|
11.2.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 47/38 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van het handels- en investeringsbeleid van de EU bij het verbeteren van haar economisch presteren
(initiatiefadvies)
(2020/C 47/06)
Rapporteur: Jonathan PEEL
Rapporteur: Tanja BUZEK
|
Besluit van de voltallige vergadering |
24.1.2019 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 32, lid 2, van het reglement van orde Initiatiefadvies |
|
Bevoegde afdeling |
REX |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.10.2019 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
30.10.2019 |
|
Zitting nr. |
547 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
155/4/5 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Handel en investeringen zijn voor de EU van fundamenteel belang, niet het minst omdat zij positief kunnen bijdragen aan de interne economische prestaties. Een op de zeven banen in de EU is afhankelijk van de export en 90 % van de wereldwijde economische groei zal in de komende 10 tot 15 jaar naar verwachting buiten Europa plaatsvinden. De EU moet dan ook alles op alles zetten om deze kansen zo veel mogelijk te benutten en niet onnodig terrein te verliezen ten opzichte van concurrenten uit derde landen. |
|
1.1.1. |
Meer dan ooit tevoren wordt het handels- en investeringsbeleid van de EU onder de loep genomen en vanuit politieke hoek kritisch bekeken. Belangrijke politieke ontwikkelingen, zoals de groei van het populisme, de gevolgen van de brexit voor de handel en de door de huidige Amerikaanse regering opgelegde maatregelen inzake de handel in industriële producten, hebben de bezorgdheid over oneerlijke handelsovereenkomsten nog meer op de voorgrond geplaatst en de politieke onzekerheid doen toenemen. Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) wil in dit advies bekijken welke stappen de EU intern moet ondernemen om ervoor te zorgen dat eerlijke handel hand in hand gaat met een eerlijke verdeling van de opbrengsten. Om de onderhandelingen over gunstige en dynamische handelsovereenkomsten in de hele wereld te kunnen voortzetten moet de consensus binnen de EU voldoende breed zijn. Zij moet zich daarom inzetten voor een progressieve handelsagenda die uitgaat van de bescherming van de fundamentele rechten en normen op het gebied van milieu, sociale bescherming en consumentenbescherming. |
|
1.1.2. |
Het EESC herinnert de nieuwe Europese Commissie en het nieuwe Europees Parlement aan zijn aanbevelingen uit een aantal belangrijke recente adviezen over het handels- en investeringsbeleid van de EU (1) en dringt erop aan dat deze worden meegenomen in nieuwe handelsstrategieën. Bedoeling is in dit advies na te gaan welke stappen de EU moet nemen om zelf orde op zaken te stellen en tegelijkertijd de huidige handelsconflicten aan te pakken en de nodige garanties te bieden. |
|
1.2. |
Ten eerste acht het EESC het van essentieel belang dat de EU zorgt voor een vlotte en eerlijke werking van de interne markt en de eurozone. Een vijfde van alle exportgerelateerde banen in de EU (2) is gevestigd in een andere lidstaat dan het exportland, wat voor een goed deel te maken heeft met de groei van de toeleveringsketens; dit is het zogenaamde overloopeffect. |
|
1.2.1. |
Een en ander vereist een breed scala van afzonderlijke beleidsmaatregelen, variërend van vervoer en energie tot een betere integratie van diensten, alsook de totstandbrenging van een juridisch robuust kader voor de ontwikkeling van digitalisering en kunstmatige intelligentie (KI), waarbij de nodige sociale bescherming wordt geboden. Ook moet dit kader evenwichtige EU-regelgeving en -beleid omvatten om bedrijven te helpen het voortouw te nemen bij de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën die het concurrentievermogen in stand houden en tegelijk te zorgen voor groei en fatsoenlijke banen, tegen de achtergrond van een eerlijke overgang. |
|
1.2.2. |
Succesvol onderzoek en innovatie zijn van cruciaal belang om de positie van de EU in de wereld te versterken. Het EESC dringt er daarom bij de nieuwe Commissie op aan alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat Horizon Europa uitgroeit tot een doeltreffende, veerkrachtige en krachtige opvolger van Horizon 2020. Daarnaast zullen met name de lidstaten aanzienlijke inspanningen moeten leveren om te zorgen voor kwaliteitsonderwijs en toegang tot voortgezette en beroepsopleiding, en daarbij de sociale partners volledig betrekken. |
|
1.2.3. |
Ook het stimuleren en ontwikkelen van menselijke vaardigheden is van fundamenteel belang. De nadruk moet komen te liggen op een leven lang leren, meer aandacht voor meertaligheid en flexibele opleidingsprogramma’s, zodat individuele vaardigheden gemakkelijk kunnen worden aangepast; vruchteloze pogingen om mensen om te vormen tot betere computers zijn zinloos. |
|
1.3. |
De behoeften en mogelijkheden van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) moeten in alle beleidslijnen worden meegenomen om hun toegang tot financiering en andere middelen veilig te stellen en hun vermogen zich te ontwikkelen te ondersteunen. In de mededeling van de Europese Commissie “Handel voor iedereen” (3) (2015) staat te lezen dat meer dan 600 000 kleine en middelgrote ondernemingen, die meer dan 6 miljoen mensen tewerkstellen, rechtstreeks een derde van de EU-export voor hun rekening nemen. |
|
1.4. |
Wat de eigenlijke werking van de handel betreft herhaalt het EESC zijn oproep aan de EU om de WTO te steunen en wereldwijd het voortouw te nemen bij het invoeren van regels voor een progressief, eerlijk en duurzaam handelsbeleid. De EU moet nauw met anderen blijven samenwerken om de WTO te hervormen en met name regels vast te stellen die ervoor zorgen dat de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) worden verwezenlijkt. Met name wat betreft nieuwe thema’s als handel en fatsoenlijk werk moeten de EU en de lidstaten hun invloed aanwenden via de verschillende WTO-commissies. Een open, op regels gebaseerd internationaal handelssysteem dat hoge milieu-, veiligheids- en arbeidsnormen garandeert, is van essentieel belang om de zakelijke kansen van EU-bedrijven te verbeteren en hun eerlijke arbeidsvoorwaarden te bieden ten opzichte van hun concurrenten. |
|
1.5. |
Het is van kapitaal belang dat in het handels- en investeringsbeleid van de EU wordt ingegaan op alle belangrijke consequenties van het openstellen van de markt en dat de negatieve effecten, waaronder sociale en transitiekosten, zo veel mogelijk worden beperkt. Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering moet binnen elk meerjarig financieel kader steeds voldoende middelen ter beschikking stellen om de negatieve gevolgen van de handel op te vangen, en de voorwaarden en toepassingscriteria moeten opnieuw worden bekeken. |
|
1.5.1. |
Bredere handelsbesprekingen zullen in gevoelige gebieden eerder conflicten doen ontstaan. Dit probleem moet efficiënt worden aangepakt. Dergelijke conflicten kunnen er immers toe leiden dat bepaalde strenge normen op de helling komen te staan, met name op het gebied van voedselveiligheid, consumentenbescherming, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, bescherming van openbare diensten en de handhaving van de rechten op het gebied van duurzame handel, zoals reeds in verschillende eerdere adviezen is vermeld. Het EESC wijst er nogmaals op dat handelsovereenkomsten in geen geval de speelruimte van de lidstaten om naar eigen goeddunken regels op te stellen, mogen beperken. |
|
1.5.2. |
Voorts verzoekt het EESC de nieuwe Commissie om haar horizontale bepalingen inzake grensoverschrijdende gegevensstromen en bescherming van persoonsgegevens in de handels- en investeringsovereenkomsten van de EU opnieuw te bevestigen. |
|
1.5.3. |
