Brussel, 17.8.2020

COM(2020) 377 final

2020/0178(NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (“de GVB-basisverordening”) moet ervoor zorgen dat de levende aquatische rijkdommen vanuit economisch, ecologisch en sociaal oogpunt duurzaam worden geëxploiteerd. Een belangrijk instrument in dit verband is de jaarlijkse vaststelling van de vangstmogelijkheden. Alle verordeningen tot vaststelling van de vangstmogelijkheden moeten de vangstniveaus beperken tot niveaus die in overeenstemming zijn met de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB).

Het doel van dit voorstel is de vangstmogelijkheden vast te stellen voor bepaalde bestanden en groepen bestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.

Volgend op de goedkeuring en inwerkingtreding van het meerjarenplan voor demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee worden in dit voorstel de vangstmogelijkheden voor de betrokken lidstaten (Spanje, Frankrijk en Italië) vastgesteld, uitgedrukt in maximaal toegestane visserijinspanning.

In dit voorstel worden tevens vangstmogelijkheden vastgesteld uit hoofde van overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM), een regionale organisatie voor visserijbeheer die bevoegd is voor de instandhouding en het beheer van de biologische rijkdommen van de zee in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. De Europese Unie is lid van de GFCM, samen met Bulgarije, Kroatië, Cyprus, Frankrijk, Griekenland, Italië, Malta, Roemenië, Slovenië en Spanje. De maatregelen die worden vastgesteld in het kader van de GFCM, zijn bindend voor de leden ervan.

Wat de Zwarte Zee betreft, wordt in dit voorstel tot slot een autonoom quotum voor sprot vastgesteld teneinde het huidige niveau van visserijsterfte niet te doen stijgen. Voor tarbot voorziet het voorstel in omzetting van de TAC en quota die door de GFCM zijn vastgesteld.

Het uiteindelijke doel is de bestanden op een niveau te brengen en/of te houden waarmee de maximale duurzame opbrengst kan worden gehaald. Dit doel is uitdrukkelijk opgenomen in artikel 2, lid 2, van de GVB-basisverordening, waar is bepaald dat dit exploitatieniveau “indien mogelijk tegen 2015, en [...] voor alle bestanden uiterlijk 2020 [moet worden] verwezenlijkt”. Dit sluit aan op de toezeggingen van de Unie met betrekking tot de conclusies van de wereldtop over duurzame ontwikkeling (Johannesburg 2002) en het bijbehorende uitvoeringsplan. Met de bepalingen van het meerjarenplan voor demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee wordt echter beoogd om de visserijsterfte op een niveau te brengen waarmee de maximale duurzame opbrengst geleidelijk toenemend uiterlijk in 2020 indien mogelijk, en in ieder geval uiterlijk op 1 januari 2025 kan worden gehaald.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

De voorgestelde maatregelen zijn opgesteld overeenkomstig de doelstellingen en de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het beleid van de Unie inzake duurzame ontwikkeling.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Het voorstel valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), VWEU. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.

Evenredigheid

Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: het GVB is een gemeenschappelijk beleid. Krachtens artikel 43, lid 3, VWEU is het aan de Raad om maatregelen tot vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden vast te stellen.

Krachtens de voorgestelde verordening van de Raad worden de vangstmogelijkheden over de lidstaten verdeeld. Met inachtneming van de artikelen 16 en 17 van de GVB-basisverordening mogen de lidstaten deze mogelijkheden naar eigen goeddunken verdelen over de vaartuigen die hun vlag voeren. De lidstaten kunnen dus met een ruime mate aan vrijheid en conform het sociale en economische model van hun keuze beslissen hoe zij de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden benutten.

Het voorstel heeft geen nieuwe financiële gevolgen voor de lidstaten.

Keuze van het instrument

Het voorgestelde instrument is een verordening van de Raad.

Dit is een voorstel voor visserijbeheer op basis van artikel 43, lid 3, VWEU, en overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Niet van toepassing.

Raadpleging van belanghebbenden

Belanghebbende partijen zijn geraadpleegd via de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad “Naar een duurzamere visserij in de EU: stand van zaken en oriëntaties voor 2021”.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

De beoordeling van de toestand van de bestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee is gebaseerd op de recentste werkzaamheden van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), het wetenschappelijk adviescomité (SAC) van de GFCM en de werkgroep voor de Zwarte Zee van de GFCM.

Effectbeoordeling

De werkingssfeer van de verordening inzake vangstmogelijkheden wordt omschreven in artikel 43, lid 3, VWEU.

Het voorstel van de Commissie voor de GVB-basisverordening en voor het meerjarenplan voor de demersale visserijen in het westelijke deel van de Middellandse Zee is uitgewerkt op basis van effectbeoordelingen. Een van de belangrijkste instrumenten van de GVB-basisverordening om de doelstellingen van artikel 2 van die verordening te verwezenlijken, is de vaststelling van vangstmogelijkheden. Met het meerjarenplan is een visserijinspanningsregeling ingevoerd om het probleem van overbevissing in de demersale visserijen in het westelijke deel van de Middellandse Zee aan te pakken.

