29.11.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 403/2


Mededeling van de Commissie — Handboek inzake de overbrenging van gevonniste personen en vrijheidsstraffen in de Europese Unie

(2019/C 403/02)

INHOUDSOPGAVE

LIJST VAN AFKORTINGEN 5
WOORD VOORAF 6
INLEIDING EN ALGEMENE WETTELIJKE CONTEXT 6

1.

Overzicht 6

1.1.

Belangrijkste kenmerken van het kaderbesluit 7

1.1.1.

Toezending 8

1.1.2.

Certificaat 8

1.1.3.

Vonnis 8

1.1.4.

Sanctie 8

1.1.5.

De beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat 9

1.2.

Het beginsel van wederzijdse erkenning 9

1.3.

Rechtsgevolgen van EU-kaderbesluiten 9

1.4.

Artikel 267 VWEU: prejudiciële procedure 10
DEEL I: TOEZENDING VAN EEN VONNIS EN EEN CERTIFICAAT 10

2.

Vereisten aan de toezending 10

2.1.

Toepassingsgebied van het kaderbesluit 10

2.1.1.

Ratione personae 10

2.1.2.

Ratione materiae 10

2.1.3.

Ratione temporis 11

2.2.

Bevoegde autoriteiten 11

2.3.

Keuze van de tenuitvoerleggingsstaat 11

2.3.1.

Scenario’s op grond van artikel 4, lid 1 11

2.3.2.

Toezending aan de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij of zij zijn of haar woonplaats heeft (artikel 4, lid 1, onder a)) 12

2.3.3.

Toezending aan de lidstaat waarheen de persoon zal worden uitgewezen (artikel 4, lid 1, onder b)) 12

2.3.4.

Toezending aan een andere lidstaat die instemt met de toezending (artikel 4, lid 1, onder c)) 12

2.4.

Geïnformeerde toestemming van de gevonniste persoon 13

2.5.

Toestemming van de tenuitvoerleggingsstaat 13

2.6.

Mening van de gevonniste persoon 14

2.7.

Beoordeling van de reclassering 14

2.7.1.

De beslissingsstaat moet zich ervan vergewissen dat de sanctie de reclassering ten goede zal komen 14

2.7.2.

Overleg met de tenuitvoerleggingsstaat waar passend 14

2.7.3.

Definitie van reclassering 15

2.7.4.

Modaliteiten van de tenuitvoerlegging van sancties 15

2.8.

De lijst van 32 strafbare feiten die aanleiding geven tot overlevering zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid 15

2.9.

Kwetsbare groepen: minderjarigen en personen met een psychische aandoening en overdracht van een maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg 16

2.10.

Overwegingen van de beslissingsstaat ten aanzien van de grondrechten 16

3.

Procedure voor de toezending 17

3.1.

Subjecten die recht hebben om de procedure in te stellen 17

3.2.

Procedure voor het verkrijgen van de mening van de gevonniste persoon 17

3.3.

Kennisgeving aan de gevonniste persoon (artikel 6, lid 4, en het formulier van bijlage II) 18

3.4.

Toe te zenden documenten 18

3.4.1.

Certificaat 18

3.4.2.

Vonnis 19

3.5.

Nuttige aanvullende informatie van de beslissingsstaat 22

3.6.

Toezending (doorgifte) 22

3.7.

Verzoek om informatie over bepalingen inzake vroegtijdige of voorwaardelijke invrijheidsstelling 22

3.8.

Verzoek om voorlopige aanhouding 23

3.9.

Intrekking van het certificaat 23
DEEL II: ERKENNING VAN HET VONNIS EN TENUITVOERLEGGING VAN DE SANCTIE 24

4.

Procedure voor de erkenning 24

4.1.

Termijn voor het nemen van een besluit over de erkenning en rechtsmiddelen tegen het besluit tot overbrenging 24

4.2.

Verzoek om vertaling van het vonnis 24

4.3.

Uitstel 24

4.4.

Voorlopige aanhouding 25

5.

Besluit over de erkenning en tenuitvoerlegging 25

5.1.

Algemene erkennings- en tenuitvoerleggingsplicht 25

5.2.

Toestemming van de tenuitvoerleggingsstaat 25

5.3.

De lijst van 32 strafbare feiten waarvoor geen toetsing van de dubbele strafbaarheid plaatsvindt 25

5.4.

Aanpassing van de sanctie 26

5.5.

Gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging 27

5.5.1.

Onvolledig of incorrect certificaat (artikel 9, lid 1, onder a)) 27

5.5.2.

Niet-vervulling van de criteria voor toezending (artikel 9, lid 1, onder b)) 27

5.5.3.

Ne bis in idem (artikel 9, lid 1, onder c)) 27

5.5.4.

Ontbreken van dubbele strafbaarheid (artikel 9, lid 1, onder d)) 27

5.5.5.

Tenuitvoerlegging van de verjaarde sanctie (artikel 9, lid 1, onder e)) 28

5.5.6.

Immuniteit op grond van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 9, lid 1, onder f)) 28

5.5.7.

Leeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid (artikel 9, lid 1, onder g)) 28

5.5.8.

Het nog te ondergane deel van de sanctie is te kort (artikel 9, lid 1, onder h)) 28

5.5.9.

Processen bij verstek (artikel 9, lid 1, onder i)) 28

5.5.10.

Vervolging wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit (artikel 9, lid 1, onder j)) 29

5.5.11.

Maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg die tot vrijheidsbeneming strekt (artikel 9, lid 1, onder k)) 30

5.5.12.

Extraterritorialiteit (artikel 9, lid 1, onder l)) 30

5.6.

Gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging 30

6.

Overbrenging van de gevonniste persoon 30

6.1.

Termijnen voor de fysieke overbrenging 30

6.2.

Doortocht via een andere lidstaat 30

6.3.

Kosten van de overbrenging 31

6.4.

Reisdocumenten 31

7.

Tenuitvoerlegging van de sanctie 31

7.1.

Op de tenuitvoerlegging toepasselijk recht 31

7.2.

Strafverkorting 31

7.3.

Vervroegde en voorwaardelijke invrijheidstelling 31

7.4.

Amnestie, gratie 31

7.5.

Herziening van het vonnis 32

7.6.

Recht tot tenuitvoerlegging 32

7.7.

Communicatie- en informatieverplichtingen 32

8.

Specialiteitsregel 49
DEEL III: DIVERSEN 33

9.

Communicatie tussen de bevoegde autoriteiten in de verschillende fasen van de procedure 33

10.

Relatie tot andere overeenkomsten 34

11.

Verbanden met andere instrumenten inzake justitiële samenwerking in strafzaken 34

11.1.

Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel 34

11.2.

Andere instrumenten 35

11.2.1.

Richtlijn 2012/29/EU betreffende rechten van slachtoffers 35

11.2.2.

Kaderbesluit 2008/947/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen 35
BIJLAGE I — Kaderbesluit 2008/909/JBZ, niet-officiële geconsolideerde tekst 37
BIJLAGE II — Overbrengingscertificaat 52
BIJLAGE III — Kennisgeving aan de gevonniste persoon 58
BIJLAGE IV — Stroomschema van Kaderbesluit 2008/909/JBZ 59
BIJLAGE V — Informatiebronnen 60
BIJLAGE VI — Lijst van arresten van het Hof van Justitie met betrekking tot Kaderbesluit 2008/909/JBZ 61
BIJLAGE VII — Lijst van arresten van het Hof van Justitie met betrekking tot Kaderbesluit 2002/584 62

Lijst van afkortingen

Schengenovereenkomst

Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 19 juni 1990

EAB

Europees aanhoudingsbevel

EVRM

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

EHRM

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

EJN

Europees justitieel netwerk

EuroPris

Europese Organisatie van gevangenis- en correctionele diensten

Kaderbesluit 2002/584

Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten

Het kaderbesluit

Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

Kaderbesluit 2008/947

Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen

Kaderbesluit 2009/299

Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, Kaderbesluit 2005/214/JBZ, Kaderbesluit 2006/783/JBZ, Kaderbesluit 2008/909/JBZ en Kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces

VEU

Verdrag betreffende de Europese Unie

VWEU

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Slachtoffersrichtlijn

Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ

Verdrag van de Raad van Europa van 1983

Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983

Aanvullend Protocol van 1997

Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen van 18 december 1997

Afwijzing van aansprakelijkheid:

Dit handboek is juridisch niet bindend en er is niet gestreefd naar volledigheid. Het handboek laat het bestaande Unierecht en de toekomstige ontwikkeling daarvan onverlet. Ook wordt de gezaghebbende uitlegging van het Unierecht door het Hof van Justitie van de Europese Unie door dit handboek onverlet gelaten.

WOORD VOORAF

Dit handboek is bedoeld als praktische leidraad voor de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten die zijn aangewezen voor de toepassing van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 (hierna: “het kaderbesluit”), als gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 inzake verstekprocessen (1) (hierna: “Kaderbesluit 2009/299”). De datum waarop de lidstaten aan het kaderbesluit moesten voldoen was 5 december 2011. Bij het opstellen van dit handboek heeft de Commissie rekening gehouden met de opvattingen van mensen uit de praktijk zoals die zijn geuit tijdens een groot aantal in samenwerking met de Europese Organisatie van gevangenis- en correctionele diensten (hierna: “EuroPris”) georganiseerde vergaderingen met deskundigen waar de deelnemers de praktische uitdagingen en belemmeringen bij de toepassing van dit instrument en de overbrenging van gedetineerden met elkaar bespraken (2). Ook is een ontwerpdocument ter raadpleging aan deskundigen voorgelegd. Op 5 februari 2014 heeft de Commissie een verslag over de uitvoering van het kaderbesluit gepubliceerd (3).

Het handboek is te vinden op internet via https://e-justice.europa.eu en op de website van het Europees justitieel netwerk (hierna: “EJN”) (4) in alle officiële talen van de Unie.

Informatie over de uitvoering van het kaderbesluit en de verklaringen van de verschillende lidstaten zijn te vinden op de website van het EJN (5).

Een nuttig document, met praktische richtsnoeren, is het “Resource Book on the Transfer of Sentenced Persons” (boek met hulpmiddelen voor de overbrenging van gevonniste personen) (6) van EuroPris.

Volgens artikel 3 van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad is een van de doelen van Eurojust het verbeteren van de tenuitvoerlegging van verzoeken en beslissingen op het gebied van justitiële samenwerking, waaronder verzoeken en beslissingen die zijn gebaseerd op instrumenten die uitvoering geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning. Eurojust kan de overbrenging van gevonniste personen dus vergemakkelijken of coördineren (7).

De informatie in dit handboek is bijgewerkt tot 1 juli 2019.

INLEIDING EN ALGEMENE WETTELIJKE CONTEXT

1.   Overzicht

De justitiële betrekkingen tussen de lidstaten steunen op onderling vertrouwen in elkaars rechtsstelsels. Dit vertrouwen maakt het voor de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk om beslissingen van de autoriteiten van de beslissingsstaat te erkennen, waarbij de tenuitvoerleggingsstaat slechts beperkte mogelijkheden heeft om zich tegen die erkenning te verzetten.

In de afgelopen decennia is het steeds vaker gebeurd dat EU-lidstaten burgers van andere lidstaten veroordelen tot vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen. (8) Uit de meest recente beschikbare cijfers (9) blijkt dat het percentage burgers uit andere EU-lidstaten onder de totale gevangenisbevolking per lidstaat uiteenloopt van 0,3 % (Polen en Roemenië) tot 39,4 % (Luxemburg). Een aantal van deze personen heeft zijn of haar gewone verblijfplaats in de lidstaat waar hij of zij is gedetineerd. Sommige van hen zullen echter mogelijk worden uitgewezen na het uitzitten van hun straf.

Voor veel veroordeelde burgers van EU-lidstaten is de tenuitvoerlegging van de sanctie in de lidstaat van veroordeling mogelijk niet de beste optie voor hun reclassering.

Het kaderbesluit vergroot de mogelijkheden om een veroordeelde buitenlander over te brengen naar een andere EU-lidstaat om de reclassering van die persoon te bevorderen.

Het kaderbesluit is van toepassing op alle EU-burgers en onderdanen van derde landen die in een EU-lidstaat verblijven. Op onderdanen van derde landen die niet in een EU-lidstaat verblijven zijn andere internationale instrumenten voor justitiële samenwerking van toepassing, zoals het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (hierna: “het Verdrag van de Raad van Europa van 1983”) en het Aanvullend Protocol van 18 december 1977 bij dit verdrag (hierna: “het Aanvullend Protocol van 1997”) (10).

Het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 vormde ook een eerste aanzet voor het vergemakkelijken van grensoverschrijdende overbrengingen binnen de EU. Sinds 5 december 2011 heeft het kaderbesluit het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 en het Aanvullend Protocol van 1997 bij dat verdrag vervangen.

Een van de grootste veranderingen in het kaderbesluit ten opzichte van het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 is de overschakeling op een systeem van verplichte overbrenging van gedetineerden in bepaalde situaties, terwijl ook de mogelijkheden voor overbrenging sterk zijn verruimd. De noodzaak dat beide staten en de betrokken persoon moeten instemmen met de overbrenging heeft de toepassing van het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 bemoeilijkt. Als oplossing daarvoor hadden de lidstaten van het Schengengebied al besloten om dat verdrag aan te vullen door de mogelijkheid van “gedwongen overbrenging” te creëren. Volgens de artikelen 67 tot en met 69 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen (hierna: “de Schengenovereenkomst”) van 1990 is toestemming door de betrokkene voor het uitzitten van een straf in het land van zijn of haar nationaliteit niet nodig wanneer die persoon zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een sanctie of van een aanhoudingsbevel door naar dat land te vluchten. Dit nieuwe element in de Schengenovereenkomst is overgenomen in het Aanvullend Protocol van 1997 bij het Verdrag van de Raad van Europa van 1983.

Zowel het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 als het kaderbesluit is primair bedoeld om de reclassering van gedetineerden te vergemakkelijken door buitenlanders die zijn veroordeeld voor een strafbaar feit de mogelijkheid te bieden hun straf in een andere lidstaat uit te zitten.

Tot slot is het kaderbesluit van toepassing op de overbrenging van gedetineerden die hun straf nog moeten uitzitten, en dus niet op de overbrenging van veroordeelde personen die hun straf hebben uitgezeten en daarom niet langer onder een strafprocedure vallen. Het kaderbesluit moet echter worden toegepast in overeenstemming met de Uniewetgeving, waaronder Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. In artikel 28 van die richtlijn wordt bepaald dat EU-burgers alleen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid kunnen worden uitgewezen uit een andere lidstaat.

1.1.   Belangrijkste kenmerken van het kaderbesluit

In het kaderbesluit is vastgelegd in welke situaties en hoe de EU-lidstaten met elkaar zullen samenwerken bij de erkenning van vonnissen en de tenuitvoerlegging van door een andere lidstaat opgelegde sancties om de reclassering van de gevonniste persoon te vergemakkelijken. Het kaderbesluit is bedoeld om de samenwerking efficiënter te maken ten opzichte van de situatie zoals die was geschapen door het Verdrag van de Raad van Europa van 1983, door middel van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning, dat van de lidstaten vereist dat zij vertrouwen hebben in elkaars rechterlijke beslissingen. In het kaderbesluit worden enkele kernelementen van het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 op een andere manier ingevuld.

Het kaderbesluit legt in beginsel een verplichting op om, in twee typen situaties, een verzoek om overbrenging te honoreren. De beslissingsstaat is echter niet verplicht om een vonnis toe te zenden voor de erkenning en tenuitvoerlegging ervan in een andere lidstaat.

Overbrenging kan alleen worden geweigerd op basis van een beperkt aantal gronden voor niet-erkenning of niet-tenuitvoerlegging.

Het kaderbesluit beperkt het aantal situaties waarin toestemming van de gevonniste persoon nodig is. In het Aanvullend Protocol van 1997 was reeds vastgelegd dat deze toestemming niet langer vereist is in geval van overbrenging naar een staat waarheen de betrokkene is gevlucht (11) of wanneer tegen de gevonniste persoon een bevel tot verwijdering of uitzetting naar de aangezochte staat is uitgevaardigd. (12) Naast deze twee uitzonderingen wordt in het kaderbesluit nog een derde uitzondering genoemd, namelijk die van een overbrenging naar de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij of zij woont.

De traditionele toetsing van de dubbele strafbaarheid (13) is afgeschaft en vervangen door een lijst van 32 strafbare feiten (al kunnen de lidstaten die toetsing wel handhaven (14)).

Het rechtsinstrument schrijft een duidelijk tijdschema voor de procedure voor.

Het kaderbesluit voorziet in de voortgezette tenuitvoerlegging van de door de beslissingsstaat opgelegde sancties, met slechts beperkte mogelijkheden voor de tenuitvoerleggingsstaat om de sanctie aan te passen, onder zeer strikte voorwaarden. De beslissingsstaat heeft het laatste woord over de overbrenging, indien hij akkoord is met de aanpassing van de sanctie en de modaliteiten van de tenuitvoerlegging daarvan.

1.1.1.   Toezending

Het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, indien passend na overleg met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan heeft vergewist dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen (artikel 4, lid 2).

1.1.2.   Certificaat

De beslissingsstaat zendt het vonnis toe aan de lidstaat waarnaartoe hij de gevonniste persoon kan overbrengen, d.w.z. de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 4, lid 1). Om dit proces te bespoedigen gaat het vonnis vergezeld van een standaardcertificaat met alle informatie die nodig is voor de overbrenging (artikelen 4 en 5, zie bijlage I bij het kaderbesluit).

Het certificaat moet correct zijn ingevuld en moet overeenstemmen met het vonnis. Het certificaat moet worden ondertekend door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, die moet verklaren dat de inhoud juist is.

Het certificaat moet worden vertaald in de officiële taal — of, wanneer er meerdere officiële talen van toepassing zijn, een van de officiële talen — van de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 23, lid 1). Elke lidstaat kan echter in een bij het secretariaat-generaal van de Raad te deponeren verklaring meedelen dat hij een vertaling in een of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie aanvaardt.

Als onderdelen van het certificaat niet of niet voldoende gedetailleerd zijn ingevuld, heeft dit tot gevolg dat de tenuitvoerleggingsstaat niet over voldoende informatie beschikt om een besluit over de overbrenging te nemen en de beslissingsstaat om aanvullende informatie moet verzoeken, met als gevolg dat het proces vertraging oploopt (zie artikel 9, lid 1, onder a)).

Het standaardcertificaat is beschikbaar in alle officiële EU-talen. Verklaringen over de door de lidstaten aanvaarde talen zijn te vinden op de website van het EJN (15).

In het kaderbesluit worden (in artikel 1, onder a) tot en met d)) enkele definities gegeven die mogelijk nadere toelichting behoeven. In de volgende paragrafen wordt de relevante terminologie van het kaderbesluit gepresenteerd.

1.1.3.   Vonnis

Een “vonnis” is “een door een rechter van de beslissingsstaat gegeven onherroepelijke uitspraak of beschikking waarbij een sanctie aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd”. Het kaderbesluit vereist dat het toe te zenden vonnis of bevel van een rechtbank een onherroepelijke beslissing is (artikel 1, onder a)), d.w.z. dat alle nationale rechtsmiddelen tegen de beslissing zijn uitgeput of dat de termijnen voor het instellen van die rechtsmiddelen zijn verstreken (16).

1.1.4.   Sanctie

Een “sanctie” is een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van bepaalde of onbepaalde duur die wegens een strafbaar feit in een strafprocedure is opgelegd (artikel 1, onder b)).

In artikel 3, lid 3, wordt gespecificeerd dat het kaderbesluit uitsluitend van toepassing is op de erkenning van vonnissen en de tenuitvoerlegging van sancties in de zin van het kaderbesluit. Het feit dat naast de sanctie ook een geldboete is opgelegd of een beslissing tot confiscatie is genomen, die nog niet is betaald of geïnd of nog niet ten uitvoer is gelegd, vormt geen beletsel voor toezending van het vonnis. De wederzijdse erkenning van beslissingen tot oplegging van een boete of tot confiscatie valt niet onder het kaderbesluit, maar onder andere rechtsinstrumenten, zoals Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad (17) inzake de grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van geldelijke sancties en Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad (18) inzake confiscatie.

1.1.5.   De beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat

In het kaderbesluit wordt onder “beslissingsstaat” verstaan “de lidstaat waar het vonnis is gewezen”, en wordt “tenuitvoerleggingsstaat” gedefinieerd als “de lidstaat waaraan het vonnis is toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ervan” (artikel 1, onder c) en d)).

1.2.   Het beginsel van wederzijdse erkenning

Na de bekrachtiging van wederzijdse erkenning als hoeksteen van de justitiële samenwerking in strafzaken lag dit beginsel ook ten grondslag aan het kaderbesluit van 2008 (19).

Dit beginsel houdt in dat een lidstaat rechterlijke beslissingen in strafzaken die in een andere lidstaat zijn gegeven, moet erkennen en uitvoeren, behalve wanneer een van de uitputtende weigeringsgronden van toepassing is. Het beginsel gaat uit van een hoog niveau van “wederzijds vertrouwen” tussen de EU-lidstaten.

Het concept “wederzijds vertrouwen” steunt op de aanname dat alle EU-lidstaten de beginselen van vrijheid, democratie en eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat volledig eerbiedigen.

1.3.   Rechtsgevolgen van EU-kaderbesluiten

Volgens de rechtsgrondslag (artikel 34, lid 2, onder b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: “VEU”), in de versie die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon) zijn kaderbesluiten verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat, doch wordt aan de nationale instanties de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen; kaderbesluiten hebben geen rechtstreekse werking. In het kader van het Verdrag van Lissabon is het kaderbesluit nooit ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd (als bedoeld in artikel 9 van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, dat is vastgesteld bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon). Dientengevolge is de aard van het kaderbesluit niet veranderd en heeft het daardoor geen rechtstreekse werking (20).

Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie komt echter duidelijk naar voren dat het bindende karakter van een kaderbesluit nationale autoriteiten, waaronder nationale rechtbanken, een verplichting oplegt om het nationale recht uit te leggen conform het EU-recht door het gehele nationale recht in acht te nemen en de daarin erkende uitleggingsmethoden toe te passen. Wanneer die rechtbanken nationaal recht toepassen, zijn zij derhalve gehouden om, voor zover mogelijk, dat recht uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van dat kaderbesluit, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken. Deze verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht is inherent aan het systeem van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: “VWEU”), aangezien dit de nationale rechter in staat stelt om binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige geschillen (21).

Wel is het zo dat het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht is gebonden aan bepaalde beperkingen. Zo wordt de verplichting van de nationale rechter om de inhoud van een kaderbesluit te betrekken bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht begrensd door de algemene rechtsbeginselen, en met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht. Deze beginselen sluiten met name een uitlegging uit die ertoe zou leiden dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van personen bepaald of verzwaard zou kunnen worden uitsluitend op grond van een kaderbesluit, onafhankelijk van een wet ter uitvoering van de bepalingen van dat kaderbesluit, wanneer zij die bepalingen hebben geschonden. Bovendien kan het beginsel van conforme uitlegging niet als grondslag dienen voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (22).

De vereiste om het nationale recht uit te leggen conform het EU-recht omvat echter de verplichting voor nationale rechtbanken, met inbegrip van de hoogste rechters, om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een kaderbesluit onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Het is daarom aan de bevoegde rechtbank om te zorgen voor de volle werking van het kaderbesluit door, zo nodig op eigen gezag, de uitlegging van de hoogste rechter buiten toepassing te laten als die uitlegging niet verenigbaar is met het Unierecht (23).

1.4.   Artikel 267 VWEU: prejudiciële procedure

Het Hof van Justitie kan kaderbesluiten uitleggen zoals het elke andere Unierechtelijke handeling kan uitleggen. Op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken kunnen alle rechtbanken van de lidstaten sinds 1 december 2014, in voor hen aanhangig gemaakte gedingen, het Hof van Justitie vragen over de uitlegging van het Unierecht of de geldigheid van Unierechtelijke handelingen voorleggen. Het Hof van Justitie neemt geen beslissing in het geschil zelf. Het staat aan de nationale rechtbank om de zaak af te doen in overeenstemming met het antwoord van het Hof van Justitie, dat ook bindend is voor andere nationale rechtbanken waaraan soortgelijke geschillen worden voorgelegd. De prejudiciële procedure is een niet-contentieuze procedure die het Hof van Justitie in staat stelt om nationale rechtbanken te helpen bij het uitleggen van het Unierecht, zodat zij dat correct kunnen toepassen.

