belastingen niet meer doorwerken in de inflatiecijfers en een zwakkere buitenlandse vraag zich op zijn beurt vertaalt in een vermindering van de inflatiedruk. Tegelijkertijd zou de versnelling van de loongroei opwaartse druk op de prijzen uitoefenen, vooral voor diensten. Een aanzienlijke verlaging van de energiegerelateerde belastingen voor huishoudens zal leiden tot neerwaartse druk op de energieprijsinflatie.
Consumptie
De particuliere consumptie zal naar verwachting in 2020 hoog blijven dankzij een robuuste groei van het besteedbare inkomen. De arbeidsmarkt zal naar verwachting krap blijven, aangezien de werkgelegenheidsgroei positief blijft hoewel de participatiegraad al op recordniveau ligt, wat zich vertaalt in een verdere versnelling van de nominale loongroei. In combinatie met een lagere belastingdruk op inkomen uit arbeid en dalende inflatie zal het besteedbare inkomen van huishoudens naar verwachting aanzienlijk verbeteren. Als gevolg hiervan zou de particuliere consumptie de economische activiteit in 2020 blijven ondersteunen.
Investeringen
De investeringen hebben hun opwaartse trend in 2019 voortgezet en zijn nu ruwweg in overeenstemming met het gemiddelde van de eurozone (grafiek 1.2). In 2018 waren de overheidsinvesteringen als percentage van het bbp (3,3 %) aanzienlijk hoger dan het gemiddelde van de eurozone (2,7 %) en die van vergelijkbare landen. Volgens de najaarsprognose 2019 van de Europese Commissie zullen zij in 2021 stijgen tot 3,5 %. De investeringen van huishoudens als percentage van het bbp zijn vergelijkbaar met het gemiddelde van de eurozone. De bedrijfsinvesteringen, die van oudsher lager liggen dan in de rest van de eurozone, blijven relatief laag in vergelijking met het gemiddelde van de eurozone, hoewel ze de laatste jaren flink zijn gestegen, met name als aandeel van de bedrijfsbesparingen (zie punt 4.2.6). Dit kan wijzen op ruimte voor hogere particuliere investeringen, met name in O&O (zie punt 4.4.2). Er zijn verdere investeringsbehoeften geconstateerd op het gebied van O&O, bij- en omscholing van menselijk kapitaal en klimaat en energie om de productiviteitsgroei te steunen en een krachtig innovatievermogen te handhaven (zie punt 4.4.1).
|
Grafiek 1.2:Investeringen per sector, geselecteerde landen (2018)
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie (Eurostat)
|
In 2020 zullen de investeringen naar verwachting vertragen als gevolg van zwakker vertrouwen van het bedrijfsleven en beleidsonzekerheid in verband met de stikstofuitspraak. De handelsonzekerheid en de zwakkere buitenlandse vraag hebben sinds de tweede helft van 2019 geleid tot een geringer bedrijfsvertrouwen en een zwakkere investeringsdynamiek. Dit vertaalt zich op zijn beurt in een afzwakking van de groei van de bedrijfsinvesteringen in 2020 (CPB, 2019c). De investeringen in woningen van huishoudens zijn de laatste jaren gemiddeld met dubbele cijfers gestegen (grafiek 1.3), en de bouwinvesteringen bleven in 2019 de groei ondersteunen dankzij een sterke stijging van de woningprijzen van ongeveer 6 % in 2019 (zie punt 4.2.4). In de loop van de zomer van 2019 werd de stikstofuitspraak van de Raad van State echter een bron van aanzienlijke beleidsonzekerheid voor de bouw en de infrastructuur, aangezien voor dergelijke projecten geen vergunningen meer werden verleend en de milieunormen voor nieuwe bouwwerken rond beschermde Natura 2000-gebieden de facto strenger werden (ministerie van Binnenlandse Zaken, 2019). De stikstofuitspraak zou kunnen leiden tot zwakkere bouwinvesteringen in 2020 (zie kader 1.1).
|
Grafiek 1.3:Investeringen in de bouw (2000-2018)
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie (Eurostat)
|
Arbeidsmarkt
De werkloosheid bevindt zich op het laagste niveau sinds 2001, aangezien de arbeidsmarkt krap blijft. De werkloosheid, die in 2018 3,8 % bedroeg, daalde in 2019 tot 3,4 % (grafiek 1.4). De werkgelegenheid is in 2019 met 1,7 % gestegen en zal naar verwachting dit jaar ook marginaal positief blijven. De arbeidsparticipatie (15-75 jaar) staat nu op een relatief hoge 71,4 %. De jeugdwerkloosheid en de langdurige werkloosheid zijn ten opzichte van vorig jaar ook gedaald. Er blijft echter nog een onbenut potentieel wat betreft (in deeltijd) werkende vrouwen, ouderen, mensen met een migratieachtergrond en (gedeeltelijk) mensen met een beperking (zie punt 4.3.1)
|
Kader 1.1: Gevolgen van de stikstofuitspraak
Het Nederlandse Programma Aanpak Stikstof (PAS) is een beleidskader uit 2015 met als doel de depositie van reactieve verbindingen van stikstof (
I
) in beschermde Natura 2000-gebieden te verminderen om bodemverzuring en verlies aan biodiversiteit te voorkomen. PAS werd in geval van dergelijke emissies als basis voor de verlening van bouw- en infrastructuurvergunningen gebruikt, vooruitlopend op toekomstige verminderingen van stikstofdeposities. De Raad van State heeft het PAS echter op 29 mei 2019 wegens de onverenigbaarheid ervan met artikel 6 van de habitatrichtlijn 92/43/EEG ongeldig verklaard als basis voor de verlening van zulke vergunningen, aangezien het verzuimde vooraf zekerheid te verkrijgen over dergelijke toekomstige verminderingen. Dit leidde er vervolgens toe dat geen nieuwe vergunningen werden afgegeven voor projecten rond deze beschermde gebieden, waardoor in de loop van 2019 aanzienlijke beleidsonzekerheid ontstond voor investeringen in huisvesting en infrastructuur. Deels als gevolg van de stikstofuitspraak is het aantal bouwvergunningen aanzienlijk gedaald en zullen sommige infrastructuurprojecten naar verwachting aanzienlijke vertraging oplopen (ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2019). Als er geen maatregelen worden genomen, kan de uitspraak ertoe leiden dat tot 2024 in totaal naar raming 36 000 woningen minder worden gebouwd. De jaarlijkse woningproductie zou in 2024 kunnen dalen tot 65 000, terwijl de basisvoorspelling uitging van ongeveer 75 000 nieuwe woningen per jaar (ministerie van Binnenlandse Zaken, 2019; Koops en Manshanden, 2019). Het kabinet heeft daarom kortetermijnmaatregelen ter vermindering van de emissies aangekondigd met als doel de kwaliteit van de natuur te verbeteren, weer vergunningen te kunnen afgeven en infrastructuur- en woningbouwprojecten te kunnen voortzetten, ook al blijft onzekerheid bestaan (ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2019). Momenteel gaat het om de volgende maatregelen: i) een verlaging van de maximumsnelheid overdag op autosnelwegen tot 100 km/h; ii) een vrijwillige uitkoopregeling voor varkenshouders; en iii) een andere samenstelling van veevoer. Het kabinet beraadt zich op structurele maatregelen inzake zowel vergunningafgifte als natuurbehoud.
|
|
Grafiek 1.4:Arbeidsmarktontwikkelingen
|
|
|
|
Bron: CBS
|
De nominale loongroei is verder versneld, maar bleef lager dan op grond van het verband ervan met de fundamentele waarden kon worden verwacht. Met loonontwikkelingen die achterlopen op de cyclus, zorgen de aanhoudende gunstige arbeidsmarktomstandigheden voor een versnelling van de nominale loongroei: zo is de nominale beloning per werknemer in 2019 naar verwachting met ongeveer 2,5 % gestegen, vergeleken met 1,7 % in 2018. De stijging liep echter ongeveer gelijk met de inflatie, zodat de reële beloning stagneerde en de reële lonen in 2019 dus vlak bleven. Voor 2020 hebben de vakbonden evenwel ook aanzienlijke looneisen gesteld. De nominale loongroei per werknemer zal naar verwachting dan ook verder versnellen tot ongeveer 3 %. Voor 2020 wordt dus een aanzienlijke stijging van het besteedbare inkomen van huishoudens verwacht, aangezien de nominale loongroei samenvalt met verwachte lagere inflatie en een vermindering van de loonwig (ministerie van Financiën, 2019a) (
), wat de particuliere consumptie bevordert (zie punt 4.3). De nominale loongroei lijkt echter nog steeds lager te zijn dan op grond van het historische verband met de ontwikkeling van de inflatie, de productiviteit en de werkloosheid kon worden verwacht (grafiek 1.5). Het relatief grote aantal tijdelijke werknemers en zelfstandigen kan dit verschijnsel ten dele verklaren (Europese Commissie, 2019a).
|
Grafiek 1.5:Werkelijke en voorspelde loongroei op basis van fundamentele waarden
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
Vaste contracten maken het grootste deel van de recente werkgelegenheidsgroei uit, maar dit lijkt een weerspiegeling te zijn van de krapte op de arbeidsmarkt, aangezien arbeidsmarktsegmentatie nog steeds wijdverbreid is. Sinds 2018 bestaat de werkgelegenheidsgroei steeds meer uit vaste contracten (grafiek 1.6). Dit heeft geleid tot een lichte daling van het gecombineerde aandeel van zelfstandigen en tijdelijke werknemers in de totale werkgelegenheid van 39,0 % in het eerste kwartaal van 2018 tot 37,9 % in het derde kwartaal van 2019. Hoewel onlangs enkele maatregelen zijn genomen om de arbeidsmarktsegmentatie aan te pakken (
), blijven de diverse institutionele factoren die aan het grote gecombineerde aantal flexwerkers en zelfstandigen zonder personeel ten grondslag liggen, grotendeels bestaan (Raad van State, 2018). De daling lijkt derhalve een weerspiegeling te zijn van de huidige krapte op de arbeidsmarkt en niet door het beleid te zijn veroorzaakt, en het aantal flexwerkers en zzp’ers zal naar verwachting hoog blijven, ook in vergelijking met andere EU-landen (zie punt 4.3.1). Het voortbestaan van een dergelijke mate van segmentatie van de arbeidsmarkt blijft een zwak punt, aangezien hierdoor schokken voor bepaalde groepen kunnen worden versterkt in geval van ongunstige economische ontwikkelingen (CPB, 2019b).
|
Grafiek 1.6:Werkgelegenheidsgroei per soort contract (verandering op jaarbasis)
|
|
|
|
Bron: CBS
|
Overheidsfinanciën
Na aanzienlijke overschotten in 2018 en 2019 is de begrotingskoers in 2020 expansief. In 2018 lag het nominale overheidsoverschot op 1,5 % van het bbp na een flinke inkomstengroei die hoger was dan de uitgavengroei. In 2019 zal het overschot naar verwachting op ongeveer dit niveau gebleven zijn, waarbij hogere uitgaven worden gecompenseerd door de groei van de inkomsten. In 2020 en 2021 zal het nominale overschot naar verwachting dalen tot ongeveer 0,5 %, wanneer de belastingverlaging voor huishoudens ingaat. In structurele termen zal het overschot naar verwachting dalen van 0,9 % in 2018 tot 0,2 % in 2020 en 2021, wat wijst op een expansieve begrotingskoers (zie punt 4.1). Het kabinet heeft ook begrotingsmaatregelen genomen om de broeikasgasemissies in 2030 met 49 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990 (zie punt 4.5).
Externe positie
Na een record van 11,2 % van het bbp in 2018 begon het overschot op de lopende rekening terug te lopen, maar het is nog steeds hoog. Een aanhoudend goederenhandelsoverschot van gemiddeld 9,9 % van het bbp in de periode 2014-2018, waarvan ongeveer 3 procentpunt wederuitvoer, is de belangrijkste oorzaak van het overschot op de lopende rekening vanuit handelsbalansperspectief. In 2019 zal het overschot op de lopende rekening naar verwachting enigszins zijn gedaald omdat de invoer sneller is gegroeid dan de uitvoer. Voor de komende jaren zal het overschot op de lopende rekening naar verwachting hoog blijven maar verder teruglopen, aangezien een solide binnenlandse vraag samenvalt met een zwakke externe omgeving en een afnemende aardgaswinning. Netto primaire inkomensstromen hebben over een periode van meerdere jaren gemiddeld een beperkte invloed gehad op de lopende rekening, maar blijven een bron van volatiliteit op korte termijn.
Een groot deel van het spaaroverschot is toe te schrijven aan de vennootschapssector, met nettobesparingen van 8,1 % van het bbp in 2018 (grafiek 1.7). Zowel grote ondernemingen als het midden- en kleinbedrijf (mkb) leveren een aanzienlijke bijdrage aan het geaggregeerde spaaroverschot. Het mkb is goed voor een relatief stabiel niveau van 2-3 % van het bbp per jaar, terwijl grote ondernemingen inclusief multinationals de rest van het spaaroverschot vertegenwoordigen en verantwoordelijk zijn voor de volatiliteit in het spaargedrag van niet-financiële vennootschappen (DNB, 2019a). Het belastingbeleid zou een rol kunnen spelen bij het verklaren van een deel van deze hoge bedrijfsbesparingen (Europese Commissie, 2019a). Tegelijkertijd is het echter zo dat ingehouden winsten van in Nederland gevestigde multinationals statistisch worden toegeschreven aan het Nederlandse overschot op de lopende rekening, ook al zijn zij grotendeels in handen van buitenlanders (IMF, 2019b). Daar staat tegenover dat Nederlandse pensioenfondsen grote portefeuillebeleggers in buitenlandse ondernemingen zijn die aanzienlijke niet-uitgekeerde winsten hebben die niet in de Nederlandse nationale rekeningen zijn opgenomen, ook al zijn de uiteindelijke begunstigden Nederlandse werknemers die deelnemen aan de kapitaalgedekte pensioenregeling van de tweede pijler. Een correctie voor deze effecten zou zorgen voor een verschuiving van het overschot van ondernemingen naar huishoudens ten belope van naar raming 2-4 % van het bbp (Rojas-Romagosa et al., 2014; punt 4.2.6). Het totale overschot op de lopende rekening zou door een dergelijke correctie echter niet veel veranderen.
|
Grafiek 1.7:Vorderingenoverschot per institutionele sector
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie (Eurostat)
|
De besparingen van de huishoudens blijven een overschot vertonen aangezien zij nog steeds onder druk staan om schulden af te bouwen. Hoewel de (hypotheek)schuld van de huishoudens de afgelopen jaren in nominale termen is blijven toenemen, was de toename ondanks een sterke stijging van de huizenprijzen beperkt tot gemiddeld ongeveer 1 % per jaar in de periode 2015-2018. Dankzij een solide reële bbp-groei heeft dit geleid tot passieve schuldafbouw, waarbij de schuld van de huishoudens is afgenomen van 111 % van het bbp in 2015 tot een nog steeds aanzienlijke 102 % van het bbp in 2018. De hoge schuldenlast van de huishoudens, die voornamelijk uit hypotheekschuld bestaat, wordt grotendeels veroorzaakt door beleidsmatige verstoringen van de woningmarkt en bestaande fiscale prikkels. Hoewel de afgelopen jaren een reeks incrementele maatregelen is genomen om de toename van de hypotheekschuld te beteugelen (
), zal de (hypotheek)schuld van de huishoudens waarschijnlijk hoog blijven omdat er aanzienlijke beleidsmatige verstoringen blijven bestaan (zie punt 4.2.4).
Sociale dimensie
De inkomensongelijkheid na belastingen en overdrachten is relatief laag en is in de loop der tijd stabiel gebleven. Bovendien blijkt uit het sociale scorebord dat Nederland een van de laagste percentages heeft van mensen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd (zie punt 4.3.1). Als gevolg van het sterk herverdelende belasting- en uitkeringsstelsel is het besteedbare inkomen na belastingen van de rijkste 20 % slechts ongeveer 4 keer zo hoog als dat van de armste 20 % (
), wat duidelijk lager is dan het eurozonegemiddelde van 5,1. In het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 10 (ongelijkheid verminderen) is de inkomensongelijkheid stabiel gebleven qua besteedbaar inkomen, terwijl de inkomensongelijkheid qua bruto-inkomen, vóór belastingen en uitkeringen, de laatste 20 jaar aanzienlijk is toegenomen. Dit wijst op een toenemende herverdeling, wat ook tot uiting komt in het feit dat ongeveer 75 % van het bruto-inkomen van het laagste inkomenskwintiel bestaat uit uitkeringen en toelagen (ministerie van Financiën, 2019c). Er blijven aanzienlijke inkomensverschillen bestaan tussen mensen met en zonder migratieachtergrond, en sinds 2003 zijn er geen tekenen van verbetering (zie punt 4.3.1).
Intergenerationele verschillen en een laag liquide vermogen aan de onderkant van de welvaartsverdeling leiden tot een hoge nettovermogensongelijkheid. De rijkste 10 % van de huishoudens beschikt over ongeveer 61 % van het totale nettovermogen, terwijl de armste 20 % van de huishoudens een negatief nettovermogen heeft (CBS, gegevens van 2018). Hoge vermogensongelijkheid, in combinatie met een hoge hypotheekschuld van huishoudens, kan de procycliciteit in de bestedingen van huishoudens versterken, met macro-economische gevolgen, zoals gebeurde tijdens de financiële crisis en de daaropvolgende recessie (Teulings en Zhang, 2019; Europese Commissie, 2019a; zie ook punt 4.2.5).
Regionale dimensie
De regionale verschillen qua economische groei en besteedbaar inkomen van huishoudens zijn beperkt. Het bbp per hoofd in koopkrachtstandaard bedroeg in 2018 128 % van het EU-gemiddelde. In 2018 varieerde de groei van het bbp van 3,4 % op jaarbasis in Flevoland tot -0,8 % in Groningen. Op het eerste gezicht wijst dit op een aanzienlijk verschil in groei tussen de regio’s. Dit kan echter grotendeels worden toegeschreven aan de versnelde vermindering van de aardgaswinning in het gebied. Aangezien de aardgaswinning in Groningen geleidelijk wordt stopgezet, zal het geconstateerde verschil de komende jaren waarschijnlijk blijven bestaan. De groei in Groningen exclusief aardgaswinning bedroeg in 2018 echter 2,7 %, wat wijst op veel kleinere verschillen in economische prestaties exclusief aardgaswinning op regionaal niveau ten opzichte van de rest van de economie (grafiek 1.8). Deze kleinere variatie in regionale groeicijfers wordt ook weerspiegeld in de relatief beperkte verschillen in regionale gemiddelden van besteedbare inkomens van huishoudens. Die variëren van 110 % van het landelijk gemiddelde in Utrecht tot 87 % in Groningen. De regionale verschillen lijken groter voor andere aspecten, zoals toegang tot financiering, congestie en tekorten op specifieke delen van de arbeidsmarkt (zie de punten 4.2.2-4.2.4).
|
Grafiek 1.8:Regionale bbp-groei inclusief en exclusief aardgaswinning (2018)
|
|
|
|
Bron: CBS
|
Prestaties op het gebied van duurzameontwikkelingsdoelstellingen
Al met al presteert Nederland goed bij het verwezenlijken van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (Sustainable Development Goals - SDG’s) Als hooginkomensland is Nederland een van de best presterende EU-lidstaten op verschillende gebieden, waaronder geen armoede (SDG 1), ongelijkheid verminderen (SDG 10), toegang tot justitie en vertrouwen in instellingen (onderdelen van SDG 16) en partnerschap om doelstellingen te bereiken (SDG 17). Het enige gebied waarop Nederland relatief slecht scoort, is klimaatactie (SDG 13), wat verband houdt met een laag aandeel hernieuwbare energie en een hoge broeikasgasintensiteit van het energieverbruik. De meeste onderliggende indicatoren voor deze SDG laten echter geleidelijke vooruitgang zien. Meer in het algemeen heeft Nederland de afgelopen 5 jaar qua trends voor de meeste SDG’s een stabiele of beter wordende prestatie laten zien. De vooruitgang was bijzonder sterk wat betreft verantwoorde consumptie en productie (SDG 12), schoon water en sanitair (SDG 6), kwaliteitsonderwijs (SDG 4) en betaalbare en duurzame energie (SDG 7). De prestaties zijn ook van een reeds hoog niveau (zie hierboven) verder verbeterd bij de SDG’s 9, 10 en 16.
|
|
|
Tabel 1.1:Belangrijkste economische en financiële indicatoren
|
|
|
|
|
|
|
2.
Voortgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen
Sinds de start van het Europees Semester in 2011 is bij 89 % van alle tot Nederland gerichte landspecifieke aanbevelingen ten minste “enige vooruitgang” geboekt. Bij 11 % van deze LSA's is “beperkte” of “geen vooruitgang” geboekt (grafiek 2.1). De laatste jaren is aanzienlijke vooruitgang geboekt op het gebied van de overheidsfinanciën, inclusief hervorming van de langdurige zorg en bescherming van de uitgaven in groeivriendelijke sectoren. Ook op diverse terreinen in verband met de arbeidsmarkt en de pensioenen is sprake van aanzienlijke vooruitgang dan wel volledige uitvoering van de desbetreffende aanbeveling, zoals bij de verhoging van de aow-leeftijd en de herintegratie van oudere werknemers.
De Nederlandse autoriteiten hebben sinds de eerste ronde van de landspecifieke aanbevelingen aanzienlijke structurele hervormingen doorgevoerd om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te waarborgen. In overeenstemming met de landspecifieke aanbevelingen van 2011 en 2012 heeft Nederland zijn buitensporig tekort al in 2013 gecorrigeerd, terwijl de overheidsuitgaven die rechtstreeks van belang zijn voor de groei, zoals de uitgaven voor O&O, onderwijs en opleiding, werden beschermd. Naar aanleiding van aanbevelingen om de budgettaire houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren, heeft het kabinet hervormingen inzake langdurige zorg en pensioenen doorgevoerd. Het heeft met name de aow-leeftijd verhoogd en deze gekoppeld aan de levensverwachting.
Het kabinet heeft maatregelen genomen om de hoge schuldenlast van de huishoudens en de verstoringen op de woningmarkt aan te pakken, maar er blijven uitdagingen bestaan. Nederlandse huishoudens hebben hoge hypotheekschulden (zie punt 4.2.3) die in de hand gewerkt zijn door fiscale prikkels en verstoringen van de woningmarkt (zie punt 4.2.4). Sinds 2012 zijn aanbevelingen gedaan over de noodzaak van hervormingen op dit gebied, met name om de gunstige fiscale behandeling van eigenwoningbezit aan te passen, het socialehuisvestingbeleid te herprioriteren en te zorgen voor een marktgerichter prijsmechanisme op de huurwoningenmarkt. Het kabinet heeft aan deze aanbevelingen gevolg gegeven, met name door aanscherping van de regels inzake de hypotheekrenteaftrek (waaronder de verplichting om hypotheken binnen 30 jaar af te lossen om voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking te komen) en door het toepasselijke tarief voor de aftrek geleidelijk te verminderen. Ook zijn beleidsmaatregelen genomen om de vaststelling van de huur flexibeler te maken en het aanbod van particuliere huurwoningen te ondersteunen. De fiscale prikkels voor (met een hypotheek gefinancierd) eigenwoningbezit blijven echter genereus, en de particuliere huursector is nog steeds onderontwikkeld.
|
Grafiek 2.1:Uitvoering van de LSA's van 2011-2019 tot op heden, vanuit een meerjarenperspectief bezien
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
Nederland heeft enige vooruitgang geboekt bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen van 2019 (tabel 2.1). Er is enige vooruitgang geboekt met betrekking tot LSA 1, met name op het gebied van de woningmarkt, de pensioenhervorming, het verhogen van het besteedbare inkomen van huishoudens en het aanpakken van agressieve fiscale planning. Op al deze gebieden blijven echter uitdagingen bestaan. Er is enige vooruitgang geboekt met betrekking tot LSA 2, met name bij het versterken van een leven lang leren en bijscholing. Bovendien is ook enige vooruitgang geboekt met betrekking tot LSA 3, aangezien het kabinet de algemene investeringen ondersteunt in het kader van een bredere begrotingsexpansie en verschillende sectorspecifieke investeringsbehoeften heeft aangepakt, zij het in verschillende mate.
Er is enige vooruitgang geboekt op elk van de beleidsterreinen waarop LSA 1 betrekking heeft. Om de hoge schuld van de huishoudens aan te pakken, wordt het toepasselijke tarief voor de hypotheekrenteaftrek vanaf 2020 verlaagd met 3 procentpunten per jaar tot 37 % in 2023. Hoewel deze maatregel helpt om huishoudens ervan te weerhouden zich in de schulden te steken, blijft de subsidie voor schuldgefinancierd eigenwoningbezit substantieel (zie punt 4.2.3). De Nederlandse autoriteiten hebben in september 2019 een pakket woningmarktmaatregelen aangekondigd dat vooral gericht is op het stimuleren van woningbouw, ook in de particuliere huursector; welk effect dit zal hebben, is nog onzeker (zie punt 4.2.4). Bij de hervorming van de tweede pijler van het pensioenstelsel is een principeakkoord gesloten tussen de sociale partners en het kabinet, en de verdere afronding ervan is momenteel gaande (zie punt 4.2.5). Het kabinet heeft fiscale maatregelen genomen ter ondersteuning van een hoger reëel besteedbaar inkomen van huishoudens (zie punt 4.1), en de aanhoudende gunstige arbeidsmarktomstandigheden vertalen zich in een versnelling van de nominale loongroei (zie punt 1). Inzake agressieve fiscale planning voert Nederland met ingang van 2021 een voorwaardelijke bronbelasting op royalty- en rentebetalingen in (zie punt 4.1). Hoe doeltreffend die bronbelasting is voor het aanpakken van agressieve fiscale planning, moet echter nog worden afgewacht.
Bij LSA 2, die gericht is op kwesties in verband met zelfstandigen alsmede een leven lang leren en bijscholing, is beperkte vooruitgang geboekt. Er is beperkte vooruitgang geboekt bij het verminderen van de prikkels voor zelfstandigen zonder personeel en het bevorderen van adequate sociale bescherming voor zelfstandigen. Hoewel een aantal voorstellen is aangekondigd om problemen op deze gebieden aan te pakken (zie tabel 2.1 voor een overzicht en punt 4.3.1 voor meer details), zijn de meeste ervan nog niet aangenomen. Er is beperkte vooruitgang geboekt bij het aanpakken van schijnzelfstandigheid: hoewel de tenuitvoerlegging van maatregelen om schijnzelfstandigheid aan te pakken, verder is uitgesteld tot 2021, is het criterium “gezagsverhouding” in januari 2019 verduidelijkt. Voorts is een ontwerpvragenlijst opgesteld met het oog op de implementatie van een webmodule die de arbeidsrelatie van zelfstandigen zal kwalificeren. Daarnaast is enige vooruitgang geboekt op het gebied van een leven lang leren en bijscholing dankzij een nieuwe strategie die tot doel heeft een echte leercultuur tot stand te brengen en mensen meer verantwoordelijkheid te geven voor hun opleiding, onder meer via individuele opleidingsbudgetten (zie punt 4.3.2).
Er is enige vooruitgang geboekt met betrekking tot LSA 3, die oproept tot ondersteuning van investeringen met bijzondere aandacht voor O&O, energie en klimaat en vervoersinfrastructuur. Wat betreft de ondersteuning van investeringen in het algemeen: de Nederlandse autoriteiten voeren een budgettaire expansie uit (zie punt 4.1), onder meer door investeringen te stimuleren, en hebben wetgeving aangenomen om Invest-NL op te richten, een nationale ontwikkelingsinstelling met als taak de ondersteuning van investeringen in de particuliere sector. Er kan echter nog meer worden gedaan, want Nederland heeft nog enige ruimte op de begroting. Op het gebied van O&O-investeringen is beperkte vooruitgang geboekt. Uit herziene O&O-cijfers blijkt trage vooruitgang inzake de particuliere O&O-intensiteit, en een lichte daling van de publieke O&O-intensiteit (zie punt 4.4.2). De totale O&O-intensiteit is gestabiliseerd op ongeveer 2,2 %, maar blijft achter bij de nationale doelstelling van 2,5 % voor 2020 en de O&O-intensiteit van andere leiders op het gebied van innovatie. Er zijn nieuwe beleidsmaatregelen aangekondigd, maar hun effecten moeten nog worden afgewacht. Op het gebied van energie en klimaatgerelateerde investeringen is enige vooruitgang geboekt. Nederland heeft een klimaatwet aangenomen, waarin doelen voor het terugdringen van broeikasgassen voor 2030 en 2050 zijn vastgesteld, en heeft een klimaatakkoord gesloten met een reeks aangenomen en voorgestelde beleidsmaatregelen om het doel van 2030 te bereiken, dat een analyse van de investeringsbehoeften omvat (zie punt 4.5). Op het gebied van investeringen om vervoerknelpunten aan te pakken, is enige vooruitgang geboekt. In het regeerakkoord is een duidelijk traject vastgelegd met maatregelen om de toenemende drukte op de weg, het spoor, het water en in de lucht te verminderen. Er is echter nog ruimte voor verdere verbetering.
Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie via het steunprogramma voor structurele hervormingen expertise op maat verstrekken om te helpen bij het ontwerpen en uitvoeren van groeibevorderende hervormingen. Sinds 2019 wordt aan Nederland dergelijke ondersteuning verleend op drie beleidsterreinen: i) verbetering van de beleidsevaluatiesystemen; ii) verbetering van de SOLVIT-dienstverlening aan Nederlandse bedrijven; en iii) ontwikkeling van monitoringinstrumenten en een kwaliteitsborgingskader ter versterking van het volwassenenonderwijs.
|
|
|
Tabel 2.1:Beoordeling van de uitvoering van de LSA's van 2019 (*)
|
|
|
|
|
|
(vervolg op de volgende bladzijde)
|
|
Tabel (vervolg)
|
|
|
|
|
|
|
|
(vervolg op de volgende bladzijde)
|
|
Tabel (vervolg)
|
|
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
|
|
|
Kader 2.2: EU-fondsen en -programma's pakken structurele uitdagingen aan en bevorderen groei en concurrentievermogen in Nederland
Nederland ontvangt EU-middelen. De financiële toewijzing van de fondsen van het cohesiebeleid van de EU(
II
) voor Nederland, inclusief nationale medefinanciering, bedraagt in het huidige meerjarig financieel kader 2,4 miljard EUR, wat neerkomt op ongeveer 0,05 % van het bbp per jaar. Eind 2019 was de totale geplande toewijzing aan specifieke projecten toegekend en was 1,3 miljard EUR in het kader van de geselecteerde projecten besteed, waarmee het bestedingspercentage duidelijk boven het gemiddelde ligt(
III
).
Met financiering in het kader van het cohesiebeleid van de EU wordt de transitie in Nederland ondersteund door groei en werkgelegenheid te bevorderen via investeringen in innovatie, klimaattransitie, werkgelegenheid en arbeidsmobiliteit. Via investeringen die worden aangedreven door financiering uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) is al steun verleend aan meer dan 5 000 ondernemingen, waarvan aan ruim 2 000 ondernemingen om nieuwe producten in de handel brengen. Bijna 600 ondernemingen hebben steun ontvangen om samen te werken met onderzoeksinstellingen. Als tegenhanger van de publieke steun voor O&O- en innovatieprojecten is al voor meer dan 425 miljoen EUR aan particuliere investeringen gedaan. EFRO-financiering draagt ook bij aan de ontwikkeling van innovatieve koolstofarme technologieën. In het kader van de doelstelling van sociale inclusie heeft het Europees Sociaal Fonds meer dan 548 000 mensen op hun weg naar de arbeidsmarkt ondersteund, rekening houdend met hun individuele behoeften, en specifieke stages gefinancierd waarmee een baan kon worden aangeboden aan 62 000 deelnemers die anders zeer weinig kans hadden gehad op de arbeidsmarkt.
De EU ondersteunt ook investeringen via de landbouw- en visserijfondsen, de Connecting Europe Facility en Horizon 2020. De steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij bedraagt respectievelijk 1,27 miljard EUR en 128 miljoen EUR (inclusief de nationale medefinanciering in beide gevallen). De Connecting Europe Facility heeft 508 miljoen EUR toegewezen aan 77 vervoersprojecten met een totale investeringswaarde van 1,6 miljard EUR. Horizon 2020 heeft 3,6 miljard EUR verstrekt ter bevordering van innovatie en onderzoek in Nederland, waarvan 697 miljoen EUR aan het mkb.
EU-financiering draagt bij aan het mobiliseren van particuliere investeringen. Eind 2018 was door uit de Europese structuur- en investeringsfondsen(
IV
) ondersteunde programma’s aanvullend kapitaal gemobiliseerd door ongeveer 158 miljoen EUR vast te leggen in de vorm van leningen, garanties en aandelen, wat neerkomt op 4,8 % van alle toewijzingen van dergelijke middelen waarover een besluit was genomen.
EU-fondsen investeren al in maatregelen die stroken met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s). In Nederland wordt voor 98 % van de middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen aangegeven dat ze dienen ter ondersteuning van 9 van de 17 SDG’s.
|
3.
Samenvatting van de voornaamste bevindingen van de diepgaande evaluatie in het kader van de PMO
In het waarschuwingsmechanismeverslag 2020 is geconcludeerd dat een nieuwe diepgaande evaluatie voor Nederland nodig is om na te gaan of de onevenwichtigheden nog steeds bestaan dan wel zijn weggewerkt (Europese Commissie, 2019f). In het voorjaar van 2019 is Nederland aangemerkt als land met macro-economische onevenwichtigheden (Europese Commissie, 2019b). De geconstateerde onevenwichtigheden hadden met name te maken met de hoge particuliere schuld alsook het omvangrijke overschot op de lopende rekening. Dit hoofdstuk bevat een overzicht van de resultaten van de analyses van de diepgaande evaluatie in het kader van de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden (PMO) die in verschillende delen van dit verslag zijn opgenomen (
).
3.1. ONEVENWICHTIGHEDEN EN DE ERNST ERVAN
Het overschot op de lopende rekening is in 2018 verder gestegen tot een record van 11,2 % van het bbp. Dit is het hoogste overschot in de eurozone als percentage van het bbp. Vanuit handelsperspectief is een aanhoudend hoog goederenhandelsoverschot de belangrijkste oorzaak hiervan. In 2018 droeg Nederland 0,7 procentpunt bij aan het overschot op de lopende rekening van de eurozone, dat is de hoogste bijdrage na die van Duitsland (2,1 procentpunt).
Alle binnenlandse sectoren vertonen een overschot, waarbij de vennootschapssector de grootste bijdrage levert aan het vorderingenoverschot. Zowel financiële vennootschappen als niet-financiële vennootschappen laten een overschot zien, waarbij de laatste meer gewicht in de schaal leggen. Het vorderingenoverschot van niet-financiële vennootschappen bedroeg in 2018 6,7 % van het bbp. In vergelijking met de rest van de eurozone zijn de winstgevendheid en het netto-inkomen uit vermogen van Nederlandse bedrijven relatief hoog, terwijl de binnenlandse investeringen lager zijn. Dit hangt deels samen met de grote aanwezigheid van multinationals in Nederland, maar ook het mkb levert een aanzienlijke bijdrage (zie punt 4.2.6). De huishoudens vertonen sinds de crisis overschotten; in 2018 bedroeg het overschot 1,5 % van het bbp. De dip op de huizenmarkt tijdens de crisis heeft geleid tot een daling van de woninginvesteringen, terwijl tegelijkertijd de persoonlijke besparingen een impuls kregen door de druk om de hoge schuldlast van huishoudens af te bouwen. Pensioenfondsen zijn ook een belangrijke motor van het vorderingenoverschot van de huishoudens als gevolg van de relatief hoge pensioenbijdragen van de tweede pijler (zie punt 4.2.5), die grotendeels in het buitenland worden geïnvesteerd. De overheidssector liet een nominaal overschot van 1,5 % van het bbp zien als gevolg van consolidatiemaatregelen uit het verleden en toenemende belastinginkomsten.
De particuliere schuld bleef in 2018 dalen, maar blijft hoog. Zij bedroeg in 2018 242 % van het bbp, een jaar eerder was dat nog 252 %. De schuld van niet-financiële vennootschappen bedroeg 140 % van het bbp. Van deze schuld komt echter ongeveer 60 % voor rekening van multinationals. Aangezien de schuld van multinationals voornamelijk bestaat uit intraconcernschuld, lijken de macro-economische risico's beperkt (zie punt 4.2.3).
De schuld van huishoudens bestaat hoofdzakelijk uit hypotheekschuld. De hypotheekrenteaftrek moedigt huishoudens aan om hypotheekschuld aan te gaan. De schuldquote van de huishoudens is in 2018 gedaald tot 102 % van het bbp omdat het bbp sneller is gegroeid dan de schuld van de huishoudens. Hoewel de nominale schuld van de huishoudens blijft toenemen, is de toename veel langzamer dan vóór de crisis, en wel 1-1,5 % per jaar in de afgelopen jaren. De toenemende hypotheekschuld houdt verband met sterke stijgingen van de huizenprijzen. De huizenprijzen zijn in 2018 sneller gestegen, namelijk met 7 % in reële termen, waarmee de drempelwaarde voor de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden werd overschreden. Over het geheel genomen wijst de ontwikkeling van de huizenprijzen eerder op een vertraagde aanbodrespons dan op overwaardering op nationaal niveau (zie punt 4.2.4).
De potentiële overloopeffecten naar andere EU-landen zijn betrekkelijk beperkt gezien de omvang van de Nederlandse economie. Tabel 3.1 laat zien dat uitvoer naar Nederland een relatief groot aandeel van het bbp van België vormt (13 %). Vanuit Nederlands oogpunt is Duitsland de belangrijkste uitvoerbestemming, gevolgd door het Verenigd Koninkrijk. In financieel opzicht kennen België, Cyprus, Ierland, Hongarije, Luxemburg en Malta een relatief hoge blootstelling aan Nederland. Kader 3.1 geeft een analyse van de gevolgen van een gestileerde verhoging van de overheidsinvesteringen voor het bbp. Er blijkt sprake te zijn van kleine, maar positieve overloopeffecten naar de rest van de eurozone.
|
|
|
Tabel 3.1:Heatmap van de uitwaartse overloopeffecten voor Nederland
|
|
|
|
Bron: IMF, OESO, TiVa, BIS en diensten van de Commissie
|
|
|
3.2. ONTWIKKELING, VOORUITZICHTEN EN BELEIDSREACTIES
Het overschot op de lopende rekening zal naar verwachting geleidelijk dalen, maar blijft hoog. Volgens de najaarsprognose van de Europese Commissie zal het overschot geleidelijk afnemen van 11,2 % in 2018 tot 8,6 % in 2021, aangezien de invoer sneller zal groeien dan de uitvoer. Dit is het gevolg van een zwakker wordende externe omgeving in combinatie met een relatief robuuste binnenlandse vraag. Dit laatste houdt op zijn beurt verband met een stijging van de loongroei en een expansieve begrotingskoers (zie de punten 1 en 4.1). De afnemende aardgasuitvoer als gevolg van de geleidelijke stopzetting van de aardgasproductie in Groningen zal het overschot op de lopende rekening naar verwachting ook drukken.
Verwacht wordt dat de particuliere schuld hoog blijft. Al met al zal de nog steeds relatief robuuste nominale bbp-groei, in combinatie met de aanhoudende druk om schulden af te bouwen, de trend van passieve schuldafbouw naar verwachting ondersteunen. In nominale termen zal de schuld van de huishoudens waarschijnlijk echter iets toenemen als gevolg van scherpe stijgingen van de huizenprijzen in de afgelopen jaren (zie punt 4.2.3). Het toepasselijke maximumtarief voor de hypotheekrenteaftrek wordt met 3 procentpunten per jaar verlaagd van 49 % in 2019 tot 37 % in 2023. Hoewel de begunstiging van schulden van huishoudens hierdoor vermindert, blijft sprake van een aanzienlijke subsidie voor hypotheekleningen. Het kabinet heeft ook initiatieven ontplooid om het aanbod van nieuwe woningen te stimuleren, inclusief in de particuliere huursector, die huishoudens een alternatief zou bieden voor het aangaan van een hypotheekschuld. Met een aandeel van 13 % van de totale woningvoorraad in 2018 blijft de particuliere huursector echter onderontwikkeld.
3.3. ALGEHELE BEOORDELING
Nederland heeft aanhoudend grote overschotten op de lopende rekening. Het vorderingenoverschot wordt grotendeels veroorzaakt door niet-financiële vennootschappen met relatief hoge besparingen en lage binnenlandse investeringen. Zowel grote ondernemingen, waaronder multinationals, als kleine en middelgrote bedrijven hebben aanzienlijke overschotten. Ook huishoudens leveren een positieve bijdrage, onder meer als gevolg van de hoge verplichte pensioenpremies. De schuld van huishoudens als percentage van het bbp is ongeveer 50 procentpunt hoger dan het gemiddelde van de eurozone en ligt duidelijk boven de desbetreffende benchmarks (zie punt 4.2.3), omdat huishoudens door fiscale prikkels worden gestimuleerd om hypotheekschuld aan te gaan. Hoewel de schuld van huishoudens gepaard gaat met aanzienlijke activa in de vorm van woningen en pensioenvermogen, gaat het daarbij vaak om niet-liquide activa, zodat huishoudens kwetsbaar zijn voor schokken.
Het externe overschot en het hoge niveau van de particuliere schuld zullen slechts geleidelijk verminderen. Het overschot op de lopende rekening zal geleidelijk afnemen dankzij een grotere binnenlandse vraag en stijgende lonen, ook ondersteund door de expansieve begrotingskoers. Het niveau zal echter ruim boven de drempelwaarde blijven. Hoewel de schuld van huishoudens daalt als percentage van het bbp, stijgt zij in nominale termen als gevolg van scherpe stijgingen van de huizenprijzen. Ondanks de genomen maatregelen blijven er sterke stimulansen bestaan om hypotheekschuld aan te gaan, mede gezien de onderontwikkelde particuliere huurmarkt.
|
|
|
Tabel 3.2:PMO-beoordelingsmatrix (*)
|
|
|
|
|
|
(vervolg op de volgende bladzijde)
|
|
Tabel (vervolg)
|
|
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
|
|
|
Kader 3.3: Overheidsinvesteringen en mogelijke overloopeffecten
Naar aanleiding van de landspecifieke aanbevelingen van 2019 inzake het investeringsgerelateerde economisch beleid wordt het Quest-model van de Europese Commissie toegepast om het binnenlandse en grensoverschrijdende effect van een verhoging van de overheidsinvesteringen met 1 % van het bbp gedurende 10 jaar te simuleren. Nederland handhaaft een expansieve begrotingskoers, via zowel lagere belastingen op inkomen uit arbeid als verhoogde uitgaven, waaronder voor investeringen (zie punt 4.1). Deze maatregelen pakken waarschijnlijk gunstig uit voor de economische groei in Nederland. Vanwege de grote handelsopenheid van de Nederlandse economie kunnen zich belangrijke overloopeffecten voordoen naar de rest van de eurozone (REZ), waarbij wél moet worden bedacht dat de Nederlandse economie, afgezet tegen het eurozoneaggregaat, slechts een beperkte omvang heeft. Om de omvang van mogelijke overloopeffecten te illustreren, beschrijft dit kader het effect van een gestileerde schuldgefinancierde verhoging van de productieve overheidsinvesteringen met 1 % van het bbp gedurende de komende 10 jaar. Een dergelijke verhoging van de overheidsinvesteringen kan worden gemotiveerd met een gunstige ontwikkeling van de schuld, lage leenkosten en een monetair beleid dat wordt ingeperkt door de effectieve ondergrens voor de nominale rente.
De Quest-simulaties laten een positief effect op het Nederlandse reële bbp zien van ongeveer 0,6 % in het eerste jaar, oplopend tot 1,2 % na tien jaar (tabel 1). (
V
) Het overschot op de lopende rekening wordt verminderd met ongeveer 0,1 % van het bbp. Het overloopeffect van de binnenlandse investeringsimpuls via het handelskanaal is positief, maar klein, waarbij het reële bbp in de REZ in de eerste jaren met 0,1 % toeneemt en vervolgens geleidelijk afneemt. Deze resultaten beschrijven de effecten van een verhoging van de overheidsinvesteringen in Nederland bij overigens gelijkblijvende omstandigheden; een gecoördineerd investeringsprogramma in meerdere lidstaten zou uiteraard een veel groter binnenlands en grensoverschrijdend effect hebben.
|
|
|
Tabel 3.3a:Gesimuleerd binnenlands effect en overloopeffecten van een verhoging van de overheidsinvesteringen met 1 % van het bbp gedurende 10 jaar.
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
|
|
|
4.
Hervormingsprioriteiten
4.1.Overheidsfinanciën en belastingen
4.1.1.Ontwikkelingen van de uitgaven en ontvangsten* (
)
Na een langere periode van nulgroei nemen de nominale overheidsuitgaven weer toe (grafiek 4.1.1). Op basis van het regeerakkoord 2018-2021 stijgen de overheidsuitgaven voornamelijk op het gebied van defensie, infrastructuur en onderwijs. Recente aanvullende begrotingsmaatregelen, die in de begroting voor 2020 zijn aangekondigd, omvatten verdere uitgaven voor klimaatmaatregelen, met name een verhoging van de subsidie voor duurzaam energiegebruik (
) en hogere uitgaven voor de AOW (
). Het kabinet kondigde ook aanvullende begrotingsmaatregelen aan om de stikstofproblemen aan te pakken (zie de punten 1 en 4.4) en om de salarissen van leerkrachten te verhogen. Verwacht wordt dat de overheidsinvesteringen zijn gestegen van 3,3 % van het bbp in 2018 tot 3,5 % van het bbp in 2019, ruim boven het gemiddelde van de eurozone, maar onder het langetermijngemiddelde (3,8 % van het bbp).
De ontvangsten groeiden sneller dan de uitgaven en dat heeft tot nominale overschotten geleid. Het algemene begrotingssaldo van de overheid wordt geraamd op 1,5 % van het bbp in 2019. Belastingvermindering (vooral voor huishoudens) en sneller groeiende uitgaven zullen naar verwachting leiden tot een daling van het overschot tot 0,5 % van het bbp in 2020, op basis van de najaarsprognoses van de Europese Commissie. In structurele termen zal het begrotingsoverschot, rekening houdend met de economische cyclus en de incidentele maatregelen, dalen van 0,9 % van het bbp in 2018 tot 0,2 % van het bbp in 2020, wat het expansieve begrotingsbeleid illustreert (grafiek 4.1.1).
|
Grafiek 4.1.1:Algemene uitgaven, ontvangsten en structureel begrotingssaldo van de overheid
|
|
|
|
Bron: najaarsprognose 2019 van de Europese Commissie
|
Met maatregelen aan de ontvangstzijde wordt de belastingdruk op arbeid met ongeveer 0,5 % van het bbp verlaagd. In 2020 wordt het aantal inkomstenbelastingschijven tot twee teruggebracht, waarbij voor alle inkomens tot 68 507 EUR per jaar een basistarief van 37,35 % wordt vastgesteld en voor alle inkomens boven die drempel een marginaal toptarief van 49,5 % (grafiek 4.1.2). Deze maatregel wordt slechts gedeeltelijk gefinancierd door een verhoging van de indirecte belastingen en leidt tot een algemene verlaging van de belastingdruk. Verwacht wordt dat dit het arbeidsaanbod en de werkgelegenheid zal doen toenemen. De progressiviteit wordt verminderd, maar het effect van de inkomensherverdeling wordt gedeeltelijk tenietgedaan door een verhoging van de algemene en de inkomensafhankelijke heffingskortingen.
Het kabinet verlaagt ook de vennootschapsbelasting, maar in mindere mate dan eerder aangekondigd. In 2020 wordt het belastingtarief voor de winsten tot 200 000 EUR verlaagd van 19 % naar 16,5 % en het tarief voor de winsten van meer dan 200 000 EUR blijft 25 %; dat is dus meer dan het tarief van 22,55 % dat in het regeerakkoord 2018-2021 is voorgesteld. Vanaf 2021 wordt het laagste belastingtarief verlaagd tot 15 % en het hoogste belastingtarief tot 21,7 %. Het verlagen van de tarieven van de vennootschapsbelasting wordt gedeeltelijk gefinancierd door een verhoging van de grondslag, onder meer naar aanleiding van de tenuitvoerlegging van de richtlijn bestrijding belastingontwijking.
|
Grafiek 4.1.2:Tarieven personenbelasting 2015-2020
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
De belastingmix is vrij groen. Met 8,6 % van de totale belastingontvangsten uit milieubelastingen (
) in 2018 is de belastingmix vrij groen naar Europese normen (grafiek 4.1.3). Het aandeel van de milieubelastingen zal bovendien nog toenemen. Voor de niet-ETS-industriële sector zal tegen 2021 een koolstofheffing worden ingevoerd en de energiebelastingen voor huishoudens zullen eveneens stijgen.
|
Grafiek 4.1.3:Milieubelastingen (2018)
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
De belastingmix is echter niet bijzonder “groeivriendelijk”. Terwijl in 2018 ruim 50 % van de totale belastingontvangsten uit belastingen op arbeid komt, ligt de belastingdruk op arbeid rond het gemiddelde van de eurozone. De inactiviteits- en werkloosheidsvallen blijven relatief groot voor lage inkomens, zodat het financieel onaantrekkelijk wordt om op dit niveau een baan te aanvaarden (
). Ondanks een toename in 2019 blijft het aandeel van de verbruiksbelastingen in de totale belastingmix in de buurt van het gemiddelde van de eurozone, terwijl het aandeel van de periodieke vastgoedbelastingen ruim onder het gemiddelde van de eurozone ligt. Een vergelijking met andere EU-landen suggereert dat er ruimte is om de belastingmix te verbeteren door belastingen op arbeid te verschuiven naar gebieden die minder schadelijk zijn voor de groei, zoals consumptie of inkomen uit vermogen (
).
|
Grafiek 4.1.4:Belastingmix in Nederland en de eurozone (aandeel in de totale belastingontvangsten)
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
4.1.2.Agressieve fiscale planning
De cijfers (
) lijken erop te wijzen dat bedrijven de Nederlandse belastingregels gebruiken voor agressieve fiscale planning. Het internationale vennootschapsbelastingstelsel is bedoeld om de winsten van multinationals te belasten waar deze worden behaald. Deze ondernemingen buiten soms echter niet goed op elkaar afgestemde regels en mazen in het internationale fiscale kader uit om hun totale belastingdruk te verlagen. Dat brengt aanzienlijke problemen met zich mee, zoals inkomstenverliezen, oneerlijke concurrentievoordelen of een lagere belastingmoraal. Uit een studie in opdracht van het Nederlandse ministerie van Financiën blijkt dat in 2017 in Nederland ongeveer 15 000 brievenbusbedrijven waren gevestigd met een balanstotaal van bijna 4 500 miljard EUR - ongeveer zes maal het bbp van het land en 80 % van de totale buitenlandse directe investeringen in Nederland (SEO, 2018). Volgens een recente paper van het IMF is Nederland na Luxemburg de op een na grootste ontvanger van buitenlandse directe investeringen via voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten wereldwijd, en herbergen beide landen samen bijna de helft van alle brievenbusondernemingen ter wereld (Damgaard et al., 2019). Uit verschillende studies blijkt dat Nederland wordt gebruikt als doorstroomland, waarbij bepaalde multinationals de belastingregels van het land gebruiken om hun winsten af te leiden naar een laag- of niet-belastende jurisdictie (Garcia-Bernardo et al., 2017). Uit een recente studie van het Centraal Planbureau (CPB 2019e) blijkt dat tussen 2014 en 2016 ongeveer 25 % van de dividendbetalingen en 45 % van de rentebetalingen vanuit Nederland naar laagbelastende jurisdicties of belastingparadijzen gingen. Voor royaltybetalingen bereikte deze ratio 75 % tussen 2008 en 2010 (meest recente cijfers in de studie).
Het kabinet voert Europese en internationaal overeengekomen initiatieven en unilaterale maatregelen uit. Het wetsvoorstel betreffende de uitvoering van de tweede richtlijn bestrijding belastingontwijking moet (met ingang van 1 januari 2020) bepaalde hybride mismatchstructuren neutraliseren die anders tot dubbele niet-belastingheffing zouden leiden. Het kabinet heeft ook de zesde wijziging van de richtlijn inzake administratieve samenwerking in het nationale recht omgezet; deze wijziging zal op 1 juli 2020 in werking treden. Op grond hiervan zullen tussenpersonen agressieve fiscale-planningconstructies bij de fiscus moeten melden. Nederland heeft bijna alle bepalingen aangenomen van het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving, dat op 1 januari 2020 in werking is getreden. De toepassing van de bepalingen van dit multilaterale instrument zal echter afhangen van de keuzes die de betrokken verdragspartners maken. In 2019 heeft het kabinet ook een dynamische “zwarte lijst” ingevoerd, met daarop jurisdicties die op de EU-lijst staan en landen waar het wettelijk vennootschapsbelastingtarief minder dan 9 % bedraagt. De regering gebruikt deze lijst voor de recente maatregel inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen, de rulingregels en de toekomstige bronbelastingen op royalty’s en rente. Het kabinet heeft ook het kader voor de toekenning van voorafgaande fiscale rulings gewijzigd, zodat een transparanter proces wordt gewaarborgd.
Het kabinet heeft de invoering van een voorwaardelijke bronbelasting op uitgaande betalingen aangekondigd, maar de doeltreffendheid ervan moet nog blijken. De huidige inhoudingsvrijstelling op royalty’s en rentebetalingen kan ertoe leiden dat grensoverschrijdende betalingen tegen een zeer laag tarief, of zelfs helemaal niet worden belast als zij langs een laag- of niet-belastende jurisdictie worden geleid. Dit is aangemerkt als een essentieel element dat agressieve fiscale planning via Nederland vergemakkelijkt. Het kabinet heeft de invoering van een voorwaardelijke bronbelasting op royalty’s en rentebetalingen aangekondigd die op 1 januari 2021 in werking moet treden. Dit zou op de betalingen aan laag- of niet-belastende jurisdicties van invloed moeten zijn. De doeltreffendheid van de bronbelasting blijft echter onzeker; landen met een wettelijk vennootschapsbelastingtarief dat de drempel overschrijdt, maar die een speciale regeling aanbieden waarmee het belastingtarief in de praktijk tot onder die drempel daalt, worden er niet door getroffen. Ook landen met een wettelijk vennootschapsbelastingtarief boven de drempel maar met een territoriaal belastingregime dat winsten uitsluit die niet op hun grondgebied worden gerepatrieerd, vallen buiten het toepassingsgebied van deze maatregel.
4.1.3.BEGROTINGSKADER
Nederland heeft een goed ingebed begrotingskader. Al ruim 25 jaar voert Nederland een trendvolgend begrotingsbeleid met een sterke meerjarige focus. De voornaamste kenmerken van dit begrotingskader zijn: i) het gebruik van onafhankelijk opgestelde macro-economische aannames; ii) het gebruik van voor inflatie gecorrigeerde uitgavenplafonds die de hele kabinetsperiode bestrijken; iii) het gebruik van automatische stabilisatoren aan de ontvangstenzijde; en iv) een welomlijnd begrotingsproces op het gebied van besluitvorming en een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden, met inbegrip van de taken van onafhankelijke begrotingsinstanties. Het Centraal Planbureau voert onafhankelijke macro-economische en budgettaire prognoses uit, terwijl de afdeling advisering van de Raad van State als begrotingsraad belast is met het toezicht op de naleving van de cijfermatige begrotingsregels en een normatieve beoordeling van de overheidsfinanciën. Het engagement om de EU-begrotingsregels na te leven is vastgelegd in het rechtskader, met name via de Wet houdbare overheidsfinanciën.
In de begroting 2020 werd een redelijk groot aantal ad-hocaanpassingen gedaan aan de plafonds voor uitgaven en ontvangsten. Het begrotingskader gebruikt strikte (
) meerjarige uitgavenplafonds, waarbij automatische stabilisatie voornamelijk aan de inkomstenkant van de begroting plaatsvindt. In normale economische tijden zorgt het kader voor stabiliteit door ruim van tevoren budgettaire ijkpunten vast te stellen. In de begroting 2020 zijn echter betrekkelijk grote ad-hocaanpassingen gedaan aan de plafonds voor uitgaven en ontvangsten. Dit is gedaan om i) naar aanleiding van discretionaire beleidsbeslissingen hogere uitgaven voor klimaat en pensioenen mogelijk te maken; en ii) een onderbesteding ten opzichte van de uitgavenplafonds in 2018 en 2019 toe te staan, die in de jaren na de huidige regeerperiode kan worden uitgevoerd.
4.1.4.Schuldhoudbaarheidsanalyse en begrotingsrisico's
De indicatoren voor de budgettaire risico’s op korte en middellange termijn geven geen aanleiding tot bezorgdheid. De vroegtijdige indicator van begrotingsdruk van de Europese Commissie, de S0-indicator (
), signaleert geen significante budgettaire risico’s. De S1-indicator voor de middellange termijn, die de inspanningen meet die nodig zijn om in 2033 een schuldniveau van 60 % van het bbp te bereiken (
), is negatief (-3,2 % van het bbp). Dit wijst op lage budgettaire houdbaarheidsrisico's, wat te verklaren is door een schuldniveau onder de referentiewaarde. Het lage kortetermijn- en middellangetermijnrisico strookt met de “AAA”-rating die door de drie grote ratingbureaus aan de Nederlandse overheidsschuld is toegekend, en met de kleine verschillen tussen de rente op staatsobligaties en kredietverzuimswaps.
De indicator (S2) voor de budgettaire houdbaarheidskloof wijst op een middelgroot risico op lange termijn (
). Dit vloeit vooral voort uit de verwachte stijging van de kosten van de vergrijzing. Hoewel Nederland goed scoort inzake de budgettaire houdbaarheid van het openbare pensioenstelsel en andere uitgaven in verband met de vergrijzing, zijn de overheidsuitgaven op het gebied van de langdurige zorg opvallend. In het basisreferentiescenario zullen de overheidsuitgaven voor langdurige zorg naar verwachting stijgen van 3,5 % van het bbp in 2016 tot 6 % van het BBP in 2070, wat een veel hoger beginniveau en een grotere stijging is dan in vergelijkbare landen. Terwijl de hervorming van 2015 van het systeem van de langdurige zorg tot doel heeft de efficiëntie van het systeem te verbeteren en overheidsuitgaven te beperken, gaan recentere beleidsmaatregelen zoals de aanvullende investering om aan de vereisten van het kwaliteitskader voor verpleeghuizen te voldoen, in tegengestelde richting. Het kabinet heeft ook de verhoging van de AOW-leeftijd en het verband daarvan met de levensverwachting versoepeld.
