|
31.3.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 106/1 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de duurzame economie die we nodig hebben
(initiatiefadvies)
(2020/C 106/01)
|
Rapporteur: |
Peter SCHMIDT (DE/II) |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
24.1.2019 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 32, lid 2, van het reglement van orde |
|
|
Initiatiefadvies |
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
27.11.2019 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
23.1.2020 |
|
Zitting nr. |
549 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
100/8/9 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC onderstreept dat de Europese Unie (EU) zich er onverdeeld toe heeft verbonden de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de 17 bijbehorende duurzameontwikkelingsdoelstellingen (Sustainable Development Goals — SDG’s) ten uitvoer te leggen. Om dit doel naar behoren te kunnen verwezenlijken, moet de EU dringend de fundamenten leggen voor een duurzame en inclusieve, welzijnsgerichte economie die werkt voor iedereen. |
|
1.2. |
De visie op sociale vooruitgang die alleen berust op het streven naar groei van het bruto binnenlands product (bbp) gaat voorbij aan belangrijke aspecten van individueel en maatschappelijk welbevinden en houdt onvoldoende rekening met sociale en milieuoverwegingen. |
|
1.3. |
Het EESC zou graag zien dat de EU met een nieuwe visie op welvaart voor mens en milieu komt die stoelt op de beginselen van milieuduurzaamheid, het recht op een fatsoenlijk leven en de bescherming van sociale waarden. De basis voor deze visie wordt gelegd door de economie. |
|
1.4. |
De welzijnsgerichte economie moet ecosystemen beschermen, de biodiversiteit in stand houden en zorgen voor een rechtvaardige transitie naar een klimaatneutrale levenswijze in de hele EU, evenals duurzaam ondernemerschap bevorderen. Onderwijsinstellingen in de EU zullen een belangrijke rol spelen bij het promoten van dergelijke concepten in de samenleving, en zo de manier van denken van de besluitvormers en leiders van morgen beïnvloeden. |
|
1.5. |
Om dit doel te bereiken, is het noodzakelijk dat de fundamentele veranderingen die zich nu al beginnen af te tekenen in de aard van ondernemerschap, de organisatie van werk, de rol van investeringen en de structuur van het geldsysteem, worden ondersteund. |
|
1.6. |
Als eerste stap op weg naar een welzijnsgerichte economie moet een voorzorgsbenadering worden omarmd waarbij macro-economische stabiliteit niet afhankelijk is van groei van het bbp. Het EESC stelt voor om nieuwe indicatoren voor economische prestaties en sociale vooruitgang te ontwikkelen die meer behelzen dan alleen het bbp. |
|
1.7. |
Ook stelt het voor om een “kader voor levensstandaarden” vast te stellen en een welzijnsbegroting voor de EU in te voeren, zoals ook elders al is gebeurd. |
|
1.8. |
Averechts werkende subsidies moeten worden afgeschaft en alle overheidsuitgaven in de EU en haar lidstaten moeten worden afgestemd op het bereiken van klimaatneutraliteit. |
|
1.9. |
Er moet een Europees groen en sociaal pact in het leven worden geroepen om de grootschalige investeringen bijeen te brengen die nodig zijn voor een rechtvaardige transitie naar een klimaatneutrale economie en voor het creëren van kwaliteitsvolle banen voor alle bevolkingsgroepen. |
|
1.10. |
Het EESC verzoekt de Commissie en de lidstaten om groene belastinghervormingen door te voeren om belastingen, subsidies en predistributief beleid op elkaar af te stemmen met het oog op een rechtvaardige transitie naar een welzijnsgerichte economie, met name door de bestaande wetgeving te handhaven. |
|
1.11. |
Het EESC stelt voor om iets aan de groeiafhankelijkheid van de EU-lidstaten te doen en een strategie uit te stippelen voor een EU-economie die gericht is op duurzaam en inclusief welbevinden. Het beveelt ook aan de fiscale en monetaire regels van de EU te herzien om ervoor te zorgen dat zij de transitie naar een klimaatneutrale economie kunnen helpen bewerkstelligen. |
|
1.12. |
Alle bestaande beleidsmaatregelen en begrotingsgerelateerde/financiële kaders en instrumenten van de EU (zoals het meerjarig financieel kader, het Europees Semester en de agenda voor betere regelgeving) moeten dringend worden afgestemd op een rechtvaardige transitie naar een welzijnsgerichte economie. |
|
1.13. |
Het EESC stelt voor om het stabiliteits- en groeipact en de jaarlijkse groeianalyse aan te passen, om ervoor te zorgen dat de welzijnsgerichte economie volledig in overeenstemming is met de SDG’s en de Europese pijler van sociale rechten. |
|
1.14. |
De recente verklaring van de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, in Brussel over een Europese Green Deal, evenals haar toespraak tijdens de COP25 in Madrid in december en Commissiemededeling COM(2019) 640 final van 11 december 2019, die het EESC in een toekomstig advies nog uitgebreid onder de loep zal nemen, bieden hoop dat de voorstellen van het EESC in het onderhavige advies in goede aarde zullen vallen. |
