|
11.12.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 417/100 |
RESOLUTIE (EU) 2020/1872 VAN HET EUROPEES PARLEMENT
van 14 mei 2020
met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) voor het begrotingsjaar 2018
HET EUROPEES PARLEMENT,
|
— |
gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving voor het begrotingsjaar 2018, |
|
— |
gezien artikel 100 en bijlage V bij zijn Reglement, |
|
— |
gezien het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0073/2020), |
|
A. |
overwegende dat de definitieve begroting van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (“het Centrum”) voor het begrotingsjaar 2018 volgens zijn staat van ontvangsten en uitgaven (1)16 174 200,21 EUR bedroeg, hetgeen neerkomt op een toename met 2,18 % ten opzichte van 2017; overwegende dat de begroting van het Centrum voornamelijk wordt gefinancierd uit de begroting van de Unie (2); |
|
B. |
overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Centrum voor het begrotingsjaar 2018 (“het verslag van de Rekenkamer”) verklaarde redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening van het Centrum betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn; |
Financieel en begrotingsbeheer
|
1. |
is verheugd dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2018 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 100 %, hetzelfde als in 2017; stelt vast dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 98,02 % bedroeg, hetgeen neerkomt op een toename met 3,31 % ten opzichte van het voorgaande jaar; |
Functioneren
|
2. |
stelt vast dat het Centrum de verwezenlijking van zijn 66 jaarlijkse streefdoelen meet aan de hand van vijftig kernprestatie-indicatoren die onderverdeeld zijn in acht strategische doelstellingen, om de meerwaarde van zijn activiteiten te bepalen en zijn begrotingsbeheer te verbeteren; merkt op dat het Centrum in 2019 een nieuw prestatiemodel heeft ingevoerd dat gebaseerd is op tien kernprestatie-indicatoren, aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de gewenste output wordt verwezenlijkt en hoe doeltreffend er wordt omgegaan met de daartoe toegewezen middelen; |
|
3. |
neemt kennis van het feit dat het Centrum 85 % van de in het werkprogramma voor 2018 geplande output en resultaten heeft behaald en erin is geslaagd het eerste jaar van zijn strategie voor 2025 ten uitvoer te leggen; |
|
4. |
spoort het Centrum ertoe aan zijn diensten verder te digitaliseren; |
|
5. |
merkt met tevredenheid op dat het Centrum nog altijd synergieën onderhoudt met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van bedrijfs- en ondersteunende diensten en het beheer van gemeenschappelijke gebouwen in Lissabon, en dat deze synergieën ook betrekking hebben op ICT, telecommunicatie en internetinfrastructuur en -diensten; stelt vast dat er operationele synergieën tot stand zijn gebracht met andere agentschappen van de Unie op het vlak van justitie, binnenlandse zaken en gezondheid; prijst de agentschappen voor deze vorm van samenwerking en meent dat daaraan een voorbeeld moet worden genomen; |
|
6. |
wijst op het belangrijke takenpakket van het Centrum, dat onder meer bestaat uit het verstrekken van analyses en gegevens over drugs en drugsverslaving aan beleidsmakers en beroepsbeoefenaars en het signaleren van nieuwe trends op dit gebied, zodat misbruik van en handel in illegale drugs doeltreffend kunnen worden bestreden; herinnert eraan dat drugshandel een van de voornaamste inkomstenbronnen en een belangrijk middel voor rekrutering is voor de georganiseerde criminaliteit en terrorisme; herinnert eraan dat het mandaat van het Centrum in 2018 is verruimd, onder meer opdat het Centrum nieuwe taken kon gaan vervullen en formele partnerschappen kon aangegaan met andere EU-agentschappen, zoals Europol; |
|
7. |