4.2.
Financiële sector
4.2.1.Banksector
De banksector lijkt over het algemeen veerkrachtig. Nederlandse banken blijven goed gekapitaliseerd, met een tier 1-ratio van ongeveer 17 % (ver boven het gemiddelde van de eurozone van 14,8 %). De winstgevendheid is de laatste vijf jaar verbeterd en het rendement op de activa bedroeg 0,5 % in het tweede kwartaal van 2019 terwijl het rendement op het eigen vermogen 8,7 % bedroeg (zie tabel 4.2.1).
|
|
|
Tabel 4.2.1:Financiëlegezondheidsindicatoren
|
|
|
|
Bron: ECB
|
|
|
Ondanks de financiële soliditeit van de banken en een laag niveau van niet-renderende leningen zijn er onderliggende risico’s in verband met hun blootstelling aan hypotheken. Het aandeel niet-renderende leningen bleef in alle sectoren dalen, tot 1,8 % medio 2019, een daling met 10 % ten opzichte van het jaar voordien. Doordat de hypotheekschulden hoog blijven en de woningprijzen blijven stijgen (zie de punten 4.2.3 en 4.2.4) in combinatie met de risicogewichten op laag niveau, nemen de risico’s toe. De jongste jaren zijn verschillende maatregelen genomen om de groei van de hypotheekschuld in toom te houden. Dit omvat macroprudentiële beleidsmaatregelen (Europese Commissie, 2018a) en het verminderen van fiscale prikkels om hypotheekschulden aan te gaan (zie punt 4.2.3 hieronder). Om de weerbaarheid van de financiële sector verder te verbeteren tegen de gevaren van de blootstelling van de banksector aan de hoge hypotheekschuld, is de Nederlandse centrale bank bovendien voornemens om een risicogewichtondergrens voor banken in te voeren die gekoppeld is aan de loan-to-value ratio van de onderliggende leningen (
). Verwacht wordt dat deze ondergrens in het najaar van 2020 in werking zal treden.
Hoewel de Nederlandse banken goed gekapitaliseerd zijn, blijven zij sterk afhankelijk van marktfinanciering en blijft de hefboom hoog. De solvabiliteitspositie en de kapitaalratio’s van de financiële sector liggen ruim boven de wettelijke vereisten. Zowel de kapitaaltoereikendheid als de tier 1-ratio’s zijn nog verbeterd, tot 22,6 % en 18,7 % in het tweede kwartaal van 2019. Gezien de kloof tussen de feitelijk verstrekte leningen en de langetermijntrend heeft de Nederlandse centrale bank de anticyclische buffer op 0 % gehandhaafd (DNB, 2019b). Tegelijkertijd blijven de extra buffers die aan de vijf systeemrelevante banken worden opgelegd, behouden, en moet de geleidelijke opbouw ervan dit jaar worden voltooid. Ondanks de relatief hoge kapitaalratio’s die aan de risicogewogen activa verbonden zijn, blijft de banksector met hoge hefboomfinanciering werken. Zijn hefboomratio (eigen vermogen en reserves als aandeel van de totale - niet-risicogewogen - activa) is enigszins gedaald, tot 5,8 % in juni 2019. Dit is een van de laagste niveaus in de eurozone. De sector blijft ook in hoge mate afhankelijk van marktfinanciering, met deposito’s als percentage van de totale passiva die verder daalden tot 48,7 % in september 2019. In overeenstemming hiermee begon de loan-to-deposit ratio weer aan te trekken, tot 118,7 % in het tweede kwartaal van 2019 - een van de hoogste niveaus in de eurozone.
Nederlandse banken zullen ook moeten voldoen aan het definitieve Bazel III-kader vanaf 2022, wat een aanzienlijke verhoging van de minimumkapitaalvereisten zal betekenen. Volgens de analyse van de Europese Bankautoriteit (Europese Bankautoriteit, 2019) zou deze hervorming het vereiste tier 1-minimumkapitaal verhogen en vooral gevolgen hebben voor de grote en systeemkritische banken (Bank voor Internationale Betalingen, 2017). Hoewel de Nederlandse banken in staat moeten zijn aan de nieuwe vereisten te voldoen, kunnen de gevolgen voor hun kapitaalpositie aanzienlijk zijn (
). Aangezien het nieuwe kader voorziet in een uitvoeringsperiode van vijf jaar, vanaf 2022, zullen eventuele aanvullende kapitaalbehoeften echter geleidelijk worden ingevoerd.
Nederlandse banken handhaven een gezonde winstgevendheid, hoewel de marges onder druk komen te staan. Het rendement van het eigen vermogen van de sector is nagenoeg gelijk gebleven (8,7 % in het tweede kwartaal van 2019 tegen 8,8 % het jaar daarvoor). Met 73,8 % vertoont de nettorentemarge medio 2019 een stijgende tendens en is een van de hoogste in de EU. Doordat lage rentetarieven de marges onder druk zetten, zoeken banken echter naar manieren om hun rendement te verbeteren. Een strategie waar banken bijvoorbeeld op focussen is het vergroten van de efficiëntie door digitale oplossingen in te voeren en het aantal kantoren te verlagen (Europese Centrale Bank, 2019b; DNB, 2019c). Een andere, mogelijk onrustwekkendere, tendens is dat banken hun kredietverleningsvoorwaarden en acceptatiecriteria voor hypotheekleningen en kredietfaciliteiten voor niet-financiële vennootschappen lijken te versoepelen (Europese Centrale Bank, 2019a). Hoewel dat laatste een positief effect kan hebben doordat echte financieringsknelpunten worden aangepakt (bv. in verband met het mkb; zie punt 4.2.2), kan het ook de kwetsbaarheid van de leningenportefeuille van banken voor schokken doen toenemen.
Nederland heeft diepe financiële markten die aantrekkelijk zijn voor internationale spelers. De Nederlandse markt trekt verschillende nieuwe financiële spelers aan, onder meer dankzij de technische en logistieke infrastructuur daarvan. Verder heeft Cboe Global Markets Inc., een van ’s werelds grootste beursholdings, een overeenkomst gesloten over de verwerving van de European Central Counterparty N.V. (EuroCCP), een Nederlands equity-clearingbedrijf, waardoor het potentieel voor de ontwikkeling van clearingcapaciteit voor derivaten in Nederland wordt vergroot. Het toenemende belang van elektronische handel en de komst van handelsplatformen leiden echter tot bezorgdheid over IT-risico’s, de controle over handelsalgoritmen in volatiele markten en het toezicht op marktmisbruik in snel evoluerende en wereldwijd versnipperde markten. Om de marktexploitanten te ondersteunen hebben de Nederlandse centrale bank en de Autoriteit Financiële Markten reeds verschillende initiatieven (
) voorgesteld om informatie over relevante risico’s en kansen te verstrekken.
Duurzame financiering
De financiële sector speelt een sleutelrol bij het mobiliseren van financiering om de agenda voor ecologische duurzaamheid uit te voeren. Op internationaal niveau is de Nederlandse centrale bank een van de stichtende leden van het netwerk van centrale banken en toezichthouders voor de vergroening van het financiële systeem, dat grotere inspanningen van de financiële sector voor de klimaatdoelstellingen beoogt. Op nationaal niveau heeft de Nederlandse centrale bank het platform voor duurzame financiering opgezet, om de bewustwording over duurzame financiering in de financiële sector te vergroten. Gezien de risico’s die de energietransitie kan hebben voor financiële instellingen, neemt de centrale bank ook de gegevens over duurzame activa in het bezit van financiële instellingen op in haar stresstestscenario’s. Daarnaast hebben Nederlandse banken toegezegd de ecologische voetafdruk van hun balans te meten, te monitoren, te beheren en te verminderen.
Bestrijding van witwassen
Nederland is een van de landen met de grootste stromen van inkomende en uitgaande buitenlandse directe investeringen. In 2017 ging het om een totaalbedrag van meer dan 4,5 biljoen EUR. Een aanzienlijk deel van deze stromen (ongeveer 80 %) wordt uiteindelijk overgedragen naar een buitenlandse bestemming via special purpose entities, brievenbusfirma’s of lege vennootschappen zonder werkelijke economische activiteit in Nederland (CBS, 2018b). Tegen deze achtergrond is het van cruciaal belang dat entiteiten die betrokken zijn bij de oprichting van bedrijven en trusts (aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten, belastingadviseurs, notarissen, advocaten) zich bewust zijn van de witwasrisico’s die aan deze bedrijfsstructuren verbonden zijn.
In de nationale risicobeoordeling 2017 worden de witwasrisico’s van de aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten en van de complexe fiscaal geïnspireerde juridische structuren als respectievelijk hoog en gemiddeld beschouwd (
). In de nationale risicobeoordeling wordt voor de hoge risicoscore voor de aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten als reden gegeven dat deze diensten vaak gericht zijn op fiscaal geïnspireerde structuren van juridische entiteiten, die kwetsbaar zijn voor misbruik. Onvoldoende inzicht in de risico’s van het witwassen door beroepsbeoefenaars die deze diensten verrichten, met name wanneer het om complexe regelingen gaat, belemmert hun rol als poortwachters. Aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten, met inbegrip van rechtsbeoefenaars en belastingadviseurs, vormen de eerste verdedigingslinie tegen het witwasrisico, aangezien zij bij de oprichting van een onderneming betrokken zijn. Uit de statistieken van de Nederlandse financiële-inlichtingeneenheid over ongebruikelijke transactiemeldingen blijken een aantal punten van zorg op dit gebied. Het aantal ongebruikelijke transactiemeldingen door aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten is laag en neemt de jongste jaren verder af (
). Ook het aantal ongebruikelijke transactiemeldingen door belastingadviseurs is laag (
).
De Nederlandse administratie heeft een aantal maatregelen voorgesteld om misbruik van bedrijfs- en wettelijke structuren voor het witwassen van geld tegen te gaan. Het tegengaan van brievenbusfirma’s is ook een van de maatregelen die in het Nederlandse Plan van Aanpak Witwassen van medio 2019 (Ministerie van Financiën, 2019d) staan, met specifieke aandacht voor de trustsector. Strengere regels voor het toezicht op aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten maken verder deel uit van het Plan van Aanpak Witwassen, net als de oprichting van de registers van uiteindelijke begunstigde van rechtspersonen en juridische regelingen. De wetten om deze registers op te richten, zijn echter nog niet goedgekeurd. Vanaf de goedkeuring en de invoering van de registers hebben operatoren 18 maanden de tijd om zich te registreren, lang na de in EU-wetgeving opgelegde data van 10 januari en 10 maart 2020.
Het strafrechtelijk onderzoek naar de naleving van de antiwitwasregels door de Nederlandse banken ING heeft in september 2018 tot een buitengerechtelijke schikking met een recordboete geleid. In die schikking werd ING schuldig bevonden aan strafbare feiten doordat zij de regels inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme overtrad (
). Een onderzoek in verband met de ABN Amro bank loopt nog. Deze zaken illustreren hoe de door de grote financiële instellingen verstrekte diensten zijn blootgesteld aan witwasrisico’s en wijzen op de systemische kwesties in verband met het toezicht op antiwitwasregels en de handhaving daarvan.
4.2.2.Toegang tot financiering
De toegang tot financiering voor kleinere ondernemingen wordt belemmerd door een aantal knelpunten die deels te maken hebben met een hoge mate van marktconcentratie in de banksector. Terwijl er wel voldoende financiering beschikbaar lijkt te zijn om grotere beleggingen met een laag risico te financieren, wordt van kleinere Nederlandse bedrijven een relatief hoog percentage kredietaanvragen geweigerd. Bedrijven die kleinere leningen aangaan, moeten gemiddeld ook grotere toeslagen betalen dan in vergelijkbare landen (Europese Commissie, 2019a). Dit kan het gevolg zijn van de hoge marktconcentratie in de Nederlandse banksector (Europese Commissie, 2019a) en van het ontbreken van een nationaal kredietregister (Dubovik et al., 2019; van Solinge, 2019). De afgelopen jaren zijn er echter enkele alternatieve (niet-bancaire) verstrekkers van financiering bijgekomen. Zij stellen de dominante positie van traditionele banken als kredietverleners aan het mkb op de proef, onder meer door een breder scala van financiële instrumenten aan te bieden. Bovendien overwegen de Nederlandse autoriteiten nieuwe instrumenten in het leven te roepen en bestaande instrumenten uit te breiden (
) om de toegang tot financiering voor het mkb te verbeteren (EZK, 2019a).
4.2.3.Particuliere schuld*
De particuliere schuld blijft afnemen maar is naar internationale normen nog steeds hoog. Eind 2018 bedroeg deze 242 % van het bbp. Dit is een aanzienlijke vermindering ten opzichte van de piek van 267 % van het bbp in 2014, maar blijft ver boven het gemiddelde van de eurozone van ongeveer 135 % van het bbp (grafiek 4.2.1). Volgens berekeningen van de Commissie liggen zowel de schuld van de huishoudens (102 % van het bbp) als die van niet-financiële vennootschappen (ongeveer 140 % van het bbp), ver boven zowel de prudentiële drempel (respectievelijk 65 % en 96 % van het bbp) als de fundamentele drempel (respectievelijk 75 % en 104 % van het bbp)
. Het hoge niveau van de schuldenlast van de ondernemingen is evenwel voornamelijk toe te schrijven aan de schuld van multinationals (ongeveer 60 % van de totale schuld van niet-financiële vennootschappen). Aangezien die schuld hoofdzakelijk bestaat uit intraconcernschuld, is er geen sprake van onmiddellijke problemen met de financiële stabiliteit (Europese Commissie, 2019a en 2018a). Wat de particuliere schuld betreft is de schuld van huishoudens dus de voornaamste bron van zorg.
|
Grafiek 4.2.1:Ontwikkeling particuliere schuld ten opzichte van gemiddelde van eurozone
|
|
|
|
Bron: Eurostat
|
Hoewel de schuld van huishoudens blijft dalen als percentage van het bbp, neemt die in nominale termen nog steeds toe. Na de correctie van de woningmarkt ten gevolge van de crisis is de nominale schuld van huishoudens in de loop van de periode 2013-2014 gedaald door de actieve schuldafbouw van huishoudens. Als de huizenprijzen zich herstellen, begint ook de groei van de schuld weer te stijgen. In een tempo van ongeveer 1 tot 1,5 % op jaarbasis is de groei van de schuld gematigd gebleven, zowel in vergelijking met de ontwikkelingen van de schuld van de huishoudens vóór de crisis als in vergelijking met de nominale jaarlijkse bbp-groei van 2 % tot 5 % (grafiek 4.2.2). Dit is deels toe te schrijven aan beleidsmaatregelen om de groei van de hypotheekschuld te beteugelen, met inbegrip van beperkingen voor aflossingsvrije leningen (zie hieronder) en strengere regels voor loan-to-value en loan-to-income ratio’s. Ook vrijwillige hypotheekterugbetalingen, die financieel aantrekkelijk werden vanwege de lage rente op deposito’s, hebben een belangrijke rol gespeeld (DNB, 2018a). In de toekomst lijkt de groei van de schuld van huishoudens waarschijnlijk enigszins te zullen stijgen, aangezien de scherpe stijging van de huizenprijzen in de afgelopen jaren (zie punt 4.2.4) tot hogere hypotheekbedragen voor nieuwe kredietnemers leidt.
|
Grafiek 4.2.2:Schuld van huishoudens ten opzichte van groei bbp
|
|
|
|
Bron: Eurostat
|
De hypotheekrenteaftrek wordt verminderd maar blijft ruim. De hoge schuldenlast van huishoudens is grotendeels toe te schrijven aan hypotheekschuld, mede doordat de hypotheekrente voor door de eigenaar bewoonde woningen als volledig aftrekbaar voor de inkomstenbelasting geldt. De Nederlandse autoriteiten hebben een aantal maatregelen genomen om dit te beperken: nieuwe aflossingsvrije hypotheken komen sinds 2013 niet meer voor aftrek in aanmerking en het maximale toepasselijke tarief waartegen hypotheekrente aftrekbaar is, is verlaagd. Deze verlaging was in eerste instantie zeer geleidelijk (0,5 procentpunten per jaar vanaf 2014), maar zal vanaf 2020 in een versneld tempo verlopen, waarbij het maximumpercentage in drie stappen zal worden verlaagd van de huidige 49 % tot 37 % in 2023. Deze daling heeft echter alleen gevolgen voor huishoudens in de topbelastinggroep (ongeveer 10 % van de beroepsbevolking), en een percentage van 37 % betekent nog steeds dat er sprake is van een sterke impliciete subsidie voor het aangaan van hypotheekleningen, van momenteel ongeveer 10 miljard EUR (1,4 % van het bbp). De daling verschilt ook van het beleid in andere EU-landen, waar de hypotheekrenteaftrek meestal geleidelijk aan is afgeschaft of afgetopt op een relatief laag nominaal bedrag, of waar het toepasselijke tarief aanzienlijk lager is (
).
4.2.4.Woningmarkt*
De opleving van de woningmarkt zet door, zij het in een trager tempo en met aanzienlijke regionale verschillen. Op nationaal niveau is de groei van de nominale huizenprijzen vertraagd van 9 % in 2018 tot ongeveer 6 % in 2019. In grote steden, waar de prijzen zich bijzonder sterk hadden hersteld, is de markt duidelijker afgekoeld. Dat was met name het geval in Amsterdam, waar de prijzen in de loop van 2019 met ongeveer 3 % stegen - net boven de inflatie — na een prijsstijging van 10 tot 15 % per jaar sinds 2016. Landelijk liggen de huizenprijzen nu ongeveer 12 % hoger dan vlak voor de crisis, hoewel ze in reële termen iets lager blijven; maar in de grootste steden liggen de prijzen aanzienlijk boven vorige records (grafiek 4.2.3).
|
Grafiek 4.2.3:Ontwikkeling van de huizenprijzen (eerste kwartaal 2008 = 100) (1)
|
|
|
|
Bron: CBS (nominale huizenprijzen); Eurostat (gedefleerde huizenprijzenindex)
|
Hoewel de waarderingsindicatoren op dit moment nog niet wijzen op mogelijke oververhitting, lijkt het risico te ontstaan dat de huizenprijzen de fundamentele waarden overschrijden. Op nationaal niveau steeg de prijs/inkomen-ratio (een waarderingsindicator in verband met de betaalbaarheid van woningen) tot ongeveer 9 % boven het gemiddelde voor de lange termijn in het derde kwartaal van 2019 (grafiek 4.2.4). Een op modellen gebaseerde raming wijst nog steeds op onderwaardering op basis van gegevens uit 2018 (hoewel dit deels een weerspiegeling is van de relatief zwakke investeringen in woningen in de periode na de crisis in combinatie met een lage rente). Met prijzen die sneller blijven stijgen dan de inkomens, lijkt het steeds waarschijnlijker dat de woningmarkt opnieuw overgewaardeerd wordt. Dit is met name het geval voor regio’s waar de prijzen sneller zijn gestegen dan het nationale gemiddelde en belangrijke indicatoren, waaronder de prijs/inkomen-ratio, meer opgerekt lijken te worden. Voor Amsterdam bijvoorbeeld doen de econometrische modellen inderdaad vermoeden dat de prijsontwikkelingen al een aantal jaren van de fundamentels zijn losgekoppeld (Houben et al., 2017). Risico’s in verband met de Nederlandse woningmarkt worden ook benadrukt in de aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico’s aan Nederland in juni 2019 (ESRB, 2019).
|
Grafiek 4.2.4:Indicatoren voor de waardering van de huizenprijzen
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie
|
Aan de vraagzijde worden de huizenprijzen ondersteund door de gunstige fiscale behandeling van eigenwoningbezit. In het Nederlandse belastingstelsel zijn de meeste beleggingsactiva onderworpen aan inkomstenbelasting op basis van een veronderstelde opbrengst volgens de “box 3”-benadering, wat volgens de huidige regels neerkomt op jaarlijkse belastingbetalingen van ongeveer 0,9 tot 1,6 % van de netto financiële waarde (
). Eigenwoningbezit is hiervan vrijgesteld en wordt in plaats daarvan belast op basis van een (doorgaans lagere) periodieke vastgoedbelasting (
). Als het eigenwoningbezit bovendien wordt gefinancierd met een hypotheek, wordt een aanzienlijk aanvullend belastingvoordeel toegekend via de hypotheekrenteaftrek (zie punt 4.2.3). Deze belastingvoordelen vormen over het algemeen een aanzienlijke subsidie die eigenwoningbezit bevoordeelt tegenover andere investeringsmogelijkheden en huurwoningen. Möhlmann et al. (2019) schatten dat het effect ervan op de huizenprijzen (in verhouding tot een volledig neutraal fiscaal scenario (
)) ongeveer 10 % bedraagt, en op het aandeel van huurwoningen op de totale woningmarkt ongeveer 5 procentpunten.
De vraag naar koopwoningen wordt ook bepaald door het gebrek aan een serieus alternatief op de huurmarkt. De Nederlandse woningmarkt wordt gekenmerkt door een grote sectoren koopwoningen en sociale huisvesting, die beide via verschillende kanalen (
) worden gesubsidieerd. De particuliere huurmarkt is de enige sector die geen subsidie ontvangt, en blijft met een aandeel van ongeveer 13 % van het totale aantal woningen onderontwikkeld. Dat maakt dat huurwoningen in beperkte mate beschikbaar, en de huurprijzen hoog zijn. Daarom kunnen huishoudens met een middeninkomen - een inkomen dat boven het plafond voor sociale huisvesting ligt maar vaak onvoldoende is om zich gemakkelijk de huurprijzen van de particuliere sector te veroorloven - in de richting van (grotendeels door hypotheek gefinancierd) woningbezit worden geduwd. Dit geldt met name voor jongere gezinnen, waardoor de leeftijd waarop een eerste woning wordt gekocht, relatief laag ligt, wat met hoge schuld/inkomen en loan-to-value ratio’s gepaard gaat. Dit creëert op zijn beurt potentiële problemen op het gebied van financiële kwetsbaarheid voor deze leeftijdsgroep (DNB, 2019b; Europese Commissie, 2017b).
Het woningaanbod blijft lager liggen dan de geraamde behoeften, met name in grote steden. Na de financiële crisis werd Nederland geconfronteerd met een lange periode van weinig woningbouw (Europese Commissie, 2019 a). Dat leidde tot een aanzienlijk woningtekort, dat door de Nederlandse autoriteiten wordt geschat op ongeveer 294 000 woningen in 2019, 3,8 % van de totale woningvoorraad (BZK, 2019a). Met name in de grote metropolen zijn de tekorten bijzonder ernstig, tot 5 tot 7 % van de plaatselijke woningvoorraad (ABF Research, 2019). In het licht van het bestaande tekort en de verwachte demografische ontwikkelingen heeft het kabinet een streefcijfer vastgesteld voor netto 75 000 nieuwe woningen per jaar tot 2025 (BZK, 2018a). Dankzij een geleidelijk herstel van de output van de bouwnijverheid is deze doelstelling net gehaald in 2018 en 2019, maar een scherpe daling van het aantal bouwvergunningen in 2019 (deels in verband met de stikstofproblematiek, zie hieronder) doet vermoeden dat dit de komende jaren niet het geval zal zijn (grafiek 4.2.5). Bovendien is het streefcijfer van 75 000 wellicht een onderschatting van de werkelijke toekomstige behoefte (
), dus zelfs als het wordt bereikt, kan er nog steeds een woningtekort zijn.
|
Grafiek 4.2.5:Nieuwe woningen ten opzichte van geraamde behoeften
|
|
|
|
Bron: CBS (historische gegevens); BZK (2018a) (doelstelling voor 2018)
|
Cyclische en structurele knelpunten beperken het woningaanbod en verhogen de bouwkosten. Door een scherpe daling van de bouwactiviteit na de financiële crisis werden de bouwsector en de gemeentelijke planningsafdelingen kleiner. Na het daaropvolgende herstel kampen ontwikkelaars nu met steeds krappere capaciteit. In meer structureel opzicht is het gebrek aan bebouwbare grond een belangrijke belemmering voor het bouwen van huizen: de toegewezen hoeveelheid grond voor woningbouw, neemt veel trager toe dan de nieuwe woningbouw en blijft schaars, zowel ten opzichte van internationale cijfers als ten opzichte van land dat voor andere doeleinden, zoals industrie, wordt gebruik. Dit hangt deels samen met de rol van de lokale besturen: beslissingen over bestemmingsplannen worden meestal door de gemeenten genomen en zijn dus niet noodzakelijk bevorderlijk voor het aanpakken van algemene huisvestingsbehoeften (Michielsen et al., 2019). Dat kan leiden tot omslachtige en onvoorspelbare vereisten voor projecten, stijgende kosten en minder mogelijkheden om schaalvoordelen te benutten. Een ander, deels hiermee samenhangend, probleem is de lange doorlooptijd in het plannings- en ontwikkelingsproces, met name voor bouwwerken in de binnenstad, waardoor nog meer onzekerheid ontstaat voor de ontwikkelaars. Bijgevolg is de responsiviteit van het woningaanbod op stijgende huizenprijzen in Nederland een van de laagste van de OESO-landen (Caldera et al., 2013).
De stikstofproblematiek zorgt voor extra neerwaartse risico’s op korte termijn voor de bouw van nieuwe woningen. Na een uitspraak van de Raad van State in juni 2019 zijn bouwprojecten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de buurt van 118 Natura 2000-gebieden in Nederland over het algemeen niet langer toegestaan zonder compenserende maatregelen (zie kader 1.1. in punt 1). Zonder mitigerend beleid zou deze uitspraak ertoe kunnen leiden dat in de periode 2020-2024 naar raming 36 000 woningen minder worden gebouwd (Manshanden et al., 2019). Hoewel de regering een pakket maatregelen heeft aangekondigd om de gevolgen van de uitspraak voor de sector van de nieuwbouw te verlichten (LNV, 2019), blijft dit een belangrijke bron van onzekerheid.
Beleidsontwikkelingen
Nederland heeft de afgelopen jaren een aantal maatregelen genomen om de werking van de huurmarkt te verbeteren, maar die hebben tot nog toe slechts een beperkte impact gehad (Europese Commissie, 2019a en 2018a). De maatregelen waren onder meer het optrekken van de huurprijzen voor “scheefhuurders” (mensen met een gemiddeld of hoog inkomen die in een sociale woning wonen), een wijziging van de regelgeving die sinds 2016 meer kortetermijnhuurovereenkomsten mogelijk maakt, en sinds 2017 de mogelijkheid voor gemeenten om in hun bestemmingsplannen een deel van de woningen voor te behouden voor de particuliere huursector. Deze maatregelen zijn stappen in de goede richting, maar hebben tot dusver niet geleid tot een zinvolle uitbreiding van de particuliere huursector ten opzichte van de totale woningmarkt.
In september 2019 is een pakket woningmarktmaatregelen aangekondigd, in de eerste plaats om de bouw aan te jagen. Investeringssubsidies ten belope van maximaal 1 miljard EUR, verdeeld over een periode van 4 jaar, zullen ter beschikking worden gesteld van de gemeenten waar de tekorten het acuutst zijn. Nog eens 1 miljard EUR, gelijk gespreid over 10 jaar, zal worden toegewezen aan gerichte belastingverlagingen voor socialewoningcorporaties die nieuwe woningen bouwen. Deze maatregelen kunnen mettertijd bijdragen tot het verhogen van de bouw van nieuwe woningen, maar er bestaat nog steeds een aanzienlijke mate van onzekerheid over de tenuitvoerlegging. Het kan met name moeilijk zijn om vast te stellen of nieuwe huizen die in het kader van de regelingen zijn gebouwd, daadwerkelijk een nettoaanvulling vormen op het woningbestand, dan wel of het projecten zijn die hoe dan ook zouden zijn gebouwd of die gewoon middelen bij andere mogelijke ontwikkelingen hebben weggehaald.
Andere recente beleidsmaatregelen kunnen een beperkte of zelfs negatieve impact op het aanbod particuliere huurwoningen hebben. In mei 2019 is wetgeving goedgekeurd om de markttoets voor corporaties te vereenvoudigen. Op grond hiervan zouden ze gemakkelijker (niet-gereguleerde) middenhuurwoningen moeten kunnen bouwen. Tegen de huidige achtergrond van de sterke ontwikkeling van de particuliere huursector en de capaciteitsbeperkingen in de bouwsector lijkt het echter onwaarschijnlijk dat dit op korte termijn het aanbod op de huurmarkt wezenlijk zal vergroten, terwijl het, als het op langere termijn succesvol is, mogelijk de particuliere sector op de niet-gereguleerde huurmarkt zal verdringen. Bovendien houden aanpassingen van het systeem voor de vaststelling van de huurprijzen voor sociale woningen (
), zoals die in september 2019 werden aangekondigd als onderdeel van het hierboven genoemde pakket inzake de huizenmarkt, in dat meer woningen in de gereguleerde sector blijven in plaats van naar de particuliere huurmarkt over te gaan. Ook maatregelen ter ontmoediging van het aankopen van voor verhuur bestemde woningen (als onderdeel van hetzelfde pakket) kunnen de eigenwoningbezitmarkt versterken ten koste van de hoeveelheid beschikbare huurwoningen.
