|
30.4.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 158/348 |
P8_TA(2019)0402
Ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma ***I
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU (COM(2018)0447 — C8-0258/2018 — 2018/0236(COD))
(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
(2021/C 158/49)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0447), |
|
— |
gezien artikel 294, lid 2, en artikel 189, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0258/2018), |
|
— |
gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, |
|
— |
gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018 (1), |
|
— |
gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 6 december 2018 (2), |
|
— |
gezien de op 25 januari 2019 door zijn Voorzitter aan de commissievoorzitters gestuurde brief, waarin de aanpak van het Parlement met betrekking tot de sectorale programma's van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) betreffende de periode na 2020 wordt uiteengezet, |
|
— |
gezien de op 1 april 2019 door de Raad aan de Voorzitter van het Europees Parlement gestuurde brief, waarin de gemeenschappelijke lezing wordt bevestigd waarover de medewetgevers het tijdens de onderhandelingen eens zijn geworden, |
|
— |
gezien artikel 59 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0405/2018), |
|
1. |
stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast (3); |
|
2. |
verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen; |
|
3. |
verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen. |
(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 51.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 365.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 13 december 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0520).
P8_TC1-COD(2018)0236
Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) …/… van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 189, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Ruimtevaarttechnologie, -gegevens en -diensten zijn onmisbaar geworden in het dagelijks leven van de Europeanen en spelen een essentiële rol in de instandhouding van tal van strategische belangen. De ruimtevaartindustrie van de Unie is reeds een van de meest concurrerende ter wereld. De opkomst van nieuwe spelers en de ontwikkeling van nieuwe technologieën brengen echter een omwenteling teweeg in de traditionele industriële modellen. Het is derhalve van cruciaal belang dat de Unie een leidende speler op het wereldtoneel blijft met een ruime vrijheid van handelen op het gebied van de ruimtevaart, dat zij wetenschappelijke en technische vooruitgang aanmoedigt en het concurrentie- en innovatievermogen van de bedrijfstakken van de ruimtevaartsector in de Unie ondersteunt, met name kleine en middelgrote ondernemingen, start-ups en innovatieve ondernemingen. |
|
(2) |
De mogelijkheden die de ruimte biedt voor de veiligheid van de Unie en haar lidstaten moet worden benut, zoals in het bijzonder wordt vermeld in de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van juni 2016, waarbij de civiele aard van het programma moet worden gehandhaafd en de mogelijke in de grondwet van de lidstaten vastgelegde bepalingen inzake neutraliteit of niet-gebondenheid moeten worden geëerbiedigd. De ontwikkeling van de ruimtevaartsector is van oudsher gekoppeld aan veiligheid. In veel gevallen zijn de uitrusting, onderdelen en instrumenten die worden gebruikt in de ruimtevaartsector evenals ruimtevaartgegevens en -diensten ▌voor tweeërlei gebruik. Niettemin wordt het veiligheids- en defensiebeleid van de Unie bepaald binnen het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, overeenkomstig titel V VEU. |
|
(3) |
De Unie heeft sinds het eind van de jaren 1990 op het vlak van de ruimtevaart haar eigen initiatieven en programma's ontwikkeld, namelijk het Europees overlaysysteem voor geostationaire navigatie (Egnos) en vervolgens Galileo en Copernicus, die tegemoetkomen aan de behoeften van de EU-burgers en de vereisten van het overheidsbeleid. ▌ De continuïteit van deze initiatieven moet worden gewaarborgd en de diensten die zij bieden moeten worden verbeterd, zodat ze voldoen aan de nieuwe behoeften van gebruikers , een prominente rol blijven spelen in het licht van nieuwe technologische ontwikkelingen en de veranderingen in de digitale, informatie- en communicatietechnologie▌en kunnen worden ingeschakeld voor politieke prioriteiten zoals klimaatverandering, met inbegrip van het monitoren van de veranderingen in het poolgebied, vervoer , cultureel erfgoed, veiligheid en defensie. |
|
(3 bis) |
Synergieën tussen de vervoerssector, de ruimtevaartsector en de digitale sector moeten worden benut om het bredere gebruik van nieuwe technologieën (zoals e-call, digitale tachograaf, verkeerstoezicht en -beheer, autonoom rijden, onbemande voertuigen en drones) te bevorderen en in te spelen op behoeften zoals veilige en naadloze connectiviteit, precieze plaatsbepaling, intermodaliteit en interoperabiliteit, teneinde zo het concurrentievermogen van vervoersdiensten en de industrie te vergroten. |
|
(3 ter) |
Om de voordelen van het programma ten volle te benutten in alle lidstaten en ten behoeve van al hun burgers, is het eveneens van essentieel belang om het gebruik en de benutting van de geleverde gegevens, informatie en diensten te bevorderen, alsook om de ontwikkeling van downstreamtoepassingen die op deze gegevens, informatie en diensten zijn gebaseerd, te ondersteunen. Met het oog hierop kunnen de lidstaten, de Commissie en de bevoegde entiteiten op gezette tijden informatiecampagnes over de voordelen van het programma organiseren. |
|
(4) |
Om de doelstellingen van handelingsvrijheid , onafhankelijkheid en veiligheid te verwezenlijken, is het voor de Unie noodzakelijk om autonome toegang te hebben tot de ruimte en er veilig gebruik van te kunnen maken. Het is derhalve van essentieel belang dat de Unie autonome, betrouwbare en kosteneffectieve toegang tot de ruimte ondersteunt , in het bijzonder wat betreft kritieke infrastructuur en technologie, openbare veiligheid en de veiligheid van de Unie en haar lidstaten. De Commissie moet daarom de mogelijkheid hebben om lanceerdiensten te aggregeren op Europees niveau, zowel voor haar eigen behoeften en, op hun verzoek, voor die van andere entiteiten, met inbegrip van de lidstaten, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 189, lid 2, van het Verdrag. Om in een zich snel ontwikkelende markt concurrerend te blijven, is het tevens van cruciaal belang dat de Unie blijft beschikken over toegang tot moderne, efficiënte en flexibele lanceerinfrastructuren en blijft profiteren van geschikte lanceersystemen . Daarom kan het programma, zonder afbreuk te doen aan de maatregelen die door de lidstaten en het Europees Ruimteagentschap worden genomen , aanpassingen van de grondinfrastructuur ondersteunen , met inbegrip van nieuwe ontwikkelingen, die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van het programma en aanpassingen, inclusief technologische ontwikkelingen, van de ruimtelanceersystemen, die noodzakelijk zijn voor het lanceren van satellieten, met inbegrip van alternatieve technologieën en innovatieve systemen, voor de uitvoering van de onderdelen van het programma . Deze activiteiten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement ▌om een betere kostenefficiëntie voor het programma te bewerkstelligen Aangezien er geen specifiek budget beschikbaar is, zouden de acties ter ondersteuning van de toegang tot de ruimte niet ten koste gaan van de tenuitvoerlegging van de onderdelen van het programma. |
|
(5) |
Teneinde het concurrentievermogen van de Europese ruimtevaartindustrie te versterken en capaciteiten te verwerven in het ontwerpen, bouwen en exploiteren van haar eigen systemen, moer de Unie steun verlenen aan de oprichting, groei en ontwikkeling van de gehele ruimtevaartindustrie. De opkomst van een ondernemings- en innovatiegezind model moet op Europees, regionaal en nationaal niveau worden ondersteund door middel van initiatieven zoals ruimtevaarthubs, waarin de ruimtevaart-, de digitale en andere sectoren evenals gebruikers, samen worden gebracht. Deze ruimtevaarthubs moeten ernaar streven ondernemerschap en vaardigheden te bevorderen, en tegelijkertijd synergieën met de digitale innovatiehubs tot stand te brengen. De Unie moet de oprichting en groei van ruimtevaartondernemingen die hun hoofdzetel in de Unie hebben, ondersteunen door hen onder meer te steunen bij het verkrijgen van toegang tot risicofinanciering, aangezien er binnen de Unie een gebrek is aan passende toegang tot particulier risicokapitaal voor start-ups die actief zijn op het gebied van de ruimtevaart, en door de vraag te stimuleren (de “first contract”-benadering). |
|
(5 xx) |
De ruimtevaartwaardeketen wordt over het algemeen als volgt opgedeeld: i) het upstreamgedeelte, dat activiteiten omvat die gericht zijn op de verwezenlijking van een operationeel ruimtevaartsysteem, met inbegrip van de ontwikkelings-, vervaardigings- en lanceringsactiviteiten en de functionering van een dergelijk systeem; en ii) het downstreamgedeelte, dat de verstrekking van ruimtevaartgerelateerde diensten en producten aan gebruikers omvat. Digitale platforms vormen eveneens een belangrijk element in de ondersteuning van de ontwikkeling van de ruimtevaartsector, aangezien zij toegang bieden tot gegevens en producten alsook tot instrumenten en opslag- en computerfaciliteiten. |
|
(5x) |
De Unie oefent haar bevoegdheden op het gebied van ruimtevaart uit in overeenstemming met artikel 4, lid 3, VWEU. De Commissie moet de coherentie van de in het kader van het programma uitgevoerde activiteiten waarborgen. |
|
(5 bis) |
Aangezien een aantal lidstaten een traditie van een actieve aan de ruimtevaart gelieerde industrie heeft, moet worden onderkend dat het noodzakelijk is om ruimtevaartindustrieën te ontwikkelen en uit te bouwen in lidstaten met opkomende mogelijkheden, alsook om in te springen op de uitdagingen waar traditionele ruimtevaartindustrieën mee kampen als gevolg van “New Space”. Acties om de capaciteit van de ruimtevaartindustrie in de hele Unie te ontwikkelen en om samenwerking tussen ruimtevaartbedrijven in alle lidstaten te vergemakkelijken, moeten worden ondersteund. |
|
(5 ter) |
Acties in het kader van het programma moeten voortbouwen op en profiteren van bestaande nationale en Europese capaciteit (bv. capaciteit die voorhanden is op het moment dat de actie wordt uitgevoerd). |
|
(6) |
Dankzij een brede dekking en de capaciteit om te helpen bij de aanpak van wereldwijde uitdagingen hebben ruimtevaartactiviteiten een sterke internationale dimensie. In nauwe samenwerking met en met de goedkeuring van de lidstaten, kunnen de desbetreffende instanties van het EU-ruimtevaartprogramma deelnemen aan onder dit programma vallende activiteiten in het kader van internationale samenwerking en in samenwerking met de desbetreffende sectorale VN-instanties. Voor kwesties die verband houden met het ruimtevaartprogramma van de Unie (“programma”), kan de Commissie, namens de Unie en binnen haar bevoegdheidsterrein, activiteiten op het internationale toneel ▌coördineren, met name om de belangen van de Unie en haar lidstaten te behartigen op internationale fora, o.a. op het vlak van frequenties wat betreft het programma, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de lidstaten op dit terrein . Het is van bijzonder belang dat de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, als waarnemer zitting heeft in de organen van het internationale programma Cospas-Sarsat. |
|
(6 bis) |
Internationale samenwerking is van cruciaal belang om de rol van de Unie als mondiale speler in de ruimtevaartsector te bevorderen en om de technologie en industrie van de Unie te promoten, eerlijke mededinging op internationaal niveau te bewerkstelligen, met inachtneming van het belang van het waarborgen van de wederkerigheid van de rechten en plichten van de partijen, en samenwerking aan te moedigen op het vlak van opleiding. Internationale samenwerking is een cruciaal element van de ruimtevaartstrategie voor Europa. De Commissie zal het EU-ruimtevaartprogramma gebruiken om bij te dragen aan en te profiteren van internationale inspanningen in de vorm van initiatieven, om de Europese technologie en industrie internationaal te promoten (bijvoorbeeld via bilaterale dialogen, workshops voor de sector, ondersteuning voor de internationalisering van kmo's), en de toegang tot internationale markten te vergemakkelijken en eerlijke mededinging te bevorderen, waarbij wordt voortgebouwd op initiatieven van economische diplomatie. Europese diplomatieke initiatieven in verband met de ruimtevaart moeten in volledige overeenstemming zijn met en een aanvulling vormen op bestaande EU-beleidsmaatregelen, -prioriteiten en instrumenten, terwijl het van groot belang is dat de Unie, samen met de EU-lidstaten, een voortrekkersrol op het wereldtoneel blijft vervullen. |
|
(7) |
Onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten moet de Commissie samen met ▌de Hoge Vertegenwoordiger en in nauwe samenwerking met de lidstaten, bij de tenuitvoerlegging van het programma verantwoord gedrag in de ruimte bevorderen, met inbegrip van de vermindering van de verspreiding van ruimteschroot, en de mogelijkheid voor de Europese Unie om toe te treden tot de relevante VN-verdragen en -akkoorden onderzoeken , en, zo nodig, passende voorstellen doen . |
|
(8) |
Het programma heeft doelstellingen die soortgelijk zijn aan die van andere programma's van de Unie, met name Horizon Europa, InvestEU, het Europees Defensiefonds en de fondsen in het kader van Verordening (EU) [verordening gemeenschappelijke bepalingen]. Daarom moet uit deze programma's cumulatieve financiering worden verstrekt, op voorwaarde dat zij betrekking hebben op dezelfde kosten, in het bijzonder via regelingen voor aanvullende financiering uit EU-programma's waar de beheersvoorschriften dit toelaten — hetzij achtereenvolgens, afwisselend of door een combinatie van middelen voor de gezamenlijke financiering van acties, met, waar mogelijk, innovatiepartnerschappen en blendingverrichtingen. Tijdens de uitvoering van het programma moet de Commissie daarom de bevordering van synergieën met andere aanverwante programma’s van de Unie en financiële instrumenten mogelijk maken, met, waar mogelijk, gebruikmaking van de toegang tot risicokapitaal, innovatiepartnerschappen en cumulatieve of gecombineerde financiering. Het programma moet eveneens synergieën en samenhang waarborgen tussen de in het kader van deze programma's, met name Horizon Europa, ontwikkelde oplossingen, en de oplossingen die worden ontwikkeld in het kader van het ruimtevaartprogramma. |
