EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 6.3.2019
COM(2019) 96 final
2019/0047(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan en tot intrekking van Besluit 9767/17
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft een besluit tot vaststelling van het standpunt dat namens de Unie in de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (SIOFA) voor de periode 2019-2023 moet worden ingenomen in verband met de beoogde vaststelling van instandhoudings- en beheersmaatregelen.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan
De SIOF-overeenkomst heeft met de oprichting van de Vergadering van de partijen tot doel de instandhouding op lange termijn van de visbestanden in het overeenkomstgebied te garanderen en de duurzame ontwikkeling van de visserij te bevorderen. De overeenkomst is op 21 juni 2012 in werking getreden.
De Unie is partij bij de SIOF-overeenkomst, aangezien zij die overeenkomst uit hoofde van Besluit 2008/780/EG van de Raad heeft geratificeerd.
2.2.Vergadering van de partijen bij de SIOFA
De Vergadering van de partijen bij de SIOFA is het lichaam dat opgericht is krachtens de SIOF-overeenkomst en verantwoordelijk is voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het overeenkomstgebied. De Vergadering stelt instandhoudings- en beheersmaatregelen vast om de onder haar bevoegdheid vallende visbestanden optimaal te benutten.
Als lid van de Vergadering van de partijen heeft de Unie inspraak en stemrechten. De Vergadering van de partijen neemt haar besluiten bij consensus.
2.3.Besluiten van de Vergadering van de partijen bij de SIOFA
De Vergadering van de partijen heeft de bevoegdheid om instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de onder haar bevoegdheid vallende visserijen vast te stellen, en die zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen.
Overeenkomstig artikel 8, lid 3, van de SIOF-overeenkomst en voorschrift 12, punt 4, van het reglement van orde van de SIOFA treden de maatregelen in werking 90 dagen na de datum waarop de SIOFA de overeenkomstsluitende partijen ervan in kennis heeft gesteld.
3.Standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de jaarlijkse vergaderingen van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's), wordt momenteel bepaald volgens een tweeledige aanpak. In een besluit van de Raad worden de beginselen en richtsnoeren voor het standpunt van de Unie voor meerdere jaren vastgelegd, waarna het standpunt vóór elke jaarlijkse vergadering wordt aangepast via non-papers van de Commissie, die in de groep van de Raad worden besproken.
Voor de SIOFA is deze aanpak ten uitvoer gelegd bij Besluit 9767/17 van de Raad van 30 mei 2017, waarin het standpunt van de Unie binnen de SIOFA voor de periode 2017-2021 is vastgesteld. Het besluit bevat algemene beginselen en richtsnoeren, maar houdt ook zo veel mogelijk rekening met de specifieke kenmerken van de SIOFA. Daarnaast bevat het de standaardprocedure om elk jaar overeenkomstig het verzoek van de lidstaten het standpunt van de Unie vast te stellen.
Besluit 9767/17 voorziet niet in een herziening van het standpunt van de Unie binnen de SIOFA vóór de jaarlijkse vergadering van 2022. De overgrote meerderheid van de besluiten van de Raad tot vaststelling van het standpunt van de Unie binnen de verschillende ROVB’s waarbij de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, dienen echter te worden herzien vóór de jaarlijkse vergaderingen van 2019 van die ROVB's. Om de samenhang tussen de standpunten van de Unie in alle ROVB's te bevorderen en de tijdsplanning voor de herzieningsprocedures te synchroniseren, is het derhalve passend de herziening van het standpunt van de Unie binnen de SIOFA voor de periode 2019-2023 te vervroegen en Besluit 9767/17 te vervangen.
In Besluit 9767/17 zijn de beginselen en richtsnoeren van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), als vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, opgenomen, met inachtneming van de doelstellingen die zijn bepaald in de mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het GVB. Voorts is in het besluit het standpunt van de Unie aangepast aan het Verdrag van Lissabon.
Bij de huidige herziening wordt, in verband met de impact van de visserij, rekening gehouden met de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie, met de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie over internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen en met de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van "de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst".