4.2.5.Pensioenen*
Het driepijlerpensioenstelsel scoort goed op toereikendheid van pensioenen en budgettaire houdbaarheid. De eerste pijler is een staatspensioen op basis van een omslagstelsel, dat niet inkomensafhankelijk is en los staat van het arbeidsverleden (
). Het wordt gefinancierd uit een specifieke bijdrage en de algemene inkomstenbelasting, met een actuele kostprijs van ongeveer 5 % van het bbp. Om de budgettaire effecten van dit stelsel te beperken, is de wettelijke pensioenleeftijd sinds 2012 gekoppeld aan de levensverwachting (). De tweede pijler is doorgaans op bedrijfstak- of bedrijfsniveau georganiseerd en wordt gefinancierd via een kapitaaldekking met verplichte deelname. Hoewel er in de afgelopen jaren een geleidelijke verschuiving in de richting van een premietoezegging is geweest, valt ongeveer 90 % van alle deelnemers nog steeds onder pensioenregelingen met een (bijna) gegarandeerde pensioentoezegging
. De derde pijler bestaat uit individuele pensioenplannen die worden ondersteund door een gericht belastingvoordeel voor premies die voor dergelijke producten worden betaald. De eerste en de tweede pijler beogen een pensioen ter waarde van 75 % van het bruto-middelloon op te leveren. Aangezien gepensioneerden worden vrijgesteld van de betaling van de specifieke pensioenbijdrage van de eerste pijler, bedraagt de netto vervangingsratio vaak ongeveer 100 % (OESO, 2017a).
Pensioenbijdragen voor de tweede pijler zijn een belangrijke motor van betrekkelijk hoge verplichte besparingen en hebben een aanzienlijk effect op de balans van de investeringen en besparingen. Met een typisch bijdragepercentage van ongeveer 20 % van het brutoloon vormen de premies in het kader van de tweede pijler het leeuwendeel van de relatief grote niet-fiscale verplichteafdrachtenwig in Nederland (grafiek 4.2.6). Zo kunnen zij leiden tot suboptimale consumptieafvlakking in de verschillende fasen van de levenscyclus, met name aangezien jongere huishoudens doorgaans ook aanzienlijke gedwongen besparingen ondervinden via aflossingen van relatief hoge hypotheken (zie punt 4.2.2). Oudere leeftijdsgroepen daarentegen hebben gemiddeld een hoog pensioeninkomen, beperkte huisvestingskosten en lagere totale kosten voor levensonderhoud. Op macro-economisch niveau zijn verplichte besparingen via de pensioenfondsen een belangrijke aanjager van de onevenwichtigheden tussen de besparingen en de investeringen van huishoudens (Europese Commissie (2019 a) en dus van het totale overschot op de lopende rekening (zie punt 4.2.6).
|
Grafiek 4.2.6:Verplichteafdrachtenwig op inkomsten uit arbeid (2018)
|
|
|
|
Bron: OESO (2019 a)
|
De financieringsratio van de pensioenfondsen wordt negatief beïnvloed door de dalende rentetarieven, wat aanleiding geeft tot aanpassingen die het effect van de doorwerking van het monetaire beleid temperen. Het feit dat de meeste pensioenfondsen van de tweede pijler het beschikbare-uitkeringssysteem hanteren, houdt in dat de huidige waarde van hun verplichtingen - de toekomstige uitbetalingen van het pensioen - stijgt naarmate de rente daalt. De daaruit volgende discrepantie tussen activa en verplichtingen kan het noodzakelijk maken om af te zien van verwachte winststijgingen, premies te verhogen of zelfs de uitkeringen te verlagen (Lever et al., 2018). Dat heeft een negatief effect op het besteedbare inkomen van huishoudens, doordat mensen uit voorzorg gaan sparen. Dat weegt op de consumptie van de huishoudens terwijl het monetaire beleid tot doel heeft de binnenlandse vraag te stimuleren.
De tweede pijler in zijn huidige vorm heeft ook structurele nadelen op het gebied van dekking, transparantie en solidariteit tussen de generaties. Het Nederlandse pensioenstelsel ontstond in het midden van de twintigste eeuw en was vooral gericht op werknemers die gedurende hun hele werkzame leven in dezelfde onderneming of sector werkzaam bleven. Op dit moment is het stelsel niet goed toegerust om het hoofd te bieden aan de huidige structurele tendensen op de arbeidsmarkt, zoals flexibele loopbanen met meer arbeidsmobiliteit tussen sectoren en een groeiend aandeel zelfstandigen (die normaal gesproken niet binnen het stelsel vallen). Bovendien houdt het systeem een systematische herverdeling van jongere naar oudere werknemers in via de doorsneesystematiek (
) (CPB, 2018). Aangezien het verband tussen premies en pensioenbesparingen hierdoor vervaagt, neemt ook de transparantie af.
De sociale partners en het kabinet hebben in juni 2019 een principeakkoord over de hervorming van het pensioenstelsel bereikt. Het algemene doel van het akkoord is het aanpakken van de kwetsbaarheden in het pensioenstelsel met behoud van de sterke punten: verplichte pensioenopbouw, collectieve uitvoering, collectieve risicodeling en fiscale ondersteuning. Het akkoord en de uitvoering ervan houden een aantal belangrijke wijzigingen in, waaronder (SZW, 2019a, 2019b en 2019c):
·de overgang van de huidige doorsneesystematiek naar een actuarieel billijk systeem. Dat zal worden gebaseerd op een vaste bijdrage in combinatie met een opbouwpercentage dat afneemt met de leeftijd, aangezien premies voor oudere werknemers op minder lange termijn worden belegd;
·een strakkere koppeling tussen de veranderingen in de financiële positie en de uitbetalingen van de pensioenfondsen, wat inhoudt dat de drempel voor zowel verhogingen als verlagingen van de uitkeringen wordt verlaagd (zij het in de meeste gevallen gespreid over een periode van maximaal 10 jaar). Dat houdt eveneens in dat aanpassingen van de uitkeringen (in plaats van de premies) het voorkeurmechanisme zullen worden om onevenwichtigheden tussen activa en verplichtingen op te vangen;
·meer individuele flexibiliteit bij het gebruik van de opgebouwde pensioentegoeden, met name de mogelijkheid om een deel daarvan op het moment van de pensionering onder voorwaarden als eenmalige uitkering op te nemen;
·een tragere verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd in de eerste pijler (zie punt 4.1) en meer ruimte voor werknemers met zware beroepen om eerder te kunnen stoppen met werken;
·de invoering van de wettelijk verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (zie punt 4.3.1).
Over het algemeen kan de daadwerkelijke uitvoering van de geplande hervorming de belangrijkste problemen met de tweede pijler aanpakken. Het akkoord neemt onder meer de structurele intergenerationele overdrachten weg die zich voordoen in de doorsneesystematiek (
) en vermindert het procyclische effect van het stelsel (aangezien marktschokken niet langer gevolgen zouden mogen hebben voor de uitkeringen), en tegelijkertijd zal het stelsel beter kunnen inspelen op een flexibel carrièreverloop. Een aantal mogelijke wijzigingen wordt nog besproken en is afhankelijk van de resultaten van de voorbereidende werkzaamheden en raadplegingen. Dat zijn onder meer het invoeren van ruimere en flexibelere keuzes qua dekkingsopties, ook voor zelfstandigen (zij het op vrijwillige basis), en het verder verhogen van de individuele flexibiliteit, bijvoorbeeld door de mogelijkheid open te houden om een deel van de pensioenuitkeringen aan hypotheekaflossing te besteden (SZW, 2019b).
De geplande hervormingen zijn veelbelovend, maar de uitvoering is nog aan de gang. Momenteel bestaat er een akkoord over algemene beginselen. Over cruciale aspecten moet nog worden beslist onder leiding van een stuurgroep van de sociale partners en het kabinet. Het gaat dan onder meer over precieze regels voor de aanpassing van de pensioenuitkeringen aan de wijzigingen in de financieringsratio en over compensatiemechanismen voor leeftijdscohorten die in het nieuwe systeem zullen inleveren (Zwaneveld, 2019). Verwacht wordt dat de wetgevingsprocedure begin 2021 is afgerond en dat het nieuwe kader vanaf 2022 geleidelijk aan wordt ingevoerd. De uitvoering van het pensioenakkoord moet dan ook van nabij worden gemonitord.
4.2.6.Onevenwichtigheden tussen besparingen en investeringen*
De Nederlandse economie vertoont al lang een overschot op de lopende rekening, dat in 2018 steeg tot een recordniveau van 11,2 % van het bbp alvorens enigszins te dalen. Vanuit betalingsbalansperspectief is het overschot vrijwel volledig toe te schrijven aan een structureel goederenbalansoverschot van ongeveer 9 % tot 10 % van het bbp (grafiek 4.2.7). Qua productgroepen leveren de uitvoer van chemische stoffen, levensmiddelen en dierlijke producten een aanzienlijke bijdrage. Meer dan de helft van de totale uitvoer is wederuitvoer, gekoppeld aan de haven van Rotterdam als mondiale handels- en logistieke hub, met een geraamde totale impact op het goederenoverschot van ten minste 3 % van het bbp (Suyker et al., 2019; CBS, 2017). De handel in diensten en de primaire inkomensbalans hebben gemiddeld een beperkt netto-effect (
), maar leveren wel een aanzienlijke bijdrage aan de jaarlijkse volatiliteit van het totale overschot. In 2019 lijken de meest recente kwartaalgegevens (
) erop te wijzen dat het overschot op de lopende rekening enigszins begint af te nemen. Verwacht wordt dat het de komende jaren verder zal afnemen naarmate de groei van de invoer de uitvoer overtreft, wat wijst op een verzwakking van de externe omgeving in combinatie met een relatief robuuste binnenlandse vraag (gekoppeld aan een snellere loongroei en een expansieve begrotingskoers, zie de punten 1 en 4.3.1).
Het huidige overschot op de lopende rekening is veel hoger dan het fundamenteel juiste niveau. Volgens de door de Commissie opgestelde “normramingen” (
) verklaren fundamentele factoren slechts ongeveer 4 procentpunt van het overschot. Voor Nederland zijn de belangrijkste verklarende factoren het relatief hoge inkomen per hoofd van de bevolking, de verwachte vergrijzing in vergelijking met de rest van de wereld en de positie van Nederland als financieel centrum. Dat laatste houdt verband met de geografische ligging en het infrastructuurnetwerk, evenals met het ondernemingsklimaat en het institutioneel kader, wat Nederland aantrekkelijk maakt als een internationale bedrijfshub.
|
Grafiek 4.2.7:Aspecten van het saldo op de lopende rekening
|
|
|
|
Bron: CBS Europese Commissie
|
Het grote overschot op de lopende rekening wordt weerspiegeld in de besparingen die de binnenlandse investeringen overstijgen, waarbij alle institutionele sectoren een overschot vertonen. De vennootschapssector is steeds de grootste contribuant geweest, voornamelijk gedreven door niet-financiële ondernemingen (grafiek 1.7 in deel 1). Hoewel huishoudens vóór de crisis nettokredietnemers waren, zijn zij inmiddels nettospaarders geworden als gevolg van de druk om de schulden af te bouwen en de betrekkelijk zwakke investeringen in woningen. De overheidssector had tijdens en in de nasleep van de crisis grote tekorten. Sinds 2017 is de overheid nettokredietverstrekker, hoewel dit zal wegebben gezien het huidige expansieve begrotingsbeleid (zie deel 4.1).
Niet-financiële vennootschappen zijn de belangrijkste structurele aanjager van het spaaroverschot, waarbij zowel grote als kleinere ondernemingen een rol spelen. De jongste twee decennia is de sector van de niet-financiële vennootschappen gemiddeld goed voor ongeveer 80 % van het totale overschot aan spaartegoeden, zij het met een aanzienlijke volatiliteit. Grote ondernemingen, en met name multinationals, vormen hierbij al geruime tijd een belangrijke factor (Europese Commissie (2019 a en 2018a; IMF, 2019b), hoewel hun exacte bijdrage moeilijk te kwantificeren valt. Recent onderzoek van de Nederlandse centrale bank maakt het mogelijk om het niet-financiële bedrijfsoverschot uit te splitsen naar bedrijfsgrootte via een “bottom-up”-methode (grafiek 4.2.8) (DNB, 2019a). Dit bevestigt dat de Nederlandse multinationals een grote maar zeer volatiele bijdrage (
) aan het overschot leveren, met een gemiddelde van ongeveer 4 % van het bbp sinds het begin van de jaren 2000. Het toont echter ook aan dat het mkb een grotere rol speelt dan aanvankelijk werd gedacht, met een aanzienlijk en vrij stabiel overschot van ongeveer 2 % tot 3 % van het bbp.
De grote overschotbijdrage van multinationals is het gevolg van de omvang van de sector en de mondiale investeringsvoetafdruk. Multinationals vertegenwoordigen slechts 1,4 % van alle ondernemingen die in Nederland actief zijn, maar zijn goed voor ongeveer 40 % van de totale economische output (CBS, 2018). Nederlandse multinationals hebben vaak een grote winstgevendheid (Europese Commissie, 2019a) en hun wereldwijde inkomsten worden in de nationale rekeningen over het algemeen volledig toegewezen aan Nederland, ook als zij in het buitenland worden vastgehouden en geïnvesteerd. Gezien hun wereldwijde voetafdruk wordt een groot deel van deze inkomsten inderdaad doorgaans gerecycled in buitenlandse directe investeringen over de hele wereld. Daarom hebben de (wereldwijde) ingehouden winsten van Nederlandse multinationals systematisch de (binnenlandse) investeringen overschreden, wat tot een structureel spaaroverschot heeft geleid.
Het spaaroverschot van het mkb lijkt deels voort te vloeien uit fiscale prikkels die de verdeling van ingehouden winsten ontmoedigen. Het mkb neigt ertoe een relatief klein deel van de winst uit te keren als dividend (DNB, 2019a). In het bijzonder voor bedrijven die eigendom zijn van een klein aantal aandeelhouders met een controlerend belang (“directeur-grootaandeelhouders”) kan dit deels te maken hebben met fiscale prikkels die de accumulatie van ingehouden winsten binnen de onderneming bevorderen om belastingbetalingen uit te stellen of te ontwijken (Jansen et al., 2014). Een aantal van de recente belastinghervormingen (
) kan dit helpen aanpakken, hoewel zij er in de praktijk toe kunnen leiden dat een deel van het spaaroverschot van kleine bedrijven naar de sector huishoudens wordt overgeheveld, maar niet tot een algemene daling voert. Bovenop de fiscale aspecten kunnen (vermeende) financieringsknelpunten (zie punt 4.2.2) ook een rol spelen omdat zij bedrijven ertoe dwingen hun winsten te behouden voor de financiering van toekomstige investeringen (DNB, 2019a).
|
Grafiek 4.2.8:Spaaroverschot bij niet-financiële vennootschappen: uitsplitsing naar grootte van de onderneming (1)
|
|
|
|
Bron: Nederlandse centrale bank (DNB, 2019a).
|
De besparingen van huishoudens worden grotendeels veroorzaakt door de woningmarktdynamiek en de institutionele kenmerken van het pensioenstelsel. Na de financiële crisis ging de sector huishoudens van een besparingstekort naar een aanzienlijk overschot, met een piek van ongeveer 4 % van het bbp in 2014. Dit was voornamelijk het gevolg van de ontwikkelingen op de woningmarkt: de crisis had ernstige gevolgen voor de nieuwe investeringen in huisvesting, terwijl tegelijkertijd de persoonlijke besparingen door de druk van de schuldafbouw in verband met de hoge schuldenlast van huishoudens werden versterkt (zie punt 4.2.3). De jongste jaren zijn de wooninvesteringen weer opgepikt naarmate de woningmarkt zich herstelde (zie deel 4.2.4), waardoor het overschot van huishoudens geleidelijk is gedaald. Op meer structureel niveau worden de besparingen van huishoudens gevoed door het pensioenstelsel via de tamelijk hoge pensioenbijdragen van de tweede pijler (zie 4.2.5) die voornamelijk in het buitenland worden geïnvesteerd.
De overschotten van ondernemingen en huishoudens zijn onderhevig aan statistische verstoringen, die mogelijk aanzienlijke beleidsgevolgen kunnen hebben. Zoals vermeld komt een aanzienlijk deel van het bedrijfsoverschot van ingehouden winsten van multinationals. Hoewel deze in nationale statistieken zijn toegewezen aan het Nederlandse hoofdkantoor (
) zijn de uiteindelijke begunstigden (voornamelijk buitenlandse) aandeelhouders. Omgekeerd zijn Nederlandse pensioenfondsen grote portefeuillebeleggers in buitenlandse ondernemingen die ook aanzienlijke niet-uitgekeerde winsten hebben. Deze zijn niet opgenomen in de Nederlandse nationale rekeningen, ook al zijn de uiteindelijke begunstigden in dit geval de Nederlandse huishoudens (via het pensioenstelsel van de tweede pijler). Gecorrigeerd voor deze verstoringen wordt het bedrijfsoverschot verlaagd en het overschot van huishoudens verhoogd met 2 tot 4 % van het bbp (Rojas-Romagosa et al., 2015; Eggelte et al., 2014). Deze correcties heffen elkaar grotendeels op en hebben slechts een gering effect op het totale overschot (Adler et al., 2019). Vanuit beleidsoogpunt zijn zij echter relevant, aangezien het overschot van d huishoudens, in tegenstelling tot dat van de multinationals, deels wordt veroorzaakt door beleidsdistorsies met bredere economische gevolgen, waaronder “gedwongen besparingen” via de pensioenbijdragen van de tweede pijler (zie punt 4.2.5). Het feit dat het overschot van huishoudens aanzienlijk groter is dan het lijkt, benadrukt hoe belangrijk de onderliggende beleidsuitdagingen zijn.
Over het geheel genomen lijkt het spaaroverschot veeleer terug te voeren op buitensporige spaartegoeden in plaats van op onvoldoende investeringen. Zoals hierboven uiteengezet zetten een aantal beleidsdistorsies de huishoudens en kleinere bedrijven aan tot sparen. Anderzijds lijken er geen grote structurele beleidsknelpunten die op de totale investering wegen (
); evenmin zijn er macro-economische gegevens die duiden op onvoldoende investeringen op geaggregeerd niveau in Nederland. Investeringen als aandeel van het bbp zijn in feite grotendeels in overeenstemming met het gemiddelde voor de eurozone. Bovendien, als het langdurige spaaroverschot een teken zou zijn van een structureel gebrek aan investeringen, zou het cumulatieve effect ervan zich in de loop van enkele decennia vertalen in relatief zwakke arbeidsproductiviteit. In werkelijkheid blijft de Nederlandse economie een van de meest productieve in de EU (zie punt 4.4).
Het grote overschot wijst er echter op dat Nederland een deel van de mogelijkheden onbenut laat om productieve investeringen aan te trekken of de economie in het algemeen te stimuleren. Het spaaroverschot betekent per definitie dat de binnenlandse investeringen kunnen worden verhoogd zonder dat er behoefte is aan buitenlandse financiering. Zo ontstaan mogelijkheden om investeringen uit te breiden op strategische terreinen die de groei van de productiviteit op lange termijn kunnen verbeteren of die de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen kunnen helpen aanpakken (zie deel 4.4 voor een bespreking van mogelijke investeringsprioriteiten). Vanuit het oogpunt van de betalingsbalans impliceert het hoge overschot op de lopende rekening dat er ruimte kan zijn om de lonen te verhogen zonder buitensporige verslechtering van het concurrentievermogen (DNB, 2016). Tot slot, zoals hierboven en in punt 4.2.5 beschreven, hangt het overschot ook nauw samen met de suboptimale afvlakking van de levenslange consumptiecurve van de huishoudens.
4.3.
Arbeidsmarkt, onderwijs en sociaal beleid
4.3.1.Arbeidsmarkt
De arbeidsmarkt functioneert goed. De arbeidsparticipatie blijft toenemen en behoorde met 80,3 % in het derde kwartaal van 2019 tot de hoogste in de EU, ruim boven het niveau van voor de crisis. Het werkloosheidspercentage heeft een vrijwel historisch laag niveau bereikt – 3,4 % in 2019 (grafiek 4.3.1 ) – als gevolg van de robuuste bbp-groei. Voorts bedroeg het percentage langdurig werklozen in het derde kwartaal van 2019 1,4 % (ruim onder het EU-gemiddelde van 2,5 %) en neemt het af voor alle leeftijdsgroepen.
|
Grafiek 4.3.1:Arbeidsmarktindicatoren (1)
|
|
|
|
Bron: Eurostat
|
Het tekort aan arbeidskrachten is verder opgelopen en staat nu op een recordhoogte. Het totale aantal vacatures steeg tot 284 100 (derde kwartaal van 2019). De vacaturegraad (
) kwam in het derde kwartaal van 2019 op 3,4 % en is bijzonder hoog in de sectoren informatie- en communicatietechnologie, gezondheidszorg, bouwnijverheid en horeca (grafiek 4.3.2). Voorts is er voor bepaalde beroepen een groeiend tekort aan arbeidskrachten, zoals leerkrachten in de basis- en middelbare scholen en verpleegkundigen, zij het met aanzienlijke regionale verschillen (
).
|
Grafiek 4.3.2:Vacaturegraad per sector (%, Q2 2019)
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie.
|
Loonontwikkelingen*
De reële lonen zijn in de voorbije jaren enigszins gedaald, maar zullen naar verwachting stijgen in 2020. Ondanks een verdere verkrapping van de arbeidsmarkt nam de nominale beloning per werknemer toe met 1,7 % in 2018 en wordt aangenomen dat zij in 2019 met 2,5 % zal zijn toegenomen, na een stijging met 1,0 % in 2017. Hiermee bleef de nominale beloning per werknemer aanhoudend onder de inflatieontwikkeling. De cao-lonen stegen gemiddeld met 2,6 % in 2019 – de snelste stijging in 10 jaar. De loonstijgingen waren het hoogste in de bouwsector (een van de sectoren met de grootste tekorten aan arbeidskrachten) en de horeca. In andere sectoren is de loongroei ondanks de snelgroeiende vacaturegraad vrij gematigd gebleven. De reële loongroei was in 2019 nog steeds minimaal (-0,03 %) als gevolg van een stijging van de inflatie (gekoppeld aan de stijging van de indirecte belastingen). Dit belemmert zowel de groei van de consumptie als de externe herbalancering. De regering heeft herhaaldelijk de noodzaak erkend van een hogere reële loongroei en heeft belastingmaatregelen voor 2020 genomen, waaronder het verhogen van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting om het beschikbare inkomen te stimuleren (zie punt 4.1). Het vertraagde effect van de robuuste bbp-groei op de nominale loongroei in 2019 en het gematigde inflatieverloop (zie punt 1) moeten ook bijdragen tot een versnelling van de reële loongroei in 2020 (grafiek 4.3.3).
|
Grafiek 4.3.3:Uitsplitsing van de loonkosten per eenheid product
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie.
|
Het hoge niveau van arbeidsmarktsegmentatie kan in belangrijke hebben bijgedragen tot de lage loongroei in de afgelopen tien jaar (
). In de periode 2000-2017 correleert de stijging van het aandeel atypische arbeidsvormen met de loongroei. De neerwaartse druk op de lonen kan ten dele worden verklaard door het feit dat de lonen van tijdelijke werknemers globaal genomen aanzienlijk lager zijn dan de lonen van werknemers in vaste dienst (Europese Commissie, 2018a, kader 4.3.1; Smits e.a., 2019). Daardoor heeft de stijging van het aandeel tijdelijke werknemers de loongroei over het hele loongebouw negatief beïnvloed, waarbij het effect aan de onderkant het grootst is (Europese Commissie, 2018b). Zelfstandigen zonder personeel betalen lagere belastingen en sociale verzekeringspremies dan werknemers, waardoor hun besteedbaar inkomen is toegenomen. Het grote aantal zelfstandigen zonder personeel op de arbeidsmarkt kan ook leiden tot een neerwaartse druk op de lonen en resulteren in oneerlijke concurrentie, met name voor hen aan de onderkant van de inkomensverdeling.
Arbeidsmarktsegmentatie
Flexwerk blijft een belangrijk deel van de arbeidsmarkt, hetgeen wijst op het risico van arbeidsmarktsegmentatie. Hoewel de Nederlandse arbeidsmarkt over het algemeen goed presteert en tot de koplopers in de OESO behoort (OESO, 2019c), blijft het hoge niveau van en de sterke groei van atypische arbeidsvormen een punt van zorg. Zowel het aantal tijdelijke werknemers als het aantal zelfstandigen zonder personeel is de afgelopen 10 jaar aanzienlijk toegenomen, waardoor Nederland in de EU een uitschieter is. Bijna een op de vijf Nederlandse werknemers heeft een tijdelijk contract (
) en het aantal zelfstandigen groeit er het snelst (OESO, 2019c). Uiteenlopende invloeden en institutionele factoren (
) leiden tot aanzienlijke positieve en negatieve financiële prikkels met bijzonder verstorende effecten aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Die zijn een belemmering voor billijke arbeidsvoorwaarden, waardoor soepele doorstroming op de arbeidsmarkt en inclusieve groei worden gehinderd. Arbeidsmarktsegmentatie kan ook een negatief effect hebben op loonontwikkelingen, investeringen in opleiding en sociale bescherming.
Hoewel de banencreatie tot 2017 hoofdzakelijk het resultaat van tijdelijke contracten en zelfstandig werk was, groeit het aantal banen voor werknemers met vaste contracten sinds kort sterker dan dat voor werknemers met tijdelijke contracten. Sinds de tweede helft van 2017 is de toename van het aantal vaste contracten groter dan die van tijdelijke, flexibele contracten. Dit geldt voor alle opleidingsniveaus, maar de toename van vaste contracten is bijzonder uitgesproken voor hooggeschoolde werknemers (
). Voorts is het aandeel tijdelijke werknemers (als percentage van het totale aantal werkenden) in 2018 voor het eerst in jaren licht gedaald (tot 14,6 %) ten opzichte van een jaar eerder (15,2 %). Het is mogelijk dat een steeds krapper wordende arbeidsmarkt werkgevers ertoe heeft aangezet meer contracten voor onbepaalde tijd aan te bieden, in het bijzonder voor hooggeschoolde werknemers maar in mindere mate ook voor werknemers met een gemiddeld of laag opleidingsniveau (CPB, 2019f) (grafiek 4.3.4).
|
Grafiek 4.3.4:Doorstromingspercentage van tijdelijk naar vast werk, per opleidingsniveau
|
|
|
|
Bron: CBS
|
Beleidsontwikkelingen
Met het oog op een beter evenwicht op de arbeidsmarkt zal in 2020 een pakket maatregelen in werking treden om iets te doen aan de verschillen tussen vaste en flexibele contracten. Na een vorige ingrijpende hervorming (Wet werk en zekerheid) in 2015 (
) is in 2019 een pakket maatregelen (
) goedgekeurd om het gemakkelijker te maken om werknemers permanent in dienst te nemen en om flexibele contracten minder flexibel, veiliger en het gebruik ervan duurder te maken (Wet arbeidsmarkt in balans). De overgrote meerderheid van deze maatregelen is in januari 2020 in werking getreden (
). Wat betreft de verplichting van de werkgever om het loon van personeelsleden in geval van ziekte gedurende een periode van twee jaar door te betalen, zullen er meer geschikte verzekeringen worden aangeboden om het risico op ziekte te dekken (“mkb-verzuim-ontzorg-verzekering”). Deze maatregel is in januari 2020 in werking getreden. Voorts is het kabinet voornemens met ingang van 2021 een korting op de ziektekostenpremies van 450 miljoen EUR te verlenen om mkb-bedrijven te compenseren voor de salariskosten van het tweede jaar van ziekte (
). Daarnaast is een commissie Regulering van werk opgericht. Deze commissie van onafhankelijke experts moet het kabinet adviseren over hoe de regulering van de arbeidsmarkt in de toekomst vorm te geven, rekening houdende met de veranderingen in de economie en de samenleving. Haar verslag is op 23 januari 2020 voorgesteld, en de reactie van het kabinet daarop wordt verwacht in het eerste kwartaal van 2020. Met sommige van de getroffen maatregelen kunnen de grote verschillen in behandeling tussen vaste en tijdelijke/flexibele contracten worden aangepakt en kan ervoor gezorgd worden dat het relatief grote gebruik van flexwerk vermindert. De toepassing ervan in de praktijk moet echter nauwlettend worden gevolgd.
Er blijven nog grote uitdagingen, met name met betrekking tot zelfstandigen zonder personeel. Wat zelfstandigen zonder personeel betreft, is het criterium van de “gezagsverhouding” met ingang van 1 januari 2019 verduidelijkt. Er is ook een ontwerpvragenlijst opgesteld voor de implementatie van een webmodule die de arbeidsrelatie van zelfstandigen zal kwalificeren, met name wanneer er geen sprake is van een dienstbetrekking. Meer informatie over de stand van zaken wordt verwacht in het eerste kwartaal van 2020 (
). Bovendien heeft het kabinet op 24 juni 2019 in een brief aan de Tweede Kamer haar voornemen bekendgemaakt om een algemeen minimumuurloon van 16 EUR in te voeren voor alle zelfstandigen zonder personeel die diensten verlenen aan zowel zakelijke als particuliere cliënten, in combinatie met een opt-out voor de loonheffing en de werknemersverzekeringen, alsmede delen van het arbeidsrecht, collectieve overeenkomsten en pensioenverplichtingen voor zelfstandigen die een uurtarief van 75 EUR of meer in rekening brengen. In oktober 2019 is een openbare consultatie van start gegaan over de respectieve conceptwetsvoorstellen tot uitvoering van de geplande voorstellen, teneinde deze tegen januari 2021 in werking te laten treden.