Wat de door de GFCM vastgestelde vangstmogelijkheden in zowel de Middellandse Zee als de Zwarte Zee betreft, wordt met dit voorstel in wezen uitvoering gegeven aan internationaal overeengekomen maatregelen. Alle elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de mogelijke gevolgen van de vangstmogelijkheden, worden in aanmerking genomen bij het voorbereiden en voeren van internationale onderhandelingen in het kader waarvan vangstmogelijkheden van de Unie worden overeengekomen met derde partijen.

Het voorstel is niet alleen gericht op de korte termijn, maar weerspiegelt ook de langeretermijnaanpak om de visserij geleidelijk op een niveau te brengen dat duurzaam is op lange termijn.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Niet van toepassing.

Grondrechten

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Dit voorstel zal worden uitgevoerd in overeenstemming met de bestaande regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De monitoring en de naleving van de voorschriften zullen worden gewaarborgd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Niet van toepassing.

Artikelsgewijze toelichting

Met dit voorstel worden voor 2021 de vangstmogelijkheden voor de lidstaten vastgesteld voor bepaalde bestanden en groepen bestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. De vangstmogelijkheden omvatten met name:

1.een visserijinspanningsregeling voor trawlers die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee. Het meerjarenplan voor de demersale visserijen in het westelijke deel van de Middellandse Zee is op 16 juli 2019 in werking getreden. Krachtens de bepalingen van dat plan stelt de Raad jaarlijks een maximaal toegestane visserijinspanning vast voor elke visserijinspanningsgroep per lidstaat en voor de in bijlage I bij het plan gedefinieerde groepen bestanden. Voor het eerste jaar van toepassing van het plan werd de maximaal toegestane visserijinspanning met 10 % verlaagd ten opzichte van de uitgangswaarde (van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017), die door elke lidstaat voor elke visserijinspanningsgroep of elk geografisch deelgebied wordt berekend; voor het tweede tot en met het vijfde jaar voorziet het plan in een verlaging van maximaal 30 %.

[hier moet een solide alinea over het beste beschikbare wetenschappelijke advies worden ingevoegd zodra dat advies beschikbaar is, aangezien het exacte percentage moet overeenstemmen met de wetenschappelijk vastgestelde niveaus]

Voor 2021 moet de verlaging p.m. % bedragen.

2.in 2018 en 2019 door de GFCM aangenomen maatregelen die van toepassing zijn in de Middellandse Zee. Deze maatregelen omvatten: vangstbeperkingen en een sluitingsperiode voor Europese aal in de gehele Middellandse Zee (deelgebieden 1 tot en met 27), vangst- en inspanningsbeperkingen voor kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee (deelgebieden 17 en 18), beperkingen van het aantal vissersvaartuigen voor rode diepzeegarnaal en blauwrode diepzeegarnaal in de Ionische Zee (deelgebieden 19, 20 en 21) en de Levantzee (deelgebieden 24 tot en met 27). Deze maatregelen werden goedgekeurd tijdens de jaarvergadering 2018 van de GFCM. Daarnaast omvat het voorstel maatregelen die tijdens de jaarvergadering 2019 van de GFCM zijn aangenomen: visserijinspanningsbeperkingen voor demersale bestanden in de Adriatische Zee (deelgebieden 17 en 18), oogstbeperkingen en beperkingen van het aantal vismachtigingen voor rood koraal in de gehele Middellandse Zee (deelgebieden 1 tot en met 27), beperkingen van het aantal vissersvaartuigen voor rode diepzeegarnaal en blauwrode diepzeegarnaal in het Kanaal van Sicilië (deelgebieden 12 tot en met 16), vangstbeperkingen voor zeebrasem in de Zee van Alborán (deelgebieden 1, 2 en 3) en beperkingen van het aantal vismachtigingen voor goudmakreel in de gehele Middellandse Zee (deelgebieden 1 tot en met 27);

3.door de GFCM aangenomen maatregelen die van toepassing zijn in de Zwarte Zee. Deze maatregelen omvatten: a) een autonoom quotum voor sprot op basis van wetenschappelijk advies; b) de totale toegestane vangst (TAC) en de toewijzing van quota voor tarbot in het kader van het meerjarig beheersplan voor de tarbotvisserij, ter uitvoering van de bepalingen van Aanbeveling GFCM/43/2019/3 tot wijziging van Aanbeveling GFCM/41/2017/4 inzake een meerjarig beheersplan voor de tarbotvisserij in de Zwarte Zee (geografisch deelgebied 29).

2020/0178 (NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig artikel 43, lid 3, VWEU stelt de Raad op voorstel van de Commissie de maatregelen vast voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

(2)Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 1 moeten instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld met inachtneming van het beschikbare wetenschappelijke, technische en economische advies, met inbegrip van, waar toepasselijk, de verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).

(3)Het is aan de Raad om de maatregelen vast te stellen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden, inclusief, voor zover nodig, bepaalde functioneel daarmee verbonden voorwaarden. In artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat de vangstmogelijkheden moeten worden vastgesteld met inachtneming van de in artikel 2, lid 2, van die verordening vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). In artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat de vangstmogelijkheden zo aan de lidstaten moeten worden toegewezen dat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van iedere lidstaat voor elk visbestand of elke visserij wordt gewaarborgd.