Het begrip "handelingen met rechtsgevolgen" omvat handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen ook instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar wel een "beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de EU vaststelt".
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
De Vergadering van de partijen bij de SIOFA is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, te weten de SIOF-overeenkomst.
De door de Vergadering van de partijen aan te nemen handelingen zijn handelingen met rechtsgevolgen. De beoogde handelingen zijn uit hoofde van het volkenrecht bindend overeenkomstig artikel 8 van de SIOF-overeenkomst en kunnen beslissende invloed hebben op de inhoud van de EU-wetgeving, waaronder:
·Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen;
·Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen; en
·Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten.
De beoogde handelingen strekken niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de SIOF-overeenkomst.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een krachtens artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Wanneer die handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het krachtens artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op visserij. Verordening (EU) nr. 1380/2013 vormt de rechtsgrond voor de beginselen die in dit standpunt moeten worden weerspiegeld.
De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 43, lid 2, VWEU. Het besluit dient ter vervanging van Besluit 9767/17.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit is artikel 43, lid 2, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
2019/0047 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan en tot intrekking van Besluit 9767/17
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Bij Besluit 2008/780/EG van de Raad van 29 september 2008 heeft de Unie de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan ("de SIOF-overeenkomst") gesloten, waarbij de Vergadering van de partijen bij de SIOFA is opgericht.
(2)De Vergadering van de partijen bij de SIOFA is verantwoordelijk voor het beheer en de instandhouding van de visbestanden in het SIOF-overeenkomstgebied. Dergelijke maatregelen kunnen voor de Unie bindend worden.
(3)In Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad is bepaald dat de Unie er borg voor moet staan dat de activiteiten in het kader van de visserij en de aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam op lange termijn zijn en worden beheerd op een manier die strookt met de doelstellingen voordelen te realiseren op economisch en sociaal gebied en op het gebied van werkgelegenheid, alsmede bij te dragen tot de beschikbaarheid van voedselvoorraden. De verordening bepaalt eveneens dat de Unie de voorzorgsbenadering moet toepassen bij het visserijbeheer en ernaar moet streven dat de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en gehouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Voorts is bepaald dat de Unie moet streven naar beheers- en instandhoudingsmaatregelen die gebaseerd zijn op het beste beschikbare wetenschappelijke advies, de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis en wetenschappelijk advies moet ondersteunen, teruggooi geleidelijk moet uitbannen en visserijmethoden moet stimuleren die bijdragen tot meer selectieve visserij, tot het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van ongewenste vangsten en tot visserij met een lage impact op het mariene ecosysteem en de visbestanden. Daarnaast is in Verordening (EU) nr. 1380/2013 specifiek bepaald dat de Unie deze doelstellingen en beginselen moet toepassen bij haar externe betrekkingen op visserijgebied.
(4)Zoals tot uiting kwam in de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, is het stimuleren van maatregelen die de doeltreffendheid van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ondersteunen en versterken en die, indien van toepassing, hun governance verbeteren, cruciaal bij de werkzaamheden van de Unie in deze fora.
(5)In de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie wordt verwezen naar specifieke maatregelen om kunststoffen en mariene verontreiniging terug te dringen en het verlies of achterlaten van vistuig op zee tegen te gaan.
(6)Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Vergadering van de partijen bij de SIOFA voor de periode 2019-2023, aangezien de door de jaarlijkse vergadering van de Vergadering van de partijen goedgekeurde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen bindend zullen zijn voor de Unie en mogelijk een beslissende invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van het recht van de Unie, met name Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad, Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad.
(7)Besluit 9767/17 van de Raad voorziet niet in een herziening van het standpunt van de Unie binnen de Vergadering van de partijen vóór de jaarlijkse vergadering van 2022. De overgrote meerderheid van de besluiten van de Raad tot vaststelling van het standpunt van de Unie binnen de verschillende ROVB's waarbij de Unie verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, dienen echter te worden herzien vóór de jaarlijkse vergaderingen van 2019 van die ROVB's. Om de samenhang tussen het standpunt van de Unie in alle ROVB's te bevorderen en het herzieningsproces te stroomlijnen, is het derhalve passend de herziening van Besluit 9767/17 van de Raad te vervroegen en dat besluit in te trekken en te vervangen door een nieuw besluit voor de periode 2019-2023.