|
(8 bis) |
Overeenkomst artikel 191, lid 3, van het Financieel Reglement mogen dezelfde kosten onder geen beding twee keer uit de Uniebegroting worden gefinancierd, bijvoorbeeld zowel uit Horizon Europa en het ruimtevaartprogramma. |
|
(9) |
De beleidsdoelstellingen van dit programma worden ook nagestreefd als subsidiabele arealen voor financierings- en investeringsoperaties door middel van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties van het InvestEU-fonds, met name in het kader van de beleidsvensters voor duurzame infrastructuur en onderzoek, innovatie en digitalisering. De financiële steun moet worden gebruikt om tekortkomingen van de markt of suboptimale investeringssituaties op een evenredige manier aan te pakken. Acties mogen niet in de plaats komen van private financiering of deze dupliceren of de mededinging in de interne markt verstoren. De acties moeten een duidelijke Europese toegevoegde waarde hebben. |
|
(10) |
Samenhang en synergieën tussen Horizon Europa en het programma zullen een concurrerende en innoverende Europese ruimtevaartsector stimuleren, Europa's autonomie inzake toegang tot en gebruikmaking van de ruimte in een klimaat van zekerheid en veiligheid versterken, en de rol van Europa als mondiale speler bevorderen. Baanbrekende oplossingen in het kader van Horizon Europa zullen worden ondersteund door gegevens en diensten die middels het programma aan de onderzoeks- en innovatiegemeenschap ter beschikking worden gesteld. |
|
(10 bis) |
Om het sociaaleconomisch rendement van het programma te optimaliseren, is het van cruciaal belang om geavanceerde systemen te onderhouden en deze aan te passen aan de veranderende behoeften van gebruikers, alsook dat er zich nieuwe ontwikkelingen voordoen in de downstreamtoepassingen op het gebied van ruimtevaart. De Unie moet activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling, of de vroege fasen van de ontwikkeling en de onderzoeksactiviteiten met betrekking tot de in het kader van het programma ingestelde infrastructuren, ondersteunen, evenals toepassingen en diensten die zijn gebaseerd op systemen uit hoofde van het programma, en zo de upstream- en downstream economische activiteiten stimuleren. Het passende instrument voor de financiering van onderzoeks- en innovatieactiviteiten op Unieniveau is Horizon Europa zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. XXX/XXXX. Een zeer specifiek deel van de ontwikkelingsactiviteiten moet evenwel gefinancierd worden uit de uit hoofde van deze verordening aan de Galileo- en Egnos-onderdelen toegekende begrotingsmiddelen, met name wanneer deze activiteiten betrekking hebben op fundamentele elementen zoals met voor Galileo compatibele chipsets en ontvangers, waardoor de ontwikkeling van toepassingen in veel sectoren van de economie wordt vergemakkelijkt. Deze financiering mag de stationering of de exploitatie van de in het kader van de programma's tot stand gebrachte infrastructuren echter niet in het gedrang brengen. |
|
(10x) |
Om het concurrentievermogen van de Europese ruimtevaartindustrie in de toekomst te waarborgen, moet het programma bovendien de ontwikkeling van geavanceerde vaardigheden op verwante gebieden alsook onderwijs- en opleidingsactiviteiten ondersteunen, en moet daarbij bijzondere aandacht worden besteed aan meisjes en vrouwen, teneinde het volledige potentieel van de burgers van de Unie op dit gebied te benutten. |
|
(10 ter) |
Specifieke infrastructuur voor het programma kan extra onderzoek en innovatie vereisen, wat kan worden ondersteund in het kader van Horizon Europa. Hierbij moet worden gestreefd naar samenhang met de werkzaamheden op dit gebied van het Europees Ruimteagentschap. Synergieën met Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat de onderzoeks- en innovatiebehoeften van de ruimtevaartsector worden geïdentificeerd en als onderdeel van het strategische planningsproces op het gebied van onderzoek en innovatie worden opgevat. Ruimtevaartgegevens en -diensten die gratis beschikbaar worden gesteld door het programma zullen worden gebruikt voor de ontwikkeling van baanbrekende oplossingen via onderzoek en innovatie, onder meer in het kader van Horizon Europa, met betrekking tot de voornaamste Europese beleidsmaatregelen. De strategische planningsprocedure in het kader van Horizon Europa zal onderzoeks- en innovatieactiviteiten identificeren die gebruik moeten maken van infrastructuren die de Unie bezit, zoals Galileo, Egnos en Copernicus. Onderzoeksinfrastructuren, met name netwerken voor observatie ter plaatse, zullen essentiële elementen zijn van de infrastructuur voor observatie ter plaatse waardoor de Copernicus-diensten mogelijk worden. |
|
(11) |
Het is belangrijk dat de Unie eigenaar is van alle materiële en immateriële activa die worden gecreëerd of ontwikkeld via overheidsopdrachten die zij in het kader van haar ruimtevaartprogramma's financiert. Teneinde de volledige naleving van fundamentele rechten met betrekking tot eigendom te waarborgen, moeten de nodige regelingen worden getroffen met bestaande eigenaars. Het feit dat de Unie het eigendom heeft, dient de mogelijkheid voor de Unie om, overeenkomstig deze verordening en waar dat passend wordt geacht op basis van een beoordeling per geval, deze activa beschikbaar te stellen voor derde partijen of er afstand van te doen, onverlet te laten. |
|
(11 bis) |
Ter bevordering van een zo ruim mogelijk gebruik van de diensten die door het programma worden geboden, zou het nuttig zijn erop te wijzen dat gegevens, informatie en diensten zonder zekerheidstelling en worden verleend, onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit wettelijk bindende bepalingen. |
|
(11 ter) |
De Commissie kan voor de vervulling van sommige van haar taken met een niet-regelgevend karakter, in voorkomend geval en voor zover als nodig, een beroep doen op technische ondersteuning vanwege bepaalde externe partijen. De andere entiteiten die betrokken zijn bij het publieke bestuur van het programma kunnen ook van dezelfde technische bijstand gebruikmaken bij de uitvoering van de hun krachtens deze verordening opgedragen taken. |
|
(12) |
In deze verordening worden voor het programma de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer. |
|
(13) |
In het licht van het belang om de klimaatverandering aan te pakken overeenkomstig de verbintenis van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, zal dit specifieke programma bijdragen aan de integratie van klimaatacties en de verwezenlijking van de algemene doelstelling dat 25 % van de uitgaven in de EU-begroting klimaatdoelen moet ondersteunen. De betrokken acties zullen tijdens de voorbereiding en de uitvoering van het programma worden vastgesteld en zullen opnieuw worden beoordeeld in het kader van de betrokken evaluatie- en herzieningsprocedures. |
|
(14) |
▌Inkomsten die gegenereerd worden door onderdelen van het programma, moeten door de Unie worden geïnd ter gedeeltelijke compensatie van de investeringen die zij reeds heeft gedaan, en worden gebruikt ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma. In contracten die met organisaties uit de privésector worden gesloten, kan om dezelfde reden worden voorzien in een mechanisme voor het delen van deze ontvangsten. |
|
(15) |
Aangezien het programma in principe door de Unie wordt gefinancierd, moeten in het kader van dit programma afgesloten aanbestedingsovereenkomsten voor uit het programma gefinancierde activiteiten voldoen aan de regels van de Unie. In dit verband moet de Unie ook verantwoordelijk zijn voor het definiëren van de doelstellingen die moeten worden nagestreefd met betrekking tot overheidsopdrachten. Opgemerkt zij dat overeenkomstig het Financieel Reglement, de Commissie op basis van de uitkomsten van een beoordeling vooraf, mag vertrouwen op de systemen en procedures van de personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren. Specifieke aanpassingen aan deze systemen en procedures, alsmede de verlengingsregelingen voor lopende contracten, moeten in de desbetreffende overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap of bijdrageovereenkomst worden bepaald. |
|
(16) |
Het programma steunt op complexe technologieën die continu in ontwikkeling zijn. Het steunen op dergelijke technologieën zorgt voor onzekerheden en risico's voor aanbestedingsovereenkomsten die in het kader van dit programma worden afgesloten, voor zover deze overeenkomsten betrekking hebben op toezeggingen op lange termijn ten aanzien van uitrusting of diensten. Specifieke maatregelen inzake aanbestedingsovereenkomsten zijn derhalve vereist naast de regels die zijn vastgesteld in het Financieel Reglement. Het moet dus mogelijk zijn om een opdracht te gunnen in de vorm van een opdracht met voorwaardelijke tranches, onder bepaalde voorwaarden in het kader van de uitvoering van een contract een wijziging door middel van aanhangsels bij dat contract te introduceren, of een minimumniveau van uitbesteding op te leggen , met name om de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups mogelijk te maken . Ten slotte kunnen prijzen van overeenkomsten, gezien de technologische onzekerheden die de onderdelen van het programma kenmerken, niet altijd accuraat worden voorspeld, en moet het derhalve mogelijk zijn om overeenkomsten af te sluiten zonder een strikte vaste prijs vast te leggen en om clausules in te bouwen om de financiële belangen van de Unie te waarborgen. |
|
(16 bis) |
Om de openbare vraag en innovatie in de publieke sector te bevorderen, moet het programma het gebruik van gegevens, informatie en diensten van het programma stimuleren om de ontwikkeling van op maat gemaakte oplossingen door de industrie en kmo's op lokaal en regionaal niveau te ondersteunen door middel van innovatiepartnerschappen op het gebied van ruimtevaart, als vermeld in bijlage 1, punt 7, van het Financieel Reglement, zodat alle ontwikkelingsfasen tot aan de invoering en aanbesteding van op maat gemaakte interoperabele ruimtevaartoplossingen voor overheidsdiensten aan toe worden bestreken. |
|
(17) |
Teneinde de doelstellingen van het programma te behalen, is het belangrijk om, in voorkomend geval, beroep te kunnen doen op capaciteiten die worden aangeboden door publieke en particuliere entiteiten in de Unie die actief zijn op het gebied van de ruimtevaart en tevens op internationaal niveau te kunnen samenwerken met derde landen of internationale organisaties. Er moet derhalve in de mogelijkheid worden voorzien om alle relevante instrumenten en beheermethoden uit het Verdrag en het Financieel reglement ▌en gezamenlijke aanbestedingsprocedures aan te wenden. |
|
(18) |
Meer in het bijzonder met betrekking tot subsidies, heeft de ervaring geleerd dat aanvaarding door de gebruiker en de markt en algemene bewustmaking beter functioneren op gedecentraliseerde wijze dan wanneer de Commissie top-down te werk gaat. Vouchers, een vorm van financiële steun vanwege een begunstigde van subsidies aan derden, behoren tot de acties met de hoogste slagingskans bij nieuwe spelers op de markt en kleine en middelgrote ondernemingen. Zij zijn echter gehinderd door het maximumbedrag aan financiële steun dat wordt opgelegd door het Financieel Reglement. Dit maximumbedrag moet derhalve worden opgetrokken voor het EU-ruimtevaartprogramma om gelijke tred te houden met het groeiende potentieel aan markttoepassingen in de ruimtevaartsector. |
|
(19) |
De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Hierbij moet het gebruik worden overwogen van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten, evenals financiering die niet aan kosten is gekoppeld, als bedoeld in [artikel 125, lid 1] van het Financieel Reglement. |
|
(20) |
Verordening (EU, Euratom) nr. [het nieuwe FR] (het “Financieel Reglement”) is op dit programma van toepassing. De verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, met inbegrip van regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties. |
|
(21) |
Krachtens [referentie zo nodig aanpassen overeenkomstig een nieuw besluit inzake LGO's: artikel 88 van Besluit …/…/EU van de Raad] moeten in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking komen voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het Programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. |
|
(22) |
De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben tevens betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene rechtsstatelijke tekortkomingen in de lidstaten, aangezien eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële voorwaarde is voor goed financieel beheer en effectieve EU-financiering. |
|
(23) |
Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (2) (het “Financieel Reglement”), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (3) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (4) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (“het EOM”) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (5). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. |
|
(24) |
Derde landen die deel uitmaken van de ▌ EER ▌ kunnen deelnemen aan programma's van de Unie in het kader van de samenwerking krachtens de EER-overeenkomst, die voorziet in de uitvoering van de programma's bij een besluit uit hoofde van die overeenkomst. Derde landen kunnen ook deelnemen op grond van andere juridische instrumenten. In deze verordening dient een specifieke bepaling te worden opgenomen waarbij aan de bevoegde ordonnateur, ▌OLAF ▌en de Europese Rekenkamer de nodige rechten en toegang worden verleend om hun respectieve bevoegdheden ten volle uit te oefenen. |
|
(25) |
Een goed publiek bestuur van het programma vereist een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden en taken tussen de verschillende betrokken entiteiten om onnodige overlapping te voorkomen en kostenoverschrijdingen en vertragingen te verminderen. Alle bestuursactoren moeten, binnen hun takenpakket en overeenkomstig hun bevoegdheden, de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma ondersteunen. |