Voor de essentiële kenmerken voor de prejudiciële procedure wordt verwezen naar de “Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures” van het Hof van Justitie (24).

In 2017 was de gemiddelde tijd waarbinnen een prejudiciële procedure werd behandeld minder dan 16 maanden (25). Dat kan een lange tijd zijn voor iemand die zich in detentie bevindt (26). Met het oog daarop heeft het Hof van Justitie sinds 2008 een spoedprocedure voor prejudiciële verwijzingen ingesteld, die de prejudiciële spoedprocedure wordt genoemd (“PPU”— procédure préjudicielle d’urgence). In 2017 bedroeg de gemiddelde tijd waarin deze zaken werden afgehandeld slechts 2,negen maanden (27).

DEEL I: TOEZENDING VAN EEN VONNIS EN EEN CERTIFICAAT

2.   Vereisten aan de toezending

2.1.   Toepassingsgebied van het kaderbesluit

2.1.1.   Ratione personae

De erkenning van een vonnis en de tenuitvoerlegging van een sanctie is van toepassing op alle EU-burgers en onderdanen van derde landen die ofwel in de beslissingsstaat, ofwel in de tenuitvoerleggingsstaat verblijven (artikel 3, lid 2).

2.1.2.   Ratione materiae

Om de reclassering van de gevonniste persoon te vergemakkelijken, valt elke vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van bepaalde of onbepaalde duur die wegens een strafbaar feit in een strafprocedure is opgelegd onder het kaderbesluit (artikel 1, onder b)).

Zoals volgt uit de definitie, kan elk vonnis dat is gewezen in een strafprocedure wegens een strafbaar feit en dat resulteert in een vrijheidsbenemende maatregel overeenkomstig het kaderbesluit worden toegezonden aan een tenuitvoerleggingsstaat. Dat betekent dat beslissingen waarbij detentie wordt opgelegd — na vaststelling van de volledige of gedeeltelijke strafrechtelijke niet-aansprakelijkheid als gevolg van een psychische aandoening (zie overweging 20) — zijn opgenomen in de in het kaderbesluit gebruikte definitie.

Daarnaast vallen ook zogeheten gecombineerde vonnissen — waarbij de rechterlijke autoriteit het noodzakelijk heeft geacht om een combinatie van een vrijheidsbenemende maatregel en een andere, tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zoals psychiatrische behandeling, op te leggen — onder het kaderbesluit.

2.1.3.   Ratione temporis

Het kaderbesluit is van toepassing sinds 5 december 2011 (artikel 26).

Vóór 5 december 2011 ontvangen verzoeken om overbrenging worden behandeld overeenkomstig de bestaande rechtsinstrumenten betreffende de overbrenging van gevonniste personen. Na die datum ontvangen verzoeken worden behandeld overeenkomstig de voorschriften die de lidstaten op grond van het kaderbesluit hebben vastgesteld (artikel 28, lid 1).

Op de datum van vaststelling van het kaderbesluit hadden de lidstaten echter de mogelijkheid om te verklaren dat zij met betrekking tot onherroepelijke vonnissen die dateren van vóór een bepaalde datum (die niet later dan 5 december 2011 kan zijn), de bestaande rechtsinstrumenten inzake de overbrenging van gevonniste personen blijven toepassen (artikel 28, lid 2). Het kaderbesluit is op 27 november 2008 vastgesteld.

Vier lidstaten (Ierland, Malta, Nederland (28) en Polen) hebben een dergelijke verklaring ingediend. Dat hebben die lidstaten echter pas gedaan na de datum van vaststelling van het kaderbesluit, d.w.z. 27 november 2008. Volgens de Commissie zijn deze verklaringen daarom niet geldig en moeten deze lidstaten de tijdslimiet daarom onverwijld uit hun bestaande of voorgestelde omzettingswetgeving schrappen (29).

2.2.   Bevoegde autoriteiten

De belangrijkste actoren die uitvoering geven aan de samenwerking uit hoofde van het kaderbesluit zijn de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat. De lidstaten kunnen zelf, zowel in hun hoedanigheid van beslissingsstaat als in hun hoedanigheid van tenuitvoerleggingsstaat, de autoriteit of autoriteiten aanwijzen die krachtens het nationale recht bevoegd zijn (artikel 2).

Opgemerkt zij dat de definitie van “bevoegde autoriteit” in het kaderbesluit niet is beperkt tot een rechterlijke autoriteit, maar dat de lidstaten naar eigen inzicht kunnen bepalen welke autoriteit of autoriteiten zij het meest geschikt achten om te worden belast met de procedures van dit rechtsinstrument. In sommige lidstaten zijn deze taken toebedeeld aan het ministerie van Justitie, terwijl ze in andere lidstaten zijn toevertrouwd aan rechterlijke of quasi-rechterlijke lichamen. De lidstaten moeten het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie meedelen welke autoriteiten krachtens het nationale recht bevoegd zijn, en de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van de lidstaten en van de Commissie (artikel 2) (30).

Bepaalde lidstaten hebben gekozen voor een gedecentraliseerde structuur, die inhoudt dat alle rechtbanken zijn aangewezen als bevoegde autoriteit. Dit kan leiden tot complicaties bij het vaststellen van de bevoegde autoriteit en tot van elkaar afwijkende benaderingen binnen één en dezelfde lidstaat. Enkele lidstaten hebben dit ondervangen door een centrale autoriteit aan te wijzen die alle inkomende verzoeken behandelt (31).

2.3.   Keuze van de tenuitvoerleggingsstaat

2.3.1.   Scenario’s op grond van artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 1, van het kaderbesluit biedt de mogelijkheid om het vonnis en het certificaat toe te zenden aan:

de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij of zij zijn woonplaats heeft,

OF

de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij of zij niet zijn woonplaats heeft en waarheen hij of zij, na zijn of haar invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis;

OF

een andere lidstaat, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden, afhankelijk van de toestemming van de gevonniste persoon indien dit is vereist (zie artikel 4, lid 3, in samenhang met artikel 4, leden 6 en 7, en artikel 6).

2.3.2.   Toezending aan de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij of zij zijn of haar woonplaats heeft (artikel 4, lid 1, onder a))

Het bepalen van de woonplaats van een persoon voor de doeleinden van artikel 4, lid 1, onder a), is een belangrijk aspect van de correcte toepassing van het kaderbesluit en houdt rechtstreeks verband met het verplichte karakter van die bepaling. Wanneer deze voorwaarde niet is vervuld, zal voor de toezending van het vonnis vaak de toestemming van de gevonniste persoon nodig zijn (zie hieronder voor de andere situaties waarin toestemming niet is vereist).

Het begrip “de staat waar de gevonniste persoon woont” wordt nader verduidelijkt in overweging 17. Volgens deze overweging is de staat waar de gevonniste persoon woont de staat waarmee die persoon verbonden is uit hoofde van een gewone verblijfplaats en, bijvoorbeeld, familiale, sociale of professionele banden (32).

Inspiratie kan ook worden geput uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kozlowski. In de context van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (33) (hierna: “het Kaderbesluit 2002/584”) heeft het Hof geoordeeld dat de band tussen een persoon en de tenuitvoerleggingsstaat moet worden vastgesteld op basis van een globale beoordeling van “verschillende objectieve elementen die de situatie van deze persoon kenmerken, waaronder met name de duur, de aard en de voorwaarden van het verblijf van de gezochte persoon, alsook de familiale en economische bindingen die hij met de uitvoerende lidstaat heeft”. (34) Bovendien heeft het Hof verklaard dat een persoon in een lidstaat “verblijft” wanneer hij of zij, op grond van een duurzaam verblijf in deze lidstaat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene. (35)

2.3.3.   Toezending aan de lidstaat waarheen de persoon zal worden uitgewezen (artikel 4, lid 1, onder b))

Volgens artikel 4, lid 1, onder b), kunnen het vonnis en het certificaat ook worden toegezonden aan de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij na zijn invrijheidstelling zal worden uitgewezen. Deze bepaling kan alleen worden toegepast wanneer het onderliggende uitzettings- of verwijderingsbevel deel uitmaakt van het vonnis of een rechterlijke of bestuursrechtelijke beslissing of van een andere op grond van het vonnis getroffen maatregel.

2.3.4.   Toezending aan een andere lidstaat die instemt met de toezending (artikel 4, lid 1, onder c))

De derde situatie die onder het kaderbesluit valt (artikel 4, lid 1, onder c)) is die waarin de beslissingsstaat het vonnis en het certificaat wil toezenden aan een andere lidstaat dan de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij of zij woont, of waarheen hij of zij zal worden uitgewezen op grond van een uitzettings- of verwijderingsbevel. Dit kan bijvoorbeeld de lidstaat zijn waar de gevonniste persoon verblijft of een studie volgt, of de lidstaat waarvan die persoon onderdaan is, maar waar hij of zij niet woont en ook niet naartoe zal worden uitgewezen.

In die situatie is voorafgaande toestemming van de tenuitvoerleggingsstaat vereist (artikel 4, lid 1, onder c)) en is overleg tussen de bevoegde autoriteiten verplicht (artikel 4, lid 3). De bevoegde autoriteiten dienen daarbij rekening te houden met factoren als de duur van het verblijf of andere banden met de tenuitvoerleggingsstaat. Wanneer de gevonniste persoon krachtens het nationale recht dan wel krachtens internationale regelingen naar een lidstaat of naar een derde land kan wordt overgebracht, dienen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat onderling te overleggen of tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat beter is voor de reclassering van de betrokkene dan tenuitvoerlegging in het derde land (overweging 8).

Voorafgaande toestemming door de gevonniste persoon is altijd vereist, behalve in de specifieke situatie voorzien in artikel 6, lid 2, onder c).

2.4.   Geïnformeerde toestemming van de gevonniste persoon

Een van de nieuwe elementen op het gebied van de overbrenging van gevonniste personen die bij het kaderbesluit zijn ingevoerd — vergeleken met eerdere internationale overbrengingsregelingen — is dat er meer situaties zijn waarin geen toestemming van de gevonniste persoon is vereist.

Toestemming door de gevonniste persoon is niet vereist (artikel 6, lid 2) wanneer:

de persoon een onderdaan van de tenuitvoerleggingsstaat is en daar ook woont, of

de persoon, nadat hij of zij in vrijheid is gesteld, zal worden uitgewezen naar de tenuitvoerleggingsstaat als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis, of van een gerechtelijke of bestuursrechtelijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel, of

de persoon is gevlucht of anderszins is teruggekeerd naar de tenuitvoerleggingsstaat naar aanleiding van de tegen hem of haar in de beslissingsstaat ingestelde strafvervolging of uitgesproken veroordeling.

In alle andere gevallen is de geïnformeerde toestemming van de gevonniste persoon vereist.

Krachtens artikel 6, lid 4, is de beslissingsstaat verplicht de gevonniste persoon ervan in kennis te stellen, door middel van het standaardformulier van de kennisgeving zoals opgenomen in bijlage II en in een taal die de gevonniste persoon kent, dat hij heeft besloten om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden aan de tenuitvoerleggingsstaat (zie ook de paragrafen 3.2. en 3.3). Indien de gevonniste persoon zich op het tijdstip van dat besluit in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, wordt het standaardformulier toegezonden aan de tenuitvoerleggingsstaat, die de betrokkene van het formulier in kennis stelt.

Aangezien reclassering een leidend beginsel is van het kaderbesluit, moet ervoor worden gezorgd dat de betrokkene naar behoren wordt geraadpleegd voordat het besluit tot overbrenging wordt genomen. Daarom wordt aanbevolen dat de beslissingsstaat de gevonniste persoon elementaire informatie verstrekt, zodat hij of zij geïnformeerde toestemming of een geïnformeerde mening kan geven. Deze informatie zou onder meer betrekking kunnen hebben op de logistiek van de overbrenging, detentieregimes in de tenuitvoerleggingsstaat en regelingen voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Wanneer de gevonniste persoon niet instemt met de overbrenging, is overbrenging niet mogelijk indien die toestemming een vereiste is (artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1). Wanneer er geen toestemming is vereist, moet rekening worden gehouden met een negatieve mening van de gevonniste persoon, maar vormt die afwijzing geen grond tot weigering in verband met reclassering (overweging 10).

2.5.   Toestemming van de tenuitvoerleggingsstaat

Toestemming van de tenuitvoerleggingsstaat is vereist in alle situaties die niet onder artikel 4, lid 1, onder a) en b), vallen (bijvoorbeeld wanneer de persoon onderdaan is van de tenuitvoerleggingsstaat, maar daar niet woont en ook niet naartoe zal worden uitgewezen, of wanneer de persoon in de tenuitvoerleggingstaat verblijft maar geen onderdaan van die staat is) (artikel 4, lid 1, onder c)). In dat geval is overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat verplicht en kan de beslissingsstaat samenwerking weigeren door geen toestemming te geven voor de toezending van het vonnis (overweging 8).

Op grond van artikel 4, lid 7, kan elke lidstaat echter verklaren dat zijn voorafgaande toestemming voor de toezending van het vonnis en het certificaat niet is vereist wanneer de gevonniste persoon:

a)

in de tenuitvoerleggingsstaat woont, er sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft en er een permanent verblijfsrecht (36) zal verwerven, en/of

b)

in de andere dan de in artikel 4, lid 1, onder a) en b), bedoelde gevallen, onderdaan is van de tenuitvoerleggingsstaat.

Die verklaring is geldig ten aanzien van andere lidstaten die, op de datum van vaststelling van het kaderbesluit of op een latere datum, dezelfde kennisgeving hebben verricht (artikel 4, lid 7). Verklaringen in de zin van artikel 4, lid 7, kunnen worden gevonden op de website van het EJN (37).

Ter uitvoering van het kaderbesluit moeten de lidstaten maatregelen vaststellen die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in artikel 4, lid 1, onder c), bedoelde gevallen (artikel 4, lid 6).

2.6.   Mening van de gevonniste persoon

Zelfs als er geen toestemming van de gevonniste persoon vereist is, moet de gevonniste persoon, wanneer hij of zij nog steeds in de beslissingsstaat woont, in de gelegenheid worden gesteld om zijn of haar mening over de overbrenging en de erkenning en tenuitvoerlegging van het vonnis (mondeling of schriftelijk) kenbaar te maken (artikel 6, lid 3).

Hoewel de mening van de gevonniste persoon geen weigeringsgrond in verband met reclassering (overweging 10) kan vormen, moet rekening worden gehouden met die mening wanneer de bevordering van de reclassering en de passendheid van de overbrenging worden beoordeeld. Wanneer de gevonniste persoon gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zijn of haar mening te geven, moet die mening bovendien in schriftelijke vorm worden toegezonden aan de tenuitvoerleggingsstaat, zodat deze laatste de mening in aanmerking kan nemen in zijn eigen gemotiveerde advies over het reclasseringsdoel (artikel 6, lid 3).

2.7.   Beoordeling van de reclassering

2.7.1.   De beslissingsstaat moet zich ervan vergewissen dat de sanctie de reclassering ten goede zal komen

Het kaderbesluit moet, ingevolge overweging 15 daarvan, worden toegepast in overeenstemming met het recht van de burgers van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, zoals neergelegd in artikel 18 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat nu is vervat in artikel 21 TWEU.

Zoals hierboven is opgemerkt, is reclassering een belangrijk aspect van het kaderbesluit (38). De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet “zich ervan vergewist [hebben] dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen” (zie overweging 9 en artikel 4, lid 2).

Die bevordering van de reclassering dient niet te worden beoordeeld op basis van de loutere vaststelling van een geografische connectie, maar moet worden gebaseerd op een grondige evaluatie per geval. Daartoe voorziet het rechtsinstrument in een overlegprocedure tussen de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat.

2.7.2.   Overleg met de tenuitvoerleggingsstaat waar passend

Wanneer de beslissingsstaat op al dan niet facultatieve basis overleg pleegt met de tenuitvoerleggingsstaat om vast te stellen dat de reclassering van de gevonniste persoon wordt bevorderd, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat bij gemotiveerd advies meedelen dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat niet zal bijdragen tot de reclassering van de gevonniste persoon. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat behoudt deze mogelijkheid ook in de situatie dat er geen overleg tussen de bevoegde autoriteiten heeft plaatsgevonden. In dat geval kan het advies terstond na de toezending van het vonnis en het certificaat worden meegedeeld. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat neemt het advies in overweging en besluit het certificaat al dan niet in te trekken (artikel 4, lid 4). Het EJN kan bijstand verlenen in het overleg tussen de bevoegde autoriteiten (39).

Opgemerkt zij dat een negatief advies op zichzelf geen weigeringsgrond in verband met reclassering vormt (overweging 10).

Wanneer de beslissingsstaat wordt geconfronteerd met de mening van ofwel de gevonniste persoon, ofwel de tenuitvoerleggingsstaat dat de tenuitvoerlegging van de sanctie niet zal bijdragen tot de reclassering van de gevonniste persoon, zal de beslissingsstaat rekening met deze mening moeten houden en, indien hij de procedure wenst voort te zetten, zich ervan moeten vergewissen dat, niettegenstaande de door de gevonniste persoon of de tenuitvoerleggingsstaat aangevoerde argumenten, de tenuitvoerlegging van de sanctie wel degelijk ten goede zal komen aan de reclassering van de gevonniste persoon (overweging 10).

2.7.3.   Definitie van reclassering

In het kaderbesluit wordt geen uitdrukkelijke definitie van reclassering gegeven, maar wordt wel een niet-uitputtende lijst van factoren verstrekt die kunnen worden gebruikt om te beoordelen of de reclassering van de gevonniste persoon zal worden bevorderd als gevolg van de overbrenging van die persoon. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet rekening houden met factoren als, bijvoorbeeld, de “verbondenheid [van de gevonniste persoon] met de tenuitvoerleggingsstaat, meer bepaald met de overweging of het voor hem [of haar] de plaats is waarmee hij [of zij] familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of andere banden heeft” (overweging 9).

Uit het bovenstaande volgt dat het begrip reclassering in het kader van het kaderbesluit aldus moet worden begrepen dat het passender is dat reclasseringsmaatregelen worden genomen in een staat waarvan de gevonniste persoon de taal begrijpt en waarmee hij of zij nauwe banden heeft. De mogelijkheden tot sociaal contact met familie en vrienden helpen de gevonniste persoon bij zijn of haar terugkeer in de gemeenschap. Dit doel wordt mogelijk niet gediend als de persoon wordt vastgehouden in een land waar hij of zij na het uitzitten van de sanctie waarschijnlijk niet langer zal mogen blijven.

2.7.4.   Modaliteiten van de tenuitvoerlegging van sancties

De vooruitzichten voor reclassering kunnen ook afhankelijk zijn van de modaliteiten van de tenuitvoerlegging van een sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat.

Wanneer de tenuitvoerleggingsstaat — tijdens het overleg of wanneer hij gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om na de toezending van het vonnis en het certificaat een gemotiveerd advies in te dienen — verwacht dat het vonnis zal moeten worden aangepast, kan deze informatie worden opgenomen in het advies inzake de vooruitzichten dat de reclassering van de gevonniste persoon zal worden bevorderd.

Datzelfde geldt voor de bepalingen inzake vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling die mogelijk van toepassing zijn in de tenuitvoerleggingsstaat (zie ook artikel 17). De beslissingsstaat kan de tenuitvoerleggingsstaat verzoeken om informatie over deze tenuitvoerleggingsmodaliteiten, die de tenuitvoerleggingsstaat verplicht is te verstrekken (zie artikel 17, lid 3).

Op deze wijze kan de tenuitvoerleggingsstaat zijn evaluatie van de beoogde overbrenging onderbouwen en ontvangt de beslissingsstaat relevante aanvullende informatie die hem in staat stelt zich ervan te vergewissen dat de overbrenging de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.

2.8.   De lijst van 32 strafbare feiten die aanleiding geven tot overlevering zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid

Voordat zij het vonnis toezendt, dient de bevoegde beslissingsautoriteit te bepalen of een of meer van de strafbare feiten kunnen worden ingedeeld in een van de 32 categorieën waarop de toetsing van dubbele strafbaarheid niet van toepassing is. De lijst van strafbare feiten is opgenomen in artikel 7, lid 1 en ook in het certificaat, waarop de betreffende strafbare feiten, als die op de lijst staan, moeten worden aangevinkt. Artikel 7 is van toepassing wanneer in de beslissingsstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar staat op de strafbare feiten die in de lijst zijn opgenomen.

Daarbij gaat het om het recht van de beslissingsstaat. Dit is bevestigd in het arrest in zaak C-303/05, Advocaten voor de Wereld, die betrekking had op Kaderbesluit 2002/584 (40).

De uitvoerende autoriteit kan de dubbele strafbaarheid alleen toetsen ten aanzien van strafbare feiten die niet in de lijst van 32 categorieën staan.

Diverse lidstaten hebben echter gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de dubbele strafbaarheid in alle gevallen te toetsen (artikel 7, lid 4, zie voetnoot 14). De daartoe strekkende verklaringen kunnen te allen tijde worden ingetrokken.

2.9.   Kwetsbare groepen: minderjarigen en personen met een psychische aandoening en overdracht van een maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg

Een specifieke categorie van gevonniste personen die kwetsbaar zijn in verband met de behandeling, de zorgverlening en de accommodatie zijn minderjarigen en personen met een psychische aandoening. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de toepassing van het kaderbesluit op deze specifieke groepen van plegers van strafbare feiten.

Het kaderbesluit bevat twee bepalingen die van toepassing zijn op situaties waarbij minderjarigen en personen met een psychische aandoening en/of een verslaving zijn betrokken (beide in artikel 9). De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren wanneer:

i)

de sanctie is opgelegd aan een persoon die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat vanwege zijn of haar leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis (artikel 9, lid 1, onder g)), of

ii)

de opgelegde sanctie een maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg omvat die tot vrijheidsbeneming strekt en die, ondanks de mogelijkheid tot aanpassing van de sanctie waarin artikel 8, lid 3, voorziet (41), niet ten uitvoer kan worden gelegd binnen het rechts- of gezondheidszorgsysteem van de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 9, lid 1, onder k));

In de gevallen als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder k), dient de tenuitvoerleggingsstaat, voordat hij de het vonnis en de tenuitvoerlegging van een sanctie die een andere sanctie dan een vrijheidsstraf inhoudt weigert te erkennen, te overwegen of de sanctie niet overeenkomstig dit kaderbesluit kan worden aangepast (zie overweging 19).

Bovendien moet de tenuitvoerleggingsstaat in dit soort situaties, alvorens te besluiten het vonnis niet te erkennen en de sanctie niet ten uitvoer te leggen, langs passende weg overleg plegen met de beslissingsstaat en deze verzoeken om onverwijld de noodzakelijk geachte aanvullende gegevens te verstrekken (artikel 9, lid 3).

De in artikel 9, lid 1, onder k), vermelde weigeringsgrond kan ook worden toegepast in de gevallen waarin de betrokkene niet schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, maar de bevoegde autoriteit een vrijheidsbenemende maatregel, niet zijnde een vrijheidsstraf, heeft toegepast naar aanleiding van een strafbaar feit (zie overweging 20).

Wanneer de beslissingsstaat dat in verband met de leeftijd of de lichamelijke of geestelijke toestand van de gevonniste persoon nodig acht, zal zijn of haar wettelijke vertegenwoordiger in de gelegenheid worden gesteld om zijn of haar mening mondeling of schriftelijk kenbaar te maken (artikel 6, lid 3).

2.10.   Overwegingen van de beslissingsstaat ten aanzien van de grondrechten

In het kaderbesluit worden de grondrechten en de in artikel 6 VEU erkende en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “EU-Handvest van de Grondrechten”) weerspiegelde beginselen in acht genomen (overweging 13).

