EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 30.8.2019
COM(2019) 379 final
2019/0174(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het op de tweede ministersconferentie van de Overeenkomst van Bonn namens de Europese Unie in te nemen standpunt ten aanzien van het aan de Ministeriële Verklaring gehechte strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025 en ten aanzien van de Ministeriële Verklaring
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel heeft betrekking op het besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie in het kader van de Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (Overeenkomst van Bonn) moet worden ingenomen in verband met de beoogde aanneming van de Ministeriële Verklaring en het daaraan gehechte strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) voor de periode 2019-2025.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.De Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen
De Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (hierna “Overeenkomst van Bonn” of “Overeenkomst” genoemd) is erop gericht verontreiniging van het Noordzeegebied door olie en andere schadelijke stoffen te bestrijden en kustgebieden te beschermen tegen maritieme rampen en chronische verontreiniging door schepen en offshore-installaties. De Overeenkomst is op 1 september 1989 in werking getreden.
De Europese Unie is (als toenmalige “Europese Economische Gemeenschap”) toegetreden tot de Overeenkomst (zoals gewijzigd). De Noordzeelanden van de Europese Unie zijn samen met Noorwegen eveneens Partijen bij de Overeenkomst.
2.2.De Overeenkomst van Bonn
De Overeenkomst heeft ten doel actieve samenwerking en onderlinge hulpverlening tussen kuststaten en de Europese Unie bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen te bevorderen teneinde het mariene milieu en de belangen van de kuststaten te beschermen. Daartoe is in de Overeenkomst bepaald dat de Overeenkomstsluitende Partijen controles uitvoeren met het oog op het opsporen en bestrijden van verontreiniging en het voorkomen van overtredingen van de regelgeving ter bestrijding van verontreiniging. De Overeenkomst van Bonn voorziet in een indeling van de Noordzee in verschillende zones waar de respectieve Overeenkomstsluitende Partijen verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van controles en het beoordelen van incidenten. Indien een Overeenkomstsluitende Partij kennis neemt van de aanwezigheid van olie of andere schadelijke stoffen die een ernstige bedreiging kan vormen voor de kust of daarmee samenhangende belangen van een andere Overeenkomstsluitende Partij, is zij verplicht die partij daarvan op de hoogte te stellen. Een Overeenkomstsluitende Partij die hulp nodig heeft bij de bestrijding van verontreiniging of dreigende verontreiniging op zee of op haar kust, kan een beroep doen op de andere Overeenkomstsluitende Partijen, die in dat geval verplicht zijn alles te doen om de hulp te verlenen waartoe zij bij machte zijn.
De regering van de Bondsrepubliek Duitsland is aangewezen als depotregering van de Overeenkomst van Bonn (artikel 18, lid 3, Overeenkomst van Bonn).
De besluiten van de Overeenkomstsluitende Partijen met betrekking tot de Overeenkomst worden genomen in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van de Overeenkomst van Bonn en het desbetreffende huishoudelijk reglement; de partijen worden daarbij bijgestaan door een secretariaat en ondersteunende organen (zoals de Operationele, Wetenschappelijke en Technische Werkgroep inzake bestrijding van verontreiniging (“Working Group on Operational, Technical and Scientific Questions Concerning Counter-Pollution Activities”, OTSOPA)).
2.3.De beoogde handeling – De Ministeriële Verklaring en het strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025
In 2019 wordt het 50-jarige jubileum van de Overeenkomst gevierd. Bij die gelegenheid zijn de Overeenkomstsluitende Partijen voornemens een gemeenschappelijke verklaring aan te nemen tijdens de tweede ministersconferentie van de Overeenkomst van Bonn die op 11 oktober 2019 te Bonn zal worden gehouden in het bijzijn van intergouvernementele organisaties en waarnemers uit aangrenzende regio’s die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door olie en andere schadelijke stoffen (hierna “Ministeriële Verklaring” genoemd).
Ondanks het feit dat het totale aantal ernstige gevallen van olieverontreiniging bij ongelukken in de Europese wateren is afgenomen, doen zich van tijd tot tijd nog steeds ernstige olielekkages (d.w.z. van meer dan 20 000 ton) als gevolg van ongelukken voor. Hoewel de grootste hoeveelheid olie die van jaar tot jaar in de zee terechtkomt, afkomstig is van lozingen vanaf het land, vormen olielekkages als gevolg van ongelukken nog steeds een belangrijke vorm van verontreiniging, die verantwoordelijk is voor 10 à 15 procent van de totale hoeveelheid olie die jaarlijks in de wereldzeeën terechtkomt. Daarom wordt beoogd om in de Ministeriële Verklaring een gemeenschappelijke visie te formuleren om de Noordzee en haar toegangen in ruime zin te vrijwaren van door ongelukken veroorzaakte, vermijdbare en opzettelijke verontreiniging door de scheepvaart, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten.
De Ministeriële Verklaring behelst een krachtige verbintenis om deze visie te verwezenlijken en geeft blijk van het versterkte streven van de Partijen bij de Overeenkomst om de overeengekomen doelstellingen te realiseren en voor een betere preventie, paraatheid en respons te zorgen met betrekking tot verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin. Met het oog hierop zijn de Overeenkomstsluitende Partijen voornemens het strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025 vast te stellen, dat aan de Ministeriële Verklaring zal worden gehecht en waarin ambitieuze strategische doelstellingen, operationele doelen en desbetreffende uitvoeringsmaatregelen voor de periode 2019-2025 worden vastgelegd.
Het BASAP 2019-2025 heeft ten doel de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Bonn te vergemakkelijken. In het actieplan worden de visie, de strategische doelstellingen en operationele doelen alsook specifieke, meetbare acties en realistische streefdoelen voor de periode 2019-2025 vastgelegd met het oog op het sturen en bundelen van de werkzaamheden van de Overeenkomstsluitende Partijen. In het BASAP wordt erkend dat beproefde systemen en het operationele karakter van de Overeenkomst moeten worden gehandhaafd. Tegelijkertijd wordt in het actieplan gewezen op mogelijkheden om deze inspanningen te versterken en tot nieuwe actiegebieden uit te breiden.
Het eerste actieplan van de Overeenkomst van Bonn werd vastgesteld tijdens de eerste ministersconferentie, die in 2010 te Dublin werd gehouden. Het werd vervolgens tijdens de vergaderingen van de Partijen bij de Overeenkomst verlengd en bijgewerkt voor de perioden 2013-2016 en 2016-2019.
3.Namens de Unie in te nemen standpunt
De Unie streeft naar een hoog niveau van milieubescherming, met name door de bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale milieuproblemen; tevens streeft zij ernaar samenwerking te bevorderen ter verhoging van de doeltreffendheid van de systemen ter voorkoming van en bescherming tegen natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen, met name door de samenhang tussen internationale acties op het gebied van civiele bescherming te stimuleren.
De Partijen bij de Overeenkomst van Bonn werken sinds vijftig jaar op regionaal niveau succesvol samen bij het voorkomen en bestrijden van verontreiniging van de Noordzee in ruime zin door schepen en offshore-installaties. De werkzaamheden in het kader van de Overeenkomst van Bonn behelzen wetenschappelijke, technische en operationele activiteiten. De Overeenkomstsluitende Partijen hebben grote deskundigheid verworven bij het aanpakken van bedreigingen voor het mariene milieu en zijn voorbereid op nieuwe uitdagingen. Het bij de Ministeriële Verklaring goedgekeurde BASAP 2019-2025 is erop gericht de uitvoering van de lopende en nieuwe taken te sturen en te bundelen.
De Unie is Partij bij de Overeenkomst van Bonn en stelt belang in de versterking van de regionale samenwerking bij de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin. De Unie dient derhalve in te stemmen met de aanneming van de Ministeriële Verklaring van 2019, en daarmee met de goedkeuring van het daaraan gehechte strategisch actieplan 2019-2025, overeenkomstig de toepasselijke Unieprocedure van artikel 218, lid 9, VWEU.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen eveneens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
De ministersconferentie is de vergadering van de Overeenkomstsluitende Partijen op ministerieel niveau. De conferentie wordt ad hoc belegd naar aanleiding van het 50-jarig jubileum van de Overeenkomst van Bonn en de beoogde wijzigingen daarvan.
De tweede ministersconferentie van de Overeenkomstsluitende Partijen vindt plaats op 11 oktober 2019. Tijdens de conferentie wordt beoogd een Ministeriële Verklaring aan te nemen die blijk geeft van het versterkte streven van de Partijen bij de Overeenkomst om de overeengekomen doelstellingen te realiseren en voor een betere preventie, paraatheid en respons te zorgen met betrekking tot verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin. Met het oog hierop zijn de Overeenkomstsluitende Partijen voornemens het strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025 vast te stellen, dat aan de Ministeriële Verklaring zal worden gehecht en waarin ambitieuze strategische doelstellingen, operationele doelen en desbetreffende uitvoeringsmaatregelen voor de periode 2019-2025 worden vastgelegd.
Het BASAP 2019-2025 heeft rechtsgevolgen voor de Overeenkomstsluitende Partijen. Het bij de Ministeriële Verklaring goedgekeurde BASAP 2019-2025 is erop gericht de uitvoering van de lopende en nieuwe taken te sturen en te bundelen. Het heeft ten doel de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Bonn te vergemakkelijken door de visie, strategische doelstellingen en operationele doelen van de Overeenkomst alsook specifieke meetbare acties en door de Overeenkomstsluitende Partijen te behalen realistische streefdoelen vast te leggen met het oog op het sturen en bundelen van de werkzaamheden van de Overeenkomstsluitende Partijen. In het BASAP wordt erkend dat beproefde systemen en het operationele karakter van de Overeenkomst moeten worden gehandhaafd. Tegelijkertijd wordt in het actieplan gewezen op mogelijkheden om deze inspanningen te versterken en tot nieuwe actiegebieden uit te breiden.