Het kabinet kondigde ook zijn voornemen aan om de belastingaftrek geleidelijk te verlagen en de socialezekerheidsbescherming voor zelfstandigen te verbeteren. De belastingaftrek wordt tot 2028 jaarlijks verlaagd met 250 EUR (het maximaal aftrekbare bedrag zal dan 5 000 EUR bedragen) (
). Voorts hebben het kabinet en de sociale partners in hun principeakkoord over de hervorming van het pensioenstelsel van 5 juni 2019 (zie punt 4.2.5) met betrekking tot mogelijke socialezekerheidsdekking voor ziekte/arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen, besloten een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen in te voeren. In overleg met organisaties die de zelfstandigen vertegenwoordigen zijn er besprekingen gaande in het overlegorgaan “Stichting van de Arbeid” over de wijze van uitvoering van deze overeenkomst. Een concreet voorstel [wordt verwacht in] begin 2020, en de regering is voornemens om vóór de zomer van 2020 een wetsvoorstel in te dienen bij de Tweede Kamer (SZW, 2019b). Ook wordt gekeken naar mogelijkheden om de pensioendekking voor zelfstandigen op vrijwillige basis te verhogen, waarbij de resultaten vóór de zomer van 2020 moeten worden gepresenteerd (SZW, 2019b). Bovendien zal de opschorting van de handhaving van maatregelen die zijn genomen om schijnzelfstandigheid aan te pakken, aanvankelijk gepland tot 2020, verder worden verlengd tot 2021 (
).
Het sociaal overleg is een vaste geïnstitutionaliseerde aanpak en een wezenlijk kenmerk van het Nederlandse poldermodel en heeft in het verleden in het algemeen goed gewerkt. De sociale partners zijn geraadpleegd over het voornemen tot en de mogelijke beleidsopties voor een hervorming van de tweede pijler van het pensioenstelsel en de ambitieuze agenda voor de hervorming van de arbeidsmarkt. Zij spelen ook een belangrijke rol bij de uitvoering van het akkoord inzake de hervorming van het pensioenstelsel en hebben via de Stichting van de Arbeid een gezamenlijke (negatieve) reactie gegeven op de conceptwetsvoorstellen met de recente plannen van het kabinet met betrekking tot zelfstandige arbeid.
Arbeidsmarktparticipatie van vrouwen
Ondanks de krappe arbeidsmarkt blijft het aandeel deeltijdarbeid met name bij vrouwen groot. De arbeidsparticipatie van vrouwen is weliswaar hoog en neemt nog toe (74,2 % in 2018, tegenover 71,6 % in 2016), maar bijna drie van de vier vrouwen werken in deeltijd (73,8 % in 2018 ten opzichte van een EU-gemiddelde van 30,8 %) (
). Als gevolg daarvan is de arbeidsparticipatiekloof tussen mannen en vrouwen in voltijdsequivalenten een van de hoogste in de EU (25,7 procentpunten in 2018 tegenover een EU-gemiddelde van 18 procentpunten), ondanks de relatief kleine loonkloof tussen mannen en vrouwen in Nederland (OESO, 2019b). Door een combinatie van verschillende factoren en institutionele invloeden is de deeltijdarbeid van vrouwen in Nederland altijd hoog geweest (
). Het aandeel deeltijdarbeid is met name groot bij vrouwen met zorgtaken in hun persoonlijke of gezinssituatie (
), hoewel veel vrouwen al deeltijds beginnen te werken kort nadat zij hun opleiding hebben voltooid en voordat zij kinderen hebben (Sociaal en Cultureel Planbureau, 2018b).
Vrouwen worden ook geconfronteerd met een “kindboete” en een aanzienlijke loonkloof. De afgelopen jaren is het aantal door vrouwen met kinderen gewerkte uren gestegen, terwijl er geen soortgelijke trend zichtbaar is voor vrouwen zonder kinderen (zie Europese Commissie (2019a), blz. 42, grafiek 4.3.7). Toch neemt het gemiddelde inkomen van vrouwen in de eerste 2 jaar na de geboorte van het eerste kind aanzienlijk af (terwijl het effect op het inkomen van mannen vrij beperkt is). Dit effect wordt 8 jaar later nog gevoeld, hetgeen resulteert in een gemiddelde loonkloof van 39 % (grafiek 4.3.5) (Adema e.a., 2019). De verschillen in werkintensiteit leiden tot een relatief grote loonkloof tussen mannen en vrouwen (47,5 % in 2017) en een van de grootste genderkloven op het gebied van pensioenen later (43,4 % in 2017). Uit een recente analyse (
) blijkt bijvoorbeeld dat als vrouwen ertoe worden aangezet een paar uur per week meer te werken, dit hun economische onafhankelijkheid en de gendergelijkheid kan vergroten en ook kan helpen de bestaande tekorten aan arbeidskrachten aanzienlijk te verminderen (McKinsey Global Institute, 2018) en demografische uitdagingen aan te pakken (OESO, 2019b), wat bijdraagt tot de verwezenlijking van duurzameontwikkelingsdoelstelling 5 (gendergelijkheid).
|
Grafiek 4.3.5:Relatieve “kindboete”
|
|
|
|
Bron: Centraal Planbureau (Adema e.a., 2019)
|
Arbeidsmarktpositie van mensen met een migratieachtergrond
Ondanks een verbetering van hun arbeidsparticipatie vinden mensen met een migratieachtergrond nog steeds zeer moeilijk een baan. In 2018 steeg de arbeidsparticipatie van buiten de EU geboren mensen (62,6 % in vergelijking met 59,9 % in 2017), maar blijft 19,3 procentpunten (tegenover 20,6 procentpunten in 2017) onder het niveau voor autochtonen, een van de grootste kloven in de EU. Dit is een punt van zorg, aangezien buiten de EU geboren personen een relatief grote groep vertegenwoordigen van 10,7 % (
) van de bevolking in de werkende leeftijd in 2018. De kloof is bijzonder groot als gevolg van de lage arbeidsparticipatie van buiten de EU geboren vrouwen (53,6 %) in vergelijking met autochtone vrouwen (77,3 %). Niets wijst erop dat deze kloof kleiner wordt. Zij blijft met 23,7 procentpunten een van de grootste in de EU.
De algemene ongunstige situatie op de arbeidsmarkt van de buiten de EU geboren migranten vloeit grotendeels voort uit de lage participatiegraad van zowel mannelijke als vrouwelijke migranten (
). Met name was slechts 58,7 % van de buiten de EU geboren vrouwen in 2018 economisch actief. De kloof met in Nederland geboren vrouwen was met 20,9 procentpunten de grootste van de EU-lidstaten en relatief stabiel. De lage participatiegraad heeft ook een grote invloed op de sociale situatie van mensen die buiten de EU zijn geboren (zie hieronder).
De arbeidsmarktresultaten van de in Nederland geboren personen met een migratieachtergrond blijven ook ongunstig (
) (grafiek 4.3.6). De werkloosheidscijfers en het aantal jongeren die niet werken en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET) (
) liggen hoger onder de in Nederland geboren personen met in het buitenland geboren ouders, hetgeen tot op zekere hoogte door hun slechtere onderwijsresultaten en andere factoren kan worden verklaard (
). Voorts blijkt uit nationale gegevens dat er grote verschillen zijn tussen subgroepen, afhankelijk van het geboorteland van de ouders, voor verschillende indicatoren, waaronder het werkloosheidscijfer (
). Bovendien worden de in Nederland geboren werknemers met een migratieachtergrond, vaker geconfronteerd met een gebrek aan erkenning van kwalificaties, onzekere arbeidsovereenkomsten en armoede onder werkenden (
). De verschillen in arbeidsmarktparticipatie tussen personen met een niet-Nederlandse en die met een Nederlandse achtergrond zijn het kleinst bij hoogopgeleiden (CBS, 2018).
Om de positie op de arbeidsmarkt van mensen met een migratieachtergrond en asielstatushouders te verbeteren, is met het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt een meersporenaanpak goedgekeurd (
). De aanpak van het kabinet om discriminatie aan te pakken is in detail uiteengezet in april 2018 (
) en het vervolgens aangenomen actieplan arbeidsdiscriminatie is gericht op monitoring en controle, onderzoek en kennisvergaring en voorlichting (
). Voorts maakte de Algemene Bond Uitzendondernemingen in mei 2018 zijn actieplan diversiteit arbeidsmarkt bekend om discriminerende praktijken aan te pakken (
). Om efficiëntere maatregelen te ontwikkelen voor de integratie op de arbeidsmarkt van mensen met een migratieachtergrond, zijn er in 2019 acht experimentele acties gestart, waaronder: gecombineerd leren en werken, intensieve coaching voor kwetsbare groepen, ondersteuning van werkoriëntatie voor studenten in het beroepsonderwijs en het meten van culturele diversiteit in bedrijven. Er is ook een wetsvoorstel opgesteld over de aanpak van discriminatie op de arbeidsmarkt (
), dat de reikwijdte van het monitoringsysteem voor integratie in Nederland uitbreidt.
|
Grafiek 4.3.6:Arbeidsparticipatie van niet in de EU geboren personen in vergelijking met autochtonen (%)
|
|
|
|
Bron: Eurostat
|
Het is op dit moment te vroeg om de doeltreffendheid van deze initiatieven te beoordelen. Uit deze initiatieven komt evenwel duidelijk naar voren dat de Nederlandse autoriteiten zich meer bewust zijn van de noodzaak om verder te investeren in het integratie- en het antidiscriminatiebeleid.
Het inburgeringsstelsel voor recent in Nederland aangekomen onderdanen van derde landen wordt momenteel hervormd. De nieuwe Wet inburgering moet in januari 2021 in werking treden. De geplande hervorming voorziet in een grotere rol in voor de gemeenten, die verantwoordelijk zullen zijn voor de uitvoering van de integratiemaatregelen op basis van meer financiering op nationaal niveau (de nieuwkomers moeten niet langer de toegang tot het programma zelf met een lening financieren). Voor certificering zullen ook hogere taalvaardigheidseisen worden gesteld. Voorts zullen de gemeenten ook de kwaliteit van de opleiding controleren en de persoonlijke integratieplannen met elke migrant uitstippelen. Dit zal de nadruk leggen op participatie en het helpen van nieuwkomers om werk te vinden.
Armoede en sociale uitsluiting
Nederland heeft een van de laagste percentages wat betreft risico op armoede of sociale uitsluiting. De indicator van het sociaal scorebord “aandeel van de bevolking dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting” is gedaald van 17 % (2017) tot 16,7 % (2018), d.w.z. met 31 000. De aan de armoede gerelateerde risico’s zijn licht toegenomen, van 13,2 % in 2017 tot 13,4 % in 2018, terwijl ernstige materiële deprivatie enigszins is afgenomen van 2,6 % in 2017 tot 2,4 % in 2018, met een aanzienlijke daling van materiële en sociale deprivatie (
) van 6,3 % in 2017 tot 4,5 % in 2018 (de laatste twee cijfers zijn zeer laag in vergelijking met het EU-gemiddelde). Het effect van sociale overdrachten op het terugdringen van armoede (exclusief pensioenen) is aanzienlijk gedaald, van 51 % in 2012 tot 39 % in 2018. In vergelijking met de vorige periode (2015-2016) is de daling in 2018 (van 39,7 % in 2017) echter sterk afgevlakt. De toereikendheid van de minimuminkomenssteun is zeer hoog (
).
Inwoners die buiten de EU geboren zijn, lopen een veel hoger risico op armoede of sociale uitsluiting. In 2018 liep ongeveer 37 % van de buiten de EU geboren personen die in Nederland wonen het risico op armoede of sociale uitsluiting, 22 procentpunten meer dan onder de in Nederland geboren personen, en de kloof wordt steeds groter. Dit is het gevolg van veel vaker voorkomende inkomensarmoede bij buiten de EU geboren personen dan bij autochtonen (28,5 % tegenover 11,8 %), en houdt deels ook verband met hun ongunstigere arbeidsmarktpositie, een hoger percentage ernstige materiële deprivatie (10,7 % tegenover 1,6 %) en een grotere prevalentie van armoede onder werkenden (17,5 % tegenover 5,1 %). Bovendien loopt meer dan een kwart (26,9 % in 2018) van de kinderen met in het buitenland geboren ouders het risico op armoede, ongeveer 3 keer zoveel als kinderen met in Nederland geboren ouders.
|
Kader 4.3.1: Monitoring van de prestaties in het licht van de Europese pijler van sociale rechten
De Europese pijler van sociale rechten zet de koers uit voor hernieuwde opwaartse convergentie in de richting van betere arbeids- en levensomstandigheden in de Europese Unie. De pijler bevat twintig essentiële beginselen en rechten op het gebied van gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden; en sociale bescherming en inclusie.
Uit het sociaal scorebord dat de Europese pijler van sociale rechten flankeert, blijkt dat Nederland zeer goed presteert wat betreft de meeste indicatoren. Over het geheel genomen is in Nederland sprake van een goede arbeidsmarktsituatie en sociale situatie. Per hoofd van de bevolking bleef het reële bruto besteedbaar inkomen van de huishoudens stijgen en de inkomensongelijkheid ligt onder het EU-gemiddelde. Wat betreft sociale bescherming en inclusie, is Nederland een van de best presterende lidstaten, met een laag armoedeniveau. Het aandeel jongeren die geen baan hebben of geen onderwijs of opleiding volgen (NEET-percentage), ligt ruim onder het EU-gemiddelde. Terwijl in andere lidstaten een algemene daling van het NEET-percentage is vastgesteld, is dit percentage in Nederland in 2018 lichtjes gestegen.
Het grote percentage flexwerk verdient nog steeds nadere aandacht wanneer het gaat om gelijke kansen op de arbeidsmarkt en billijke arbeidsvoorwaarden. Het hoge niveau en de sterke groei van atypische arbeidsvormen blijven een punt van zorg. Zowel het percentage tijdelijke werknemers als het percentage zelfstandigen zonder personeel is de afgelopen tien jaar fors opgelopen in Nederland, waardoor Nederland op dit vlak sterk verschilt van andere lidstaten.
In oktober 2018 heeft het Nederlandse kabinet een nieuwe strategie gepresenteerd om een echte leercultuur te creëren en personen meer zeggenschap te geven over hun opleiding. De belangrijkste punten van deze strategie zijn: (1) bevordering van individuele opleidingsbudgetten om een bredere groep te bereiken via de regeling “Stimulering Arbeidsmarkt Positie” (STAP); (2) verbetering van de overdraagbaarheid van opleidingsbudgetten tussen sectoren; (3) creëren van een portaal waarin alle opleidingsmogelijkheden worden opgesomd; (4) betere begeleiding; (5) het midden- en kleinbedrijf helpen bij de ontwikkeling van een leercultuur; (6) organiseren van gedragsexperimenten om ervoor te zorgen dat personen het gevoel hebben dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun opleiding; en (7) verbeteren van de flexibiliteit van het opleidingsaanbod. Met het STAP-budget zal iedereen die verbonden is met de Nederlandse arbeidsmarkt een opleiding kunnen volgen om zichzelf verder te ontwikkelen en zijn inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten.
|
Grote steden worden geconfronteerd met procentueel grotere werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting en een lagere werkgelegenheidsgraad (Europese Commissie, 2019a). In 2018 bedroeg het risico op armoede of sociale uitsluiting 19,8 % in grote steden, terwijl het in kleinere steden en voorsteden en plattelandsgebieden varieerde van 12,4 % tot 12,8 %. Bovendien hebben grote steden een lagere werkgelegenheidsgraad (77,6 %) dan kleinere steden en voorsteden (81,2 %) en plattelandsgebieden (82,3 %). Personen met een niet-EU-achtergrond maken meer dan 30 % van de bevolking uit in grote Nederlandse steden (Amsterdam, Rotterdam en Den Haag).
4.3.2.Onderwijs en vaardigheden
Over het geheel genomen zijn de prestaties dan wel goed, maar de basisvaardigheden nemen af (zoals gemeten bij het PISA-onderzoek) en de prestatieverschillen tussen scholen worden groter. De gemiddelde prestaties van Nederland, gemeten in het kader van het Programme for International Student Assessment (PISA) van de OESO, zijn tussen 2009 en 2018 aanzienlijk gedaald voor wetenschap en leesvaardigheid. Hoewel de gemiddelde prestaties voor wiskunde en wetenschappen nog steeds ruim boven het EU-gemiddelde liggen, liggen zij voor leesvaardigheid onder het gemiddelde van de EU. Het percentage slecht presterende leerlingen is sinds 2009 met 10 procentpunten gestegen. Met 24,1 % ligt het nu boven het EU-gemiddelde. Het is vooral hoog (56 %) bij leerlingen die in het buitenland geboren zijn. Het percentage excellente leerlingen is in alle drie geteste gebieden licht gedaald. Het effect van de sociaaleconomische achtergrond op de prestaties van leerlingen is iets lager dan het EU-gemiddelde. De prestatiekloof tussen autochtone leerlingen en in het buitenland geboren leerlingen is vrij groot en in Nederland geboren leerlingen met een migratieachtergrond halen slechts gedeeltelijk hun achterstand in.
Kinderen van lager en hoger opgeleide ouders gaan in toenemende mate naar andere scholen. De prestatieverschillen tussen scholen zijn het grootst van alle OESO-landen (OESO, 2019) en hangen nauw samen met de uiteenlopende onderwijstrajecten die de scholen aanbieden (Inspectie van het Onderwijs, 2017). De kloof tussen de gemiddelde prestaties van leerlingen op scholen met een lage respectievelijk een hoge concentratie leerlingen met een migratieachtergrond is de op één na grootste in de EU. Dit betekent dat de prestaties van individuele leerlingen nauw verbonden zijn met hun schoolkeuze. Het systeem met vrije schoolkeuze draagt bij tot meer segregatie in het onderwijs (Ladd e.a., 2011) en versterkt de gevolgen van woonsegregatie (Inspectie van het Onderwijs, 2018). De sterkste factor in de segregatie van scholieren is het opleidingsniveau van de ouders, gevolgd door hun inkomensniveau en migratieachtergrond (Inspectie van het Onderwijs, 2018). De Onderwijsraad heeft gewaarschuwd voor de toenemende fragmentatie in het schoolsysteem, aangezien deze zou kunnen leiden tot versterkte segregatie en geringere kansen (Onderwijsraad, 2019).
Nederland kampt met een oplopend lerarentekort. Op basis van de huidige trends wordt verwacht dat het lerarentekort in de lagere scholen tegen 2020 zal uitkomen op 4 000 voltijdequivalenten en tegen 2025 op 10 000 (OCW, 2018a). Lage lonen zijn één van de factoren: een leerkracht in het basisonderwijs verdient 71 % van het gemiddelde salaris van hoogopgeleide werknemers. Tekorten zijn acuter in scholen waar de meerderheid van de leerlingen een niet-westerse achtergrond heeft. In het kader van het werkdrukakkoord van 2018 is aan basisscholen een extra bedrag van 237 miljoen EUR toegekend om vanaf 2018/2019 de buitensporige werkdruk aan te pakken. In het schooljaar 2021-2022 zal dit bedrag worden verhoogd tot 430 miljoen EUR.
Het percentage vroegtijdige school- en opleidingsverlaters (7,3 %) ligt onder de nationale doelstelling van de Europa 2020-strategie, maar is de afgelopen jaren licht toegenomen. Hoewel het percentage voortijdige schoolverlaters in het (algemene) middelbaar onderwijs 0,5 % bedraagt, is dit percentage gestegen van 4,7 % tot 5,1 % in het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding. Algemene middelbare scholen, met inbegrip van scholen voor beroepsonderwijs en -opleiding, krijgen extra geld als zij hun uitvalpercentage tot onder het nationale percentage kunnen verlagen. Met een wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in juni 2018 werd de samenwerking tussen scholen en gemeenten ter bestrijding van voortijdige schoolverlating (
) verplicht.
In het algemeen blijft de deelname van volwassenen aan een leven lang leren aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde, hoewel het een uitdaging kan zijn voor wie in een kwetsbare situatie op de arbeidsmarkt verkeert. De recente deelname van volwassenen aan volwasseneneducatie (d.w.z. volwassenen van 25-64 jaar die in de afgelopen 4 weken een leerervaring hadden) is gestegen tot 19,1 % in 2018, ver boven het EU-gemiddelde van 11,1 % (arbeidskrachtenenquête 2018). De arbeidsparticipatie van recent afgestudeerden uit beroepsonderwijs en -opleiding is licht gestegen tot 87,9 % in 2018 (tegenover 86,9 % in 2017), ruim boven het EU-gemiddelde van 79,5 % (arbeidskrachtenenquête, 2018). Het totale aantal inschrijvingen in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is ook licht gestegen in 2017 (tot 68,2 %) ten opzichte van de voorgaande jaren, en ligt ruim boven het EU-gemiddelde van 47,8 % (gezamenlijke gegevensverzameling UNESCO OESO Eurostat, 2017). Om de band tussen de arbeidsmarkt en het aanbod van het middelbaar beroepsonderwijs verder te versterken, heeft de Samenwerkingsorganisatie Beroepsorganisatie en Bedrijfsleven een nieuwe werkmethode ontwikkeld om het aanbod voor beroepsonderwijs en -opleiding sneller aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt. Ondanks deze positieve ontwikkelingen blijkt uit onderzoek dat werkgevers veel minder bereid zijn om te investeren in opleiding voor werknemers met tijdelijke contracten dan voor vaste werknemers. Zij beperken opleiding vaak tot het strikt noodzakelijke voor de huidige baan in plaats van te investeren zodat werknemers in een kwetsbare arbeidsmarktpositie een opleiding kunnen volgen die hun inzetbaarheid kan verhogen.
De vraag naar geschoolde werknemers zal naar verwachting aanzienlijk toenemen, wat wijst op de behoefte aan investeringen in opleiding en vaardigheden. Er zijn steeds meer aanwijzingen (
) van toenemende tekorten aan arbeidskrachten in specifieke sectoren en tekorten aan mensen met de nodige technische of geavanceerde digitale vaardigheden (zie punt 4.3.1). Ondanks het hoge percentage afgestudeerden in het tertiair onderwijs (49,4 %) zal in de periode tot 2025 de vraag naar hooggekwalificeerde werknemers naar verwachting groeien met 2,4 miljoen en die naar middelhoog opgeleide werknemers met 1,3 miljoen, terwijl het aanbod van hooggekwalificeerde werknemers naar verwachting slechts met 1 miljoen zal toenemen en dat van middelhoog opgeleide werknemers zal afnemen (OESO, 2018b). Hoewel de kloof in opleidingsniveau tussen de in het buitenland geboren en de autochtone bevolking op secundair niveau steeds kleiner wordt, is deze op tertiair niveau nog altijd groot. Dit wijst erop dat er nog ruimte is voor een betere afstemming van het onderwijs- en vaardigheidsniveau van deze groep met de verwachte behoeften. In het algemeen zijn technische vaardigheden en gekwalificeerd personeel cruciaal voor het innovatievermogen en de productiviteit van de Nederlandse economie. Verdere investeringen in vaardigheden, onderwijs en opleiding zijn dus belangrijk om de toegang tot de arbeidsmarkt en de inzetbaarheid te verbeteren en gelijke kansen en actieve inclusie te bevorderen (
).
Om een echte leercultuur tot stand te brengen, is een nieuwe strategie voor een leven lang leren vastgesteld, met inbegrip van de invoering van een individueel opleidingsbudget. In oktober 2018 heeft de Nederlandse regering een nieuwe strategie voorgesteld om een echte leercultuur te creëren en personen meer zeggenschap te geven over hun opleiding (
). De belangrijkste punten van deze strategie zijn: (1) bevordering van individuele opleidingsbudgetten om een grotere groep te bereiken (bv. personen die niet onder de sectorale overeenkomsten vallen) via de regeling Stimulans Arbeidsmarktpositie (STAP) (zie hierna); (2) verbetering van de overdraagbaarheid van opleidingsbudgetten tussen sectoren; (3) creëren van een portaal waarin alle opleidingsmogelijkheden worden opgesomd; (4) betere begeleiding; (5) kleine en middelgrote ondernemingen helpen een leercultuur te ontwikkelen; (6) het organiseren van gedragsexperimenten om na te gaan hoe maatregelen moeten worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat personen het gevoel hebben dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun opleiding; en (7) verbeteren van de flexibiliteit van het opleidingsaanbod. De bovengenoemde STAP-regeling vervangt de belastingaftrek voor scholingskosten. Voor de regeling zal jaarlijks een budget van 200 miljoen EUR worden vrijgemaakt. Een persoon kan een subsidie van maximaal 1 000 EUR ontvangen om de opleidingskosten te dekken. Met het STAP-budget zal iedereen die verbonden is met de Nederlandse arbeidsmarkt een opleiding kunnen volgen om zichzelf verder te ontwikkelen en zijn inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten. Verwacht wordt dat de regeling in januari 2022 in werking zal treden. In november 2019 is ook een internetconsultatie gestart over een conceptregeling ter bevordering van een leven lang leren in het mkb (SLIM-regeling). Deze regeling geld in het bijzonder voor de landbouw-, horeca- en recreatiesector. Jaarlijks zal 48 miljoen EUR voor de SLIM-regeling ter beschikking worden gesteld. In januari 2020 heeft Nederland de aanzet gegeven tot een nieuw interministerieel programma voor het verbeteren van basisvaardigheden (2020-2024). Het programma heeft tot doel de basisvaardigheden te bevorderen, kwaliteitsborging te verbeteren van onderwijs en opleiding in basisvaardigheden aan volwassenen, en de rol van lokale en regionale overheden te versterken. Voor het programma wordt voorzien in een budget van 25 miljoen EUR per jaar. Deze middelen komen bovenop het budget voor de organisatie van het opleidingsaanbod basisvaardigheden voor volwassenen (60 miljoen EUR per jaar) .
4.4. Concurrentievermogen, hervormingen en investeringen
4.4.1.Productiviteit en investeringstrends
Productiviteit
Ondanks een structurele vertraging in de arbeidsproductiviteitsgroei blijft Nederland een van de meest productieve economieën in de EU. De arbeidsproductiviteit per uur ligt ongeveer 29 % boven het EU-gemiddelde. Maar net als in de meeste andere ontwikkelde industrielanden hebben zowel de arbeidsproductiviteit als de totale factorproductiviteit in Nederland een gestage vertraging doorgemaakt. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is de jaarlijkse arbeidsproductiviteitsgroei gedaald van gemiddeld 5 % tot nauwelijks 1 % in de afgelopen jaren. Ook de jaarlijkse totale factorproductiviteit, die in de laatste decennia van de vorige eeuw gemiddeld ongeveer 1,4 % bedroeg, is sinds de jaren 2000 slechts met ongeveer 0,5 % per jaar gegroeid.
Deze vertraging van de productiviteit lijkt veroorzaakt te worden door een aantal factoren, die een uiting zijn van trends op mondiaal niveau. Aangezien de meeste andere ontwikkelde economieën geconfronteerd werden met een vergelijkbare vertraging van de productiviteit (grafiek 4.4.1), lijken de onderliggende factoren niet specifiek voor Nederland te zijn, maar weerspiegelen zij de bredere ontwikkelingen (Bauer e.a, 2020; Roelandt e.a., 2019). Deze omvatten: (i) een geleidelijke verschuiving van de productie van industriële goederen naar activiteiten in de dienstensector met traditioneel een lagere productiviteitsgroei (Europese Commissie, 2019a) (
); (ii) demografische ontwikkelingen zoals de vergrijzing van de bevolking; (iii)) transitiekosten van investeringen in informatie- en communicatietechnologieën (Roelandt e.a., 2019); en iv) de toenemende moeilijkheid om gestage productiviteitswinsten te behalen wanneer de productiviteitsniveaus al vrij hoog zijn. Voorts speelde ook het hamsteren van arbeid een rol in de initiële productiviteitsdaling na de crisis, hoewel deze verklaring minder relevant is geworden nu er zich een verkrapping van de arbeidsmarkt heeft voorgedaan.