is van oordeel dat de vaststelling van het programmeringsdocument van het Centrum 2019-2021, dat volledig gebaseerd is op de EMCDDA-strategie 2025 (3), een belangrijk onderdeel vormt van het strategische en operationele planningskader van het Centrum; |
Personeelsbeleid
|
8. |
stelt vast dat de personeelsformatie op 31 december 2018 voor 96,05 % was ingevuld, aangezien er negen ambtenaren en 64 tijdelijke functionarissen waren aangesteld van de tien ambtenaren en 66 tijdelijke functionarissen die in het kader van de begroting van de Unie waren toegestaan (ten opzichte van 77 toegestane posten in 2017); stelt vast dat er in 2018 verder nog 29 contractanten en één gedetacheerde nationale deskundige voor het Centrum werkten; |
|
9. |
merkt op dat het Centrum heeft vermeld dat er in 2018 sprake was van een goed genderevenwicht binnen de raad van bestuur, die bestond uit vijftien mannelijke leden en veertien vrouwelijke leden; |
|
10. |
merkt met tevredenheid op dat het Centrum beschikt over algemene bepalingen over het scheppen en in stand houden van een werkcultuur die gestoeld is op waardigheid en respect ter voorkoming en bestrijding van intimidatie; constateert dat dit mogelijkheden voor vertrouwelijke begeleiding biedt; |
Aanbestedingen
|
11. |
is verheugd dat het Centrum een aanbestedingsplan heeft opgesteld dat in overeenstemming is met zijn beheersplan, dat in nauwe samenwerking met alle eenheden met succes is uitgevoerd; |
|
12. |
merkt op dat het Centrum volgens het verslag van de Rekenkamer geen redelijk aantal inschrijvers heeft aangetrokken bij aanbestedingsprocedures met een lage waarde en stelt vast dat bij vijf van deze procedures door slecht één kandidaat een inschrijving werd ingediend en dat bij één procedure twee inschrijvingen werden ingediend; stelt vast dat het Centrum, volgens zijn antwoord, het aantal inschrijvers dat volgens de geldende financiële regels vereist is om de nodige concurrentie te waarborgen, naar behoren heeft uitgenodigd; verzoekt het Centrum zijn lopende inspanningen voort te zetten om ervoor te zorgen dat alle openbare aanbestedingsprocedures in overeenstemming zijn met het beginsel van eerlijke mededinging en om het voor kandidaten makkelijker te maken om aan zijn aanbestedingsprocedures met een lage waarde deel te nemen; |
Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie
|
13. |
neemt kennis van de bestaande maatregelen en lopende inspanningen van het Centrum om transparantie te waarborgen, belangenconflicten te voorkomen en ermee om te gaan, en klokkenluiders te beschermen; stelt met tevredenheid vast dat de cv’s en belangenverklaringen van de directeur en de leden van het wetenschappelijk comité op de website van het Centrum zijn geplaatst; |
|
14. |
benadrukt dat uit een recente studie, die in opdracht van de Commissie verzoekschriften van het Parlement werd verricht (4), is gebleken dat er een potentieel risico bestaat op belangenconflicten, aangezien het Centrum gebruikmaakt van deskundigen en met name aangezien het wetenschappelijk comité zelfstandig besluiten neemt; |
Interne controles
|
15. |
merkt op dat alle noodzakelijke aanbevelingen uit het goedgekeurde actieplan in 2018 zijn uitgevoerd, naar aanleiding van het verslag van de dienst Interne Audit (IAS) van de Commissie over de analyse van de behoefte aan ondersteuning van processen voor gegevensverzameling, validering en kwaliteitsborging en over de evaluatie van het beheerskader voor gegevenskwaliteit van het Centrum en de afstemming daarvan op de EMCDDA-strategie 2025; |
|
16. |
stelt met bezorgdheid vast dat verscheidene aanbevelingen in het kader van de controle van de IAS van 2015 van het beheer van IT-projecten volgens het Centrum slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd en dat twee aanbevelingen nog niet altijd waren uitgevoerd tegen het einde van 2018; merkt evenwel op dat deze twee aanbevelingen naar verwachting tegen medio 2019 zouden worden uitgevoerd; verzoekt het Centrum de kwijtingsautoriteit uiterlijk in juni 2020 op de hoogte te stellen van de vorderingen op dit gebied; |