De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de Overeenkomst.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.
Wanneer de beoogde handeling tegelijkertijd een aantal doelstellingen heeft, of meerdere componenten, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet de materiële rechtsgrondslag waarop een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, te nemen besluit wordt gebaseerd, uitzonderlijk de verschillende rechtsgrondslagen omvatten.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
Het ontwerp van het strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025 heeft doelstellingen en componenten op het gebied van milieubescherming en internationale samenwerking met betrekking tot civiele bescherming. Deze onderdelen van de beoogde handeling zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zonder dat het ene ondergeschikt is aan het andere, en dienen ertoe de samenhang tussen internationale acties op het gebied van civiele bescherming te stimuleren.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit bestaat derhalve uit de volgende bepalingen: artikel 191, VWEU en artikel 196, VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 191, VWEU, en artikel 196, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
5.Bekendmaking van de beoogde handeling
Aangezien de besluiten van de vergadering van de Overeenkomstsluitende Partijen zullen resulteren in een wijziging van de Overeenkomst van Bonn, dienen deze na de aanneming ervan bekend te worden gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2019/0174 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het op de tweede ministersconferentie van de Overeenkomst van Bonn namens de Europese Unie in te nemen standpunt ten aanzien van het aan de Ministeriële Verklaring gehechte strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025 en ten aanzien van de Ministeriële Verklaring
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 196 en 191, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)De Unie is (als toenmalige “Europese Economische Gemeenschap”) bij Besluit 84/358/EEG van de Raad van 28 juni 1984 toegetreden tot de Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (hierna “Overeenkomst van Bonn” of “Overeenkomst” genoemd). De Overeenkomst is op 1 september 1989 in werking getreden. De Overeenkomst is in 1989 gewijzigd. De wijzigingen zijn op 1 april 1994 in werking getreden. De Unie heeft die wijzigingen (als toenmalige “Europese Economische Gemeenschap”) goedgekeurd bij Besluit 93/540/EEG van de Raad van 18 oktober 1993.
(2)In 2019 wordt het 50-jarige jubileum van de Overeenkomst gevierd. Bij die gelegenheid zijn de Overeenkomstsluitende Partijen voornemens een Ministeriële Verklaring aan te nemen tijdens de tweede ministersconferentie van de Overeenkomst van Bonn die op 11 oktober 2019 te Bonn zal worden gehouden in het bijzijn van intergouvernementele organisaties en waarnemers uit aangrenzende regio’s die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door olie en andere schadelijke stoffen (hierna “Ministeriële Verklaring” genoemd).
(3)Gezien de vijftig jaar durende succesvolle samenwerking in het kader van de Overeenkomst van Bonn en in het besef van de gemeenschappelijke baten van een verdere versterking van de regionale samenwerking met het oog op preventie van, paraatheid bij en respons op door ongevallen veroorzaakte en illegale verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door maritieme activiteiten, wordt beoogd om in de Ministeriële Verklaring een gemeenschappelijke visie te formuleren teneinde de Noordzee en haar toegangen in ruime zin te vrijwaren van door ongelukken veroorzaakte, vermijdbare en opzettelijke verontreiniging door de scheepvaart, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten.
(4)De Ministeriële Verklaring behelst een krachtige verbintenis om deze visie te verwezenlijken en geeft blijk van het versterkte streven van de Partijen bij de Overeenkomst om de overeengekomen doelstellingen te realiseren en voor een betere preventie, paraatheid en respons te zorgen met betrekking tot verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin. Met het oog hierop zijn de Overeenkomstsluitende Partijen voornemens het strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn 2019-2025 vast te stellen, dat aan de Ministeriële Verklaring zal worden gehecht en waarin ambitieuze strategische doelstellingen, operationele doelen en desbetreffende uitvoeringsmaatregelen voor de periode 2019-2025 worden vastgelegd.
(5)Het is noodzakelijk om het op de tweede ministersconferentie van de Overeenkomst van Bonn namens de Unie in te nemen standpunt te bepalen, omdat het besluit dat tijdens die conferentie zal worden vastgesteld, rechtsgevolgen zal hebben voor de Unie.
(6)Aangezien de Unie Partij is bij de Overeenkomst van Bonn en belang stelt in de versterking van de samenwerking bij de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin, is het dienstig om met de Ministeriële Verklaring van 2019, waarbij het daaraan gehechte strategisch actieplan 2019-2025 wordt goedgekeurd, in te stemmen en deze te ondertekenen.
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het op de ministersconferentie namens de Unie in te nemen standpunt is dat wordt ingestemd met de aanneming van de Ministeriële Verklaring en het daaraan gehechte strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025.
In de ontwerptekst van het strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025 mogen kleine wijzigingen worden aangebracht zonder dat de instemming van de Unie hierdoor in het geding komt.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 30.8.2019
COM(2019) 379 final
BIJLAGEN
bij het
Voorstel voor een besluit van de Raad
betreffende het op de tweede ministersconferentie van de Overeenkomst van Bonn namens de Europese Unie in te nemen standpunt ten aanzien van het aan de Ministeriële Verklaring gehechte strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025 en ten aanzien van de Ministeriële Verklaring
BIJLAGE 1
Ministeriële Verklaring
Bonn (Duitsland) 11 oktober 2019
WIJ, DE MINISTERS EN HET LID VAN DE EUROPESE COMMISSIE, zijnde verantwoordelijk voor het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door olie en andere schadelijke stoffen, bijeengekomen te Bonn op 11 oktober 2019 ter gelegenheid van de tweede ministersconferentie van de Overeenkomst van Bonn in het bijzijn van intergouvernementele organisaties en waarnemers uit aangrenzende regio’s,
GEZIEN de vijftig jaar durende succesvolle samenwerking in het kader van de Overeenkomst van Bonn en IN HET BESEF van de gemeenschappelijke baten van een verdere versterking van de regionale samenwerking met het oog op preventie van, paraatheid bij en respons op door ongevallen veroorzaakte en illegale verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door maritieme activiteiten;
VERHEUGD over de toetreding van Spanje tot de Overeenkomst van Bonn en de aanpassing van de onder de verantwoordelijkheid van Frankrijk en Spanje vallende zones, als gevolg waarvan het zeegebied waarop de Overeenkomst van Bonn van toepassing is, voortaan ook de Golf van Biskaje zal omvatten;
ERNAAR STREVEND de bescherming van ons kust- en zeemilieu tegen mariene verontreiniging als gevolg van activiteiten in de Noordzee en haar toegangen in ruime zin en onze samenwerking op het gebied van preventie van, paraatheid bij en respons op verontreiniging te versterken;
REKENING HOUDEND met de rol van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) bij de regulering van de wereldwijde scheepvaart met het oog op bescherming van het zeemilieu en de menselijke gezondheid, met de ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie en met de toepasselijke EU-wetgeving inzake mariene verontreiniging en incidenten op zee;
NIET AFLATEND in het streven de nationale inspanningen op (sub)regionaal niveau ten bate van allen en rekening houdend met de rapportageverplichtingen van de Overeenkomstsluitende Partijen te coördineren;
GEBRUIKMAKEND van algemeen aanvaarde informatiesystemen die binnen bevoegde internationale organisaties zijn aangewezen als standaardsystemen;
WIJZEND op het feit dat het zeevervoer en andere maritieme activiteiten, zoals offshore olie- en gaswinning nog steeds toenemen en dat er, ondanks een daling van het aantal vastgestelde olielekkages in de afgelopen jaren, altijd risico’s blijven bestaan;
hebben de volgende gezamenlijke verklaring AANGENOMEN:
1.
Wij hebben een visie van een Noordzee en haar toegangen in ruime zin die vrij zijn van door ongelukken veroorzaakte, vermijdbare en opzettelijke verontreiniging door de scheepvaart, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten.
2.
Wij zijn verheugd over de IMO-regelgeving die tot een vermindering van de verontreiniging van de zee heeft geleid. Toch blijft de door ongelukken veroorzaakte en illegale verontreiniging met andere stoffen dan olie ondanks het brede scala aan maatregelen die in de afgelopen jaren zijn genomen, een ernstige bedreiging vormen voor de Noordzee en haar toegangen in ruime zin.
3.
Wij zijn ons terdege bewust van de economische en maatschappelijke waarde van ons zee- en kustmilieu en erkennen dat de kosten van passende middelen voor preventie, paraatheid en respons laag zijn in vergelijking met de kosten die gemoeid zijn met het verhelpen van ernstige verontreinigingsincidenten.
4.
Wij benadrukken het belang van een doeltreffende preventie van, paraatheid bij en respons op zeerampen. Wij bevestigen opnieuw ons te zullen beijveren voor actieve samenwerking in het kader van de Overeenkomst van Bonn op het gebied van planning, opleiding en operationeel testen van rampenbestrijdingssystemen, met inbegrip van gemeenschappelijke operationele rampenbestrijdingsoefeningen. Wij erkennen het belang van de algemene Europese samenwerking via het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (Emergency Response Coordination Centre - ERCC) en in overleg met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (European Maritime Safety Agency - EMSA).
5.
Wij zijn ingenomen met het beproefde systeem voor toezicht vanuit de lucht en per satelliet op de scheepvaart, de offshore gas- en oliewinning en andere maritieme activiteiten in de Noordzee en haar toegangen in ruime zin, dat een belangrijk hulpmiddel vormt voor het opsporen van mogelijke verontreiniging, het ontmoedigen van illegale lozingen op zee en het nakomen van onze verplichtingen uit hoofde van het Marpol-verdrag.