In termen van factoren die specifiek van toepassing zijn op de Nederlandse economie, kunnen het relatief lage percentage van nieuwe ondernemingen die tot de markt toetreden en de potentieel suboptimale toewijzing van middelen tussen ondernemingen een rol spelen. Een gebrek aan nieuwe bedrijven heeft langdurige schadelijke gevolgen voor de ondernemingsdynamiek, innovatie en productiviteit. Het aantal bedrijven groter dan micro-ondernemingen dat tot de markt is toegetreden, is gedaald tot onder het EU-gemiddelde in de sector van de zakelijke dienstverlening, wat een belemmering kan vormen voor de productiviteitsgroei (Bauer e.a., 2020). Verkeerde allocatie van kapitaal en arbeid in Nederlandse bedrijven – wat betekent dat zeer productieve ondernemingen doorgaans te klein zijn in vergelijking met hun optimale omvang, terwijl het omgekeerde het geval is voor minder productieve ondernemingen – zou ook een rol kunnen spelen (de Winter et al., 2019). Het Centraal Planbureau (CPB), in zijn hoedanigheid van nationaal comité voor de productiviteit in Nederland, levert een bijdrage aan het beleidsdebat over de productiviteitsontwikkelingen door een gedetailleerd werkprogramma inzake productiviteit op te stellen en jaarlijkse beleidsdialogen over de productiviteitsontwikkelingen te houden.
|
Grafiek 4.4.1:Ontwikkeling van het bbp per gewerkt uur (1), NL versus vergelijkbare landen
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie (Ameco)
|
Investeringen
De investeringen nemen toe, maar blijven onder het niveau van vóór de crisis. De investeringen/bbp-ratio bedroeg in 2018 ongeveer 21 %, In 2014 lag dat percentage nog op 17,6 %. Ondanks de stijging blijven investeringen door particuliere bedrijven relatief laag, met name in vergelijking met de vennootschapsbesparingen. De publieke investeringen bleven in 2018 vrijwel constant op 3,3 % van het bbp. Hoewel dit aanzienlijk boven het gemiddelde van de eurozone (2,7 % van het bbp) ligt (grafiek 1.2 in deel 1), blijft het onder het niveau van vóór de crisis. Tegelijkertijd is het kabinet een expansief budgettair pakket aan het uitvoeren dat hogere publieke investeringen in huisvesting en infrastructuur omvat (zie punt 4.1). Op langere termijn zouden nieuwe instrumenten zoals de nationale stimuleringsbank Invest-NL en het geplande investeringsfonds om het toekomstige groeipotentieel van de economie te stimuleren (zie kader 4.4.1), ervoor kunnen zorgen dat de investeringen verder toenemen.
Investeringen in O&O, menselijk kapitaal, klimaat en energie kunnen helpen de productiviteitsgroei op lange termijn te stimuleren en belangrijke maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Aangezien Nederland een van de meest productieve landen ter wereld is, zullen verdere productiviteitsstijgingen waarschijnlijk het gebruik van nieuwe technologieën en innovaties vereisen. Dit onderstreept het belang van een verdere uitbreiding van investeringen in O&O (zie hieronder). In lijn hiermee is het stimuleren van technische vaardigheden en de opleiding van gekwalificeerd personeel cruciaal voor de innovatiecapaciteit en de productiviteitsgroei van de Nederlandse economie (zie punt 4.1). Bovendien zal het aanpakken van bredere maatschappelijke uitdagingen, zoals de klimaatverandering en de omschakeling op hernieuwbare energie, waarschijnlijk aanzienlijke investeringen vergen (zie punt 4.5).
4.4.2.Integratie van de interne markt en sectoraal beleid
Investeringen in O&O en innovatie
Ondanks de relatief lage uitgaven voor O&O blijft Nederland een van de meest innovatieve economieën ter wereld. In 2018 bedroeg de O&O-intensiteit 2,16 % (
), onder het nationale O&O-streefcijfer van 2,5 % in 2020 en lager dan bij andere topinnovatoren. Het aandeel particuliere O&O bedroeg 1,45 % van het bbp en percentage publieke O&O ongeveer 0,71 % van het bbp. Niettemin behoort Nederland, wat de innovatieprestaties betreft, tot de koplopers in de wereld. Nederland is een van de vier “innovatieleiders” van het Europees innovatiescorebord (Europese Commissie, 2019i), staat in het landenklassement in de top 10 op de innovatiepijler van de Global Competitiveness Index (World Economic Forum, 2019) en de Nederlandse industrie heeft een hoog aandeel van ondernemingen die actief zijn op het gebied van innovatie in vergelijking met de rest van de wereld (Europese Commissie, 2019j).
Nominale O&O investeringscijfers zijn een onderschatting van de daadwerkelijke O&O-intensiteit in Nederland. De OESO (2017b) licht de typische O&O-intensiteiten van de verschillende sectoren toe en concludeert dat de Nederlandse economie meer O&O-intensief is dan kon worden verwacht, gezien de sectorale samenstelling ervan (d.w.z. met veel diensten en relatief weinig O&O-intensieve industriële sectoren, zoals de farmaceutische sector). De O&O van vele Nederlandse multinationals vindt ook plaats in andere landen (hetgeen hun productiviteit in Nederland en elders kan stimuleren), terwijl er minder wordt geïnvesteerd door buitenlandse multinationals in O&O die in Nederland wordt uitgevoerd (Rathenau, 2019). Bovendien zijn de Nederlandse investeringen in immateriële activa relatief hoog. Dergelijke investeringen worden niet in aanmerking genomen als O&O, maar in de praktijk hebben zij vaak vergelijkbare doelstellingen en gevolgen, waaronder de verbetering van de productiviteit (Bauer e.a., 2020).
Een potentieel beleidsinstrument voor het stimuleren van investeringen in O&O kan afkomstig zijn van het nieuwe missiegedreven innovatiebeleid. Het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid is gericht op het maximaliseren van de economische prestaties van geselecteerde sectoren, hetgeen als een belangrijke prioriteit wordt beschouwd voor het versterken van het concurrentievermogen en het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen (EZK, 2018). In het algemeen is deze nieuwe beleidsaanpak bedoeld om een extra impuls te geven aan investeringen in O&O met het oog op de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen voor de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen die in vier “missies” zijn bijeengebracht: (i) energietransitie en duurzaamheid; (ii) landbouw, water en voedsel; (iii) gezondheidszorg en zorg; en iv) veiligheid.
Meer in het algemeen streeft Nederland ernaar zijn beleid op het gebied van onderzoek en innovatie te versterken door te zorgen voor voldoende investeringen in O&O om de productiviteitsgroei te ondersteunen en bredere maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. In de begroting 2020 heeft het kabinet bekendgemaakt dat een aanvullend bedrag van 400 miljoen EUR op structurele basis wordt vrijgemaakt voor fundamenteel en toegepast onderzoek. Bovendien kan het nieuwe investeringsfonds ter stimulering van de rentabiliteit van de Nederlandse economie op de lange termijn (zie kader 4.4.1) ook dienen als platform voor de uitbreiding van de investeringen in cruciale technologieën.
|
Kader 4.4.1: Uitdagingen en hervormingen op het gebied van investeringen in Nederland
Deel 1. Macro-economisch perspectief
De totale investeringen stegen tot 20,7 % van het bbp in 2018 en liggen iets boven het langetermijngemiddelde (en zijn grotendeels in lijn met het gemiddelde voor de eurozone). De stijging kan grotendeels worden verklaard door de dynamiek in de investeringen in de bouwsector: de investeringen in woningen liepen tijdens de economische recessie weliswaar sterk terug, maar de bouwsector heeft in de voorbije jaren een sterke groei gekend. Bijgevolg bevinden de totale investeringen zich nu opnieuw op het gemiddelde voor de eurozone. De bedrijfsinvesteringen/bbp-ratio bedroeg 11,1 % van het bbp, terwijl de publieke investeringen nog steeds vrij stabiel bleven op een relatief hoog niveau van 3,3 % van het bbp. In 2019 bleven investeringen van bedrijven en huishoudens (in woningen) de groei ondersteunen tegen de achtergrond van een krappe arbeidsmarkt en een solide groei van de binnenlandse vraag, lage kapitaalkosten en een hoge winstgevendheid. Tegelijkertijd hebben een toegenomen (handelsgerelateerde) onzekerheid en een zwakkere buitenlandse vraag in de loop van de zomer geleid tot zwakkere vooruitzichten voor de groei van de bedrijfsinvesteringen. In de loop van 2019 heeft een uitspraak van de Nederlandse Raad van State geleid tot onzekerheid voor investeringen in infrastructuur en huisvesting aangezien op grond van deze uitspraak geen vergunningen meer kunnen worden verleend voor bouw- en infrastructuurwerken bij toename van nitraatdepositie in de buurt van beschermde Natura 2000-gebieden. Het kabinet heeft sindsdien kortetermijnmaatregelen genomen om de negatieve impact op infrastructuur- en huisvestingsprojecten te beperken.
Deel 2. Beoordeling van investeringsbelemmeringen en lopende hervormingen
Nederland profiteert van een investeringsvriendelijke institutionele en politieke context, met erg weinig regelgeving die echt belemmerend werkt voor investeringen (Europese Commissie, 2015). Nederland geldt als "innovatieleider" (Europese Commissie 2019i) dankzij een aantrekkelijk onderzoekstelsel en een gunstig innovatieklimaat. Volgens de Wereldbank kunnen sommige sectorale regels, zoals voor het verkrijgen van een bouwvergunning, omslachtig zijn en een belemmering vormen voor investeringen in de bouwsector. Voor sommige kleine ondernemingen vormt de beschikbaarheid van financiering een investeringsbelemmerende factor. Nederland presteert redelijk goed op het vlak van publieke O&O-investeringen en heeft toegezegd een extra bedrag van 400 miljoen EUR per jaar vrij te maken voor fundamenteel en toegepast onderzoek (voor elk van beide 200 miljoen EUR). Nederland presteert evenwel nog steeds ondermaats op het vlak van particuliere O&O-investeringen, zowel ten opzichte van het EU-gemiddelde als ten opzichte van de koplopers. Het kabinet heeft opnieuw toegezegd dat er meer inspanningen zullen worden geleverd om een O&O-intensiteit van 2,5 % van het bbp te bereiken. De overheid en de particuliere sector zullen hiervoor extra investeringen moeten doen. Om investeringen te bevorderen, heeft het kabinet onlangs Invest-NL opgericht, een nationale stimuleringsinstelling met als opdracht particuliere investeringen te ondersteunen om belangrijke maatschappelijke vraagstukken aan te pakken en de toegang tot financiering voor het midden- en kleinbedrijf te vergemakkelijken. De overheid is de enige aandeelhouder en zal tot 1,7 miljard EUR in Invest-NL investeren. Invest-NL heeft aangegeven dat het een uitvoeringspartner voor InvestEU wil worden. Voorts heeft het kabinet aangegeven dat het de mogelijkheid onderzoekt om een investeringsfonds op te richten om het groeipotentieel van de Nederlandse economie op lange termijn te versterken. Nadere bepalingen over de financiële slagkracht en de doelsectoren moeten evenwel nog worden geregeld.
|
Via de vier regionale innovatiestrategieën voor “slimme specialisatie” versterkt Nederland zijn innovatie-ecosystemen dankzij geconcentreerde investeringen op basis van regionale behoeften. Deze regionale dimensie van het innovatiebeleid versterkt de samenwerking tussen bedrijven, onderzoekers en de overheid tussen sectoren en leidt tot gerichte extra investeringen op basis van specifieke regionale troeven. De vier regionale innovatiestrategieën worden geactualiseerd en geïntegreerd in het missiegedreven innovatiebeleid (zie hierboven). Dit moet hun bijdrage aan de milieuduurzaamheid verder versterken. In elke Nederlandse regio zijn prioriteiten geselecteerd die verband houden met relevante prioriteiten op het gebied van duurzaamheid, waaronder de biogebaseerde economie, schone en efficiënte energie, milieutechnologieën, duurzame landbouw, schoon water en minder gebruik van grondstoffen.
Investeringen in vervoer en infrastructuur
Nederland investeert zwaar in zijn dicht netwerk van vervoersinfrastructuur (Europese Commissie, 2019k). De overheid heeft de investeringen tussen 2018 en 2020 met ongeveer 2 miljard EUR per jaar (ongeveer 0,25 % van het bbp) opgedreven. Het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) van Nederland geeft een gedetailleerd overzicht van de investeringsplannen voor de 154 infrastructuurprojecten die momenteel gaande zijn. Het kabinet werkt ook aan het omvormen van het nationale infrastructuurfonds tot een mobiliteitsfonds, met een meer geïntegreerde aanpak van investeringen voor de verschillende vervoerswijzen (d.w.z. wegen, waterwegen, openbaar vervoer en spoorwegen). Naast de binnenlandse infrastructuur profiteert Nederland ook van investeringen in bredere Europese vervoersnetwerken, die Nederlandse zeehavens met de Europese markten verbinden. Het trans-Europees vervoersnetwerk (
) heeft betrekking op de belangrijkste verbindingen in Nederland, met inbegrip van belangrijke grensoverschrijdende spoorwegverbindingen en vele MIRT-projecten. Bovendien zorgen de technische normen van dit vervoersnetwerk voor grensoverschrijdende interoperabiliteit.
De waargenomen kwaliteit van de infrastructuur voor alle vervoerswijzen is zeer hoog. Volgens het Global Competitiveness Report 2019 van het Wereld Economisch Forum scoort Nederland zeer goed op de kwaliteit en de connectiviteit van zijn vervoersinfrastructuur, zowel in absolute termen als in internationale vergelijkingen (grafiek 4.4.2). In het algemeen is Nederland op het vlak van infrastructuur het best presterende land in de EU, en alleen in Singapore scoort mondiaal gezien hoger.
|
Grafiek 4.4.2:Kwaliteitsscore voor vervoersinfrastructuur in Nederland
|
|
|
|
Bron: World Economic Forum (2019)
|
Vertragingen als gevolg van congestie op de Nederlandse wegen liggen iets onder het Europese gemiddelde. De gemiddelde vertraging tijdens de spitsuren in Nederland bedroeg 32,1 uur in 2017, vergeleken met een EU-gemiddelde van 32,4 uur. Alleen rekening houdend met stedelijke gebieden bedroeg de gemiddelde vertraging in Nederland 37,9 uur in 2017, hetgeen lager is dan het EU-gemiddelde van 39,7 uur (
).
De congestie van het wegennet maakt een aanzienlijk deel uit van de externe kosten van vervoersactiviteiten. In een recente studie van de Europese Commissie (Schroten e.a., 2019) worden de totale externe kosten van het vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren in Nederland geraamd op 31 miljard EUR per jaar, wat overeenkomt met 4 % van het bbp. Zij omvatten externe kosten in verband met ongevallen, milieu (luchtverontreiniging, klimaatverandering, kosten in verband met energieproductie, d.w.z. de “van bron tot tank”-emissies, geluid, habitatschade) en, alleen voor het wegvervoer, congestiekosten van ongeveer 11 miljard EUR (
). De congestiekosten bedragen dus ongeveer 35 % van de totale externe kosten (
), tegenover ongeveer 29 % voor de kosten van ongevallen en ongeveer een derde van de totale milieukosten. Voor het vervoer over land bedroegen de jaarlijkse infrastructuurkosten (
) in 2016 bijna 14 miljard EUR (met inbegrip van de kosten van vaste infrastructuur). Volgens andere studies (Panteia, 2019) bedroegen de kosten voor vrachtwagens die vast komen te zitten in files 1,4 miljard EUR in 2018.
Een groot deel van deze externe kosten wordt echter van de weggebruikers teruggevorderd, terwijl voor andere vervoerswijzen de terugbetalingspercentages veel lager zijn. De internalisering van de externe en de infrastructuurkosten – bijvoorbeeld door middel van belastingen en heffingen – is belangrijk voor de sociale rechtvaardigheid en draagt bij tot de vermindering van de externe kosten. Hoewel het wegvervoer aanzienlijke kosten met zich brengt, die deels te wijten zijn aan congestie (zie hierboven), is het ook de vervoerswijze waar deze kosten het best worden verhaald op de eindgebruikers, wat erop wijst dat er in het algemeen passende stimulansen zijn om overmatig gebruik van het wegvervoer te ontmoedigen. Met uitzondering van de vaste infrastructuurkosten betalen Nederlandse weggebruikers ongeveer 98 % (passagier) en 26 % (vracht) van hun totale externe en variabele infrastructuurkosten. Bij het spoorvervoer betalen passagiers en vracht daarentegen respectievelijk 47 % en 43 % (
). De binnenvaart is de modus die het minst betaalt, namelijk slechts 3 %.
Nederland is een van de koplopers in de EU in het koolstofarm maken van zijn vervoerssector door de inzet van alternatieve brandstoffen. In het wegvervoer winnen elektrische auto’s en meer recentelijk waterstofvoertuigen terrein. Van de 175 000 openbare oplaadpunten in de EU zijn er bijvoorbeeld bijna 45 000 in Nederland (
). Nederland heeft ook het voortouw genomen om de binnenvaart koolstofvrij te maken. Voorts heeft KLM Royal Dutch Airlines toegezegd 75 000 ton duurzame luchtvaartbrandstof per jaar over een periode van 10 jaar te ontwikkelen en aan te kopen. KLM beweert dat zij de eerste luchtvaartmaatschappij ter wereld is om op deze schaal te investeren in duurzame luchtvaartbrandstof (
).
4.4.3.Institutionele kwaliteit
Bedrijfsklimaat
Nederland handhaaft een algemeen hoogwaardig ondernemingsklimaat. Het land heeft zijn scores verder verbeterd in de Global Competitiveness Index van het Wereld Economisch Forum (World Economic Forum, 2019) en staat nu op de 4e plaats van 140 landen. Nederland scoort bijzonder goed voor de ondernemingsdynamiek en de kwaliteit van de infrastructuur. Nederland presteert zeer goed als het gaat om maatregelen voor ondernemerschap en het scheppen van de voorwaarden voor de groei van ondernemingen (Europese Commissie, 2019l, Flachenecker e.a., 2020).
Toezicht op en handhaving van de interne markt
Markttoezicht op de interne markt voor goederen is essentieel voor de bescherming van de consument en voor een gelijk speelveld voor bedrijven. Controles aan de buitengrenzen bieden een unieke gelegenheid om onveilige en niet-conforme producten vóór de distributie op de EU-markt tegen te houden. Als de grootste haven van de EU is de haven van Rotterdam goed voor 10 % van de in de EU ingevoerde goederen, wat betekent dat Nederland op dit gebied een belangrijke verantwoordelijkheid draagt.
Het blijkt dat de algemene handhaving van de regels van de interne markt in Nederland verslechtert. In 2019 liepen de vertragingen bij de omzetting van richtlijnen en de uitvoering van de arresten van het Hof van Justitie verder op. Extra inspanningen om te zorgen voor de volledige omzetting van deze regels en de beëindiging van inbreukprocedures zouden bijdragen tot een toename van zowel de grensoverschrijdende handel als de reële inkomens (
).
Regulering van diensten
De stad Amsterdam heeft strenge beperkingen ingevoerd voor de kortetermijnverhuur van accommodatie. Hierdoor worden de mogelijkheden voor inwoners om hun huizen af en toe te verhuren via deeleconomieplatforms zoals Airbnb, aanzienlijk beperkt. Zonder maatregelen voor het beheer van grote aantallen toeristen die andere vormen van accommodatie gebruiken, is het onwaarschijnlijk dat beperkingen op de deeleconomie geschikt zullen zijn om de problemen aan te pakken die het gevolg zijn van de snelle groei van de toeristische sector (Barron e.a.., 2019; Garcia-López e.a., 2019; Bivens e.a., 2019; Cocola-Gant e.a., 2019).
Nederland is - met een aanzienlijke vertraging - voornemens de veiling te organiseren voor de 3,6 GHz-band, de primaire pionier voor 5G-gebruik in de Unie (
). Hierdoor zal de uitrol van 5G, de standaard voor mobiele communicatie van de volgende generatie, vertraging oplopen. Dit betekent dat de eindgebruikers in Nederland langer zullen moeten wachten op een betrouwbare gigabitsnelheid voor hun tablets en smartphones. Daarnaast zal de economische groei van de industrie worden afgeremd aangezien diensten zoals zelfsturend rijden, e-gezondheid of industriële automatisering niet op dezelfde schaal kunnen worden uitgerold als in andere lidstaten.
Overheidsopdrachten
Het systeem voor het plaatsen van overheidsopdrachten functioneert in het algemeen goed, maar de autoriteiten kunnen verbeteringen aanbrengen op het gebied van transparantie en verantwoording. Een meer concurrerende aanbesteding van overheidsopdrachten, die neerkomen op ongeveer 14 % van het bbp, zou kunnen leiden tot lagere prijzen, een hogere kwaliteit, een grotere deelname van kleinere ondernemingen en/of meer buitenlandse concurrentie bij aanbestedingen. Hoewel het publicatiepercentage van openbare aanbestedingen (
) is gestegen, blijft het onder het EU-gemiddelde. In 2017 bedroeg het 2,5 % van het bbp (tegenover 1,9 % van het bbp in 2015), tegenover een EU-gemiddelde van 4,1 %. De kwaliteit van de gepubliceerde gegevens is over het algemeen niet erg hoog. Zo staan de aanbestedende diensten huiverig tegenover opname van de waarde van de opdrachten in de aankondiging van een gegunde opdracht. Het opdrachtenregister omvat de informatie die momenteel beschikbaar is (aankondigingen van opdrachten en meldingen van geplaatste opdrachten). De uitbreiding van dat register tot andere aspecten (bv. opdrachtvoltooiing, betalingsregister) zou in grote mate bijdragen tot de verbetering van de transparantie en de verantwoording van overheidsopdrachten.
Bedrijven zijn van mening dat de rechtsbescherming bij overheidsopdrachten niet doeltreffend werkt. De meeste bedrijven doen geen beroep op rechtsmiddelen omdat de procedures als omslachtig worden beschouwd en niet de gewenste resultaten opleveren (EZK, [2019b]; VHG, 2019). Nederland heeft een onderzoek naar het systeem van rechtsbescherming gevoerd (van Schelde et al., 2019). De pijnpunten die als problematisch aan de orde zijn gesteld, zijn onder meer de beperkte toetsingsmaatstaf, de beperkte mogelijkheid om klachten in te dienen in verschillende fasen van aanbestedingsprocedures en de behoefte aan een duidelijkere rol van de Commissie van aanbestedingsdeskundigen. Op basis van het onderzoek heeft het ministerie van Economische Zaken een plan aangekondigd om het systeem van rechtsmiddelen (EZK, [2019b]) te hervormen.
Samenwerking tussen overheidsinkopers kan zorgen voor grotere deskundigheid op het gebied van overheidsopdrachten. In februari 2018 heeft het ministerie van Economische Zaken een Actieagenda Beter Aanbesteden gepubliceerd, die moet zorgen voor een grotere deskundigheid op het gebied van overheidsopdrachten bij gemeenten en overheidsentiteiten, onder meer door een betere samenwerking tussen overheidsinkopers. In 2018 was bij slechts 4 % van de procedures meer dan één koper betrokken, een van de laagste niveaus in de EU.
Met een ambitieuze digitaliseringsstrategie voor overheidsopdrachten kunnen de procedures worden vereenvoudigd, wat goed zou zijn voor inkopers en leveranciers. De elektronische aanbestedingsdiensten in Nederland worden aan aanbestedende autoriteiten verleend door de markt samen met het TenderNed-systeem van de overheid. Er is echter nog geen plan om de nationale databases met elkaar te verbinden om de toepassing van het eenmaligheidsbeginsel te faciliteren. Met name het Uniform Europees Aanbestedingsdocument - een standaardformulier voor de eigen verklaring dat geldig is in alle EU-landen - is niet gekoppeld aan de nationale databases. De Nederlandse autoriteiten voeren aan dat de nationale regelgeving hiervoor geen ruimte biedt.
Nederland is een van de koplopers in de EU met betrekking tot groene overheidsopdrachten. Nederland heeft een nationaal streefdoel om de jaarlijkse CO2-uitstoot van openbare aanbestedingen tegen 2021 met meer dan 1 miljoen ton te verminderen. Circulair inkopen is ook onderdeel van de Green Deal "Duurzame zorg voor een gezonde toekomst", die door 132 partijen is ondertekend en onder andere streeft naar het verlagen van broeikasgasemissies en het gebruik van hulpbronnen.
4.5.
Ecologische duurzaamheid
Aanpak van klimaatverandering
In 2019 heeft Nederland een nationaal klimaatakkoord en een klimaatwet vastgesteld, die voorzien in emissiereducties die de EU-doelstellingen overtreffen (
). De klimaatwet voorziet in een beleidskader om de interne broeikasgasemissies tegen 2050 met 95 % te verminderen ten opzichte van 1990, met een tussentijdse reductiedoelstelling van 49 % tegen 2030, waarmee de huidige EU-doelstellingen worden overschreden (zie kader 4.5.1). Het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving zal toezicht houden op de uitvoering (Schoots en Hammingh, 2019). De klimaatwet is een verdere stap voorwaarts bij de verwezenlijking van duurzameontwikkelingsdoelstelling (SDG) 13 met betrekking tot klimaatactie.
In het klimaatakkoord worden alle maatregelen en sectorale doelstellingen beschreven om de broeikasgasdoelstelling op een kosteneffectieve en maatschappelijk aanvaardbare wijze te bereiken (EZK, 2019c). Maatregelen op korte termijn omvatten: i) een verschuiving van de energieheffingen van elektriciteit naar aardgas; ii) een verschuiving van huishoudens naar bedrijven voor de financiering van investeringen in duurzame energie (Opslag Duurzame Energie); iii) de invoering van een geplande CO2-belasting en subsidieregeling voor de industrie tegen 2021; en iv) diverse wijzigingen in de belastingen en subsidies in de automobielsector. De omvang en reikwijdte van de belangrijkste subsidie voor de uitrol van duurzame energie-initiatieven wordt ook uitgebreid (Stimuleringsregeling duurzame energietransitie en Investeringssubsidie duurzame energie). Maatregelen op langere termijn omvatten de sluiting van alle steenkoolcentrales vóór 2030. Voorts moeten anderhalf miljoen woningen tegen 2030 van het gas af en moeten nieuwe auto’s tegen 2030 emissieloze voertuigen zijn. Uit evaluaties (
) blijkt dat de energiesector en de industrie de grootste producenten van broeikasgasemissies zijn (grafiek 4.5.1), met het grootste potentieel voor emissiereductie (Schoots en Hemming, 2019). De uitstoot van broeikasgassen in de energie en -transportsector lag in 2018 eigenlijk hoger dan in 1990 (
). De bijdragen van de gebouwde omgeving en de landbouw liggen dichter bij hun doelstellingen en zijn al aanzienlijk lager dan in 1990.
|
Grafiek 4.5.1:Broeikasgasemissies uitgesplitst per sector
|
|
|
|
Bron: CBS
|
Op basis van het huidige beleid verwacht het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving dat de broeikasgasemissies tegen 2030 met 43-48 % zullen dalen (Hekkenberg en Notenboom, 2019). Dit is meer dan het huidige EU-streefcijfer voor 2030 van 40 %, maar blijft iets onder het nationale streefcijfer van 49 %. Daarom zouden enkele aanvullende beleidsmaatregelen nodig zijn om deze doelstelling voor 2030 te halen.
De budgettaire gevolgen van de beleidsplannen in het kader van het klimaatakkoord lijken in hun totaliteit bescheiden. Volgens een analyse van het Centraal Planbureau (CPB) zullen de overheidsuitgaven voor het klimaat- en energiebeleid tegen 2030 met 3,9 miljard EUR (ongeveer 0,5 % van het huidige bbp) stijgen, terwijl de belastingdruk met ongeveer 4,5 miljard EUR (ook ongeveer 0,5 % van het bbp) (CPB, 2019d) zal toenemen. Ongeveer 60 % van deze extra belastingdruk komt voor rekening van het bedrijfsleven, terwijl de resterende 40 % wordt gedragen door de huishoudens. Verwacht wordt dat het klimaatakkoord het beschikbare inkomen van de huishoudens in beperkte mate zal afremmen, waarbij de negatieve invloed cumulatief genomen zou neerkomen op 1 % in 2030 (
).
Hoewel er transitie-effecten zullen spelen, zal de algemene impact op de werkgelegenheid op de lange termijn naar verwachting ook marginaal zijn (CPB, 2019d). De transitie zal gevolgen hebben voor bepaalde bedrijfsmodellen en de arbeidsmarkt, met name door een verschuiving van de werkgelegenheid naar opkomende sectoren zoals hernieuwbare energie. In dergelijke sectoren is de vraag naar technische vaardigheden groot en specifiek, hetgeen omscholing en bijscholing vereist (Europese Commissie, 2019h; Eurofound, 2019). Hoewel macro-economische prognoses over langere periodes met de nodige omzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, wordt in de analyse van het CPB voorgesteld dat een aanzienlijke reductie van broeikasgasemissies kan worden bereikt met een beperkt neerwaarts risico voor de algehele economische groei.
De klimaatverandering zal de reeds aanzienlijke problemen op het gebied van waterbeheer nog versterken, waardoor verdere investeringen nodig zullen zijn om de infrastructuur aan te passen aan de klimaatverandering. 26 % van de landoppervlakte van Nederland ligt onder de zeespiegel en 59 % is in hoge mate overstromingsgevoelig. De klimaatverandering zorgt voor een stijging van de zeespiegel, een hogere seizoensgebonden waterafvoer door de rivierdelta en vaker voorkomende extreme weersomstandigheden, waardoor de situatie op het gebied van waterbeheer geleidelijk aan verder zal verslechteren. Hoewel Nederland reeds over zeer geavanceerde aanpassingsinfrastructuur tegen overstromingsrisico’s beschikt, vereisen de verwachte gevolgen van de klimaatverandering verdere investeringen in bijvoorbeeld waterretentie- en waterafvoercapaciteit en dijkbescherming (
). Het Nederlandse Deltaprogramma en Deltafonds hebben betrekking op deze kwesties. Zo heeft het recente programma Ruimte voor de rivier (met een investering ten belope van 2,3 miljard EUR) het mogelijk gemaakt om hogere waterstanden en waterafvoervolumes langs grote rivieren te beheren. De Afsluitdijk wordt momenteel heraangelegd en gemoderniseerd, met financiering van de Europese Investeringsbank. In totaal zal 17,9 miljard EUR beschikbaar zijn in het Deltafonds voor 2020-2033, waardoor jaarlijks een budget van 1,3 miljard EUR (0,2 % van het bbp) (IenW, 2019) wordt vrijgemaakt.
