Brussel, 4.9.2019

COM(2019) 461 final

2019/0186(APP)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

houdende maatregelen voor de uitvoering en de financiering van de algemene begroting van de Unie in 2020 in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Het Verenigd Koninkrijk heeft besloten de Europese Unie te verlaten en daartoe een beroep gedaan op de procedure van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Na een verzoek daartoe van het Verenigd Koninkrijk heeft de Europese Raad (art. 50) op 11 april 2019 besloten 1 tot verdere verlenging 2 van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn tot en met 31 oktober 2019. Tenzij het Verenigd Koninkrijk het terugtrekkingsakkoord uiterlijk op 31 oktober 2019 ratificeert of om een derde verlenging verzoekt en de Europese Raad (art. 50) daarmee unaniem instemt, eindigt de in artikel 50, lid 3, VEU, bedoelde termijn dan. Het Verenigd Koninkrijk wordt dan met ingang van 1 november 2019 een derde land zonder akkoord dat een ordelijke terugtrekking waarborgt. De Commissie blijft van mening dat een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie op basis van het terugtrekkingsakkoord de beste uitkomst is.

In de mededeling van 12 juni 2019 over de “Stand van zaken met betrekking tot de voorbereidingen voor noodmaatregelen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie” 3 wordt erop gewezen dat, mede gelet op de aanpak die de Europese Raad (art. 50) gedurende het hele proces heeft voorgestaan, alle betrokken partijen zich moeten blijven voorbereiden op alle mogelijke uitkomsten, inclusief een terugtrekking zonder akkoord. In de mededeling wordt tot slot opgemerkt dat de Commissie de politieke ontwikkelingen zal blijven volgen en zal nagaan of een verlenging/verruiming van de genomen maatregelen nodig is. Dit voorstel betreft een verlenging tot 2020 van het noodkader voor de begroting van de Unie dat is vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 van de Raad van 9 juli 2019 houdende maatregelen voor de uitvoering en de financiering van de algemene begroting van de Unie in 2019 in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie 4 . Het voorstel stelt regels vast voor de relatie tussen de Unie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk en Britse begunstigden anderzijds met betrekking tot de financiering en de uitvoering van de begroting in 2020.

Sinds het Verenigd Koninkrijk kennis heeft gegeven van zijn voornemen zich terug te trekken, heeft de Europese Unie steeds benadrukt dat de Unie en het Verenigd Koninkrijk de verplichtingen moeten nakomen die voortvloeien uit de gehele periode tijdens welke het Verenigd Koninkrijk lid was van de Unie. Dit beginsel is in herinnering gebracht in de conclusies van de Europese Raad van 29 april 2017 en opgenomen in de inleiding van het terugtrekkingsakkoord 5 . De afwezigheid van een terugtrekkingsakkoord op de terugtrekkingsdatum laat dat leidende beginsel onverlet.

Bij een terugtrekking zonder akkoord zouden er geen onderling overeengekomen juridische regelingen zijn voor de relatie tussen de Unie en het VK inzake de begroting. Een dergelijk rechtsvacuüm zou leiden tot aanzienlijke onzekerheid en moeilijkheden op het vlak van de uitvoering van de begroting van de Unie voor 2019 en 2020, voor alle begunstigden in het VK en in sommige gevallen ook voor begunstigden in de andere lidstaten. In lijn met de algemene benadering van de Commissie bevat dit voorstel een noodmaatregel om het hoofd te bieden aan die situatie.

Na de terugtrekking zullen de Verdragen en het secundair recht niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde entiteiten zullen niet langer in aanmerking komen voor financiering uit programma’s van de Unie, tenzij in de rechtshandelingen betreffende EU-uitgavenprogramma’s bepalingen zijn opgenomen die de deelname van derde landen regelen.

Dit voorstel strekt ertoe het in Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 vastgestelde noodkader tot 2020 te verlengen en daardoor op het tijdstip van de terugtrekking en tot eind 2020 de meest significante verstoringen te voorkomen of minstens de gevolgen te minimaliseren voor begunstigden van EU-uitgavenprogramma’s en andere acties, in de hoop dat dit een financiële regeling tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk zal vergemakkelijken.

Het voorgestelde noodkader maakt het mogelijk voor het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk om in heel het jaar 2020 uit hoofde van juridische verbintenissen die vóór de terugtrekkingsdatum of tussen de terugtrekkingsdatum en eind 2019 overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 zijn aangegaan financiering van de Unie te blijven ontvangen. Voorwaarde is dat het Verenigd Koninkrijk zich er schriftelijk toe verbindt bij te dragen aan de financiering van de begroting voor 2020 volgens de bepalingen van dit voorstel. Daarenboven moet het Verenigd Koninkrijk zich er schriftelijk toe verbinden de controles en audits te aanvaarden die betrekking hebben op de gehele periode waarin de programma’s of acties worden uitgevoerd. Onder die voorwaarden zullen de financiële belangen van de Unie beschermd zijn.