Het kaderbesluit kan, ingevolge artikel 3, lid 4 daarvan, niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en deze fundamentele rechtsbeginselen wordt gewijzigd.

Daarom moet de beslissingsstaat ervoor zorgen, met name wanneer de toezending van het vonnis zonder toestemming van de gevonniste persoon wordt beoogd, dat de overbrenging, erkenning en tenuitvoerlegging van de sanctie geen afbreuk doen aan de grondrechten van de gevonniste persoon.

In diverse lidstaten zorgen de detentieomstandigheden voor aanzienlijke problemen, waarbij overbevolkte gevangenissen een van de meest dringende kwesties vormen. Onmenselijke of onterende detentieomstandigheden kunnen de toepassing van EU-instrumenten voor wederzijdse erkenning ernstig ondermijnen, omdat deze een schending van de beginselen van zowel het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: “het EVRM”) als het EU-Handvest van de grondrechten kunnen vormen.

Deze kwestie is door het Hof van Justitie vooralsnog echter alleen behandeld in de context van Kaderbesluit 2002/584 (42). Overeenkomstig Kaderbesluit 2002/584 is de tenuitvoerleggingsstaat gebonden aan het beginsel van wederzijdse erkenning en moet hij daarom in beginsel uitvoering geven aan het EAB en de betrokken persoon overleveren aan de beslissingsstaat, tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is. Het kaderbesluit heeft daarentegen betrekking op de overbrenging van gevonniste personen van de beslissingsstaat naar de tenuitvoerleggingsstaat. In dat verband heeft de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis toe te zenden indien er twijfels over de detentieomstandigheden rijzen, ook niet wanneer de andere lidstaat uitdrukkelijk om die toezending heeft verzocht. Artikel 4 van het EU-Handvest van de grondrechten, dat voorziet in het verbod van folteringen en van mensonterende of vernederende behandelingen, is ook van toepassing op de overbrenging van gevangenen, met name in een situatie dat een staat een persoon zonder zijn of haar toestemming wil overbrengen.

3.   Procedure voor de toezending

3.1.   Subjecten die recht hebben om de procedure in te stellen

Het kaderbesluit verleent de beslissingsstaat, de tenuitvoerleggingsstaat en de gevonniste persoon het recht om de procedure die tot een overbrenging zou kunnen leiden in gang te zetten. Afhankelijk van wie de procedure instelt, zijn er echter belangrijke verschillen.

De tenuitvoerleggingsstaat kan de beslissingsstaat uit eigen beweging verzoeken om toezending van het vonnis. Evenzo kan de gevonniste persoon de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat of van de tenuitvoerleggingsstaat verzoeken een procedure in te stellen voor de toezending van het vonnis (artikel 4, lid 5).

In beide scenario’s is de beslissingsstaat echter niet verplicht om te voldoen aan het verzoek om toezending van het vonnis. Dit vloeit logischerwijs voort uit het feit dat de beslissingsstaat de enige partij blijft die op grond van een daartoe strekkende soevereine bevoegdheid vonnis heeft gewezen naar aanleiding van een strafbaar feit. Als zodanig behoudt de beslissingsstaat de vrijheid om een verzoek van de tenuitvoerleggingsstaat en/of de gevonniste persoon eigenstandig te beoordelen.

De beslissingsstaat kan de gevonniste persoon bijvoorbeeld niet wensen over te brengen omdat in de tenuitvoerleggingsstaat een kortere sanctie geldt, rekening houdend met de bepalingen inzake vervroegde en voorwaardelijke invrijheidstelling die van toepassing zijn in die staat. Ook kan de beslissingsstaat, bij het nemen van een beslissing over de staat waar de gevonniste persoon het best de sanctie kan ondergaan, rekening houden met de belangen van het slachtoffer of de slachtoffers. Een lidstaat kan ook onwillig zijn om een persoon over te brengen indien die overbrenging een terugkeer in het criminele milieu in de thuisstaat van die persoon met zich mee zou brengen en niet in het belang van de reclassering van de persoon zou zijn.

De volledige beslissingsbevoegdheid van de beslissingsstaat wordt ook geïllustreerd door artikel 13 van het kaderbesluit, waarin wordt bepaald dat zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, de beslissingsstaat onder opgave van redenen het certificaat kan intrekken. Zie in dit verband ook artikel 17, lid 3.

Daarom is het van belang om op te merken dat de beslissingsstaat van zijn kant niet verplicht is het vonnis en het certificaat toe te zenden, ook niet wanneer dat in het belang van de gevonniste persoon is. Als zodanig heeft een gevonniste persoon geen “recht” op overbrenging (43).

De lidstaten zijn zich er steeds beter van bewust dat bij de tenuitvoerlegging van een sanctie die is opgelegd aan een gevonniste persoon ook de mening van het slachtoffer of de slachtoffers ertoe doet. Zowel in de tenuitvoerleggingsstaat als in de beslissingsstaat kunnen slachtoffers wonen. Veel lidstaten hebben een procedure vastgesteld die slachtoffers de gelegenheid biedt om te worden geraadpleegd over een eventuele overbrenging, waarna rekening moet worden gehouden met hun mening. Dat betekent echter niet dat slachtoffers het recht hebben om een overbrenging tegen te houden.

3.2.   Procedure voor het verkrijgen van de mening van de gevonniste persoon

Wanneer de gevonniste persoon nog steeds in de beslissingsstaat woont, moet hij of zij in de gelegenheid worden gesteld om (mondeling of schriftelijk) zijn of haar mening over de overbrenging en de erkenning en tenuitvoerlegging van het vonnis kenbaar te maken (artikel 6, lid 3). Zijn wettelijke vertegenwoordiger zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld, indien de beslissingsstaat dat in verband met de leeftijd of de lichamelijke of geestelijke toestand van de gevonniste persoon nodig acht.

De gevonniste persoon moet altijd om zijn of haar mening worden gevraagd, ook als zijn of haar toestemming niet vereist is.

Hoewel de mening van de gevonniste persoon geen weigeringsgrond in verband met reclassering kan vormen (overweging 10), moet rekening worden gehouden met die mening wanneer de bevordering van de reclassering en de passendheid van de overbrenging worden beoordeeld (artikel 6, lid 3).

De informatie over de mening van de gevonniste persoon moet worden verstrekt in vak k) van het certificaat:

k)

Mening van de gevonniste persoon:

1.

De gevonniste persoon kon niet worden gehoord omdat hij/zij zich reeds in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt.

2.

De gevonniste persoon bevindt zich in de beslissingsstaat en:

a.

heeft verzocht om toezending van het vonnis en het certificaat

heeft ingestemd met de toezending van het vonnis en het certificaat

heeft niet ingestemd met de toezending van het vonnis en het certificaat (de door de betrokkene opgegeven redenen vermelden):

b.

de mening van de gevonniste persoon is bijgevoegd.

de mening van de gevonniste persoon is toegezonden aan de tenuitvoerleggingsstaat (vermeld datum): dd-mm-jjjj): …

3.3.   Kennisgeving aan de gevonniste persoon (artikel 6, lid 4, en het formulier van bijlage II)

De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet de gevonniste persoon, in een taal die hij of zij kent, ervan in kennis stellen dat is besloten om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden aan de tenuitvoerleggingsstaat door middel van het standaardformulier van de kennisgeving zoals opgenomen in bijlage II. Indien de gevonniste persoon zich op het tijdstip van dat besluit in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, wordt het standaardformulier toegezonden aan de tenuitvoerleggingsstaat, die de betrokkene van het formulier dienovereenkomstig in kennis moet stellen (artikel 6, lid 4).

Bijlage II bij het kaderbesluit bevat een standaardformulier voor de kennisgeving aan de gevonniste persoon.

BIJLAGE II

KENNISGEVING AAN DE GEVONNISTE PERSOON

U wordt hierbij in kennis gesteld van de beslissing van … (bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat) om het vonnis van … (bevoegde rechtbank van de beslissingsstaat) d.d. … (datum van het vonnis) … (referentienummer, indien bekend) aan … (de tenuitvoerleggingsstaat) toe te zenden met het oog op de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de daarin opgelegde sanctie overeenkomstig het nationale recht tot uitvoering van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.

De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van … (tenuitvoerleggingsstaat). De autoriteiten van die staat zijn bevoegd om te besluiten over de tenuitvoerlegging en om alle daarmee verband houdende maatregelen, met inbegrip van de gronden voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, vast te stellen.

De bevoegde autoriteit van … (tenuitvoerleggingsstaat) zal de termijn van vrijheidsbeneming die reeds ten gevolge van de sanctie is ondergaan, volledig in mindering brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die moet worden ondergaan. De bevoegde autoriteit van … (tenuitvoerleggingsstaat) kan de sanctie alleen aanpassen indien de duur of de aard ervan onverenigbaar is met het recht van deze staat. De aangepaste sanctie mag qua aard of duur de in … (beslissingsstaat) opgelegde sanctie niet verzwaren.

3.4.   Toe te zenden documenten

3.4.1.   Certificaat

Het kaderbesluit voorziet in een procedure die verschilt van die van eerdere multilaterale instrumenten: in plaats van een formeel verzoek in te dienen, zendt de beslissingsstaat het vonnis toe aan de lidstaat waarheen hij de gevonniste persoon wenst over te brengen. Om dit proces te bespoedigen gaat het vonnis vergezeld van een standaardcertificaat waarin alle voor de overbrenging benodigde informatie wordt vermeld (artikelen 4 en 5, zie bijlage I bij het kaderbesluit). Het certificaat moet correct zijn ingevuld en moet overeenstemmen met het vonnis. Het certificaat moet worden ondertekend door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, die moet verklaren dat de inhoud juist is (artikel 5, lid 2). Op de website van het EJN is een onlinetool voor het opstellen van het certificaat beschikbaar — de Compendium-tool (44).

Het certificaat moet worden vertaald in de officiële taal — of, wanneer er meerdere officiële talen van toepassing zijn, een van de officiële talen — van de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 23, lid 1). Elke lidstaat kan echter in een bij het secretariaat-generaal van de Raad te deponeren verklaring meedelen dat hij een vertaling in een of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie aanvaardt. Indien onderdelen van het certificaat niet of onvoldoende gedetailleerd zijn ingevuld, resulteert dit in een situatie dat de tenuitvoerleggingsstaat niet over voldoende informatie beschikt om een besluit over de overbrenging te nemen en de beslissingsstaat om aanvullende informatie moet verzoeken, met als gevolg dat het proces vertraging oploopt.

Het standaardcertificaat, in alle officiële talen van de EU, en de verklaringen inzake de door de lidstaten aanvaarde talen, zijn beschikbaar op de website van het EJN (45).

3.4.2.   Vonnis

De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet het vonnis, of een gewaarmerkt afschrift daarvan, samen met het certificaat toezenden.

In de regel zal geen vertaling van het vonnis worden verlangd (artikel 23, lid 2). De tenuitvoerleggingsstaat blijft echter de mogelijkheid behouden om te verzoeken dat het vonnis of essentiële onderdelen ervan vergezeld gaan van een vertaling. Daartoe moeten de lidstaat eerst een verklaring hebben gedeponeerd bij het secretariaat-generaal van de Raad waarin hij te kennen geeft dat hij de gelegenheid wenst te hebben om een dergelijk verzoek in te dienen (artikel 23, lid 3). In de tweede plaats kan een dergelijk verzoek alleen worden gedaan wanneer de tenuitvoerleggingsstaat de inhoud van het certificaat onvoldoende acht om een besluit over de tenuitvoerlegging van de sanctie te kunnen nemen, en zo nodig na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat en van de beslissingsstaat om toe te lichten welke essentiële onderdelen van het vonnis moeten worden vertaald.

De informatie over het vonnis moet worden verstrekt in de vakken h) en i) van het certificaat:

h)

Het vonnis waarbij de sanctie is opgelegd:

1.

Het vonnis betreft in totaal … strafbare feiten.

Samenvatting van de feiten en een beschrijving van de omstandigheden waarin het strafbare feit/de strafbare feiten is/zijn gepleegd, inclusief tijd en plaats, en de aard van de betrokkenheid van de gevonniste persoon:

Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepalingen/wetboek:

2.

Als de onder punt 1 van vak h) genoemde strafbare feiten één of meer van de volgende strafbare feiten — zoals gedefinieerd in de wet van de beslissingsstaat — vormen die in de beslissingsstaat gestraft worden met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar, gelieve dit dan te bevestigen door het overeenkomstige vak/de overeenkomstige vakken aan te kruisen:

deelneming aan een criminele organisatie;

terrorisme;

mensenhandel;

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;

illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

corruptie;

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;

witwassen van opbrengsten van misdrijven;

valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro;

computergerelateerde criminaliteit;

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde plantensoorten en -variëteiten;

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf;

moord en doodslag, zware mishandeling;

illegale handel in menselijke organen en weefsels;

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling;

racisme en vreemdelingenhaat;

georganiseerde of gewapende diefstal;

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen;

oplichting;

chantage (racketeering) en afpersing;

namaak van producten en productpiraterij;

vervalsing van administratieve documenten en handel in valsedocumenten;

vervalsing van betaalmiddelen;

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars;

illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen;

handel in gestolen voertuigen;

verkrachting;

opzettelijke brandstichting;

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhofvallen;

kaping van vliegtuigen/schepen;

sabotage.

3.

Als de in punt 1 genoemde strafbare feiten niet onder punt 2 vallen of indien het vonnis en het certificaat worden gezonden aan een lidstaat die heeft verklaard dat hij de dubbele strafbaarheid zal onderzoeken (artikel 7, lid 4, van het kaderbesluit), gelieve dan een volledige beschrijving van de desbetreffende strafbare feiten te geven:

i)

Status van het vonnis waarbij de sanctie is opgelegd:

1.

Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:

1.

Ja, de betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

2.

Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

3.

Indien u “neen” (keuzemogelijkheid 2) heeft aangekruist, gelieve een van de volgende gevallen te bevestigen:

3.1a.

de betrokkene is persoonlijk gedagvaard op … (dag/maand/jaar) en is daarbij op de hoogte gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt,

OF

3.1b

de betrokkene is niet persoonlijk gedagvaard, maar is anderszins daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt,

OF

3.2.

de betrokkene was op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en is op het proces ook werkelijk door die raadsman verdedigd,

OF

3.3.

nadat de beslissing aan hem was betekend op … (dag/maand/jaar) en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing

heeft de betrokkene uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij de beslissing niet betwist,

OF

heeft de betrokkene niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend.

4.

Gelieve voor het in punt 3.1b, 3.2 of 3.3 aangekruiste vakje te vermelden op welke wijze aan de desbetreffende voorwaarde is voldaan:

2.

Informatie over de duur van de sanctie:

2.1.

Totale duur van de sanctie (in dagen): …

2.2.

De volledige periode van vrijheidsbeneming die al is ondergaan ten gevolge van de sanctie waarop het vonnis betrekking heeft (in dagen): … vanaf […] (vermeld datum waarop de berekening is gemaakt: dd-mm-jjjj): …

2.3.

Het aantal dagen dat van de totale duur van de sanctie moet worden afgetrokken om andere dan de in 2.2. genoemde redenen (bijvoorbeeld amnestie, kwijtschelding of clementie die reeds is verleend met betrekking tot de sanctie): …, vanaf (vermeld datum waarop de berekening is gemaakt: dd-mm-jjjj): …

2.4.

Datum waarop het vonnis in de beslissingsstaat is ondergaan:

Niet van toepassing, omdat de betrokkene zich niet in hechtenis bevindt.

De betrokkene bevindt zich in hechtenis en de sanctie zou volgens het recht van de beslissingsstaat volledig zijn ondergaan op (vermeld datum: dd-mm-jjjj): …

3.

Aard van de sanctie:

vrijheidsstraf

een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel (geef aan welke):

3.5.   Nuttige aanvullende informatie van de beslissingsstaat

Hoewel dit door het kaderbesluit niet wordt vereist, laat de praktijk zien dat bepaalde documenten die verband houden met de gedetineerde worden beschouwd als nuttige aanvulling op het verzoek om overbrenging, of als documenten die kunnen worden gedeeld met de tenuitvoerleggingsstaat wanneer de overbrenging daadwerkelijk plaatsvindt teneinde de hervestiging van de gedetineerde te vergemakkelijken. Deze documenten zijn: antecedenten van de gedetineerde, detentiedossier, verslagen over de beveiliging van de gedetineerde (zie het “Resource Book on the Transfer of Sentenced Persons” van EuroPris) (46).

3.6.   Toezending (doorgifte)

De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zal het vonnis of een gewaarmerkt afschrift van het vonnis, samen met het certificaat, rechtstreeks aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat moeten toezenden. Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de echtheid van het vonnis kan vaststellen, moet dat gebeuren in een vorm die toelaat dat deze documenten schriftelijk worden vastgelegd. Indien de tenuitvoerleggingsstaat daarom verzoekt, moeten het origineel van het vonnis, of een gewaarmerkt afschrift van het vonnis, en het origineel van het certificaat aan de tenuitvoerleggingsstaat worden toegezonden. Alle ambtelijke mededelingen worden eveneens rechtstreeks tussen deze bevoegde autoriteiten uitgewisseld (artikel 5, lid 1).

Het vonnis of een gewaarmerkt afschrift daarvan en een certificaat kunnen aan de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat worden toegezonden in elke vorm, bijvoorbeeld per e-mail of fax, die toelaat dat de documenten schriftelijk worden vastgelegd en die de tenuitvoerleggingsstaat in staat stelt de echtheid ervan vast te stellen (overweging 18).

De beslissingsstaat zendt het vonnis, samen met het certificaat, slechts aan één tenuitvoerleggingsstaat tegelijk toe (artikel 5, lid 3).

Indien de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat onbekend is met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, dient zij, onder meer langs de contactpunten van het EJN, de nodige inlichtingen in te winnen bij de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 5, lid 4) (47).

De autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die een vonnis met een certificaat ontvangt en niet bevoegd is dit te erkennen en de voor de tenuitvoerlegging vereiste maatregelen te nemen, zendt het vonnis met het certificaat ambtshalve toe aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat en stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat hiervan in kennis (artikel 5, lid 5).

3.7.   Verzoek om informatie over bepalingen inzake vroegtijdige of voorwaardelijke invrijheidsstelling

De tenuitvoerlegging van een sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. Alleen de autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn bevoegd om besluiten te nemen over de procedures voor de tenuitvoerlegging en alle daarop betrekking hebbende maatregelen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 17, lid 1).

Hoeveel tijd de gevonniste persoon daadwerkelijk in hechtenis doorbrengt, is grotendeels afhankelijk van de bepalingen inzake vervroegde en voorwaardelijke invrijheidstelling die de tenuitvoerleggingsstaat toepast. Op dit gebied bestaan er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen: in sommige lidstaten wordt de gevonniste persoon na de uitvoering van twee derde van zijn sanctie vrijgelaten, terwijl dat in andere lidstaten na een derde is (48).

De tenuitvoerleggingsstaat moet de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat op verzoek inlichten over de geldende bepalingen betreffende eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissingsstaat kan de toepassing van deze bepalingen accepteren of het certificaat intrekken (artikel 17, lid 3).

Een lidstaat kan bepalen dat bij het nemen van een beslissing tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling tevens rekening kan worden gehouden met de door de beslissingsstaat aangegeven bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de gevonniste persoon op een bepaald tijdstip recht heeft op vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 17, lid 4).

Aanbevolen wordt dat de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat en de gevonniste persoon een duidelijke toelichting op zijn toepasselijke bepalingen inzake voorwaardelijke invrijheidstelling verstrekt. Dit zou kunnen impliceren dat er, naast informatie over de toepasselijke wettelijke bepalingen, ook meer gedetailleerde informatie over de tenuitvoerleggingsmodaliteiten moet worden verstrekt.

De informatie over vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling in de beslissingsstaat moet worden verstrekt in vak j) van het certificaat. Meer gedetailleerde informatie over de toepasselijke bepalingen inzake vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verstrekt in vak l) van het certificaat:

j)

Informatie betreffende vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling:

1.

Naar het recht van de beslissingsstaat komt de gevonniste persoon in aanmerking voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van:

de helft van de sanctie

twee derde van de sanctie

een ander deel van de sanctie (nader te omschrijven):

2.

De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat wenst te worden ingelicht over:

de geldende bepalingen van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat betreffende vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling van de gevonniste persoon;

het begin en het einde van de periode van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.

l)

Andere voor de zaak relevante omstandigheden (niet verplicht):

3.8.   Verzoek om voorlopige aanhouding

Wanneer de gevonniste persoon zich in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, kan de tenuitvoerleggingsstaat de gevonniste persoon op verzoek van de beslissingsstaat aanhouden of een maatregel nemen om ervoor te zorgen dat de gevonniste persoon op zijn grondgebied blijft. Een dergelijk verzoek om aanhouding kan worden ingediend voordat het vonnis en het certificaat zijn ontvangen, of voordat het besluit wordt genomen om al dan niet het vonnis te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen. De duur van de sanctie wordt niet verlengd als gevolg van enigerlei vorm van hechtenis die op grond van de voorlopige aanhouding is ondergaan (artikel 14).

Deze bepaling geeft de vonnissende staat de mogelijkheid om ervoor te zorgen dat de gevonniste persoon niet met de noorderzon vertrekt, bijvoorbeeld in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door de tenuitvoerleggingsstaat naar de vraag of het daadwerkelijk mogelijk is om de tenuitvoerlegging van de sanctie over te nemen.

De informatie over voorlopige aanhouding moet worden verstrekt in vak e) van het certificaat:

e)

Verzoek om voorlopige aanhouding door de beslissingsstaat (indien de gevonniste persoon zich in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt):

De beslissingsstaat verzoekt de tenuitvoerleggingsstaat de gevonniste persoon aan te houden of een andere maatregel te nemen om ervoor te zorgen dat de gevonniste persoon, in afwachting van een besluit betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van de sanctie, het grondgebied niet verlaat.

De beslissingsstaat heeft de tenuitvoerleggingsstaat reeds verzocht de gevonniste persoon aan te houden of een andere maatregel te nemen om ervoor te zorgen dat de gevonniste persoon, in afwachting van een besluit betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van de sanctie, het grondgebied niet verlaat. Gelieve de naam van de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat die de beslissing betreffende het verzoek om aanhouding van de betrokkene heeft genomen te vermelden (indien van toepassing en indien beschikbaar):

3.9.   Intrekking van het certificaat

De beslissingsstaat kan het certificaat onder opgave van redenen intrekken zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 13). De beslissingsstaat kan dan ook, op grond van artikel 17, lid 3, verzoeken om informatie over de modaliteiten van de tenuitvoerlegging van de sanctie van de tenuitvoerleggingsstaat, die in zijn antwoord nauwkeurige informatie moet verstrekken. Vervolgens, nog voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, kan de beslissingsstaat besluiten het certificaat in te trekken. In het bijzonder geldt dat als de beslissingsstaat vreest dat de overbrenging zal leiden tot vervroegde invrijheidstelling, hij kan besluiten de betrokken persoon niet over te brengen en het certificaat in te trekken.

Zodra het certificaat is ingetrokken, wordt de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat gestaakt.

DEEL II: ERKENNING VAN HET VONNIS EN TENUITVOERLEGGING VAN DE SANCTIE

4.   Procedure voor de erkenning

4.1.   Termijn voor het nemen van een besluit over de erkenning en rechtsmiddelen tegen het besluit tot overbrenging

Met het kaderbesluit wordt beoogd een nieuw, eenvoudiger en effectiever systeem voor het overdragen van sancties in te stellen teneinde de rechtsbedeling in grensoverschrijdende justitiële samenwerking gemakkelijker en sneller te doen verlopen. Daarom voorziet het kaderbesluit in termijnen voor de uitvoering van een overbrenging. De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat moet zo spoedig mogelijk besluiten of zij al dan niet het vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt, en moet de beslissingsstaat in kennis stellen van haar besluit, en in voorkomend geval ook van het besluit om de sanctie aan te passen (artikel 12, lid 1). Het definitieve besluit over de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie moet wordt genomen binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het vonnis en het certificaat (artikel 12, lid 2).