2. Inleiding
|
2.1. |
De EU heeft zich onverdeeld verbonden tot de tenuitvoerlegging van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de 17 bijbehorende SDG’s die de VN in september 2015 is overeengekomen (1). De hele Agenda 2030 draait om de erkenning van het feit dat onze huidige en toekomstige welvaart binnen de grenzen moet blijven van de biosfeer waarin wij leven. De huidige consumptie- en productiepatronen gaan de grenzen van onze planeet ver te buiten. |
|
2.2. |
De economie moet geworteld zijn in duidelijke beginselen die zowel ons verlangen naar een betere wereld als onze wetenschappelijke kennis van de planeet waarop wij leven weerspiegelen. Op een aangetaste planeet kan men niet leven, niet werken en niet ondernemen (2). Alles komt op losse schroeven te staan als complete bevolkingsgroepen door de transitie buiten de boot vallen of als gewone burgers zich vervreemd voelen. |
|
2.3. |
De financiële crisis van 2008 heeft diepe sporen achtergelaten in de samenleving en heeft onze economie ingrijpend veranderd. Het macro-economisch beleid dat tot de crisis heeft geleid, gaf prioriteit aan financiële deregulering om de economische groei te stimuleren, maar deze beperkte focus op de groei van het bbp heeft geresulteerd in financiële instabiliteit en toenemende ongelijkheid. |
|
2.4. |
Bovendien hebben migratie, economische ongelijkheden en andere uitdagingen in sommige lidstaten geleid tot een verlies van vertrouwen van de burgers in het Europese project en een toename van nationalisme en populisme, wat nu de democratische waarden teniet dreigt te doen en de sociale en politieke stabiliteit dreigt te ondermijnen. |
|
2.5. |
Dit advies is bedoeld om de fundamenten te leggen voor een duurzame en inclusieve, welzijnsgerichte economie voor Europa (3). Eerst worden de uitdagingen voor het huidige systeem geanalyseerd en vervolgens worden er duidelijke fundamenten voorgesteld voor een economie die werkt voor zowel mens als planeet. Er worden concrete aanbevelingen voor de nieuwe Europese Commissie en het Europees Parlement geformuleerd op gebieden waar prioritaire actie geboden is om dit doel te bereiken. |
3. Uitdagingen — analyse van de huidige situatie
|
3.1. |
De wereld staat momenteel voor nooit eerder geziene uitdagingen. De mondiale noodsituatie op klimaatgebied, het catastrofale verlies aan biodiversiteit en de vervuiling van lucht, water en bodem trekken een zware wissel op toekomstige welvaart, niet alleen in Europa maar ook in de rest van de wereld. Ondanks enkele positieve ontwikkelingen en actie op EU-niveau vormt dit alles een onmiddellijke bedreiging voor de volksgezondheid en de levensvatbaarheid van onze voedselketens en landbouwsystemen (4). |
|
3.2. |
Vandaag welvaart genieten heeft weinig te betekenen als dit ten koste gaat van ons voortbestaan in de toekomst. Het bbp is een verkeerde maatstaf voor succes, wanneer de effecten van de groei leiden tot onomkeerbare en catastrofale veranderingen in de staat van ons klimaat, onze bodem, bossen, rivieren en oceanen. |
|
3.3. |
De toenemende omvang van de economische output heeft geleid tot een groeiende wereldwijde consumptie van materiële middelen en energiebronnen en heeft gezorgd voor gevaarlijke antropogene effecten op zowel lokale als mondiale ecosystemen (5). In hun verslag van 2019 over mondiale risico’s komen de deelnemers aan het Economisch Wereldforum tot de conclusie dat milieurisico’s tot de grootste bedreigingen voor de mondiale economie en samenleving behoren (6). |
|
3.4. |
Haperende groei van de arbeidsproductiviteit en aanhoudende ongelijkheid zorgen ervoor dat de toekomst van de economie van de EU nog steeds hoogst onzeker is. Dit is slechts ten dele te wijten aan de financiële crisis. Het trendmatige percentage van productiviteitsgroei in alle OESO-landen is van minstens 4 % in het begin van de jaren 70 teruggevallen tot minder dan 1 % vandaag, met een “langdurige stagnatie” van het gemiddelde groeipercentage in ontwikkelde economieën tot gevolg (7). |
|
3.5. |
Op EU-niveau genomen maatregelen om deze afname aan te pakken, hebben geleid tot grotere ongelijkheden qua inkomen en welvaart en onhoudbare schuldenlasten. De rijkste 5 % van Europeanen heeft nu bijna 40 % van het totale privévermogen in handen. De armoede onder werkenden is sinds 2010 met 15 % toegenomen, waardoor nu bijna 10 % van de Europese werknemers in de categorie “werkende armen” valt. Bijna een vierde van onze kinderen en jongeren leeft in armoede of dreigt daarin terecht te komen en miljoenen jongeren kunnen geen fatsoenlijk werk vinden, waardoor zij niet de stap naar het volwassen leven kunnen zetten (8). |
|
3.6. |