6.
Wij juichen toe dat op nationaal en regionaal niveau gebruik wordt gemaakt van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (Remotely Piloted Aircraft Systems - RPAS), die ingang hebben gevonden als nieuwe systemen voor maritieme surveillance en toezicht op emissies van luchtverontreinigende stoffen door de zeescheepvaart, en moedigen de Overeenkomstsluitende Partijen aan kennis over en ervaring met hun nationale RPAS-systemen en de inzet ervan bij handhavingspraktijken uit te wisselen.
7.
Wij bevestigen dat wij ons ertoe verbinden de nationale vliegprogramma’s en de gemeenschappelijke operaties zoals de gecoördineerde uitgebreide surveillance-operaties ter bestrijding van verontreiniging (Coordinated Extended Pollution Control Operations - CEPCO’s) voort te zetten en zijn ingenomen met de door EMSA via CleanSeaNet aangeboden satellietbeeldvormingsdienst, die bijdraagt tot grotere paraatheid en een betere preventie van verontreiniging.
8.
Wij zijn verheugd over de ontwikkeling en voortdurende bijwerking van de handboeken en codes van de Overeenkomst van Bonn, met inbegrip van het handboek voor de bestrijding van verontreiniging (Counter Pollution Manual) en de olieschakeringscode (Bonn Agreement Oil Appearance Code - BAOAC), die unieke bronnen van informatie vormen over werkzaamheden op het gebied van de preventie van, paraatheid bij en respons op verontreiniging en die wereldwijd zijn erkend in de context van het Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging (OPRC) en het daaraan gehechte Protocol inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij voorvallen van verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen.
9.
Wij blijven ernaar streven de in het kader van de Overeenkomst van Bonn opgestelde gemeenschappelijke plannen voor respons op maritieme incidenten (dat wil zeggen het DenGerNeth-plan, het Mancheplan, het Norbrit-plan en het vierpartijen-zoneplan) te handhaven en actueel te houden, aangezien zij belangrijke instrumenten vormen die het mogelijk maken om onmiddellijk nadat zich een incident heeft voorgedaan responsactiviteiten op te starten, ongeacht welk land verantwoordelijk is voor de zone waarin de olielekkage is ontstaan.
10.
Gelet op de wisselende risico’s die uitgaan van het toenemende vervoer van gevaarlijke en schadelijke stoffen over zee, grotere schepen, autonome schepen, nieuwe brandstoffen, de aanhoudend hoge verkeersdichtheid, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten, wijzen wij op het belang van de instandhouding van een evenwichtige verdeling van middelen om een doeltreffende preventie van en respons op verontreiniging in de Noordzee en haar toegangen in ruime zin te waarborgen. Wij zijn het erover eens dat de verdere ontwikkeling van responscapaciteiten in het onder de Overeenkomst van Bonn vallende gebied dient te zijn gebaseerd op nationale en gemeenschappelijke risicobeoordelingen.
11.
Wij zullen ons gezamenlijk sterk blijven maken voor de preventie van mariene verontreiniging die de luchtkwaliteit aantast door samen te werken bij en collectief bij te dragen tot de tenuitvoerlegging en handhaving van de internationale regels en normen inzake verontreiniging van de zee, ook door gelijke voorwaarden te creëren voor marktdeelnemers. Wij wijzen nogmaals op de succesvolle invoering van Richtlijn (EU) 2016/802, die in voorschriften inzake lage zwavelgrenswaarden in beheersgebieden voor SOx-emissie voorziet (een maximumzwavelgehalte van 0,10 % met ingang van 1 januari 2015), en herinneren tevens aan de recente in het kader van IMO aangegane verbintenis inzake een consequente toepassing van de wereldwijd geldende limiet voor het zwavelgehalte (0,50 % vanaf 2020) die is vastgesteld in bijlage VI bij het Marpol-Verdrag. De gecoördineerde en robuuste handhavingsregeling met betrekking tot deze voorschriften, die ook toepassing vindt in het SOx-beheersgebied op de Noordzee, heeft samen met een grote mate van naleving door schepen in de EU geresulteerd in een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging door zwaveldioxide in kustregio’s en -steden. Wij zijn ingenomen met de ontwikkeling van onze gezamenlijke verbintenis om collectief bij te dragen tot de surveillance ten behoeve van de handhaving van bijlage VI bij het Marpol-verdrag en met het feit dat de Noordzee met ingang van 2021 is aangewezen als stikstofoxide-emissiebeheersgebied (NECA). De Overeenkomstsluitende Partijen behouden het recht om zelf te bepalen met welke middelen zij deelnemen aan de surveillancemaatregelen.
12.
Wij erkennen dat bepalingen zoals die betreffende de aanwijzing van de Noordzee als bijzonder gebied in de zin van bijlagen I en V bij het Marpol-verdrag geen effect zullen sorteren indien zij niet naar behoren worden gehandhaafd. In dit verband zijn wij ingenomen met de succesvolle werkzaamheden van het Noordzeenetwerk van opsporings- en vervolgingsambtenaren (North Sea Network of Investigators and Prosecutors) ter bevordering van de handhaving van de voorschriften en normen ter bestrijding van verontreiniging en spreken ons uit voor de voortzetting van de samenwerking met het netwerk op het gebied van de handhaving van alle relevante bijlagen bij het Marpol-verdrag.
13.
Wij bevestigen opnieuw ons te zullen inzetten voor een behoorlijke tenuitvoerlegging en handhaving van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen (zoals gewijzigd), in het bijzonder wat betreft samenwerking op het gebied van toezicht en handhaving, de naleving van rapportageverplichtingen en de invoering van doeltreffende sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten.
14.
Wij verwelkomen de vaststelling van de herziene richtlijn betreffende havenontvangstfaciliteiten door het Europees Parlement en de Raad en verbinden ons ertoe informatie uit te wisselen en samen te werken met het oog op het voorkomen van illegale afvallozingen op zee.
15.
Wij zijn verheugd over de goedkeuring van de nieuwe output van IMO over de evaluatie en harmonisatie van voorschriften en richtsnoeren inzake lozingen van vloeibare effluenten van uitlaatgasreinigingssystemen in wateren, met inbegrip van voorwaarden en gebieden (“Evaluation and harmonization of rules and guidance on the discharge of liquid effluents from EGCS into waters, including conditions and areas”), die een belangrijk instrument vormt om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van door scrubbers/uitlaatgasreinigingssystemen (EGCS) geloosd afvalwater voor het mariene milieu.
16.
Wij benadrukken dat gecoördineerde onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s in het leven moeten worden geroepen om ervoor te zorgen dat maatregelen ter bestrijding van verontreiniging bij het aanpakken van bestaande en toekomstige uitdagingen met behulp van de beste beschikbare technieken en apparatuur worden uitgevoerd, aangezien bijvoorbeeld innovatieve responstechnieken nodig zijn voor de invoering en bredere toepassing van nieuwe brandstoffen die zijn ontworpen om aan de steeds strengere emissievoorschriften te voldoen. Wij bevestigen opnieuw dat de besluitvormingsprocessen zijn geschraagd door de beste beschikbare kennis, methoden en ondersteunende instrumenten. Wij nemen nota van de in het strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn voor de periode 2019-2025 aangewezen prioriteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling.
17.
Wij nemen nota van de ontwikkeling van geïntegreerde benaderingen voor maritiem bestuur en onderkennen het belang van de versterking van onze samenwerking met de relevante zeevaartsectoren en maritieme organen teneinde tot een meer holistisch beheer van onze zeeën te komen, met het doel om in overeenstemming met de kaderrichtlijn mariene strategie een goede milieutoestand van de mariene wateren te bereiken.
18.
Wij zijn ingenomen met het actieplan van IMO ter bestrijding van van schepen afkomstig plastic zwerfafval (IMO Action Plan to Address Marine Plastic Litter from Ships), dat erop is gericht de bestaande regelgeving te versterken en nieuwe ondersteunende maatregelen in te voeren om de ernstige problemen aan te pakken die de in zee aanwezige kunststoffen met zich brengen voor het mariene milieu.
19.
Wij bevestigen opnieuw dat wij ons zullen beijveren voor samenwerking in het kader van de Overeenkomst van Lissabon en de Overeenkomst van Kopenhagen en met andere bevoegde internationale en regionale organisaties en organen, met name de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de OSPAR-commissie en de Helsinki-commissie, het Regionaal Centrum voor noodmaatregelen tegen accidentele verontreiniging van de Middellandse Zee (Regional Marine Pollution Emergency Response Centre for the Mediterranean Sea - REMPEC), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Arctische Raad, met het oog op de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, en dat wij ons zullen beijveren om onze gemeenschappelijke doelen te bereiken.
In het licht van het bovenstaande en vastbesloten om onze visie werkelijkheid te laten worden, bevestigen wij het versterkte streven om de overeengekomen doelstellingen te realiseren en voor een betere preventie, paraatheid en respons te zorgen met betrekking tot verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin en hebben wij het in bijlage I opgenomen strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn 2019-2015, waarin ambitieuze strategische doelstellingen, operationele doelen en desbetreffende uitvoeringsmaatregelen voor de periode 2019-2025 zijn vastgelegd, AANGENOMEN.