De EU is bij uitstek in staat om een voortrekkersrol te spelen op het gebied van zorgvuldigheid; het Comité verzoekt de Commissie dan ook om Europese regelgeving ter zake voor te stellen. Het wijst er in dit verband nogmaals op dat via het handelsbeleid moet worden ingezet op verantwoord ondernemerschap, zodat de EU haar wereldwijde handelspositie kan versterken en duurzaamheid kan ondersteunen, met name door ondernemingen aan te moedigen om de verantwoordelijkheid te nemen voor de impact van hun acties voor de samenleving. Ook dringt het EESC erop aan dat handelsovereenkomsten de nationale en lokale overheden ertoe verplichten om hun rol ten volle te vervullen. |
|
1.5.4. |
Een meer diepgaand politiek debat over de rol van handel en investeringen is van essentieel belang om beter inzicht te krijgen in de aanjagers en economische impact ervan. Het evaluatiebeleid van de EU moet zich meer richten op de kwalitatieve aspecten van handelsovereenkomsten, en zowel het maatschappelijk middenveld als het EESC moeten ten volle bij een en ander worden betrokken. Er moet een breder scala aan indicatoren worden ingevoerd, waarbij ook onbevooroordeeld dient te worden gekeken naar alternatieve modellen, en onderhandelingen mogen pas worden aangevat als de effectbeoordelingen zijn afgerond. Bovendien moet met redelijke tussenpozen een breed opgezet onderzoek worden uitgevoerd naar de wereldwijde effecten van handel. |
|
1.5.5. |
Het EESC dringt er opnieuw met klem op aan dat de EDEO meer rekening gaat houden met de handel. Handel wint steeds meer aan belang, zowel in geopolitiek opzicht als in het kader van de economische diplomatie, maar in de recente gezamenlijke mededeling over het versterken van de banden tussen de EU en Azië (4) wordt hierover in alle talen gezwegen. Ook blijft het EESC erop hameren dat DG Handel nauwer moet samenwerken met andere directoraten-generaal, met name DEVCO en EMPL, en dat daarbij moet worden gestreefd naar meer coherentie en transparantie. |
|
1.6. |
Het EESC zou graag zien dat de dialoog met het maatschappelijk middenveld over het handels- en investeringsbeleid tijdens en na de onderhandelingen wordt verdiept en dat de rol van het maatschappelijk middenveld als toezichthouder wordt versterkt. Bij de verdieping van de dialoog moet worden uitgegaan van meer transparantie en voortdurende verbetering, aangezien de onderhandelingen en overeenkomsten ingewikkelder worden, wat voor een groot deel te maken heeft met de doelstellingen van duurzame ontwikkeling, de Overeenkomst van Parijs en de overgang naar de circulaire economie. |
|
1.7. |
Het EESC herhaalt dat de multilaterale aanpak van handel in de landbouw opnieuw moet worden bekeken en een nieuwe impuls nodig heeft, en wijst erop dat de EU in een goede positie verkeert om hierbij een leidende proactieve rol te spelen en tegelijk de normen op het gebied van milieu, sociale en duurzame ontwikkeling in bredere zin te bevorderen, in overeenstemming met de SDG’s. De EU moet vermijden dat al te ruimhartige toegevingen op landbouwgebied de binnenlandse productie zouden ondermijnen. |
|
1.8. |
Het Comité is bijzonder ingenomen met het feit dat in mededeling “Handel voor iedereen” de nadruk wordt gelegd op duurzame ontwikkeling, met name op het gebied van mensenrechten, sociale rechten en het milieu, en dat alle handelsovereenkomsten van de nieuwe generatie hoofdstukken bevatten over handel en duurzame ontwikkeling. Deze moeten een centrale rol spelen bij de bevordering van het handels- en investeringsbeleid van de EU. Effectieve afdwingbaarheid is cruciaal voor de naleving van deze toezeggingen, vooral ook om een gelijk speelveld tot stand te brengen voor EU-bedrijven in het buitenland. |
|
1.8.1. |
Het EESC is ingenomen met de recente aankondiging van de aantredende Commissievoorzitter inzake de voorgestelde aanstelling van een nieuwe Chief Trade Enforcement Officer die onder de commissaris voor Handel ressorteert en die ermee wordt belast om de naleving van onze handelsovereenkomsten te monitoren en te verbeteren (5). Degene die deze belangrijke nieuwe functie gaat vervullen zou ruime bevoegdheden met evenveel gewicht en doeltreffendheid moeten krijgen om toe te zien op alle verplichtingen die in vrijhandelsovereenkomsten zijn aangegaan, met name op het gebied van duurzame ontwikkeling. In dit kader moet een objectieve besluitvormingsprocedure worden gevolgd op basis van tijdige en doeltreffend ingeleide onderzoeken waarvoor voldoende middelen moeten worden uitgetrokken en waarbij een duidelijke rol moet zijn weggelegd voor erkende belanghebbenden, die de mogelijkheid moeten hebben om klachten in te dienen en om deel te nemen aan eventueel volgende openbare hoorzittingen. Een grondige rapportage aan het EP en de Raad is in dit verband geboden, waarbij gezorgd moet worden voor een welomschreven rol van het EESC en de respectieve DAG’s, alsook voor permanente betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld. |
|
1.8.2. |
Het EESC heeft eerder al aanbevolen om een specifieke clausule ter bevordering van de SDG’s op te nemen in alle toekomstige mandaten voor de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, en, naar aanleiding van de Overeenkomst van Parijs, daarnaast ook te verwijzen naar de bestrijding van het broeikaseffect. Ook de overgang naar een koolstofarme kringloopeconomie is een factor die centraal moet staan in de onderhandelingsmandaten van de EU. |
|
1.8.3. |
De daadwerkelijke overgang naar een koolstofneutrale EU-economie tegen 2050 is geen sinecure. Een en ander zal verreikende gevolgen hebben voor de ontwikkeling van het handelsbeleid, en handelsbesluiten zullen op hun beurt een grote impact hebben op het verloop van de transitie, zowel in de EU als wereldwijd. Het waarborgen van een eerlijke transitie moet voorop worden gesteld in alle toekomstige handelsbeleidsmaatregelen, -praktijken en -besprekingen. |
|
1.8.4. |
Intensievere handelsstromen leiden tot meer vervoer, terwijl vervoer nu al voor aanmerkelijk veel broeikasgasemissies zorgt. Alle vervoerswijzen dienen daarom te worden geïntegreerd in een versterkt duurzaam en rechtvaardig vervoersbeleid, en het handels- en vervoersbeleid moeten aan elkaar gekoppeld worden, met name als het gaat om de naleving van de SDG-verbintenissen. |
|
1.8.5. |
Tot slot dringt het EESC erop aan dat de EU bij de overgang naar een kringloopeconomie de nodige aandacht besteedt aan de problemen van de EU-sectoren die veel middelen en energie behoeven, dat zij zich inspant om koolstoflekkage en investeringslekkage te voorkomen en dat zij zorgvuldig nagaat of verzachtende grensaanpassingsmaatregelen conform de WTO-regels mogelijk zijn. |
2. Achtergrond
|
2.1. |
Handel en investeringen zijn van fundamenteel belang voor de EU en hebben het potentieel positief bij te dragen aan haar binnenlandse economische prestaties. In de mededeling “Handel voor iedereen” (6) wordt beklemtoond dat meer dan 30 miljoen banen in de EU — d.i. één op de zeven — afhankelijk zijn van export naar derde landen en dat 90 % van de wereldwijde economische groei de komende 15 jaar naar verwachting buiten Europa zal worden gegenereerd. De EU moet onderkennen dat handel een belangrijke rol speelt bij de verbetering van haar eigen economische prestaties, maar tegelijkertijd moet zij vermijden dat zij afhankelijk wordt van een exclusief op export gericht model. Er moet evenveel belang worden gehecht aan het stimuleren van de interne vraag door middel van publieke en private investeringen en consumptie. |
|
2.1.1. |
De EU, die een zesde van de wereldwijde import en export voor haar rekening neemt, is de grootste exporteur van goederen en diensten ter wereld en op haar beurt de grootste exportmarkt voor zo’n 80 landen. Als ruggengraat van de Europese economie is de industrie goed voor 80 % van de Europese export en zorgt zij voor heel wat particuliere innovatie en hoogwaardige banen. Zoals in de mededeling “Handel voor iedereen” wordt opgemerkt, is “het aandeel van de import in de export van de EU […] sinds 1995 met meer dan de helft gestegen”, wat eens te meer duidelijk maakt dat het bedrijfsleven en de industrie en een dynamisch en proactief handelsbeleid van cruciaal belang zijn. |