|
(26) |
De lidstaten zijn reeds lange tijd actief op het gebied van de ruimtevaart. Zij beschikken over systemen, infrastructuur, nationale agentschappen en organen die verband houden met de ruimtevaart. Zij kunnen bijgevolg een grote bijdrage aan het programma leveren, met name de uitvoering ervan ▌. Zij kunnen ▌ samenwerken met de Unie voor de promotie van de diensten en toepassingen van het programma. De Commissie kan in staat zijn om de middelen waarover de lidstaten beschikken te mobiliseren, gebruik te maken van hun bijstand en, op wederzijds overeengekomen voorwaarden, de lidstaten te belasten met taken van niet-regelgevende aard bij de uitvoering van het programma ▌. Bovendien moeten de betrokken lidstaten alle nodige maatregelen nemen om de op hun grondgebied gevestigde grondstations te beschermen. Daarnaast moeten de lidstaten en de Commissie met elkaar en met de bevoegde internationale organen en regelgevende instanties samenwerken om ervoor te zorgen dat de frequenties die nodig zijn voor het programma beschikbaar zijn en adequaat beschermd worden, om de volledige ontwikkeling en exploitatie van op de aangeboden diensten gebaseerde toepassingen mogelijk te maken, overeenkomstig Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (6). |
|
(26 bis) |
Onder bepaalde naar behoren gemotiveerde omstandigheden kan het Agentschap specifieke taken overdragen aan lidstaten of een groep lidstaten. Deze overdracht moet beperkt blijven tot activiteiten die het Agentschap wegens een gebrek aan capaciteit niet zelf kan uitvoeren en mag geen afbreuk doen aan het bestuur van het programma en de toewijzing van taken als gedefinieerd in deze verordening. |
|
(27) |
Als promotor van het algemene belang van de Unie, is het de taak van de Commissie om toezicht te houden op de uitvoering van het programma, de algehele verantwoordelijkheid te dragen en het gebruik ervan te bevorderen. Om de middelen en competenties van de verschillende belanghebbenden te optimaliseren, moet de Commissie bepaalde taken kunnen delegeren. Bovendien is de Commissie het best geplaatst om de belangrijkste vereisten vast te stellen die nodig zijn om de ontwikkeling van systemen en diensten ten uitvoer te leggen. |
|
(28) |
De missie van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (“het Agentschap”), dat is opgericht als vervanger en opvolger van het bij Verordening (EU) nr. 912/2010 opgerichte Europees GNSS-Agentschap, is om bij te dragen aan het programma, met name wat betreft beveiligingshomologatie evenals de ontwikkeling van markt- en downstreamtoepassingen . Bepaalde taken die verband houden met deze gebieden moeten derhalve worden toegewezen aan het Agentschap. In het bijzonder met betrekking tot veiligheid en gezien de ervaring van het Agentschap op dit gebied, moet het Agentschap worden belast met de beveiligingshomologatietaken voor alle acties van de Unie op het gebied van ruimtevaart. Voortbouwend op zijn gedegen staat van dienst wat betreft het bevorderen van de aanvaarding door de gebruiker en de markt van Galileo en Egnos, moet het Agentschap worden belast met op gebruikersacceptatie gerichte activiteiten ten aanzien van andere onderdelen van het programma dan Galileo en Egnos, alsook met de activiteiten inzake de ontwikkeling van downstreamtoepassingen voor alle onderdelen van het programma. Dit zou het mogelijk maken te profiteren van schaalvoordelen en een kans bieden voor de ontwikkeling van toepassingen op basis van diverse onderdelen van het programma (geïntegreerde toepassingen). Deze activiteiten mogen evenwel niet ten koste gaan van de op acceptatie van diensten en op gebruikersacceptatie gerichte activiteiten waarmee de Commissie de voor Copernicus verantwoordelijke entiteiten heeft belast. De belasting van het Agentschap met de ontwikkeling van downstreamtoepassingen belet het andere belaste entiteiten niet om downstreamtoepassingen te ontwikkelen. Bovendien moet het Agentschap de taken uitvoeren die de Commissie aan het Agentschap overdraagt door middel van een of meerdere bijdrageovereenkomsten krachtens een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap die betrekking hebben op ▌ andere specifieke taken die verband houden met het programma. Wanneer de taken aan het Agentschap worden toevertrouwd, moet gezorgd worden voor voldoende personele, administratieve en financiële middelen. |
|
(28 bis) |
Galileo en Egnos zijn complexe systemen die intensieve coördinatie vereisen. Aangezien Galileo en Egnos Unie-onderdelen zijn, moet de coördinatie in handen zijn van een instelling of orgaan van de Unie. Daar het kan voortbouwen op de expertise die het de afgelopen jaren heeft opgebouwd, is het Agentschap het meest geschikte orgaan om alle operationele taken in verband met de exploitatie van deze systemen te coördineren, met uitzondering van de internationale samenwerking. Het Agentschap moet daarom worden belast met het beheer van de exploitatie van Egnos en Galileo. Dit betekent evenwel niet dat het Agentschap de taken in verband met de exploitatie van de systemen alleen moet verrichten. Het kan steunen op de expertise van andere entiteiten, in het bijzonder die van het Europees Ruimteagentschap. Het moet hierbij onder meer gaan om activiteiten op het gebied van evolutie van systemen, ontwerp en ontwikkeling van delen van het grondsegment en satellieten die aan het Europees Ruimteagentschap moeten worden toevertrouwd. De toewijzing van taken aan andere entiteiten berust op de deskundigheid van deze entiteiten en moet erop gericht zijn dubbel werk te voorkomen. |
|
(29) |
Het Europees Ruimteagentschap is een internationale organisatie met uitgebreide expertise op het vlak van ruimtevaart die in 2004 een kaderovereenkomst afsloot met de Europese Gemeenschap. Het is derhalve een belangrijke partner bij de uitvoering van het programma waarmee gepaste relaties moeten worden aangeknoopt. In dit verband, en in overeenstemming met het Financieel Reglement, moet de Commissie een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap sluiten met het Europees Ruimteagentschap en het Agentschap die van toepassing is op alle financiële betrekkingen tussen de Commissie, het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap en hun samenhang waarborgt, in overeenstemming met de kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Europees Ruimteagentschap, en met name met de artikelen 2 en 5 daarvan. Aangezien het Europees Ruimteagentschap geen Unie-orgaan is en niet is onderworpen aan het recht van de Unie, is het echter van essentieel belang dat het Europees Ruimteagentschap passende maatregelen neemt ter bescherming van de belangen van de Unie en haar lidstaten en ten aanzien van de uitvoering van de begroting, en dat de taken die het zijn toevertrouwd in overeenstemming zijn met de besluiten van de Commissie . De overeenkomst moet ook alle nodige bepalingen bevatten om de financiële belangen van de Unie te vrijwaren. |
|
(30) |
De werking van het SATCEN als een Europees autonoom vermogen dat toegang biedt tot informatie en diensten op basis van de exploitatie van de betreffende ruimteactiva en aanverwante gegevens werd reeds bevestigd bij de tenuitvoerlegging van Besluit nr. 541/2014/EU . |
|
(31) |
Teneinde de vertegenwoordiging van gebruikers structureel te verankeren in het bestuur van Govsatcom en de behoeften en vereisten van gebruikers over nationale grenzen en burgerlijk-militaire tussenschotten te aggregeren, moeten de relevante entiteiten van de Unie die nauwe betrekkingen hebben met de gebruikers, zoals het Europees Defensieagentschap, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, het Europees Bureau voor visserijcontrole, het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving, het militair plannings- en uitvoeringsvermogen, het civiel plannings- en uitvoeringsvermogen en het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties, coördinatietaken hebben ten aanzien van bepaalde groepen gebruikers. Op geaggregeerd niveau moet het Agentschap gebruikersgerelateerde aspecten voor de burgerlijke ▌gebruikersgemeenschappen coördineren en kunnen zij het operationele gebruik, de vraag, de naleving van vereisten en veranderende behoeften en vereisten monitoren. |
|
(32) |
Gezien het belang van met de ruimtevaart verband houdende activiteiten voor de economie van de Unie en de levens van burgers van de Unie, en het tweeërlei gebruik van de systemen en van de toepassingen die op deze systemen zijn gebaseerd, moet het bereiken en handhaven van een hoog niveau van veiligheid een topprioriteit zijn voor het programma, met name om de belangen van de Unie en van haar lidstaten te vrijwaren, onder meer in verband met gerubriceerde en andere gevoelige niet-gerubriceerde informatie. |
|
(33) |
Zonder afbreuk te doen aan de prerogatieven van de lidstaten op het gebied van nationale veiligheid moeten de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger elk binnen hun respectieve bevoegdheidsgebied de beveiliging van het programma waarborgen in overeenstemming met deze verordening en, in voorkomend geval, Besluit 201x/xxx/GBVB van de Raad (7). |
|
(33 bis) |
Gezien de specifieke deskundigheid waarover EDEO beschikt en zijn regelmatige contacten met de overheidsdiensten van derde landen en met internationale organisaties, kan de EDEO de Commissie bijstaan bij de verrichting van sommige van haar taken in verband met de beveiliging van het programma op het vlak van de externe betrekkingen, overeenkomstig Besluit 2010/427/EU van de Raad. |
|
(34) |
Onverminderd de exclusieve verantwoordelijkheid van de lidstaten op het gebied van nationale veiligheid, als bepaald in artikel 4, lid 2, VEU, en het recht van de lidstaten om hun wezenlijke veiligheidsbelangen te verdedigen overeenkomstig artikel 346 VWEU, moet een specifiek beheer van de beveiliging tot stand worden gebracht om een soepele tenuitvoerlegging van het programma te waarborgen. Dit beheer ▌moet worden gebaseerd op drie belangrijke beginselen. In de eerste plaats is het absoluut noodzakelijk dat de uitgebreide, unieke ervaring van de lidstaten op het gebied van beveiligingsaangelegenheden zoveel mogelijk in overweging wordt genomen. Ten tweede moeten, ter voorkoming van belangenconflicten en eventuele tekortkomingen in de toepassing van beveiligingsregels, de operationele functies worden gescheiden van de beveiligingshomologatiefuncties. Ten derde is de entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer van alle of een deel van de bestanddelen van het programma ook het best geplaatst om de beveiliging van de haar opgedragen taken te beheren. De beveiliging van het programma zal berusten op de ervaring die de afgelopen jaren is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van Galileo, Egnos en Copernicus. Goed beveiligingsbestuur vereist ook dat de rollen op passende wijze worden verdeeld onder de verschillende spelers. Aangezien zij verantwoordelijk is voor het programma, moet de Commissie , onverminderd de prerogatieven van de lidstaten op het gebied van nationale veiligheid, de algemene beveiligingsvereisten bepalen die van toepassing zijn op elk van de onderdelen van het programma. |
|
(34x) |
De cyberbeveiliging van Europese ruimtevaartinfrastructuur, zowel op de grond als in de ruimte, is essentieel om de continuïteit van de exploitatie van de systemen alsook van de diensten te waarborgen. Er moet bij de vaststelling van de veiligheidsvereisten derhalve terdege rekening worden gehouden met de noodzaak om de systemen en hun diensten tegen cyberaanvallen te beschermen, onder meer door gebruik te maken van nieuwe technologieën. |
|
(34 bis) |
Wanneer dit op grond van de risico- en dreigingsanalyse wenselijk wordt geacht, moet de Commissie een beveiligingscontrolestructuur vaststellen. Dit beveiligingscontroleorgaan moet een entiteit zijn die voldoet aan de binnen het toepassingsgebied van Besluit 201/xxx/GBVB ontwikkelde instructies. Voor Galileo moet dit het Galileo-centrum voor de beveiligingscontrole zijn. Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van Besluit 201/xxx/GBVB wordt de rol van de raad voor de veiligheidsaccreditatie beperkt tot het verstrekken van input aan de Raad en/of de HV in verband met de veiligheidsaccreditatie van het systeem. |
|
(35) |
Gezien het unieke karakter en de complexiteit van het programma en het verband met veiligheid, moeten voor de beveiligingshomologatie erkende en beproefde beginselen worden gevolgd. Het is dus absoluut noodzakelijk dat de beveiligingshomologatiewerkzaamheden worden uitgevoerd op basis van collectieve verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de Unie en haar lidstaten, door te streven naar het bouwen van consensus en alle belanghebbenden te betrekken bij de kwestie van veiligheid, en dat er een procedure voor permanente risicomonitoring wordt ingevoerd. Het is eveneens onontbeerlijk dat technische beveiligingshomologatiewerkzaamheden worden toevertrouwd aan vakmensen die voldoende bekwaamheid bezitten op het vlak van de homologatie van complexe systemen en over een veiligheidsmachtiging van een passend niveau beschikken. |
|
(35x) |
Gerubriceerde informatie van de EU moet worden behandeld overeenkomstig de veiligheidsvoorschriften als vastgelegd in Besluit (EU, Euratom)2015/444 en Besluit 2013/488/EU. Overeenkomstig het besluit van de Raad moeten de lidstaten de daarin vastgelegde beginselen en minimumnormen eerbiedigen, teneinde ervoor te zorgen dat ten aanzien van gerubriceerde EU-informatie een vergelijkbaar beschermingsniveau bestaat. |
|
(36) |
Om de veilige uitwisseling van informatie te garanderen, moeten passende overeenkomst worden vastgesteld om te zorgen voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie die aan derde landen en internationale organisaties wordt verstrekt in het kader van het programma. |
|
(37) |