Technologische doorbraken op het gebied van automatisering en kunstmatige intelligentie (artificial intelligence — AI) kunnen de dalende groei van de arbeidsproductiviteit ombuigen. De potentiële voordelen blijven echter moeilijk te definiëren op macro-economisch niveau. Toename van de “marginale productiviteit” komt ten goede aan de aandeelhouders van grote bedrijven en niet aan de werknemers, met een verstoring van het sociaal contract, toenemende ongelijkheid en gebrek aan vertrouwen in de overheid bij het publiek tot gevolg. Het keren van deze trend via het belasting- en loonbeleid is essentieel om voor een eerlijker verdeling van de economische voordelen te zorgen. |
|
3.7. |
Nieuwe duurzame technologieën kunnen gemeenschappen die door jaren van onvoldoende investeringen achterop zijn geraakt, weer nieuw leven inblazen en het maatschappelijk welbevinden verbeteren. Maar eenzijdige focus op arbeidsproductiviteitsgroei zonder de nodige aandacht voor de sociale en milieugevolgen ervan zou kleinere bedrijven uit de markt kunnen drukken, tot stijgende werkloosheid kunnen leiden en ongelijkheid kunnen verergeren (9). |
|
3.8. |
De EU loopt al voorop met de welzijnsgerichte economie, zoals blijkt uit de conclusies van de Raad van oktober 2019 over de “economie van het welzijn” (10). Het EESC erkent dat de welzijnsgerichte economie in staat moet zijn om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en welvaart te waarborgen, ook in geval van geringe of geen groei, zoals in een economische recessie of bij gestage stagnatie. |
4. Visie en beginselen
|
4.1. |
Streven naar een welzijnsgerichte economie betekent de welvaartsgedachte combineren met de mogelijkheid van sociale vooruitgang, binnen de grenzen van de planeet. Dit houdt in dat we duidelijker moeten definiëren wat vooruitgang ons moet opleveren en dat we de fundamenten moeten leggen voor een economie die op duurzaamheid is gebaseerd. Het uitgangspunt is een betekenisvolle en levensvatbare visie op welvaart voor mens en milieu. |
|
4.2. |
Welvaart is niet simpelweg een kwestie van productie of inkomen; het is een begrip dat duidelijker kan worden gedefinieerd als de mogelijkheden die mensen hebben om tot ontplooiing te komen en hun volledige potentieel te benutten (11). De welzijnsgerichte economie moet burgers overal ter wereld de mogelijkheden bieden om als mens te gedijen, binnen de ecologische grenzen van een planeet die beperkingen kent. |
|
4.3. |
De SDG’s en met name de drie pijlers van duurzame ontwikkeling — de milieu-, de economische en de sociale pijler — vormen hiervoor de basis. |
|
4.4. |
De milieupijler heeft te maken met de beperkingen van het milieu en de hulpbronnen — de “veilige werkruimte” — waarbinnen alle menselijke activiteiten moeten plaatsvinden. Het Stockholm Resilience Centre heeft negen “grenzen van onze planeet” vastgesteld die de mensheid niet mag overschrijden als zij zich nog vele generaties lang wil blijven ontwikkelen en wil gedijen (12). |
|
4.5. |
De economische pijler heeft betrekking op ondernemerschap, werk voor een fatsoenlijk loon en een investeringsbeleid dat zorgt voor een fatsoenlijk leven en levensonderhoud. Ondernemerschap speelt hierin een essentiële rol. Ondernemen moet alle burgers de elementaire middelen kunnen verstrekken om in hun basisbehoeften aan levensonderhoud, voeding, schoon water, betaalbare energie, gezondheid en onderwijs te voorzien. |
|
4.6. |
Dit gaat verder dan de vaststelling van minimale materiële voorwaarden en vergt ook bijzondere aandacht voor sociale rechtvaardigheid. In de welzijnsgerichte economie moet zorgvuldig rekening worden gehouden met de belangen van alle geledingen van de samenleving en moet specifieke aandacht worden besteed aan degenen die bij deze transitie wellicht nog verder achterop raken. Werknemers uit de hele EU hebben met terechte bezorgdheid gewezen op de noodzaak van een rechtvaardige transitie waarbij de kosten en baten eerlijk worden verdeeld onder de verschillende sociale groepen, sectoren en regio’s — alsook onder de huidige en toekomstige generaties (13). |
|
4.7. |
De sociale pijler betreft de kwaliteit van onze samenleving en het recht van individuen op een eerlijke en op gelijke voorwaarden gebaseerde deelname daaraan. Hoewel participatie vaak wordt ondergewaardeerd en in monetaire evaluaties soms volledig buiten beschouwing wordt gelaten, staat vast dat geen enkele economie doeltreffend kan functioneren zonder burgerparticipatie. |
|
4.8. |
Door burgers hoofdzakelijk als individuele consumenten te beschouwen moeten mensen de verantwoordelijkheid voor hun keuzes dragen zonder dat zij over toegankelijke of betaalbare alternatieven beschikken (14). Dat het sociale leven wordt gecommercialiseerd en ultra-individualisme wordt toegejuicht, heeft het sociale weefsel aangetast en bijgedragen tot politieke instabiliteit in Europa. |
|
4.9. |
De EU en de lidstaten zouden zou hiertegen in het geweer moeten treden met beleidsmaatregelen, vindt het EESC. Een krachtiger sociale solidariteit zal ook de democratie ten goede komen. De bezorgdheid van de burger over de slechte staat van het klimaat, sociale onrechtvaardigheid en financieel wangedrag laat zich nu in nieuwe en urgentere vormen voelen. Een voorbeeld hiervan zijn de schoolstakingen voor het klimaat en andere sociale bewegingen. |