BIJLAGE 2
Strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP)
2019-2025
Inleiding
De hoofdtaken van de Partijen bij de Overeenkomst van Bonn bestaan in het op regionaal niveau samenwerken bij het voorkomen en bestrijden van verontreiniging van de Noordzee in ruime zin door schepen en offshore-installaties; het uitvoeren van controles met het oog op het opsporen en bestrijden van verontreiniging; het opruimen van verontreiniging als gevolg van scheepsrampen en verontreinigingsdelicten. Dit zijn de verworvenheden van vijftig jaar wetenschappelijke, technische en operationele werkzaamheden in het kader van de Overeenkomst van Bonn. De Partijen bij de Overeenkomst van Bonn hebben samengewerkt om grote deskundigheid op te bouwen met betrekking tot bestrijding van bedreigingen voor het mariene milieu en zij zijn erop voorbereid om in samenwerking met de andere Partijen nieuwe uitdagingen aan te pakken en de handen ineen te slaan met de internationale gemeenschap.
De Overeenkomst van Bonn is de oudste regionale overeenkomst die door regeringen in het leven is geroepen om op verontreinigingsincidenten te kunnen reageren. De Overeenkomst is het mechanisme in het kader waarvan de Noordzeelanden en de Europese Unie samenwerken om elkaar te ondersteunen bij de bestrijding van verontreiniging als gevolg van scheepsrampen en chronische verontreiniging door schepen en offshore installaties in het Noordzeegebied. De Overeenkomst werd door de acht kuststaten van de Noordzee: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, in 1969 ondertekend, kort na de schipbreuk van de olietanker Torrey Canyon voor de kust van Cornwall in 1967, de eerste grote verontreinigingsramp in West-Europa, waarbij 117 000 ton olie in zee stroomde. De Overeenkomst van Bonn werd echter pas aan het einde van de jaren 1970 geactiveerd, nadat twee andere grote verontreinigingsincidenten hadden plaatsgevonden: de blow-out op een platform van het Ekofisk-olieveld in 1977 en de ramp met de Amoco Cadiz in 1978. De Overeenkomst is sindsdien succesvol in werking en werd in 1983 uitgebreid tot andere schadelijke stoffen dan olie, gevolgd door een uitbreiding in 1987 om te voorzien in samenwerking op het gebied van controles. Een verdere uitbreiding vond plaats in 2010, toen Ierland tot de Overeenkomst toetrad en het toepassingsgebied werd verruimd met Ierse wateren en aangrenzende Noorse en Britse wateren.
Ondanks het feit dat het totale aantal ernstige gevallen van olieverontreiniging bij ongelukken in de Europese wateren is afgenomen, doen zich van tijd tot tijd nog steeds ernstige olielekkages (d.w.z. van meer dan 20 000 ton) als gevolg van ongelukken voor. Hoewel het merendeel van de olie die van jaar tot jaar in de zee terechtkomt, afkomstig is van lozingen vanaf het land, vormen olielekkages als gevolg van ongelukken nog steeds een belangrijke vorm van verontreiniging, die verantwoordelijk is voor 10 à 15 procent van de totale hoeveelheid olie die jaarlijks in de wereldzeeën terechtkomt.
Het BASAP 2019-2025 heeft ten doel de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst van Bonn te vergemakkelijken teneinde bij te dragen tot het voorkomen van alle vormen van verontreiniging van de zee en het hoofd te bieden aan toekomstige uitdagingen, zoals de onvermijdelijke paradigmaverschuiving op de markten voor energie en natuurlijke hulpbronnen, de milieu-uitdagingen die zijn omschreven in de Overeenkomst van Parijs van 2015 en de druk op de mariene ruimtelijke ordening, die nieuwe risico’s voor de zee met zich kan brengen. Gezien deze ontwikkelingen en de spectaculaire afname van het aantal door ongelukken veroorzaakte olielekkages in de Europese wateren in de afgelopen dertig jaar, moeten op de bestrijding van olierampen gerichte hulpdiensten het accent verleggen van olie naar alle mogelijke vormen van mariene verontreiniging die kunnen worden gemeten en/of opgeruimd. Een belangrijke nieuwe uitdaging voor de Overeenkomst van Bonn die naar voren is gekomen door middel van een SWOT-analyse is de bestrijding van luchtverontreiniging die schadelijke gevolgen heeft voor ecosystemen en de gezondheid van de burgers in dichtbevolkte kustgebieden (Marpol, bijlage VI).
Het BASAP 2019-2025 wordt door de Overeenkomstsluitende Partijen uitgevoerd door:
·toezicht te houden op de onder hun verantwoordelijkheid vallende zones om dreigende verontreiniging van de zee of van het luchtruim erboven op te sporen, met inbegrip van coördinatie van het toezicht vanuit de lucht en per satelliet;
·elkaar te waarschuwen voor dergelijke bedreigingen;
·gemeenschappelijke operationele benaderingen vast te stellen, zodat zij er wederzijds op kunnen rekenen dat zij aan de nodige normen voor preventie- en opruimacties voldoen;
·gemeenschappelijke en gecoördineerde operationele benaderingen vast te stellen met betrekking tot toezicht op de naleving en handhaving van bijlage VI bij het Marpol-verdrag;
·elkaar (desgevraagd) wederzijdse ondersteuning te bieden bij responsoperaties;
·gegevens op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en goede praktijken uit te wisselen; en
·gemeenschappelijke oefeningen te houden.
Visie
De Overeenkomst van Bonn bevat de volgende visie:
een schone Noordzee in ruime zin zonder door ongelukken veroorzaakte of illegale verontreiniging door de scheepvaart of andere maritieme activiteiten
De Noordzee in ruime zin biedt plaats aan veelzijdige en productieve ecosystemen en is van essentieel belang voor het dagelijks leven van miljoenen mensen. Een deel van de Noordzee in ruime zin wordt doorsneden door sommige van de drukste scheepvaartroutes ter wereld. De visie van de Overeenkomst van Bonn bestaat er daarom in bedreigingen door verontreiniging als gevolg van ongelukken of illegale lozingen door schepen en andere maritieme activiteiten voor zover praktisch mogelijk tot een minimum te beperken.
Om deze visie te verwezenlijken zijn in de Overeenkomst van Bonn de volgende strategische doelstellingen overeengekomen:
(a)identificeren en aanpakken van problemen die zich in de maritieme sector in brede zin voordoen en van invloed zijn op het onder het toepassingsgebied van de Overeenkomst van Bonn vallende mariene milieu;
(b)identificeren en evalueren van kansen die zich voordoen om risico’s voor het mariene milieu met behulp van de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken te verminderen;
(c)identificeren en evalueren van nieuwe toezichtbenaderingen om ervoor te zorgen dat de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken worden toegepast;
(d)waar nodig reageren op nieuwe risico’s voor het mariene milieu, rekening houdend met de aanbevelingen van OTSOPA; en
(e)optimaal gebruikmaken van de BE-AWARE-projecten I en II om de meest doeltreffende toekomstige maatregelen op het gebied van respons en risicovermindering aan te wijzen.
Strategische doelstellingen
A.
Preventie van illegale en door ongelukken veroorzaakte verontreiniging door samenwerking en gezamenlijke handhaving van internationale regelgeving en normen inzake mariene verontreiniging, met inbegrip van de naleving van de bijlagen bij het Marpol-verdrag
Ondanks het brede scala aan maatregelen die in de afgelopen jaren zijn genomen, blijven illegale en door ongelukken veroorzaakte verontreinigingen een ernstige bedreiging vormen voor de Noordzee in ruime zin. Samenwerking bij de doeltreffende en efficiënte handhaving van die maatregelen is een belangrijk instrument voor de bescherming van het mariene milieu.
De internationale voorschriften inzake mariene verontreiniging zijn vastgesteld in het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol) van 1973, dat in 1978 is gewijzigd. Het Marpol-verdrag is ontwikkeld door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en heeft ten doel om zowel door ongelukken als door routineactiviteiten veroorzaakte verontreiniging door schepen te voorkomen en tot een minimum te beperken. De volgende zes technische bijlagen bij het Marpol-verdrag hebben betrekking op mariene verontreiniging, zie bijlage I: Actuele Marpol-teksten van de bijlagen I tot en met VI
Bijlage I – Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door olie
Bijlage II – Voorschriften voor het beheersen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen die in bulk worden vervoerd
Bijlage III – Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door schadelijke stoffen die op zee worden vervoerd in verpakte vorm
Bijlage IV – Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door sanitair afval van schepen
Bijlage V – Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door vuilnis van schepen
Bijlage VI – Voorschriften ter voorkoming van luchtverontreiniging door schepen
Er moeten gecoördineerde operationele benaderingen voor het toezicht op de naleving worden vastgesteld om een uniforme en consequente uitvoering en handhaving van de bijlagen bij het Marpol-verdrag te garanderen, en met name voor de uitvoering en handhaving van het in bijlage VI bij het Marpol-verdrag bedoelde in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing (ECA) voor zwavel- en stikstofoxiden en met het oog op de inwerkingtreding in 2020 van de wereldwijde zwavelgrenswaarde voor de scheepvaart buiten de ECA’s.
B.
Bevordering en waarborging van efficiënte paraatheid in noodsituaties
Op internationaal en Europees niveau zijn verplichtingen vastgesteld, met inbegrip van wereldwijde protocollen en regionale, onder gezamenlijke verantwoordelijkheid vallende zones, om ervoor te zorgen dat de landen aan de Noordzee in ruime zin voorbereid zijn om te kunnen reageren op eventuele verontreinigingsincidenten. Er is samenwerking met andere regionale en internationale organisaties nodig om synergie tot stand te brengen en overlappingen te voorkomen. Er is passende kennis, planning, opleiding en operationele beproeving van rampenbestrijdingssystemen nodig om een doeltreffende paraatheid te waarborgen. Bij de planning van maatregelen ter bestrijding van verontreiniging moet rekening worden gehouden met de beste beschikbare milieuadviezen.