Een van de belangrijkste doelstellingen van het programma bestaat uit het waarborgen van de veiligheid en de strategische autonomie ervan, het versterken van het vermogen om op te treden in een groot aantal sectoren, met name op het gebied van beveiliging, en het profiteren van de mogelijkheden die de ruimtevaart biedt voor de veiligheid van de Unie en haar lidstaten. Deze doelstelling vereist strikte regels inzake de subsidiabiliteit van de entiteiten die kunnen deelnemen aan de activiteiten die worden gefinancierd in het kader van het programma waarvoor toegang tot gerubriceerde EU-informatie (EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie nodig is. |
|
(37 bis) |
In het kader van het programma dient sommige informatie, die weliswaar niet gerubriceerd is, te worden behandeld in overeenstemming met reeds geldende wetgeving of nationale wetten, regels en verordening, onder meer door middel van beperkingen ten aanzien van de verspreiding ervan. |
|
(38) |
In een toenemend aantal belangrijke economische sectoren, en met name in de sectoren vervoer, telecommunicatie, landbouw en energie, neemt het gebruik van satellietnavigatie- en aardobservatiesystemen gestaag toe. Het programma moet de synergieën tussen deze sectoren benutten, daarbij rekening houdend met de voordelen die ruimtevaarttechnologieën deze sectoren bieden, de ontwikkeling van compatibele apparatuur ondersteunen en de ontwikkeling van desbetreffende normen en certificaties bevorderen. Synergieën tussen ruimtevaartactiviteiten en activiteiten in verband met de veiligheid en defensie van de Europese Unie en haar lidstaten nemen eveneens toe . Volledige controle van satellietnavigatie moet daarom de technologische onafhankelijkheid van de Unie, ook op de langere termijn voor de onderdelen van de infrastructuur, garanderen en zorgen voor de strategische autonomie van de Unie. |
|
(39) |
Het Galileo-programma beoogt de invoering en exploitatie van de eerste specifiek voor civiele doeleinden ontworpen mondiale infrastructuur voor navigatie en plaatsbepaling per satelliet, die door diverse publieke en particuliere actoren in Europa en in de hele wereld kan worden gebruikt. Galileo functioneert onafhankelijk van andere bestaande of potentiële systemen en draagt zo onder meer bij tot de strategische autonomie van de Unie. De tweede generatie van het systeem moet vóór 2030 geleidelijk worden ingevoerd, aanvankelijk met beperkte operationele capaciteit. |
|
(40) |
Het doel van Egnos is de verbetering van de kwaliteit van open signalen van bestaande mondiale systemen voor satellietnavigatie, met name die welke worden uitgestoten door het Galileo-systeem. De door Egnos geboden diensten moeten als prioriteit voor het einde van 2016 het binnen Europa gelegen grondgebied van de lidstaten dekken, voor deze doelstelling met inbegrip van Cyprus, de Azoren, de Canarische eilanden en Madeira. Op het gebied van de luchtvaart moeten al deze gebieden van Egnos profiteren voor luchtvaartnavigatiediensten voor alle door Egnos ondersteunde prestatieniveaus . Afhankelijk van de technische haalbaarheid en, voor de bescherming van mensenlevens, op basis van internationale overeenkomsten, kan de geografische dekking van de door Egnos geleverde diensten naar andere regio's in de wereld worden uitgebreid. Onverminderd Verordening (EU) 2018/1139 en de noodzakelijke kwaliteitsmonitoring van de dienstverlening van Galileo voor doeleinden in de luchtvaart moet worden opgemerkt dat hoewel de door Galileo uitgezonden signalen doeltreffend kunnen worden gebruikt om de positionering van vliegtuigen te vergemakkelijken, in alle fasen van de vlucht, door middel van de noodzakelijke augmentatiesystemen (lokaal, regionaal, luchtvaartelektronica aan boord), enkel plaatselijke of regionale augmentatiesystemen zoals Egnos in Europa diensten op het vlak van luchtverkeersbeheer (ATM) en luchtvaartnavigatie (ANS) mogen verlenen. De dienst beveiliging van mensenlevens van Egnos moet worden verstrekt in overeenstemming met de toepasselijke ICAO-normen. |
|
(41) |
Het is van essentieel belang dat ▌de duurzaamheid van de ▌Galileo- en Egnossystemen ▌worden gewaarborgd, evenals de continuïteit, beschikbaarheid, nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en veiligheid van de diensten ervan. In een veranderende omgeving en een snel veranderende markt moet hun ontwikkeling ook worden voortgezet en nieuwe generaties van deze systemen , met inbegrip van aanverwante ruimtevaart- en grondsegmentontwikkelingen, moeten worden voorbereid. |
|
▌ |
|
|
(43) |
De term “commerciële dienst” die wordt gebruikt in Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (8) is niet langer geschikt in het licht van de ontwikkeling van die dienst. In plaats daarvan zijn twee afzonderlijke diensten geïdentificeerd, namelijk de hogeprecisiedienst en de authenticatiedienst (9). |
|
(44) |
Om te zorgen voor een optimale benutting van de aangeboden diensten, moeten de door Galileo en Egnos geleverde diensten , ook op gebruikersniveau, compatibel en interoperabel met elkaar en, voor zover mogelijk, met andere satellietnavigatiesystemen en met conventionele radionavigatiemiddelen zijn, indien dergelijke compatibiliteit en interoperabiliteit is vastgelegd in een internationale overeenkomst, onverminderd het doel van strategische autonomie van de Unie. |
|
(45) |
Gezien het belang voor Galileo en Egnos van hun grondinfrastructuur en het effect ervan op hun veiligheid, moet de bepaling van de locatie van de infrastructuur door de Commissie gebeuren. De stationering van de grondinfrastructuur van de systemen moet volgens een open en transparant proces blijven verlopen , in voorkomend geval met betrokkenheid van het Agentschap op basis van zijn bevoegdheidsterrein . |
|
(46) |
Teneinde de socio-economische voordelen van Galileo en Egnos te maximaliseren en tegelijkertijd bij te dragen aan de strategische autonomie van de Unie, voornamelijk in gevoelige sectoren en op het vlak van beveiliging en veiligheid, moet het gebruik van de door Egnos en Galileo verleende diensten in andere beleidsdomeinen van de Unie worden bevorderd waar dit gerechtvaardigd is en voordelen kan opleveren. Daarnaast is het van belang om tijdens dit proces maatregelen te treffen ter bevordering van het gebruik van deze diensten in alle lidstaten. |
|
(47) |
Copernicus moet zorgen voor autonome toegang tot milieukennis en cruciale technologieën voor aardobserverings- en geo-informatiediensten, om de Unie te ondersteunen bij onafhankelijke besluitvorming en zelfstandig optreden, o.a. op het gebied van milieu, klimaatverandering, mariene, maritieme, landbouw- en plattelandsontwikkeling, behoud van cultureel erfgoed, civiele bescherming, toezicht op land en infrastructuur, veiligheid en de digitale economie. |
|
(47 ter) |
De onderdelen van het Programma moeten de toepassing van digitale technologieën in ruimtevaartsystemen, de gegevens- en dienstendistributie en de downstreamontwikkeling stimuleren. In dat verband moet bijzondere aandacht worden besteed aan de initiatieven en acties die de Commissie heeft voorgesteld in haar mededelingen van 14 september 2016 getiteld “Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt — Naar een Europese gigabitmaatschappij” en “5G voor Europa: een actieplan”. |
|
(48) |
Copernicus moet voortbouwen op, continuïteit verzekeren met en steun bieden aan de werkzaamheden en verworvenheden in het kader van Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad (10) tot vaststelling van het programma van de Europese Unie voor aardobservatie en -monitoring (Copernicus) en Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (11). Hierbij moet rekening worden gehouden met recente tendensen op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkelingen en innovaties die gevolgen hebben voor het domein van de aardobservatie, alsook ontwikkelingen op het vlak van de analyse van big data en artificiële intelligentie en verwante strategieën en initiatieven op het niveau van de Unie (12). Voor de ontwikkeling van nieuwe elementen moet de Commissie nauw samenwerken met de lidstaten, het Europees Ruimteagentschap, EUMETSAT en, in voorkomend geval, andere entiteiten die over ruimtevaartactiva en activa in de ruimte beschikken. In de mate van het mogelijke moet gebruik worden gemaakt van de capaciteiten voor satellietobservaties van de lidstaten, het Europees Ruimteagentschap, Eumetsat (13) en andere entiteiten, met inbegrip van commerciële initiatieven in Europa, waardoor ook wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van een levensvatbare commerciële ruimtevaartsector in Europa. Indien haalbaar en passend moet tevens gebruik worden gemaakt van de beschikbare in-situ- en aanvullende gegevens die in hoofdzaak door de lidstaten worden verstrekt overeenkomstig Richtlijn 2007/2/EG (14). De Commissie moet samenwerken met de lidstaten en het Europees Milieuagentschap om voor Copernicus een efficiënte toegang tot en een efficiënt gebruik van de in-situgegevens te verzekeren. |
|
(49) |
Copernicus moet worden uitgevoerd conform de doelstellingen van Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake het hergebruik van overheidsinformatie, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2013/37/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/98/EG inzake het hergebruik van overheidsinformatie (15), met name transparantie, het scheppen van voorwaarden die gunstig zijn voor de ontwikkeling van diensten, het bijdragen tot economische groei en het scheppen van werkgelegenheid in de Unie. Copernicusgegevens en Copernicusinformatie moeten kosteloos en open toegankelijk zijn. |
|
(49 bis) |
Het potentieel van Copernicus moet volledig worden benut en moet ten goede komen aan de gehele Europese gemeenschap en economie, en niet alleen aan de rechtstreekse begunstigden. Daartoe moeten meer maatregelen worden genomen om de acceptatie ervan door gebruikers aan te moedigen en meer te doen om niet-specialisten in staat te stellen de gegevens te gebruiken, hetgeen de groei, de werkgelegenheid en de kennisoverdracht zal stimuleren. |
|
(50) |
Copernicus is een door de gebruikers gestuurd programma. De ontwikkeling ervan moet derhalve worden gebaseerd op de veranderende vereisten van de Copernicuskerngebruikers en ook de opkomst van zowel openbare als particuliere nieuwe gebruikersgemeenschappen erkennen. Copernicus moet worden gebaseerd op een analyse van opties om tegemoet te komen aan de veranderende behoeften van gebruikers, onder meer op het vlak van de uitvoering, en de monitoring van beleidsmaatregelen van de Unie die de continue effectieve betrokkenheid van gebruikers vereisen, met name met betrekking tot de definitie en validering van vereisten. |
|
(51) |
Copernicus is reeds operationeel. Het is derhalve belangrijk om de continuïteit van de reeds bestaande infrastructuur en diensten te waarborgen en tegelijkertijd aanpassingen aan de veranderende gebruikersbehoeften, marktomgeving door te voeren, met name de opkomst van particuliere actoren in de ruimte (“nieuwe ruimtevaart”) en socio-politieke ontwikkelingen die een snelle reactie vereisen. Dit vereist een ontwikkeling van de functionele structuur van Copernicus om beter rekening te houden met de overgang van de eerste fase van de operationele diensten naar de levering van geavanceerde en meer gerichte diensten aan nieuwe gebruikersgroepen en de bevordering van downstreammarkten met toegevoegde waarde. Daartoe moet bij de verdere uitvoering een benadering worden toegepast die de datawaardeketen volgt, d.w.z. gegevensverwerving, gegevens- en informatieverwerking, -verdeling en -exploitatie, en op gebruikers- en marktacceptatie en capaciteitsopbouw gerichte activiteiten, terwijl het strategische planningsproces in het kader van Horizon Europa onderzoeks- en innovatieactiviteiten zal identificeren die gebruik moeten maken van Copernicus. |
|
(52) |
Met betrekking tot gegevensverwerving moeten de activiteiten in het kader van Copernicus gericht zijn op de voltooiing en handhaving van de bestaande ruimtevaartinfrastructuur, de voorbereiding van de vervanging van de satellieten aan het einde van hun levensduur, evenals het opstarten van nieuwe missies met name met betrekking tot nieuwe observatiesystemen ter ondersteuning van de succesvolle aanpak van mondiale klimaatverandering (bv. monitoring van antropogene CO2- en andere broeikasgasemissies). Wat de activiteiten in het kader van Copernicus betreft, moet de wereldwijde monitoring uitgebreid worden tot de poolgebieden en de naleving van milieuvoorschriften, verplichte milieumonitoring en -verslaglegging en innovatieve milieutoepassingen op het gebied van land- en bosbouw, het beheer van water en mariene hulpbronnen en cultureel erfgoed (bv. voor de monitoring van gewassen, waterbeheer en betere brandmonitoring) ondersteunen. Copernicus moet daarbij zoveel mogelijk als hefboom worden aangewend en maximaal voordeel halen uit de investeringen die in het kader van de vorige financieringsperiode (2014-2020) zijn gedaan, met inbegrip van de investeringen door de lidstaten, ESA en EUMETSAT, en tegelijkertijd nieuwe operationele en zakelijke modellen onderzoeken ter verdere aanvulling van de capaciteiten van Copernicus. Copernicus kan ook voortbouwen op de succesvolle partnerschappen met lidstaten om de veiligheidsdimensie verder te ontwikkelen in het kader van passende bestuursmechanismen om tegemoet te komen aan de veranderende gebruikersbehoeften in de veiligheidssector. |
|
(53) |
In het kader van de taak van Copernicus op het vlak van gegevens- en informatieverwerking moet het programma de duurzaamheid op lange termijn en de verdere ontwikkeling van zijn diensten waarborgen door informatie te verstrekken om te voldoen aan de behoeften van de overheidssector en de behoeften die voortvloeien uit de internationale verplichtingen van de Unie, en om optimaal gebruik te maken van de kansen voor commerciële exploitatie. In het bijzonder moet Copernicus op lokaal, nationaal, Europees en mondiaal niveau, informatie verstrekken over de samenstelling van de atmosfeer en de luchtkwaliteit, informatie over de toestand en de dynamiek van de oceanen, informatie inzake land- en ijsmonitoring ter ondersteuning van de uitvoering van lokale, nationale en Europese beleidsmaatregelen; informatie ter ondersteuning van de aanpassing aan of de mitigatie van klimaatverandering; geospatiale informatie ter ondersteuning van crisisbeheersing, met inbegrip van preventiemaatregelen, waarborging van de naleving van milieuvoorschriften, evenals civiele bescherming, met inbegrip van ondersteuning van het externe optreden van de Unie. De Commissie dient passende contractuele regelingen vast te stellen ter bevordering van de continuïteit van de dienstverlening. |