Alleen in uitzonderlijke omstandigheden mag de termijn worden overschreden. In dat geval moet de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat daar onverwijld en op ongeacht welke wijze van in kennis stellen, onder opgave van de redenen voor de vertraging en van de tijd die nog nodig zal zijn voor het nemen van een definitief besluit (artikel 12, lid 3).

Hoewel het een gemeenschappelijk doel is dat alle lidstaten waarborgen dat gevonniste personen hun wettelijke rechten en de hun ter beschikking staande rechtsmiddelen kunnen uitoefenen overeenkomstig het nationale recht, moeten de lidstaten er ook voor zorgen dat dergelijke rechtsmiddelen in hun stelsel de termijnen van het kaderbesluit eerbiedigen (49).

In artikel 19, lid 1, VEU wordt bepaald dat de lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren (zie ook artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten inzake het recht op een doeltreffende voorziening in rechte).

De gevonniste persoon kan krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat beroep instellen tegen het besluit om het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen. De lidstaten moeten er op toezien dat een dergelijk beroep de soepele toepassing van het kaderbesluit niet belemmert en dat de termijnen worden gerespecteerd. Zoals wordt verklaard in overweging 22, moet het definitieve besluit over de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, met inbegrip van de beroepsprocedure, in de regel binnen 90 dagen na ontvangst van het vonnis en het certificaat worden genomen.

Het Hof van Justitie heeft in de context van Kaderbesluit 2002/584 geoordeeld dat dit kaderbesluit de lidstaten niet verhindert om te voorzien in een beroep tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de bevoegde autoriteit, mits het definitieve besluit wordt gegeven binnen de termijnen van Kaderbesluit 2002/584 (50).

4.2.   Verzoek om vertaling van het vonnis

In de regel zal geen vertaling van het vonnis worden verlangd (artikel 23, lid 2). De tenuitvoerleggingsstaat blijft echter de mogelijkheid behouden om te verzoeken dat het vonnis of essentiële onderdelen ervan vergezeld gaan van een vertaling. Daartoe moet de lidstaat eerst een verklaring hebben gedeponeerd bij het secretariaat-generaal van de Raad waarin hij te kennen geeft dat hij de gelegenheid wenst te hebben om een dergelijk verzoek in te dienen (artikel 23, lid 3). In de tweede plaats kan een dergelijk verzoek alleen worden gedaan wanneer de tenuitvoerleggingsstaat de inhoud van het certificaat onvoldoende acht om een besluit over de tenuitvoerlegging van de sanctie te kunnen nemen, en zo nodig na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat en van de beslissingsstaat om toe te lichten welke essentiële onderdelen van het vonnis moeten worden vertaald (artikelen 23, leden 2 en 3).

4.3.   Uitstel

Het kaderbesluit voorziet in facultatief uitstel wanneer het in artikel 4 bedoelde certificaat onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met het vonnis (artikel 11). De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan een redelijke termijn voor het aanvullen of corrigeren van het certificaat vaststellen (zie artikel 9, lid 1, onder a)).

4.4.   Voorlopige aanhouding

Wanneer de gevonniste persoon zich in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, kan de tenuitvoerleggingsstaat de gevonniste persoon op verzoek van de beslissingsstaat aanhouden of een maatregel nemen om ervoor te zorgen dat de gevonniste persoon op zijn grondgebied blijft. Een dergelijk verzoek om aanhouding kan worden ingediend voordat het vonnis en het certificaat zijn ontvangen, of voordat het besluit wordt genomen om al dan niet het vonnis te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen. De duur van de sanctie wordt niet verlengd als gevolg van enigerlei vorm van hechtenis die op grond van de voorlopige aanhouding is ondergaan (artikel 14).

Deze bepaling geeft de vonnissende staat de mogelijkheid om ervoor te zorgen dat de gevonniste persoon niet met de noorderzon vertrekt, bijvoorbeeld in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door de tenuitvoerleggingsstaat naar de vraag of het daadwerkelijk mogelijk is om de tenuitvoerlegging van de sanctie over te nemen.

5.   Besluit over de erkenning en tenuitvoerlegging

5.1.   Algemene erkennings- en tenuitvoerleggingsplicht

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat is verplicht om een toegezonden vonnis te erkennen en moet onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie nemen, tenzij zij zich beroept op een van gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging (artikel 8, lid 1).

5.2.   Toestemming van de tenuitvoerleggingsstaat

Toestemming van de tenuitvoerleggingsstaat is een voorafgaande voorwaarde in alle situaties die niet worden bestreken door artikel 4, lid 1, onder a) of b), bijvoorbeeld in het geval van onderdanen die niet in de tenuitvoerleggingsstaat wonen en ook niet worden uitgewezen naar die staat of personen die hun woonplaats in de tenuitvoerleggingsstaat hebben maar geen onderdaan van die staat zijn (artikel 4, lid 1, onder c)). In dat geval moet er onderling overleg plaatsvinden tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en die van de tenuitvoerleggingsstaat en heeft de tenuitvoerleggingsstaat het recht om samenwerking te weigeren door geen toestemming te verlenen voor de overbrenging (overweging 8).

Elke lidstaat kan een uitzondering op deze regel maken door te verklaren dat zijn voorafgaande toestemming voor de toezending van het vonnis en het certificaat niet is vereist (artikel 4, lid 7) wanneer de gevonniste persoon:

a)

in de tenuitvoerleggingsstaat woont, er sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft en er een permanent verblijfsrecht (51) zal verwerven, en/of

b)

in de andere dan de in artikel 4, lid 1, onder a) en b), bedoelde gevallen, onderdaan is van de tenuitvoerleggingsstaat.

Die verklaring is geldig ten aanzien van andere lidstaten die, op de datum van vaststelling van het kaderbesluit of op een latere datum, dezelfde kennisgeving hebben verricht (artikel 4, lid 7).

Ter uitvoering van het kaderbesluit moeten de lidstaten maatregelen vaststellen die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in artikel 4, lid 1, onder c), bedoelde gevallen (artikel 4, lid 6).

Verklaringen in de zin van artikel 4, lid 7, kunnen worden gevonden op de website van het EJN (52).

5.3.   De lijst van 32 strafbare feiten waarvoor geen toetsing van de dubbele strafbaarheid plaatsvindt

De uitvoerende autoriteit moet controleren of de autoriteit van de beslissingsstaat een van de strafbare feiten heeft aangemerkt als behorend tot een van de 32 categorieën van strafbare feiten die worden vermeld in artikel 7, lid 1. De uitvoerende autoriteit kan de dubbele strafbaarheid alleen toetsen ten aanzien van strafbare feiten die niet in de lijst van 32 categorieën staan.

Benadrukt dient te worden dat voor beoordeling van de voorwaarden van artikel 7, lid 1, alleen de definitie van het strafbare feit en de maximumsanctie op dat feit zoals vastgesteld in het recht van de beslissingsstaat relevant is. De uitvoerende autoriteit moet erkennen wat de autoriteit van de beslissingsstaat heeft opgenomen in het certificaat.

Overeenkomstig het kaderbesluit hebben de lidstaten de mogelijkheid om de dubbele strafbaarheid ook voor de 32 categorieën van strafbare feiten te blijven toetsen. Om deze uitzondering van toepassing te laten zijn, moet de lidstaat bij de vaststelling van het instrument, of indien de lidstaat dat passend acht, in een later stadium een daartoe strekkende verklaring indienen bij het secretariaat-generaal van de Raad. Deze verklaringen kunnen te allen tijde worden ingetrokken (artikel 7, lid 4). Veel lidstaten hebben een verklaring ingediend die een toetsing van de dubbele strafbaarheid voor alle strafbare feiten mogelijk maakt (zie voetnoot 14).

In zijn arrest in zaak C-289/15, Grundza (53), heeft het Hof van Justitie een uitlegging gegeven van artikel 7, lid 3, en artikel 9, lid 1, onder d), van het kaderbesluit (namelijk hoe de dubbele strafbaarheid moet worden beoordeeld). In dat arrest heeft Hof van Justitie het volgende verklaard:

“38

[…] bij de beoordeling van de dubbele strafbaarheid [dient] de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat na te gaan of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat uitgesproken vonnis, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft.

[…]

49

In het kader van de beoordeling van de dubbele strafbaarheid dient de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat echter niet na te gaan of het door de beslissingsstaat beschermde belang geschonden is, maar of, in de situatie waarin het betrokken strafbare feit zou hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de lidstaat waaronder die autoriteit valt, een vergelijkbaar, door het nationale recht van die staat beschermd belang zou kunnen worden geacht te zijn geschaad.”

5.4.   Aanpassing van de sanctie

Aangezien het kaderbesluit is gebaseerd op het vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtsstelsels, moet de beslissing van de rechter van de beslissingsstaat worden geëerbiedigd en wordt die in principe niet herzien of aangepast (artikel 8, lid 1) (54). Op dit zogeheten beginsel van “voortgezette tenuitvoerlegging” (55) bestaan twee uitzonderingen, die beide voortvloeien uit de onverenigbaarheid van het in de beslissingsstaat opgelegde vonnis, wat de duur of de aard ervan betreft, met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat:

1)

De duur van de sanctie verschilt: wanneer de duur van de sanctie in de beslissingsstaat onverenigbaar is met het nationale recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie alleen aanpassen wanneer die hoger is dan de maximumsanctie voor soortgelijke strafbare feiten waarin wordt voorzien in het recht van de tenuitvoerleggingsstaat (denk bijvoorbeeld aan de toezending van een vonnis voor drugsmisdrijven van veertien jaar waarop in het nationale recht van de tenuitvoerleggingsstaat een maximumsanctie van twaalf jaar staat). De aangepaste sanctie mag echter niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt (artikel 8, lid 2).

2)

De aard van de sanctie verschilt: wanneer de aard van de sanctie in de beslissingsstaat onverenigbaar is met het nationale recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven (door bijvoorbeeld een levenslange gevangenisstraf om te zetten in een gevangenisstraf van 20 jaar). De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat moet er echter voor zorgen dat de aangepaste sanctie of maatregel zo veel mogelijk overeenstemt met de oorspronkelijk in de beslissingsstaat opgelegde sanctie of maatregel. Bovendien kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de oorspronkelijke sanctie niet omzetten in een geldboete (artikel 8, lid 3).

In beide situaties moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, wanneer aanpassing noodzakelijk wordt geacht, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zo spoedig mogelijk in kennis stellen van haar besluit om de sanctie aan te passen (artikel 12, lid 1).

Indien de beslissingsstaat niet instemt met de aanpassing van de sanctie, kan hij besluiten het certificaat in te trekken (artikel 13).

De aangepaste sanctie mag, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie inhouden (artikel 8, lid 4).

Zolang nog geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, kan de beslissingsstaat het certificaat intrekken indien hij het besluit tot aanpassing van de sanctie in strijd acht met het oorspronkelijke doel van de overbrenging van de gevonniste persoon (gecombineerde lezing van artikel 12, lid 1, en artikel 13).

Artikel 8, leden 2 en 3, heeft betrekking op de aanpassing van de oorspronkelijk door de beslissingsstaat opgelegde sanctie. De bepalingen inzake de aanpassing van de sanctie hebben dus geen betrekking op regelingen voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, maar op regelingen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie. De regeling voor de tenuitvoerlegging van de sanctie is neergelegd in artikel 17 (zie paragraaf 7.3 hieronder).

5.5.   Gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging

De algemene plicht om een toegezonden vonnis te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen (zoals vervat in artikel 8, lid 1) wordt ingeperkt door de gronden tot weigering van de erkenning en van tenuitvoerlegging, d.w.z. de weigeringsgronden (artikel 9). Opgemerkt dient te worden dat deze gronden de enige zijn die de uitvoerende autoriteit kan inroepen als grond voor weigering van de tenuitvoerlegging. Het Hof van Justitie heeft in verband met Kaderbesluit 2002/584 verduidelijkt dat de lijst van weigeringsgronden uitputtend is (56).

De weigeringsgronden moeten facultatief zijn voor de bevoegde autoriteit. In artikel 9 wordt duidelijk bepaald dat de bevoegde autoriteit de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie “kan” weigeren, wat betekent dat de bevoegde uitvoerende autoriteit over een zekere ruimte beschikt om per geval te beoordelen of de inroeping van een weigeringsgrond passend is (57).

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan weigeren om het vonnis te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen wanneer ten minste een van de volgende gronden tot weigering van de erkenning en van tenuitvoerlegging van toepassing is:

5.5.1.   Onvolledig of incorrect certificaat (artikel 9, lid 1, onder a))

Het in artikel 4 bedoelde certificaat is onvolledig of stemt kennelijk niet overeen met het vonnis en is niet binnen de door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat gestelde redelijke termijn aangevuld of gecorrigeerd.

5.5.2.   Niet-vervulling van de criteria voor toezending (artikel 9, lid 1, onder b))

Er is niet voldaan aan de in artikel 4, lid 1, vermelde criteria. Zie paragraaf 2.3.1. voor een nadere toelichting.

5.5.3.   Ne bis in idem (artikel 9, lid 1, onder c))

De tenuitvoerlegging van de sanctie is onverenigbaar met het ne bis in idem-beginsel.

Het Hof van Justitie heeft in diverse arresten een uitlegging gegeven van het ne bis in idem-beginsel in verband met artikel 54 van de Schengenovereenkomst. Deze arresten zijn van toepassing op Kaderbesluit 2002/584 krachtens het arrest in zaak C-261/09, Mantello (58) , en verduidelijken begrippen als “definitief besluit”, “dezelfde feiten” en “de sanctie is ondergaan”. In zijn arrest in zaak C-129/14 PPU, Spasic (59) , heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 54 van de Schengenovereenkomst als zodanig verenigbaar is met artikel 50 van het EU-Handvest van de grondrechten, waarin het ne bis in idem-beginsel is vervat.

Artikel 54 van de Schengenovereenkomst

“Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.”

Artikel 50 van het EU-Handvest van de grondrechten

“Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft.

Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.”

5.5.4.   Ontbreken van dubbele strafbaarheid (artikel 9, lid 1, onder d))

In het in artikel 7, lid 3, bedoelde geval en, voor zover de tenuitvoerleggingsstaat een verklaring op grond van artikel 7, lid 4, heeft afgelegd, in het in artikel 7, lid 1, bedoelde geval, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat weigeren het vonnis te erkennen indien het vonnis betrekking heeft op feiten die naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar zijn.

Deze weigeringsgrond heeft derhalve betrekking op:

1)

strafbare feiten die niet behoren tot een van de 32 in artikel 7, lid 1, vermelde categorieën;

2)

strafbare feiten die behoren tot een van de 32 in artikel 7, lid 1, vermelde categorieën, maar waarop in de beslissingsstaat slechts een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van maximaal minder dan drie jaar staat, of

3)

alle strafbare feiten wanneer een verklaring krachtens artikel 7, lid 4, is ingediend.

In verband met retributies en belastingen, douanerechten en deviezen mag de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis niet worden geweigerd op grond van het feit dat de tenuitvoerleggingsstaat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies, belastingen, douanerechten en deviezen kent als de beslissingsstaat.

In zijn arrest in zaak C-289/15, Grundza, heeft het Hof van Justitie verduidelijkt hoe de dubbele strafbaarheid moet worden beoordeeld (zie paragraaf 5.3).

5.5.5.   Tenuitvoerlegging van de verjaarde sanctie (artikel 9, lid 1, onder e))

De tenuitvoerlegging van de sanctie is volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verjaard.

5.5.6.   Immuniteit op grond van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 9, lid 1, onder f))

Het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voorziet in een immuniteit, die tenuitvoerlegging van de sanctie onmogelijk maakt.

5.5.7.   Leeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid (artikel 9, lid 1, onder g))

De sanctie is opgelegd aan een persoon die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat vanwege zijn of haar leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis.

De wettelijke minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid loopt uiteen tussen de lidstaten. Indien in de persoon van wie de overbrenging wordt verzocht in de tenuitvoerleggingsstaat slechts civielrechtelijk of bestuursrechtelijk zou kunnen worden vervolgd, maar vanwege zijn of haar leeftijd niet strafrechtelijk zal worden vervolgd, is deze weigeringsgrond van toepassing.

Het Hof van Justitie heeft in de context van Kaderbesluit 2002/584 verduidelijkt (60) dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de overlevering moet (61) weigeren van minderjarigen die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat nog niet de leeftijd hebben bereikt die is vereist om strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het tegen hen uitgevaardigde EAB. Om dit beoordelen moet de rechterlijke autoriteit eenvoudigweg nagaan of de betrokkene de minimumleeftijd heeft om in de uitvoerende lidstaat strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het EAB. De autoriteit hoeft geen rekening te houden met eventuele aanvullende voorwaarden inzake een gepersonaliseerde beoordeling die in het recht van deze lidstaat concreet worden gesteld voor de vervolging of veroordeling van een minderjarige voor dergelijke feiten.

5.5.8.   Het nog te ondergane deel van de sanctie is te kort (artikel 9, lid 1, onder h))

Wanneer de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat het vonnis ontvangt, moeten van de sanctie nog minder dan zes maanden worden ondergaan.

Gegeven de maximale termijnen van 120 dagen (90 dagen voor het nemen van het definitieve besluit over de erkenning van het vonnis — zie artikel 12, lid 2 — plus 30 dagen voor de overbrenging van de gevonniste persoon — zie artikel 15, lid 1) waarin het kaderbesluit voorziet, kan een overbrenging door de tenuitvoerleggingsstaat niet passend worden geacht indien het nog te ondergane deel van de sanctie minder dan zes maanden bedraagt. In dit verband is het relevante tijdstip de datum waarop het vonnis door de tenuitvoerleggingsstaat is ontvangen.

5.5.9.   Processen bij verstek (artikel 9, lid 1, onder i))

Kaderbesluit 2009/299 heeft het kaderbesluit gewijzigd door wijziging van artikel 9, lid 1, onder i), inzake bij verstek gewezen vonnissen. Deze bepaling heeft betrekking op situaties waarin een uitvoerende autoriteit een vonnis heeft ontvangen met het verzoek om dat vonnis, dat is gewezen in een strafprocedure in de beslissingsstaat waarbij de betrokkene niet in persoon aanwezig was, te erkennen en de sanctie ten uitvoer te leggen.

Artikel 9, lid 1, onder i), van het kaderbesluit bevat een weigeringsgrond indien, volgens het in artikel 4 bedoelde certificaat, de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Op deze regel bestaat echter een aantal uitzonderingen. Een uitvoerende autoriteit kan geen afwijzende beslissing nemen op een verzoek om erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie op grond van een bij verstek gegeven beslissing waarbij in het certificaat wordt verklaard dat de betrokkene, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de beslissingsstaat bepaalde procedurevoorschriften:

i)

tijdig

persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces,

en

ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt,

of

ii)

op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd,

of

iii)

nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:

uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist,

of

binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend.

Het Hof van Justitie heeft reeds enkele arresten gewezen met betrekking tot verstekprocessen in de context van Kaderbesluit 2002/584.

Het arrest in zaak C-399/11, Melloni (62), had betrekking op de vraag of artikel 4 bis, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de in die bepaling omschreven gevallen de tenuitvoerlegging van een EAB voor de uitvoering van een straf afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de veroordeling bij verstek in de uitvaardigende lidstaat kan worden herzien.

Het Hof van Justitie oordeelde dat artikel 4 bis, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 voorziet in een facultatieve grond om een EAB voor de uitvoering van een sanctie niet ten uitvoer te leggen indien de betrokkene niet in persoon is veroordeeld bij verstek. Aan die optie zijn echter vier uitzonderingen gekoppeld, die worden beschreven in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van Kaderbesluit 2002/584. Het Hof heeft geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de overlevering van een bij verstek veroordeelde persoon in die vier situaties niet afhankelijk mag stellen van de voorwaarde dat de veroordeling in diens aanwezigheid kan worden herzien.

Daarnaast heeft het Hof meerdere arresten gewezen waarin het een uitlegging heeft gegeven van de zinsnede “proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 (63).

5.5.10.   Vervolging wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit (artikel 9, lid 1, onder j))

De tenuitvoerleggingsstaat heeft, voordat volgens de procedure van artikel 12, lid 1, een beslissing wordt genomen, overeenkomstig artikel 18, lid 3, een verzoek ingediend en de beslissingsstaat heeft er niet, overeenkomstig artikel 18, lid 2, onder g), in toegestemd dat de betrokkene in de tenuitvoerleggingsstaat wordt vervolgd of berecht of dat hem anderszins de vrijheid wordt benomen wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit dan dat wat aan de overbrenging ten grondslag ligt. Volgens overweging 23 wordt in artikel 18, lid 1, bepaald dat, behoudens de in lid 2 genoemde uitzonderingen, de specialiteitsregel alleen van toepassing is als de betrokkene naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht. Artikel 18, lid 1, is dus niet van toepassing als de betrokkene niet naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht, maar bijvoorbeeld daarheen is gevlucht.

5.5.11.   Maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg die tot vrijheidsbeneming strekt (artikel 9, lid 1, onder k))

De opgelegde sanctie omvat een maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg die tot vrijheidsbeneming strekt en die, ondanks artikel 8, lid 3, niet ten uitvoer kan worden gelegd binnen het rechts- of gezondheidszorgsysteem van de tenuitvoerleggingsstaat.

In overweging 19 wordt verklaard dat in de gevallen als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder k), de tenuitvoerleggingsstaat, voordat hij de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van een sanctie die een andere sanctie inhoudt dan een vrijheidsstraf weigert, dient te overwegen of de sanctie niet overeenkomstig dit kaderbesluit kan worden aangepast.

Volgens overweging 20 kan de in artikel 9, lid 1, onder k), vermelde weigeringsgrond ook worden toegepast wanneer de betrokkene niet schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, maar de bevoegde autoriteit een vrijheidsbenemende maatregel, niet zijnde een vrijheidsstraf, heeft toegepast naar aanleiding van een strafbaar feit.

5.5.12.   Extraterritorialiteit (artikel 9, lid 1, onder l))

Het vonnis heeft betrekking op strafbare feiten die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat volledig, dan wel voor een groot of zeer belangrijk deel op zijn grondgebied of op een daarmee gelijk te stellen plaats zijn gepleegd.

Volgens overweging 21 dient de weigeringsgrond betreffende de territorialiteit slechts te worden toegepast in uitzonderlijke gevallen en met het oog op een zo groot mogelijke samenwerking overeenkomstig de bepalingen van het kaderbesluit, daarbij rekening houdend met het doel. Een besluit om deze weigeringsgrond toe te passen dient te zijn gebaseerd op een beoordeling per individueel geval en moet worden voorafgegaan door overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat.

5.6.   Gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging

Het kaderbesluit biedt de tenuitvoerleggingsstaat de mogelijkheid om overleg te plegen met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat teneinde overeenstemming te bereiken over de gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis, in plaats van samenwerking te weigeren indien volledige erkenning niet mogelijk is (artikel 10).

De bevoegde autoriteiten van de twee staten kunnen per geval een gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging van de sanctie overeenkomen op de door hen vastgestelde voorwaarden, voor zover dit niet leidt tot verlenging van de duur van de sanctie. Bij gebreke van overeenstemming dient het certificaat te worden ingetrokken.

6.   Overbrenging van de gevonniste persoon

6.1.   Termijnen voor de fysieke overbrenging

Als basisbeginsel geldt dat als de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat bevindt, hij naar de tenuitvoerleggingsstaat wordt overgebracht op een door de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat onderling vast te stellen tijdstip, maar niet later dan 30 dagen na het definitieve besluit van de tenuitvoerleggingsstaat betreffende de erkenning van het vonnis, tenzij onvoorziene omstandigheden in de weg staan aan een overbrenging (artikel 15, lid 1).

Indien onvoorziene omstandigheden in de weg staan aan een overbrenging binnen de in Artikel 15, lid 1 gestelde termijn, moeten de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat onmiddellijk contact met elkaar opnemen. De overbrenging vindt plaats zodra die omstandigheden zich niet meer voordoen. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld op de hoogte stellen en met hem een nieuwe datum voor de overbrenging vaststellen. In dat geval moet de overbrenging plaatsvinden binnen tien dagen na de nieuw overeengekomen datum (artikel 15, lid 2).