C.
Organisatie van optimale responscapaciteiten
Ondanks alle inspanningen ter verhoging van de maritieme veiligheid zal er altijd een risico blijven bestaan dat zich incidenten voordoen. De toename van het zeevervoer en de groei van het vervoer van gevaarlijke en schadelijke stoffen leiden tot grotere risico’s voor het mariene milieu. De Overeenkomstsluitende Partijen hebben reeds aanzienlijke middelen ter beschikking gesteld voor de opbouw van adequate responscapaciteiten. Om de efficiëntie, niet in de laatste plaats in financieel opzicht, verder te verhogen dient de verdere ontwikkeling van responscapaciteiten te worden gebaseerd op risicobeoordelingen, een analyse van lacunes en regionale en subregionale benaderingen. Er bestaat behoefte aan gecoördineerde programma’s voor onderzoek en ontwikkeling om ervoor te zorgen dat maatregelen ter bestrijding van verontreiniging worden uitgevoerd met behulp van de beste beschikbare technieken en uitrusting.
Om deze strategische doelstellingen te verwezenlijken zijn in de Overeenkomst van Bonn de volgende operationele doelen overeengekomen:
Operationele doelen:
Operationele doelen in verband met strategische doelstelling A (preventie):
A.I
Uitoefenen van adequaat toezicht op de scheepvaart en maritieme activiteiten in de Noordzee in ruime zin en waarborgen van een doeltreffende melding van waarnemingen in de in de Overeenkomst van Bonn vastgelegde verantwoordelijkheidszones;
A.II
De leiding en het vliegend personeel voorzien van actuele informatie over de planning en uitvoering van vluchten ter bestrijding van verontreiniging in het onder de Overeenkomst van Bonn vallende gebied;
A.III
Zorgen voor gemeenschappelijke operationele benaderingen bij het toezicht op de naleving van de bijlagen bij het Marpol-verdrag;
A.IV
Waarborgen van een efficiënte verzameling van bewijsmateriaal in het geval van verontreinigingsincidenten en nauwe samenwerking met opsporings- en vervolgingsambtenaren bij de handhaving van de voorschriften en normen inzake maritieme verontreiniging in de Noordzee in ruime zin;
A.V
Communiceren en verspreiden van informatie over de preventie van illegale en door ongelukken veroorzaakte verontreiniging onder het publiek en onder deskundigen.
Doelen in verband met de verwezenlijking van strategische doelstelling B (paraatheid):
B.I
Tot gemeenschappelijke zienswijzen komen met betrekking tot de wijze waarop op maritieme noodsituaties dient te worden gereageerd en onder de aandacht brengen van nationale noodplannen en strategieën;
B.II
Zorgen voor een passend opleidingsniveau van het bij de respons op noodsituaties in te zetten personeel en voor samenwerking tussen de bestrijdingseenheden van de Overeenkomstsluitende Partijen en bevorderen van paraatheid met het oog op doeltreffende multinationale bestrijdingsoperaties;
B.III
Waarborgen dat de responsacties van de Overeenkomstsluitende Partijen naar behoren zijn opgezet voor het beschermen van het mariene milieu en dat de desbetreffende prioriteiten op de meest geschikte wijze worden vastgesteld;
B.IV
Samenwerken met andere internationale en Europese organisaties en aangrenzende zeegebieden om synergie te ontwikkelen en overlappingen te voorkomen.
Doelen in verband met de verwezenlijking van strategische doelstelling C (respons):
C.I
Waarborgen dat de Overeenkomstsluitende Partijen goed op de hoogte zijn van elkaars werkwijze bij de respons op incidenten, teneinde de ontwikkeling van beste praktijken te bevorderen;
C.II
Voorzien in en actueel houden van gemeenschappelijke operationele benaderingen met betrekking tot verontreinigingsincidenten en bevorderen van het ontwikkelen van en het komen tot gemeenschappelijke zienswijzen over geschikte responsstrategieën;
C.III
Bevorderen van gecoördineerde programma’s voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van responstechnologieën en andere operationele middelen;
C.IV
Waarborgen dat in het gehele noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan wordt gezorgd voor een op subregionale risicobeoordelingen gebaseerde passende verdeling van middelen voor responsactiviteiten.
Acties
Om de visie, de strategische doelstellingen en operationele doelen te realiseren, worden in het onderstaande strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) specifieke, meetbare acties en realistische streefdoelen voor de periode 2019-2025 vastgelegd met het oog op het sturen en bundelen van de werkzaamheden van de Overeenkomstsluitende Partijen. In het BASAP wordt erkend dat beproefde systemen en de bestaande werkzaamheden die noodzakelijk zijn om het operationele karakter van de Overeenkomst te garanderen, moeten worden gehandhaafd. Tegelijkertijd worden mogelijkheden omschreven om deze inspanningen te versterken en tot nieuwe actiegebieden uit te breiden.
In het kader van de Overeenkomst van Bonn worden de volgende acties overeengekomen:
Doelen in verband met strategische doelstelling A (preventie):
A.1
Uitvoeren van surveillance-operaties vanuit de lucht en per satelliet, met inbegrip van nationale vluchten, regionale vluchten, Tour d’horizon-vluchten en CEPCO/SuperCEPCO-vluchten om lekkages van olie en andere schadelijke stoffen op te sporen, te onderzoeken en te monitoren en desbetreffende bewijzen te verzamelen;
A.2
Opzetten van een doeltreffend standaardrapporteringssysteem en toepassen van dit systeem voor het melden van vastgestelde verontreiniging in het kader van de Overeenkomst van Bonn, aan de Commissie in het kader van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen, en aan IMO;
A.3
In samenwerking met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) optimaal gebruikmaken van satellietbeelden en meegaan met de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van op grote hoogte vliegende pseudo-satellieten (High Altitude Pseudo Satellites - HAPS) en op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS) die in de landen aan de Noordzee in ruime zin beschikbaar komen en invoeren van een geharmoniseerd systeem ter verbetering van het opsporen van verontreinigingsincidenten dat zich uitstrekt tot de gehele Noordzee in ruime zin;
A.4
Versterken van de samenwerking bij het opsporen van inbreuken op bepalingen van bijlage V bij het Marpol-verdrag en bij het handhaven van die bepalingen;
A.5
Versterken van de samenwerking bij het opsporen van inbreuken op bepalingen van bijlage VI bij het Marpol-verdrag en bij het handhaven van die bepalingen, onder meer met behulp van de bestaande handhavingsregeling op basis van havenstaatcontrole, en toepassen van geavanceerde gerichte opsporingsinstrumenten voor het toezicht op de naleving en uitwisselen van gegevens over de resultaten van handhavingsacties via gemeenschappelijke informatiesystemen (zoals Thetis-EU);
A.6
Bijhouden en actueel houden van het Aerial Operations Handbook (handboek luchtoperaties) en de BAOAC Atlas;
A.7
Bijhouden en actueel houden van het North Sea Manual on Maritime Oil Pollution Offences (handboek oliegerelateerde delicten op de Noordzee) in samenwerking met het Noordzeenetwerk van opsporings- en vervolgingsambtenaren (NSN);
A.8
Samenwerken via OSINET bij het traceren van olielekkages en -lozingen, met inbegrip van intercalibratietests door laboratoria en de verdere ontwikkeling van gemeenschappelijke methoden voor het traceren van olielekkages en -lozingen;
A.9
Versterken van de samenwerking met opsporings- en vervolgingsambtenaren:
a.
uiterlijk in 2022 – mogelijkheden aanwijzen om ruchtbaarheid te geven aan veroordelingen wegens delicten in verband met verontreiniging van de zee, in samenwerking met het NSN;
b.
uiterlijk in 2025 – procedures vaststellen om gegevens met betrekking tot het milieugedrag (track records) van relevante scheepvaartmaatschappijen en scheepsexploitatiemaatschappijen beschikbaar te maken voor het publiek, in samenwerking met NSN;
A.10
Contacten onderhouden met IMO om te bepalen hoe de Overeenkomst van Bonn verder kan bijdragen tot de naleving van bijlage VI bij het Marpol-verdrag, rekening houdend met de nieuwste ontwikkelingen bij IMO met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de met ingang van 2020 wereldwijd geldende limiet voor het zwavelgehalte (bijvoorbeeld een versterking van de havenstaatcontroleregeling of een verbod op het vervoer voor verbrandingsdoeleinden van brandstoffen met een zwavelgehalte hoger dan 0,50 %).
A.11
Verlenen van ondersteuning, via IMO-MEPC, aan het proces voor de herziening van de in bijlage II bij het Marpol-verdrag vastgestelde voorwaarden voor lozingen van hoogvisceuze en stollende stoffen;
A.12
Bijhouden en actueel houden van de website van de Overeenkomst van Bonn en verspreiden van elektronische publicaties (handleidingen, handboeken en verslagen);
A.13
Ondersteunen en promoten van aanbevelingen van de BE-AWARE-projecten inzake preventieve maatregelen.