(4)De vangstmogelijkheden voor bestanden die onder specifieke meerjarenplannen vallen, moeten op grond van artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden vastgesteld in overeenstemming met de in die plannen vervatte voorschriften.

(5)Het meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad 2 en is in werking getreden op 16 juli 2019. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening moeten de vangstmogelijkheden voor de in artikel 1 van die verordening genoemde bestanden worden vastgesteld om een niveau van visserijsterfte te bereiken waarmee de maximale duurzame opbrengst geleidelijk toenemend uiterlijk in 2020 indien mogelijk, en in ieder geval uiterlijk op 1 januari 2025 kan worden gehaald. De vangstmogelijkheden moeten worden uitgedrukt als maximaal toegestane visserijinspanning en moeten worden bepaald overeenkomstig de in artikel 7 van Verordening (EU) 2019/1022 vastgestelde visserijinspanningsregeling.

(6)[hier moet een solide overweging met uitleg over het beste beschikbare wetenschappelijk advies worden ingevoegd, aangezien het exacte percentage moet overeenstemmen met de wetenschappelijk vastgestelde niveaus] Voor 2021 moet de maximaal toegestane visserijinspanning bijgevolg met p.m. % worden verlaagd ten opzichte van de maximaal toegestane visserijinspanning die voor 2020 is vastgesteld bij Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad 3 .

(7)Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2018 heeft de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (“GFCM”) Aanbeveling GFCM/42/2018/1 tot vaststelling van beheersmaatregelen voor Europese aal (Anguilla anguilla) in de Middellandse Zee (geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM) aangenomen. Die maatregelen omvatten vangstbeperkingen en een jaarlijkse sluitingsperiode van drie opeenvolgende maanden die door iedere lidstaat moet worden bepaald in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen van Verordening (EG) nr. 1100/2007 van de Raad 4 , het (de) nationale beheerplan(nen) voor aal en de temporele migratiepatronen van de aal in de lidstaat. De sluiting dient te gelden voor alle mariene wateren van de Middellandse Zee en voor brakke wateren zoals estuaria, kustlagunes en overgangswateren, conform de aanbeveling. Deze maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(8)Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2018 heeft de GFCM eveneens Aanbeveling GFCM/42/2018/8 inzake verdere noodmaatregelen voor 2019-2021 voor kleine pelagische bestanden in de Adriatische Zee voor 2019, 2020 en 2021 (geografische deelgebieden 17 en 18) aangenomen. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet. De maximale vangstbeperkingen gelden slechts voor één jaar en laten eventuele toekomstige andere maatregelen en eventuele toewijzingsregelingen tussen lidstaten onverlet.

(9)Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2018 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/42/2018/3 inzake een meerjarig beheersplan voor duurzame trawlvisserij op rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in de Levantzee (geografische deelgebieden 24, 25, 26 en 27 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal voor vissersvaartuigen is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(10)Tijdens haar 42e jaarvergadering in 2018 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/42/2018/4 inzake een meerjarig beheersplan voor duurzame trawlvisserij op rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in de Ionische Zee (geografische deelgebieden 19, 20 en 21 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal voor vissersvaartuigen is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(11)Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/6 inzake een meerjarig beheersplan voor duurzame trawlvisserij op rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in het Kanaal van Sicilië (geografische deelgebieden 12, 13, 14, 15 en 16 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal voor vissersvaartuigen is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(12)Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/5 inzake een meerjarig beheersplan voor duurzame demersale visserij in de Adriatische Zee (geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM) aangenomen, waarbij een visserijinspanningsregeling voor bepaalde demersale bestanden is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(13)Rekening houdend met de specifieke kenmerken van de Sloveense vloot en de marginale impact ervan op de bestanden van kleine pelagische en demersale soorten, is het passend de bestaande visserijpatronen aan te houden en de Sloveense vloot toegang te verlenen tot een minimumhoeveelheid kleine pelagische soorten en minimale inspanningsbeperkingen voor demersale bestanden vast te stellen voor die vloot.

(14)Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM eveneens Aanbeveling GFCM/43/2019/4 inzake een beheersplan voor de duurzame exploitatie van rood koraal (Corallium rubrum) in de Middellandse Zee (geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal vismachtigingen en oogstbeperkingen voor rood koraal zijn ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(15)Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/2 inzake een beheersplan voor de duurzame exploitatie van zeebrasem (Pagellus bogaraveo) in de Zee van Alborán (deelgebieden 1 tot en met 3) aangenomen, waarbij een vangstbeperking en een inspanningsbeperking zijn ingevoerd op basis van het gemiddelde niveau dat in de periode 2010-2015 was toegestaan en werd gerealiseerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(16)Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/1 betreffende een reeks beheersmaatregelen voor het gebruik van verankerde visaantrekkende voorzieningen in de visserij op goudmakreel (Coryphaena hippurus) in de Middellandse Zee (geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM) aangenomen, waarbij een maximumaantal voor vissersvaartuigen die vissen op goudmakreel is ingevoerd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(17)Tijdens haar 43e jaarvergadering in 2019 heeft de GFCM Aanbeveling GFCM/43/2019/3 aangenomen tot wijziging van Aanbeveling GFCM/41/2017/4 inzake een meerjarig beheersplan voor de tarbotvisserij in de Zwarte Zee (geografisch deelgebied 29 van de GFCM). In die aanbeveling zijn een bijgewerkte regionale totale toegestane vangst (TAC) en een regeling voor de toewijzing van quota voor tarbot vastgesteld, evenals verdere instandhoudingsmaatregelen voor dit bestand, met name een sluitingsperiode van twee maanden en een beperking tot 180 visdagen per jaar. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.