Het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk, en entiteiten uit de andere lidstaten waarvan de subsidiabiliteit wordt beïnvloed door de terugtrekking van het VK, zouden financiering van de Unie blijven ontvangen onder de voorwaarden van dit voorstel. Dit zou de meest significante verstoringen van de terugtrekking voor bestaande overeenkomsten en besluiten verminderen. De maatregel zou een ordelijke begrotingsuitvoering mogelijk maken van met het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk aangegane juridische verbintenissen die zijn ondertekend of goedgekeurd vóór de terugtrekkingsdatum of tussen de terugtrekkingsdatum en eind 2019, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2019/1197.

Aangezien het Verenigd Koninkrijk zijn aandeel in de begroting voor 2020 zou financieren en gelet op de doelstelling om het meerjarig financieel kader 2014-2020, vastgesteld terwijl het Verenigd Koninkrijk lid was van de Unie, volledig uit te voeren, zouden het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk bovendien in 2020 subsidiabel zijn waar het gaat om de voorwaarden van oproepen, aanbestedingen, wedstrijden of eender welke andere procedure die tot financiering uit de Uniebegroting kan leiden. Dit zou niet gelden wanneer er met de veiligheid verband houdende beperkingen zijn of voor acties waarbij de Europese Investeringsbank of het Europees Investeringsfonds betrokken zijn. Die financiering door de Unie zou worden beperkt tot in 2020 gedane subsidiabele uitgaven, behalve voor overheidsopdrachten die vóór eind 2020 zijn ondertekend met toepassing van titel VII van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (“het Financieel Reglement”), en die verder worden uitgevoerd overeenkomstig de erin vervatte voorwaarden, en behalve voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het Verenigd Koninkrijk voor het aanvraagjaar 2020, die zullen worden uitgesloten van de subsidiabiliteit.

Het voorgestelde noodkader zou ook de financiering mogelijk maken van acties waarbij lidstaten en entiteiten van de lidstaten begunstigde zijn en de subsidiabiliteit afhankelijk is van het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk of voortvloeit uit Verordening (EU, Euratom) 2019/1197, mits deze specifieke acties worden uitgevoerd in het kader van juridische verbintenissen die zijn ondertekend of goedgekeurd vóór de terugtrekkingsdatum of in 2019 overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2019/1197.

Deze subsidiabiliteit van het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk zou pas ingaan nadat de voorwaarden van dit voorstel zijn vervuld, onder andere nadat het Verenigd Koninkrijk zijn eerste betaling aan de Uniebegroting voor 2020 heeft verricht. Het noodkader dat voorziet in de subsidiabiliteit van het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk zou ophouden van toepassing te zijn indien het Verenigd Koninkrijk de betalingen stopzet of er tijdens de uitvoering van controles en audits aanzienlijke tekortkomingen worden vastgesteld.

De bijdrage van het Verenigd Koninkrijk is gebaseerd op de ontwerpbegroting voor 2020 die op 5 juli 2019 voor 28 lidstaten is voorgesteld 6 , en zou worden aangepast om rekening te houden met het niveau van de betalingskredieten in het kader van de vastgestelde begroting. Het is redelijk om er, wat de bijdragen betreft, voor te zorgen dat geen enkele lidstaat zich na vaststelling van deze verordening in een minder gunstige positie bevindt dan de positie die is voorgesteld in de begroting voor 2020. Om ervoor te zorgen dat deze verordening voor alle lidstaten gunstig is, zou derhalve een specifiek bedrag in mindering worden gebracht voordat die bijdrage in de EU-begroting wordt opgenomen. Dat specifieke bedrag zou de lidstaten ten goede moeten komen die anders benadeeld zouden zijn na vaststelling van deze verordening, zoals nader omschreven in speciale praktische regelingen waarin de verdeling van de verschuldigde betalingen is beschreven en waarin de Commissie wordt belast met het uitkeren van het specifieke bedrag.

Het voorstel loopt niet vooruit op de onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk over een financiële regeling voor het geheel van de wederzijdse verplichtingen. Als er geen akkoord wordt bereikt in 2019 of 2020, zal de situatie begin 2021 gelijk zijn aan die welke op de terugtrekkingsdatum geldt voor de door de Unie en het Verenigd Koninkrijk aangegane wederzijdse verbintenissen. De Unie en het Verenigd Koninkrijk zouden in elk geval de respectieve verplichtingen moeten nakomen die voortvloeien uit de gehele periode tijdens welke het Verenigd Koninkrijk lid was van de Unie.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel is gericht op het minimaliseren van de negatieve gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk voor de Uniebegroting en voor de uitvoering van het beleid van de Unie.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Dit voorstel maakt deel uit van het paraatheids- en noodplan van de Unie om de meest significante verstoringen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zonder terugtrekkingsakkoord te beperken, en is volledig in overeenstemming met het mandaat van de Raad voor de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Krachtens artikel 352 VWEU en artikel 203 van het Euratom-Verdrag kan de Unie passende bepalingen vaststellen indien een optreden van de Unie in het kader van de beleidsgebieden van de Verdragen nodig blijkt om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken zonder dat deze Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien. De voorgestelde verordening vormt een overgangsmaatregel voor na de terugtrekking van een lidstaat met betrekking tot de financiering van acties uit de Uniebegroting en de uitvoering ervan in een situatie waarin met die staat geen akkoord is bereikt. Een dergelijke maatregel is nodig om de Uniebegroting voor 2020, die op 5 juli 2019 voor 28 lidstaten is voorgesteld, uit te voeren, de betalingen van de zich terugtrekkende lidstaat te ontvangen, alsook om een oplossing te bieden voor de lopende acties die uit de Uniebegroting gefinancierd worden ten gunste van het Verenigd Koninkrijk en begunstigden van het Verenigd Koninkrijk en voor nieuwe acties gerechtvaardigd door de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan de begroting 2020. De Verdragen voorzien niet in de vereiste bevoegdheden voor de Unie om dergelijke overgangsmaatregelen vast te stellen en derhalve zijn artikel 352 VWEU en artikel 203 van het Euratom-Verdrag de juiste rechtsgrondslag.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Met de op 5 juli 2019 voor 28 lidstaten voorgestelde EU-begroting voor 2020 zullen de acties en uitgavenprogramma’s van het meerjarig financieel kader 2014-2020 worden gefinancierd zoals deze door de wetgever van de Unie zijn vastgesteld. De doelstellingen van het voorgestelde optreden kunnen derhalve alleen worden verwezenlijkt door een maatregel op het niveau van de Unie.