|
2.1.2. |
Intussen telt de EU 36 miljoen banen die afhankelijk zijn van export (7), wat een stijging van twee derde en circa 1,5 biljoen EUR ten opzichte van het jaar 2000 inhoudt. De EU heeft haar “aandeel in de mondiale goederenexport” (van 15 %) weten te handhaven, terwijl het aandeel van China is gestegen en dat van zowel de VS als Japan is gedaald. De Commissie benadrukt dat banen die verband houden met export beter dan gemiddeld worden betaald en in elke lidstaat goed zijn voor een aanzienlijk deel van de werkgelegenheid. |
|
2.1.3. |
In tegenstelling tot de handel in goederen dreigt de handel in diensten de lonen juist omlaag te trekken. Uit een recent verslag van de OESO (8) komt naar voren dat de verwerkende industrie voor een groot deel bestaat uit dienstenfuncties en dat het buitenlandse aandeel in dergelijke diensten toeneemt. Bedrijven stellen zich steeds vaker de vraag of zij zelf voor hun diensten zullen zorgen of deze beter kunnen afnemen van externe leveranciers. In het geval van uitbesteding naar landen waar de arbeidskosten lager liggen, is het probleem van het afstoten van werkgelegenheid bijzonder nijpend. |
|
2.1.4. |
De brexit dreigt zijn stempel te drukken op de toekomst van de handelsbetrekkingen van de EU en de voortzetting van de onbelemmerde en tariefvrije handelsstromen. Het vertrek van een belangrijk handelsland uit de interne markt zou het EU-handelsbeleid uit balans kunnen brengen; daarnaast zouden er ernstige problemen kunnen ontstaan als het VK kiest voor deregulering, wat gepaard kan gaan met een aantasting van normen en rechten. De EU moet alles op alles zetten om het VK af te houden van stappen in de richting van oneerlijke concurrentie. Het is van kapitaal belang dat er een overeenkomst tussen de EU en het VK komt waarin wordt vastgehouden aan een hoog niveau van normen en rechten. |
|
2.2. |
Een groot aantal factoren zorgt samen voor een exponentieel groeiende wereldwijde vraag naar handel in goederen en, steeds meer, in diensten. Naar verwachting zal de wereldbevolking halverwege deze eeuw uit 9-10 miljard personen bestaan. Als gevolg van de snelle industrialisering en verstedelijking woont meer dan de helft van de wereldbevolking nu voor het eerst in steden, waar mensen afhankelijker van elkaar zijn dan in een plattelandsgemeenschap, omdat plattelandsbewoners in grotere mate in hun eigen levensonderhoud voorzien. |
|
2.2.1. |
Naar schatting zullen er in 2030 bovendien mogelijk maar liefst 2 miljard personen zijn met een gemiddeld inkomen, met name in landen als China, India, Kenia, Chili en Indonesië. Zij verlangen veel meer diversiteit en keuze wat betreft hun voeding, kleding, gebruiksartikelen, voertuigen en andere consumptiegoederen en kunnen zich dit ook veroorloven (in vele gevallen voor het eerst in hun leven). |
|
2.2.2. |
Groeiende markten vormen echter niet de enige reden waarom de handelsstromen toenemen. Vandaag de dag zijn de activiteiten van multinationals steeds vaker gestructureerd in mondiale waardeketens. In haar analyse van deze strategieën beschrijft de OESO (9) hoe fiscale strategieën, schaal (de concentratie van bedrijven neemt toe), technologische expertise en de diversificatie van activiteiten belangrijke motoren zijn voor wereldwijde handel. De digitalisering van de economie leidt ook tot een vervaging van traditionele grenzen. Daarnaast zijn multinationals steeds meer afhankelijk van relaties die niet gebaseerd zijn op vermogen (strategische partnerschappen, uitbesteding). Groepen hebben daarom een complexere structuur dan ooit tevoren en zakelijke praktijken ondergaan een transformatie. Als gevolg daarvan moet het handels- en investeringsbeleid mogelijk worden aangepast. |
|
2.3. |
EU-exporteurs moeten de belangrijke kansen aangrijpen die zij aangereikt krijgen dankzij de sterke punten van de EU, in het bijzonder op het gebied van de productie van goederen en diensten met toegevoegde waarde of voor de topmarktsegmenten. Momenteel zijn er bovendien al ongeveer zeventig preferentiële handelsovereenkomsten op vijf continenten van kracht en over andere belangrijke overeenkomsten wordt onderhandeld. Anders zullen zij moeten toekijken terwijl concurrent-exporteurs — uit andere ontwikkelde landen of, met name, uit snel opkomende economieën — deze kansen benutten. Als belangrijke recente ontwikkelingen op dit gebied kunnen onder meer het herziene trans-Pacifische partnerschap (TPP) en andere belangrijke handelsbesprekingen in de regio Azië-Stille Oceaan worden aangehaald. |
3. Belangrijke onderliggende factoren ter ondersteuning van aan handel verwante welvaart in de EU
|
3.1. |
Het belang van de eengemaakte markt voor de EU-handel blijkt uit het zogenaamde overloopeffect: een vijfde van de banen die dankzij export kunnen bestaan, bevindt zich in een andere lidstaat. De Duitse export is bijvoorbeeld niet alleen verantwoordelijk voor 6,8 miljoen banen in Duitsland, maar ook voor 1,6 miljoen banen elders in de EU. Dit is hoofdzakelijk het gevolg van de steeds langere toeleveringsketens, niet alleen in Europa, maar overal ter wereld, wat inhoudt dat nog onafgewerkte producten vaak meerdere malen een grens over gaan. Dit is in het bijzonder het geval in de automobielindustrie. De brexit heeft deze omstandigheid des te duidelijker gemaakt: 650 000 in het VK gebaseerde banen zijn gekoppeld aan export naar landen buiten de EU vanuit andere lidstaten. Uit cijfers van de Commissie (10) blijkt dat onder meer Tsjechië, Slowakije en Polen het grootste voordeel uit deze situatie halen. |
|
3.1.1. |
Daarom is het, teneinde de aan export gekoppelde werkgelegenheid te behouden en te stimuleren, van groot belang dat de eengemaakte markt en de eurozone soepel en eerlijk functioneren. De verdere integratie van de eengemaakte markt en de eurozone blijft primordiaal, ook op het vlak van energie en een soepel werkend vervoerssysteem; dit houdt in dat eerlijke arbeidsmobiliteit wordt bevorderd. |
|
3.1.2. |
Ook is een betere integratie van diensten en gegevensstromen cruciaal. Bij die gegevensstromen moeten de EU-voorschriften inzake gegevensprivacy volledig in acht worden genomen, niet in de laatste plaats omdat de eengemaakte markt steeds digitaler wordt. Ook voor een gezond digitaal ecosysteem is beleid nodig waarmee ervoor wordt gezorgd dat gegevens het openbaar belang dienen en kansen bieden voor de ontwikkeling van digitale diensten van algemeen belang. |
|
3.1.3. |
In zijn advies over de hervorming van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) eiste het EESC dat “alle toekomstige multilaterale initiatieven op het gebied van gegevensstromen volledig stroken met de horizontale EU-bepalingen inzake grensoverschrijdende gegevensstromen en gegevensbescherming in de handels- en investeringsovereenkomsten van de EU” (11) en verzocht het de nieuwe Commissie te bevestigen dat over deze cruciale toezegging niet valt te onderhandelen. |
|
3.2. |
De snelle ontwikkeling van digitalisering en kunstmatige intelligentie (KI) zal de maatschappij, in samenspel met de demografische veranderingen en de overgang naar een koolstofarme, circulaire economie, ingrijpend veranderen. Bedrijven spelen een toonaangevende rol bij de ontwikkeling van innovatie en nieuwe technologieën. Van haar kant moet de overheid een wetgevingskader voor een rechtvaardige transitie opzetten en beginselen inzake bindende ethische KI-voorschriften uitstippelen. |
|
3.2.1. |