(18)Overeenkomstig het door de GFCM verstrekte wetenschappelijk advies is het noodzakelijk het huidige niveau van visserijsterfte te handhaven om de duurzaamheid van het sprotbestand in de Zwarte Zee te waarborgen. Het is derhalve passend om voor dit bestand opnieuw een autonoom quotum te bepalen.

(19)De vangstmogelijkheden moeten worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, met inachtneming van de biologische en sociaal-economische aspecten, waarbij een gelijke behandeling van de verschillende visserijsectoren moet worden gegarandeerd, en in het licht van de standpunten die tijdens de raadpleging van de belanghebbende partijen naar voren zijn gebracht.

(20)Bij Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad 5 zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s ingevoerd, waaronder de flexibiliteitsbepalingen van de artikelen 3 en 4 van die verordening voor voorzorgs- en analytische TAC’s. Krachtens artikel 2 van die verordening bepaalt de Raad bij de vaststelling van de TAC’s voor welke bestanden artikel 3 of 4 niet van toepassing is gelet op met name de biologische situatie van de bestanden. Meer recent is de jaarflexibiliteit bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingevoerd voor alle bestanden waarvoor de aanlandingsverplichting geldt. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee zou ondergraven, een belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB en tot een verslechtering van de biologische toestand van de bestanden zou leiden, moet worden bepaald dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen van toepassing mogen zijn op analytische TAC’s wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(21)De bij deze verordening voor vissersvaartuigen van de Unie vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad 6 , en met name de artikelen 33 en 34 van die verordening betreffende de registratie van de vangsten en de visserijinspanning, respectievelijk de melding van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden. Derhalve dient te worden gepreciseerd welke codes de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij gegevens over aanlandingen van onder deze verordening vallende bestanden indienen bij de Commissie.

(22)Om een onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen en om het inkomen van de vissers van de Unie veilig te stellen, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021. Gezien de urgentie dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden.

(23)De vangstmogelijkheden moeten in volledige overeenstemming met het Unierecht worden gebruikt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
Onderwerp

Bij deze verordening worden voor 2021 de beschikbare vangstmogelijkheden vastgesteld voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.

Artikel 2
Toepassingsgebied

1.Deze verordening is van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die de volgende visbestanden exploiteren:

(a)Europese aal (Anguilla anguilla), rood koraal (Corallium rubrum) en goudmakreel (Coryphaena hippurus) in de Middellandse Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder b);

(b)blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea), heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus) en zeebarbeel (Mullus barbatus) in het westelijke deel van de Middellandse Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder c);

(c)ansjovis (Engraulis encrasicolus) en sardine (Sardina pilchardus) in de Adriatische Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder d);

(d)heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus), tong (Solea solea), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) en zeebarbeel (Mullus barbatus) in de Adriatische Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder d);

(e)rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in het Kanaal van Sicilië, zoals omschreven in artikel 4, onder e), in de Ionische Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder f), en in de Levantzee, zoals omschreven in artikel 4, onder g);

(f)zeebrasem (Pagellus bogaraveo) in de Zee van Alborán, zoals omschreven in artikel 4, onder h);

(g)sprot (Sprattus sprattus) en tarbot (Psetta maxima) in de Zwarte Zee, zoals omschreven in artikel 4, onder i).

2.Deze verordening is tevens van toepassing op de recreatievisserij wanneer in de ter zake relevante bepalingen uitdrukkelijk naar deze visserij wordt verwezen.

Artikel 3
Definities 

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1380/2013. Daarnaast gelden de volgende definities:

(a)“internationale wateren”: wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van enige staat vallen;

(b)“recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de levende aquatische rijkdommen van de zee worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden;

(c)“totale toegestane vangst” (TAC):

(i)in visserijen die vallen onder de in artikel 15, leden 4 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling van de aanlandingsverplichting: de hoeveelheid vis die jaarlijks van elk bestand mag worden aangeland;

(ii)in de overige visserijen: de hoeveelheid vis die van elk bestand mag worden gevangen over een periode van een jaar;

(d)“quotum”: een aan de Unie of een lidstaat toegewezen aandeel van de TAC;

(e)“autonoom quotum van de Unie”: vangstbeperking die autonoom aan vissersvaartuigen van de Unie wordt toegewezen bij gebrek aan een overeengekomen TAC;

(f)“analytisch quotum”: een autonoom quotum van de Unie waarvoor een analytische evaluatie beschikbaar is;

(g)“analytische evaluatie”: een kwantitatieve evaluatie van trends in een bepaald bestand, op basis van gegevens over de biologie en de exploitatie van dat bestand die blijkens wetenschappelijke toetsing van toereikende kwaliteit zijn om de basis te vormen voor wetenschappelijke adviezen over opties voor toekomstige vangsten;

(h)“visaantrekkende voorzieningen” of “FAD’s”: op zee drijvende verankerde uitrustingen waarmee wordt beoogd vis aan te trekken.