|
4.10. |
Kortom, in een welzijnsgerichte economie moet het cruciale belang van sociale waarden worden erkend en de veerkracht van burgers worden ondersteund. |
5. Fundamenten voor de welzijnseconomie
|
5.1. |
In dit advies wordt ingegaan op de ingrijpende veranderingen die nodig zijn op vier specifieke onderdelen van het economisch systeem om een welzijnsgerichte economie tot stand te brengen. Het gaat hier om een nieuwe rol voor het bedrijfsleven, een nieuwe invulling en betere kwaliteit van werk, herstructurering van de investeringen en hervorming van het geldsysteem. In de volgende paragrafen worden deze vier onderdelen toegelicht. |
5.2. Een nieuwe rol voor het bedrijfsleven
|
5.2.1. |
Het bedrijfsleven speelt een belangrijke rol in de totstandbrenging van een welzijnsgerichte economie. We zien dat de lineaire processen van productie en consumptie waarop bedrijven van oudsher waren gebaseerd, in nieuwe bedrijfsmodellen al geleidelijk aan worden vervangen. |
|
5.2.2. |
In de circulaire economie wordt bijvoorbeeld nadruk gelegd op hergebruik en revisie van producten, herontwerp van productieprocessen en recycling van grondstoffen (15). In de coöperatieve en deeleconomie wordt gestreefd naar meer gedeeld gebruik van goederen, waardoor goederen beter worden benut en er minder nieuwe goederen moeten worden geproduceerd (16). In de platformeconomie komen nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe vormen van werkgelegenheid voor (17). |
|
5.2.3. |
Deze nieuwe vormen van economische bedrijvigheid bieden nieuwe mogelijkheden op het vlak van werkgelegenheid, eigendom en innovatie. Zij kunnen de relatie tussen producenten, distributeurs en consumenten zo ingrijpend veranderen dat er ook in traditionele sectoren krachtiger lokale economieën ontstaan met een eerlijkere verdeling van eigendom en voordelen (18). |
|
5.2.4. |
Ondernemerschap ontstaat waar mensen zich inzetten voor elkaar en voor de samenleving. Economische groei is in het gunstigste geval een middel om welvaart te bereiken en geen doel op zich, en de consumptie van materiële goederen is alleen waardevol voor zover hiermee wordt voorzien in de diensten die mensen nodig hebben om te overleven en te gedijen. |
|
5.2.5. |
Zelfs onze belangrijkste materiële basisbehoeften kunnen beter worden beschouwd in het licht van de dienst die zij ons verlenen dan in termen van geproduceerde hoeveelheden. Het concept van energievoorziening als de basis voor nutsbedrijven begint bijvoorbeeld al plaats te maken voor het concept van energiediensten (19). Ook op gebieden als vervoer, huisvesting, communicatie, voeding en zelfs productie wordt al voor een dergelijke benadering gekozen. |
|
5.2.6. |
De landbouw- en voedingsmiddelensector van de EU vervult een cruciale rol op dit gebied. Door de gemeenschap ondersteunde landbouw, korte toeleveringsketens, alternatieve voedselvoorzieningsketens, lokale landbouw en coöperaties voor directe verkoop en consumentencoöperaties hebben het potentieel om te voorzien in collectieve goederen, voedselzekerheid, sociale bescherming en duurzame productie (20). |
|
5.2.7. |
Om de capaciteit voor duurzaam ondernemen in de EU te ondersteunen, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de voorwaarden waaronder goederen en diensten met de rest van de wereld worden verhandeld. |
|
5.2.8. |
De opvatting van ondernemen als vorm van dienstverlening, in plaats van een manier om in onze materiële behoeften te voorzien, betekent dat we de bedrijven die het meeste bijdragen aan onze gezamenlijke welvaart moeten koesteren. In sectoren als de gezondheidszorg, maatschappelijk werk, onderwijs, renovatie, de culturele en creatieve sector en de ambachtsnijverheid is intrinsiek minder materiaal en energie nodig dan in winnings- of productiesectoren en wordt rechtstreeks bijgedragen tot een betere kwaliteit van leven. Deze transitie is een forse, maar essentiële uitdaging voor de samenleving. |
5.3. Een nieuwe invulling van werk
|
5.3.1. |
Werk is meer dan alleen een middel van bestaan. Fatsoenlijk werk zorgt voor respect, motivatie, ontplooiing, betrokkenheid bij de gemeenschap en in het gunstigste geval een besef van betekenis en doel in het leven. |
|
5.3.2. |
De realiteit is soms een heel ander verhaal. Veel mensen zitten vast in banen van lage kwaliteit met onzekere lonen. De jeugdwerkloosheid in Europa bedraagt gemiddeld ruim 14 % en in delen van Zuid-Europa ligt het percentage zelfs boven de 40 % (21). Deze enorme verkwisting van menselijk potentieel is fnuikend voor de creativiteit van werknemers en dreigt de welvaart te ondermijnen. De gevolgen hiervan op de lange termijn zijn ronduit rampzalig. |
|
5.3.3. |
Op diensten gebaseerde activiteiten zijn vaak arbeidsintensief, omdat het de tijd is die mensen besteden aan (bijvoorbeeld) zorg of ambachtsnijverheid die economische waarde creëert voor de samenleving. Een belangrijk voordeel van de verschuiving naar diensten zou dan ook zijn dat er een arbeidsintensievere economie ontstaat, die tegenwicht biedt tegen de arbeidsonzekerheid in deze sectoren, meer werkgelegenheid mogelijk maakt en banen terugbrengt in de reële economie (22). |