|
(54) |
Bij de uitvoering van de Copernicus-diensten moet de Commissie een beroep doen op bevoegde entiteiten, relevante agentschappen van de Unie, groepen of consortia van nationale organen, of een bevoegd orgaan dat in aanmerking kan komen voor een bijdrageovereenkomst. Bij de selectie van deze entiteiten moet de Commissie ervoor zorgen dat er geen sprake is van onderbrekingen in de verrichtingen en dienstverlening en dat, indien uit veiligheidsoogpunt gevoelige gegevens zijn betrokken, de betrokken entiteiten capaciteiten hebben op het gebied van tijdige waarschuwing en crisistoezicht in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en in het bijzonder het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB). Overeenkomstig artikel 154 van het Financieel Reglement, zijn personen en entiteiten die zijn belast met de tenuitvoerlegging van Uniemiddelen verplicht om het non-discriminatiebeginsel ten aanzien van alle lidstaten te eerbiedigen; dit beginsel moet worden gewaarborgd middels de desbetreffende bijdrageovereenkomsten in verband met de verlening van de Copernicusdiensten. |
|
(55) |
Door de uitvoering van de Copernicusdiensten moeten diensten bovendien gemakkelijker ingang kunnen vinden bij het publiek, aangezien gebruikers zo kunnen inspelen op de beschikbaarheid en de ontwikkeling van diensten, alsmede op samenwerking met lidstaten en andere partijen. Daartoe moeten de Commissie en de entiteiten waaraan zij de levering van diensten heeft toevertrouwd nauw samenwerken met kerngebruikersgemeenschappen in Europa bij de verdere ontwikkeling van het aanbod van Copernicusdiensten en -informatie, om aan de veranderende behoeften van de publieke sector en het beleid te voldoen en zodoende een zo breed mogelijke benutting van aardobservatiegegevens te verwezenlijken. De Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om de in-situcomponent van Copernicus te ontwikkelen en om de integratie van in-situgegevensreeksen met gegevensreeksen uit de ruimtevaart te vergemakkelijken met het oog op verbeterde Copernicusdiensten. |
|
(55 bis) |
Het beleid van gratis, volledige en open gegevens van Copernicus is een van de meest succesvolle elementen van de uitvoering van Copernicus en heeft geleid tot een grote vraag naar zijn gegevens en informatie. Copernicus is hiermee een van de grootste leveranciers van aardobservatiegegevens ter wereld. Er is een duidelijke noodzaak om de continuïteit van vrije, volledige en open verstrekking van gegevens op de lange termijn en op een veilige manier te waarborgen, teneinde de ambitieuze doelstellingen van de ruimtevaartstrategie voor Europa (2016) te verwezenlijken. Copernicus-gegevens worden in de eerste plaats gegenereerd ten behoeve van Europese burgers. Door deze gegevens gratis ter beschikking te stellen worden mondiale samenwerkingsmogelijkheden voor bedrijven en wetenschappers uit de EU gemaximaliseerd en wordt een bijdrage geleverd aan een doeltreffend Europees ruimte-ecosysteem. Wanneer de toegang tot Copernicusgegevens en -informatie zou worden beperkt, dient dit te gebeuren in overeenstemming met het gegevensbeleid van Copernicus als gedefinieerd in onderhavige verordening en in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1159/2013 van de Commissie. |
|
(56) |
De in het kader van Copernicus geproduceerde gegevens en informatie moeten volledig, open en kosteloos toegankelijk zijn, behoudens passende voorwaarden en beperkingen, zodat die gegevens en informatie zo veel mogelijk worden gebruikt en gedeeld, en de markten voor Europese aardobservatiegegevens, en meer bepaald de downstreamsector, worden versterkt om de groei en het scheppen van werkgelegenheid in de Unie te bevorderen. Op basis van een dergelijke regeling moet de verstrekking van gegevens en informatie met een hoge mate van samenhang, continuïteit, betrouwbaarheid en kwaliteit mogelijk blijven. Dit pleit voor grootschalige en gebruiksvriendelijke toegang tot, verwerking en gebruik van Copernicusgegevens en -informatie op verschillende actualiteitsniveaus, waarvoor de Commissie een geïntegreerde aanpak moet blijven volgen, zowel op het niveau van de EU als dat van de lidstaten, waardoor tevens de integratie met andere bronnen van gegevens en informatie mogelijk wordt. De Commissie moet daarom de noodzakelijke maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat Copernicusgegevens en -informatie eenvoudig en efficiënt toegankelijk zijn en kunnen worden gebruikt, onder meer door de diensten voor de toegang tot gegevens en informatie van Copernicus (DIAS) binnen de lidstaten te bevorderen en , bij de mogelijke bevordering van interoperabiliteit tussen de bestaande Europese infrastructuren voor aardobservatiegegevens, synergieën met deze middelen tot stand te brengen om de marktacceptatie van Copernicusgegevens en -informatie te maximaliseren en te versterken. |
|
(57) |
De Commissie moet samenwerken met gegevensverstrekkers om de vergunningsvoorwaarden voor gegevens van derden overeen te komen, teneinde het gebruik daarvan binnen Copernicus te vergemakkelijken, in overeenstemming met deze verordening en de toepasselijke rechten van derden. Aangezien bepaalde Copernicusgegevens en bepaalde Copernicusinformatie, met inbegrip van hogeresolutiebeelden, van invloed kunnen zijn op de veiligheid van de Unie of van haar lidstaten, moeten in met redenen omklede gevallen maatregelen kunnen worden vastgesteld teneinde naar risico's en dreigingen voor de veiligheid van de Unie of haar lidstaten te handelen. |
|
(58) |
De bepalingen van de rechtshandelingen aangenomen op grond van eerdere verordeningen zonder einddatum moeten blijven gelden, tenzij ze in strijd zijn met de nieuwe verordening. Dit heeft met name betrekking op Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1159/2013 van de Commissie tot vaststelling van registratie- en vergunningsvoorwaarden voor GMES-gebruikers en vaststelling van criteria voor het beperken van de toegang tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie (16). |
|
(59) |
Teneinde het gebruik van aardobservatiegegevens en -technologieën door lokale , regionale of nationale overheden, kleine en middelgrote ondernemingen, wetenschappers en onderzoekers te bevorderen en te faciliteren, moeten speciale netwerken voor Copernicus-gegevensdistributie, waaronder nationale en regionale instanties zoals “Copernicus Relays” en “Copernicus Academies” , worden bevorderd door middel van activiteiten die gericht zijn op de acceptatie ervan door gebruikers. Hiertoe moeten de Commissie en de lidstaten ernaar streven nauwere banden te smeden tussen Copernicus en beleidsmaatregelen op EU- en nationaal niveau teneinde de vraag naar commerciële toepassingen en diensten aan te moedigen, en ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, in staat te stellen toepassingen te ontwikkelen op basis van gegevens en informatie van Copernicus met het oog op de ontwikkeling van een concurrerend ecosysteem voor aardobservatiegegevens in Europa. |
|
(60) |
Op het internationale niveau moet Copernicus voorzien in nauwkeurige en betrouwbare informatie voor de samenwerking met derde landen en internationale organisaties, en ter ondersteuning van het buitenlands beleid en het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking van de Unie. Copernicus moet worden beschouwd als een Europese bijdrage aan het wereldwijde systeem van systemen voor aardobservatie (GEOSS), het Comité voor aardobservatiesatellieten (CEOS), de Conferentie van de Partijen (COP) bij het Verdrag van 1992 van de Verenigde Naties over de klimaatverandering (UNFCCC) , de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling , en het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering. Er moet passende samenwerking tot stand worden gebracht of onderhouden met de relevante sectorale organen van de VN en de Wereld Meteorologische Organisatie. |
|
(61) |
Bij de uitvoering van Copernicus moet de Commissie, in voorkomend geval, een beroep doen op Europese intergouvernementele organisaties waarmee zij reeds een partnerschap heeft, in het bijzonder ESA, voor de ontwikkeling, coördinatie, tenuitvoerlegging en uitwerking van de ruimtecomponenten, toegang tot gegevens van derde partijen, indien van toepassing, en, wanneer dit niet door andere entiteiten wordt gedaan, de uitvoering van specifieke missies. Voorts dient de Commissie een beroep te doen op de Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten (European Organisation for the Exploitation of Meteorological Satellites — EUMETSAT) voor de uitvoering van specifieke missies of delen ervan en, in voorkomend geval, en de toegang tot gegevens van bijdragende missies overeenkomstig het mandaat en de deskundigheid van EUMETSAT. |
|
(61 bis) |
Op het gebied van diensten, moet de Commissie passende aanspraak maken op de specifieke capaciteiten van agentschappen van de Unie, zoals het Europees Milieuagentschap, het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, alsmede het Satcen en de Europese investeringen in monitoringdiensten voor het mariene milieu die reeds werden gedaan door Mercator Ocean. Op het vlak van veiligheid wordt met de Hoge Vertegenwoordiger een alomvattende aanpak op het niveau van de Unie nagestreefd. Het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) van de Commissie is actief betrokken geweest bij het van start gaan van het GMES-initiatief en heeft steun verleend aan ontwikkelingen inzake Galileo en ruimteweer. Krachtens Verordening (EU) nr. 377/2014 beheert het GCO de Copernicusdienst voor het beheer van noodsituaties en de mondiale component van de Copernicusdienst voor landmonitoring, en draagt het bij aan de evaluatie van de kwaliteit en de geschiktheid voor het beoogde gebruik van gegevens en informatie, en aan de toekomstige ontwikkeling. De Commissie moet voor de uitvoering van Copernicus een beroep blijven doen op de wetenschappelijke en technische ondersteuning van het GCO. |
|
(62) |
Naar aanleiding van de verzoeken van het Europees Parlement en de Raad heeft de Unie een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring (SST) vastgesteld bij Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring. Ruimteschroot is inmiddels een ernstige bedreiging voor de beveiliging, de veiligheid en de haalbaarheid van ruimtevaartactiviteiten. Het SST is derhalve essentieel om de continuïteit van de componenten van het programma en hun bijdragen aan het beleid van de Unie te vrijwaren. Door de verspreiding van ruimteschroot te proberen voorkomen, draagt het SST bij aan het waarborgen van duurzame en gegarandeerde toegang tot en het gebruik van de ruimte, een mondiaal gemeenschappelijk doel . In dit verband kan het eveneens steun bieden bij de voorbereiding van Europese “saneringsprojecten” in een baan om de aarde. |
|
(63) |
Binnen het SST moet verder worden gewerkt aan de ontwikkeling van de prestaties en autonomie van SST-capaciteiten. Met het oog hierop moet het leiden tot de oprichting van een autonome Europese catalogus van voorwerpen in de ruimte, die is gebaseerd op gegevens uit het netwerk van SST-sensoren. Indien van toepassing kan de Unie overwegen om een deel van de gegevens beschikbaar te stellen voor commerciële, niet-commerciële en onderzoeksdoeleinden. De SST moet ook steun blijven verlenen voor de exploitatie en verstrekking van SST-diensten. Aangezien SST-diensten gebruikersgestuurd ▌zijn , moeten passende mechanismen worden ingevoerd om de behoeften van de gebruikers te verzamelen, waaronder behoeften op het gebied van veiligheid en de doorgifte van nuttige informatie aan en door openbare instellingen, ter verbetering van de doeltreffendheid van het systeem, met inachtneming van het nationale veiligheids- en beveiligingsbeleid . |
|
(64) |
De exploitatie van SST-diensten moet gebaseerd zijn op een partnerschap tussen de Unie en de lidstaten en gebruikmaken van bestaande en toekomstige nationale deskundigheid en systemen, waaronder die welke via het Europees Ruimteagentschap of door de Unie zijn ontwikkeld. Het moet mogelijk zijn om financiële steun te bieden voor de ontwikkeling van nieuwe SST-sensoren. Indachtig het gevoelige karakter van de SST, moet de controle over nationale sensoren en hun exploitatie, onderhoud en vernieuwing en de verwerking van gegevens die tot de verstrekking van SST-diensten leidt een bevoegdheid van de deelnemende lidstaten blijven. |
|
(65) |
Lidstaten met toereikend bezit van of toegang tot SST-capaciteiten moeten kunnen deelnemen aan de verstrekking van de SST-diensten. De deelnemende lidstaten in het krachtens Besluit nr. 541/2014/EU opgerichte SST-consortium moeten worden geacht aan die criteria te voldoen. Deze lidstaten moeten een gezamenlijk voorstel indienen en aantonen dat is voldaan aan verdere elementen met betrekking tot de operationele inrichting. ▌ Er moeten passende regels worden vastgesteld voor de selectie en organisatie van de deelnemende lidstaten. |
|
(65 bis) |
Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend teneinde de gedetailleerde procedures en elementen te definiëren om de deelname van de lidstaten tot stand te brengen. Indien geen gezamenlijk voorstel is ingediend of indien de Commissie van oordeel is dat een dergelijk voorstel niet aan de vastgestelde criteria voldoet, kan de Commissie een tweede etappe voor de deelname van lidstaten initiëren. De procedures en elementen voor die tweede etappe moeten bepalen welke omloopbanen bestreken moeten worden, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak om zo veel mogelijk lidstaten te laten deelnemen aan de verstrekking van SST-diensten. Wanneer deze procedures en elementen de Commissie de mogelijkheid bieden om meerdere voorstellen te selecteren zodat alle omloopbanen worden bestreken, moet eveneens worden gezorgd voor passende mechanismen voor coördinatie tussen de groepen lidstaten en voor een doeltreffende oplossing om alle SST-diensten te dekken. |
|
(66) |