Artikel 4
Visserijzones

Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende afbakening van visserijzones:

(a)voor de geografische deelgebieden van de GFCM: de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad 7 omschreven gebieden;

(b)voor de Middellandse Zee: de wateren in de geografische deelgebieden 1 tot en met 27 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(c)voor het westelijke deel van de Middellandse Zee: de wateren in de geografische deelgebieden 1, 2, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(d)voor de Adriatische Zee: de wateren in de geografische deelgebieden 17 en 18 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(e)voor het Kanaal van Sicilië: de wateren in de geografische deelgebieden 12, 13, 14, 15 en 16 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(f)voor de Ionische Zee: de wateren in de geografische deelgebieden 19, 20 en 21 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(g)voor de Levantzee: de wateren in de geografische deelgebieden 24, 25, 26 en 27 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(h)voor de Zee van Alborán: de wateren in de geografische deelgebieden 1 tot en met 3 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011;

(i)voor de Zwarte Zee: de wateren in geografisch deelgebied 29 van de GFCM zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011.

TITEL II
VANGSTMOGELIJKHEDEN

HOOFDSTUK I
Middellandse Zee

Artikel 5
Europese aal 

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij Europese aal (Anguilla anguilla) wordt gevangen, met name gerichte, incidentele en recreatievisserij, in alle mariene wateren van de Middellandse Zee, met inbegrip van zoet water en brak overgangswater zoals lagunes en estuaria.

2.Het is voor vissersvaartuigen van de Unie verboden op Europese aal te vissen in wateren van de Unie en internationale wateren van de Middellandse Zee gedurende een periode van drie opeenvolgende maanden die door iedere lidstaat wordt bepaald. De sluitingsperiode van de visserij is in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen van Verordening (EG) nr. 1100/2007, met de bestaande nationale beheersplannen en met de temporele migratiepatronen van de Europese aal in de betrokken lidstaten. De lidstaten brengen de Commissie uiterlijk één maand vóór het begin van de sluitingsperiode en in geen geval later dan 31 januari 2021 op de hoogte van de gekozen periode.

3.Het niveau van de vangsten uit het bestand van Europese aal door vissersvaartuigen van de Unie in de Middellandse Zee mag de in bijlage I bij deze verordening vastgestelde niveaus niet overschrijden.

Artikel 6
Rood koraal

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij rood koraal (Corallium rubrum) wordt geoogst, met name de gerichte en recreatievisserij in de Middellandse Zee.

2.Voor gerichte visserij mogen het maximumaantal vismachtigingen en de maximale oogst uit bestanden van rood koraal door vissersvaartuigen van de Unie en tijdens oogstactiviteiten van de Unie de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde niveaus niet overschrijden.

3.Het is voor vissersvaartuigen van de Unie die onder de bepalingen van lid 2 van dit artikel vallen verboden rood koraal op zee over te laden.

4.Voor recreatievisserij nemen de lidstaten de nodige maatregelen om het oogsten, aan boord houden, overladen en aanlanden van rood koraal te verbieden.

Artikel 7
Goudmakreel

1.Dit artikel is van toepassing op alle commerciële activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij visaantrekkende voorzieningen worden gebruikt voor de vangst van goudmakreel (Coryphaena hippurus) in de internationale wateren van de Middellandse Zee.

2.Het maximumaantal vaartuigen dat op goudmakreel mag vissen, is vastgesteld in bijlage III bij deze verordening.

HOOFDSTUK II
Westelijk deel van de Middellandse Zee

Artikel 8
Demersale bestanden 

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1022 bedoelde demersale bestanden worden bevist in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

2.De maximaal toegestane visserijinspanning is vastgesteld in bijlage IV bij deze verordening. De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning in overeenstemming met artikel 9 van Verordening (EU) 2019/1022.

Artikel 9
Toezending van gegevens 

De lidstaten registreren de visserijinspanningsgegevens en sturen die door aan de Commissie overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2019/1022.

Wanneer de lidstaten inspanningsgegevens overeenkomstig dit artikel bij de Commissie indienen, gebruiken zij de in bijlage IV bij deze verordening vermelde codes van de visserijinspanningsgroepen.

HOOFDSTUK III
Adriatische Zee

Artikel 10
Kleine pelagische bestanden  

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij sardine (Sardina pilchardus) en ansjovis (Engraulis encrasicolus) worden gevangen in de Adriatische Zee.

2.Het maximumniveau van de vangsten mag de in bijlage V bij deze verordening vastgestelde niveaus niet overschrijden.

3.Het aantal visdagen voor vissersvaartuigen van de Unie die vissen op sardine en ansjovis in de Adriatische Zee, bedraagt niet meer dan 180 per jaar. Tijdens dat totaal van 180 visdagen mag ten hoogste 144 visdagen op sardine en ten hoogste 144 visdagen op ansjovis worden gevist.

4.Het maximumaantal vissersvaartuigen dat kleine pelagische bestanden mag bevissen, is vastgesteld in bijlage V bij deze verordening.