|
5.3.4. |
Profiteren van dit dubbele dividend (meer werkgelegenheid en minder milieueffecten) kan betekenen dat een lagere groei van de arbeidsproductiviteit, met name in sectoren (zoals de zorg) waar het streven naar productiviteitsgroei een streep zet door de kwaliteit van de dienstverlening, nadelig kan zijn voor de werkervaring. |
|
5.3.5. |
Een economie met een lagere arbeidsproductiviteitsgroei heeft de neiging een neerwaartse druk uit te oefenen op de lonen, tenzij dit wordt tegengegaan door de bescherming die werknemers genieten. Beleid ter ondersteuning van werk in arbeidsintensieve sectoren die hoogwaardige diensten leveren, is daarom van cruciaal belang. |
|
5.3.6. |
Ook goed basisonderwijs, hoogwaardige en doelgerichte opleidingen, levenslang leren, bijscholing en omscholing en digitalisering zullen nodig zijn om de arbeidskansen van de toekomst te benutten en een welzijnsgerichte economie te bevorderen. |
|
5.3.7. |
Daarbij kunnen onder meer de volgende specifieke beleidsmaatregelen en verdere werkzaamheden voor het EESC in overweging genomen worden: meer vertegenwoordiging van werknemers in de raad van bestuur van ondernemingen, de invoering van een recht op werk of “werkgarantie”, een universeel basisinkomen, universele basisdiensten en een maximuminkomen. |
|
5.3.8. |
Het EESC herhaalt zijn oproep om een bindend Europees kader voor een fatsoenlijk minimuminkomen in Europa in te voeren en om het mogelijk te maken dat de minimuminkomensregelingen in de lidstaten over de hele linie worden uitgebreid (23). |
5.4. Herstructurering van de investeringen
|
5.4.1. |
Een nieuwe invulling geven aan ondernemerschap en werk is onmogelijk zonder investeringen op de schop te nemen, die de basis vormen voor duurzame welvaart. Wanneer particuliere investeringen merendeels zijn gericht op winstbejag en speculatieve beleggingen, dan raakt de productieve relatie tussen heden en toekomst fundamenteel verstoord, met destabilisatie van de economie en ondermijning van de welvaart tot gevolg. |
|
5.4.2. |
Duurzame investeringen in gemeenschappen, openbare ruimten, gezondheidszorg, onderwijs, sociale dienstverlening, koolstofvrije huisvesting en infrastructuur en in de bescherming en het herstel van de biodiversiteit zijn van essentieel belang om een welzijnsgerichte economie tot stand te brengen die voor iedereen werkt en in overeenstemming is met de SDG’s. |
|
5.4.3. |
Om binnen uiterlijk drie decennia een klimaatneutrale economie te bereiken, is een grootschalige vernieuwing van onze energiesystemen, vervoersinfrastructuur en productieprocessen nodig. Naar schatting zal hiervoor ongeveer 300 miljard EUR aan jaarlijkse investeringen gedurende de komende twaalf jaar nodig zijn (24). |
|
5.4.4. |
Ongeveer de helft van deze investeringen zal worden gebruikt ter bevordering van de energie-efficiëntie van gebouwen, hetgeen kostenbesparingen oplevert en mogelijkheden biedt voor rendabele particuliere investeringen. Het EESC erkent dat toonaangevende bedrijven en investeerders deze mogelijkheden nu al ontwikkelen. Het is van cruciaal belang dat het EU-beleid dit leiderschap ondersteunt en beloont. |
|
5.4.5. |
Wat met name van belang is, is het scheppen van de juiste randvoorwaarden om ervoor te zorgen dat particuliere en publieke besparingen worden aangewend voor de duurzame investeringen op lange termijn die nodig zijn om tot een duurzame economie te komen (25). Prudentiële regelgeving zal van essentieel belang zijn om te voorkomen dat gedrag op de korte termijn de stabiliteit ondermijnt en om een nieuw pakket investeringen in duurzaam welbevinden te belonen. |
|
5.4.6. |
De totstandbrenging van dit nieuwe investeringspakket begint bij een doelmatig financieel stelsel (26). Het is van wezenlijk belang dat gewone mensen beter in staat worden gesteld hun spaargeld op verantwoorde wijze te investeren zodat hun eigen gemeenschap maar ook de wijdere omgeving er baat bij hebben. Er zijn echter ook meer ingrijpende en meer doortastende veranderingen nodig. |
|
5.4.7. |
Het is duidelijk dat alle financiële instellingen die de economie in de EU ondersteunen, waaronder de Europese Centrale Bank, de nationale centrale banken, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, de Europese Investeringsbank en de commerciële banken op nationaal en internationaal niveau, de SDG’s als leidende beginselen in hun investerings- en kredietactiviteiten moeten integreren (27). |
5.5. Hervorming van het geldsysteem
|
5.5.1. |
Het EESC meent dat het tijd is om het monetaire stelsel beter bestand te maken tegen de negatieve gevolgen van kortetermijnspeculatie en ervoor te zorgen dat het geldsysteem zelf de mensen, de planeet en duurzaam ondernemerschap ten goede komt. |
|
5.5.2. |