Zodra het SST is ingericht, moeten de beginselen van complementariteit van activiteiten en de continuïteit van gebruikersgerichte SST-diensten van hoge kwaliteit worden geëerbiedigd en moet het SST gebaseerd zijn op de beste expertise. Onnodig dubbel werk voor het SST moet derhalve worden vermeden. Eventuele overbodige capaciteiten moeten ▌de continuïteit, de kwaliteit en de robuustheid van de SST-diensten te waarborgen. De werkzaamheden van de deskundigenteams moeten helpen onnodig dubbel werk te voorkomen. |
|
(67) |
Daarnaast moet het SST gunstig zijn voor de bestaande beperkingsmaatregelen, zoals de COPUOS-richtlijnen inzake het beperken van ruimteschroot ▌en de ontwerprichtsnoeren voor de houdbaarheid op lange termijn van activiteiten in de ruimte of andere initiatieven om de veiligheid, de beveiliging en de duurzaamheid van activiteiten in de ruimte te garanderen. Met het oog op het verminderen van de risico's op botsingen moet het SST ook synergieën nastreven met initiatieven voor actieve verwijdering en passivering van ruimteschroot. Het SST moet bijdragen tot het vreedzame gebruik en de vreedzame verkenning van de ruimte. De toename van de activiteiten in de ruimte kan gevolgen hebben voor de internationale initiatieven op het gebied van het ruimteverkeersbeheer. De Unie moet deze ontwikkelingen monitoren en kan ze in aanmerking nemen in het kader van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader. |
|
(68) |
Bij activiteiten in verband met SST, het ruimteweer en aardscheerders moet aandacht worden besteed aan de samenwerking met internationale partners, in het bijzonder de Verenigde Staten van Amerika, internationale organisaties en andere derde partijen, met name om botsingen in de ruimte te vermijden, de verspreiding van ruimteschroot te voorkomen en de paraatheid te vergroten ten aanzien van de gevolgen van extreme ruimteweersverschijnselen en aardscheerders. |
|
(69) |
Het Veiligheidscomité van de Raad beveelt aan een risicobeheersingsstructuur op te zetten om te waarborgen dat de aspecten van gegevensbeveiliging goed in acht worden genomen bij de uitvoering van Besluit nr. 541/2014/EU. Voor dat doel en rekening houdend met de werkzaamheden die al zijn verricht, moeten de geschikte risicobeheersingsstructuren en -procedures worden vastgesteld door de deelnemende lidstaten. |
|
(70) |
Extreme en grootschalige ruimteweersverschijnselen kunnen een bedreiging vormen voor de veiligheid van de burgers en de exploitatie van infrastructuur in de ruimte en op de grond verstoren. Er moet derhalve een subonderdeel ruimteweer worden ingesteld als onderdeel van het programma met het oog op de beoordeling van risico's in verband met weersverschijnselen in de ruimte en daaraan verbonden gebruikersbehoeften, om de bewustwording van risico's in verband met weersverschijnselen in de ruimte te verhogen, het verstrekken van gebruikersgestuurde ruimteweerdiensten te waarborgen, en het vermogen van lidstaten om ruimteweerdiensten te produceren te verbeteren. De Commissie moet prioriteit toekennen aan de sectoren waaraan de operationele ruimteweerdiensten moeten worden verleend, rekening houdend met de behoeften van de gebruikers, de risico's en de technologische paraatheid. Op de lange termijn kunnen de behoeften van andere sectoren worden aangepakt. De verstrekking van diensten op het niveau van de Unie in overeenstemming met de behoeften van de gebruikers zal gericht, gecoördineerd en voortgezet onderzoek en ontwikkelingsactiviteiten vereisen om de ontwikkeling van ruimteweerdiensten te ondersteunen. De verstrekking van de ruimteweerdiensten moet voortbouwen op de bestaande capaciteiten op nationaal niveau en op het niveau van de Unie en moet brede deelname van lidstaten , Europese en internationale organisaties en betrokkenheid van de private sector mogelijk maken. |
|
(71) |
Het Witboek van de Commissie over de toekomst van Europa (17), de Verklaring van Rome van de staatshoofden en regeringsleiders van 27 EU-lidstaten (18) en verscheidene resoluties van het Europees Parlement brengen in herinnering dat de EU een belangrijke rol te spelen heeft in het waarborgen van een veilig en veerkrachtig Europa dat in staat is om uitdagingen zoals regionale conflicten, terrorisme, cyberbedreigingen en toenemende migratiedruk het hoofd te bieden. Veilige en gegarandeerde toegang tot satellietcommunicatie is een onmisbaar instrument voor veiligheidsactoren, en het bundelen en delen van deze belangrijke hulpbron op het niveau van de Unie versterkt een Unie die haar burgers beschermt. |
|
(72) |
In de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 december 2013 (19) werden op het gebied van satellietcommunicatie de voorbereidingen verwelkomd voor de volgende generatie van satellietcommunicatie voor de overheid (Govsatcom) middels nauwe samenwerking tussen de lidstaten, de Commissie en het Europees Ruimteagentschap. Govsatcom werd ook aangeduid als een van de elementen van de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie van juni 2016. Govsatcom moet bijdragen aan het antwoord van de EU op hybride dreigingen en steun verlenen aan de maritieme strategie van de EU en het EU-beleid inzake het noordpoolgebied. |
|
(73) |
Govsatcom is een gebruikersgericht programma met een sterke veiligheidsdimensie. De gebruikstoepassingen van Govsatcom kunnen door de desbetreffende actoren worden geanalyseerd voor drie hoofdgroepen: i) crisisbeheersing, waaronder mogelijk civiele en militaire missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen, humanitaire crises en maritieme noodsituaties; ii) bewaking, waaronder mogelijk bewaking aan en voor de grenzen, aan de zeegrenzen en op zee, en monitoring van de illegale handel; en iii) belangrijke infrastructuur, waaronder mogelijk het diplomatieke netwerk, politiecommunicatie, digitale infrastructuur (zoals datacentra en servers), kritieke infrastructuur (bijvoorbeeld energie, vervoer, waterkeringen zoals stuwdammen ) en ruimte-infrastructuur. |
|
(73 bis) |
Govsatcom-capaciteiten en -diensten zullen door actoren van de Unie en de lidstaten worden gebruikt in voor de beveiliging en veiligheid kritieke taken en werkzaamheden. Er moet derhalve sprake zijn van een passend niveau van onafhankelijkheid ten aanzien van derden (derde landen en entiteiten uit derde landen) met betrekking tot alle Govsatcom-elementen, zoals ruimte- en grondtechnologieën op het niveau van onderdelen, subsystemen en systemen, vervaardigingsindustrieën, eigenaren en beheerders van ruimtesystemen, en de fysieke locatie van onderdelen van grondsystemen. |
|
(74) |
Satellietcommunicatie is een eindige hulpbron die wordt beperkt door de capaciteit, de frequentie en de geografische dekking van de satellieten. Om kosteneffectief te zijn en te profiteren van schaalvoordelen, moet Govsatcom derhalve de afstemming optimaliseren tussen de vraag naar Govsatcom vanwege gemachtigde gebruikers en het aanbod dat wordt verstrekt in het kader van Govsatcom-contracten voor satellietcapaciteiten en -diensten. Aangezien zowel de vraag als het potentiële aanbod met de tijd veranderen, zijn voortdurende monitoring en flexibiliteit vereist om de Govsatcom-diensten aan te passen. ▌ |
|
(75) |
Operationele vereisten zullen worden bepaald op basis van de analyse van gebruikstoepassingen. Op basis van die operationele vereisten moet, in combinatie met veiligheidsvereisten, het dienstenpakket worden ontwikkeld. Op basis van het dienstenpakket moet de toepasselijke uitgangswaarde voor de via Govsatcom te verstrekken diensten worden vastgesteld. Om de best mogelijke afstemming tussen de vraag en de verstrekte diensten te handhaven, moet het Govsatcom-dienstenpakket mogelijk regelmatig worden bijgewerkt. |
|
(76) |
In de eerste fase van Govsatcom (ongeveer tot 2025) zal de bestaande capaciteit worden aangewend. In dat verband moet de Commissie EU-Govsatcom-capaciteiten verwerven van lidstaten met nationale systemen en ruimtecapaciteiten en van commerciële satellietcommunicatie- of dienstverleners, daarbij rekening houdend met de essentiële veiligheidsbelangen van de Unie. In deze eerste fase worden diensten volgens een getrapte aanpak aangeboden ▌. Indien in de loop van de eerste fase uit een gedetailleerde analyse van toekomstige vraag en aanbod blijkt dat deze aanpak niet volstaat om de veranderende vraag te dekken, kan de beslissing worden genomen om over te gaan tot een tweede fase en aanvullende op maat gemaakte ruimtevaartinfrastructuur of -capaciteiten te ontwikkelen via een of meerdere publiek-private partnerschappen, bv. met satellietexploitanten in de Unie. |
|
(77) |
Teneinde de beschikbare satellietcommunicatiemiddelen te optimaliseren, toegang te verzekeren in onvoorspelbare situaties zoals natuurrampen, en operationele efficiëntie en korte afhandelingstijden te garanderen, is het noodzakelijke grondsegment (hubs en mogelijke andere grondelementen) vereist. Dit grondsegment moet worden ontworpen op basis van operationele en veiligheidsvereisten. Om de risico's te beperken, kan de hub bestaan uit verschillende fysieke locaties. Andere grondsegmentenelementen, zoals verankeringsstations zijn mogelijk nodig. |
|
(78) |
Voor de gebruikers van satellietcommunicatie is de gebruikersapparatuur de uiterst belangrijke operationele interface. De EU-Govsatcom-aanpak moet het voor de meeste gebruikers mogelijk maken om gebruik te blijven maken van hun bestaande gebruikersapparatuur voor Govsatcom-diensten ▌. |
|
(79) |
In het belang van de operationele efficiëntie hebben de gebruikers aangegeven dat het belangrijk is om te streven naar interoperabiliteit van gebruikersapparatuur en gebruikersapparatuur die van verschillende satellietsystemen gebruik kan maken. Onderzoek en ontwikkeling op dit gebied kunnen nodig zijn. |
|
(80) |
Op het niveau van de uitvoering moeten de taken en verantwoordelijkheden worden verdeeld tussen gespecialiseerde instanties, zoals het Europees Defensieagentschap (EDA), de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), het Europees Ruimteagentschap, het Agentschap en andere agentschappen van de Unie, op zodanige wijze dat zij in overeenstemming zijn met hun voornaamste rol, met name voor met de gebruiker verband houdende aspecten. |
|
(81) |
De bevoegde Govsatcom-autoriteit speelt een belangrijke rol door erop toe te zien dat de gebruikers en andere nationale instanties die een rol spelen bij Govsatcom voldoen aan de regels en veiligheidsprocedures inzake deling en prioritering zoals vastgelegd in de veiligheidsvoorschriften. Een lidstaat die geen bevoegde Govsatcom-autoriteit heeft aangewezen, moet in elk geval een contactpunt aanwijzen voor het beheer van eventueel geconstateerde storingen die Govsatcom treffen. |
|
(81 bis) |
De lidstaten, de Raad, de Commissie en de EDEO kunnen Govsatcom-deelnemers worden voor zover zij ervoor kiezen Govsatcom-gebruikers te machtigen of te voorzien in capaciteiten, locaties of faciliteiten. Aangezien het een keuze van de lidstaat is of zij Govsatcom-gebruikers machtigen of voorzien in capaciteiten, locaties of faciliteiten, kunnen lidstaten niet worden verplicht om Govsatcom-deelnemers te worden of om Govsatcom-infrastructuur te huisvesten. Het Govsatcom-onderdeel van het programma doet bijgevolg geen afbreuk aan het recht van lidstaten om niet aan Govsatcom deel te nemen, onder meer op grond van hun nationaal recht of grondwettelijke bepalingen in verband met beleid van niet-gebondenheid en niet-deelname aan militaire allianties. |
|
(82) |
Teneinde uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de operationele vereisten voor in het kader van Govsatcom verstrekte diensten worden toegekend. Dit zal de Commissie de mogelijkheid bieden om technische specificaties vast te stellen voor gebruikstoepassingen voor crisisbeheersing, bewaking en beheer van belangrijke infrastructuur, met inbegrip van diplomatieke communicatienetwerken. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
(83) |
Teneinde uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot het dienstenpakket voor in het kader van Govsatcom verstrekte diensten worden toegekend. Hierdoor zal de Commissie de mogelijkheid hebben om attributen te definiëren, met inbegrip van geografische dekking, frequentie, bandbreedte, gebruikersapparatuur en veiligheidskenmerken. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011. |
|
(84) |
Teneinde uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de regels inzake deling en prioritering voor het gebruik van gepoolde Govsatcom-satellietcommunicatiecapaciteiten worden toegekend. Bij de vaststelling van de regels inzake deling en prioritering moet de Commissie rekening houden met de operationele en veiligheidsvereisten, alsook met een analyse van de risico's en de verwachte vraag vanwege Govsatcom-deelnemers. Hoewel Govsatcom-diensten in beginsel kosteloos aan Govsatcom-gebruikers moeten worden geleverd, kan, wanneer in die analyse wordt vastgesteld dat er sprake is van een gebrek aan capaciteit en om verstoring van de markt te voorkomen, een prijsbeleid worden ontwikkeld als onderdeel van die gedetailleerde regels inzake deling en prioritering. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011. |
|
(85) |
Met het oog op eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot de locatie van de grondsegmentinfrastructuur voor Govsatcom worden verleend. Hierdoor krijgt de Commissie de mogelijkheid om rekening te houden met de operationele en veiligheidsvereisten evenals bestaande infrastructuur voor de selectie van dergelijke locaties. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad. |
|
▌ |
|
|
(87) |
Bij Verordening (EU) nr. 912/2010 is een EU-agentschap genaamd Europees GNSS-Agentschap opgericht om bepaalde aspecten van de Galileo- en Egnos-satellietnavigatieprogramma's te beheren. De onderhavige verordening bepaalt met name dat het Europees GNSS-Agentschap nieuwe taken krijgt, niet alleen ten aanzien van Galileo en Egnos, maar ook voor andere onderdelen van het programma, met name op het gebied van beveiligingshomologatie. De naam, de taken en de organisatorische aspecten van het Europese GNSS-Agentschap moeten daarom dienovereenkomstig worden aangepast. |
|
(87 bis) |