Artikel 11
Demersale bestanden  

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij heek (Merluccius merluccius), langoustine (Nephrops norvegicus), tong (Solea solea), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) en zeebarbeel (Mullus barbatus) worden gevangen in de Adriatische Zee.

2.De maximaal toegestane visserijinspanning voor demersale bestanden die onder dit artikel vallen, is vastgesteld in bijlage V bij deze verordening.

3.De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 12
Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden gevangen vis indienen bij de Commissie, gebruiken zij daarvoor de in bijlage II bij deze verordening vermelde bestandscodes.

HOOFDSTUK IV
Ionische Zee, Levantzee en Kanaal van Sicilië

Artikel 13

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) en blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) worden gevangen in de Ionische Zee, de Levantzee en het Kanaal van Sicilië.

2.Het maximumaantal vissersvaartuigen dat demersale bestanden mag bevissen, is vastgesteld in bijlage VI bij deze verordening.

HOOFDSTUK V
Zee van Alborán

Artikel 14

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij zeebrasem (Pagellus bogaraveo) wordt gevangen in de Zee van Alborán.

2.Het maximumniveau van de vangsten mag de in bijlage VII bij deze verordening vastgestelde niveaus niet overschrijden.

HOOFDSTUK VI
Zwarte Zee

Artikel 15
Verdeling van de vangstmogelijkheden voor sprot 

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij sprot (Sprattus sprattus) wordt gevangen in de Zwarte Zee.

2.Het autonome quotum van de Unie voor sprot, de verdeling van dat quotum over de lidstaten en, in voorkomend geval, de voorwaarden die er functioneel verband mee houden, zijn opgenomen in bijlage VIII bij deze verordening.

Artikel 16
Verdeling van de vangstmogelijkheden voor tarbot  

1.Dit artikel is van toepassing op alle activiteiten van vissersvaartuigen van de Unie en andere visserijactiviteiten van de Unie waarbij tarbot (Psetta maxima) wordt gevangen in de Zwarte Zee.

2.De TAC voor tarbot die in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee van toepassing is, en de verdeling van die TAC over de lidstaten en, in voorkomend geval, de voorwaarden die er functioneel verband mee houden, zijn opgenomen in bijlage VIII bij deze verordening.

Artikel 17
Beheer van de visserijinspanning voor tarbot

Het aantal visdagen voor vissersvaartuigen van de Unie die binnen de werkingssfeer van artikel 16 op tarbot mogen vissen, bedraagt, ongeacht de lengte over alles van de vaartuigen, niet meer dan 180 per jaar.

Artikel 18
Sluitingsperiode voor tarbot

Het is voor vissersvaartuigen van de Unie verboden om van 15 april tot en met 15 juni visserijactiviteiten te verrichten, met inbegrip van het overladen, aan boord houden, aanlanden en voor eerste verkoop aanbieden van tarbot, in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee.

Artikel 19

Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden in de Zwarte Zee

1.De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig de artikelen 15 en 16 van deze verordening over de lidstaten verdeeld onverminderd:

(a)uitwisselingen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

(b)kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009; en

(c)verlagingen op grond van de artikelen 105 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit als vastgesteld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 20
Toezending van gegevens 

Wanneer de lidstaten op grond van de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden in de wateren van de Unie in de Zwarte Zee gevangen sprot en tarbot indienen bij de Commissie, gebruiken zij daarvoor de in bijlage III bij de onderhavige verordening vermelde bestandscodes.

TITEL III
SLOTBEPALINGEN

Artikel 21
Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(2)    Verordening (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 1).
(3)    Verordening (EU) 2019/2236 van de Raad van 16 december 2019 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee(PB L 336 van 30.12.2019, blz. 14).
(4)    Verordening (EG) nr. 1100/2007 van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het bestand van Europese aal (PB L 248 van 22.9.2007, blz. 17).
(5)    Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).
(6)    Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008 en (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(7)    Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee (PB L 347 van 30.12.2011, blz. 44).

Brussel, 17.8.2020

COM(2020) 377 final

BIJLAGEN

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee



BIJLAGE I

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN HET KADER VAN HET MEERJARIG GFCM-BEHEERSPLAN VOOR EUROPESE AAL IN HET WESTELIJKE DEEL VAN DE MIDDELLANDSE ZEE

De tabel in deze bijlage bevat het maximumniveau van de vangsten voor vaartuigen die in de Middellandse Zee op Europese aal vissen.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (“GDG’s”).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

 Anguilla anguilla ELE Europese aal

Maximumniveau van de vangsten (in ton levend gewicht)

Soort:

Europese aal

Gebied:

wateren van de Unie in de Middellandse Zee - GDG’s 1-27

Anguilla anguilla

Griekenland

p.m.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Spanje

p.m.

Frankrijk

Kroatië

Italië

p.m.

p.m.

p.m.

Unie

 p.m. 