In geavanceerde kapitalistische economieën wordt geld op drie verschillende manieren gecreëerd: door overheidsuitgaven, door centralebanktransacties en door kredietschepping (schuld) in commerciële financiële instellingen (28). Meer dan 95 % van de geldvoorraad in moderne economieën wordt door commerciële financiële instellingen gecreëerd als schuld. |
|
5.5.3. |
De EU legt de regelgevingsbasis voor alle financiële instellingen in de lidstaten en stelt de monetaire en begrotingsregels vast voor de landen van de eurozone. De Europese Centrale Bank heeft de eindverantwoordelijkheid voor de stabiliteit en veerkracht van de geldvoorraad in de eurozone en heeft soms krachtig ingegrepen om dit te bewerkstelligen (29). |
|
5.5.4. |
Tussen 2015 en eind 2018 heeft de ECB via haar opkoopprogramma 2,6 biljoen EUR in de economie geïnjecteerd om financiële instellingen te ondersteunen, de kredietverlening te stimuleren en de inflatie onder controle te houden. In juni 2019, zes maanden na afloop van het programma, kondigde de president van de ECB, Mario Draghi, aan dat het programma opnieuw zou worden opgestart omdat er sprake zou zijn van “aanhoudend zwak herstel” op de wereldmarkten (30). |
|
5.5.5. |
Artikel 123 van het Verdrag van Lissabon verbiedt de Europese Centrale Bank expliciet om overheidsinstellingen en overheden te financieren, maar “monetaire financiering” — een term waarmee het opkopen van overheidsschuld door de centrale bank wordt aangeduid — was ooit standaardpraktijk in ontwikkelde economieën en wordt nog steeds veelvuldig gebruikt in Japan (31). |
|
5.5.6. |
Er bestaat overtuigend bewijs waaruit blijkt dat grotere staatscontrole over de geldvoorraad zowel publieke als private schulden kan verminderen en de financiële weerbaarheid kan verbeteren (32). Het EESC vindt dat het tijd is om het geldstelsel in Europa te herzien en af te stemmen op de prioriteiten van de overgang naar een duurzame en inclusieve, welzijnsgerichte economie. |
|
5.6. |
Samenvattend kan worden gesteld dat er goede aanwijzingen zijn dat een nieuwe rol voor het bedrijfsleven, een nieuwe invulling van werk, herstructurering van de investeringen en hervorming van het geldsysteem de basis vormen voor een krachtig antwoord op de uitdagingen waarvoor Europa zich nu gesteld ziet. |
|
5.7. |
Innovatie is essentieel om sociale vooruitgang te realiseren, maar voor het opbouwen van een economie die werkt voor iedereen is meer nodig dan alleen technologische innovatie met het oog op hogere arbeidsproductiviteit. Daarvoor moeten we een nieuwe en levensbelangrijke dialoog aangaan over het soort samenleving dat we tot stand willen brengen en moeten we de sociale innovaties in gang zetten die nodig zijn om deze visie te in praktijk te brengen (33). In het laatste deel van dit advies zetten we een aantal voorstellen op een rij die hierbij van pas kunnen komen. |
6. Van visie naar implementatie — beleid voor een andere economie
|
6.1. |
De internationale gemeenschap heeft zich verbonden tot een agenda voor 2030 die ingrijpend, billijk en haalbaar is. De EU heeft zich achter Agenda 2030 geschaard en is vastbesloten vooruitgang te boeken wat de SDG’s betreft. Dit advies wil hieraan een bijdrage leveren. Door zich in te zetten voor de totstandbrenging van een andere economie krijgt de EU een unieke kans om haar visie op sociale vooruitgang bij te stellen, haar economie nieuw leven in te blazen en haar leiderschap op wereldschaal te versterken. |
|
6.2. |
De weg naar een duurzame en inclusieve, welzijnsgerichte economie begint bij een gemeenschappelijke visie en volgt beginselen die zijn ontleend aan de waarden waarop het Europese project van meet af aan is gestoeld. Om deze economie tot stand te brengen, moeten de fundamenten waarop het economische systeem is gebouwd — ondernemerschap, werk, investeringen en geld — stelselmatig worden aangepast. |
|
6.3. |
Het EESC wil graag nauw samenwerken met de nieuwe Europese Commissie en het nieuwe Europees Parlement aan de ontwikkeling van een omvangrijk programma van geïntegreerd beleid dat het pad zal effenen voor deze aanpassing. |
|
6.4. |
De volgende voorstellen worden als uitgangspunt voor deze exercitie naar voren geschoven en zullen in komende adviezen van het EESC verder moeten worden uitgewerkt. |
6.5. Financiering van de transitie
|
6.5.1. |
Alle overheidsuitgaven in alle lidstaten moeten met elkaar in overeenstemming worden gebracht teneinde de SDG’s te verwezenlijken en de omslag te maken naar een klimaatneutrale economie. Daarnaast moet ervoor worden gezorgd dat alle financieringsmechanismen — inclusief het meerjarig financieel kader, het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering — volledig worden afgestemd op de transitie naar een klimaatneutrale economie. |
|
6.5.2. |
Er moet een Europees groen en sociaal pact in het leven worden geroepen om grootschalige investeringen te doen waar de hele bevolking onherroepelijk van zal profiteren, zoals de renovatie van overheidsgebouwen, de hervorming van het openbaar vervoer en de levering van schone energie. Een dergelijk programma zal banen opleveren voor alle bevolkingsgroepen. |