Onderzoek en innovatie, aangestuurd door de industrie en gestoeld op hoogwaardig onderwijs en ondernemerschap, zijn essentieel om ervoor te zorgen dat de EU bij nieuwe ontwikkelingen voorop blijft lopen. De nieuwe Commissie moet er op de eerste plaats voor zorgen dat Horizon Europa uitgroeit tot een efficiënte en robuuste opvolger van Horizon 2020. De EU moet ook extra aandacht besteden aan de ondersteuning van bedrijven zodat deze hun concurrentievermogen, op zowel intern als internationaal niveau, kunnen verbeteren en nieuwe technologieën kunnen ontwikkelen en toepassen. Innovatie wordt ook bevorderd door proefprojecten en door middel van samenwerking tussen de publieke en private sector en de academische wereld. |
|
3.2.2. |
Technologische veranderingen en ontwikkelingen vereisen snelle aanpassingen in vaardigheden die snel en onverwachts kloven kunnen vertonen, met name op technische terreinen en in het bijzonder op het gebied van STEM-vaardigheden (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde). |
|
3.2.3. |
De bevordering en ontwikkeling van menselijke vaardigheden en meertaligheid zijn even belangrijk als een grotere nadruk op toegang tot beroepsopleiding, omscholing en een leven lang leren. |
|
3.2.4. |
Om de vaardighedenkloof te dichten, moeten opleidingsstelsels voldoende flexibel zijn en vlot kunnen inspelen op toekomstige behoeften. Dit vereist aanzienlijke inspanningen van de lidstaten, maar ook de sociale partners is een essentiële rol toebedeeld. |
|
3.3. |
Nu er nieuwe, afwijkende vormen van werk ontstaan, is het van cruciaal belang om de overgang van onderwijs naar werk en tussen banen en taken soepeler te maken en stimulerende voorwaarden te scheppen voor zelfstandige arbeid en ondernemerschap. Veranderingen in de wereld van arbeid moeten gepaard gaan met sociale bescherming en flexibele en naar behoren functionerende arbeidsmarkten, alsook met een sociale dialoog die op resultaten is gericht. |
|
3.4. |
Concurrentievermogen is een belangrijke aandrijver van zakelijke ontwikkeling. De handelsbeleidslijnen en -voorschriften van de EU moeten binnen hun toepassingsgebied positieve randvoorwaarden scheppen voor bedrijven die concurreren met landen buiten de EU met het oog op fatsoenlijke banen met hoge arbeidsnormen. Dergelijke regelgeving moet geschikt zijn voor het beoogde doel en een positieve ondernemingsgeest en -cultuur bevorderen waartoe ook jongeren, en in het bijzonder vrouwen, zich aangetrokken voelen. |
|
3.4.1. |
Het EESC neemt nota van de verslagen van de OESO en het IMF (12) waarin wordt gewezen op de toegenomen concentratie van bedrijven, zowel op het vlak van productie als van niet-financiële diensten. Er moet verder onderzoek worden verricht om de drijvende krachten achter deze marktconcentratie te achterhalen. Hiertoe moeten beleidslijnen op het gebied van mededinging en internationale handel mogelijk opnieuw onder de loep worden genomen. In het bijzonder op dit gebied mag de handelsagenda geen belemmering vormen voor beleid dat erop is gericht kmo’s meer mogelijkheden te bieden om markten te betreden, onder meer door middel van ambitieuze Europese industriële beleidsmaatregelen. Dit geldt met name voor de digitale sector. |
|
3.4.2. |
De EU moet een klimaat scheppen dat particuliere en publieke investeringen ondersteunt. Hiertoe zijn stabiliteit en voorspelbaarheid, een stabiel macro-economisch klimaat, een goede bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en fiscale verantwoordelijkheid vereist. Het belastingstelsel moet van zijn kant eerlijk zijn en tegelijkertijd innovatie, ondernemerschap, groei en werkgelegenheid stimuleren. |
|
3.4.3. |
Daarnaast moet men in het kader van het handels-en investeringsbeleid van de EU blijven uitkijken voor investeringen die samenhangen met fraude of belastingontwijking. |
|
3.4.4. |
Directe buitenlandse investeringen (DBI’s) zijn belangrijk nu bedrijven hun productie steeds vaker verhuizen naar locaties in de buurt van hun eindmarkten, hetgeen onder meer hun concurrentievermogen ten goede kan komen. Het EESC heeft zich ook verheugd getoond (13) over de EU-handelsbeschermingsverordening inzake recente stappen om investeringen die de EU binnenkomen te monitoren. |
|
3.4.5. |
Toch blijkt uit het jaarverslag van de OESO over DBI-statistieken voor 2018 dat DBI’s wereldwijd na de belastinghervorming in de VS met 27 % zijn gedaald. Voor bepaalde EU-landen (Luxemburg, Nederland) was deze daling spectaculair. Er moet daarom bijzondere aandacht worden besteed aan het onderscheid tussen DBI’s die verband houden met de reële economie en DBI’s die gepaard gaan met fraude of belastingontwijking. Dit soort praktijken moet door de EU op alle niveaus worden aangepakt. |
|
3.5. |
In de mededeling “Handel voor iedereen” staat het volgende te lezen: “Meer dan 600 000 kmo’s, die werk bieden aan minstens 6 miljoen mensen, voeren rechtstreeks goederen uit naar landen buiten de EU, en zijn goed voor één derde van de export” (14). Zij wijst er ook op dat veel andere ondernemingen diensten uitvoeren of indirect uitvoeren als leverancier van andere, grotere ondernemingen. |
|
3.5.1. |
Het EESC was specifiek ingenomen met “de toezegging voor kleine ondernemingen”, omdat zij “op grote belemmeringen [stuiten] wanneer zij zich op nieuwe markten begeven”. Er werden specifieke bepalingen voor kmo’s in alle toekomstige onderhandelingen beloofd, evenals “regelmatige enquêtes over de belemmeringen” waarmee kmo’s in specifieke markten te kampen hebben. Het advies van het EESC (15) over het TTIP en de gevolgen daarvan voor kleine en middelgrote ondernemingen is in dit verband ook relevant. |
|
3.5.2. |
Het potentieel en de behoeften van kmo’s moeten op elk beleidsterrein worden geïntegreerd om te garanderen dat deze ondernemingen toegang hebben tot financiering, andere hulpmiddelen en markten en om hun ontwikkelingsvermogen te bevorderen, aangezien verschillende soorten ondernemingen uiteenlopende behoeften hebben en er rekening dient te worden gehouden met de specifieke omstandigheden waarin kmo’s actief zijn (onder meer in plattelandsgebieden en perifere regio’s). |
4. Omgaan met handelscontroverses
|
4.1. |
Op grond van het Verdrag van Lissabon heeft de EU nieuwe bevoegdheden op het gebied van investeringen en moet zij haar werkzaamheden op het gebied van zowel handel als investeringen koppelen aan andere belangrijke terreinen, in het bijzonder ontwikkeling. Het blijft het Comité zorgen baren dat de verschillende DG’s van de Commissie, waaronder DEVCO en EMPL, vooralsnog blind lijken te zijn voor het feit dat de impact op de handel op verschillende gebieden doorwerkt. |
|
4.2. |
Naast de handelsverdragen van de “nieuwe generatie”, waarvan het eerste met Korea werd gesloten, heeft de Commissie ook geprobeerd om over uitgebreidere vrijhandelsakkoorden te onderhandelen met landen van het Oostelijk Partnerschap en meer ontwikkelde handelspartners. Het ging daarbij ook om Japan, en een ander goed voorbeeld is de Brede Economische en Handelsovereenkomst (Comprehensive Economic and Trade Agreement — CETA) met Canada, waarmee verder wordt gegaan dan alleen het schrappen van invoerrechten en wordt ingegaan op allerlei verschillende aspecten, zoals voorschriften voor diensten, het wegnemen van non-tarifaire handelsbelemmeringen en andere handelsgerelateerde aspecten als investeringen, mededinging en samenwerking op het gebied van regelgeving. |
|
4.2.1. |
Het EESC is van mening dat de voortdurende ontwikkeling van een toekomstgerichte, progressieve handelsagenda in dit kader nu urgenter is dan ooit. Bij dergelijke uitgebreide handelsbesprekingen is er meer kans op conflicten in verband met gevoelige onderwerpen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de handhaving van hoge normen — met name op het gebied van voedselveiligheid, consumentenbescherming en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden — maar ook de bescherming van openbare diensten en het afdwingen van rechten in het kader van een duurzame handelsagenda. |