Doelen in verband met strategische doelstelling B (paraatheid):
B.1
Bijhouden van de hoofdstukken van het Counter Pollution Manual (handboek verontreinigingsbestrijding) van de Overeenkomst van Bonn en bijwerking ervan om het aan te passen aan de bestaande behoeften;
B.2
Bevorderen van informatie-uitwisseling over wrakken die een potentiële bron van verontreiniging zijn en ontwikkelen van nationale databanken;
B.3
Plannen en uitvoeren van regionale en subregionale operationele oefeningen en opleidingen;
B.4
Bevorderen van de ontwikkeling van nationale milieuadviessystemen en de uitwisseling van desbetreffende informatie;
B.5
Uitwisselen van informatie met andere regionale en internationale organisaties, met name het Uniemechanisme voor civiele bescherming (UCPM), EMSA, de EPPR-werkgroep (Arctische Raad), HELCOM, IMO, de commissie OSPAR, de Overeenkomst van Lissabon en REMPEC, door deelname aan gemeenschappelijke secretariaatsvergaderingen en, voor zover zinvol, versterken van de samenwerking met deze organisaties, onder meer bij de gemeenschappelijke ontwikkeling van een responshandleiding inzake gevaarlijke en schadelijke stoffen (HNS);
B.6
Versterken van de samenwerking met de commissie OSPAR en andere internationale organisaties die betrokken zijn bij de bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging, onder andere van offshore-installaties;
B.7
Ontwikkelen van een HNS-strategie voor de samenwerking met andere internationale organisaties, zoals HELCOM, EMSA of CTG, bij de toepassing van de OPRC-beginselen inzake HNS;
B.8
Contacten onderhouden met IMO om te bepalen hoe de Overeenkomst van Bonn verder kan bijdragen tot de versterking van de internationale tenuitvoerlegging van het OPRC-protocol inzake HNS;
B.9
Voortzetten van de ontwikkeling van responscapaciteiten op basis van milieurisicoanalysen om in te kunnen spelen op veranderende maritieme risico's.
Doelen in verband met strategische doelstelling C (respons):
C.1
Onderhouden van een systeem voor het melden van verontreinigingsincidenten en vastleggen van opgedane ervaringen;
C.2
Bijhouden en actueel houden van gemeenschappelijke responsplannen inzake maritieme incidenten (DenGerNeth-plan, Mancheplan, vierpartijen-zoneplan, Norbrit-plan [Golf van Biskaje-plan]);
C.3
Versterken van de ontwikkeling van gezamenlijke benaderingen voor faunaresponsacties, met inbegrip van het aanwijzen van beste praktijken en voorlichting van het publiek met betrekking tot faunaresponswerkzaamheden;
C.4
Uitwisseling van geleerde lessen in verband met verontreinigingsrespons in offshore-windparken;
C.5
Bevorderen van de koppeling en coördinatie met kustresponsmaatregelen;
C.6
Bevorderen van onderzoek en ontwikkeling en informatie-uitwisseling met betrekking tot responstechnologieën en -uitrusting en andere operationele middelen, met name wat betreft geïntegreerde surveillancesensoren, technologie voor de respons op ongelukken bij nacht en bij slecht zicht en onder slechte weersomstandigheden, en met betrekking tot de opsporing en berging van op zee verloren containers, ongelukken met zware olie of chemische stoffen en ongelukken met nieuwsoortige brandstoffen;
C.7
Bevorderen van onderzoek over gemeenschappelijke onderzoeksprioriteiten: ontwikkeling in de periode 2019-2022 van een gemeenschappelijk onderzoeksvoorstel inzake nieuwsoortige brandstoffen;
C.8
Bevorderen van de uitwisseling van informatie over nationale systemen voor risicobeoordeling, met inbegrip van sleepdiensten in noodsituaties.
Addendum 1
Taken 1-18 in verband met strategische doelstelling A (preventie):
|
Taak
|
Strategische
actie
|
Beschrijving
|
Streefdatum
|
Geleid door
|
Voortgang
|
Status
|
|
|
|
|
1
|
A.1
|
Uitvoeren van surveillance-operaties vanuit de lucht en per satelliet, met inbegrip van nationale vluchten, regionale vluchten, Tour d’horizon-vluchten en CEPCO/SuperCEPCO-vluchten om lekkages van olie en andere schadelijke stoffen op te sporen, te onderzoeken en te monitoren en desbetreffende bewijzen te verzamelen, rekening houdend met behoeften op het gebied van strategische surveillance.
|
Activiteiten gedurende het gehele jaar
|
CP
|
|
In uitvoering
|
|
2
|
A.1
|
Handhaven van de reikwijdte en doeltreffendheid van de surveillance vanuit de lucht en verrichten van een strategische analyse van surveillancebehoeften, op basis van onder meer een evaluatie van de bestaande gegevens over de opsporing en waarneming van verontreiniging door olie of andere stoffen.
|
|
CP
|
CleanSeaNet – EMSA
visserij – EU-bureau EFCA
NL – Taakbeheerder w/CP
opstelling en verspreiding aan afdelingshoofden door NL
BE – bijlage VI bij Marpol.
|
|
|
3
|
A.3
A.4
A.5
|
Reflectie over de mogelijke ontwikkeling van aanbevolen minimumeisen inzake surveillance-operaties in het onder de Overeenkomst van Bonn vallende gebied en de te verwachten resultaten daarvan (Marpol VI, op afstand bestuurde luchtvaartuigen).
|
|
EU (voor opties inzake stroomlijning van maritieme surveillance, bv. voor visserij- en verontreinigingsdoeleinden)
BE – co-leiding (bijlage VI)
EU – drones
|
Eerste discussies bijlage VI van start tijdens OTSOPA 2019.
EMSA is begonnen met operationele RPAS-diensten.
|
In uitvoering
|
|
4
|
A.2
|
Handhaven van een doeltreffend toezicht- en rapporteringspeil, met behulp van een passend systeem voor het melden van opgespoorde verontreiniging in het kader van de Overeenkomst van Bonn.
|
Activiteiten wanneer nodig
|
CP
|
|
In uitvoering
|
|
5
|
A.3
|
Optimaal gebruikmaken van satellietbeelden, in samenwerking met het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid, bijvoorbeeld door middel van CleanSeaNet, met het oog op follow-up van de eerste signalering van mogelijke verontreiniging door surveillance vanuit de lucht;
en
|
Activiteiten wanneer nodig
|
CP
|
|
In uitvoering
|
|
6
|
A.3
|
Rapportage over en respons op ontwikkelingen op het gebied van op grote hoogte vliegende pseudo-satellieten (HAPS) en op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS).
|
Activiteiten wanneer nodig
|
CP
|
EU/EMSA - HAPS & RPAS
|
In uitvoering
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
8
|
A.13
|
Ondersteunen/bevorderen van de uitvoering van de verkeersscheidingsstelsels en de aandacht van de met risicoverminderingsmaatregelen belaste autoriteiten vestigen op andere BE-AWARE-aanbevelingen inzake verkeersbegeleidingsdiensten, AIS in windparken en e-navigatie.
|
In uitvoering
|
CP
|
Ierland, Noorwegen en NL hebben workshops gehouden
|
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij verschillende nationale ministeries.
|
|
9
|
A.6
B.I
|
Bijhouden en actueel houden van het Aerial Operations Handbook.
|
Jaarlijks op de OTSOPA
|
NO & CP
|
|
In uitvoering
|
|
10
|
A.6
B.I
|
Bijhouden van de online-versie van de Olieschakeringscode van de Overeenkomst van Bonn (BAOAC), met inbegrip van de fotoatlas, voor vliegend personeel en deskundigen als onderdeel van de reorganisatie van de website van de Overeenkomst van Bonn.
|
Activiteiten wanneer nodig
|
FR & CP
|
|
In uitvoering
|
|
11
|
A.4
A.5
A.10
|
Versterken en uitbreiden van de samenwerking inzake opsporing en waarneming van inbreuken op de bijlagen bij Marpol en van de bijdrage aan de handhaving en het onderhouden van contacten met IMO.
|
In uitvoering
|
CP/NSN/Sec
|
|
In uitvoering
|
|
12
|
A.5
A.10
|
Reflectie over de mogelijke ontwikkeling van een gemeenschappelijke technische strategie en operationele benadering voor toezicht op de naleving van de voorschriften inzake NOx en SOx.
|
|
BE, DK (nog te bevestigen), FR
NL? EMSA (nog te bevestigen)
|
|
Nieuw
|
|
13
|
A.7
A.9
|
Versterken van de samenwerking met het Noordzeenetwerk van opsporings- en vervolgingsambtenaren (NSN) en gezamenlijk:
a.
bijhouden en actueel houden van het North Sea Manual on Maritime Oil Pollution Offences;
b.
organiseren van workshops over onderwerpen van wederzijds belang;
c.
ondersteunen, waar zinvol, van de publicatie van veroordelingen en het opstellen van track records voor scheepvaartmaatschappijen.
|
|
NL/Sec
|
Mogelijke onderwerpen voor seminars 2019-2025:
HNS
Zwerfvuil op zee
|
In uitvoering
|
|
14
|
A.8
|
Voortzetten van de activiteiten van OSINET met het doel om:
a.
de kennis en ervaring van relevante laboratoria met betrekking tot forensisch onderzoek in verband met olielekkages te vergroten, onder meer door intercalibratietests; en
b.
bijhouden/ontwikkelen van actuele analytische procedures en referentiemethoden, onder meer voor oliebemonstering op zee.
|
|
DE/OSINET
|
|
In uitvoering
|
|
15
|
A.12
B.1
|
Bijhouden en actueel houden van de website van de Overeenkomst van Bonn en verspreiden van elektronische publicaties (handleidingen, handboeken en verslagen).
|
Activiteiten wanneer nodig
|
Sec/CP
|
Onderzoek door het secretariaat of het mogelijk is de bron van besluiten/acties bij te houden.
|
In uitvoering
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
17.
|
A.2
|
Herzien van de bestaande aanbevelingen inzake kennisgevingen en aanbrengen van de nodige aanpassingen indien nodig.