Om de klimaatdoelstellingen te verwezenlijken en een duurzamere en hulpbronnenefficiëntere economie tot stand te brengen, zijn aanzienlijke investeringen nodig, onder meer op het gebied van O&O. Naast aanzienlijke investeringen in de energiesector (zie hierna) voorziet het klimaatakkoord in toekomstgericht onderzoek en innovatie als noodzakelijke stimulans voor het halen van de emissiereductiedoelstellingen op lange termijn. Het nieuwe missiegedreven innovatiebeleid (zie punt 4.4.2) ondersteunt een agenda voor onderzoek op het gebied van klimaat en energie, waarbij gebruik wordt gemaakt van publieke O&O-investeringen en particuliere middelen. Het doel is om eco-innovatie en nieuwe technologieën als hefboom te gebruiken om de kosten van ecologische verbeteringen te verlagen en een concurrerende, maar duurzame bedrijfsontwikkeling te bevorderen.
De clusterstructuur van energie-intensieve industrieën biedt specifieke mogelijkheden voor het terugdringen van koolstofemissies en het ontwikkelen van alternatieve duurzame economische activiteiten. Energie-opwekking, de chemische industrie en de productie van basismetalen zijn geclusterd in regionale waardeketens, grotendeels in vijf regio’s (
) die ook de meest koolstofintensieve regio’s zijn. Synergieën tussen sectoren en ondernemingen in deze clusters bieden goede vooruitzichten voor innovatie om de CO2-uitstoot te verminderen en alternatieve duurzame economische activiteiten te ontwikkelen, zoals de productie van schone waterstof of de recycling en het hergebruik van materialen. Met een regionale benadering die zorgt voor eigen inbreng, gedeelde kennisontwikkeling en coördinatie, kan dit potentieel worden benut en de arbeidsmarkt dienovereenkomstig worden aangepast (Weterings e.a., 2018).
|
Kader 4.5.1: Klimaatbeleid: naar koolstofneutraliteit
De Nederlandse klimaatwet voorziet in een planningsproces op de lange termijn waarbij ernaar wordt gestreefd in 2050 een economie met een zeer lage CO2-uitstoot tot stand te brengen. In juli 2019 heeft Nederland zijn nationale klimaatwet vastgesteld. De klimaatwet voorziet in een beleidskader om de binnenlandse uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 te verlagen met 95 % vergeleken met het niveau van 1990, met een tussentijdse beleidsdoelstelling van een vermindering met 49 % tegen 2030. Hiertoe wordt in de wet voorgeschreven dat om de vijf jaar een nationaal klimaatplan moet worden opgesteld, waarbij het eerste plan dat toegespitst is op de periode 2021-2020 in 2019 is bekendgemaakt. Het Nederlandse Planbureau voor de Leefomgeving zal jaarlijkse prognoses opstellen voor het terugdringen van koolstofemissies om te beoordelen of het kabinet op koers ligt om zijn doelstelling te halen. De eerste prognose is in het najaar 2019 bekendgemaakt, waarbij het Planbureau voor de Leefomgeving concludeerde dat de huidige beleidsmix weliswaar ambitieus is, maar toch licht achterblijft bij de 49 %-doelstelling, met een geraamde vermindering van 43-48 % tegen 2030 (
VI
).
Nederland heeft ook een diepgaand overleg met alle betrokken partijen georganiseerd met het oog op de ontwikkeling van het toekomstige Nederlandse klimaatbeleid in het nationaal klimaatakkoord. In oktober 2017 heeft het kabinet Rutte III unilateraal de doelstelling vastgesteld om de broeikasgasemissies in 2030 met 49 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. In 2018 hebben meer dan 150 belanghebbende partijen en overheidsinstanties samengewerkt om een ontwerpklimaatakkoord op te stellen dat zowel kosteneffectief als maatschappelijk aanvaardbaar is. De doelstelling van het overleg was om uit te maken op welke wijze de politieke doelstelling kon worden verwezenlijkt. Indicatieve emissiereductiedoelstellingen werden vastgesteld per sector, op basis van de berekeningen door het Planbureau voor de Leefomgeving van de meest kosteneffectieve transitietrajecten in alle sectoren. In sectorale werkgroepen werden mogelijke maatregelen voor de bouw-, vervoer-, energie-, industrie- en landsector, met inbegrip van landbouw en bosbouw, besproken. Aanzienlijke reducties werden verwacht tegen 2030 dankzij de overschakeling van kolen naar hernieuwbare elektriciteit en een combinatie van een nationale CO2-heffing en subsidies om projecten voor emissiereductie in de industrie te bevorderen. Voorts zijn er verscheidene maatregelen waarmee ondersteuning wordt geboden aan de elektrificatie van het vervoer, energie-efficiëntie in woningen en de grondige renovatie van buurten met als doel de uitfasering van het gebruik van aardgas tegen 2050 in de gebouwde omgeving. Een essentieel aspect van het klimaatakkoord is gekoppeld aan de regionale energiestrategieën. Deze strategieën zullen worden ontwikkeld door lokale besturen en belangengroepen en zullen projecten bevatten die lokaal worden ondersteund op het vlak van hernieuwbare elektriciteit, verwarming voor de gebouwde omgeving, en lokale behoeften op het vlak van infrastructuur.
In het nationale klimaatakkoord is een samenhangend geheel van beleidsmaatregelen opgenomen om koolstofemissies terug te dringen, met de brede steun van belanghebbenden in de gehele Nederlandse samenleving. Vanwege het hoge ambitieniveau van het klimaatakkoord hebben het ontwerpakkoord van 2018 en de effectbeoordeling van dit akkoord door het Planbureau voor de Leefomgeving begin 2019 dan ook aanleiding gegeven tot een levendig en kritisch openbaar debat. In dit debat ging het met name over de verdeling van de kosten tussen gezinnen en industrie en over de gevolgen in het dagelijkse leven van burgers met betrekking tot hun woning of wagen. Het uiteindelijke klimaatakkoord (
VII
) werd in juni 2019 voorgesteld, met een voorlopige analyse van het akkoord(
VIII
) in samenhang met de Nederlandse Klimaat- en Energieverkenning (
IX
), die begin november 2019 zijn gepubliceerd. Het klimaatakkoord vormt de basis voor het nationale klimaatplan dat is voorgeschreven door de klimaatwet en het nationale energie- en klimaatplan, Na een openbare raadpleging en overleg met de buurlanden zijn beide plannen op 25 november ter goedkeuring bij de Tweede Kamer ingediend. Nederland heeft als eerste EU-lidstaat zijn nationaal energie- en klimaatplan ingediend bij de Europese Commissie .
|
Energie-efficiëntie & hernieuwbare energie
Nederland zal waarschijnlijk zijn streefcijfer voor besparingen op het eindverbruik van energie voor de periode 2014-2020 behalen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (Schoots en Hemming, 2019) schat dat tegen 2020 het eindenergieverbruik 49,9 Mtoe zal zijn, beter dan de doelstelling van 52,2 Mtoe. Het streefcijfer voor het primaire energieverbruik van 60,7 Mtoe in 2020 zal hoogstwaarschijnlijk niet worden gehaald (de raming van het agentschap voor 2020 bedraagt 62,1 Mtoe). In zijn nationaal energie- en klimaatplan streeft Nederland naar een extra besparing van 12 % op het eindenergieverbruik (tot 43,9 Mtoe in 2030, exclusief niet-energetisch gebruik) en een besparing van 25 % op het primaire energieverbruik (tot 46,6 Mtoe in 2030) (EZK, [2019c]). Zonder verdere maatregelen zal het streefcijfer voor 2030 voor primair energieverbruik volgens het agentschap niet worden gehaald.
Er zijn ook aanvullende maatregelen nodig om de nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie voor 2020 te halen. De energiewet (2013) bevatte de EU-doelstelling om tegen 2020 het aandeel van hernieuwbare energie in het totale energieverbruik opvoeren tot 14 %. In 2018 was slechts 7,4 % van de energieproductie hernieuwbaar en de doelstelling voor 2020 zal naar verwachting niet worden gehaald. Het kabinet heeft extra maatregelen aangekondigd, waaronder een verhoogd budget voor zijn twee belangrijkste steunregelingen (SDE+ en ISDE) en een analyse van het gebruik van statistische overdrachten om de resterende kloof te dichten. Voor de periode na 2020 moet het aandeel van het verbruik van hernieuwbare energie volgens de klimaatwet (vanaf 2019 zijn alle maatregelen van de energiewet hierin opgenomen) stijgen tot 16 % in 2023 en tot ten minste 25 % in 2030.
Biomassa blijft de belangrijkste bron van hernieuwbare energie, hoewel het aandeel van windenergie toeneemt. Het grootste aandeel van hernieuwbare energie is afkomstig van biomassa. Het gebruik van biomassa draagt echter alleen bij aan broeikasgasemissiereductie wanneer deze op een duurzame en efficiënte manier wordt geproduceerd, verwerkt en gebruikt. Andere soorten hernieuwbare energie, gebaseerd op water, wind en zon, worden steeds belangrijker (grafiek 4.5.2) en moeten tegen 2030 voorzien in een extra productie van 35TWh. Voortzetting van overheidssteun en een daling van de kosten van offshore windparken zullen de productie van hernieuwbare energie doen toenemen, waarbij vóór 2030 een door windmolenparken in de Noordzee gegeneerde productie wordt gepland van 49 TWh.
Het kabinet streeft ernaar het aandeel van het verbruik van hernieuwbare energie in elektriciteit, verwarming en vervoer te verhogen. Het aandeel hernieuwbare energie voor verwarming zal naar verwachting verdubbelen van 6 % in 2017 tot 13 % in 2030, deels dankzij een toename van het gebruik van hernieuwbare energie in stadsverwarmingssystemen. Aardgas is momenteel goed voor de verwarming van 95 % van alle gebouwen. Met het klimaatakkoord wil Nederland tegen 2030 ten minste 1,5 miljoen gebouwen van het gas af door aardgas te verbieden in alle nieuwe gebouwen. Het aandeel van hernieuwbare elektriciteit zal naar verwachting stijgen van 15 % in 2018 tot meer dan 67 % in 2030. Nederland is een van de koplopers in de EU in het koolstofarm maken van zijn vervoersector (zie punt 4.4.2). Nederland heeft het aandeel hernieuwbare energie in de vervoersector aanzienlijk verhoogd van 6 % in 2017 tot 9,6 % in 2018, hetgeen boven het Europees gemiddelde van 8 % ligt. De groei wordt tot stand gebracht door de verhoging van de nationale bijmengverplichting tot 8,5 %, door de uitbreiding van het toepassingsgebied van de verplichting naar landbouw- en bosbouwvoertuigen en door een substreefcijfer voor geavanceerde biobrandstoffen. Het Nederlandse kabinet heeft momenteel nog geen sectorale doelstelling voor hernieuwbare energie in de vervoersector vastgesteld, maar in haar nationale missiegedreven innovatieprogramma is een doelstelling van 33 % voor hernieuwbare energie tegen 2030 opgenomen .
|
Grafiek 4.5.2:Gebruik van hernieuwbare energie per bron
|
|
|
|
Bron: CBS
|
Met de transitie naar hernieuwbare energie zal het gebruik van aardgas en kolen voor de opwekking van energie en warmte nog verder dalen. De vijf resterende steenkoolcentrales (goed voor 26 % van de elektriciteitsproductie in 2017) zullen tegen 2030 geleidelijk worden uitgefaseerd. Iets meer dan 900 mensen zijn werkzaam in deze steenkoolcentrales, met daarnaast nog bijna 4 000 indirecte banen. De aardgaswinning in Groningen – het belangrijkste winningsgebied – loopt af in 2022. In 2017 waren in de aardgaswinningssector 3 250 mensen werkzaam, waarvan 1 660 in de winningsgebieden in Noord-Nederland. De energietransitie heeft met name gevolgen voor de provincie Groningen, waar de neergang van de gasindustrie gepaard gaat met uitdagingen op het gebied van emissiereductie in de industrie, met inbegrip van de uitfasering van de energieproductie uit steenkool. Het Nationaal Programma voor Groningen (
) biedt een kader voor investeringen in economische ontwikkeling, werkgelegenheid, milieu, duurzaamheid en klimaatverandering en wil in het bijzonder een impuls geven aan de energietransitie. Als startkapitaal stelde het Nederlandse kabinet een bedrag van 1,15 miljard EUR ter beschikking van het programma. Het Fonds voor een rechtvaardige transitie is opgezet om ervoor te zorgen dat de transitie naar klimaatneutraliteit in de EU billijk verloopt door steunverlening aan de meest getroffen regio’s om het hoofd te bieden aan de sociale en economische gevolgen en kan dus bijdragen aan de aanpak van het probleem in deze provincie.
Verwacht wordt dat de investeringen in hernieuwbare energie en netwerken de komende tien jaar aanzienlijk zullen toenemen. De investeringen in de energiesector als geheel zullen naar verwachting stijgen van ongeveer 11,6 miljard EUR in 2017 tot 15,6 miljard EUR in 2030 (Schoots en Hemming, 2019). Hierbij zullen de investeringen in conventionele energiebronnen zich stabiliseren rond 2 miljard EUR per jaar. De investeringen in energie-efficiëntie stegen van 2,5 miljard EUR in 2010 tot 4,1 miljard EUR in 2017, en zullen verder oplopen tot 5 miljard EUR in 2030. De investeringen in hernieuwbare energie en netwerken zullen naar verwachting toenemen van 5,5 miljard EUR in 2017 tot 9,5 miljard EUR in 2030. De meest recente maatregelen in het kader van het klimaatakkoord zullen tussen 2019 en 2030 leiden tot extra investeringen ten belope van 19 tot 31 miljard EUR.
Er zijn echter nog aanzienlijke investeringen nodig op het gebied van energie-infrastructuur, die in het klimaatakkoord niet duidelijk zijn gespecificeerd. In sommige gevallen veroorzaken hiaten in de infrastructuur reeds vertragingen bij de uitvoering van projecten op het gebied van hernieuwbare energie, aangezien sommige projecten vanwege capaciteitsbeperkingen in 2019 niet op het net konden worden aangesloten. Capaciteitsbeperkingen zijn ook een rem op verdere investeringen in datacentra, met een bouwstop waarbij een aantal steden hebben besloten voorlopig geen nieuwe vergunningen te verlenen. Evenzo vereisen voorstellen voor stadsverwarming en gasvrije gebouwen nieuwe infrastructuur. De netwerkexploitanten voeren werkzaamheden uit (Gasunie en Tenet, 2019) om een voor energiedragers geoptimaliseerd netwerk te ontwerpen waarmee kan worden ingespeeld op de behoeften van een koolstofvrije economie. In dit verband wil Nederland een speciaal waterstofnetwerk bouwen om industriële clusters met elkaar te verbinden. Hoe dergelijke plannen zich vertalen in specifieke infrastructuurinvesteringen voor verwarming, elektriciteit, waterstof of CO2-netwerken, moet evenwel nog worden verduidelijkt.
Circulaire economie
Nederland heeft de hoogste hulpbronnenproductiviteit in de EU (
). In 2016 bedroeg het circulaire (secundaire) gebruik van materialen 29 %, een opmerkelijk aandeel in vergelijking met het EU-28-gemiddelde van 11,7 % (
). Zowel de samenleving als de overheid staat duidelijk achter initiatieven voor de circulaire economie en milieubescherming.
Toch blijven er nog een aantal problemen, met name op het gebied van afvalbeheer. De geproduceerde hoeveelheid stedelijk afval per persoon in Nederland bedraagt 511 kg, hoger dan het EU-gemiddelde van 489 kg (2017), hoewel er een neerwaartse trend is. Er is ruimte om de naleving van de recyclingdoelstellingen voor de periode na 2020 te verbeteren, met name wat betreft het aanhoudend hoge niveau van de verbranding van stedelijk afval (44 % in 2017). De totale afvalproductie, exclusief groot mineraal afval, lag in 2016 met 40 % boven het EU-gemiddelde. De productie van gevaarlijk afval neemt in Nederland toe en is sinds 2004 verdubbeld, waarmee Nederland de 7e plaats bekleedt in de EU.
Sectorspecifieke synergieën en wisselwerkingen
Ecologische duurzaamheid zet alle economische sectoren ertoe aan passende maatregelen te nemen De maatregelen op het gebied van de overheidsfinanciën zijn erop gericht een groene belastingmix in Nederland te ondersteunen (zie punt 4.1). De landbouw-, huisvesting-, infrastructuur- en vervoersector moeten zich aanpassen aan de herevaluatie van het Nederlandse beleid ten aanzien van stikstof door betere keuzes te maken met betrekking tot voor het milieu schadelijke emissies (zie kader 1.1). De banksector houdt in zijn beslissingen op het vlak van risicobeheer en toewijzing van kapitaal steeds meer rekening met ecologische duurzaamheid (zie punt 4.2). Ook al wordt met extra infrastructuurwerken ernaar gestreefd de verkeerscongestie te verminderen en loopt Nederland voorop bij het koolstofvrij maken van de vervoersector, toch blijft duurzame mobiliteit een uitdaging, met aanzienlijke economische, sociale en milieukosten (zie punt 4.4.2).
Bijlage A
Overzichtstabel
|
Toezeggingen
|
Samenvattende beoordeling (
)
|
|
Landspecifieke aanbevelingen (LSA's) van 2019
|
|
LSA 1: De bevoordeling van schulden door huishoudens en de verstoringen op de woningmarkt terugdringen, onder meer door de ontwikkeling van de particuliere huursector te bevorderen. Ervoor zorgen dat de tweede pijler van het pensioenstelsel transparanter, intergenerationeel eerlijker en schokbestendiger wordt. Beleid uitvoeren om het besteedbare inkomen van huishoudens te verhogen, onder meer door de voorwaarden ter ondersteuning van loongroei te versterken, met inachtneming van de rol van de sociale partners. Kenmerken van het belastingstelsel aanpakken die agressieve fiscale planning, vooral door middel van uitgaande betalingen, in de hand kunnen werken, met name door uitvoering van de aangekondigde maatregelen.
|
Nederland heeft enige vooruitgang geboekt bij het aanpakken van LSA 1
|
|
De bevoordeling van schulden door huishoudens en de verstoringen op de woningmarkt terugdringen, onder meer door de ontwikkeling van de particuliere huursector te bevorderen.
|
Enige vooruitgang. De versnelde afbouw van het toepasselijke tarief van de hypotheekrenteaftrek wordt vanaf 2020 uitgevoerd, namelijk met 3 procentpunten per jaar tot 37 % in 2023. Hoewel deze maatregel helpt om huishoudens ervan te weerhouden zich in de schulden te steken, blijft de subsidie voor schuldgefinancierd eigenwoningbezit substantieel. De Nederlandse autoriteiten hebben in september 2019 een pakket aan woningmarktmaatregelen aangekondigd, in de eerste plaats om de bouw aan te jagen, waaronder in de particuliere huursector. De effecten daarvan blijven echter onzeker.
|
|
Ervoor zorgen dat de tweede pijler van het pensioenstelsel transparanter, intergenerationeel eerlijker en schokbestendiger wordt.
|
Enige vooruitgang. De sociale partners en het kabinet hebben in juni 2019 een principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel bereikt. Het algemene doel van het akkoord is het aanpakken van de kwetsbaarheden in het pensioenstelsel (zoals de zwakke intergenerationele billijkheid (ten gevolge van de doorsneesystematiek) en het gebrek aan transparantie), terwijl de sterke punten worden behouden: verplichte pensioenopbouw, collectieve uitvoering, collectieve risicodeling en fiscale ondersteuning. Het akkoord is veelbelovend en pakt belangrijke verstoringen in de tweede pijler aan (d.w.z. het neemt de structurele intergenerationele overdrachten weg die zich voordoen in de doorsneesystematiek en vermindert het procyclische effect van het stelsel (aangezien marktschokken niet langer gevolgen voor de uitkeringen zouden mogen hebben), en tegelijkertijd zal het stelsel beter kunnen inspelen op een flexibel carrièreverloop). De uitvoering van enkele belangrijke elementen is echter nog aan de gang. Sommige wetgevingsmaatregelen zijn al genomen, maar het volledige wetgevende proces zal naar verwachting tot begin 2021 duren, waarna het nieuwe kader vanaf 2022 geleidelijk wordt ingefaseerd.
|
|
Beleid uitvoeren om het besteedbare inkomen van huishoudens te verhogen, onder meer door de voorwaarden ter ondersteuning van loongroei te versterken, met inachtneming van de rol van de sociale partners.
|
Enige vooruitgang. De loongroei trekt aan maar is de laatste jaren in reële termen gematigd gebleven. De loongroei zal in 2020 echter naar verwachting aantrekken met een verdere verkrapping van de arbeidsmarkt. De cao-lonen stegen gemiddeld met 2,6 % in 2019, de snelste stijging in 10 jaar. Daarnaast heeft het kabinet fiscale maatregelen voor 2020 genomen, waaronder een verhoging van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, om het besteedbare inkomen van huishoudens te stimuleren.
|
|
Kenmerken van het belastingstelsel aanpakken die agressieve fiscale planning, vooral door middel van uitgaande betalingen, in de hand kunnen werken, met name door uitvoering van de aangekondigde maatregelen.
|
Enige vooruitgang. Er was enige vooruitgang met de landspecifieke aanbeveling om agressieve fiscale planning aan te pakken. Nederland heeft een voorwaardelijke bronbelasting op royalty- en rentebetalingen ingevoerd, die in januari 2021 in werking zal treden. Hoe doeltreffend die bronbelasting is voor het aanpakken van agressieve fiscale planning, moet echter nog worden afgewacht.
|
|
LSA 2: De prikkels voor zelfstandigen zonder personeel verminderen en adequate sociale bescherming voor zelfstandigen bevorderen, en schijnzelfstandigheid aanpakken. Een leven lang leren versterken en vaardigheden verbeteren, met name voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt en inactieven,
|
Nederland heeft beperkte vooruitgang geboekt bij het aanpakken van LSA 2
|
|
De prikkels voor zelfstandigen zonder personeel verminderen en adequate sociale bescherming voor zelfstandigen bevorderen.
|
Beperkte vooruitgang. Om de prikkels voor de inhuur van zelfstandigen te verminderen, heeft het kabinet zijn voornemen aangekondigd om een generiek minimumuurtarief van 16 EUR in te voeren voor alle zelfstandigen zonder personeel die diensten verrichten voor zakelijke en particuliere opdrachtgevers, in combinatie met een opt-out van loonheffingen en werknemersverzekeringen, alsook van een deel van het arbeidsrecht, cao's en pensioenverplichtingen voor zelfstandigen die een uurtarief van minimaal 75 EUR in rekening brengen. Op 28 oktober 2019 zijn de respectieve wetsvoorstellen tot uitvoering hiervan in internetconsultatie gegaan; het is de bedoeling dat deze tegen 1 januari 2021 wet worden. Het kabinet zal naar verwachting in 2020 de definitieve wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer indienen. Het kabinet heeft ook zijn voornemen aangekondigd de zelfstandigenaftrek geleidelijk te verlagen en de socialezekerheidsdekking voor zelfstandigen te verbeteren. De aftrek zal tot 2028 met 250 EUR per jaar worden verlaagd (het maximaal aftrekbare bedrag zal dan 5 000 EUR bedragen). Met betrekking tot mogelijke socialezekerheidsdekking voor ziekte/arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen hebben het kabinet en de sociale partners in het kader van het principeakkoord over de vernieuwing van het pensioenstelsel van 5 juni 2019 besloten om een wettelijke verzekeringsplicht tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico voor zelfstandigen in te voeren. In de Stichting van de Arbeid lopen in overleg met vertegenwoordigers van zelfstandigenorganisaties besprekingen over de manier waarop dit akkoord moet worden uitgevoerd. Begin 2020 wordt een concreet voorstel verwacht en het kabinet is voornemens vóór de zomer van 2020 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in te dienen. Momenteel worden ook de mogelijkheden onderzocht om de pensioendekking voor zelfstandigen op vrijwillige basis te verhogen; de resultaten van die beoordeling worden vóór de zomer van 2020 verwacht.
|
|
en schijnzelfstandigheid aanpakken.
|
Beperkte vooruitgang. De opschorting van de handhaving van de maatregelen tegen schijnzelfstandigheid, die initieel tot 2020 zou duren, is verder verlengd tot 2021. Het criterium “onder leiding en toezicht” (“gezagsverhouding”) is niettemin sinds 1 januari 2019 verduidelijkt, en daarnaast is een ontwerpvragenlijst opgesteld met het oog op de implementatie van een webmodule om de arbeidsrelatie van zelfstandigen te kwalificeren, met name wanneer er geen sprake is van een dienstbetrekking. Verdere informatie over de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van de webmodule zelf zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2020 worden verstrekt.
|
|
Een leven lang leren versterken en vaardigheden verbeteren, met name voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt en inactieven.
|
Enige vooruitgang. Het Nederlandse kabinet heeft in oktober 2018 een nieuwe strategie voorgesteld om een echte leercultuur tot stand te brengen en mensen meer eigen regie over hun scholing te geven. Een belangrijk onderdeel daarvan is het bevorderen van individuele leerbudgetten via het zogenaamde STAP-initiatief (Stimulans Arbeidsmarktpositie), dat de fiscale aftrek van scholingsuitgaven vervangt. Hiervoor zal een budget van 200 miljoen EUR per jaar beschikbaar worden gesteld. Een persoon zou een subsidie van ten hoogste 1 000 EUR kunnen ontvangen voor scholingskosten. Met het STAP-budget wordt iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt in staat gesteld om scholing in te zetten voor de eigen ontwikkeling en duurzame inzetbaarheid. De regeling zal naar verwachting in januari 2022 in werking treden. Daarnaast is in november 2019 een internetconsultatie gestart met betrekking tot een conceptregeling om leren en ontwikkelen in het mkb te stimuleren, in het bijzonder in de landbouw-, horeca- en recreatiesector (SLIM-regeling), waarvoor jaarlijks 48 miljoen EUR beschikbaar zal worden gesteld.
|
|
LSA 3: Met inachtneming van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn, het begrotings- en structuurbeleid gebruiken om de investeringen te laten stijgen. Het investeringsgerelateerde economisch beleid focussen op onderzoek en ontwikkeling, met name in de particuliere sector, op hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en strategieën ter vermindering van broeikasgasemissies, en op het aanpakken van knelpunten in het vervoer.
|
Nederland heeft enige vooruitgang geboekt bij het aanpakken van LSA 3
|
|
Met inachtneming van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn, het begrotings- en structuurbeleid gebruiken om een opwaartse trend van de investeringen te steunen.
|
Enige vooruitgang. De Nederlandse autoriteiten zijn een budgettaire expansie voor 2020 aan het uitvoeren en hebben wetgeving aangenomen om Invest-NL op te richten, een nationale ontwikkelingsinstelling met als mandaat de ondersteuning van investeringen in de particuliere sector. De overheidsinvesteringen kunnen echter nog verder worden opgevoerd, aangezien Nederland nog enige budgettaire ruimte over heeft.
|
|
Het investeringsgerelateerde economisch beleid focussen op onderzoek en ontwikkeling, met name in de particuliere sector,
|
Beperkte vooruitgang. Uit herziene O&O-cijfers blijkt trage vooruitgang wat de particuliere O&O-intensiteit betreft, en een lichte daling van de publieke O&O-intensiteit. De totale O&O-intensiteit stabiliseert, maar blijft achter bij het nationale streefcijfer van 2,5 % in 2020 en bij de O&O-intensiteit van andere leiders op het gebied van innovatie. Er zijn nieuwe beleidsmaatregelen aangekondigd, maar het effect daarvan moet nog blijken.
|
|
op hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en strategieën ter vermindering van broeikasgasemissies,
|
Enige vooruitgang. Nederland heeft een Klimaatwet aangenomen, waarin doelen voor het terugdringen van broeikasgassen voor 2030 en 2050 zijn vastgesteld, en een Klimaatakkoord gesloten met een reeks aangenomen en voorgestelde beleidsmaatregelen om het doel van 2030 te bereiken, inclusief een analyse van de investeringsbehoeften. Er moet echter nog meer werk worden verricht om een overkoepelende en coherente agenda voor klimaatinvesteringen vast te leggen, waarin zowel de publieke als de particuliere sector aan bod komt.
|
|
en op het aanpakken van knelpunten in het vervoer.
|
Enige vooruitgang. In het regeerakkoord is een duidelijk traject vastgelegd met maatregelen om de toenemende drukte op de weg, het spoor, het water en in de lucht te verminderen. Er is echter nog ruimte voor verdere verbetering.
|
|
Europa 2020 (nationale doelen en vooruitgang)
|
|
In het Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) 2016 vastgestelde doel inzake arbeidsparticipatie: 80 %
|
De arbeidsparticipatie vertoont een opwaartse trend en bedroeg ongeveer 80,3 % in het derde kwartaal van 2019. Nederland heeft dus zijn doel gehaald.
|
|
In het NHP vastgestelde doel inzake O&O: 2,5 % van het bbp
|
Met 2,16 % van het bbp in 2018 lijkt het onwaarschijnlijk dat Nederland zijn doel inzake O&O-intensiteit voor 2020 zal bereiken.
|
|
Nationale doel inzake broeikasgasemissies:
-16 % in 2020 ten opzichte van 2005 (in sectoren die niet onder de EU-emissiehandelsregeling vallen).