|
4.2.2. |
Het feit dat de nieuwe generatie akkoorden veel verder gaat dan de traditionele verlaging van invoerrechten en dat erin wordt bepaald dat overheidsmaatregelen de handel niet negatief mogen beïnvloeden, leidt tot bezorgdheid dat de ruimte voor openbaar beleid zal worden beperkt. Staten mogen niet alleen naar eigen goeddunken regelgeving uitvaardigen, maar moeten dit doen met het oog op het algemeen belang. Het EESC benadrukt dat handelsovereenkomsten dit geenszins mogen verhinderen. |
|
4.2.3. |
Het EESC heeft gesteld (16) dat het handelsbeleid van de EU “zal worden beoordeeld aan de hand van het feit of de Commissie in staat is aan te tonen dat de milieu-, arbeids- en andere normen niet worden verlaagd door handelsovereenkomsten. Deze overeenkomsten zouden er juist op gericht moeten zijn dergelijke normen te verbeteren.” |
|
4.3. |
Open, op regels gebaseerde internationale handel is essentieel om meer kansen te creëren voor bedrijven en eerlijke voorwaarden voor bedrijven ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten te waarborgen. De EU moet WTO-regels ondersteunen die eerlijke handel bevorderen waarbij inachtneming van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen wordt gewaarborgd. Ook moet zij een wereldwijde voortrekkersrol op zich nemen om protectionisme en verstoring aan te pakken en een progressief en duurzaam handelsbeleid te bevorderen. Met name wat betreft nieuwe thema’s als handel en fatsoenlijk werk moeten de EU en de lidstaten hun invloed aanwenden via de verschillende WTO-commissies. |
|
4.4. |
Handel is een van de beleidsprocessen die binnen de Commissie het meest worden geëvalueerd. Om een bredere beleidsdiscussie over de rol van handel en investeringen mogelijk te maken, moeten er echter verdere analyses worden uitgevoerd om beter te begrijpen wat de drijvende krachten achter en de economische gevolgen van handel zijn, alsook welke bijdrage handel kan leveren tot de SDG’s. |
|
4.4.1. |
Hierbij moet het evaluatiebeleid van de EU een centrale rol spelen. DG Handel evalueert de gevolgen van belangrijke handelsinitiatieven met behulp van verschillende instrumenten: effectbeoordelingen en duurzaamheidseffectbeoordelingen, economische beoordelingen van de onderhandelde uitkomsten en evaluaties achteraf. |
|
4.4.2. |
Methodologie en timing zijn cruciale kwesties en moeten opnieuw worden beoordeeld. Het gebruikte berekenbaar algemeen evenwichtsmodel moet opnieuw worden afgezet tegen alternatieve modellen en moet een bredere reeks indicatoren bevatten om de effecten op de mensen- en arbeidsrechten, klimaatverandering, biodiversiteit, consumenten en DBI’s te meten. Als alleen de situaties met en zonder de handelsovereenkomst worden vergeleken, wordt er onvoldoende aandacht besteed aan de kwalitatieve evaluatie van onderhandelingsopties, in het bijzonder op het gebied van handel en duurzame ontwikkeling. Effectbeoordelingen en duurzaamheidseffectbeoordelingen moeten tijdig worden afgerond zodat de onderhandelaars over de informatie beschikken en er voor en tijdens de onderhandelingen rekening mee kunnen houden, in plaats van dat ze pas na afloop van de onderhandelingen worden gepresenteerd. |
|
4.4.3. |
De verwezenlijking van de SDG’s moet centraal komen te staan bij de evaluatie van het EU-handelsbeleid, zoals het EESC al heeft bepleit in zijn advies “De sleutelrol van handel en investeringen bij het nastreven en verwezenlijken van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling” (17). |
|
4.4.4. |
Het EESC is van mening dat raadplegingen van het maatschappelijk middenveld een waardevolle bijdrage leveren aan milieueffectbeoordelingen en beveelt aan deze raadplegingen uit te breiden naar de vroege fase van het proces waarin het mandaat wordt opgesteld. Ook de interne werkzaamheden van de stuurgroep Evaluatie van de Commissie zouden verder worden verrijkt als het maatschappelijk middenveld erbij zou worden betrokken. Adviseurs moeten onafhankelijk genoeg zijn en over voldoende expertise beschikken, in het bijzonder met betrekking tot mensenrechten en milieukwesties. |
|
4.4.5. |
Wat de arbeidsmarkt betreft, moeten er gedetailleerdere analyses worden uitgevoerd van potentiële afstotingseffecten, de ontwikkeling van de lonen en werkzekerheid. Met betrekking tot de economische effecten moet er niet alleen aandacht uitgaan naar de EU, maar ook naar de mate waarin handel en investeringen minder ontwikkelde economieën in staat stellen hun productiviteit te verhogen en op grotere schaal te innoveren. Bovendien moet met redelijke tussenpozen een integraal onderzoek worden uitgevoerd naar de wereldwijde effecten van handel. |
|
4.4.6. |
Handel wint steeds meer aan belang, zowel in geopolitiek opzicht als in het kader van de economische diplomatie. De EDEO moet daarom meer aandacht gaan besteden aan handel. Handelskwesties schitterden door afwezigheid in de gezamenlijke mededeling over het versterken van de banden tussen Europa en Azië (18). |
|
4.5. |
Bij de onderhandelingen over een “TTIP”-overeenkomst met de Verenigde Staten kwamen in eerste instantie veel punten van zorg onder het brede publiek en het maatschappelijk middenveld aan het licht, maar deze waren algemeen van aard. De Commissie heeft zich bij handelsbesprekingen ingespannen om politieke toezeggingen te verkrijgen dat handel en investeringen niet zullen worden gestimuleerd door het beschermingsniveau af te zwakken en dat er waarborgen zullen worden geboden zoals specifieke vrijstellingen en voorbehouden, specifieke clausules over staatsmonopolies of de afwijzing in een vroeg stadium van lichtzinnige vorderingen van investeerders. Het EESC heeft tegelijkertijd gepleit — en zal dat ook blijven doen — voor verdere verduidelijking en garanties met betrekking tot diverse uitermate gevoelige punten. |
|
4.5.1. |
De kwetsbaarheid van overheidsdiensten in een handelsovereenkomst als gevolg van marktliberalisering en specifieke clausules (standstill en ratchet) die de toekomstige speelruimte bepalen van de partijen om beperkingen van de markttoegang en discriminerende maatregelen in te voeren, worden beschouwd als een cruciaal punt van zorg. Het EESC heeft al eerder aangegeven dat het positief is dat “de Commissie haar oor te luisteren heeft gelegd bij het EESC, het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld en voornemens is om openbare diensten in het kader van de vrijhandelsovereenkomsten te beschermen”, waarbij het echter benadrukt dat daartoe het best gebruik kan worden gemaakt van “een positieve lijst met betrekking tot markttoegang en nationale behandeling” (19). |
|
4.5.2. |
Aangezien er voortdurend kans bestaat op een regeringswisseling en daarom ook op wijziging van het beleid inzake overheidsdiensten, wordt elke eerdere opening in een handelsovereenkomst “ingesloten”. Er kan geen stap terug worden gezet. Openingsbepalingen van het type standstill en ratchet kunnen daarom met name overheidsdiensten in het gedrang brengen, aangezien hun toepassingsgebied op enge en ambigue wijze wordt gedefinieerd. |
|
4.5.3. |
Het is ook van vitaal belang dat de ruimte voor openbaar beleid behouden blijft wanneer publieke aanbestedingen in handelsovereenkomsten worden opgenomen. Daarom was het belangrijk voor het EESC om op te roepen tot “behoud van de bevoegdheid voor de aanbestedende diensten om bij aanbestedingen gebruik te maken van milieu-, sociale en arbeidsgerelateerde criteria, zoals de verplichting om collectieve overeenkomsten na te leven” (20). |
|
4.6. |