|
Activiteiten wanneer nodig
|
CP
|
|
Nieuw
|
|
18
|
A.12
|
Uitvoeren van de communicatiestrategie van de Overeenkomst van Bonn.
|
|
Sec
|
|
In uitvoering
|
Taken 19-30 in verband met strategische doelstelling B (paraatheid):
|
Taak
|
Strategische actie
|
Beschrijving
|
Streefdatum
|
Geleid door
|
Voortgang
|
Status
|
|
|
|
|
19
|
B.1
A.12
|
Bijhouden en actueel houden van de hoofdstukken van het Counter Pollution Manual van de Overeenkomst van Bonn.
|
Activiteiten wanneer nodig
|
CP & Sec
|
|
In uitvoering
|
|
20
|
B.2
|
Voortzetten van de informatie-uitwisseling over wrakken die een potentiële bron van verontreiniging zijn (methoden voor het legen ervan, risicobeoordeling enz.).
|
Activiteiten wanneer nodig
|
CP
|
|
In uitvoering
|
|
21
|
B.4
B.5
|
Opvoeren van de paraatheid om internationale bijstand te ontvangen, te bieden of door te leiden, met gebruikmaking van de EU-richtsnoeren bijstandsverlening door gastlanden (Host Nation Support Guidelines).
|
In uitvoering
|
CP & EU
|
|
In uitvoering
|
|
22
|
B.3
|
Plannen en uitvoeren van regionale en subregionale operationele oefeningen en opleidingen, rekening houdend met strategische behoeften.
|
|
CP
|
|
In uitvoering
|
|
23
|
B.3
|
Organiseren van gezamenlijke operationele bestrijdingsoefeningen (BONNEX DELTA), rekening houdend met regionale strategische opleidingsbehoeften.
|
|
CP via JAP
|
|
In uitvoering
|
|
24
|
B.3
|
Opzetten van een systeem voor getrapte gezamenlijke oefeningen voor het beproeven en trainen van de samenwerking bij de bestrijding van lekkages.
|
In uitvoering
|
DK
|
DK beschikt over militaire deskundigheid die kan worden ingezet ter ondersteuning van oefeningen.
|
|
|
25
|
B.4
|
Bevorderen van de ontwikkeling van nationale milieuadviessystemen en de uitwisseling van desbetreffende informatie. Reflectie over mogelijke vormen van samenwerking (op subregionaal niveau).
|
OTSOPA 2020
|
VK
|
|
In uitvoering
|
|
26
|
B.5
B.7
B.8
|
Versterken van de samenwerking met REMPEC en HELCOM bij de ontwikkeling van een gezamenlijk handboek inzake HNS-respons.
|
|
SEC, FR
|
|
Nieuw
|
|
27
|
B.6
|
Versterken van de samenwerking met de commissie OSPAR, regionale overeenkomsten en andere internationale organisaties op het gebied van bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging door de scheepvaart, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten, rekening houdend met de verplichtingen uit hoofde van de kaderrichtlijnen mariene strategie (MSFD) en water.
|
|
SEC, BE & NL; CP (informatie-uitwisseling over de tenuitvoerlegging van de MSFD)
|
SEC zal contact opnemen met OSPAR inzake verplichting D8 van de MSFD inzake toezicht en beoordeling van significante ernstige verontreinigingen, en verslag uitbrengen op OTSOPA 2020.
Op BONN 19 zal worden nagedacht over wederzijdse deelname van BA/HELCOM tijdens belangrijke vergaderingen. (Zie BAAP 2016-19, Product A.3.3)
|
Nieuw
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
29
|
|
Trendanalyse van het BE-AWARE-project 2030.
Evaluatie en follow-up van de resultaten.
|
In uitvoering
|
NL & CP
|
|
Nieuw
|
|
30
|
B.9
|
Uitwisselen van informatie/ervaringen inzake de toenemende omvang van schepen, hernieuwbare energie, de offshore olie- en gassector, LNG-brandstoffen en havenuitbreidingen, autonome schepen en radioactieve materialen.
|
|
CP
|
|
Nieuw
|
Taken 31-40 in verband met strategische doelstelling C (respons):
|
Taak
|
Strategische actie
|
Beschrijving
|
Streefdatum
|
Geleid door
|
Voortgang
|
Status
|
|
31
|
C.1
C.4
|
Uitwisselen van informatie over geleerde lessen met betrekking tot incidenten, met inbegrip van incidenten in windparken, toevluchtsoorden en afvalbeheer na verontreinigingsincidenten.
|
OTSOPA
BONN
|
CP
|
|
In uitvoering
|
|
32
|
C.1
C.5
|
Onderhouden van een doeltreffend PROLEP-systeem voor het melden van verontreinigingsincidenten en de behandeling van verzoeken om bijstand en het hulpaanbod met gebruikmaking van het gemeenschappelijke noodcommunicatie- en informatiesysteem (CECIS MP) van de Europese Commissie.
|
In uitvoering
|
EU, NO, DK
|
zes maanden durend project met twee workshops en negen deelnemende landen
|
In uitvoering
|
|
33
|
C.2
|
Ontwikkelen, bijhouden en actueel houden van gezamenlijke plannen voor de respons op maritieme incidenten (DenGerNeth-plan (DE), Mancheplan (VK & FR), vierpartijen-zoneplan (BE), Norbrit-plan (VK & NO), MvO VK-Ierland), [Golf van Biskaje].
|
Activiteiten wanneer nodig
|
Betrokken CP
|
|
In uitvoering
|
|
34
|
C.3
|
Handhaven van de informatie-uitwisseling over nationale faunaresponssystemen.
|
In uitvoering
|
– FR, SE & CP
|
|
In uitvoering
|
|
35
|
C.7
C.6
|
Stimuleren en, zo mogelijk, uitvoeren van onderzoek en ontwikkeling en informatie-uitwisseling betreffende nieuwsoortige brandstoffen.
|
|
NO & project-partners[
|
Voorstel voor een oproep door DG-ECHO in 2019
|
In uitvoering
|
|
36
|
C.7
C.6
|
Respons en paraatheid met betrekking tot nieuwsoortige brandstoffen.
|
|
NO & project-partners
|
Op basis van respons op 35
|
|
|
37
|
C.6
|
Stimuleren van informatieverstrekking en verder onderzoek over verontreinigingsincidenten, met inbegrip van:
·ongelukken bij nacht, bij slecht zicht en onder slechte weersomstandigheden;
·ongelukken met zware olie of chemische stoffen, mogelijk door extern gefinancierde projecten;
·responstechnologieën en -uitrusting en andere operationele middelen, met name geïntegreerde surveilancesensoren, modellering van olievlekverspreiding en besluitondersteuningsinstrumenten.
|
|
CP
|
|
In uitvoering
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
39
|
C.6
|
Reflectie over en ontwikkeling van een projectvoorstel voor regionale risicobeoordeling inzake gevaarlijke en schadelijke stoffen (HNS).
|
|
CP & Sec
|
|
In uitvoering
|
|
40
|
C.
|
Bevorderen van verder onderzoek naar HNS, onder meer met betrekking tot responstechnologieën, het testen van eigenschappen van HNS en het gedrag van HNS onder andere dan standaardomstandigheden, en de verdere ontwikkeling van besluitondersteuningsinstrumenten en validatie van geavanceerde besluitondersteuningsinstrumenten.
|
|
CP
|
|
In uitvoering
|
|
41
|
C.8
|
Uitwisselen van informatie over nationale systemen voor risicobeoordeling, met inbegrip van sleepdiensten in noodsituaties.
|
Activiteiten wanneer nodig
|
CP
|
|
Nieuw
|
Bijlage I
Actuele Marpol-teksten
Actuele Marpol-teksten van de bijlagen I tot en met VI en Protocol 1
Het Marpol-verdrag bevat regelingen ter voorkoming van door ongelukken en door routineactiviteiten veroorzaakte verontreiniging, die in zes technische bijlagen nader zijn uitgewerkt.