6.2.   Doortocht via een andere lidstaat

Om de onbeperkte doortocht van de gevonniste persoon van de beslissingsstaat naar de tenuitvoerleggingsstaat via het grondgebied van andere lidstaten te waarborgen, dient de beslissingsstaat een afschrift van het certificaat en een verzoek om doortocht aan de betrokken lidstaten toe te zenden, die vervolgens al dan niet toestemming geeft voor de doortocht. De met het oog op doortocht aangezochte lidstaat dient de beslissing uiterlijk één week na ontvangst van het verzoek te nemen (artikel 16, leden 1 tot en met 3).

De toezending van een afschrift van het certificaat en het verzoek om doortocht is niet vereist indien het vervoer door de lucht plaatsvindt en er geen tussenlanding op het grondgebied van één of meer lidstaten is voorzien (zie artikel 16, lid 5).

6.3.   Kosten van de overbrenging

De kosten die voortvloeien uit de toepassing van het kaderbesluit worden gedragen door de tenuitvoerleggingsstaat, uitgezonderd de kosten voor de overbrenging van de gevonniste persoon naar de tenuitvoerleggingsstaat en de kosten die uitsluitend op het grondgebied van de beslissingsstaat zijn gemaakt, die door de beslissingsstaat worden gedragen (artikel 24).

6.4.   Reisdocumenten

Hoewel dit in de tekst van het kaderbesluit niet wordt genoemd, zijn geldige reisdocumenten belangrijk voor de soepele toepassing van het kaderbesluit. Een geldig reisdocument wordt beschouwd als een cruciale en noodzakelijke voorwaarde voor een overbrenging (voor nadere informatie, zie het “Resource Book on the Transfer of Prisoners” van EuroPris) (64).

7.   Tenuitvoerlegging van de sanctie

7.1.   Op de tenuitvoerlegging toepasselijk recht

In het kaderbesluit wordt bepaald dat de tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. Alleen de autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn bevoegd om te besluiten over de tenuitvoerlegging en om alle daarmee verband houdende maatregelen vast te stellen, met inbegrip van de gronden voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 17).

7.2.   Strafverkorting

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat moet de termijn van vrijheidsbeneming die al is ondergaan ten gevolge van de sanctie waarop het vonnis betrekking heeft volledig in mindering brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die moet worden ondergaan (artikel 17, lid 2) (65).

7.3.   Vervroegde en voorwaardelijke invrijheidstelling

Hoeveel tijd de gevonniste persoon daadwerkelijk in hechtenis doorbrengt, is grotendeels afhankelijk van de bepalingen inzake vervroegde en voorwaardelijke invrijheidstelling die de tenuitvoerleggingsstaat toepast. Op dit gebied bestaan er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen: in sommige lidstaten wordt de gevonniste persoon na de uitvoering van twee derde van zijn sanctie vrijgelaten, terwijl dat in andere lidstaten na een derde is (66).

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat licht, op verzoek, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in over de geldende bepaling betreffende eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. Wanneer deze informatie wordt verstrekt, kan de beslissingsstaat de toepassing van deze bepalingen accepteren of ervoor kiezen het certificaat in te trekken en de procedure te beëindigen (artikel 17, lid 3).

Een lidstaat kan bepalen dat bij het nemen van een beslissing tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling tevens rekening kan worden gehouden met de door de beslissingsstaat aangegeven bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de gevonniste persoon op een bepaald tijdstip recht heeft op vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 17, lid 4).

Aanbevolen wordt dat de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat en de gevonniste persoon een duidelijke toelichting op zijn toepasselijke bepalingen inzake voorwaardelijke invrijheidstelling verstrekt. Het alleen vermelden van de toepasselijke wettelijke bepalingen is mogelijk niet voldoende.

7.4.   Amnestie, gratie

Zowel de beslissingsstaat als de tenuitvoerleggingsstaat kan amnestie of gratie verlenen (artikel 19, lid 1).

7.5.   Herziening van het vonnis

Wanneer een verzoek tot herziening van het vonnis wordt ingediend, kan echter alleen de beslissingsstaat daarover een beslissing nemen (artikel 19, lid 2).

7.6.   Recht tot tenuitvoerlegging

De beslissingsstaat gaat niet over tot de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie zodra de tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat is ingegaan, tenzij het recht tot tenuitvoerlegging van de sanctie opnieuw aan de beslissingsstaat toevalt omdat deze bericht van de tenuitvoerleggingsstaat heeft ontvangen dat de sanctie gedeeltelijk niet ten uitvoer is gelegd (artikel 22).

7.7.   Communicatie- en informatieverplichtingen

Het kaderbesluit bevat gedetailleerde informatieverplichtingen voor zowel de beslissingsstaat als de tenuitvoerleggingsstaat, en zowel voor als na de overbrenging.

De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in kennis stellen van iedere beslissing of maatregel waardoor de sanctie onmiddellijk of binnen een bepaalde termijn niet langer ten uitvoer kan worden gelegd (artikel 20). Als gevolg daarvan moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de tenuitvoerlegging van de sanctie beëindigen zodra zij deze informatie heeft ontvangen.

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat moet de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat onverwijld, schriftelijk of in een vorm die schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis stellen van het volgende (artikel 21):

a)

de toezending van het vonnis en het certificaat aan de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat omdat de tenuitvoerleggingsstaat niet bevoegd is het vonnis te erkennen;

b)

het feit dat het in de praktijk onmogelijk is de sanctie ten uitvoer te leggen omdat, na de toezending van het certificaat en het vonnis aan de tenuitvoerleggingsstaat, de gevonniste persoon niet gevonden kan worden op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat, in welk geval de tenuitvoerleggingsstaat niet verplicht is de sanctie ten uitvoer te leggen;

c)

het definitieve besluit tot erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, alsmede de datum van het besluit;

d)

het gemotiveerde besluit om, op basis van een weigeringsgrond (overeenkomstig artikel 9), het vonnis niet te erkennen of de sanctie niet ten uitvoer te leggen;

e)

het gemotiveerde besluit tot aanpassing van de sanctie, overeenkomstig artikel 8, lid 2 of lid 3;

f)

het gemotiveerde besluit om de sanctie niet ten uitvoer te leggen omdat er amnestie of gratie is verleend (artikel 19, lid 1);

g)

de tijdstippen waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling ingaat en afloopt, voor zover daar in het certificaat van de beslissingsstaat om wordt gevraagd;

h)

het feit dat de gevonniste persoon uit hechtenis is gevlucht;

i)

de tenuitvoerlegging van de sanctie, zodra deze geheel is voltrokken.

8.   Specialiteitsregel

Een gevonniste persoon die naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht, kan “niet worden vervolgd of berecht, noch kan hem anderszins de vrijheid worden benomen, wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit dan dat wat de reden voor de overbrenging is geweest” (artikel 18).

Volgens overweging 23 is de specialiteitsregel alleen van toepassing als de betrokkene naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht. De specialiteitsregel is dus niet van toepassing als de betrokkene niet naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht, maar bijvoorbeeld daarheen is gevlucht.

Niettemin zijn er enkele uitzonderingen op de specialiteitsregel (zie artikel 18, lid 2). De persoon kan derhalve worden vervolgd in de tenuitvoerleggingsstaat wanneer:

a)

de betrokkene, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat heeft verlaten, of er, na het te hebben verlaten, is teruggekeerd;

b)

de feiten niet worden gestraft met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel;

c)

de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid beperkt;

d)

de betrokkene kan worden onderworpen aan de tenuitvoerlegging van een sanctie of een maatregel die geen vrijheidsbeneming meebrengt, waaronder begrepen een geldboete of een vervangende maatregel, zelfs indien deze geldboete of maatregel kan leiden tot beperking van zijn persoonlijke vrijheid;

e)

de betrokkene heeft ingestemd met de overbrenging;

f)

de betrokkene, na de overbrenging, ten aanzien van bepaalde, vóór de overbrenging gepleegde feiten uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de bescherming die hij op grond van het specialiteitsbeginsel geniet. De afstand moet worden gedaan ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat en moet worden opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationale recht van die staat. De afstand moet geschieden onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich ten volle bewust is van de gevolgen. De betrokkene heeft het recht zich te dien einde door een raadsman te laten bijstaan;

g)

in andere dan de hierboven genoemde gevallen, indien de beslissingsstaat daarin toestemt.

Het verzoek tot toestemming moet bij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat worden ingediend, moet de in artikel 8, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 (67) bedoelde gegevens bevatten en moet vergezeld gaan van een vertaling. De toestemming wordt verleend indien er uit hoofde van Kaderbesluit 2002/584 een verplichting tot overlevering bestaat. De beslissing moet uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek worden genomen. Voor de in artikel 5 van Kaderbesluit 2002/584 (68) bedoelde situaties dient de tenuitvoerleggingsstaat de daarin bedoelde garanties te geven (zie artikel 18, lid 3).

DEEL III: DIVERSEN

9.   Communicatie tussen de bevoegde autoriteiten in de verschillende fasen van de procedure

Het kaderbesluit voorziet in regelmatig overleg tussen de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat in verschillende fasen van de procedure. Dat overleg is vaak een verplicht onderdeel van de procedure en heeft tot doel de procedure te verbeteren.

1.

De tenuitvoerleggingsstaat moet verplicht overleg voeren met de beslissingsstaat wanneer hij voornemens is een weigeringsgrond van artikel 9, lid 1, onder a), b), c), i), k) of l) in te roepen (artikel 9, lid 3).

2.

De tenuitvoerleggingsstaat kan, per geval, overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat teneinde overeenstemming te bereiken over de gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging van een sanctie, in plaats van samenwerking te weigeren indien volledige erkenning niet mogelijk is (artikel 10).

3.

In het onvoorziene geval dat de overbrenging niet kan plaatsvinden op de oorspronkelijk door de staten overeengekomen datum, moeten de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat overleg met elkaar plegen om een nieuwe datum voor de overbrenging vast te stellen (artikel 12, lid 3).

De communicatie tussen de staten die deel uitmaken van de procedure moet geschieden “langs passende weg”, d.w.z. per e-mail, telefonisch of schriftelijk (zie in dit verband ook overweging 18).

Het EJN en Eurojust hebben tot taak de communicatie tussen de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken (69).

10.   Relatie tot andere overeenkomsten

Met ingang van 5 december 2011 heeft het kaderbesluit de volgende instrumenten voor overbrengingen tussen EU-lidstaten vervangen, terwijl ze van toepassing blijven tussen lidstaten en derde landen (artikel 26, lid 1):

het Verdrag van de Raad van Europa (Verdrag nr. 112) van 1983 en het Aanvullend Protocol van 1997 (Verdrag nr. 167);

het Verdrag van de Raad van Europa inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen van 1970 (Verdrag nr. 70);

titel III, hoofdstuk 5, van de Schengenovereenkomst van 1990, en

het Verdrag tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen van 1991.

De lidstaten kunnen reeds gesloten bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die vanaf 27 november 2008 van kracht waren blijven toepassen, en nieuwe bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen aangaan, voor zover deze verder reiken dan de doelstellingen van het kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de tenuitvoerlegging van sancties verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken (artikel 26, leden 2 en 3). De lidstaten moeten de Raad en de Commissie actuele informatie verstrekken over dergelijke van toepassing zijnde bilaterale overeenkomsten of over een nieuwe overeenkomst of regeling uiterlijk binnen drie maanden na de ondertekening (artikel 26, lid 4) (70).

11.   Verbanden met andere instrumenten inzake justitiële samenwerking in strafzaken

11.1.   Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel

Het verband tussen het kaderbesluit en Kaderbesluit 2002/584 is vastgelegd in artikel 25 en overweging 12 van het kaderbesluit.

In artikel 4, lid 6, van Kaderbesluit 2002/584 wordt bepaald dat wanneer een EAB is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat, die lidstaat de straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht ten uitvoer kan leggen.

In artikel 5, lid 3, van Kaderbesluit 2002/584 wordt bepaald dat indien de persoon tegen wie een EAB ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, de overlevering afhankelijk kan worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat (71).

Volgens artikel 25 en overweging 12 van het kaderbesluit is in gevallen dat artikel 4, lid 6, en artikel 5, lid 3, van Kaderbesluit 2002/584 wordt toegepast, de nationale wetgeving tot uitvoering van het kaderbesluit van overeenkomstige toepassing en voor zover verenigbaar met Kaderbesluit 2002/584, op de tenuitvoerlegging van het vonnis. Dit betekent ook dat de beperkingen die zijn vervat in de regels inzake aanpassing van het vonnis (d.w.z. het beginsel van voortgezette tenuitvoerlegging zoals vastgelegd in artikel 8 van het kaderbesluit) zullen moeten worden gerespecteerd (72).

Het Hof van Justitie heeft ook verduidelijkt dat een weigering om een EAB uit te voeren overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Kaderbesluit 2002/584 vooronderstelt dat de uitvoerende lidstaat zich er daadwerkelijk toe verbindt om de aan de gezochte persoon opgelegde vrijheidsstraf uit te voeren, zodat de loutere omstandigheid dat deze staat zich “bereid” verklaart om deze straf ten uitvoer te laten leggen niet kan worden geacht een dergelijke weigering te rechtvaardigen (73).

Dit betekent dat een weigering om een EAB uit te voeren overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Kaderbesluit 2002/584 moet worden voorafgegaan door een beoordeling door de uitvoerende rechterlijke autoriteit of het daadwerkelijk mogelijk is om de sanctie ten uitvoer te leggen overeenkomstig het nationale recht tot uitvoering van het kaderbesluit.

Wanneer de uitvoerende lidstaat vaststelt dat hij de tenuitvoerlegging zelf niet kan waarborgen, is hij verplicht, ter voorkoming van straffeloosheid, om het EAB uit te voeren en derhalve om de gezochte persoon over te leveren aan de uitvaardigende lidstaat (74).

Informatie over een eerder EAB moet worden verstrekt in vak f) van het certificaat:

f)

Verband met een eventueel eerder Europees aanhoudingsbevel (EAB):

Er is een EAB uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel en de tenuitvoerleggingsstaat verbindt zich ertoe deze ten uitvoer te leggen (artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Datum van uitvaardiging van het EAB en, indien bekend, referentienummer:

Naam van de autoriteit die het EAB heeft uitgevaardigd: …

Datum van de beslissing tot tenuitvoerlegging en, indien bekend, referentienummer: …

Naam van de autoriteit die de beslissing tot tenuitvoerlegging van het vonnis heeft uitgevaardigd: …

Er is een EAB uitgevaardigd met het oog op vervolging van een persoon die onderdaan of ingezetene is van de tenuitvoerleggingsstaat en de overlevering is afhankelijk gesteld van de garantie dat de betrokkene wordt teruggezonden naar de tenuitvoerleggingsstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem is opgelegd in de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Datum van de beslissing tot overlevering van de betrokkene: …

Naam van de autoriteit die de beslissing tot overlevering heeft uitgevaardigd: …

Referentienummer van de beslissing (indien bekend): …

Datum van de overlevering van de betrokkene, indien bekend: …

11.2.   Andere instrumenten

11.2.1.   Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad (75) betreffende rechten van slachtoffers

Richtlijn 2012/29/EU betreffende rechten van slachtoffers (hierna: “de slachtoffersrichtlijn”) voorziet erin dat slachtoffers in kennis moeten worden gesteld van de invrijheidstelling van de gevonniste persoon (artikel 6, lid 5, van de slachtoffersrichtlijn). Daarnaast voorziet artikel 21, onder h) en i), van het kaderbesluit in een verplichting voor de tenuitvoerleggingsstaat om de beslissingsstaat in kennis te stellen van het feit dat de gevonniste persoon uit hechtenis is gevlucht of in vrijheid is gesteld (wanneer de tenuitvoerlegging van de sanctie is voltrokken). Slachtoffers hebben echter geen recht om op de hoogte te worden gesteld van een overbrenging. Aanbevolen wordt dat de beslissingsstaat, wanneer bekend is dat de rechten van slachtoffers in het geding zijn, deze informatie delen met de tenuitvoerleggingsstaat.

11.2.2.   Kaderbesluit 2008/947/JBZ (76) inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen

Een belangrijk onderscheid dat moet worden gemaakt is dat tussen het kaderbesluit en Kaderbesluit 2008/947/JBZ inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen (hierna: “Kaderbesluit 2008/947”). Met het oog daarop maakt dat laatste instrument duidelijk dat het niet van toepassing is op “de tenuitvoerlegging van strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd en die vallen onder Kaderbesluit 2008/909/JBZ” (artikel 1, lid 3, onder a), van Kaderbesluit 2008/947). Voorts wordt het begrip “alternatieve straf” gedefinieerd als een andere straf dan een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel of een geldelijke sanctie, waarbij een verplichting of instructie wordt opgelegd (artikel 2, lid 4, van Kaderbesluit 2008/947).

Wanneer de betrokkene de aan hem/haar op grond van een proeftijdbeslissing of alternatieve straf opgelegde verplichtingen en/of voorwaarden niet nakomt, en de beslissingsstaat vervolgens een vrijheidsstraf oplegt met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de tenuitvoerleggingsstaat (zie in dit verband artikel 14, lid 4, en artikel 17 van Kaderbesluit 2008/947), zal Kaderbesluit 2008/909 moeten worden toegepast omdat Kaderbesluit 2008/947 geen rechtsgrondslag bevat om een buitenlandse vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen.

Een ander vraagstuk is dat van de zogeheten “gecombineerde sancties” die uit hoofde van het nationaal recht van enkele lidstaten kunnen worden opgelegd. Soms wordt bij een vonnis een sanctie opgelegd die deels bestaat uit een vrijheidsstraf en deels uit een opgeschorte sanctie (met of zonder proeftijd). Als gevolg daarvan zou zich de omstandigheid kunnen voordoen dat een lidstaat uit hoofde van zowel het kaderbesluit als Kaderbesluit 2008/947 wordt verzocht om de sanctie ten uitvoer te leggen. De gecombineerde toepassing van beide kaderbesluiten zou kunnen uitmonden in de situatie dat slechts een deel van de sanctie kan worden overgedragen. De lidstaten dienen deze situatie per geval te beoordelen.


(1)  Kaderbesluit 2009/299 heeft het kaderbesluit gewijzigd door de weigeringsgrond voor verstekprocedures te vervangen. Deze bepalingen hebben betrekking op situaties waarin een uitvoerende rechterlijke autoriteit een verzoek heeft ontvangen voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd in een strafproces in de beslissingsstaat waarbij de betrokkene niet in persoon aanwezig was. Dit handboek bevat de geconsolideerde versies van het kaderbesluit en het certificaat, waarin de bovengenoemde wijzigingen zijn verwerkt.

(2)  Zie www.europris.org

(3)  COM(2014) 57 final van 5 februari 2014, blz. 5.

(4)  https://www.ejn-crimjust.europa.eu/

(5)  https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/EJN_Library_StatusOfImpByCat.aspx?CategoryId=36

(6)  https://www.europris.org/file/europris-resource-book-on-the-transfer-of-sentenced-prisoners-under-eu-framework-decision-909/

(7)  Artikel 2, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), en tot vervanging en intrekking van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 138), die op 12 december 2019 van toepassing zal worden.

(8)  United Nations Office on Drugs and Crime, Handbook on the International Transfer of Sentenced Persons, 2012, blz. 1, beschikbaar via:

http://www.unodc.org/documents/justice-and-prison-reform/11-88322_ebook.pdf

(9)  Zie Council of Europe Annual Penal Statistics, SPACE I — Prison Populations Survey 2018 Statistics, beschikbaar via: http://wp.unil.ch/space/files/2019/04/FinalReportSPACEI2018_190402.pdf

(10)  Het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 en het Aanvullend Protocol van 1997 zijn te vinden via:

http://conventions.coe.int/Treaty/en/Treaties/Html/112.htm

(11)  Zie artikel 2, lid 3, van het Aanvullend Protocol van 1997.

(12)  Zie artikel 3, lid 1, van het Aanvullend Protocol van 1997.

(13)  Zie artikel 3, lid 1, onder e), van het Verdrag van de Raad van Europa van 1983.

(14)  Veel lidstaten blijven de dubbele strafbaarheid toetsen; zie de daartoe strekkende verklaringen krachtens artikel 7, lid 4, van: AT, CZ, DE, FR, HR, HU, IE, LT, LV, NL, PL, RO en SI.

(15)  De website is bereikbaar via de volgende link:

https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libcategories.aspx?Id=36

(16)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 25 januari 2017, Van Vemde, C-582/15, ECLI:EU:C:2017:37. In deze zaak heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de term “vonnis” moet worden uitgelegd als een autonoom en uniform begrip van Unierecht en dat een vonnis dat is gewezen in een strafprocedure en dat de aan de gevonniste persoon opgelegde sanctie definitief maakt, onder deze term valt (punten 23-27).

(17)  Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16).

(18)  Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 59). Dit kaderbesluit is vervangen door Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PB L 303 van 28.11.2018, blz. 1), die met ingang van 19 december 2020 van toepassing wordt.

(19)  Het beginsel van wederzijdse erkenning is vastgelegd in de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 en is bevestigd in het Haags Programma ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie van 4 en 5 november 2004 (de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad).

(20)  Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 8 november 2016, Ognyanov, C-554/14, ECLI:EU:C:2016:835, punt 56.

(21)  Zie, in chronologische volgorde, arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 16 juni 2005, Pupino, C-105/03, ECLI:EU:C:2005:386, punten 33-34, arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 5 september 2012, Lopes Da Silva Jorge, C-42/11, ECLI:EU:C:2012:517, punt 53, arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 8 november 2016, Ognyanov, C-554/14, ECLI:EU:C:2016:835, punt 56, en arrest van het Hof van Justitie van 29 juni 2017, Popławski, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503, punt 46.

(22)  Arrest van het Hof van Justitie van 29 juni 2017, Popławski, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503, punten 32 en 33, en aldaar aangehaalde rechtspraak.

(23)  Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 8 november 2016, Ognyanov, C-554/14, ECLI:EU:C:2016:835, punt 70.

(24)  PB C 257 van 20.7.2018, blz. 1.

(25)  https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2018-04/_ra_2017_en.pdf, blz. 13.

(26)  In dit verband wordt in artikel 267 VWEU bepaald dat wanneer om een uitlegging van het EU-recht wordt gevraagd in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak moet doen.

(27)  https://curia.europa.eu/jcms/upload/docs/application/pdf/2018-04/_ra_2017_en.pdf

(28)  Nederland heeft deze verklaring echter ingetrokken met ingang van 1 juni 2018.

(29)  Deze opvatting wordt gedeeld door advocaat-generaal Bot, die in de zaak Van Vemde heeft verklaard dat “de verklaring van het Koninkrijk der Nederlanden niet geldig is afgelegd, daar zij buiten de termijn is ingediend” (conclusie van 12 oktober 2016 in zaak C-582/15, ECLI:EU:C:2016:766, punt 26). Het Hof van Justitie heeft gepleit voor een enge uitlegging van de tijdslimiet om “het door dat kaderbesluit nagestreefde doel [te] waarborgen” (arrest van het Hof van Justitie van 25 januari 2017, Van Vemde, C-582/15, ECLI:EU:C:2017:37, punt 31). Zie ook het arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 24 juni 2019 in zaak C-573/17, Daniel Adam Popławski.

(30)  De meest recente update kan worden gevonden op de website van het EJN. https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libcategories.aspx?Id=36

(31)  De contactgegevens van de bevoegde uitvoerende autoriteiten zijn te vinden in de “Judicial Atlas” op de website van het Europees justitieel netwerk (EJN). https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/WorkerPage.aspx?x1=AC

(32)  Zie ook het aanhangige verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-495/18, YX, dat op 30 juli 2018 is ingediend door de Najvyšší súd republiky (hoogste rechterlijke instantie van Slowakije).

(33)  Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1).

(34)  Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 17 juli 2008, Kozlowski, C-66/08, ECLI:EU:C:2008:437, punt 48.