Evenredigheid

Het voorstel gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de maatregel te verwezenlijken, aangezien het beperkt is tot het vaststellen van de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor het Verenigd Koninkrijk en entiteiten van het Verenigd Koninkrijk. Het is in de tijd beperkt.

Keuze van het instrument

Aangezien een bindende handeling vereist is die rechtstreeks van toepassing zou zijn, is een voorstel voor een verordening de enige passende vorm.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

Raadpleging van belanghebbenden

Het was niet mogelijk een raadpleging van belanghebbenden te houden wegens het spoedeisende karakter van het voorstel, dat tijdig door de Raad moet kunnen worden aangenomen na goedkeuring van het Europees Parlement om de periode van onzekerheid voor de begunstigden en voor de financiering van de begroting voor 2020 tot een minimum te beperken.

Effectbeoordeling

Overeenkomstig de richtsnoeren voor betere regelgeving is gezien de aard van de voorgestelde maatregel geen effectbeoordeling verricht. Het beoogde noodkader zou een vlotte uitvoering van de begroting 2020 en een eventueel toekomstig akkoord met het Verenigd Koninkrijk over de respectieve verplichtingen die voortvloeien uit de gehele periode tijdens welke het Verenigd Koninkrijk lid was van de Unie vergemakkelijken.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

In geval van een terugtrekking zonder akkoord zou dit voorstel de subsidiabiliteit van het Verenigd Koninkrijk en begunstigden in het Verenigd Koninkrijk vrijwaren zolang het Verenigd Koninkrijk blijft bijdragen aan de begroting voor 2020. Dit voorstel zou er ook voor zorgen dat de bijdragen van het Verenigd Koninkrijk als vastgesteld in de op 5 juli 2019 voor 28 lidstaten voorgestelde ontwerpbegroting voor 2020 worden ontvangen, nadat deze bijdragen zijn aangepast om rekening te houden met het niveau van de betalingskredieten in het kader van de goedgekeurde begroting.

De aanvaarding door het Verenigd Koninkrijk van de voorwaarden voor het noodkader voor 2019 en de schriftelijke toezegging van het Verenigd Koninkrijk om de nodige controles en audits te aanvaarden, zouden voorwaarden zijn voor de toepassing van dit noodkader voor 2020.

2019/0186 (APP)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

houdende maatregelen voor de uitvoering en de financiering van de algemene begroting van de Unie in 2020 in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 352,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 203,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement 7 ,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Het Verenigd Koninkrijk heeft op 29 maart 2017 kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken op grond van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Verdragen zullen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebrek daaraan, na verloop van twee jaar na de kennisgeving, d.w.z. met ingang van 30 maart 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot verlenging van die termijn besluit. De termijn is tweemaal verlengd, de laatste keer bij Besluit (EU) 2019/584 van de Europese Raad 8 tot en met 31 oktober 2019. Bij gebrek aan een terugtrekkingsakkoord met het Verenigd Koninkrijk en zonder verdere verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 50, lid 3, VEU, dient een financiële regeling betreffende de financiële verplichtingen voortvloeiend uit het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de Unie te worden vastgesteld in een toekomstig internationaal akkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de Unie.

(2)Deze verordening laat de respectieve verplichtingen van de Unie en het Verenigd Koninkrijk die voortvloeien uit de volledige periode van lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de Unie onverlet.

(3)Bij Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 van de Raad 9 zijn regels vastgesteld voor de relatie tussen de Unie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk en zijn begunstigden anderzijds met betrekking tot de financiering en de uitvoering van de algemene begroting van de Unie (“de begroting”) in 2019. Er moeten regels worden vastgesteld voor de relatie tussen de Unie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk en zijn begunstigden anderzijds. onder meer met betrekking tot de financiering en de uitvoering van de begroting in 2020.