(a)Bijlage I – Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door olie
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 maart 2018 –
Resolutie MEPC.276(70)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Model B van de Aanvulling op het Internationaal certificaat ter voorkoming van verontreiniging door olie)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 januari 2017 –
Resolutie MEPC.266(68)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van voorschrift 12 – Tanks voor olierestanten (oliedrab))
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 januari 2017 –
Resolutie MEPC.265(68)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, IV en V om de toepassing van de milieugerelateerde bepalingen van de Polar Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van Marpol-bijlage I – in werking getreden op 1 maart 2016 –
Resolutie MEPC.256(67)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijziging van voorschrift 43 – Bijzondere vereisten voor het gebruik of vervoer van olie in het Antarctisch gebied)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 januari 2016 –
Resolutie MEPC.248(66)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijziging van Marpol-bijlage I betreffende de verplichte uitrusting met een stabiliteitsinstrument –
MEPC 66/21/Corr.1
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 januari 2016 –
Resolutie MEPC.246(66)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 januari 2015 –
Resolutie MEPC.238(65)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I en II om de RO-Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 oktober 2014 –
Resolutie MEPC.235(65)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van de Modellen A en B van de Aanvulling op het IOPP-certificaat waarin Marpol-bijlage I voorziet)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 augustus 2013 –
Resolutie MEPC.216(63)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (regionale regelingen voor havenontvangstvoorzieningen bedoeld in de Marpol-bijlagen I, II, IV en V)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 augustus 2011 –
Resolutie MEPC.190(60)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (emissiebeheersgebied in het Noord-Amerikaanse Zeegebied)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 augustus 2011 –
Resolutie MEPC.189(60)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (toevoeging van een nieuw hoofdstuk 9 aan Marpol-bijlage I)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 januari 2011 –
Resolutie MEPC.187(59)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van voorschriften 1, 12, 13, 17 en 38 van Marpol-bijlage I, Aanvulling op het IOPP-certificaat en Oliejournaal delen I en II)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 januari 2011 –
Resolutie MEPC.186(59)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (toevoeging van een nieuw hoofdstuk 8 aan Marpol-bijlage I en daaruit voortvloeiende wijzigingen van de Aanvulling op het IOPP-certificaat, Model B)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 december 2008 –
Resolutie MEPC.164(56)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (ontvangstfaciliteiten buiten bijzondere gebieden en lozing van sanitair afval)
Wijzigingen van bijlage I – in werking getreden op 1 augustus 2007 –
Resolutie MEPC.141(54)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van voorschrift 1, aanvulling op voorschrift 12A, daaruit voortvloeiende wijzigingen van het IOPP-certificaat en wijzigingen van voorschrift 21 van de herziene Marpol-bijlage I)
Tekst van Marpol-bijlage I – versie van 1 januari 2007 –
Resolutie MEPC.117(52)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage I)
(b)Bijlage II – Voorschriften voor het beheersen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen die in bulk worden vervoerd
Wijzigingen van Marpol-bijlage II – in werking getreden op 1 september 2017 –
Resolutie MEPC.270(69)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van Marpol-bijlage II – herziene GESAMP-procedure voor de evaluatie van gevaren)
Wijzigingen van bijlage II – in werking getreden op 1 januari 2017 –
Resolutie MEPC.265(68)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, IV en V om de toepassing van de milieugerelateerde bepalingen van de Polar Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage II – in werking getreden op 1 januari 2016 –
Resolutie MEPC.246(66)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage II – in werking getreden op 1 januari 2015 –
Resolutie MEPC.238(65)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I en II om de RO-Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage II – in werking getreden op 1 augustus 2013 –
Resolutie MEPC.216(63)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (regionale regelingen voor havenontvangstvoorzieningen bedoeld in de Marpol-bijlagen I, II, IV en V)
Tekst van Marpol-bijlage II – versie van 1 januari 2007 –
Resolutie MEPC.118(52)
(zoals gewijzigd)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage II)
International Bulk Chemical Code (IBC-code), waaraan uitvoering wordt gegeven door voorschrift 11 van bijlage II – tankschepen gebouwd op of na 1 juli 1986 –
Resolutie MEPC.119(52)
·Wijzigingen van de internationale code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (IBC-code)
·
Resolutie MEPC.225(64)
Wijzigingen van de hoofdstukken 17, 18 en 19 die op 1 juni 2014 in werking zijn getreden
·
BLG.1/Circ.19
Producten die sinds de vaststelling van de gewijzigde IBC-code in 2004 zijn ingedeeld of heringedeeld
·
BLG.1/Corr.1
Producten die sinds de vaststelling van de gewijzigde IBC-code in 2004 zijn ingedeeld of heringedeeld
Bulk Chemical Code (BCH-code), waaraan uitvoering wordt gegeven door voorschrift 11 van bijlage II – tankschepen gebouwd voor 1 juli 1986 –
Resolutie MEPC.144(54)
·Wijzigingen van de code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (BCH-code)
(c)Bijlage III – Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door schadelijke stoffen die op zee worden vervoerd in verpakte vorm
Wijziging van Marpol-bijlage III – (wijziging van het aanhangsel betreffende criteria voor de identificatie van schadelijke stoffen in verpakte vorm), in werking getreden op 1 maart 2016 –
Resolutie MEPC.257(67)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973
Wijzigingen van bijlage III – in werking getreden op 1 januari 2016 –
Resolutie MEPC.246(66)
Tekst van Marpol-bijlage III – versie van 1 januari 2014 –
Resolutie MEPC.193(61)
Tekst van Marpol-bijlage III – versie van 1 januari 2010 –
Resolutie MEPC.156(55)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)
(d)Bijlage IV – Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door sanitair afval van schepen
Wijzigingen van bijlage IV – in werking getreden op 1 september 2017 –
Resolutie MEPC.274(69)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van Marpol-bijlage IV – bijzonder gebied in de Baltische Zee en model van het ISPP-certificaat)
Wijzigingen van bijlage IV – in werking getreden op 1 januari 2017 –
Resolutie MEPC.265(68)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, IV en V om de toepassing van de milieugerelateerde bepalingen van de Polar Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage IV – in werking getreden op 1 januari 2016 –
Resolutie MEPC.246(66)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage IV – in werking getreden op 1 augustus 2013 –
Resolutie MEPC.216(63)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (regionale regelingen voor havenontvangstvoorzieningen bedoeld in de Marpol-bijlagen I, II, IV en V)
Wijzigingen van bijlage IV – in werking getreden op 1 januari 2013 –
Resolutie MEPC.200(62)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (bepalingen inzake bijzondere gebieden en aanwijzing van de Baltische Zee als bijzonder gebied als bedoeld in Marpol-bijlage IV)
·
MEPC 62/24/Corr.1
– bevat verschillende correcties op Resolutie MEPC.200(62)
Wijzigingen van bijlage IV – in werking getreden op 1 december 2008 –
Resolutie MEPC.164(56)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (ontvangstfaciliteiten buiten bijzondere gebieden en lozing van sanitair afval)
Wijzigingen van bijlage IV – in werking getreden op 1 augustus 2007 –
Resolutie MEPC.143(54)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (toevoeging van voorschrift 13 aan Marpol-bijlage IV)
Tekst van Marpol-bijlage IV – versie van 1 augustus 2005 –
Resolutie MEPC.115(51)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage IV)
(e)Bijlage V – Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door vuilnis van schepen
Tekst van Marpol-bijlage V
– versie van 31 december 1988
Wijzigingen van bijlage V – in werking getreden op 1 maart 2018 –
Resolutie MEPC.277(70)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage V – stoffen die schadelijk zijn voor het mariene milieu, en model van het vuilnisjournaal)
Wijzigingen van bijlage V – in werking getreden op 1 januari 2017 –
Resolutie MEPC.265(68)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, IV en V om de toepassing van de milieugerelateerde bepalingen van de Polar Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage V – in werking getreden op 1 januari 2016 –
Resolutie MEPC.246(66)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage V – in werking getreden op 1 augustus 2013 –
Resolutie MEPC.216(63)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (regionale regelingen voor havenontvangstvoorzieningen bedoeld in de Marpol-bijlagen I, II, IV en V)
Wijzigingen van bijlage V – in werking getreden op 1 januari 2013 –
Resolutie MEPC.201(62)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage V)
·
MEPC 62/24/Corr.1
– bevat verschillende correcties op Resolutie MEPC.201(62)
Wijzigingen van bijlage V – in werking getreden op 1 augustus 2005 –
Resolutie MEPC.116(51)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van het aanhangsel bij Marpol-bijlage V)
Wijzigingen van bijlage V – in werking getreden op 1 maart 2002 –
Resolutie MEPC.89(45)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlage V)
Wijzigingen van Marpol-bijlage V – in werking getreden op 1 januari 1997 –
Resolutie MEPC.65(37)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van voorschrift 2 en nieuw voorschrift 9 van bijlage V)
(f)Bijlage VI – Voorschriften ter voorkoming van luchtverontreiniging door schepen
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 januari 2019 –
Resolutie MEPC.286(71)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (om uitvoering te geven aan de emissiebeheersgebieden in de Baltische Zee en de noordoostelijke Noordzeex en wijziging van de bunkerafleveringsbon)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 maart 2018 –
Resolutie MEPC.278(70)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlage VI, gegevensverzamelingssysteem inzake het brandstofolieverbruik van schepen)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 september 2017 –
Resolutie MEPC.271(69)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van voorschrift 13 van Marpol-bijlage VI – registratieverplichtingen inzake de operationele inachtneming van gebieden voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III)
Wijzigingen van Marpol-bijlage VI – in werking getreden op 1 maart 2016 –
Resolutie MEPC.258(67)
·Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van voorschriften 2 en 13 en van de Aanvulling op het IAPP-certificaat)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 januari 2016 –
Resolutie MEPC.247(66)
·Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 maart 2015 –
Resolutie MEPC.251(66)
·Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van voorschriften 2, 13, 19 en 20 en de Aanvulling op het IAPP-certificaat bedoeld in Marpol-bijlage VI en van de certificatie van dual-fuelmotoren volgens de NOx Technische Code 2008)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 augustus 2013 –
Resolutie MEPC.217(63)
·Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (regionale regelingen voor havenontvangstvoorzieningen bedoeld in Marpol-bijlage VI en certificatie van met systemen voor selectieve katalytische reductie uitgeruste scheepsdieselmotoren volgens de NOx Technische Code 2008)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 januari 2013 –
Resolutie MEPC.203(62)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (invoeging van regelingen inzake de energie-efficiëntie van schepen)
·MEPC 62
/24/Corr.1
– bevat verschillende correcties op Resolutie MEPC.203(62)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 januari 2013 –
Resolutie MEPC.202(62)
·Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (aanwijzing van het emissiebeheersgebied n de Caribische Zee)
·MEPC 62
/24/Corr.1
– bevat verschillende correcties op Resolutie MEPC.202(62)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 februari 2012 –
Resolutie MEPC.194(61)
·Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (gewijzigd model van de Aanvulling op het IAPP-certificaat)
Wijzigingen van bijlage VI – in werking getreden op 1 augustus 2011 –
Resolutie MEPC.190(60)
·Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (emissiebeheersgebied in het Noord-Amerikaanse Zeegebied)
Tekst van Marpol-bijlage VI – versie van 1 juli 2010 –
Resolutie MEPC.176(58)
·Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (herziene Marpol-bijlage VI)