|
17. |
merkt op dat de arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten overeenkomstig het verslag van de Rekenkamer en krachtens Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) en de Portugese arbeidswetgeving dezelfde moeten zijn als die voor werknemers die rechtstreeks in dienst zijn genomen door de inlenende onderneming; merkt echter op dat de uitzendbureaus in de desbetreffende overeenkomsten niet expliciet verplicht werden om deze voorwaarden in acht te nemen en dat niet kan worden bewezen dat het Centrum zelf de arbeidsvoorwaarden van zijn eigen personeel en die van uitzendkrachten heeft vergeleken, wat veilige, voorspelbare arbeidsomstandigheden voor het personeel ondermijnt en risico’s met betrekking tot geschillen en voor de reputatie van het Centrum met zich meebrengt; merkt op dat de overeenkomst tussen het Centrum en het uitzendbureau volgens het antwoord van het Centrum een verwijzing bevat naar de verplichting van het Centrum om te voldoen aan alle aspecten van de toepasselijke wetgeving en dat het uitzendbureau krachtens deze overeenkomst als partij het risico loopt op geschillen; onderstreept niettemin dat dergelijke situaties voor het Centrum nog altijd een groot risico op reputatieschade mee zich meebrengen; is verheugd dat het Centrum zijn beleid inzake de inzet van uitzendkrachten onder de loep neemt om ervoor te zorgen dat dit beter aansluit bij het recht van de lidstaat waarin het Centrum is gevestigd, in overeenstemming met zijn operationele behoeften en het toepasselijke rechtskader; verzoekt het Centrum de arbeidsvoorwaarden van zijn uitzendkrachten te bestuderen en ervoor te zorgen dat deze in overeenstemming zijn met de Europese en nationale arbeidswetgeving; verzoekt het Centrum de kwijtingsautoriteit uiterlijk in juni 2020 op de hoogte te stellen van de vorderingen op dit gebied; |
|
18. |
merkt op dat de Unie in 2006 een overeenkomst heeft ondertekend met Noorwegen waarin de formule voor de berekening van de financiële bijdrage van Noorwegen aan het Centrum is vastgelegd, evenals de drempel voor de minimumbijdrage, die jaarlijks moet worden bijgesteld op basis van de prijsontwikkelingen en het bruto nationaal inkomen in de Unie; stelt met bezorgdheid vast dat de begrotingssubsidie van de EU tussen 2007 en 2018 met 24 % is toegenomen, maar de bijdrage van Noorwegen nagenoeg gelijk is gebleven; neemt ter kennis dat er volgens het antwoord van het Centrum geen lineair verband bestaat tussen de verhoging van de subsidie van de Unie en de bijdrage van Noorwegen, en dat het Centrum niet over de vereiste rechtsbevoegdheid beschikt om een andere formule of methode te kiezen voor de aanpassing van de minimumbijdrage voor Noorwegen; verzoekt het Centrum de minimumbijdrage voor Noorwegen volgens de overeengekomen voorwaarden aan te passen; |
|
19. |
vraagt het Centrum zich te richten op de verspreiding van de resultaten van zijn onderzoek onder het publiek en contact te leggen met het publiek via de sociale en andere media; |
|
20. |
verwijst voor andere opmerkingen van horizontale aard bij het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 14 mei 2020 (6) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen. |
(1) PB C 29 van 23.1.2019, blz. 1.
(2) PB C 29 van 23.1.2019, blz. 2.
(3) Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, “EMCDDA Strategy 2025”, Lissabon, maart 2017; http://www.emcdda.europa.eu/publications/work-programmes-and-strategies/strategy-2025_en
(4) https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2020/621934/IPOL_STU(2020)621934_EN.pdf
(5) Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid (PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9).
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2020)0121.