(4)De Verdragen voorzien niet in andere bevoegdheden dan die op grond van artikel 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 203 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor de vaststelling van de maatregelen met betrekking tot de financiering en de uitvoering van de begroting in 2020 in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zonder terugtrekkingsakkoord.

(5)Het Verenigd Koninkrijk en personen en entiteiten die in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, nemen deel aan een aantal programma's of acties van de Unie uit hoofde van het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk. De deelname is gebaseerd op overeenkomsten met het Verenigd Koninkrijk of personen of entiteiten die in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd of op besluiten ten gunste van het Verenigd Koninkrijk of personen of entiteiten die in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, die juridische verbintenissen vormen.

(6)Voor veel van die overeenkomsten en besluiten vereisen de subsidiabiliteitsregels dat de begunstigde een lidstaat of een in een lidstaat gevestigde persoon of entiteit is. De subsidiabiliteit van het Verenigd Koninkrijk of in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen of entiteiten is in dergelijke gevallen gekoppeld aan het feit dat het Verenigd Koninkrijk een lidstaat is. De terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zonder terugtrekkingsakkoord heeft derhalve tot gevolg dat dergelijke ontvangers van Uniefinanciering uit hoofde van de overeenkomsten en besluiten niet langer subsidiabel zijn. Dit geldt echter niet voor gevallen waarin in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen of entiteiten deel zouden nemen aan een actie krachtens de desbetreffende Unieregels voor in een derde land gevestigde personen en entiteiten, en met inachtneming van de krachtens die regels toepasselijke voorwaarden.

(7)In geval van een terugtrekking zonder terugtrekkingsakkoord zou het zowel de Unie en haar lidstaten als het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en entiteiten ten goede komen wanneer wordt voorzien in subsidiabiliteit in 2020 van het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde begunstigden, zodat zij middelen van de Unie kunnen ontvangen, en in de deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de financiering van de begroting voor 2020. Het zou ook gunstig zijn wanneer de vóór de datum van terugtrekking of in 2019 overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 ondertekende en vastgestelde juridische verbintenissen in heel het jaar 2020 zouden kunnen worden blijven uitgevoerd.

(8)Het is daarom passend de voorwaarden vast te stellen waaronder het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en entiteiten subsidiabel zouden kunnen blijven in 2020 wat betreft de met hen tot de datum waarop de Verdragen niet meer op en in het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn (“datum van terugtrekking”) ondertekende overeenkomsten en ten aanzien van hen vastgestelde besluiten of in 2019 overeenkomstig artikel 4 Verordening (EU, Euratom) 2019/1197. Voor de toepassing van deze verordening moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld: i) het Verenigd Koninkrijk heeft aan de Commissie schriftelijk bevestigd dat het zich ertoe verbindt een bijdrage te blijven betalen die wordt berekend op basis van de geraamde eigen middelen van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de op 5 juli 2019 voorgestelde ontwerpbegroting voor 2020 en die wordt aangepast om rekening te houden met het totale bedrag aan betalingskredieten dat in de goedgekeurde begroting voor 2020 wordt opgenomen; ii) het Verenigd Koninkrijk heeft een eerste tranche betaald; iii) het Verenigd Koninkrijk heeft aan de Commissie schriftelijk bevestigd dat het zich ertoe verbindt volledige audits en controles door de Unie toe te staan overeenkomstig de toepasselijke regels; iv) de Commissie heeft een besluit overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 van de Raad vastgesteld en heeft geen besluit overeenkomstig artikel 3, lid 2, van die verordening vastgesteld. Gelet op de behoefte aan zekerheid is het passend de termijn waarbinnen de voorwaarden moeten zijn vervuld, te beperken. De Commissie dient een besluit vast te stellen inzake de vervulling van de voorwaarden.

(9)De voorwaarden voor de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk moeten worden gebaseerd op de voor 28 lidstaten voorgestelde ontwerpbegroting voor 2020 en moeten worden aangepast om rekening te houden met het totale bedrag van de betalingskredieten in de goedgekeurde begroting. Het is redelijk om er, wat de bijdragen betreft, voor te zorgen dat geen enkele lidstaat zich na vaststelling van deze verordening in een minder gunstige positie bevindt dan de positie die is voorgesteld in de begroting voor 2020. Opdat deze verordening dus een gunstig effect heeft op alle lidstaten, is het dienstig een specifiek bedrag af te trekken van de in de algemene begroting van de Unie op te nemen bijdrage van het Verenigd Koninkrijk. Dat specifieke bedrag moet de lidstaten ten goede komen die anders benadeeld zouden zijn na vaststelling van deze verordening, zoals nader omschreven in speciale praktische regelingen waarin de verdeling van de verschuldigde betalingen is beschreven en waarin de Commissie wordt belast met het uitkeren van het specifieke bedrag.