|
6.5.3. |
Alle “averechts werkende subsidies” die bijv. de winning en het gebruik van fossiele brandstoffen of het gebruik van palmolie direct of indirect ondersteunen, moeten worden afgeschaft. Als deze subsidies op mondiaal niveau worden afgeschaft, dan stijgen de overheidsinkomsten met 3,6 % van het mondiale bbp, dalen de emissies met meer dan 20 %, neemt het aantal voortijdige sterfgevallen door luchtverontreiniging met meer dan de helft af en stijgt de wereldwijde economische welvaart met 1,8 biljoen USD (2,2 % van het mondiale bbp) (34). |
|
6.5.4. |
Er dient een blauwdruk te worden gemaakt van een “groene fiscale hervorming” in de EU, waarbij belastingen en prikkels worden gebruikt om gewenste resultaten te bevorderen, ongewenste resultaten te beteugelen, degenen die ernaar streven een duurzamer leven te leiden te belonen en duurzame investeringen te stimuleren. Dit zal niet mogelijk zijn zonder een flexibeler EU-besluitvorming, die ervoor moet zorgen dat de noodzakelijke fiscale instrumenten en marktgebaseerde mechanismen kunnen worden ingevoerd. Door geleidelijk over te stappen op stemming met gekwalificeerde meerderheid, zou het gemakkelijker moeten worden om de milieudoelstellingen te halen op een ogenblik waarop klimaatactie dringender is dan ooit (35). |
|
6.5.5. |
Er moet gebruik worden gemaakt van redistributieve belastingen en subsidies en “predistributief” beleid om ongelijkheden qua inkomen en welvaart te verkleinen en een rechtvaardige transitie te waarborgen, door te voorzien in voldoende financiële steun en omscholingsmogelijkheden voor werknemers die hun baan dreigen te verliezen als gevolg van de overgang naar een klimaatneutrale economie. |
6.6. Waarborgen van governance en beleidscoherentie
|
6.6.1. |
De belemmeringen voor een transitie naar een klimaatneutrale economie die aanwezig zijn in de huidige industriële strategie, het handelsbeleid, mededingingsbeleid, innovatiebeleid, arbeidsbeleid en de financiële regelgeving, moeten in kaart worden gebracht en uit de weg worden geruimd. Daarnaast moeten alle beleidsterreinen worden afgestemd op de beoogde verwezenlijking van een klimaatneutrale economie. |
|
6.6.2. |
De fiscale en monetaire regels van de EU dienen te worden herzien om ervoor te zorgen dat zij consistent en doelmatig zijn en de transitie naar een duurzame economie mogelijk maken. |
|
6.6.3. |
De bestaande EU-structuren moeten worden aangepast om inzichten en strategieën te ontwikkelen die een einde maken aan de “groeiafhankelijkheid” van de EU-economie. |
|
6.6.4. |
Nagegaan moet worden of er een nieuw directoraat binnen de Europese Commissie kan worden opgericht dat verantwoordelijk is voor het welzijn van toekomstige generaties en tot taak heeft het kennisbeleid en de toekomstbestendige besluitvorming te versterken; ondertussen moet er een sectoroverschrijdende beoordeling van dit onderwerp worden uitgevoerd. |
6.7. Hervorming van bestaande instrumenten
|
6.7.1. |
Het EESC is van mening dat de EU hyperconsumptie zou moeten aanpakken door (bijvoorbeeld) beperkingen op schadelijke reclame (met name gericht op kinderen (36)), regulering van schadelijke producten, bevordering van ethische en duurzame consumptiekeuzes, het stimuleren van gedeelde ruimten en gemeenschappelijke inspanningen en de bescherming van gemeenschappelijke middelen en collectieve goederen. |
|
6.7.2. |
De EU zou sociale solidariteit moeten ondersteunen door de Europese pijler van sociale rechten onverkort toe te passen en zou de belangrijke paradigmaverschuiving in het kader van de Agenda 2030 naar een meer participatief model voor multistakeholdergovernance op het gebied van duurzame ontwikkeling moeten versterken; daarnaast zou ze een aanpak moeten bevorderen waarbij de hele samenleving wordt betrokken, om zo de wezenlijke overgang naar een meer duurzame toekomst voor de aarde te bewerkstelligen (37). |
|
6.7.3. |
Er dienen nieuwe indicatoren voor economische prestaties en sociale vooruitgang te worden ontwikkeld ter vervanging van het oneigenlijke gebruik van het bbp dat geen volledig beeld geeft van het welzijn van mensen. |
|
6.7.4. |
De jaarlijkse groeianalyse moet worden aangepast om beter aan te sluiten bij de SDG’s, waaruit een meer pluralistische benadering van het begrip duurzame welvaart naar voren komt. |
|
6.7.5. |
De EU zou over een “welzijnsbegroting” moeten beschikken, naar het voorbeeld van het Living Standards Framework van Nieuw-Zeeland. |
|
6.7.6. |
Het stabiliteits- en groeipact van de EU moet zo worden aangepast dat er ook aandacht wordt besteed aan duurzaamheid en welbevinden, en om ervoor te zorgen dat de governancemechanismen van de EU goed worden afgestemd op haar sociale en milieudoelstellingen, zonder de budgettaire verantwoordelijkheid te veronachtzamen. |
Brussel, 23 januari 2020.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) https://www.un.org/sustainabledevelopment/development-agenda/
(2) Advies van het EESC “Sibiu en verder” (PB C 228 van 5.7.2019, blz. 37).