(35)  De zaak Kozlowski betrof een verzoek om een prejudiciële beslissing over de EAB-procedure, waarbij het Hof een uitlegging moest geven van de band tussen een persoon die geen onderdaan van de tenuitvoerleggingsstaat was en die tenuitvoerleggingsstaat (zie punt 53 van het arrest). Dit arrest is later bevestigd in de zaak Wolzenburg (arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 6 oktober 2009, C-123/08, ECLI:EU:C:2009:616, punt 70).

(36)  De term “permanent verblijfsrecht” wordt uitgelegd in artikel 4, lid 7, tweede alinea. In deze context moet het kaderbesluit, zoals ook wordt opgemerkt in overweging 16, worden toegepast in overeenstemming met het geldende Unierecht, in het bijzonder Richtlijn 2004/38/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden en Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.

(37)  http://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libcategories.aspx?Id=36

(38)  Dit beginsel wordt weerspiegeld in toepasselijke instrumenten van internationaal recht: in artikel 10§3 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de Verenigde Naties wordt bepaald dat een gevangenisstelsel in de eerste plaats gericht is op de heropvoeding en reclassering van de gevonniste persoon. In de Standaardminimumregels voor de behandeling van gedetineerden, aangenomen door de Eerste Conferentie van de Verenigde Naties over de Preventie van Criminaliteit en de Behandeling van Veroordeelden in 1955 (te vinden via:

http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/TreatmentOfPrisoners.aspx) wordt de reclassering van de gedetineerde in verschillende regels (58, 61, 64, 65, 67 en 80) genoemd; in de Standaardminimumregels voor de behandeling van gedetineerden (de “Nelson Mandela-regels”) van de VN, aangenomen krachtens Resolutie 70/175 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2015 (beschikbaar via:

https://www.unodc.org/documents/justice-and-prison-reform/GA-RESOLUTION/E_ebook.pdf), gebeurt dat in de regels 59, 88, 90 en 93, lid 1, onder b). In de Europese gevangenisregels (beschikbaar via: https://www.coe.int/en/web/human-rights-rule-of-law/european-prison-rules) 17.1, 105.1, 106.1 en 107.1 van de Raad van Europa wordt specifiek bepaald dat gedetineerden moeten worden geplaatst in penitentiaire inrichtingen die zo dicht mogelijk bij hun woonplaats of plaats van reclassering liggen, en dat de arbeids-, onderwijs- en invrijheidsstellingsregelingen de re-integratie van de gedetineerde in de samenleving moeten bevorderen.

(39)  Informatie over het EJN is te vinden op de website van het EJN. https://www.ejn-crimjust.europa.eu/

(40)  Arrest van het Hof van Justitie van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld, C-303/05, ECLI:EU:C:2007:261, punten 48 tot en met 61.

(41)  In artikel 8, lid 3, wordt bepaald dat indien de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie kan aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel moet zo veel mogelijk overeenstemmen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en mag derhalve niet worden gewijzigd in een geldboete.

(42)  Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 5 april 2016, Aranyosi and Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198; Arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, MLt, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589; zie ook de zaak Dorobantu (C-128/18, aanhangig).

(43)  Een uitzondering hierop is de situatie dat de betrokken lidstaten er in het kader van de procedure voor de tenuitvoerlegging van een EAB reeds mee hebben ingestemd dat de sanctie wordt ondergaan in de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is of waar hij of zij woont, in de context van artikel 5, lid 3, van Kaderbesluit 2002/584. Zie paragraaf 11.1.

(44)  Deze tool heeft het voordeel dat het online invullen van het certificaat even gemakkelijk is als het invullen van een formulier in Word-formaat, maar daarnaast diverse nuttige en gebruiksvriendelijke functionaliteiten biedt, zoals: de mogelijkheid om de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat rechtstreeks te importeren uit de “Judicial Atlas”-tool van het EJN; de mogelijkheid om het formulier te verkrijgen in de door de tenuitvoerleggingsstaat aanvaarde taal of talen; de mogelijkheid om het formulier op te slaan en te verzenden via e-mail. https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/WorkerPage.aspx?x1=CC

(45)  https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libcategories.aspx?Id=36

(46)  https://www.europris.org/file/europris-resource-book-on-the-transfer-of-sentenced-prisoners-under-eu-framework-decision-909/

(47)  De contactgegevens van de bevoegde autoriteiten zijn te vinden in de “Judicial Atlas” op de website van het EJN. https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/WorkerPage.aspx?x1=AC

(48)  Zie de arresten van het EHRM van 15 maart 2005, Veermae/Finland, nr. 38704/03 en van 27 juni 2006, Szabo/Zweden, nr. 28578/03. Het EHRM oordeelde daarin dat de mogelijkheid van een de facto langere detentieperiode in de tenuitvoerleggingsstaat de vrijheidsbeneming op zichzelf niet arbitrair maakte zolang de te ondergane sanctie niet hoger was dan de in de strafprocedure in Finland opgelegde sanctie. Het EHRM sloot echter niet uit dat een de facto flagrant langere sanctie aanleiding zou kunnen geven tot een probleem in verband met artikel 5 EVRM en bijgevolg met de verantwoordelijkheid van de vonnissende staat uit hoofde van dat artikel.

(49)  Zie in dit verband het arrest van het Hof van Justitie van 30 mei 2013, Jeremy F., C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358.

(50)  Zie ook het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Jeremy F.

(51)  De term “permanent verblijfsrecht” wordt uitgelegd in artikel 4, lid 7, tweede alinea.

(52)  https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libcategories.aspx?Id=36

(53)  Arrest van het Hof van Justitie van 11 januari 2017, Grundza, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 betreffende de uitlegging van artikel 7, lid 3, en artikel 9, lid 1, onder d), inzake de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om de dubbele strafbaarheid te kunnen beoordelen.

(54)  Arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2018, Sut, C-514/17, ECLI:EU:C:2018:1016 en het op 20 juli 2018 ingediende, aanhangige verzoek van de Rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing, SF (zaak C-314/18).

(55)  Daartegenover staat het zogeheten omzettingsbeginsel, dat van toepassing is krachtens het Verdrag van de Raad van Europa van 1983. Zie de toelichting bij het Verdrag van de Raad van Europa van 1983.

(56)  Zie met name de arresten in zaak C-123/08, Wolzenburg, punt 57, en gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, Aranyosi en Căldăraru, punt 80.

(57)  Zie in dit verband ook het arrest van het Hof van Justitie van 29 juni 2017, Popławski, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503, punt 21.

(58)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 november 2010, Mantello, C-261/09, ECLI:EU:C:2010:683.

(59)  Arrest van het Hof van Justitie van 27 mei 2014, Spasic, C-129/14 PPU, ECLI:EU:C:2014:586.

(60)  Arrest van het Hof van Justitie van 23 januari 2018, Dawid Piotrowski, C-367/16, ECLI:EU:C:2018:27.

(61)  Volgens artikel 3, lid 3, van Kaderbesluit 2002/584 is dit een verplichte weigeringsgrond, maar zij is facultatief in het kaderbesluit.

(62)  Arrest van het Hof van Justitie van 26 februari 2013, Melloni, C-399/11, ECLI:EU:C:2013:107.

(63)  Arresten van het Hof van Justitie: van 24 mei 2016, Tupikas, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346, van 10 augustus 2017, Tupikas, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628, van 10 augustus 2017, Zdziaszek, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 en 22 december 2017, Ardic, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026.

(64)  https://www.europris.org/file/europris-resource-book-on-the-transfer-of-sentenced-prisoners-under-eu-framework-decision-909/

(65)  Met betrekking tot de wijze waarop de tenuitvoerleggingsstaat rekening moet houden met de in detentie in de beslissingsstaat verrichte arbeid, zie het arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 8 november 2016, Ognyanov, (C-554/14, ECLI:EU:C:2016:835). In die zaak heeft het Hof geoordeeld dat het kaderbesluit aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die aldus wordt uitgelegd dat de tenuitvoerleggingsstaat op grond hiervan bevoegd is om de gevonniste persoon een strafverkorting toe te kennen wegens de arbeid die hij tijdens zijn detentie in de beslissingsstaat heeft verricht, terwijl de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat overeenkomstig het recht van die staat niet een dergelijke strafverkorting hebben toegekend.

(66)  Zie de arresten van het EHRM van 15 maart 2005, Veermae v. Finland, nr. 38704/03, en van 27 juni 2006, Szabo v. Sweden, nr. 28578/03. Het EHRM oordeelde daarin dat de mogelijkheid van een de facto langere detentieperiode in de tenuitvoerleggingsstaat de vrijheidsbeneming op zichzelf niet arbitrair maakte zolang de te ondergane sanctie niet hoger was dan de in de strafprocedure in de vonnissende staat opgelegde sanctie. Het EHRM sloot echter niet uit dat een de facto flagrant langere sanctie aanleiding zou kunnen geven tot een probleem in verband met artikel 5 EVRM en bijgevolg met de verantwoordelijkheid van de vonnissende staat uit hoofde van dat artikel. Daartoe zouden er echter inhoudelijke gronden moeten bestaan die het aannemelijk maken dat de duur van de in de tenuitvoerleggingsstaat te ondergane sanctie in hoge mate onevenredig is met de duur van de sanctie die de gevonniste persoon in de vonnissende staat had moeten ondergaan.

(67)  Volgens artikel 8, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 moet de volgende informatie worden verstrekt: a) de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon; b) de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit; c) de vermelding dat er een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat; d) de aard en de wettelijke omschrijving van het strafbare feit; e) een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit; f) de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat; g) indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbare feit.

(68)  Artikel 5 van Kaderbesluit 2002/584 voorziet in de volgende waarborgen:

— indien het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt strafbaar is gesteld met een levenslange vrijheidsstraf of een maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt, kan de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat in het rechtsstelsel van de uitvaardigende lidstaat de mogelijkheid van herziening van de opgelegde straf of maatregel — op verzoek of ten minste na 20 jaar — bestaat, dan wel van toepassing van gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de nationale wetgeving of praktijk van die lidstaat in aanmerking kan komen, strekkende tot niet-uitvoering van die straf of maatregel;

— indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.

(69)  Zie het gezamenlijke document van het EJN en Eurojust getiteld “European Judicial Network and Eurojust — What can we do for you?“, dat te vinden is op de website van het EJN en op de website van Eurojust.

(70)  Zulke bilaterale overeenkomsten bestaan momenteel tussen de Noordse landen (Zweden, Denemarken en Finland) en tussen Slowakije en Tsjechië.

(71)  Zie in dit verband de aanhangige zaak C-314/18: verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak Openbaar Ministerie/SF, dat op 8 mei 2018 is ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland).

(72)  Zie in dit verband de aanhangige zaak C-314/18: verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak Openbaar Ministerie/SF, dat op 8 mei 2018 is ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland).

(73)  Arrest van het Hof van Justitie van 29 juni 2017, Popławski, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503, punt 22.

(74)  Arrest van het Hof van Justitie van 29 juni 2018, Popławski, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503, punt 22.

(75)  Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57).

(76)  Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB L 337 van 16.12.2008, blz. 102).


BIJLAGE I

Kaderbesluit 2008/909/JBZ, niet-officiële geconsolideerde tekst

Nederlandse tekst van het kaderbesluit

KADERBESLUIT 2008/909/JBZ VAN DE RAAD

van 27 november 2008

inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 31, lid 1, onder a), en artikel 34, lid 2, onder b),

Gezien het initiatief van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft het beginsel van wederzijdse erkenning onderschreven, dat de hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de Unie zou moeten worden in zowel burgerlijke als strafzaken.

(2)

Op 29 november 2000 heeft de Raad, overeenkomstig de conclusies van Tampere, zijn goedkeuring gehecht aan een programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen (1); hij heeft daarin opgeroepen tot een evaluatie van de behoefte aan modernere mechanismen voor wederzijdse erkenning van onherroepelijke veroordelingen tot een vrijheidsstraf (maatregel 14), en tevens voor uitbreiding van overbrenging van gevonniste personen tot personen die hun verblijfplaats hebben in een lidstaat (maatregel 16) bepleit.

(3)

Het Haags Programma ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie (2) roept de lidstaten op het programma van maatregelen, met name op het gebied van de tenuitvoerlegging van onherroepelijke vrijheidsstraffen, te completeren.

(4)

Alle lidstaten hebben het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 bekrachtigd. Op grond van dit verdrag kan een gevonniste persoon voor de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie alleen worden overgebracht naar de staat waarvan hij onderdaan is, voor zover hijzelf en de betrokken staten daarin toestemmen. Het aanvullend protocol van 18 december 1997 bij dat verdrag, dat onder bepaalde voorwaarden overbrenging zonder toestemming van de gevonniste persoon mogelijk maakt, is niet door alle lidstaten bekrachtigd. Geen van beide instrumenten bevat een verplichting tot overname van gevonniste personen voor de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel.

(5)

Procesrechten in strafrechtelijke procedures vormen de sleutel tot het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten bij justitiële samenwerking. Relaties tussen de lidstaten, die worden gekenmerkt door een bijzonder onderling vertrouwen in elkaars rechtsstelsels, maken het voor de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk om beslissingen van de autoriteiten van de beslissingsstaat te erkennen. Daarom dient verdere uitbreiding te worden overwogen van de samenwerking waarin is voorzien in de instrumenten van de Raad van Europa betreffende de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, in het bijzonder in het geval van EU-onderdanen die in een andere lidstaat zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. De gevonniste persoon dient over adequate rechtswaarborgen te beschikken, maar zijn rol in de procedure mag niet langer zodanig bepalend zijn dat de toezending van een vonnis aan een andere lidstaat met het oog op de erkenning ervan en de tenuitvoerlegging van de sanctie in alle gevallen afhankelijk is van zijn toestemming.

(6)

Dit kaderbesluit moet zodanig worden uitgevoerd en toegepast dat de algemene beginselen van gelijkheid, eerlijkheid en redelijkheid worden geëerbiedigd.

(7)

Artikel 4, lid 1, onder c), is een bepaling die de bevoegdheid bevat het certificaat en het vonnis bijvoorbeeld toe te zenden aan de staat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, in andere gevallen dan die bedoeld in lid 1, onder a) en b), dan wel aan de staat waar de gevonniste persoon woont, sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft en het recht op permanent verblijf zal behouden.

(8)

In de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), dient vóór de toezending van het vonnis en het certificaat aan de tenuitvoerleggingsstaat overleg plaats te vinden tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, en dient de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toestemming voor de toezending te verlenen. De bevoegde autoriteiten dienen daarbij rekening te houden met factoren als de duur van het verblijf of andere banden met de tenuitvoerleggingsstaat. In de gevallen waarin de gevonniste persoon krachtens het nationale recht dan wel krachtens internationale regelingen naar een lidstaat of naar een derde land kan worden overgebracht, dienen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat onderling te overleggen of tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat niet beter is voor de reclassering van de betrokkene dan tenuitvoerlegging in het derde land.

(9)

De tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat dient de reclassering van de gevonniste persoon te bevorderen. Wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zich ervan vergewist of de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat zal bijdragen aan de reclassering van de betrokkene, dient zij rekening te houden met factoren als zijn verbondenheid met de tenuitvoerleggingsstaat, meer bepaald met de overweging of het voor hem de plaats is waarmee hij familiale, taalkundige, culturele, sociale, economische of andere banden heeft.

(10)

De in artikel 6, lid 3, bedoelde mening van de gevonniste persoon kan vooral bij de toepassing van artikel 4, lid 4, nuttig zijn. Met de woorden “met name” worden alle gevallen bedoeld waarin die mening informatie bevat welke nuttig zou kunnen zijn met betrekking tot de gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging. Het bepaalde in de artikelen 4, lid 4, en 6, lid 3, vormt geen weigeringsgrond in verband met reclassering.

(11)

Polen heeft, in het bijzonder gezien de toegenomen mobiliteit van Poolse burgers binnen de Europese Unie, meer tijd nodig dan de andere lidstaten om oplossingen te vinden voor de praktische en materiële gevolgen van de overdracht van de Poolse burgers die in andere lidstaten zijn veroordeeld. Daarom dient een in de tijd beperkte afwijking te worden opgenomen met een looptijd van ten hoogste vijf jaar.

(12)

Dit kaderbesluit dient overeenkomstig te worden toegepast op de tenuitvoerlegging van sancties in de gevallen, bedoeld in artikel 4, lid 6, en artikel 5, lid 3, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (3). Dit betekent onder meer dat, onverminderd dat kaderbesluit, de lidstaat kan nagaan of er gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging in de zin van artikel 9 van dit kaderbesluit voorhanden zijn, en meer bepaald dat hij, indien door hem een verklaring in de zin van artikel 7, lid 4, van dit kaderbesluit is afgelegd, in de gevallen bedoeld in artikel 4, lid 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, alvorens het vonnis te erkennen en ten uitvoer te leggen kan onderzoeken of er sprake is van dubbele strafbaarheid, zodat overlevering van de betrokkene of tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden overwogen.

(13)

Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de tenuitvoerlegging van een vonnis kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de sanctie aan de betrokkene is opgelegd op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de positie van die persoon op een van deze gronden kan worden aangetast.

(14)

Dit kaderbesluit dient de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende een eerlijke rechtsgang, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media, onverlet te laten.

(15)

Dit kaderbesluit dient te worden toegepast in overeenstemming met het recht van de burgers van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, neergelegd in artikel 18 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(16)

Dit kaderbesluit dient te worden toegepast in overeenstemming met het geldende Gemeenschapsrecht, in het bijzonder Richtlijn 2003/86/EG van de Raad (4), Richtlijn 2003/109/EG van de Raad (5) en Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (6).

(17)

In dit kaderbesluit wordt met de staat waar de gevonniste persoon “woont”, de staat bedoeld waarmee hij verbonden is uit hoofde van een gewone verblijfplaats en, bijvoorbeeld, familiale, sociale of professionele banden.

(18)

Bij de toepassing van artikel 5, lid 1, dient toezending van een vonnis of voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan alsmede het certificaat aan de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat mogelijk te zijn in enigerlei vorm, bijvoorbeeld per e-mail of fax, die toelaat dat het schriftelijk wordt vastgelegd en die de tenuitvoerleggingsstaat in staat stelt de echtheid ervan vast te stellen.

(19)

In de gevallen bedoeld in artikel 9, lid 1, onder k), dient de tenuitvoerleggingsstaat, voordat hij de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van een sanctie die een andere sanctie inhoudt dan een vrijheidsstraf weigert, te overwegen of de sanctie niet overeenkomstig dit kaderbesluit kan worden aangepast.

(20)

De in artikel 9, lid 1, onder k), vermelde weigeringsgrond kan ook worden toegepast in de gevallen waarin de betrokkene niet schuldig is bevonden aan een strafbaar feit, maar de bevoegde autoriteit een vrijheidsbenemende maatregel, niet zijnde een vrijheidsstraf, heeft toegepast naar aanleiding van een strafbaar feit.

(21)

De weigeringsgrond betreffende de territorialiteit dient slechts te worden toegepast in uitzonderlijke gevallen en met het oog op een zo groot mogelijke samenwerking overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, daarbij rekening houdend met het doel. Een besluit om deze weigeringsgrond toe te passen dient te zijn gebaseerd op een beoordeling per individueel geval en overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat.

(22)

De in artikel 12, lid 2, bedoelde termijn dient door de lidstaten zo te worden toegepast dat het definitieve besluit, met inbegrip van de beroepsprocedure, in de regel binnen 90 dagen wordt genomen.

(23)

In artikel 18, lid 1, wordt bepaald dat, behoudens de in lid 2 genoemde uitzonderingen, de specialiteitsregel alleen van toepassing is als de betrokkene naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht. Artikel 18, lid 1, is dus niet van toepassing als de betrokkene niet naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht, maar bijvoorbeeld daarheen is gevlucht,

HEEFT HET VOLGENDE KADERBESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a)

“vonnis”: een door een rechter van de beslissingsstaat gegeven onherroepelijke uitspraak of beschikking waarbij een sanctie aan een natuurlijke persoon wordt opgelegd;

b)

“sanctie”: een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van bepaalde of onbepaalde duur die wegens een strafbaar feit in een strafprocedure is opgelegd;

c)

“beslissingsstaat”: de lidstaat waar een vonnis is gewezen;

d)

“tenuitvoerleggingsstaat”: de lidstaat waaraan het vonnis is toegezonden met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging ervan.

Artikel 2

Bevoegde autoriteiten

1.   Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke autoriteiten krachtens het nationale recht bevoegd zijn overeenkomstig dit kaderbesluit, in het geval dat die lidstaat de beslissingsstaat dan wel de tenuitvoerleggingsstaat is.

2.   Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van de lidstaten en van de Commissie.

Artikel 3

Doel en werkingssfeer

1.   Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.

2.   Dit kaderbesluit is van toepassing indien de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt.

3.   Dit kaderbesluit is uitsluitend van toepassing op de erkenning van vonnissen en de tenuitvoerlegging van sancties in de zin van dit kaderbesluit. Het feit dat naast de sanctie ook een geldboete is opgelegd en/of een beslissing tot confiscatie is genomen, die nog niet is betaald of geïnd of nog niet ten uitvoer is gelegd, vormt geen beletsel voor toezending van het vonnis. De erkenning en tenuitvoerlegging van een dergelijke boete of beslissing tot confiscatie in een andere lidstaat berust op de instrumenten die tussen de lidstaten van toepassing zijn, in het bijzonder Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (7) en Kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen tot confiscatie (8).

4.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die is neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.

HOOFDSTUK II

ERKENNING VAN VONNISSEN EN TENUITVOERLEGGING VAN SANCTIES

Artikel 4

Criteria voor toezending van het vonnis en een certificaat aan een andere lidstaat

1.   Mits de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt en hij zijn toestemming heeft verleend voor zover deze krachtens artikel 6 is vereist, kan het vonnis, vergezeld van het certificaat waarvan het model in bijlage I is opgenomen, aan een van de volgende lidstaten worden toegezonden:

a)

de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij zijn woonplaats heeft, of

b)

de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is, maar waar hij niet zijn woonplaats heeft, en waarheen hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis of van een gerechtelijke of bestuurlijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel, of

c)

een andere dan de onder a) of b) bedoelde lidstaten, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat hem het vonnis en het certificaat worden toegezonden.

2.   Het vonnis en het certificaat kunnen worden toegezonden wanneer de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, eventueel na overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat, zich ervan vergewist heeft dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen.

3.   De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat kan vóór de toezending van het vonnis en het certificaat via passende kanalen overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat. In de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen is overleg verplicht. In die gevallen brengt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de beslissingsstaat terstond op de hoogte van haar besluit om al dan niet toe te stemmen in de toezending van het vonnis.

4.   Tijdens dit overleg kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat bij gemotiveerd advies meedelen, dat de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat niet zal bijdragen tot de reclassering en tot een geslaagde maatschappelijke re-integratie van de gevonniste persoon.

Indien er geen overleg heeft plaatsgevonden, kan het advies terstond na de toezending van het vonnis en het certificaat worden meegedeeld. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat neemt het advies in overweging en besluit het certificaat al dan niet in te trekken.

5.   De tenuitvoerleggingsstaat kan uit eigen beweging de beslissingsstaat verzoeken om toezending van het vonnis, vergezeld van een certificaat. Voorts kan de gevonniste persoon de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat of van de tenuitvoerleggingsstaat verzoeken op grond van dit kaderbesluit een procedure in te stellen voor de toezending van het vonnis en het certificaat. Een verzoek op grond van dit lid, schept voor de beslissingsstaat geen verplichting om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden.

6.   Ter uitvoering van dit kaderbesluit stellen de lidstaten maatregelen vast die in het bijzonder recht doen aan de beoogde bijdrage tot de reclassering van de gevonniste persoon, en op grond waarvan hun bevoegde autoriteiten besluiten al dan niet in te stemmen met de toezending van het vonnis en het certificaat in de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen.

7.   Elke lidstaat kan, op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit of op een latere datum, het secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis stellen dat hij, ten aanzien van andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toezending van het vonnis en het certificaat niet afhankelijk stelt van de in lid 1, onder c), bedoelde toestemming, indien:

a)

de gevonniste persoon in de tenuitvoerleggingsstaat woont, er sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft en er een permanent verblijfsrecht zal verwerven, en/of

b)

in de andere dan de in lid 1, onder a) en b), bedoelde gevallen, de gevonniste persoon onderdaan is van de tenuitvoerleggingsstaat.