(10)Zolang aan de voorwaarden van deze verordening inzake subsidiabiliteit van het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en entiteiten wordt voldaan, is het ook passend te voorzien in hun subsidiabiliteit in 2020, waar het gaat om de voorwaarden die zijn vastgesteld in het kader van de oproepen, aanbestedingen en wedstrijden of eender welke andere procedure die kan leiden tot financiering uit de begroting van de Unie, tenzij het om specifieke gevallen gaat die verband houden met de veiligheid en met het verlies van het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de Europese Investeringsbank, en hun Uniemiddelen te verstrekken. Die financiering door de Unie dient te worden beperkt tot in 2020 gedane subsidiabele uitgaven, behalve voor overheidsopdrachten die vóór eind 2020 zijn ondertekend met toepassing van titel VII van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad 10 (“het Financieel Reglement”), en die verder worden uitgevoerd overeenkomstig de erin vervatte voorwaarden, en behalve voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het Verenigd Koninkrijk voor het aanvraagjaar 2020, die dienen te worden uitgesloten van de subsidiabiliteit. In overeenstemming met het Financieel Reglement moeten in oproepen, aanbestedingen, wedstrijden of andere procedures, en in daaruit voortvloeiende overeenkomsten met, of besluiten ten gunste van, het Verenigd Koninkrijk of in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen of entiteiten, de voorwaarden voor subsidiabiliteit en voor de voortzetting daarvan worden bepaald onder verwijzing naar deze verordening.

(11)Het is ook passend om te bepalen dat het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en entiteiten subsidiabel blijven op voorwaarde dat het Verenigd Koninkrijk de bijdrage voor 2020 blijft betalen en controles en audits doeltreffend kunnen worden uitgevoerd. Wanneer deze voorwaarden niet langer worden vervuld, dient de Commissie een besluit te nemen waarbij een dergelijke niet-vervulling wordt vastgesteld. In een dergelijk geval mogen het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en partijen niet langer voor financiering door de Unie in aanmerking komen.

(12)Het is eveneens passend te bepalen dat acties in het kader waarvan lidstaten of in de lidstaten gevestigde personen of entiteiten Uniefinanciering ontvangen en die betrekking hebben op het Verenigd Koninkrijk, in 2020 subsidiabel blijven. De mogelijkheid dat het Verenigd Koninkrijk geen controles en audits aanvaardt, dient echter een aspect te zijn waarmee bij de beoordeling van de uitvoering van dergelijke acties rekening wordt gehouden met het oog op een goed financieel beheer.

(13)De acties dienen te blijven worden uitgevoerd in overeenstemming met de regels betreffende die acties, waaronder het Financieel Reglement. Derhalve moet het Verenigd Koninkrijk voor de toepassing van die regels als lidstaat worden behandeld.

(14)Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt omdat zij de begroting van de Unie en door de Unie uitgevoerde programma's en acties betreffen, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(15)Teneinde een beperkte flexibiliteit mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van een eventuele verlenging van de termijnen die zijn vastgesteld in artikel 2, lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c), en de wijzigingen van het betalingsschema. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 11 . Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. Indien dit in geval van een risico van ernstige verstoring van de uitvoering en financiering van de begroting van de Unie in 2020 om dwingende redenen van urgentie vereist is, dient de gedelegeerde handeling onverwijld in werking te treden en van toepassing te zijn zolang door het Europees Parlement of de Raad geen bezwaar wordt gemaakt.

(16)Om de meest significante verstoringen voor begunstigen van uitgavenprogramma's van de Unie en andere acties op de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie te voorkomen, moet deze verordening met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en van toepassing zijn met ingang van de dag volgende op die waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk, tenzij tegen die datum een met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden. Aangezien in deze verordening maatregelen worden vastgesteld met betrekking tot de uitvoering en financiering van de begroting van de Unie voor 2020, moet deze verordening alleen van toepassing zijn op de subsidiabiliteit voor het jaar 2020,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied

Deze verordening stelt voorschriften vast voor de uitvoering en de financiering van de algemene begroting van de Unie (hierna “de begroting” genoemd) in 2020 in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zonder terugtrekkingsakkoord en voor acties in direct, indirect en gedeeld beheer waarvan de subsidiabiliteit op de datum waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk (“datum van terugtrekking”) is gebaseerd op het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de Unie.

Deze verordening is van toepassing onverminderd de programma's voor territoriale samenwerking waarop Verordening (EU) 2019/491 van het Europees Parlement en de Raad 12 van toepassing is en de activiteiten op het gebied van leermobiliteit uit hoofde van het Erasmus+-programma waarop Verordening (EU) 2019/499 van het Europees Parlement en de Raad 13 van toepassing is.