TAC

Niet relevant/niet overeengekomen

BIJLAGE II

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN HET KADER VAN HET MEERJARIG GFCM-BEHEERSPLAN VOOR ROOD KORAAL IN DE MIDDELLANDSE ZEE 

De tabellen in deze bijlage bevatten de maximaal toegestane aantallen vismachtigingen en vangsten van rood koraal in de Middellandse Zee.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (“GDG’s”).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

 Corallium rubrum COL Rood koraal

Tabel 1. Maximaal toegestane aantal vismachtigingen

Lidstaten

Rood koraal COL

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Kroatië

Italië

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

Tabel 2. Maximumniveau van de geoogste hoeveelheden (in ton levend gewicht)

Soort:

Rood koraal

Gebied:

wateren van de Unie in de Middellandse Zee - GDG’s 1-27

Corallium rubrum

Griekenland

p.m.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Spanje

p.m.

Frankrijk

p.m.

Kroatië

p.m.

Italië

p.m.

Unie

p.m.

TAC

Niet relevant/niet overeengekomen

BIJLAGE III

VISSERIJINSPANNING VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN HET KADER VAN HET BEHEER VAN GOUDMAKREEL IN DE MIDDELLANDSE ZEE

De tabel in deze bijlage bevat het maximumaantal vaartuigen dat op goudmakreel mag vissen in de internationale wateren van de Middellandse Zee.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de internationale wateren van de Middellandse Zee.

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Coryphaena hippurus

DOL

Goudmakreel

Maximaal toegestane aantal vaartuigen actief in internationale wateren

Soort

Goudmakreel

Coryphaena hippurus

Spanje

Italië

Malta

Kroatië

Italië

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

BIJLAGE IV

VISSERIJINSPANNING VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN HET KADER VAN HET BEHEER VAN DEMERSALE BESTANDEN IN HET WESTELIJKE DEEL VAN DE MIDDELLANDSE ZEE

De tabellen in deze bijlage bevatten de maximaal toegestane visserijinspanning (in visdagen) per groep bestanden, zoals omschreven in artikel 1 van Verordening (EU) 2019/1022, en lengte over alles van de vaartuigen voor alle soorten trawls 1* voor de visserij op demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

Alle in deze bijlage vastgestelde maximaal toegestane visserijinspanningen vallen onder de voorschriften van Verordening (EU) 2019/1022 en onder de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (“GDG’s”).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Aristaeomorpha foliacea

ARS

Rode diepzeegarnaal

Aristeus antennatus

ARA

Blauwrode diepzeegarnaal

Merluccius merluccius

HKE

Heek

Mullus barbatus

MUT

Zeebarbeel

Nephrops norvegicus

NEP

Langoustine

Parapenaeus longirostris

DPS

Roze diepzeegarnaal

Maximaal toegestane visserijinspanning in visdagen

a) Zee van Alborán, Balearen, Noord-Spanje en Golfe du Lion (GDG’s 1-2-5-6-7)

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Zeebarbeel in GDG’s 1, 5, 6 en 7; heek in GDG’s 1, 5, 6 en 7; roze diepzeegarnaal in GDG’s 1, 5 en 6; langoustine in GDG’s 5 en 6

< 12 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF1/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF1/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF1/MED1_TR3

≥ 24 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF1/MED1_TR4

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Blauwrode diepzeegarnaal in GDG’s 1, 5, 6 en 7

< 12 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF2/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF2/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF2/MED1_TR3

≥ 24 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF2/MED1_TR4

Tabel b) Corsica, Ligurische Zee, Tyrreense Zee en Sardinië (GDG’s 8‐9‐10‐11)

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Zeebarbeel in GDG’s 9, 10 en 11; heek in GDG’s 9, 10 en 11; roze diepzeegarnaal in GDG’s 9, 10 en 11; langoustine in GDG’s 9 en 10

< 12 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF1/MED2_TR1

≥ 12 m en < 18 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF1/MED2_TR2

≥ 18 m en < 24 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF1/MED2_TR3

≥ 24 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF1/MED2_TR4

Bestandsgroep

Lengte over alles van de vaartuigen

Spanje

Frankrijk

Italië

Code visserijinspanningsgroep

Rode diepzeegarnaal in GDG’s 9, 10 en 11

< 12 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF2/MED2_TR1

≥ 12 m en < 18 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF2/MED2_TR2

≥ 18 m en < 24 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF2/MED2_TR3

≥ 24 m

p.m.

p.m.

p.m.

EFF2/MED2_TR4

BIJLAGE V

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN DE ADRIATISCHE ZEE

De tabellen in deze bijlage bevatten de vangstmogelijkheden per groep bestanden of inspanningsgroep en, in voorkomend geval, de voorwaarden die daar functioneel verband mee houden, evenals het maximumaantal vissersvaartuigen dat kleine pelagische bestanden mag bevissen.

Alle in deze bijlage vastgestelde vangstmogelijkheden vallen onder de voorschriften van de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (GDG’s).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Engraulis encrasicolus

ANE

Ansjovis

Merluccius merluccius

HKE

Heek

Mullus barbatus

MUT

Zeebarbeel

Nephrops norvegicus

NEP

Langoustine

Parapenaeus longirostris

DPS

Roze diepzeegarnaal

Sardina pilchardus

PIL

Sardine

Solea solea

SOL

Tong

1.Kleine pelagische bestanden — GDG’s 17 en 18

Maximumniveau van de vangsten (in ton levend gewicht)

Soort:

Kleine pelagische soorten  
(ansjovis en sardine)

Engraulis encrasicolus  
en Sardina pilchardus

Gebied:

wateren van de Unie en internationale wateren van GFCM-GDG's 17 en 18

(SP1/GF1718)

Unie

96 625

(1) (2)

Maximumniveau van de vangsten

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

TAC

Niet relevant

(1)    Voor Slovenië zijn de hoeveelheden gebaseerd op de vangstniveaus van 2014, voor een totale hoeveelheid van maximaal 300 ton.