In het kader van de bescherming van investeringen heeft het EESC opgeroepen tot “procedurele waarborgen […] tegen vorderingen die gericht zijn op nationale wetgeving inzake het algemeen belang, teneinde het recht van een partij te waarborgen om naar eigen goeddunken in zijn regelgeving het algemeen belang boven de bescherming van de investeerder te stellen” (21). In zijn advies over een multilateraal investeringsgerecht geeft het EESC aan van mening te zijn dat “dit alleen in voldoende mate kan worden bereikt door de opname van […] een uitzonderingsbepaling voor het algemeen belang […] vergezeld […] van passende garanties dat deze niet wordt misbruikt voor protectionistische doeleinden”. In de bredere context van zijn advies inzake bepaalde belangrijke kwesties in het kader van de onderhandelingen over het trans-Atlantische partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), heeft het EESC opgeroepen tot de expliciete vermelding van “collectieve overeenkomsten, inclusief tripartiete en/of algemene (erga omnes-)overeenkomsten, zodat zij niet als een schending van het gewettigd vertrouwen van een investeerder geïnterpreteerd kunnen worden” (22). |
|
4.7. |
Landbouw en handel behoren al meer dan veertig jaar tot de bevoegdheden van de EU, maar toch ontbrak het in het verleden soms aan communicatie en een gemeenschappelijke visie op deze twee cruciale gebieden. Ook mag de EU in geen geval zwichten voor de verleiding om op landbouwgebied ruimhartige toegevingen te doen die de binnenlandse productie zouden ondermijnen. |
|
4.7.1. |
In zijn advies over de rol van landbouw in handelsbesprekingen (23) benadrukte het EESC dat bilaterale overeenkomsten erop gericht moeten zijn te voorkomen dat partnerlanden met twee maten meten in de landbouw, met name in het kader van de overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen. De EU dient ook haar normen op het gebied van milieu, sociale aspecten en duurzame ontwikkeling in bredere zin te bevorderen in overeenstemming met de SDG’s. De EU (en andere landen) moeten een bindende overeenkomst op het gebied van capaciteitsopbouw opnemen om minder ontwikkelde landen te kunnen helpen te voldoen aan dergelijke normen; zo kan bijvoorbeeld steun worden verleend bij de uitwerking van een aanvaardbare regeling voor veterinaire certificering, gezien het cruciale belang van voedselveiligheidsnormen. |
|
4.7.2. |
De multilaterale aanpak van handel in de landbouw moet worden heroverwogen en heeft een nieuwe impuls nodig. Het Doha-concept van de WTO moet — in versterkte vorm — de basis blijven voor de handelsdialoog tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden; daarbij moet worden vastgehouden aan het beginsel van voedselsoevereiniteit voor iedereen. In hetzelfde advies wordt benadrukt dat de EU bij uitstek geschikt is om een proactieve voortrekkersrol te spelen bij het promoten van een nieuwe, evenwichtige benadering, zeker met het oog op sommige snel opkomende economieën die er niet in slagen substantiële hulp te bieden aan landen die nog meer achterop hinken. |
|
4.8. |
In zijn advies over het hervormen van de WTO achtte het EESC het “essentieel dat het voorzorgsbeginsel, zoals vastgelegd in de EU-verdragen, ook op multilateraal niveau adequaat beschermd wordt en volledig wettelijk erkend wordt om een hoger niveau van bescherming te waarborgen door preventieve besluitvorming in geval van risico voor de volksgezondheid of het milieu. Gezien het belang ervan moet de EU dit bij al haar handelsbesprekingen tot een offensief belang maken.” (24) |
|
4.9. |
Terwijl in “Handel voor iedereen” de nadruk ligt op het vertrouwen van de consument in veilige producten, wordt in de consumentenbeschermingsrichtsnoeren van de VN een veel ruimere opvatting gehanteerd, waarin het bijv. ook gaat om de bescherming van de privacy van consumenten, hun rechten op het gebied van e-handel en het recht op effectieve handhaving van consumentenrechten. Gezien de gevolgen van de handelsliberalisering voor de consument roept het EESC in zijn advies over hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU op tot de opname “binnen het TSD-kader” van “een specifiek hoofdstuk “handel en consumenten” […] waarin relevante internationale consumentenbeschermingsnormen worden vermeld en dat de samenwerking op het gebied van de handhaving van consumentenrechten versterkt” (25). |
|
4.10. |
In de discussienota van de Commissie uit 2017 over het in goede banen leiden van de mondialisering worden enkele consequenties genoemd van globalisering die ontspoort, in het bijzonder een toename van de ongelijkheid. Niet iedereen profiteert in dezelfde mate van de opbrengsten van handel. In het handels- en investeringsbeleid van de EU moet worden ingegaan op alle belangrijke consequenties van het openstellen van de markt en moeten de negatieve effecten, waaronder sociale en transitiekosten, zo veel mogelijk worden beperkt. |
|
4.10.1. |
In “Handel voor iedereen” werd voor het eerst erkend dat handel “tot tijdelijke ontwrichtingen [kan] leiden voor sommige regio’s en werknemers, wanneer de concurrentie voor sommige bedrijven te zwaar blijkt” en werd benadrukt dat “een verandering als deze voor de direct betrokkenen niet gering [is]”. In dit verband is het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering van belang. Het heeft in 2013-2014 meer dan 27 600 werknemers geholpen (26). Daarom vindt het EESC het belangrijk dat een toekomstig meerjarig financieel kader voorziet in afdoende financiering die rechtstreeks is gekoppeld aan de effecten van handel, en dat de voorwaarden en toepassingscriteria opnieuw worden bekeken. Effectieve rechten van werknemers op informatie, raadpleging en collectieve onderhandelingen, die ervoor zorgen dat veranderingen als gevolg van herstructurering beter kunnen worden ondervangen en in goede banen kunnen worden geleid, zijn in dit opzicht van wezenlijk belang voor een eerlijke transitie. |
|
4.11. |
Het EESC pleit er daarnaast voor om gevoelige sectoren beter te beschermen tegen oneerlijke handelsconcurrentie door normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) op te nemen in de criteria om de beschermingsmechanismen te beoordelen. In een recent advies over de methodologie van handelsbeschermingsinstrumenten (27) pleitte het EESC voor gelijke voorwaarden voor Europese producenten-exporteurs en producenten-exporteurs uit derde landen. In dit opzicht toonde het EESC zich ingenomen met het voornemen van de Commissie om specifieke criteria te hanteren om te bepalen of er sprake is van significante verstoringen op de markt. Het wees er echter op dat er ook aandacht moet worden besteed aan de naleving van de IAO-normen en van multilaterale milieuovereenkomsten. |
|
4.12. |
Gezien de krachtige toezegging van de Europese Commissie om arbeidsbepalingen aan te scherpen via handelsbesprekingen, moeten partnerlanden volgens het EESC “aantonen dat zij de acht fundamentele arbeidsverdragen van de IAO volledig in acht nemen, voordat er een handelsovereenkomst wordt gesloten. Als een partnerland deze verdragen niet geratificeerd of niet naar behoren ten uitvoer gelegd heeft of geen blijk heeft gegeven van een gelijkwaardig beschermingsniveau, dan beveelt het EESC aan om te streven naar een stappenplan met harde afspraken dat in het TSD-hoofdstuk wordt opgenomen, om ervoor te zorgen dat dit alsnog tijdig wordt bereikt.” (28) De EU moet ook de uitvoering en handhaving van actuele IAO-normen bevorderen om te garanderen dat EU-bedrijven in het buitenland daadwerkelijk onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren en om de verwezenlijking van SDG 8 inzake waardig werk te ondersteunen. |
|
4.13. |