Artikel 2
Subsidiabiliteitsvoorwaarden

1.Wanneer het Verenigd Koninkrijk of een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde persoon of entiteit middelen van de Unie ontvangt in het kader van een actie in direct, indirect of gedeeld beheer op grond van juridische verbintenissen die zijn ondertekend of vastgesteld vóór de datum van terugtrekking of in 2019 overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 en de subsidiabiliteit in het kader van die actie afhangt van het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de Unie, blijven zij in 2020 na de datum van terugtrekking in aanmerking komen voor financiering van hun subsidiabele uitgaven door de Unie, indien de volgende voorwaarden worden vervuld, en zolang er geen besluit als bedoeld in artikel 3, lid 2, in werking is getreden:

(a)het Verenigd Koninkrijk heeft op 1 januari 2020 of binnen [7] kalenderdagen na de inwerkingtreding van deze verordening of, indien dit later is, na de datum van toepassing ervan, schriftelijk aan de Commissie bevestigd dat het overeenkomstig het in deze verordening vastgestelde betalingsschema het uit de volgende formule resulterende bedrag in euro zal bijdragen: UK EM OB2020 + BNI-SLEUTEL OB2020 x (BK B2020 – BK OB2020);

(b)het Verenigd Koninkrijk heeft op 20 januari 2020 of binnen [20] kalenderdagen na de inwerkingtreding van deze verordening of, indien dit later is, na de datum van toepassing ervan, op de door de Commissie aangewezen rekening de eerste betaling verricht die overeenkomt met [3,5] twaalfden van het onder a) bedoelde bedrag;

(c)het Verenigd Koninkrijk heeft op 1 januari 2020 of binnen [7] kalenderdagen na de inwerkingtreding van deze verordening of, indien dit later is, na de datum van toepassing ervan, aan de Commissie schriftelijk bevestigd dat het zich ertoe verbindt de controles en audits betreffende de hele looptijd van de programma's en acties te blijven aanvaarden overeenkomstig de toepasselijke regels;

(d)de Commissie heeft een besluit overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 vastgesteld en heeft geen besluit overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 vastgesteld; en

(e)de Commissie heeft het in lid 4 bedoelde besluit vastgesteld waarbij wordt bevestigd dat de in dit lid, onder a), b) en c), genoemde voorwaarden zijn vervuld.

2.Voor de toepassing van de formule in lid 1, onder a), geldt het volgende:

(a)“UK EM OB2020” is het bedrag dat wordt vermeld in de rij “Verenigd Koninkrijk” en de kolom “Totale eigen middelen” van tabel 7 van deel “A. Inleiding en financiering van de algemene begroting” van het deel ontvangsten van de begroting voor 2020 van de op 5 juli 2019 voorgestelde ontwerpbegroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020 14 ;

(b) “UK BNI-SLEUTEL OB2020” is het bedrag dat wordt vermeld in de rij “Verenigd Koninkrijk” en de kolom “Eigen middelen bni” van tabel 7 van het deel “A. Inleiding en financiering van de algemene begroting” van het deel ontvangsten van de begroting voor 2020 van de op 5 juli 2019 voorgestelde ontwerpbegroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, gedeeld door het bedrag dat wordt vermeld in de rij “Totaal” van dezelfde kolom;

(c)“BK B2020 - BK OB2020” is het verschil tussen het bedrag dat wordt vermeld in de rij “Totaal uitgaven” en de kolom “Begroting 2020” van de tabel “Uitgaven” van deel “A. Inleiding en financiering van de algemene begroting” van het deel ontvangsten van de goedgekeurde begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020, en het bedrag dat wordt vermeld in dezelfde rij en dezelfde kolom van dezelfde tabel van hetzelfde deel van de op 5 juli 2019 voorgestelde ontwerpbegroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2020;

(d)Indien de begroting 2020 op de datum van inwerkingtreding van deze verordening of, als dat later is, op de datum van toepassing ervan, echter niet definitief is vastgesteld, is “BK B2020 - BK OB2020” gelijk aan nul.

3.Het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag wordt na aftrek van het bedrag van de eerste betaling als bedoeld in lid 1, onder b), uitgesplitst in gelijke tranches. Het aantal tranches komt overeen met het aantal volledige maanden tussen de datum van de eerste betaling als bedoeld in lid 1, onder b), en het einde van het jaar 2020.

Het in lid 1, onder a), bedoelde bedrag wordt in de algemene begroting van de Unie vermeld als overige ontvangsten, na aftrek van een specifiek bedrag waarmee de budgettaire verdeling zoals vermeld in de kolom “Totaal eigen middelen” van de in lid 1, onder a) bedoelde tabel — behoudens daartoe getroffen speciale regelingen — dient te worden gewaarborgd.

De in lid 1, onder c), bedoelde verbintenis omvat met name de samenwerking bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de aanvaarding van het recht van de Commissie, de Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding om gegevens en documenten met betrekking tot bijdragen van de Unie te raadplegen, en om controles en audits uit te voeren.

4.De Commissie stelt een besluit vast waarbij wordt bepaald of de in lid 1, onder a), b) en c), vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

5.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de verlenging van de in lid 1, onder a), b) en c), van dit artikel vermelde termijnen.