(2)    Beperkt tot Kroatië, Italië en Slovenië.

Maximumaantal vissersvaartuigen dat kleine pelagische bestanden mag bevissen

Soort

Sardine

Sardina pilchardus

Ansjovis

Engraulis encrasicolus

Italië

Kroatië

Slovenië

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

2.Demersale bestanden — GDG’s 17 en 18

Maximaal toegestane visserijinspanning (in visdagen) voor soorten trawls voor de visserij op demersale bestanden in de GDG’s 17 en 18 (Adriatische Zee)

Vistuigtype

Bestanden

Lidstaat

Visserijinspanning (visdagen)

Jaar 2021

Code visserijinspanningsgroep

Trawls (OTB)

Heek, roze diepzeegarnaal, langoustine, zeebarbeel

Italië,

GDG’s 17-18

98898 

EFF/MED3_OTB

Kroatië,

GDG’s 17-18

38148 

EFF/MED3_OTB

Slovenië,

GDG 17

 (*1)

EFF/MED3_OTB

Boomkorren (TBB)

Tong

Italië,

GDG 17

7910 

EFF/MED3_TBB

(*1)  Vissersvaartuigen die de vlag van Slovenië voeren en in GDG 17 met OTB-vistuig werken, mogen de inspanningsbeperking van 3 000 visdagen per jaar niet overschrijden.

BIJLAGE VI

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN DE IONISCHE ZEE, DE LEVANTZEE EN HET KANAAL VAN SICILIË

De tabellen in deze bijlage bevatten het maximumaantal vaartuigen dat demersale bestanden mag bevissen in de Ionische Zee, de Levantzee en het Kanaal van Sicilië.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (“GDG’s”).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen van de visbestanden:

Wetenschappelijke naam     Drielettercode     Gewone naam

Aristaeomorpha foliacea

ARS

Rode diepzeegarnaal

Aristeus antennatus

ARA

Blauwrode diepzeegarnaal

(a) Maximumaantal toegestane vaartuigen in de Ionische Zee (GDG’s 19-20-21)

Soort

Rode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG’s 19, 20 en 21

Blauwrode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG’s 19, 20 en 21

LS

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

(b) Maximumaantal toegestane vaartuigen in de Levantzee (GDG’s 24-25-26-27)

Soort

Rode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG’s 24-25-26-27

Blauwrode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG’s 24-25-26-27

LS

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

(c) Maximumaantal toegestane vaartuigen in het Kanaal van Sicilië (GDG’s 12-13-14-15-16)

Soort

Rode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG’s 12-13-14-15-16

Blauwrode diepzeegarnaal in wateren van de Unie van GDG’s 12-13-14-15-16

LS

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

p.m.

BIJLAGE VII


VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN DE ZEE VAN ALBORÁN

Maximumniveau van de vangsten (in ton levend gewicht)

Soort:

zeebrasem

Gebied:

wateren van de Unie in de Zee van Alborán - GDG’s 1-3

Pagellus bogaraveo

Spanje

p.m.

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Unie

p.m.

TAC

Niet relevant/niet overeengekomen

BIJLAGE VIII

VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN DE ZWARTE ZEE

De tabellen in deze bijlage bevatten de TAC’s en quota in ton levend gewicht per bestand en, in voorkomend geval, de voorwaarden die er functioneel verband mee houden.

Alle in deze bijlage vastgestelde vangstmogelijkheden vallen onder de voorschriften van de artikelen 26 tot en met 35 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

De verwijzingen naar de visserijzones moeten worden gelezen als verwijzingen naar de geografische deelgebieden van de GFCM (“GDG’s”).

Voor de toepassing van deze bijlage geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Sprattus sprattus

SPR

Sprot

Psetta maxima

TUR

Tarbot

Soort:

Sprot

Gebied:

wateren van de Unie in de Zwarte Zee - GDG 29

Sprattus sprattus

(SPR/F3742C)

Bulgarije

8 032,50

Analytisch quotum

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Roemenië

3 442,50

Unie

11 475

TAC

Niet relevant/niet overeengekomen



Soort:

Tarbot

Gebied:

wateren van de Unie in de Zwarte Zee - GDG 29

Psetta maxima

(TUR/F3742C)

Bulgarije

75

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Roemenië

75

Unie

150

(*)

TAC

857

_________

(*)    Van 15 april tot en met 15 juni 2021 mag niet worden gevist, met inbegrip van het overladen, aan boord houden, aanlanden en voor eerste verkoop aanbieden van vis. 

(1) *    TBB, OTB, PTB, TBN, TBS, TB, OTM, PTM, TMS, TM, OTT, OT, PT, TX, OTP, TSP.