Het Agentschap is gevestigd in Praag, zoals vastgesteld bij Besluit 2010/803/EU. Voor de uitvoering van de taken van het Agentschap mag het personeel van het Agentschap worden ondergebracht in één van de grondinfrastructuurcentra van Galileo of EGNOS als bedoeld in Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/413 met het oog op het uitvoeren van programma-activiteiten als vermeld in de desbetreffende overeenkomst. Met het oog op de efficiënte en effectieve functionering van het Agentschap kan een beperkt aantal personeelsleden eveneens worden toegewezen aan lokale kantoren in een of meer lidstaten. De plaatsing van personeelsleden buiten de zetel van het Agentschap of de Galileo- en Egnos-locaties mag niet leiden tot de overdracht van kernactiviteiten van het Agentschap naar dergelijke lokale kantoren. |
|
(88) |
Met het oog op de uitbreiding van het toepassingsgebied, dat niet langer beperkt zal zijn tot Galileo en Egnos, moet de naam van het Europees GNSS-Agentschap worden aangepast. De continuïteit van de activiteiten van de het Europees GNSS-Agentschap, onder andere op het gebied van rechten en verplichtingen, personeel en de geldigheid van genomen besluiten, moet echter door het Agentschap worden gewaarborgd. |
|
(89) |
Gezien het mandaat van het Agentschap en de rol van de Commissie bij de uitvoering van het programma, is het dienstig te bepalen dat sommige van de beslissingen van de Raad van bestuur niet mogen worden aangenomen zonder de gunstige stem van de vertegenwoordigers van de Commissie. |
|
(90) |
Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie moeten de raad van bestuur, de raad voor de beveiligingshomologatie en de uitvoerend directeur onafhankelijk zijn bij de uitvoering van hun taken en handelen in het openbaar belang. |
|
(91) |
Het is mogelijk en waarschijnlijk dat sommige onderdelen van het programma gebaseerd zullen zijn op het gebruik van gevoelige of met de veiligheid verband houdende nationale infrastructuur. In dit geval is het om redenen van nationale veiligheid nodig te bepalen dat de vergaderingen van de raad van bestuur en de raad voor de beveiligingshomologatie ▌worden bijgewoond door de vertegenwoordigers van de lidstaten en de vertegenwoordigers van de Commissie op een “need to know”-basis . In de raad van bestuur mogen alleen de vertegenwoordigers van lidstaten die over dergelijke infrastructuur beschikken en een vertegenwoordiger van de Commissie aan stemmingen deelnemen. In het reglement van de raad van bestuur en van de raad voor de beveiligingshomologatie moet staan in welke situaties deze procedure van toepassing is. |
|
▌ |
|
|
(94) |
Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moet het programma worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Deze voorschriften kunnen, indien nodig, meetbare indicatoren omvatten als basis voor de evaluatie van de effecten van het programma. |
|
(94 bis) |
Het gebruik van op Copernicus en Galileo gebaseerde diensten zal volgens de voorspellingen van grote invloed zijn op de Europese economie in het algemeen. Ad hoc-metingen en casestudies lijken het beeld vandaag de dag echter te bepalen. De Commissie moet, via Eurostat, relevante statistische metingen en indicatoren definiëren, die als basis zouden dienen om op een systematische en deugdelijke manier het effect van de EU-ruimteactiviteiten te monitoren. |
|
(95) |
Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011. De Commissie moet worden bijgestaan door een comité dat moet samenkomen in een specifieke configuratie. |
|
(95 bis) |
Aangezien de onderdelen van het programma door de gebruikers ervan gestuurd worden, vereisen zij, voor de uitvoering en ontwikkeling ervan, de voortdurende, daadwerkelijke participatie van de gebruikers, met name wat betreft de definitie en beoordeling van de dienstbehoeften. Om de waarde voor de gebruikers te verhogen, moet actief naar hun inbreng worden gevraagd door middel van een regelmatig overleg met de eindgebruikers in zowel de publieke als particuliere sector van de EU-lidstaten en, indien van toepassing, internationale organisaties. Daartoe moet een werkgroep worden ingesteld (het “gebruikersforum”) om het programmacomité te helpen bij het bepalen van gebruikersbehoeften en de controle op de verrichte diensten, evenals het vaststellen van de tekortkomingen bij de geleverde diensten. In het reglement van het comité moet de organisatie van deze werkgroep worden vastgelegd, teneinde rekening te houden met de bijzonderheden van elk onderdeel en elke dienst binnen de onderdelen. Waar mogelijk moeten de lidstaten bijdragen aan het gebruikersforum op basis van een systematische en gecoördineerde raadpleging van de gebruikers op nationaal niveau. |
|
(96) |
Aangezien goed publiek bestuur een uniform beheer van het programma, snellere besluitvorming en gelijke toegang tot informatie vereist, kunnen vertegenwoordigers van de met taken in verband met dit programma belaste entiteiten als waarnemers deelnemen aan de werkzaamheden van het op grond van Verordening (EU) nr. 182/2011 opgerichte comité. Om dezelfde redenen kunnen vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties die een internationale overeenkomst met de Unie hebben gesloten , die verband houdt met het programma of de onderdelen of subonderdelen ervan, deelnemen aan de werkzaamheden van het comité indien veiligheidsvereisten dat niet beletten en overeenkomstig de bepalingen van een dergelijke overeenkomst. Vertegenwoordigers van de met taken in verband met dit programma belaste entiteiten, derde landen of internationale organisaties zijn niet gerechtigd om deel te nemen aan stemmingen van het comité. De voorwaarden voor deelname van waarnemers en ad hoc-deelnemers moeten worden vastgelegd in het reglement van de comités. |
|
(97) |
Om te zorgen voor een effectieve evaluatie van de vooruitgang van het programma in de richting van de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd voor wat betreft de wijziging van bijlage X bij herziening of aanvulling van de indicatoren waar dit nodig wordt geacht en om deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een kader voor toezicht en evaluatie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden de nodige raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen." |
|
(98) |
Aangezien de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, omdat zij de financiële en technische mogelijkheden van de afzonderlijke lidstaten te boven gaat, en vanwege haar omvang en gevolgen beter op Unieniveau kan worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. |
|
(99) |
Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van de veiligheidsvereisten van het programma te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad. Lidstaten moeten maximale controle kunnen uitoefenen op de veiligheidsvereisten van het programma. Bij de vaststelling van uitvoeringshandelingen op het gebied van de beveiliging van het programma, moet de Commissie worden bijgestaan door een comité dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten die in een speciale beveiligingsconfiguratie bijeenkomen. Deze uitvoeringshandelingen moeten worden vastgesteld volgens de in Verordening(EU) nr. 182/2011 vastgelegde onderzoeksprocedure. Gezien de gevoelige aard van veiligheidskwesties, moet de voorzitter ernaar streven oplossingen te vinden die in het comité de ruimst mogelijke steun genieten. De Commissie mag geen uitvoeringshandelingen vaststellen tot bepaling van de algemene veiligheidsvereisten van het programma ingeval het comité geen advies heeft uitgebracht. |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voorwerp
1. Bij deze verordening wordt het ruimtevaartprogramma van de Unie (“programma”) vastgesteld. In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie, de regels voor de verstrekking van die financiering alsmede de regels voor de uitvoering van het programma vastgelegd.
2. Bij deze verordening wordt het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma (“het Agentschap”) opgericht als vervanger en opvolger van het bij Verordening (EU) nr. 912/2010 opgerichte Europees GNSS-Agentschap en wordt het huishoudelijk reglement van het Agentschap vastgesteld.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
0) |
“systeem voor ruimtebewaking en -monitoring (SST)”: een systeem van op de grond en in de ruimte gestationeerde sensoren die voorwerpen in de ruimte kunnen bewaken en volgen, in combinatie met verwerkingscapaciteiten met als doel gegevens, informatie en diensten te verstrekken met betrekking tot voorwerpen in de ruimte die zich in een baan om de aarde bewegen; |
|
1) |
“ruimtevaartuig”: een in een baan om de aarde gebracht voorwerp dat is ontworpen om een bepaalde functie of opdracht te vervullen (zoals communicatie, navigatie of aardobservatie), met inbegrip van satellieten, boventrappen van draagraketten en voertuigen voor terugkeer naar de aarde . Een ruimtevaartuig dat de opdracht waarvoor het bedoeld was niet langer kan vervullen wordt als niet-functioneel beschouwd. Een in reserve of stand-by gehouden ruimtevaartuig dat wacht op reactivering wordt als functioneel beschouwd; |
|
2) |
“weersverschijnselen in de ruimte”: van nature optredende variaties in de ruimte bij de zon en rond de aarde . Weersverschijnselen in de ruimte omvatten zonnevlammen, energierijke zonnedeeltjes, variaties van zonnewind, ▌ plasmawolken, geomagnetische stormen en -dynamiek , stralingsstormen en ionosferische verstoringen ▌ die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de aarde of voor de infrastructuur in de ruimte ; |
|
3) |
“aardscheerders”: natuurlijke voorwerpen in het zonnestelsel die in de richting van de aarde bewegen ; |
|
4) |
“voorwerp in de ruimte”: ieder in de ruimte aanwezig, door de mens gemaakt voorwerp; |
|
5) |
“omgevingsbewustzijn in de ruimte” (space situational awareness, SSA): een alomvattende benadering, met inbegrip van diepgaande kennis van en uitgebreid inzicht in de voornaamste gevaren in de ruimte, waaronder botsingen tussen voorwerpen in de ruimte, versplintering en terugkeer van voorwerpen uit de ruimte , weersverschijnselen in de ruimte en aardscheerders; |
|
6) |
“blendingverrichting”: een door de EU-begroting ondersteunde actie, ook binnen blendingfaciliteiten, overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugvorderbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten en/of begrotingsgaranties uit de EU-begroting worden gecombineerd met terugvorderbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders; |
|
7) |
“juridische entiteit”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 197, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement; |
|
8) |
“derde land”: een land dat geen lid van de Unie is; |
|
9) |
“SST-informatie”: verwerkte SST-gegevens die voor de ontvanger direct begrijpelijk zijn; |
|
10) |
“SST-gegevens”: de fysieke parameters van voorwerpen in de ruimte, met inbegrip van ruimteschroot, die door SST-sensoren zijn geregistreerd of de baanparameters van voorwerpen in de ruimte die zijn afgeleid van de waarnemingen van SST-sensoren in het kader van het onderdeel met betrekking tot het ondersteuningskader voor ruimtebewaking en -monitoring (het SST-onderdeel); |
|
11) |
“retourverbinding”: een dienst die bijdraagt aan de mondiale dienst voor monitoring van luchtvaartuigen volgens het door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie gedefinieerde monitoringconcept; |
|
12) |
“Sentinels van Copernicus”: de specifieke Copernicus-satellieten of -ruimtevaartuigen of de nuttige lading ervan voor aardobservatie vanuit de ruimte; |
|
13) |
“Copernicusgegevens”: door de Sentinels verstrekte gegevens en metagegevens; |
|
14) |
“Copernicusgegevens en -informatie van derden”: ruimtegegevens en informatie die niet van de Sentinels afkomstig zijn maar waarvoor een vergunning is verstrekt of die ter beschikking zijn gesteld voor gebruik door Copernicus; |
|
14 bis) |
“Copernicusdiensten”: diensten met meerwaarde van algemeen en gemeenschappelijk belang voor de Unie en de lidstaten, die worden gefinancierd door het programma en die aardobserveringsgegevens, in-situgegevens, en andere aanvullende gegevens omzetten in verwerkte, geaggregeerde en geïnterpreteerde informatie die is toegesneden op de behoeften van Copernicusgebruikers; |
|
15) |
“in-situgegevens van Copernicus”: observatiegegevens van grond-, zee- of luchtsensoren, alsmede referentie- en aanvullende gegevens waarvoor een vergunning wordt verstrekt of die ter beschikking worden gesteld voor gebruik in Copernicus; |
|
16) |
“Copernicusinformatie”: door de Copernicusdiensten gegenereerde informatie als resultaat van verwerking of modellering, met inbegrip van de metagegevens ervan; |
|
17) |
“fiduciaire entiteit”: een juridische entiteit die van de Commissie of een derde partij onafhankelijk is en die gegevens van de Commissie of die derde partij in ontvangst neem voor de veilige opslag en behandeling ervan; |
|
18) |
“ruimteschroot”: ieder voorwerp in de ruimte, waaronder ruimtevaartuigen of brokstukken en delen daarvan die zich in een baan om de aarde bevinden of terugkeren in de aardatmosfeer, dat niet functioneel is of niet langer een bepaald doel dient, met inbegrip van delen van raketten of kunstmanen, of inactieve kunstmanen; |
|
19) |
“SST-sensor”: een voorziening of combinatie van voorzieningen, op de grond of in de ruimte gestationeerde radars, lasers en telescopen, die ruimtebewaking en -monitoring kan of kunnen verrichten en fysieke parameters van voorwerpen in de ruimte, zoals grootte, positie en snelheid, kan of kunnen meten; |
|
19 bis) |
“Govsatcom-deelnemer”: een lidstaat, de Raad, de Commissie en de EDEO, alsook agentschappen van de Unie, derde landen en internationale organisaties, voor zover die agentschappen, derde landen en internationale organisaties daarvoor toestemming hebben gekregen; |
|
20) |
“Govsatcom-gebruiker”: een overheidsinstantie van een lidstaat of van de Unie, een met de uitoefening van openbaar gezag belast orgaan, of een natuurlijke of rechtspersoon, die naar behoren is gemachtigd en die is belast met taken in verband met toezicht op en beheer van voor de veiligheid kritieke missies, werkzaamheden en infrastructuur; |
|
20 bis) |
“Govsatcom-hub”: een operationeel centrum met als voornaamste taak op een veilige manier Govsatcom-gebruikers te koppelen aan de verstrekkers van Govsatcom-capaciteiten en -diensten om zo vraag en aanbod op ieder willekeurig moment te optimaliseren. |
|
21) |