In de gevallen bedoeld onder a), wordt onder permanent verblijfsrecht verstaan dat de betrokkene:

het recht van permanent verblijf in de desbetreffende lidstaat heeft, overeenkomstig de nationale wetgeving tot omzetting van de communautaire wetgeving die op grond van de artikelen 18, 40, 44 en 52 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is aangenomen, of

voor de desbetreffende lidstaat over een geldige vergunning als permanent of langdurig ingezetene beschikt, overeenkomstig de nationale wetgeving tot omzetting van de communautaire wetgeving die op grond van artikel 63 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is aangenomen, in de lidstaten waarop die communautaire wetgeving van toepassing is, dan wel overeenkomstig de nationale wetgeving, in de lidstaten waarop die communautaire wetgeving niet van toepassing is.

Artikel 5

Toezending van het vonnis en het certificaat

1.   De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat zendt het vonnis of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan, vergezeld van het certificaat, rechtstreeks toe aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, in enigerlei vorm die toelaat dat het schriftelijk wordt vastgelegd en die de tenuitvoerleggingsstaat in staat stelt de echtheid ervan vast te stellen. Het origineel van het vonnis, of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift, en het origineel van het certificaat worden aan de tenuitvoerleggingsstaat toegezonden, indien deze daarom verzoekt. Alle ambtelijke mededelingen worden eveneens rechtstreeks door deze bevoegde autoriteiten uitgewisseld.

2.   Het certificaat wordt ondertekend door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, die verklaart dat de inhoud juist is.

3.   De beslissingsstaat zendt het vonnis, samen met het certificaat, slechts aan één tenuitvoerleggingsstaat tegelijk toe.

4.   Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet bekend is bij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, wint deze, onder andere met behulp van de contactpunten van het bij Gemeenschappelijk Optreden 98/428/JBZ van de Raad (9) opgerichte Europees justitieel netwerk, bij de tenuitvoerleggingsstaat de nodige inlichtingen in.

5.   De autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat die een vonnis met een certificaat ontvangt en niet bevoegd is dit te erkennen en de voor de tenuitvoerlegging vereiste maatregelen te nemen, zendt het vonnis met het certificaat ambtshalve aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat toe en stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat hiervan in kennis.

Artikel 6

Mening van en kennisgeving aan de gevonniste persoon

1.   Onverminderd lid 2, kan een vonnis, samen met een certificaat, ter fine van erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie, alleen aan de tenuitvoerleggingsstaat worden toegezonden, voor zover de gevonniste persoon daarmee overeenkomstig het recht van de beslissingsstaat heeft ingestemd.

2.   De instemming van de gevonniste persoon is niet vereist indien het vonnis, samen met het certificaat, wordt toegezonden aan:

a)

de lidstaat waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waar hij tevens woont;

b)

de lidstaat waarnaar de gevonniste persoon, nadat hij in vrijheid is gesteld, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis, of van een gerechtelijke of bestuursrechtelijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis getroffen maatregel;

c)

de lidstaat waarnaar de gevonniste persoon is gevlucht of anderszins is teruggekeerd naar aanleiding van de tegen hem in de beslissingsstaat ingestelde strafvervolging of uitgesproken veroordeling.

3.   Indien de gevonniste persoon zich nog in de beslissingsstaat bevindt, wordt hij in de gelegenheid gesteld om zijn mening mondeling of schriftelijk kenbaar te maken. Zijn wettelijke vertegenwoordiger zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld, indien de beslissingsstaat dat in verband met de leeftijd of de lichamelijke of geestelijke toestand van de gevonniste persoon nodig acht.

Wanneer over de toezending van het vonnis en het certificaat wordt besloten, zal rekening worden gehouden met de mening van de gevonniste persoon. Indien hij gebruikmaakt van de in dit lid geboden mogelijkheid, wordt, met name met het oog op artikel 4, lid 4, zijn mening aan de tenuitvoerleggingsstaat meegedeeld. Indien de gevonniste persoon zijn mening mondeling heeft gegeven, draagt de beslissingsstaat er zorg voor dat deze in schriftelijke vorm voor de tenuitvoerleggingsstaat beschikbaar is.

4.   De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet de gevonniste persoon, in een taal die hij of zij kent, ervan in kennis stellen dat is besloten om het vonnis, vergezeld van het certificaat, toe te zenden aan de tenuitvoerleggingsstaat door middel van het standaardformulier van de kennisgeving zoals opgenomen in bijlage II. Indien de gevonniste persoon zich op het tijdstip van dat besluit in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, wordt het standaardformulier toegezonden aan de tenuitvoerleggingsstaat, die de betrokkene van het formulier dienovereenkomstig in kennis moet stellen.

5.   In gevallen waarin het vonnis is gewezen vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar na 5 december 2011 behoeft Polen noch als beslissings- noch als tenuitvoerleggingsstaat het bepaalde in lid 2, onder a), toe te passen. Polen kan het secretariaat-generaal van de Raad te allen tijde ervan in kennis stellen dat het van de afwijking geen gebruik meer wenst te maken.

Artikel 7

Dubbele strafbaarheid

1.   Tot erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de opgelegde sancties kunnen leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende strafbare feiten, indien daarop in de beslissingsstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar, zoals omschreven in het recht van die staat:

deelneming aan een criminele organisatie,

terrorisme,

mensenhandel,

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

illegale handel in wapens, munitie en explosieven,

corruptie,

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (10),

witwassen van opbrengsten van misdrijven,

valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro,

computercriminaliteit,

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde plantensoorten en -variëteiten,

hulp bij irreguliere binnenkomst en irregulier verblijf,

moord, zware mishandeling,

illegale handel in menselijke organen en weefsels,

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,

racisme en vreemdelingenhaat,

georganiseerde of gewapende diefstal,

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,

oplichting,

racketeering en afpersing,

namaak van producten en productpiraterij,

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,

vervalsing van betaalmiddelen,

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,

illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen,

handel in gestolen voertuigen,

verkrachting,

opzettelijke brandstichting,

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,

kaping van vliegtuigen en schepen,

sabotage.

2.   De Raad kan te allen tijde, met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, besluiten andere categorieën van strafbare feiten aan de lijst van lid 1 toe te voegen. De Raad overweegt in het licht van het hem overeenkomstig artikel 28, lid 5, van dit kaderbesluit voorgelegde verslag of de lijst moet worden uitgebreid of gewijzigd.

3.   Ten aanzien van andere dan de in lid 1 genoemde strafbare feiten kan de tenuitvoerleggingsstaat de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de daaraan ten grondslag liggende feiten ook naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat een strafbaar feit vormen, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.

4.   Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of later, in een ter kennis van het secretariaat-generaal van de Raad te brengen verklaring, meedelen dat hij lid 1 niet zal toepassen. Deze verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken. De verklaring, evenals de intrekking ervan, worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Artikel 8

Erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie

1.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent een overeenkomstig artikel 4 en volgens de procedure van artikel 5 toegezonden vonnis en neemt onverwijld de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de sanctie, tenzij zij zich beroept op een van de in artikel 9 genoemde gronden tot weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging.

2.   Wanneer de duur van de sanctie onverenigbaar is met het nationale recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat alleen besluiten de sanctie aan te passen voor zover deze zwaarder is dan de maximumsanctie welke naar het recht van die staat op vergelijkbare strafbare feiten is gesteld. De aangepaste sanctie mag niet lager zijn dan de maximumsanctie die krachtens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voor vergelijkbare strafbare feiten geldt.

3.   Wanneer de aard van de sanctie onverenigbaar is met het recht van de tenuitvoerleggingsstaat, kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat de sanctie aanpassen aan de sanctie of maatregel die door het nationale recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Deze sanctie of maatregel stemt zo veel mogelijk overeen met de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie en derhalve wordt de sanctie niet gewijzigd in een geldboete.

4.   De aangepaste sanctie houdt, naar aard of duur, geen verzwaring van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie in.

Artikel 9

Gronden tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging

1.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie weigeren in de volgende gevallen:

a)

het in artikel 4 bedoelde certificaat is onvolledig of stemt kennelijk niet overeen met het vonnis en is niet binnen de door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat gestelde redelijke termijn aangevuld of gecorrigeerd;

b)

er is niet voldaan aan de in artikel 4, lid 1, vermelde criteria;

c)

de tenuitvoerlegging van de sanctie is onverenigbaar met het “ne bis in idem”-beginsel;

d)

in het in artikel 7, lid 3, bedoelde geval en, voor zover de tenuitvoerleggingsstaat een verklaring op grond van artikel 7, lid 4, heeft afgelegd, in het in artikel 7, lid 1, bedoelde geval, heeft het vonnis betrekking op feiten die naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar zijn. Ter zake van retributies en belastingen, douanerechten en deviezen evenwel mag de tenuitvoerlegging van een vonnis niet worden geweigerd op grond van het feit dat de tenuitvoerleggingsstaat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies, belastingen, douanerechten en deviezen kent als de beslissingsstaat;

e)

de tenuitvoerlegging van de sanctie is volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat verjaard;

f)

het recht van de tenuitvoerleggingsstaat voorziet in een immuniteit die tenuitvoerlegging van de sanctie onmogelijk maakt;

g)

de sanctie is opgelegd aan een persoon die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat vanwege zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis;

h)

wanneer de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat het vonnis ontvangt, moeten van de sanctie nog minder dan zes maanden worden ondergaan;

i)

volgens het in artikel 4 bedoelde certificaat de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het certificaat is vermeld dat de betrokkene, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de beslissingsstaat bepaalde procedurevoorschriften:

i)

tijdig

persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces,

en

ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt,

of

ii)

op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd,

of

iii)

nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing,

uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist,

of

niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;

j)

de tenuitvoerleggingsstaat heeft, voordat volgens de procedure van artikel 12, lid 1, een beslissing wordt genomen, overeenkomstig artikel 18, lid 3, een verzoek ingediend en de beslissingsstaat heeft er niet, overeenkomstig artikel 18, lid 2, onder g), in toegestemd dat de betrokkene in de tenuitvoerleggingsstaat wordt vervolgd of berecht of dat hem anderszins de vrijheid wordt benomen wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit dan dat wat aan de overbrenging ten grondslag ligt;

k)

de opgelegde sanctie omvat een maatregel in de sfeer van de psychiatrie of de gezondheidszorg die tot vrijheidsbeneming strekt en die, ondanks artikel 8, lid 3, niet ten uitvoer kan worden gelegd binnen het rechts- of gezondheidszorgsysteem van de tenuitvoerleggingsstaat;

l)

het vonnis heeft betrekking op strafbare feiten die volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat volledig, dan wel voor een groot of zeer belangrijk deel op zijn grondgebied of op een daarmee gelijk te stellen plaats zijn gepleegd.

2.   Het in lid 1, onder l), bedoelde besluit betreffende strafbare feiten die gedeeltelijk op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat of op een daarmee gelijk te stellen plaats zijn gepleegd, wordt door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in uitzonderlijke omstandigheden en per individueel geval genomen, waarbij dient te worden gelet op de bijzondere omstandigheden, en met name de vraag of de feiten voor een groot of zeer belangrijk deel in de beslissingsstaat zijn gepleegd.

3.   In de in lid 1, onder a), b), c), i), k) en l), bedoelde gevallen pleegt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voordat zij besluit het vonnis niet te erkennen en de sanctie niet ten uitvoer te leggen, langs passende weg overleg met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, en verzoekt zij haar in voorkomend geval onverwijld de noodzakelijk geachte aanvullende gegevens te verstrekken.

Artikel 10

Gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging

1.   Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan overwegen het vonnis en de sanctie slechts gedeeltelijk te erkennen, respectievelijk ten uitvoer te leggen, kan zij, alvorens de volledige erkenning en tenuitvoerlegging te weigeren, overleg plegen met de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, ten einde overeenstemming overeenkomstig lid 2 te bereiken.

2.   De bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat kunnen, per geval, een gedeeltelijke erkenning en tenuitvoerlegging van de sanctie overeenkomen, op de door hen vastgestelde voorwaarden, voor zover dit niet leidt tot verlenging van de duur van de sanctie. Bij gebreke van overeenstemming dient het certificaat te worden ingetrokken.

Artikel 11

Uitstel van de erkenning van het vonnis

Indien het in artikel 4 bedoelde certificaat onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met het vonnis, kan de erkenning van het vonnis in de tenuitvoerleggingsstaat worden uitgesteld totdat het formulier, binnen een door de tenuitvoerleggingsstaat vast te stellen redelijke termijn, volledig is aangevuld of is gecorrigeerd.

Artikel 12

Besluit over de tenuitvoerlegging van de sanctie en termijnen

1.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat besluit zo spoedig mogelijk of zij het vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt, en stelt de beslissingsstaat in kennis van haar besluit, en in voorkomend geval van het besluit om de sanctie overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 3, aan te passen.

2.   Tenzij er een reden tot uitstel is zoals bedoeld in artikel 11 of artikel 23, lid 3, wordt het definitieve besluit betreffende de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie genomen binnen een termijn van 90 dagen na de ontvangst van het vonnis en het certificaat.

3.   In het uitzonderlijke geval dat het de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onmogelijk is de in lid 2 genoemde termijn na te leven, stelt zij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat hiervan onverwijld en op ongeacht welke wijze in kennis, onder opgave van de redenen voor de vertraging en van de tijd die deze nog voor het nemen van een definitief besluit nodig zal hebben.

Artikel 13

Intrekking van het certificaat

De beslissingsstaat kan, zolang geen aanvang is gemaakt met de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat, onder opgave van redenen het certificaat intrekken. Zodra het certificaat is ingetrokken, wordt de tenuitvoerlegging van de sanctie in de tenuitvoerleggingsstaat gestaakt.

Artikel 14

Voorlopige aanhouding

Indien de gevonniste persoon zich op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat bevindt, kan deze, voordat hij het vonnis en het certificaat heeft ontvangen of voordat tot erkenning van het vonnis en tenuitvoerlegging van de sanctie is besloten, op verzoek van de beslissingsstaat de gevonniste persoon aanhouden of een andere maatregel nemen om ervoor te zorgen dat de betrokkene, in afwachting van het besluit betreffende de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, het grondgebied niet verlaat. De duur van de sanctie wordt niet verlengd als gevolg van enigerlei vorm van hechtenis die op grond van dit lid werd ondergaan.

Artikel 15

Overbrenging

1.   Indien de gevonniste persoon zich in de beslissingsstaat bevindt, wordt hij naar de tenuitvoerleggingsstaat overgebracht op een door de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat onderling vast te stellen tijdstip, maar niet later dan 30 dagen na het definitieve besluit van de tenuitvoerleggingsstaat betreffende de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie.

2.   Indien onvoorziene omstandigheden in de weg staan aan een overbrenging binnen de in lid 1 gestelde termijn, nemen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en van de tenuitvoerleggingsstaat onmiddellijk contact met elkaar op. De overbrenging vindt plaats zodra die omstandigheden zich niet meer voordoen. De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld op de hoogte stellen en met hem een nieuwe datum voor de overbrenging vaststellen. In dat geval moet de overbrenging plaatsvinden binnen tien dagen na de nieuw overeengekomen datum.

Artikel 16

Doorvoer

1.   Elke lidstaat staat, in overeenstemming met zijn nationale recht, de doortocht over zijn grondgebied toe van een gevonniste persoon die naar de tenuitvoerleggingsstaat wordt overgebracht, indien de beslissingsstaat hem, samen met het verzoek om doortocht, een afschrift van het in artikel 4 bedoelde certificaat heeft doen toekomen. Het verzoek om doortocht en het certificaat kunnen worden toegezonden in een vorm die toelaat dat dit schriftelijk wordt vastgelegd. Op verzoek van de met het oog op doortocht aangezochte lidstaat verstrekt de beslissingsstaat een vertaling van het certificaat in een van de in het verzoek op te geven talen die door de met het oog op doortocht aangezochte lidstaat wordt aanvaard.

2.   Na ontvangst van een verzoek om doortocht deelt de met het oog op doortocht aangezochte lidstaat in voorkomend geval de beslissingsstaat mee dat hij niet de verzekering kan geven dat de gevonniste persoon op zijn grondgebied niet zal worden vervolgd, noch, behoudens het bepaalde in het vorige lid, zal worden aangehouden of anderszins aan enige vrijheidsbeperking zal worden onderworpen wegens een strafbaar feit dat is gepleegd of een sanctie die is uitgesproken vóór zijn vertrek uit de beslissingsstaat. In dat geval kan de beslissingsstaat zijn verzoek intrekken.

3.   De met het oog op doortocht aangezochte lidstaat geeft op dezelfde wijze kennis van zijn besluit. Hij dient de beslissing bij voorrang en uiterlijk één week na ontvangst van het verzoek te nemen. Indien op grond van lid 1 een vertaling is vereist, kan het besluit worden uitgesteld totdat de vertaling aan de met het oog op doortocht aangezochte lidstaat is toegezonden.

4.   De met het oog op de doortocht aangezochte lidstaat kan de gevonniste persoon niet langer in hechtenis houden dan voor de doortocht nodig is.

5.   Het verzoek om doortocht is niet vereist indien het vervoer door de lucht plaatsvindt en er geen tussenlanding is voorzien. In geval van een onvoorziene tussenlanding verstrekt de beslissingsstaat evenwel binnen 72 uur de in lid 1 bedoelde gegevens.

Artikel 17

Het op de tenuitvoerlegging toepasselijk recht

1.   De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. De autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn, behoudens de leden 2 en 3, bij uitsluiting bevoegd te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en zij bepalen alle daarop betrekking hebbende maatregelen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.

2.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat brengt de termijn van vrijheidsbeneming die al is ondergaan ten gevolge van de sanctie waarop het vonnis betrekking heeft, volledig in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die moet worden ondergaan.

3.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat licht, op verzoek, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in over de geldende bepalingen betreffende eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissingsstaat kan de toepassing van deze bepalingen accepteren of het certificaat intrekken.

4.   Een lidstaat kan bepalen dat in de beslissing tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling tevens rekening kan worden gehouden met de door de beslissingsstaat aangegeven bepalingen van nationaal recht op grond waarvan de gevonniste persoon op een bepaald tijdstip recht heeft op vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.

Artikel 18

Specialiteit

1.   Een persoon die op grond van dit kaderbesluit naar de tenuitvoerleggingsstaat is overgebracht, kan, behoudens lid 2, niet worden vervolgd of berecht, noch kan hem anderszins de vrijheid worden benomen, wegens een ander vóór de overbrenging gepleegd feit dan dat wat de reden voor de overbrenging is geweest.

2.   Lid 1 geldt niet in de volgende gevallen:

a)

de betrokkene heeft, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat verlaten, of is, na het te hebben verlaten, er teruggekeerd;

b)

de feiten worden niet gestraft met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel;

c)

de strafvervolging leidt niet tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid beperkt;

d)

de betrokkene kan worden onderworpen aan de tenuitvoerlegging van een sanctie of een maatregel die geen vrijheidsbeneming meebrengt, waaronder begrepen een geldboete of een vervangende maatregel, zelfs indien deze geldboete of maatregel kan leiden tot beperking van zijn persoonlijke vrijheid;

e)

de betrokkene heeft ingestemd met de overbrenging;

f)

de betrokkene heeft, na de overbrenging, ten aanzien van bepaalde, vóór de overbrenging gepleegde feiten uitdrukkelijk afstand gedaan van de bescherming die hij op grond van het specialiteitsbeginsel geniet. De afstand wordt gedaan ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat en wordt opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationale recht van die staat. De afstand geschiedt onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich ten volle bewust is van de gevolgen. Hij heeft het recht zich te dien einde door een raadsman te laten bijstaan;

g)

in andere dan de onder a) tot en met f) bedoelde gevallen, indien de beslissingsstaat daarin overeenkomstig lid 3 toestemt.

3.   Het verzoek tot toestemming wordt bij de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ en gaat vergezeld van de in artikel 8, lid 2, van dat kaderbesluit bedoelde vertaling. De toestemming wordt verleend indien er uit hoofde van dat kaderbesluit een verplichting tot overlevering bestaat. De beslissing moet uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek worden genomen. Voor de in artikel 5 van dat kaderbesluit bedoelde situaties dient de tenuitvoerleggingsstaat de daarin bedoelde garanties te geven.

Artikel 19

Amnestie, gratie, herziening van het vonnis

1.   Zowel de beslissingsstaat als de tenuitvoerleggingsstaat kan amnestie of gratie verlenen.

2.   Alleen de beslissingsstaat kan beschikken op een verzoek tot herziening van het vonnis waarbij de op grond van dit kaderbesluit ten uitvoer te leggen sanctie is opgelegd.

Artikel 20

Informatie van de beslissingsstaat

1.   De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld in kennis van iedere beslissing of maatregel waardoor de sanctie onmiddellijk of binnen een bepaalde termijn niet langer ten uitvoer kan worden gelegd.

2.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat beëindigt de tenuitvoerlegging van de sanctie, zodra zij door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat in kennis is gesteld van de in lid 1 bedoelde beslissing of maatregel.

Artikel 21

Informatie van de tenuitvoerleggingsstaat

De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat stelt de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat onverwijld, schriftelijk of in een vorm die schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van:

a)

de toezending van het vonnis en het certificaat aan de met de tenuitvoerlegging belaste bevoegde autoriteit zoals bedoeld in artikel 5, lid 5;

b)

het feit dat het in de praktijk onmogelijk is de sanctie ten uitvoer te leggen omdat, na de toezending van het certificaat en het vonnis aan de tenuitvoerleggingsstaat, de gevonniste persoon niet gevonden kan worden op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat, in welk geval de tenuitvoerleggingsstaat niet verplicht is de sanctie ten uitvoer te leggen;

c)

het definitieve besluit tot erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie, alsmede de datum van het besluit;

d)

het gemotiveerde besluit om, overeenkomstig artikel 9, het vonnis geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of de sanctie niet ten uitvoer te leggen;

e)

het gemotiveerde besluit tot aanpassing van de sanctie, overeenkomstig artikel 8, lid 2, of artikel 8, lid 3;

f)

het gemotiveerde besluit om de sanctie om een van de in artikel 19, lid 1, bedoelde redenen, niet ten uitvoer te leggen;

g)

de tijdstippen waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling ingaat en afloopt, voor zover in het certificaat van de beslissingsstaat daarom wordt gevraagd;

h)

het feit dat de gevonniste persoon uit hechtenis is gevlucht;

i)

de tenuitvoerlegging van de sanctie, zodra deze geheel is voltrokken.

Artikel 22

Gevolgen van de overbrenging van de gevonniste persoon

1.   Behoudens lid 2 gaat de beslissingsstaat niet tot de verdere tenuitvoerlegging van de sanctie over, zodra de tenuitvoerlegging in de tenuitvoerleggingsstaat is ingegaan.

2.   Het recht tot tenuitvoerlegging van de sanctie valt opnieuw aan de beslissingsstaat toe, zodra deze van de tenuitvoerleggingsstaat bericht ontvangt dat de sanctie in de zin van artikel 21, onder h), gedeeltelijk niet ten uitvoer is gelegd.

Artikel 23

Talen

1.   Het certificaat wordt vertaald in de officiële taal of een der officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of later, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neer te leggen verklaring meedelen dat hij een vertaling in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie aanvaardt.

2.   Behoudens lid 3 zal geen vertaling van het vonnis worden verlangd.

3.   Bij de aanneming van dit kaderbesluit of op een later tijdstip kan elke lidstaat in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neer te leggen verklaring meedelen dat hij, als tenuitvoerleggingsstaat, indien hij de inhoud van het certificaat ontoereikend acht om een besluit te kunnen nemen over de tenuitvoerlegging van de sanctie, onverwijld na ontvangst van het vonnis en het certificaat kan verlangen dat het vonnis of essentiële onderdelen ervan vergezeld gaan van een vertaling in de officiële taal of een van de officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat dan wel in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie. In voorkomend geval plegen de bevoegde autoriteiten van de beslissingsstaat en de tenuitvoerleggingsstaat, voorafgaand aan dit verzoek, overleg om vast te stellen welke essentiële onderdelen van het vonnis vertaling behoeven.