(8)In het licht van de steeds veranderende aard van de visbestanden in het SIOF-overeenkomstgebied en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe wetenschappelijke en andere relevante gegevens die voor of tijdens de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de SIOFA worden gepresenteerd, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie voor de periode 2019-2023 procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is neergelegd,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan (SIOFA), is opgenomen in bijlage I.
Artikel 2
De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie in de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de SIOFA moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.
Artikel 3
Het in bijlage I uiteengezette standpunt van de Unie wordt uiterlijk vóór de jaarlijkse vergadering van de Vergadering van de partijen bij de SIOFA in 2024 door de Raad getoetst en, waar passend, op voorstel van de Commissie door hem herzien.
Artikel 4
Besluit 9767/17 van 30 mei 2017 wordt ingetrokken.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 6.3.2019
COM(2019) 96 final
BIJLAGEN
bij
voorstel voor een besluit van de Raad
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan en tot intrekking van Besluit 9767/17
BIJLAGE I
1.BEGINSELEN
In het kader van de SIOFA moet de Unie:
a) handelen in overeenstemming met de doelstellingen en beginselen die zij in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) nastreeft, met name door middel van de voorzorgsaanpak en de doelstellingen in verband met de maximale duurzame opbrengst, zoals neergelegd in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, om de uitvoering van een op het ecosysteem gebaseerde aanpak van het visserijbeheer te bevorderen, om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken en de teruggooi geleidelijk uit te bannen, om de impact van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te beperken en om door het bevorderen van een economisch levensvatbare en concurrerende visserijsector in de Unie te zorgen voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en daarbij rekening te houden met de belangen van de consumenten;
b) werken aan een passende betrokkenheid van de belanghebbenden bij de voorbereidingsfase van SIOFA-maatregelen en erop toezien dat de in de Vergadering van de partijen bij de SIOFA goedgekeurde maatregelen in overeenstemming zijn met de SIOF-overeenkomst;
c) erop toezien dat de in de SIOFA goedgekeurde maatregelen consistent zijn met het internationaal recht en met name met de bepalingen van het VN-Verdrag inzake het recht van de zee van 1982, de VN-Overeenkomst betreffende de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden van 1995, de Overeenkomst om de naleving van de internationale instandhoudings- en beheersmaatregelen door vissersvaartuigen op de volle zee te bevorderen van 1993 en de Overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van de Voedsel- en Landbouworganisatie van 2009;
d) aansturen op standpunten die consistent zijn met de beste praktijken van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in hetzelfde gebied;
e) streven naar samenhang en synergie met het beleid dat de Unie voert in het kader van haar bilaterale visserijrelaties met derde landen, en zorgen voor coherentie met haar ander beleid, met name inzake buitenlandse betrekkingen, werkgelegenheid, milieu, handel, ontwikkeling, onderzoek en innovatie;
f)erop toezien dat de internationale verbintenissen van de Unie worden nagekomen;
g) zich voegen naar de conclusies van de Raad van 19 maart 2012 over de mededeling van de Commissie inzake de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid;
h) ernaar streven dat voor de vloot van de Unie binnen het SIOF-overeenkomstgebied gelijke voorwaarden gelden, op basis van de beginselen en normen die ook uit hoofde van het recht van de Unie worden gehanteerd, en zich inzetten voor de eenvormige uitvoering van die beginselen en normen;
i) zich voegen naar de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie "Internationale oceaangovernance: een agenda voor de toekomst van onze oceanen" en naar de conclusies van de Raad over die gezamenlijke mededeling, en maatregelen stimuleren die de doeltreffendheid van de Vergadering van de partijen bij de SIOFA ondersteunen en versterken en die, zo nodig, haar governance en prestaties verbeteren (met name op het gebied van wetenschap, naleving, transparantie en besluitvorming), als bijdrage aan duurzaam oceaanbeheer in al zijn aspecten;
j) ijveren voor coördinatie tussen ROVB's en regionale zeeverdragen (RZV's) en samenwerking met mondiale organisaties, naargelang van het geval, binnen hun mandaten, waar passend;
k)samenwerkingsmechanismen tussen niet-tonijn-ROVB's stimuleren, vergelijkbaar met het zogenaamde "proces van Kobe" voor tonijn-ROVB's.