Indien dit in geval van een risico van ernstige verstoring van de uitvoering en financiering van de begroting van de Unie in 2020 om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 8 neergelegde procedure van toepassing op op grond van dit lid vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 3
Behoud van subsidiabiliteit van het Verenigd Koninkrijk en van in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en entiteiten

1.    De overeenkomstig artikel 2 vastgestelde subsidiabiliteit van het Verenigd Koninkrijk en van in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en entiteiten blijft behouden in het jaar 2020, zolang aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)    het Verenigd Koninkrijk heeft, nadat de eerste betaling is verricht overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), op de eerste werkdag van elke maand tot en met augustus 2020 de maandelijkse tranche bedoeld in artikel 2, lid 3, betaald op de door de Commissie aangewezen rekening;

b)    het Verenigd Koninkrijk heeft op de eerste werkdag van september 2020 de resterende maandelijkse tranches bedoeld in artikel 2, lid 3, betaald op de door de Commissie aangewezen rekening, tenzij de Commissie op uiterlijk 31 augustus 2020 aan het Verenigd Koninkrijk een afwijkend betalingsschema voor deze betaling meedeelt; en

c)    bij de uitvoering van de controles en audits bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c), zijn geen substantiële tekortkomingen geconstateerd.

2.    Als een of meer van de in lid 1 vastgestelde voorwaarden niet worden vervuld, neemt de Commissie een besluit met die strekking. Dat besluit wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Vanaf de dag van inwerkingtreding van het in de eerste alinea van dit lid bedoelde besluit zijn het Verenigd Koninkrijk en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en entiteiten niet meer subsidiabel uit hoofde van lid 1 van dit artikel en uit hoofde van de artikelen 2 en 4, zijn acties niet meer subsidiabel uit hoofde van artikel 6, lid 2, en is artikel 5 niet meer van toepassing.

3.    De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot een afwijkend betalingsschema voor de in dit artikel, lid 1, onder a) en b), bedoelde betalingen.

Indien dit in geval van een risico van ernstige verstoring van de uitvoering en financiering van de begroting van de Unie in 2020 om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 8 neergelegde procedure van toepassing op op grond van dit lid vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 4
Deelname aan oproepen en subsidiabiliteit van daaruit voortvloeiende uitgaven

1.    Vanaf de dag van inwerkingtreding van het in artikel 2, lid 1, onder e), bedoelde besluit, en zolang er geen besluit als bedoeld in artikel 3, lid 2, in werking is getreden, zijn het Verenigd Koninkrijk of in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen en entiteiten in 2020 in dezelfde mate als de lidstaten en in de lidstaten gevestigde personen of entiteiten subsidiabel waar het gaat om de voorwaarden die zijn vastgesteld in het kader van de oproepen, aanbestedingen en wedstrijden of eender welke andere procedure die kan leiden tot financiering uit de begroting van de Unie, en komen zij in aanmerking voor financiering door de Unie voor in 2020 gedane subsidiabele uitgaven.

Niettegenstaande de eerste alinea:

a)    worden overeenkomsten die tot eind 2020 met toepassing van titel VII van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 (“het Financieel Reglement”) worden ondertekend, uitgevoerd overeenkomstig de daarin vervatte voorwaarden en tot de einddatum ervan;

b)    komen uitgaven voor rechtstreekse betalingen aan het Verenigd Koninkrijk voor het aanvraagjaar 2020 op grond van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad 15 niet in aanmerking voor financiering door de Unie.

2.    Niettegenstaande lid 1 komen het Verenigd Koninkrijk of in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen of entiteiten niet in aanmerking voor acties op grond van Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad 16 , zoals gewijzigd bij Verordening XXX, die betrekking hebben op werknemers die werkloos zijn geworden en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd als gevolg van een terugtrekking zonder akkoord, noch voor acties op grond van Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie 17 , zoals gewijzigd bij Verordening XXX, die betrekking hebben op een ernstige financiële last voor lidstaten die rechtstreeks te wijten is aan een terugtrekking zonder terugtrekkingsakkoord.

3.    De eerste alinea van lid 1 is niet van toepassing:

a)    indien de deelname om veiligheidsredenen beperkt is tot de lidstaten en de in de lidstaten gevestigde personen of entiteiten;

b)    op financiële verrichtingen in het kader van financieringsinstrumenten die in direct of indirect beheer worden uitgevoerd uit hoofde van titel X van het Financieel Reglement of financiële verrichtingen die door de Uniebegroting worden gewaarborgd in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), ingesteld bij Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad 18 , of in het kader van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad 19 .

Artikel 5
Andere noodzakelijke aanpassingen

Als aan de in artikel 2, lid 1, vastgestelde voorwaarden wordt voldaan, en zolang er geen besluit als bedoeld in artikel 3, lid 2, in werking is getreden, wordt het Verenigd Koninkrijk voor de toepassing van regels betreffende de acties uitgevoerd uit hoofde van de in artikel 2, lid 1, bedoelde juridische verbintenissen, de oproepen bedoeld in artikel 4 en de acties uitgevoerd uit hoofde van de juridische verbintenissen ondertekend of vastgesteld na de in artikel 4 bedoelde oproepen, die nodig zijn om uitvoering te geven aan artikel 2, lid 1, en artikel 4, lid 1, behandeld als een lidstaat, met inachtneming van de bepalingen van de onderhavige verordening.

Het Verenigd Koninkrijk of vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk mogen echter niet deelnemen aan comités die ondersteuning verlenen bij het beheer krachtens de regels van de desbetreffende basishandeling, noch aan deskundigengroepen of andere organen die advies geven over de programma's of de acties, met uitzondering van specifieke toezicht- of soortgelijke comités voor de specifieke operationele, nationale of vergelijkbare programma's in gedeeld beheer.