|
Volgens nationale prognoses zal Nederland naar verwachting in 2020 een broeikasgasreductie van 26 % realiseren ten opzichte van 2005, wat ver boven zijn doel van 16 % in het kader van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen ligt.
|
|
Doel inzake hernieuwbare energie voor 2020: 14 %
|
Ondanks een forse toename van hernieuwbare energie afkomstig van offshore windparken, zal het doel van een aandeel van 14 % van het verbruik uit hernieuwbare energie in 2020 niet worden gehaald: de nationale prognose gaat uit van een verwacht aandeel van 11,4 %.
|
|
Energie-efficiëntie, doelen inzake energieverbruik voor 2020:
- 60,7 Mtoe primair energieverbruik;
- 52,2 Mtoe finaal energieverbruik.
|
Met een geraamd absoluut niveau van finaal energieverbruik van 49,9 Mtoe in 2020 heeft Nederland zijn doel inzake finaal energieverbruik al overschreden. Met een geraamd niveau van primair energieverbruik van 62,1 Mtoe in 2020 zal Nederland zijn doel inzake primair energieverbruik echter niet halen.
|
|
Doel inzake vroegtijdige schoolverlaters: < 8,0 %.
|
Het doel was in 2016 gehaald, en nadien is het aandeel vroegtijdige schoolverlaters alleen maar verder gedaald. In 2018 bedroeg dit 7,3 %.
|
|
Doel inzake tertiair onderwijs: >40 % van de bevolking tussen 30 en 64 jaar
|
Het percentage van 49,4 % in 2018 ligt ruim boven het nationale doel en het EU-gemiddelde.
|
|
Doel inzake vermindering van het aantal personen met risico op armoede en sociale uitsluiting: 100 000 minder “jobless” huishoudens (vergeleken met 2008)
|
Het aantal mensen in werkloze huishoudens bedroeg 1 516 000 in 2017. Dit is 97 000 minder dan in 2008 (1 613 000). Het doel is dus bijna bereikt.
|
Bijlage B: Schuldhoudbaarheidsanalyse van de Commissie en begrotingsrisico's
Bijlage C: Standaardtabellen
|
|
|
Tabel C.1:Indicatoren financiële markten
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie (lange rente); Wereldbank (externe brutoschuld); Eurostat (particuliere schuld); ECB (overige indicatoren).
|
|
|
|
|
|
Tabel C.2:Kernindicatoren sociaal scorebord
|
|
|
|
Bron: Eurostat.
|
|
|
|
|
|
Tabel C.3:Arbeidsmarkt- en onderwijsindicatoren
|
|
|
|
Bron: Eurostat, OESO.
|
|
|
|
|
|
Tabel C.4:Indicatoren voor sociale inclusie en gezondheid
|
|
|
|
Bron: Eurostat, OESO.
|
|
|
|
|
|
Tabel C.5:Indicatoren voor de prestatie van productmarkten en beleidsindicatoren
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie; Wereldbank — Doing Business (voor het afdwingen van contracten en de benodigde tijd om een bedrijf te starten); OESO (voor de indicatoren voor de
productmarktregulering); SAFE (voor de uitkomst van aanvragen van het mkb voor bankkredieten).
|
|
|
|
|
|
Tabel C.6:Groene groei
|
|
|
|
Bron: Europese Commissie en Europees Milieuagentschap (aandeel broeikasgasemissies dat onder het ETS valt); Europese Commissie (milieuheffingen en belastingen op arbeid en bbp); Eurostat (overige indicatoren).
|
|
|
Bijlage D: Investeringsrichtsnoeren voor het Fonds voor een rechtvaardige transitie 2021-2027 voor Nederland
Voortbouwend op het Commissievoorstel worden in deze bijlage (
) de voorlopige standpunten van de diensten van de Commissie gepresenteerd over de prioritaire investeringsgebieden en de randvoorwaarden voor een doeltreffende uitvoering van de investeringen van het Fonds voor een rechtvaardige transitie voor de periode 2021-2027 in Nederland. Deze prioritaire investeringsgebieden zijn afgeleid van de ruimere analyse, die in het verslag wordt beoordeeld, van de gebieden in Nederland die voor ernstige sociaal-economische uitdagingen komen te staan als gevolg van het transitieproces naar een klimaatneutrale economie van de Unie in 2050. Deze bijlage vormt de basis voor een dialoog tussen Nederland en de diensten van de Commissie, en biedt richtsnoeren voor de lidstaten voor het opstellen van hun territoriale plannen voor een rechtvaardige transitie, die de basis zullen vormen voor de programmering van het Fonds voor een rechtvaardige transitie. De investeringen van het Fonds voor een rechtvaardige transitie vormen een aanvulling op de investeringen op basis van financiering in het kader van het cohesiebeleid waarvoor in bijlage D bij het landverslag Nederland 2019 richtsnoeren waren gegeven (
).
De voornaamste gebieden met emissie-intensieve industrieën in Nederland zijn Delfzijl/Eemshaven in de provincie Groningen, het Noordzeekanaal (Amsterdam/IJmond), Rotterdam en West-Noord-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en andere zones in Zeeland, en Zuid-Limburg. Deze gebieden staan voor belangrijke uitdagingen om de broeikasgasemissies terug te dringen, met inachtneming van de nationale emissiereductiedoelen voor 2030 en 2050, waaronder de omschakeling naar energie uit hernieuwbare bronnen. Synergieën tussen sectoren en bedrijven in deze clusters bieden echter goede vooruitzichten voor innovatie om de CO2-emissies terug te dringen, en voor de ontwikkeling van alternatieve duurzame economische activiteiten. Op de arbeidsmarkt zullen zich transitie-effecten voordoen, met name doordat werkgelegenheid naar opkomende sectoren zal verschuiven en er behoefte aan omscholing en bijscholing zal ontstaan. De provincie Groningen (bestaande uit de gebieden Delfzijl en omgeving, Oost-Groningen en Overig Groningen) omvat een grote koolstofintensieve cluster en wordt waarschijnlijk het meest getroffen door de klimaat- en energietransitie vanwege de gecombineerde effecten van de uitputting van de aardgaswinning en de emissiereductie-uitdagingen in de industrie. De energietransitie kan leiden tot het verlies van 20 000 banen in de provincie. Dit komt bovenop de andere uitdagingen op het vlak van sociale en economische transitie in Groningen. Om deze redenen kan de provincie Groningen als een doelgebied voor investeringen uit het Fonds voor een rechtvaardige transitie in Nederland worden beschouwd. Op basis van deze voorlopige beoordeling lijkt het gerechtvaardigd om de bijdrage van het Fonds voor een rechtvaardige transitie op deze gebieden te concentreren.
In Groningen biedt de strategie voor slimme specialisatie voor Noord-Nederland () een belangrijk kader voor de prioriteiten voor innovatie ter ondersteuning van de economische transformatie.
Met het oog op de hierboven beschreven transitie-uitdagingen zijn investeringsbehoeften vastgesteld ter ondersteuning van innovatie voor de reductie van broeikasgasemissies, en de ontwikkeling van alternatieve economische sectoren en de daarmee gepaard gaande verschuiving van werkgelegenheid. Kernactiviteiten van het Fonds voor een rechtvaardige transitie zouden kunnen worden gericht op het volgende:
•Investeringen in onderzoeks- en innovatieactiviteiten en het bevorderen van de overdracht van geavanceerde technologieën;
•Investeringen in de aanleg van technologie en infrastructuren voor betaalbare schone energie, in de reductie van broeikasgasemissies, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie;
•Bijscholing en omscholing van werknemers.
Emissie-intensieve industriële complexen, waar de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG vermelde activiteiten worden verricht, hebben een aanzienlijk aantal werknemers en hun activiteit komt in gevaar vanwege hun broeikasgasemissies. Steun voor investeringen met het oog op de reductie van de emissies kan worden overwogen, mits deze bijdragen tot een aanzienlijke reductie van de emissies (aanzienlijk lager dan de desbetreffende benchmarks die in het kader van Richtlijn 2003/87/EG voor kosteloze toewijzing worden gebruikt) en onder de voorwaarde dat de investeringen met de Europese Green Deal verenigbaar zijn.
Bijlage E: Vooruitgang in de richting van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s)
Beoordeling van de kortetermijnvooruitgang van Nederland in de richting van de SDGs ()
Tabel E.1 toont de gegevens voor Nederland en de EU-28 voor de indicatoren die zijn opgenomen in de reeks SDG-indicatoren van de EU, die door Eurostat wordt gebruikt voor de
monitoring van de vooruitgang in de richting van de SDG's in een EU-context
(). Aangezien de kortetermijntendens op EU-niveau wordt beoordeeld over een periode van 5 jaar, wordt zowel de waarde aan het begin van de periode als de meest recente beschikbare waarde gepresenteerd. De indicatoren worden regelmatig bijgewerkt op het
voor de SDG's bestemde deel
van de website van Eurostat.
|
|
|
Tabel E.1:Indicatoren die de vooruitgang van Nederland in de richting van de SDG's meten
|
|
|
|
|
|
(vervolg op de volgende bladzijde)
|
|
Tabel (vervolg)
|
|
|
|
|
|
|
|
(vervolg op de volgende bladzijde)
|
|
Tabel (vervolg)
|
|
|
|
|
|
|
|
(vervolg op de volgende bladzijde)
|
|
Tabel (vervolg)
|
|
|
|
|
|
|
|
(vervolg op de volgende bladzijde)
|
|
Tabel (vervolg)
|
|
|
|
|
|
Bron: Eurostat.
|
|
|
Referenties
Adema Y., Folmer K., Rabaté S., Visser D. en Vlekke M. (2019), Arbeidsparticipatie, gewerkte uren en economische zelfstandigheid van vrouwen, CPB Notitie, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
ABF Research and Capital Value (2019), De woning(beleggings)markt in beeld 2019, Capital Value BV, Utrecht.
Adler G., Garcia-Macia D. en Krogstrup S. (2019), The Measurement of External Accounts, IMF Working Paper WP/19/132, International Monetary Fund Publications Services, Washington, D.C.
Autoriteit Financiële Markten (AFM) (2019), Jaarverslag 2018, Autoriteit Financiële Markten, Amsterdam.
Baarsma en Vrieselaar (2018), Acht redenen waarom de lonen achterblijven, RABOResearch, Utrecht.
Bank voor Internationale Betalingen (2017), Basel III: Finalising post-crisis reforms, Bazel.
Barron K., Kung E. en Proserpio D. (2019), “When Airbnb Listings in a City Increase, So Do Rent Prices”, Harvard Business Review, april 2019, Harvard Business Publishing, Boston, MA.
Bauer P., Fedotenkov I., Genty A., Hallak I., Harasztosi P., Martinez Turegano D., Nguyen D., Preziosi N., Rincon-Aznar A. en Sanchez Martinez M. (2020), Productivity in Europe: Trends and Drivers in a Service-Based Economy, JRC Technical Report, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Bivens J. (2019), The economic costs and benefits of Airbnb, Economic Policy Institute, Washington D.C.
Caldera A. en Johansson A. (2013), “The Price Responsiveness of Housing Supply in OECD Countries”, Journal of Housing Economics, volume 2, nummer 3 (september 2013), Elsevier BV, Amsterdam.
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2019), ICT, kennis en economie 2019 (https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2019/42/ict-kennis-en-economie-2019).
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2018), Multinationals goed voor 30 procent economie (
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/41/multinationals-goed-voor-30-procent-economie
).
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2018b), 80 percent of inward investments channelled out directly (
https://www.cbs.nl/en-gb/news/2018/50/80-percent-of-inward-investments-channelled-out-directly
).
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2017), Handelsoverschot zonder wederuitvoer 20 miljard lager (
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/18/handelsoverschot-zonder-wederuitvoer-20-miljard-lager
).
Cocola-Gant A. en Gago A. (2019), “Airbnb, buy-to-let investment and tourism-driven displacement: A case study in Lisbon”, Environment and Planning A: Economy and Space, 19 augustus 2019.
Coutinho L., Turrini A. en Zeugner S. (2018), Methodologies for the assessment of current account benchmarks, European Economy – Discussion Paper 086, Europese Commissie, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Centraal Planbureau (CPB) (2019a), Inkomensongelijkheid naar migratieachtergrond, CPB Policy Brief, Den Haag.
Centraal Planbureau (CPB) (2019b), Macro Economische Verkenning 2020, CPB Raming, Den Haag.
Centraal Planbureau (CPB) (2019c), Verkenning Middellangetermijn 2022-2025, CPB Raming, Den Haag.
Centraal Planbureau (CPB) (2019d), Doorrekening Klimaatakkoord, CPB Notitie, Den Haag.
Centraal Planbureau (CPB) (2019e), Conduit country the Netherlands in the spotlight, CPB Policy Brief, Den Haag.
Centraal Planbureau (CPB) (2019f), Centraal Economisch Plan 2019, CPB Raming, Den Haag.
Centraal Planbureau (CPB) (2018), Effecten van afschaffing van de doorsneesystematiek en de gelijktijdige overgang naar een nieuw pensioencontract, CPB Notitie, Den Haag.
Centraal Planbureau (CPB) (2016), Evidence on Dutch macroeconomic and sectoral productivity performance, CPB Background Document, Den Haag.
Damgaard J., Elkjaer T. en Johannesen N. (2019), “The rise of phantom investments”, Finance & Development, september 2019, International Monetary Fund Publications Services, Washington D.C.
De Beer en Keune (2018), “De erosie van het poldermodel”, Mens en maatschappij, volume 93, nummer 3, augustus 2018, Amsterdam University Press, Amsterdam.
De Nederlandsche Bank (DNB) (2019a), Het Spaaroverschot van Nederlandse Bedrijven Ontrafeld, DNBulletin 9 december 2019, Amsterdam.
De Nederlandsche Bank (DNB) (2019b), Overzicht Financiele Stabiliteit Najaar 2019, Amsterdam.
De Nederlandsche Bank (DNB) (2019c), Supervision Outlook 2019, Amsterdam.
De Nederlandsche Bank (DNB) (2018a), Vrijwillige aflossingen dragen bij aan verlaging hypotheekrisico’s, DNBulletin 11 december 2018, Amsterdam.
De Nederlandsche Bank (DNB) (2018b), Flexibilisering arbeidsmarkt gaat gepaard met daling arbeidsinkomensquote, DNBulletin 1 februari 2018, Amsterdam.
De Nederlandsche Bank (DNB) (2016), Arbeidsinkomensruimte vooral in op het binnenland georiënteerde bedrijfstakken, DNBulletin 21 november 2016, Amsterdam.
Dubovik A., van Solinge F. en van der Wiel K. (2019), Mkb-bankfinanciering in Europees perspectief, CPB Policy Brief, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
Onderwijsraad (2019), Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel, advies van 22 februari 2019, Den Haag.
Eggelte J., Hillebrand R., Kooiman T. en Schotten G. (2014), Het nationale spaaroverschot ontleed, DNB Occasional Studies Vol. 12 – 6, Amsterdam.
Eurofound (2019), Future of manufacturing – Energy scenario employment implications, Eurofound Research Report, februari 2019.
Europese Bankautoriteit (2019), Basel III Reform: impact study and key recommendations, Parijs.
Europese Centrale Bank (2019a), Euro area bank lending survey – 2019 Q3, Frankfurt.
Europese Centrale Bank (2019b), Challenges for bank profitability, toespraak van Luis de Guindos, vicevoorzitter van de Europese Centrale Bank, OMFIF City Lecture, Londen, 1 mei 2019.
Europese Commissie (2019a), Landverslag Nederland 2019, werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2019) 1018 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019b), The Netherlands - Review of Progress on Policy Measures Relevant for the Correction of Macroeconomic Imbalances, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019c), 2019 Autumn Forecast, Commission Institutional Paper 115, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019d), Tax Policies in the European Union – 2019 Survey, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019e), Regional Innovation Scoreboard, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019f), Waarschuwingsmechanismeverslag 2020, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019g), Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de beoordeling van recente vermeende gevallen van het witwassen van geld waarbij EU-kredietinstellingen betrokken zijn, COM(2019) 373 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019h), Employment and Social Developments in Europe: Annual Review 2019, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019i), European innovation scoreboard,
https://ec.europa.eu/growth/industry/innovation/facts-figures/scoreboards_en
, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (Eurostat) (2019j), Community Innovation Survey: latest results,
https://ec.europa.eu/eurostat/web/products-eurostat-news/-/DDN-20190312-1
.
Europese Commissie (2019k), Transport in the European Union – Current Trends and Issues, maart 2019, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2019l), 2019 SBA Fact Sheets – Netherlands, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2018a), Landverslag Nederland 2018, werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2018) 217 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2018b), Labour Market and Wage Developments in Europe 2018, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2017a), Prudential thresholds for private sector debt: households vs. non-financial corporations, nota voor het Comité voor economische politiek, 13 juni 2017.
Europese Commissie (2017b), Landverslag Nederland 2017, werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2017) 84 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2016), Landverslag Nederland 2016, werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2016) 87 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Commissie (2015), The Flash Eurobarometer 459: Investment in the EU Member States, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Europese Investeringsbank (EIB) (2019), EIB Investment Survey 2019 - Netherlands, Luxemburg.
Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) (2019), Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico’s van 27 juni 2019 betreffende kwetsbaarheden op middellange termijn in de niet-zakelijkonroerendgoedsector in Nederland, Publicatieblad van de Europese Unie C 366/04, 30 oktober 2019, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) (2018), Kamerbrief: Beleidsvisie mkb-financieringsmarkt, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) (2019b), Kamerbrief over onderzoek naar rechtsbescherming bij aanbesteden en beleidsconclusies, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) (2019c), Kamerbrief: Voorstel voor een Klimaatakkoord, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) (2018), Kamerbrief: Naar Missiegedreven Innovatiebeleid met Impact, Rijksoverheid, Den Haag.
Nationaal Programma Groningen (2019), Programmakader (
https://www.nationaalprogrammagroningen.nl
/nieuws /2019 /10/03/ programmakader/).
Nationaal Programma Groningen (2018), Startdocument Nationaal Programma Groningen, bouwstenen voor een Nationaal Programma (
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/ 2018/10/05/
startdocument-nationaal-programma-groningen).
Financial Intelligence Unit - Nederland (FIU-Nederland) (2019), Jaaroverzicht 2018, Den Haag.
Flachenecker F., Gavigan J. P., Goenaga X., Pasi G., Preziosi N., Stamenov B. en Testa G. (2020), High Growth Enterprises: demographics, financing & policy measures, JRC Technical Report, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
Gasunie en TenneT (2019), Infrastructure Outlook 2050, A joint study by Gasunie and TenneT on integrated energy infrastructure in the Netherlands and Germany, Groningen, februari 2019.
Garcia-Bernardo J., Fichtner J., Takes F.W. en Heemskerk E.M. (2017), Uncovering Offshore Financial Centers: Conduits and Sinks in the Global Corporate Ownership Network.
Garcia-López M., Jofre-Monseny J., Martínez Mazza R. en Segú M. (2019), Do short-term rent platforms affect housing markets? Evidence from Airbnb in Barcelona, MPRA Paper nr. 96131.
Geng N. (2018), Fundamental Drivers of House Prices in Advanced Economies, IMF Working Paper WP/18/164, International Monetary Fund Publications Services, Washington, D.C.
Hekkenberg M. en Notenboom J. (2019), Het Klimaatakkoord: effecten en aandachtspunten, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag, november 2019.
Houben A., Dröes M. en van Lamoen R. (2017), “De prijsstijgingen op de Amsterdamse woningmarkt onder de loep”, Economisch Statistische Berichten, 12 oktober 2017.
Inspectie van het Onderwijs (2018), De Staat van het Onderwijs 2016/2017, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Den Haag.
Internationaal Monetair Fonds (IMF) (2019a), External Sector Report, International Monetary Fund Publications Services, Washington DC.
Internationaal Monetair Fonds (IMF) (2019b), Selected Issues for the Staff Report for the 2019 Article IV Consultation of the Kingdom of the Netherlands, International Monetary Fund Publications Services, Washington DC.
Internationaal Monetair Fonds (IMF) (2019c), Staff Report for the 2019 Article IV Consultation of the Kingdom of the Netherlands, International Monetary Fund Publications Services, Washington DC.
Internationaal Monetair Fonds (IMF) (2019d), World Economic Outlook: Global Manufacturing Downturn, Rising Trade Barriers, International Monetary Fund Publications Services, Washington DC.
Jansen C. en Ligthart M. (2014), Spaaroverschot niet-financiële bedrijven: ontwikkeling, oorzaken en gevolgen, CPB Achtergronddocument, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
Kooiman A. en Lejour A. (2016), Vermogensongelijkheid in Nederland, CPB Achtergronddocument, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
Koops O. en Manshanden W. (2019), Prognoses woningbouw 2019-2024: Onderzoek in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties DG Bestuur, Ruimte en Wonen, afdeling Analyse & Ramingen, NEO Observatory, Rotterdam.
Ladd, Fiske en Ruijs (2011), Does parental choice foster segregated schools? Insights from the Netherlands, in: Berends M., Cannata M. en Goldring E.B. (eds), School Choice and School Improvement (blz. 233-253), Cambridge: Harvard Education Press.
Lever M. en Loois M. (2016), Pensioen en rentegevoeligheid, CPB Policy Brief 2016/12, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
McKinsey Global Institute (2018), The Power of Parity – het potentieel pakken van meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt, 2018.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) (2019), Maatregelenpakket voor de stikstofproblematiek in de woningbouw- en infrastructuursector en voor de PFAS-problematiek, brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Financiën (2019a), Belastingplan 2020, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Financiën (2019b), Belastingplan 2020, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Financiën (2019c), Het Blauwe boekje: De Economie en Overheidsfinanciën in grafieken en tabellen, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Financiën (2019d), Kamerbrief: Plan van Aanpak Witwassen, 30 juni 2019, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) (2019), Gevolgen PAS-uitspraak & PFAS voor IenW-projecten in het kader van het MIRT (inclusief met kustlijnzorg), Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) (2019), Staat van de Woningmarkt 2019, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) (2018a), Aanbiedingsbrief nationale woonagenda 2018-2021, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) (2018b), Staat van de Volkshuisvesting 2019, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) (2019a), Kamerbrief principeakkoord vernieuwing pensioenstelsel, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) (2019b), Kamerbrief over planning uitwerking pensioenakkoord, Rijksoverheid, Den Haag.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) (2019c), Kamerbrief over handelingsperspectief voorkomen onnodige pensioenkortingen, Rijksoverheid, Den Haag.
Manshanden W. en Koops O. (2019), Prognoses woningbouw 2019-2024, Onderzoek in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, NEO Observatory, Rotterdam.
Michielsen T., Groot S. en Veenstra J. (2019), Het bouwproces van nieuwe woningen, CPB Boek, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
Michielsen T., Groot S. en Van Maarseveen R. (2018), Prijselasticiteit van het woningaanbod, CPB Notitie, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
Möhlmann J. en Groot S. (2019), Ex-post effecten woningmarktmaatregelen, CPB Notitie, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
Nauta L. (2019), Nederland: Binnenlandse risico’s treden meer naar de voorgrond, RaboResearch, Utrecht.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019a), Kamerbrief over de versterking van de leraar, Den Haag,
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/01/16/kamerbrief-over-de-versterking-van-de-leraar
.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019b), Voortijdig schoolverlaten, Den Haag,
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/vsv/maximaal-20.000-voortijdig-schoolverlaters-in-2021
.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2018a), Aanpak lerarentekort, Den Haag,
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/werken-in-het-onderwijs/aanpak-tekort-aan-leraren
.
OESO (2019a), Taxing wages 2017-2018 – Associated paper: non-tax compulsory payments, OECD Publishing, Parijs.
OESO (2019b), Part-time and Partly Equal: Gender and Work in the Netherlands, OECD Publishing, Parijs.
OESO (2019c), Input to the Netherlands Independent Commission on the Regulation of Work (Commissie Regulering Werk), juni 2019, OECD Publishing, Parijs.
OESO (2019d), PISA 2018 Results, december 2019, OECD Publishing, Parijs.
OESO (2018a), Inequalities in household wealth across OECD Countries: Evidence from the OECD Wealth Distribution Database, OECD Publishing, Parijs.
OESO (2018b), Economic survey 2018: The Netherlands, OECD Publishing, Parijs.
OESO (2017a), Pensions at a Glance 2017 – How does the Netherlands compare?, OECD Publishing, Parijs.
OESO (2017b), OECD Science, Technology and Industry Scoreboard, 2017, OECD Publishing, Parijs.
OESO (2015), The Labour Share in G20 Economies, OECD Publishing, Parijs.
Panteia (2019), Economische Wegwijzer 2019, Zoetermeer.
Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) (2019), Bijdrage instrumenten Belastingplan 2020 aan CO2-effecten Klimaatakkoord, Den Haag.
Portegijs W. e.a. (2008), Verdeelde tijd: waarom vrouwen in deeltijd werken, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
Raad van State (2018), Advies Raad van State wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans, Den Haag.
Rathenau Instituut (2019), Factsheet innovatiebeleid, Den Haag, (
https://www.rathenau.nl/sites/default/files/inline-files/Rathenau_Instituut_Factsheet_Innovatiebeleid.pdf
).
Roelandt T., Akkermans M., Polder M. en van der Wiel H. (2019), “De mondiale productiviteitspuzzel voor Nederland”, Economisch Statistische Berichten, nr. 104(4778), Amsterdam.
Rojas-Romagosa H. en van der Horst A. (2015), Causes and policy implications of the Dutch current account surplus, CPB Policy Brief 2015/05, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
Schoots K. en Hammingh P. (2019), Klimaat- en Energieverkenning 2019, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag, november 2019.
Schroten A., van Essen H., van Wijngaarden L., Sutter D. en Andrew E. (2019), Sustainable Transport Infrastructure Charging and Internalisation of Transport Externalities, studie in opdracht van de Europese Commissie, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.
SEO Amsterdam Economics (2018), Balance sheets, income and expenditure of special financial institutions.
Smits W. en de Vries J. (2019), “Loonverschil tussen flexibele en vaste werknemers”, Statististische trends, 2019, Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag.
Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) (2018), Werken aan de start – Jonge vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt, Den Haag.
Suyker W. en Wagteveld S. (2019), A Fresh Look at the Dutch Current Account Surplus and its Driving Forces, CPB Background Document, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
Teulings R. en Zhang L. (2019), Huishoudens met hoge hypotheek bezuinigen tijdens een recessie, ESB.
van Schelven R., Westerbeek J., Mulder J., Kroos M. en Kuypers P. (2019), Rechtsbescherming in de aanbestedingspraktijk, KWINK-groep, Den Haag.
Van Solinge F. (2019), Bank credit: Dutch versus European firms, CPB Background Document, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
van der Veen H. en Heuts L. (2017), National Risk Assessment Witwassen, Cahier 2017-13, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Den Haag.
Branchevereniging VHG (2019), Brancheorganisaties bouwsector dringen bij Tweede Kamer aan op betere rechtsbescherming, 5 september 2019,
https://www.vhg.org/actueel-agenda/nieuwsoverzicht/brancheorganisaties-bouwsector-dringen-bij-tweede-kamer-aan-op-betere-rechtsbescherming
.
Weterings A., Ivanova O., Diodato D., Lankhuizen M., Thissen M., Schure K. en Koelemeijer R. (2018), Effecten van de energietransitie op de regionale arbeidsmarkt – een quick scan, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag.
Österreichisches Institut für Wirtschaftsforschung (WIFO) (2019), The performance of the Single Market for goods after 25 years, Wenen.
de Winter J. en Bun M. (2019), “Misallocatie van kapitaal en arbeid in de Nederlandse economie toegenomen”, Economisch Statistische Berichten, nr. 104(4779), Amsterdam.
Wereldbank (2019), Doing Business 2020: sustaining the pace of reforms, Washington DC.
World Economic Forum (2019), The Global Competitiveness Report 2019, Genève.
Zwaneveld P., de Boer H.-W., Dillingh R., Nibbelink A. en Lanser D. (2019), Effecten van de overgang op nieuwe pensioenregels, CPB Notitie, Centraal Planbureau (CPB), Den Haag.
-
(I)
()Namelijk nitraten, ammoniak en verschillende stikstofoxiden.
-
(II)
()Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en Europees Sociaal Fonds.
-
(III)
()
https://cohesiondata.ec.europa.eu/countries/NL
-
(IV)
()Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, Cohesiefonds, Europees Sociaal Fonds, Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij.
-
(V)
()Nadere informatie over het Quest-model plus bijbehorende applicaties is te vinden op:
http://ec.europa.eu/economy_finance/research/macroeconomic_models_en.htm
. In deze simulatie wordt voor de eerste twee jaar uitgegaan van een bindende effectieve ondergrens voor het monetaire beleid. De in dit scenario gesimuleerde verhoging van de overheidsinvesteringen wordt geacht de al in de begroting 2020 opgenomen stijging van de investeringsuitgaven te omvatten, zodat zij zou stroken met de vereisten van het SGP.
-
(VI)
()
https://www.pbl.nl/publicaties/het-klimaatakkoord-effecten-en-aandachtspunten
-
(VII)
()
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/klimaatverandering/documenten/kamerstukken/2019/06/28/kamerbrief-voorstel-voor-een-klimaatakkoord
-
(VIII)
()
https://www.pbl.nl/publicaties/het-klimaatakkoord-effecten-en-aandachtspunten
-
(IX)
()
https://www.pbl.nl/publicaties/klimaat-en-energieverkenning-2019