(3) Zie in verband hiermee ook “OECD Beyond GDP” en de conclusies van de Raad over de “economie van het welzijn” van 17 oktober 2019.
(4) https://www.ipcc.ch/sr15/
https://ipbes.net/sites/default/files/ipbes_7_10_add.1_en_1.pdf
https://europa.eu/rapid/press-release_IP-18-3927_nl.htm
(5) https://doi.org/10.1146/annurev-environ-102016-060726
(6) https://www.weforum.org/reports/the-global-risks-report-2019
(7) https://www.cusp.ac.uk/themes/aetw/wp12/
(8) Verslag van de onafhankelijke commissie voor duurzame gelijkheid, 2019; Eurostat.
(9) https://www.economics.ox.ac.uk/materials/papers/15126/819-susskind-a-model-of-technological-unemployment-july-2017.pdf
(10) https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-13432-2019-INIT/nl/pdf, zie paragraaf 1.
(11) Jackson, T., 2017. Prosperity without Growth; Raworth, K., Doughnut Economics.
(12) https://www.stockholmresilience.org/research/planetary-boundaries.html
(13) Advies van het EESC “Een schone planeet voor iedereen” (PB C 282 van 20.8.2019, blz. 51), punt 3.4.1; advies van het EESC over klimaatrechtvaardigheid (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 22), punt 4.1.5.
(14) Advies van het EESC over klimaatrechtvaardigheid (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 22).
(15) http://ec.europa.eu/environment/circular-economy/index_en.htm
(16) https://www.investopedia.com/terms/c/collaborative-economy.asp
(17) https://issues.org/the-rise-of-the-platform-economy/
(18) Advies van het EESC over het pakket circulaire economie (PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98), punten 3.1, 3.6 en 4.1.7.
(19) Zie bijv. het advies van het EESC over vervoer, energie en diensten van algemeen belang als aanjagers van duurzame groei in Europa dankzij de digitale revolutie (PB C 353 van 18.10.2019, blz. 79).
(20) https://www.thersa.org/discover/publications-and-articles/reports/future-land
(21) https://www.statista.com/statistics/266228/youth-unemployment-rate-in-eu-countries/
(22) https://www.cusp.ac.uk/themes/s2/wp12/
(23) Advies van het EESC over de Europese kaderrichtlijn inzake een minimuminkomen (PB C 190 van 5.6.2019, blz. 1). Dit advies werd niet gesteund door de Groep werkgevers.
(24) https://www.e3 g.org/docs/E3G_Report_Just_Transition_and_EU_Budget.pdf
(25) Advies van het EESC “Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst” (PB C 345 van 13.10.2017, blz. 91).
(26) https://ec.europa.eu/info/business-economy-euro/banking-and-finance/sustainable-finance_en
(27) Advies van het EESC over het Europees Pact voor financiën en klimaat (PB C 62 van 15.2.2019, blz. 8), punt 5.5.2.
(28) https://www.ecb.europa.eu/explainers/tell-me-more/html/what_is_money.nl.html
(29) https://www.ecb.europa.eu/pub/economic-bulletin/articles/2019/html/ecb.ebart201902_01~3049319b8d.en.html
(30) https://www.ecb.europa.eu/press/key/date/2019/html/ecb.sp190618~ec4cd2443b.en.html
(31) https://www.brookings.edu/wp-content/uploads/2018/10/WP48-DellAriccia-et-al.pdf
(32) http://www.imf.org/external/pubs/ft/wp/2012/wp12202.pdf
(33) https://diem25.org/wp-content/uploads/2017/03/European-New-Deal-Complete-Policy-Paper.pdf
(34) Advies van het EESC over de nieuwe duurzame economische modellen (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 57); advies van het EESC over het Protocol van Parijs (PB C 383 van 17.11.2015, blz. 74); advies van het EESC over klimaatrechtvaardigheid (PB C 81 van 2.3.2018, blz. 22), punt 1.9.
(35) Advies van het EESC over belastingheffing en stemming met gekwalificeerde meerderheid (PB C 353 van 18.10.2019, blz. 90).
(36) Advies van het EESC over wettelijke en andere voorschriften voor reclame die gericht is op jongeren en kinderen (PB C 351 van 15.11.2012, blz. 6).
(37) Advies van het EESC over de discussienota “Naar een duurzaam Europa in 2030” (PB C 14 van 15.1.2020, blz. 95).