2.RICHTSNOEREN
De Unie zet zich waar passend in om ervoor te zorgen dat de Vergadering van de partijen bij de SIOFA werk maakt van de volgende acties:
a) instandhoudings- en beheersmaatregelen voor in het overeenkomstgebied voorkomende visbestanden op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met inbegrip van totale toegestane vangsten (TAC's – total allowable catches), quota en regulering van de visserijinspanning of vangstcapaciteit voor de levende biologische rijkdommen van de zee die door de SIOFA worden gereguleerd, waarmee die bestanden uiterlijk in 2020 op het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst worden gebracht of gehouden. Indien nodig worden specifieke maatregelen voor overbeviste bestanden overwogen, teneinde de visserijdruk te laten sporen met de beschikbare vangstmogelijkheden;
b) maatregelen ter voorkoming, afschrikking en uitbanning van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten (IOO-activiteiten) in het SIOF-overeenkomstgebied, met inbegrip van plaatsing op de IOO-lijst;
c) monitoring-, controle- en bewakingsmaatregelen in het SIOF-overeenkomstgebied met het oog op efficiënte controle en naleving van de in de Vergadering van de partijen bij de SIOFA goedgekeurde maatregelen;
d) maatregelen om het negatieve effect van visserijactiviteiten op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen en hun habitats zo veel mogelijk te verminderen, met inbegrip van maatregelen om de vervuiling van het mariene milieu te verminderen, het lozen van kunststoffen op zee te voorkomen en de impact van in de zee aanwezige kunststoffen op de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen te verkleinen, en beschermende maatregelen voor kwetsbare mariene ecosystemen in het SIOF-overeenkomstgebied in overeenstemming met de SIOF-overeenkomst en de internationale richtsnoeren van de FAO voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, evenals maatregelen om ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, met name als het om kwetsbare mariene soorten gaat, en om de teruggooi geleidelijk uit te bannen;
e)maatregelen om de impact van op zee achtergelaten, verloren of anderszins weggegooid vistuig te temperen en de identificatie en inzameling van dat vistuig te vergemakkelijken;
f) maatregelen die visserij die enkel bedoeld is om haaienvinnen te verkrijgen, verbieden en op grond waarvan bij de aanlanding van haaien alle vinnen nog op natuurlijke wijze aan het lichaam van de haai moeten vastzitten;
g)waar passend gemeenschappelijke benaderingen met andere ROVB's, in het bijzonder met die ROVB's die betrokken zijn bij het visserijbeheer in hetzelfde gebied;
h) aanbevelingen, waar passend en voor zover toegestaan krachtens de desbetreffende oprichtingsdocumenten, tot aanmoediging van de uitvoering van het Verdrag betreffende werk in de visserijsector van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO);
i)aanvullende technische maatregelen op basis van advies van de ondersteunende organen en de werkgroepen van de SIOFA.
BIJLAGE II
Jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie moet innemen
in de vergaderingen van de Vergadering van de partijen bij de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan
Vóór elke vergadering van de Vergadering van de partijen worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie vaststelt, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren.
Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de Vergadering van de partijen bij de SIOFA, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het namens de Unie in te nemen standpunt toe aan de Raad of zijn voorbereidende instanties, teneinde deze in staat te stellen de nadere bijzonderheden van dit standpunt te bespreken en goed te keuren.
Indien tijdens een vergadering van de Vergadering van de partijen, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het door de Unie in te nemen standpunt, wordt de zaak voorgelegd aan de Raad of zijn voorbereidende instanties.