Het handelsbeleid moet tevens initiatieven op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen versterken. Bedrijven moet zich verantwoordelijk opstellen in elke schakel van hun toeleveringsketen. Dit zou op zijn beurt het bestaansrecht van een onderneming flink moeten vergroten en moeten leiden tot maximale innovatie en duurzame economische groei. Het is belangrijk om consequent blijk te geven van verantwoord ondernemerschap zodat de EU haar wereldwijde handelspositie kan versterken en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen kunnen worden verwezenlijkt. De EU moet er bij alle vrijhandelsakkoorden op aandringen dat elke ondertekenende partij de naleving door bedrijven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen actief bevordert (29). Het EESC erkent het belang van de handhaving van de arbeidsmarktregels door de overheid, onder meer door middel van inspecties, en pleit er zo voor dat in handelsovereenkomsten van nationale en lokale overheden wordt geëist dat zij hun verantwoordelijkheden volledig nakomen. |
|
4.13.1. |
Meer landen werken op dit vlak hun eigen wetten en instrumenten uit, zoals de recente Franse wet inzake de waakzaamheidsplicht en de Nederlandse wet zorgplicht kinderarbeid. Canada heeft zijn strategie voor maatschappelijk verantwoord ondernemen aangescherpt door extra aandacht te besteden aan het gedrag van Canadese bedrijven in het buitenland. Ook heeft het land een multistakeholderadviesraad opgericht. In april 2019 werd de eerste Canadese Europese Ombudsman voor verantwoord ondernemen benoemd, met een mandaat om vermeende mensenrechtenschendingen in het kader van de buitenlandse activiteiten van Canadese bedrijven in de mijnbouw, de olie- en gasindustrie en de textielsector te onderzoeken en openbaar te maken. Ook kan deze Europese Ombudsman aanbevelingen doen met betrekking tot handelsmaatregelen voor bedrijven. |
|
4.14. |
Het EESC is van mening dat de EU zich in een unieke positie bevindt om het voortouw te nemen op het gebied van zorgvuldigheid, met name nu wereldwijde toeleverings- en waardeketens steeds langer worden. Vrijwillige en bindende maatregelen sluiten elkaar niet uit, maar moeten elkaar juist aanvullen. In dit opzicht heeft het EESC kennis genomen van de werkzaamheden met betrekking tot het zogeheten bindend VN-verdrag dat momenteel door de leden van de VN wordt besproken en waarmee wordt beoogd wettelijk bindende verplichtingen inzake mensenrechten in het kader van de activiteiten van transnationale ondernemingen te codificeren. Het is bovendien verheugd over de lopende werkzaamheden van het EESC aan het initiatiefadvies REX/518. Een aantal lidstaten heeft al wetgeving vastgesteld inzake de zorgvuldigheidsplicht. Het EESC verzoekt de Commissie hun voorbeeld te volgen en Europese regelgeving ter zake voor te stellen. |
5. Handel en duurzame ontwikkeling: de noodzaak van verwezenlijking van de SDG’s/Overeenkomst van Parijs
|
5.1. |
In zijn advies “Handel voor iedereen” (30) geeft het EESC aan met name ingenomen te zijn met het feit dat de EU “uitgebreid [ingaat] op duurzame ontwikkeling en in het bijzonder op sociale en mensenrechten en het milieu”. In zijn advies “Hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU” (31) dringt het EESC er bij de Commissie op aan “ambitieuzer te zijn in haar aanpak, met name waar het gaat om het versterken van de effectieve afdwingbaarheid van de toezeggingen in TSD-hoofdstukken, die voor het EESC van cruciaal belang is. Aan TSD-hoofdstukken moet evenveel gewicht worden gegeven als aan die over commerciële, technische en tarifaire aangelegenheden.” |
|
5.1.1. |
In dit verband is het EESC verheugd dat de aantredende Commissievoorzitter onlangs heeft aangekondigd dat er een nieuwe Chief Trade Enforcement Officer zal worden aangesteld die ermee wordt belast om de naleving van onze handelsovereenkomsten te monitoren en te verbeteren, al blijft de commissaris voor Handel de algemene verantwoordelijkheid houden. Degene die deze functie gaat vervullen zou ruime bevoegdheden met evenveel gewicht en doeltreffendheid moeten krijgen om toe te zien op alle verplichtingen die in vrijhandelsovereenkomsten zijn aangegaan, met name waar het gaat om de hoofdstukken inzake handel en duurzame ontwikkeling en om sociale en milieuproblemen die ontstaan in verband met andere hoofdstukken in overeenkomsten over handel en investeringen. In dit kader moet ook een objectieve besluitvormingsprocedure worden gevolgd op basis van tijdige en doeltreffend ingeleide onderzoeken waarvoor voldoende middelen moeten worden uitgetrokken en waarbij een duidelijke rol moet zijn weggelegd voor erkende belanghebbenden, die de mogelijkheid moeten hebben om klachten in te dienen en om deel te nemen aan eventueel volgende openbare hoorzittingen. Een grondige rapportage aan het EP en de Raad is in dit verband geboden, waarbij gezorgd moet worden voor een welomschreven rol van het EESC en de respectieve DAG’s, alsook voor onderliggende permanente betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld. |
|
5.2. |
In elk na 2010 gesloten vrijhandelsakkoord van wat de EU de “nieuwe generatie” noemt, is een hoofdstuk inzake handel en duurzame ontwikkeling opgenomen. Hierbij werd ook een actieve toezichthoudende rol toegekend aan het maatschappelijk middenveld van beide partijen. |
|
5.2.1. |
Het EESC vindt een constructieve dialoog met het maatschappelijk middenveld over het handels- en investeringsbeleid essentieel en roept er nogmaals toe op deze rol verder te versterken. In zijn advies over “De rol van interne adviesgroepen” (32) legde het EESC de nadruk op deze betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en pleitte het voor een uitbreiding ervan naar alle aspecten van handelsovereenkomsten, in de eerste plaats wat betreft de gevolgen van de betreffende overeenkomst voor toezeggingen inzake handel en duurzame ontwikkeling. |
|
5.2.2. |
Het EESC heeft reeds aanbevolen niet alleen een specifieke clausule ter bevordering van de SDG’s op te nemen in alle toekomstige mandaten voor hoofdstukken inzake handel en duurzame ontwikkeling (33), maar, naar aanleiding van de Overeenkomst van Parijs, ook te verwijzen naar de bestrijding van het broeikaseffect. |
|
5.3. |
Zowel de 17 SDG’s, die het middelpunt vormen van de uitgebreide “Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling” van de VN, als de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering (34) moeten mondiale prioriteiten blijven. Op dit gebied moeten handel en investeringen een centrale ondersteunende rol spelen. Het zal echter een aanzienlijke uitdaging zijn om de economie van de EU tegen 2050 koolstofneutraal te maken. |
|
5.3.1. |
Al deze factoren zullen, zowel in de EU als op wereldschaal, verregaande gevolgen hebben voor de handel en vice versa. De Parijse en SDG-agenda’s moeten voorop worden gesteld in alle toekomstige handelsbeleidsmaatregelen, -praktijken en -besprekingen. Uit ramingen van de Unctad (35) blijkt dat er 7 biljoen USD extra nodig zal zijn om de SDG’s te verwezenlijken, waarvan ten minste een derde uit de particuliere sector zal moeten komen. Maar ook overheidsmiddelen zullen een cruciale rol spelen bij de uitvoering en financiering van de SDG’s. Zoals eerder opgemerkt door de directeur-generaal van de WTO hebben de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG’s) al aangetoond dat handel een aanjager van verandering kan zijn (36). |
|
5.3.2. |
Daarnaast moet de regelgeving ingrijpend worden gewijzigd om een succesvolle energietransitie mogelijk te maken en om de vrijheid te waarborgen die nodig is om de doelstellingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken. In zijn advies over een multilateraal investeringsgerecht pleitte het EESC voor een hiërarchieclausule die garandeert dat in geval van inconsistentie tussen een internationale investeringsovereenkomst en een internationale milieu-, sociale of mensenrechtenovereenkomst die voor een partij bij een geschil bindend is, de verplichtingen uit hoofde van de laatstvermelde internationale overeenkomst prevaleren, om te voorkomen dat voorrang wordt gegeven aan overeenkomsten van investeerders (37). |
|
5.4. |