Artikel 6
Subsidiabiliteit van acties
die betrekking hebben op het Verenigd Koninkrijk en waarbij de lidstaten of in de lidstaten gevestigde personen of entiteiten de middelen van de Unie ontvangen

1.    Acties in direct, indirect en gedeeld beheer waarbij de lidstaten of in de lidstaten gevestigde personen of entiteiten middelen van de Unie ontvangen uit hoofde van juridische verbintenissen die zijn ondertekend of vastgesteld vóór de datum van terugtrekking of in 2019 overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 en waarvan de subsidiabiliteit op de datum van terugtrekking is gebaseerd op het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk van de Unie of door de subsidiabiliteit van het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU, Euratom) 2019/1197, komen in aanmerking voor financiering door de Unie voor in 2020 gedane subsidiabele uitgaven, vanaf de datum van terugtrekking.

2.    Acties waarvoor op de datum van terugtrekking aan de subsidiabiliteitsvoorwaarde van een minimumaantal deelnemers uit verschillende lidstaten aan een consortium wordt voldaan doordat aan het consortium een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde persoon of entiteit deelneemt, komen in aanmerking voor financiering door de Unie voor in 2020 gedane subsidiabele uitgaven, mits aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, wordt voldaan en zolang er geen besluit als bedoeld in artikel 3, lid 2, in werking is getreden.

3.    De niet-vervulling van de voorwaarde bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c), of een besluit van de Commissie als bedoeld in artikel 3, lid 2, inzake de niet-vervulling van voorwaarden bedoeld in artikel 3, lid 1, onder c), wordt door de verantwoordelijke ordonnateur in aanmerking genomen bij de beoordeling van een eventuele ernstige tekortkoming inzake de nakoming van de belangrijkste verplichtingen bij de uitvoering van de in lid 1 van dit artikel bedoelde juridische verbintenis.

Artikel 7
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.    De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.    De in de artikelen 2 en 3 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

3.    Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 2 en 3 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.    Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.    Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.    Een op grond van de artikelen 2 en 3 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van een maand na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met een maand verlengd.

Artikel 8
Spoedprocedure

1.    Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure.

2.    Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 7, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 9
Overgangsbepalingen

In afwijking van artikel 4, lid 1, tweede alinea, onder b), van Verordening (EU, Euratom) 2019/1197, komen uitgaven met betrekking tot de regeling voor rechtstreekse betalingen voor het Verenigd Koninkrijk voor het aanvraagjaar 2019 overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 in aanmerking voor financiering door de Unie nadat de Commissie het in artikel 2, lid 4, van deze verordening bedoelde besluit heeft vastgesteld, tenzij zij een besluit neemt als bedoeld in artikel 3, lid 2, van deze verordening.

Artikel 10
Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf de dag volgende op die waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50, lid 3, VEU.

Deze verordening is evenwel niet van toepassing indien uiterlijk op de in de tweede alinea van dit artikel bedoelde datum een in overeenstemming met artikel 50, lid 2, van het VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Besluit (EU) 2019/584 van de Europese Raad (PB L 101 van 11.4.2019, blz. 1).
(2)    Na een verzoek daartoe van het Verenigd Koninkrijk had de Europese Raad op 22 maart 2019 besloten tot een eerste verlenging (Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad (PB L 80 I van 22.3.2019, blz. 1)).
(3)    COM(2019) 276 final.
(4)    PB L 189 van 15.7.2019, blz. 1.
(5)    Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB C 144 I van 25.4.2019, blz. 1).
(6)    COM(2019) 400 final van 5.7.2019.
(7)    Goedkeuring van […].
(8)    Besluit (EU) 2019/584 van de Europese Raad vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk van 11 april 2019 tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn (PB L 101 van 11.4.2019, blz. 1).
(9)    Verordening (EU, Euratom) 2019/1197 van de Raad van 9 juli 2019 houdende maatregelen voor de uitvoering en de financiering van de algemene begroting van de Unie in 2019 in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (PB L 189 van 15.7.2019, blz. 1).
(10)    Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(11)    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(12)    Verordening (EU) 2019/491 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 om de voortzetting van de territoriale samenwerkingsprogramma's Peace IV (Ierland-Verenigd Koninkrijk) en Verenigd Koninkrijk-Ierland (Ierland/Noord-Ierland/Schotland) mogelijk te maken in de context van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (PB L 85I van 27.3.2019, blz. 1).
(13)    Verordening (EU) 2019/499 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2019 tot vaststelling van bepalingen voor de voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten uit hoofde van het Erasmus+-programma vastgelegd door Verordening (EU) nr. 1288/2013, in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (PB L 85I van 27.3.2019, blz. 32).
(14)    COM(2019) 400 final van 5 juli 2019.
(15)    Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).
(16)    Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855).
(17)    Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3).
(18)    Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen (PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1).
(19)    Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad van 26 september 2017 tot instelling van het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO), de EFDO-garantie en het EFDO-garantiefonds (PB L 249 van 27.9.2017, blz. 1).