Het besluit tot de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de sanctie kan worden uitgesteld totdat de beslissingsstaat de vertaling van het vonnis aan de tenuitvoerleggingsstaat heeft doen toekomen of, indien hij de vertaling op eigen kosten laat maken, totdat deze beschikbaar is.

Artikel 24

Kosten

De kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit kaderbesluit worden door de tenuitvoerleggingsstaat gedragen, uitgezonderd de kosten voor de overbrenging van de gevonniste persoon naar de tenuitvoerleggingsstaat en de kosten die uitsluitend op het grondgebied van de beslissingsstaat zijn gemaakt.

Artikel 25

Tenuitvoerlegging van vonnissen volgend op een Europees aanhoudingsbevel

Onverminderd Kaderbesluit 2002/584/JBZ zijn de bepalingen van het onderhavige kaderbesluit, voor zover verenigbaar met Kaderbesluit 2002/584/JBZ, van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van vonnissen in het geval dat een lidstaat zich op grond van artikel 4, lid 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ ertoe verbonden heeft een vonnis ten uitvoer te leggen, dan wel op grond van artikel 5, lid 3, van genoemd kaderbesluit als voorwaarde heeft gesteld dat de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat zal worden teruggezonden om er de sanctie te ondergaan, zulks teneinde straffeloosheid te voorkomen.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 26

Verhouding tot andere overeenkomsten en regelingen

1.   Onverminderd de toepassing ervan tussen de lidstaten en derde landen en de voorlopige toepassing ervan overeenkomstig artikel 28, vervangt dit kaderbesluit met ingang van 5 december 2011 de overeenkomstige bepalingen van de volgende verdragen die in de betrekkingen tussen de lidstaten van toepassing zijn:

het Verdrag van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen en het aanvullend protocol van 18 december 1997;

het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen van 28 mei 1970;

titel III, hoofdstuk 5, van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen;

het Verdrag tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen van 13 november 1991 inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen.

2.   De lidstaten mogen de bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die op 27 november 2008 van kracht zijn, blijven toepassen voor zover deze verder reiken dan de doelstellingen van dit kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de tenuitvoerlegging van sancties verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

3.   De lidstaten mogen na 5 december 2008 bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen sluiten die verder reiken dan de voorschriften van het kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de tenuitvoerlegging van de sancties verder te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

4.   De lidstaten geven de Raad en de Commissie uiterlijk op 5 maart 2009 kennis van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten of regelingen die zij willen blijven toepassen. De lidstaten geven de Raad en de Commissie ook kennis van iedere nieuwe overeenkomst of regeling in de zin van lid 3, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan.

Artikel 27

Territoriale werking

Dit kaderbesluit is van toepassing op Gibraltar.

Artikel 28

Overgangsbepaling

1.   Het vóór 5 december 2011 ontvangen verzoek wordt verder volgens de bestaande rechtsinstrumenten betreffende de overbrenging van gevonniste personen behandeld. Het na die datum ontvangen verzoek wordt behandeld volgens de voorschriften die de lidstaten op grond van dit kaderbesluit aannemen.

2.   Elke lidstaat kan evenwel op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit verklaren dat hij, als beslissingsstaat en als tenuitvoerleggingsstaat, in gevallen waarin het onherroepelijke vonnis vóór de door hem bepaalde datum is gegeven, de bestaande, vóór 5 december 2011 toepasselijke, rechtsinstrumenten inzake de overbrenging van gevonniste personen zal blijven toepassen. Indien een dergelijke verklaring is afgelegd, zijn deze instrumenten in die gevallen van toepassing ten aanzien van alle overige lidstaten, ongeacht of zij dezelfde verklaring hebben afgelegd of niet. De bedoelde datum mag niet later vallen dan 5 december 2011. De verklaring wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 29

Uitvoering

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om uiterlijk op maandag 5 december 2011 aan dit kaderbesluit te voldoen.

2.   De lidstaten delen het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie de tekst mee van de bepalingen waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in hun nationaal recht omzetten. De Raad gaat op basis van een verslag dat door de Commissie aan de hand van deze gegevens is opgesteld, vóór 5 december 2012 na in hoeverre de lidstaten dit kaderbesluit naleven.

3.   Het secretariaat-generaal van de Raad deelt de lidstaten en de Commissie de verklaringen en kennisgevingen in de zin van artikel 4, lid 7, en artikel 23, lid 1 of lid 3, mee.

4.   Onverminderd artikel 35, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, stelt een lidstaat die bij de toepassing van artikel 25 van dit kaderbesluit herhaaldelijk moeilijkheden heeft ondervonden die niet door bilateraal overleg zijn opgelost, de Raad en de Commissie daarvan in kennis. De Commissie stelt aan de hand van deze kennisgeving en van andere informatie waarover zij beschikt, een verslag op, vergezeld van de initiatieven die zij passend acht om deze moeilijkheden op te lossen.

5.   Uiterlijk op 5 december 2013 stelt de Commissie aan de hand van de ontvangen informatie een verslag op, vergezeld van de initiatieven die zij passend acht. Op basis van het verslag van de Commissie en van initiatieven zal door de Raad met name artikel 25 worden geëvalueerd, en worden nagegaan of het niet door meer specifieke bepalingen moet worden vervangen.

Artikel 30

Inwerkingtreding

Dit kaderbesluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.


(1)  PB C 12 van 15.1.2001, blz. 10.

(2)  PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.

(3)  PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.

(4)  PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12.

(5)  PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44.

(6)  PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(7)  PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16.

(8)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 59.

(9)  PB L 191 van 7.7.1998, blz. 4.

(10)  PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49.


BIJLAGE II

OVERBRENGINGSCERTIFICAAT

CERTIFICAAT

bedoeld in artikel 4 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (1)

(a)

*

Beslissingsstaat: …

*

Tenuitvoerleggingsstaat: …

(b)

Rechter die het onherroepelijk geworden vonnis heeft gewezen waarbij de sanctie wordt opgelegd:

Officiële benaming: …

Het vonnis is gewezen op (vermeld datum: dd-mm-jjjj): …

Het vonnis werd onherroepelijk op (vermeld datum: dd-mm-jjjj): …

Referentienummer van het vonnis (indien bekend): …

(c)

Informatie betreffende de autoriteit die kan worden benaderd voor vragen omtrent het certificaat:

1.

Soort autoriteit: Kruis het desbetreffende vakje aan:

Centrale autoriteit …

Rechter …

Andere autoriteit …

2.

Adresgegevens van de onder c) 1 bedoelde autoriteit:

Officiële benaming: …

Adres: …

Telefoonnummer: (landnummer) (netnummer) …

Faxnummer: (landnummer) (netnummer) …

E-mailadres (indien beschikbaar): …

3.

Talen waarin met de autoriteit kan worden gecommuniceerd:

4.

Adresgegevens van de pers(o)n(en) die benaderd moet(en) worden indien er aanvullende informatie nodig is met het oog op de tenuitvoerlegging van het vonnis of met het oog op het overeenkomen van de overbrengingsprocedures (naam, titel/rang, telefoon, fax, e-mailadres), indien verschillend van 2: …

(d)

Gegevens betreffende de gevonniste persoon aan wie de sanctie is opgelegd:

Naam: …

Voorna(a)m(en): …

Meisjesnaam, indien van toepassing: …

Bijnamen, indien van toepassing: …

Geslacht: …

Nationaliteit: …

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien beschikbaar): …

Geboortedatum: …

Geboorteplaats: …

Laatst bekende adressen/verblijfplaatsen: …

Taal/talen die de persoon begrijpt (indien bekend): …

De gevonniste persoon bevindt zich:

in de tenuitvoerleggingsstaat en de tenuitvoerlegging zal in die staat plaatsvinden.

in de beslissingsstaat en zal naar de tenuitvoerleggingsstaat worden overgebracht.

Aanvullende te verstrekken informatie, indien beschikbaar en indien nodig:

1.

Foto en vingerafdrukken van de betrokkene, en/of contactgegevens van de persoon die dergelijke informatie kan verstrekken:

2.

Type en nummer van de identiteitskaart of het paspoort van de gevonniste persoon:

3.

Type en nummer van de verblijfsvergunning van de gevonniste persoon:

4.

Andere relevante informatie over de familie-, sociale of professionele banden van de gevonniste persoon met de tenuitvoerleggingsstaat:

(e)

Verzoek om voorlopige aanhouding door de beslissingsstaat (indien de gevonniste persoon zich in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt):

De beslissingsstaat verzoekt de tenuitvoerleggingsstaat de gevonniste persoon aan te houden of een andere maatregel te nemen om ervoor te zorgen dat de gevonniste persoon, in afwachting van een besluit betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van de sanctie, het grondgebied niet verlaat.

De beslissingsstaat heeft de tenuitvoerleggingsstaat reeds verzocht de gevonniste persoon aan te houden of een andere maatregel te nemen om ervoor te zorgen dat de gevonniste persoon, in afwachting van een besluit betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van de sanctie, het grondgebied niet verlaat. Gelieve de naam van de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat die de beslissing betreffende het verzoek om aanhouding van de betrokkene heeft genomen, te vermelden (indien van toepassing en indien beschikbaar):

(f)

Verband met een eventueel eerder Europees aanhoudingsbevel (EAB):

Er is een EAB uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel en de tenuitvoerleggingsstaat verbindt zich ertoe deze ten uitvoer te leggen (artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Datum van uitvaardiging van het EAB en, indien bekend, referentienummer:

Naam van de autoriteit die het EAB heeft uitgevaardigd: …

Datum van de beslissing tot tenuitvoerlegging en, indien bekend, referentienummer:

Naam van de autoriteit die de beslissing tot tenuitvoerlegging van het vonnis heeft uitgevaardigd:

Er is een EAB uitgevaardigd met het oog op vervolging van een persoon die onderdaan of ingezetene is van de tenuitvoerleggingsstaat en de overlevering is afhankelijk gesteld van de garantie dat de betrokkene wordt teruggezonden naar de tenuitvoerleggingsstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem is opgelegd in de tenuitvoerleggingsstaat (artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Datum van de beslissing tot overlevering van de betrokkene: …

Naam van de autoriteit die de beslissing tot overlevering heeft uitgevaardigd: …

Referentienummer van de beslissing (indien bekend): …

Datum van de overlevering van de betrokkene, indien bekend: …

(g)

Redenen voor toezending van het vonnis en het certificaat (indien u vak f) hebt ingevuld, hoeft dit vak niet te worden ingevuld):

Het vonnis en het certificaat worden naar de tenuitvoerleggingsstaat gezonden omdat de beslissingsautoriteit zich ervan heeft vergewist dat de tenuitvoerlegging van de sanctie door de tenuitvoerleggingsstaat de reclassering van de gevonniste persoon ten goede zal komen en:

☐ (a)

de tenuitvoerleggingsstaat de staat is waarvan de gevonniste persoon onderdaan is én waar hij zijn woonplaats heeft;

☐ (b)

de tenuitvoerleggingsstaat de staat is waarvan de gevonniste persoon onderdaan is en waarnaar hij, na zijn invrijheidstelling, zal worden uitgewezen als gevolg van een bevel tot uitzetting of verwijdering dat deel uitmaakt van het vonnis of van een gerechtelijke of bestuursrechtelijke beschikking of een andere ingevolge het vonnis genomen maatregel. Indien het bevel tot uitzetting of verwijdering geen deel uitmaakt van het vonnis, gelieve de naam van de autoriteit die het bevel heeft afgegeven te vermelden, alsook de datum van afgifte en, indien bekend, het referentienummer: …

☐ (c)

de tenuitvoerleggingsstaat een andere is dan de onder a) of b) bedoelde staat, waarvan de bevoegde autoriteit erin toestemt dat aan die staat het vonnis en het certificaat worden toegezonden;

☐ (d)

de tenuitvoerleggingsstaat een kennisgeving uit hoofde van artikel 4, lid 7, van het kaderbesluit heeft verricht, en:

wordt bevestigd dat, voor zover bekend aan de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, de gevonniste persoon in de tenuitvoerleggingsstaat woont, er sedert ten minste vijf jaar ononderbroken wettig verblijft, en er een permanent verblijfsrecht zal behouden, of

wordt bevestigd dat de gevonniste persoon onderdaan van de tenuitvoerleggingsstaat is.

(h)

Het vonnis waarbij de sanctie is opgelegd:

1.

Het vonnis betreft in totaal … strafbare feiten.

Samenvatting van de feiten en beschrijving van de omstandigheden waarin het strafbare feit/de strafbare feiten is/zijn gepleegd, inclusief tijd en plaats, en de mate van betrokkenheid van de gevonniste persoon:

Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepalingen/wetboek:

2.

Als de onder h) 1 genoemde strafbare feiten één of meer van de volgende strafbare feiten — zoals gedefinieerd in de wet van de beslissingsstaat — vormen die in de beslissingsstaat gestraft worden met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar, gelieve dit dan te bevestigen door het overeenkomstige vak/de overeenkomstige vakken aan te kruisen:

deelneming aan een criminele organisatie;

terrorisme;

mensenhandel;

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

illegale handel in wapens, munitie en explosieven,

corruptie;

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;

witwassen van opbrengsten van misdrijven

valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro

computergerelateerde criminaliteit;

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde plantensoorten en -variëteiten;

hulp bij irreguliere binnenkomst en irregulier verblijf,

moord en doodslag, zware mishandeling;

illegale handel in menselijke organen en weefsels

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling;

racisme en vreemdelingenhaat;

georganiseerde of gewapende diefstal;

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,

oplichting;

racketeering en afpersing;

namaak van producten en productpiraterij;

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,

vervalsing van betaalmiddelen;

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,

illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen;

handel in gestolen voertuigen;

verkrachting;

opzettelijke brandstichting;

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,

kaping van vliegtuigen of schepen;

sabotage.

3.

Als de in punt 1 genoemde strafbare feiten niet onder punt 2 vallen of indien het vonnis en het certificaat worden gezonden aan een lidstaat die heeft verklaard dat hij de dubbele strafbaarheid zal onderzoeken (artikel 7, lid 4, van het kaderbesluit), gelieve dan een volledige beschrijving van de desbetreffende strafbare feiten te geven:

……

(i)

Status van het vonnis waarbij de sanctie is opgelegd:

1.

Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:

1.

 Ja, de betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

2.

 Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

3.

Indien u „nee” (keuzemogelijkheid 2) hebt aangekruist, gelieve een van de volgende gevallen te bevestigen:

☐ 3.1a.

de betrokkene is persoonlijk gedagvaard op … (dag/maand/jaar) en is daarbij op de hoogte gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

OF

☐ 3.1b.

de betrokkene is niet persoonlijk gedagvaard, maar is anderszins daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

OF

☐ 3.2.

de betrokkene was op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en is op het proces ook werkelijk door die raadsman verdedigd;

OF

☐ 3.3.

nadat de beslissing aan hem was betekend op … (dag/maand/jaar) en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing

heeft de betrokkene uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij de beslissing niet betwist;

OF

heeft de betrokkene niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend.

4.

Gelieve voor het in punt 3.1b, 3.2 of 3.3 aangekruiste vakje te vermelden op welke wijze aan de desbetreffende voorwaarde is voldaan:

2.

Informatie over de duur van de sanctie:

2.1.

Totale duur van de sanctie (in dagen): …

2.2.

De volledige periode van vrijheidsbeneming die al is ondergaan ten gevolge van de sanctie waarop het vonnis betrekking heeft (in dagen):

…, vanaf (…) (vermeld datum waarop de berekening is gemaakt: dd‐mm‐jjjj): …

2.3.

Het aantal dagen dat van de totale duur van de sanctie moet worden afgetrokken om andere dan de in 2.2. genoemde redenen (bijvoorbeeld amnestie, kwijtschelding of clementie die reeds is verleend met betrekking tot de sanctie): …, vanaf (…) (vermeld datum waarop de berekening is gemaakt: dd-mm‐jjjj): …

2.4.

Datum waarop het vonnis in de beslissingsstaat is ondergaan:

niet van toepassing, omdat de betrokkene zich niet in hechtenis bevindt.

de betrokkene bevindt zich in hechtenis en de sanctie zou volgens het recht van de beslissingsstaat volledig zijn ondergaan op (vermeld datum: dd-mm‐jjjj) (2): …

3.

Aard van de sanctie:

vrijheidsstraf

een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel (geef aan welke):

(j)

Informatie betreffende vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling:

1.

Naar het recht van de beslissingsstaat komt de gevonniste persoon in aanmerking voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling na het ondergaan van:

de helft van de sanctie

twee derde van de sanctie

een ander deel van de sanctie (nader te omschrijven):

2.

De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat wenst te worden ingelicht over:

de geldende bepalingen van het recht van de tenuitvoerleggingsstaat betreffende vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling van de gevonniste persoon;

het begin en het einde van de periode van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.

(k)

Mening van de gevonniste persoon:

1. ☐

De gevonniste persoon kon niet worden gehoord omdat hij/zij zich reeds in de tenuitvoerleggingsstaat bevindt.

2. ☐

De gevonniste persoon bevindt zich in de beslissingsstaat en:

a.

heeft om toezending van het vonnis en het certificaat verzocht;

heeft met de toezending van het vonnis en het certificaat ingestemd;

heeft niet met de toezending van het vonnis en het certificaat ingestemd (de door de betrokkene opgegeven redenen vermelden):

b.

de mening van de gevonniste persoon is bijgevoegd;

de mening van de gevonniste persoon is reeds aan de tenuitvoerleggingsstaat toegezonden op (vermeld datum: dd-mm-jjjj): …

(l)

Andere voor de zaak relevante omstandigheden (facultatieve informatie):

(m)

Overige informatie:

De tekst van het vonnis of de vonnissen wordt aan het certificaat gehecht (3).

Handtekening van de autoriteit die het certificaat afgeeft en/of haar vertegenwoordiger die de juistheid van de inhoud van het certificaat bevestigt:

Naam: …

Functie (titel/rang): …

Datum: …

Officieel stempel (indien beschikbaar) …


(1)  Dit certificaat moet gesteld of vertaald zijn in een van de officiële talen van de tenuitvoerleggingsstaat of in een andere door die staat aanvaarde taal.

(2)  Vermeld de datum waarop de sanctie volledig zou zijn ondergaan (zonder rekening te houden met de mogelijkheden inzake vervroegde en/of voorwaardelijke invrijheidstelling) indien de betrokkene in de beslissingsstaat zou blijven.

(3)  De bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat moet alle vonnissen in verband met de zaak bijvoegen die nodig zijn om te beschikken over alle informatie inzake het definitief geworden vonnis dat ten uitvoer moet worden gelegd. Ook beschikbare vertalingen van het vonnis of de vonnissen kunnen worden bijgevoegd.


BIJLAGE III

Kennisgeving aan de gevonniste persoon

U wordt hierbij in kennis gesteld van de beslissing van … (bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat) om het vonnis van … (bevoegde rechtbank van de beslissingsstaat) d.d. … (datum van het vonnis) … (referentienummer, indien bekend) aan … (de tenuitvoerleggingsstaat) toe te zenden met het oog op de erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de daarin opgelegde sanctie overeenkomstig het nationale recht tot uitvoering van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.

De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van … (tenuitvoerleggingsstaat). De autoriteiten van die staat zijn bevoegd om te besluiten over de tenuitvoerlegging en om alle daarmee verband houdende maatregelen, met inbegrip van de gronden voor vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, vast te stellen.

De bevoegde autoriteit van … (tenuitvoerleggingsstaat) zal de termijn van vrijheidsbeneming die reeds ten gevolge van de sanctie is ondergaan volledig in mindering brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die moet worden ondergaan. De bevoegde autoriteit van … (tenuitvoerleggingsstaat) kan de sanctie alleen aanpassen indien de duur of de aard ervan onverenigbaar is met het recht van deze staat. De aangepaste sanctie mag qua aard of duur de in … (beslissingsstaat) opgelegde sanctie niet verzwaren.


BIJLAGE IV

Stroomschema van Kaderbesluit 2008/909/JBZ

Image 1


BIJLAGE V

Informatiebronnen

Informatie van de Raad van de EU over Kaderbesluit 2008/909/JBZ:

https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9618-2014-REV-1/en/pdf

Informatie van het Europees justitieel netwerk (EJN) in strafzaken: lijst van bevoegde autoriteiten, stand van zaken bij de tenuitvoerlegging en verklaringen van lidstaten in verband met Kaderbesluit 2008/909/JBZ:

https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libcategories.aspx?Id=36

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitvoering door de lidstaten van de Kaderbesluiten 2008/909/JBZ, 2008/947/JBZ en 2009/829/JBZ inzake de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen betreffende vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, inzake proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen en inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (COM(2014) 57 final van 5.2.2014):

https://www.ejn-crimjust.europa.eu/ejn/libdocumentproperties.aspx?Id=1222

Werkdocument van de diensten van de Commissie — tabellen met de “stand van de uitvoering” van de kaderbesluiten en de “verklaringen” van de lidstaten bij het document: “Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitvoering door de lidstaten van de Kaderbesluiten 2008/909/JBZ, 2008/947/JBZ en 2009/829/JBZ inzake de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen betreffende vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen, inzake proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen en inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis — bijlage bij het verslag” (SDW(2014) 34 final van 5.2.2014).

Verslagen en aanbevelingen van de deskundigengroepen van EuroPris inzake Kaderbesluit 2008/909/JBZ, met inbegrip van het “Resource Book on the Transfer of Prisoners” van EuroPris:

http://www.europris.org/

STEPS 2 Resettlement (“Support for Transfer of European Prison Sentences towards Resettlement”), dat bedoeld is ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering van Kaderbesluit 2008/909/JBZ door onderzoek naar en analyse van de wettelijke en praktische belemmeringen voor de omzetting en uitvoering van het kaderbesluit in alle lidstaten.

http://steps2.europris.org/en/

Studie van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) naar Kaderbesluit 2008/909/JBZ over gevangenisstraf en de alternatieven daarvoor: de grondrechten bij overdrachten tussen lidstaten

http://fra.europa.eu/en/publication/2016/criminal-detention-and-alternatives-fundamental-rights-aspects-eu-cross-border


BIJLAGE VI

Lijst van arresten van het Hof van Justitie met betrekking tot Kaderbesluit 2008/909/JBZ

C-573/17, Openbaar Ministerie v Daniel Adam Popławski (“Popławski II”) (arrest van 24 juni 2019)

C-579/15, Popławski (arrest van 29 juni 2017)

C-582/15, van Vemde (arrest van 25 januari 2017)

C-289/15, Grundza (arrest van 11 januari 2017)

C-554/14, Ognyanov (arrest van 8 november 2016)

Aanhangig:

 

C-495/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak YX, dat op 30 juli 2018 is ingediend door de Najvyšší súd republiky (hoogste rechterlijke instantie van Slowakije)

 

C-314/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak Openbaar Ministerie/SF, dat op 8 mei 2018 is ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland)


BIJLAGE VII

Lijst van arresten van het Hof van Justitie met betrekking tot Kaderbesluit 2002/584

C-573/17, Openbaar Ministerie v Daniel Adam Popławski (“Popławski II”) (arrest van 24 juni 2019)

C-514/17, Sut (arrest van 13 december 2018)

C-327/18 PPU, RO (arrest van 19 september 2018)

C-220/18 PPU, ML (arrest van 25 juli 2018)

C-268/17, AY (arrest van 25 juli 2018)

C-367/16, Piotrowski (arrest van 23 januari 2018)

C-404/15 en C-659/15 PPU, Aranyosi en Căldăraru (arrest van 5 april 2016)

C-237/15 PPU, Lanigan (arrest van 16 juli 2015)

C-168/13 PPU, Jeremy F (arrest van 30 mei 2013)

C-66/08, Kozlowski (arrest van 17 juli 2008)

Aanhangig:

 

C-314/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak Openbaar Ministerie/SF, dat op 8 mei 2018 is ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland)

 

C-128/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing in de strafzaak tegen Dumitru-Tudor Dorobantu, dat op 16 februari 2018 is ingediend door het Hanseatische Oberlandesgericht Hamburg (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hamburg, Duitsland)