Het EESC heeft eerder geconcludeerd (38) dat de EU “bij uitstek geschikt [is] om de uitvoering van de SDG’s vooruit te helpen” omdat ze “over de geloofwaardigheid [beschikt] om een brug te kunnen slaan tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden”. Toch drong het EESC erop aan dat de EU zich meer richt op “de volledige integratie van de SDG’s in het Europese beleidskader en de huidige prioriteiten van de Commissie, indien nodig in samenwerking met de lidstaten”. |
|
5.4.1. |
Het EESC heeft al benadrukt dat handel in de landbouw (39) bijzonder belangrijk is voor de verwezenlijking van elf van de doelstellingen. In een recenter advies “Versterken van de banden tussen Europa en Azië” (40) achtte het EESC het van wezenlijk belang om een formeel verband te leggen tussen het [Chinese] Belt and Road Initiative en de SDG’s. Wederom werden de negen relevantste SDG’s aangehaald. |
|
5.5. |
Ten minste 13 SDG’s hebben betrekking op klimaatverandering. De Overeenkomst van Parijs is op haar beurt de eerste alomvattende wereldwijde klimaatovereenkomst. Als de SDG’s de blauwdruk vormen voor de volgende generatie, dan is deze overeenkomst de blauwdruk voor de toekomst van de planeet. Het wordt algemeen aanvaard dat een stijging van de gemiddelde wereldwijde temperatuur met meer dan 2 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus rampzalige gevolgen zou hebben. De landen die de grootste kans lopen om de gevolgen van deze ramp te ondervinden, zijn ook het minst goed in staat om de noodzakelijke veranderingen in goede banen te leiden. |
|
5.5.1. |
Intensievere handelsstromen leiden van nature tot meer vervoer, terwijl vervoer nu al voor aanmerkelijk veel broeikasgasemissies zorgt. Vervoer is verantwoordelijk voor 24 % van de wereldwijde CO2-uitstoot en het is de enige sector waar de emissies nog stijgen. Naar verwachting zal dit percentage in 2030 zijn toegenomen tot 40 % van de totale uitstoot. De internationale lucht- en scheepvaart zijn niet rechtstreeks opgenomen in de Overeenkomst van Parijs. Er is dan ook dringend behoefte aan een versterkt rechtvaardig en duurzaam vervoersbeleid waarin wordt ingegaan op alle vervoerswijzen en waarbij ook andere spelers in de toeleveringsketen worden betrokken, zoals energieproducenten en “Original Equipment Manufacturers”. |
|
5.5.2. |
In een afzonderlijk advies over de “Rol van vervoer” stelde het EESC dat er sprake is van “tal van uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling […], zoals de noodzaak om de klimaat- en milieueffecten te verminderen, de vervoerssystemen en de verkeersveiligheid te verbeteren en de problemen op het gebied van werkgelegenheid en fatsoenlijk werk aan te pakken” (41). Nu pleit het EESC er ook voor een beleidskoppeling met handel en investeringen tot stand te brengen. |
|
5.6. |
Deze algemene bezorgdheid heeft ertoe geleid dat het begrip “circulaire economie” steeds belangrijker is geworden. Onder die term wordt een economisch stelsel verstaan dat als doel heeft verspilling tot een minimum te beperken en hulpbronnen optimaal te benutten. Het doel van de circulaire economie bestaat erin het gebruik van hulpbronnen, verspilling, emissies en energielekken tot een minimum te beperken. Dit kan worden bereikt aan de hand van een regeneratieve aanpak die is gebaseerd op duurzame vormen van ontwerp, onderhoud, reparatie, hergebruik, herproductie, renovatie en recycling. |
|
5.6.1. |
Veel mensen zijn ervan overtuigd dat een duurzame wereld niet gepaard hoeft te gaan met een lagere levensstandaard voor consumenten, dat dit doel kan worden bereikt zonder verlies aan inkomsten en zonder extra kosten, alsook dat circulaire bedrijfsmodellen even winstgevend kunnen zijn als lineaire modellen. |
|
5.6.2. |
Er steken echter wel een aantal verwante problemen de kop op, in het bijzonder voor de sectoren in de EU die veel middelen en energie behoeven. Deze staan voor een inherente uitdaging. Ze spelen een belangrijke, strategische rol in de industriële waardeketens van de EU. Het klimaatbeleid beoogt broeikasgasemissies (afkomstig van zowel de verbranding van fossiele brandstoffen als industriële processen) te verminderen; het huidige streven van de EU is om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Voor bedrijven die veel middelen en energie behoeven vormen energiekosten echter een bijzonder hoog percentage van de totale kosten: 25 % voor staal, 22-29 % voor aluminium (42) en 25-32 % voor glas (43). Op dit probleem wordt in detail ingegaan in een afzonderlijk EESC-advies (44). |
|
5.6.3. |
Koolstof en derhalve investeringen lekken weg wanneer een hogere prijs in de EU een verlies van marktaandeel en verwante werkgelegenheid tot gevolg heeft. In dat geval worden de broeikasgasemissies van EU-producenten eenvoudigweg overgedragen aan producenten elders (die vaak minder energie-efficiënt zijn), wat (in het gunstigste geval) geen effect heeft op de mondiale broeikasgasemissies. |
|
5.6.4. |
Er kunnen verzachtende grensaanpassingsmaatregelen worden getroffen, waarbij landen een invoerrecht op geïmporteerde goederen kunnen heffen en over geëxporteerde goederen betaalde belasting kunnen teruggeven. De WTO beschouwt deze maatregelen als legaal mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. |
Brussel, 30 oktober 2019.
De voorzitter
van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Zie voetnoot 9 en de meeste van de volgende voetnoten.
(2) Publicatie van DG Handel, november 2018.
(3) COM(2015) 497 final.
(4) JOIN(2018) 31 final.
(5) Brief van de nieuwe Commissievoorzitter Ursula von der Leyen met de taakomschrijving voor de voorgedragen commissaris voor Handel, Phil Hogan, 10 september 2019.
(6) Zie voetnoot 3.
(7) En nog eens 20 miljoen buiten Europa.
(8) OESO Trade Policy Papers, nr. 226 (2019), Offshoring of services functions and labour market adjustments, Parijs.
(9) OESO, Trade Policy Papers, nr. 227 (2019), Micro-Evidence on Corporate Relationships in Global Value Chains: The Role of Trade, FDI and Strategic Partnerships, Parijs.
(10) Zie voetnoot 2.
(11) PB C 159 van 10.5.2019, blz. 15.
(12) OESO Productivity Working Papers, nr. 18 (2019), Industry Concentration in Europe and North America, Parijs; World Economic Outlook Report, april 2019.
(13) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 94.
(14) Zie voetnoot 3.
(15) PB C 383 van 17.11.2015, blz. 34.
(16) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 123.
(17) PB C 129 van 11.4.2018, blz. 27.
(18) Zie voetnoot 4.
(19) PB C 264 van 20.7.2016, blz. 123.
(20) PB C 159 van 10.5.2019, blz. 15.
(21) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 145.
(22) PB C 487 van 28.12.2016, blz. 30.
(23) PB C 173 van 31.5.2017, blz. 20.
(24) PB C 159 van 10.5.2019, blz. 15.
(25) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 27.
(26) Perscommuniqué van de Commissie, juli 2015.
(27) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 66.
(28) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 27.
(29) OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, 2011.
(30) Zie voetnoot 16.
(31) PB C 227 van 28.6.2018, blz. 27.
(32) PB C 159 van 10.5.2019, blz. 28.
(33) Zie voetnoot 16.
(34) De conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC COP21) in Parijs.
(35) Persbericht van Unctad WIF, Genève, 14.10.2014, sindsdien herhaald.
(36) Toespraak voor de VN, 21 september 2016.
(37) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 145.
(38) Zie voetnoot 17.
(39) Zie voetnoot 23.
(40) PB C 228 van 5.7.2019, blz. 95.
(41) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 9.
(42) A. Marcu, W. Stoefs: “Study on composition and drivers of energy prices and costs in selected energy-intensive industries”, CEPS, 2016. Kan worden geraadpleegd op http://ec.europa.eu/DocsRoom/documents/20355.
(43) C. Egenhofer, L. Schrefler: “Study on composition and drivers of energy prices and costs in energy-intensive industries. The case of the flat glass industry”, CEPS, 2014.