“Govsatcom-usecase”: een operationeel scenario in een bepaalde omgeving waarin ▌ Govsatcom-diensten nodig zijn ; |
|
21 bis) |
“Gerubriceerde EU-informatie” (EUCI): informatie of materiaal met een bepaalde EU-rubricering, waarvan openbaarmaking zonder machtiging de belangen van de Europese Unie of van een of meer van haar lidstaten in meerdere of mindere mate kan schaden. |
|
22) |
“gevoelige niet-gerubriceerde informatie”: niet-gerubriceerde informatie in de zin van artikel 9 van Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie, waarin de verplichting is vastgelegd om gevoelige niet-gerubriceerde informatie te beschermen, een verplichting die uitsluitend geldt voor de Europese Commissie en voor agentschappen of organen van de Unie die bij wet verplicht zijn de veiligheidsvoorschriften van de Commissie toe te passen ; |
|
23) |
“Copernicusgebruikers”: “Copernicuskerngebruikers”: gebruikers die profiteren van Copernicusgegevens en -informatie en de aanvullende taak hebben de evolutie van Copernicus aan te drijven; dit zijn de instellingen en organen van de Unie en Europese nationale of regionale overheidsinstanties in de Unie of in aan Copernicus deelnemende landen die belast zijn met een openbaredienstverleningstaak in verband met de vaststelling, uitvoering, handhaving of monitoring van civiel openbaar beleid, onder meer op het gebied van milieu, civiele bescherming, veiligheid , ook van infrastructuur, of beveiliging; “andere Copernicusgebruikers” die profiteren van Copernicusgegevens en -informatie; hieronder vallen met name organisaties op het gebied van onderzoek en onderwijs, commerciële en particuliere organen, liefdadigheidsinstellingen, non-gouvernementele organisaties en internationale organisaties. |
|
24) |
“Aan Copernicus deelnemende landen”: derde landen die financieel bijdragen en deelnemen aan Copernicus onder de voorwaarden van een met de Unie gesloten internationale overeenkomst. |
Artikel 3
Onderdelen van het programma
Het programma bestaat uit de volgende onderdelen:
|
a) |
een autonoom wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS) voor civiel gebruik dat onder civiele controle staat en bestaat uit een constellatie van satellieten, centra en een mondiaal netwerk van grondstations, dat diensten voor plaatsbepaling, navigatie en tijdmeting verleent en de veiligheidsbehoeften- en vereisten ▌integreert (“Galileo”); |
|
b) |
een civiel regionaal satellietnavigatiesysteem dat bestaat uit centra en grondstations en verschillende op geostationaire satellieten geïnstalleerde transponders en dat de door Galileo en andere GNSS's uitgezonden open signalen versterkt en corrigeert, onder meer voor luchtverkeersbeheer, luchtvaartnavigatiediensten en andere vervoersystemen (Europees overlaysysteem voor geostationaire navigatie, “Egnos”); |
|
c) |
een operationeel, autonoom, door gebruikers gestuurd civiel aardobservatiesysteem dat voortbouwt op de bestaande nationale en Europese capaciteiten, geo-informatiegegevens en -diensten verleent, en dat bestaat uit satellieten, infrastructuur op de grond, faciliteiten voor gegevens- en informatieverwerking en verspreidingsinfrastructuur, gebaseerd op een volledig, vrij en open gegevensbeleid en dat, in voorkomend geval, de veiligheidsbehoeften- en vereisten volledig integreert (“Copernicus”); |
|
d) |
een systeem voor ruimtebewaking en -monitoring dat is gericht op de het verbeteren, opereren en leveren van gegevens, informatie en diensten op het gebied van de bewaking en monitoring van voorwerpen in de ruimte die zich in een baan om de aarde bewegen (SST-subonderdeel) , en dat wordt aangevuld door observatieparameters in verband met de monitoring weeromstandigheden in de ruimte (SWE-subonderdeel) en het risico van aardscheerders die de aarde naderen (omgevingsbewustzijn in de ruimte" (space situational awareness, “SSA”) ; |
|
e) |
een satellietcommunicatiedienst onder civiele en overheidscontrole waarmee satellietcommunicatiecapaciteiten en -diensten kunnen worden geleverd aan instanties in de Unie en in de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de voor de veiligheid kritieke taken en infrastructuren (“Govsatcom”). |
▌ Het programma omvat aanvullende maatregelen om voor de waarborging van efficiënte en autonome toegang tot de ruimte voor het programma en voor de bevordering van een innovatieve en concurrerende Europese ruimtevaartsector te zorgen , zowel upstream als downstream, om zo het ruimte-ecosysteem van de Unie te versterken en de positie van de Unie als mondiale speler te verbeteren .
Artikel 4
Doelstellingen
1. De doelstellingen van het programma zijn:
|
a) |
het verstrekken, of het leveren van een bijdrage tot het verstrekken van, hoogwaardige, geactualiseerde en, in voorkomend geval, veilige met de ruimtevaart verband houdende gegevens, informatie en diensten zonder onderbrekingen en zoveel mogelijk op mondiaal niveau, waarbij aan de bestaande en toekomstige behoeften wordt voldaan en de politieke prioriteiten van de Unie en aanverwante empirisch ondersteunde en onafhankelijke besluitvorming, worden ondersteund , onder meer wat betreft klimaatverandering , vervoer en veiligheid ▌; |
|
b) |
het maximaliseren van de socio-economische voordelen, met name door de ontwikkeling van een innovatieve en concurrerende Europese upstream- en downstreamsector te ondersteunen, inclusief kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, om zo de groei en de werkgelegenheid in de Unie te bevorderen, en door bevordering van een zo ruim mogelijke acceptatie en gebruik van de gegevens, informatie en diensten die door de onderdelen van het programma worden verstrekt, zowel binnen als buiten de Unie; hierbij wordt gezorgd voor synergieën en complementariteit met de activiteiten van de Unie op het gebied van onderzoek en ontwikkeling die worden verricht in het kader van de Horizon Europa-verordening; |
|
c) |
het verhogen van de veiligheid en de beveiliging van de Unie en haar lidstaten en het versterken van haar ▌onafhankelijkheid, met name op industrieel en technologisch vlak▌; |
|
d) |
het bevorderen van de rol van Unie op het mondiale niveau ▌in de ruimtevaartsector , het bevorderen van internationale samenwerking, het versterken van Europese ruimtediplomatie, onder meer door de beginselen van wederkerigheid en eerlijke concurrentie te bevorderen, en het versterken van de rol van de Unie bij de aanpak van wereldwijde uitdagingen, de ondersteuning van internationale initiatieven, onder meer wat betreft ▌ duurzame ontwikkeling , en het versterken van het bewustzijn van ruimte als een gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid; |
|
e) |
het verbeteren van de veiligheid, de beveiliging en de duurzaamheid van alle ruimtevaartactiviteiten in verband met ruimteobjecten en de snelle verspreiding van ruimteschroot, alsmede van het ruimtemilieu, door uitvoering van gepaste maatregelen, met inbegrip van de ontwikkeling en inzet van technologieën voor het opruimen van ruimtevaartuigen aan het einde van hun levensduur en voor het opruimen van ruimteschroot. |
6 bis) Internationale samenwerking vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtevaartstrategie voor Europa en is van cruciaal belang om de rol van de Unie als een mondiale speler in de ruimtevaartsector te bevorderen. De Commissie zal het programma gebruiken om bij te dragen aan en te profiteren van internationale inspanningen in de vorm van ruimtediplomatie-initiatieven, om de Europese technologie en industrie internationaal te promoten (bijvoorbeeld via bilaterale dialogen, workshops voor de sector, ondersteuning voor de internationalisering van kmo's), en de toegang tot internationale markten te vergemakkelijken en eerlijke mededinging te bevorderen, waarbij wordt voortgebouwd op initiatieven van economische diplomatie. Europese diplomatieke initiatieven in verband met de ruimtevaart moeten in volledige overeenstemming zijn met en een aanvulling vormen op bestaande EU-beleidsmaatregelen, -prioriteiten en instrumenten, terwijl het van groot belang is dat de Unie, samen met de EU-lidstaten, een voortrekkersrol op het wereldtoneel blijft vervullen.
2. De specifieke doelstellingen van het programma zijn:
|
a) |
voor Galileo en Egnos: het verstrekken van geavanceerde en ▌beveiligde langetermijndiensten voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling , waarbij de continuïteit en deugdelijkheid van de diensten worden gewaarborgd ; |
|
b) |
voor Copernicus: het verstrekken van nauwkeurige en betrouwbare aardobservatiegegevens , -informatie en -diensten waar andere gegevensbronnen in worden geïntegreerd , op een duurzame langetermijnbasis, ter ondersteuning van de formulering, uitvoering en monitoring van het beleid van de Unie en haar lidstaten en acties op basis van de behoeften van gebruikers ; |
|
c) |
voor omgevingsbewustzijn in de ruimte (“SSA”): het versterken van de SST-capaciteiten om voorwerpen in de ruimte en ruimteschroot te monitoren, bewaken en identificeren, teneinde de prestaties en onafhankelijkheid van SST-capaciteiten op Unie-niveau verder te versterken, ruimteweerdiensten te verstrekken en de NEO-capaciteiten van de lidstaten in kaart te brengen en met elkaar te verbinden; |
|
d) |
voor Govsatcom: het waarborgen van de beschikbaarheid op de lange termijn van betrouwbare, veilige en kosteneffectieve satellietcommunicatiediensten voor Govsatcom-gebruikers ; |
|
e) |
het ondersteunen van een autonoom, veilig en kostenefficiënt ruimtevaartvermogen , rekening houdend met de cruciale veiligheidsbelangen van de Unie ; |
|
f) |
het bevorderen van de ontwikkeling van een sterke Europese ruimte-economie, onder meer door het ruimte-ecosysteem te ondersteunen en het concurrentievermogen, innovatie, ondernemerschap, vaardigheden en capaciteitsopbouw in alle lidstaten en en regio's van de Unie te stimuleren, met bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups of natuurlijke en -rechtspersonen in de Unie die in die sector actief zijn of dat wensen te worden▌. |
Artikel 5
Toegang tot de ruimte
1. Het programma ondersteunt de verwerving en bundeling van lanceerdiensten voor behoeften van het programma , en, op hun verzoek, de bundeling ten behoeve van de lidstaten en internationale organisaties .
2. In synergie met andere Unieprogramma's en financieringsregelingen, en zonder afbreuk te doen aan de activiteiten van het Europees Ruimteagentschap op het gebied van toegang tot de ruimte, kan het programma de volgende zaken ondersteunen:
|
a) |
aanpassingen, inclusief technologische ontwikkelingen, van ruimtelanceersystemen, die noodzakelijk zijn voor het lanceren van satellieten, met inbegrip van alternatieve technologieën en innovatieve ruimtevaartsystemen, voor de uitvoering van de onderdelen van het programma; |
|
b) |
aanpassingen aan de ruimtevaartinfrastructuur op de grond , met inbegrip van nieuwe ontwikkelingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van het programma . |
Artikel 6
Acties ter ondersteuning van een innovatieve en concurrerende ruimtevaartsector voor de Unie
1. Het programma bevordert capaciteitsopbouw in de hele Unie en ondersteunt in dit verband :
|
a) |
innovatieactiviteiten voor een optimaal gebruik van ruimtevaarttechnologieën, -infrastructuur en -diensten en maatregelen om het gebruik van innovatieve oplossingen die voortvloeien uit onderzoeks- en innovatieactiviteiten te vergemakkelijken en de ontwikkeling van de downstreamsector te ondersteunen, met name door middel van synergieën met andere Unieprogramma's en financiële instrumenten, met inbegrip van InvestEU ; |
|
b) |
activiteiten om de publieke vraag en innovatie in de publieke sector te bevorderen, teneinde het volledige potentieel van overheidsdiensten voor burgers en bedrijven te benutten; |
|
c) |
ondernemerschap, ook vanaf de eerste fasen tot schaalvergroting, overeenkomstig artikel 21, door een beroep te doen op andere bepalingen inzake toegang tot financiering als bedoeld in artikel 18 en hoofdstuk 1 van titel III , en door een “first contract”-benadering te hanteren ; |
|
d) |
de totstandbrenging van een bedrijfsvriendelijk ruimte-ecosysteem, door middel van samenwerking tussen ondernemingen in de vorm van een netwerk van ruimtevaarthubs op regionaal en nationaal niveau, waarin actoren en gebruikers uit de ruimtevaart-, digitale en andere sectoren worden samengebracht; dat netwerk van hubs streeft ernaar steun, faciliteiten en diensten te verlenen aan burgers en ondernemingen om de ontwikkeling van ondernemerschap en vaardigheden te stimuleren, synergieën in de downstreamsector te versterken en samenwerking met de digitale innovatiehubs die zijn opgericht in het kader van het programma “Digitaal Europa” te bevorderen ; |
|
e) |
activiteiten op het gebied van onderwijs en opleiding , onder meer voor professionals, ondernemers, afgestudeerden en studenten, met name door middel van synergieën met nationale en regionale initiatieven, voor de ontwikkeling van geavanceerde vaardigheden ; |
|
f) |
toegang tot verwerkings- en testfaciliteiten voor beroepsbeoefenaren uit de overheidssector en de private sector, studenten en ondernemers ; |
|
g) |
activiteiten op het gebied van certificering en normalisering; |
|
h) |
versterking van de Europese toeleveringsketens in de hele Unie door middel van brede deelname van ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen en start-ups, aan alle onderdelen van het programma, met name aan de hand van bepalingen van artikel 14 en maatregelen om hun concurrentievermogen op mondiaal niveau te verbeteren. |
2. Bij de verrichting van de in lid 1 genoemde activiteiten wordt beantwoord aan de noodzaak om capaciteit te ontwikkelen in lidstaten met een opkomende ruimtevaartindustrie, teneinde alle lidstaten een gelijke kans te bieden om aan het ruimteprogramma deel te nemen.
Artikel 7
Met het programma geassocieerde derde landen en internationale organisaties
1. De onderdelen van het programma, uitgezonderd SST en Govsatcom, staan open voor deelname van de volgende derde landen:
|
a) |
landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden; |
|
b) |
toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname daarvan aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten daarvan met de Unie; |
|
c) |
landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen; |
2. De onderdelen van het programma, uitgezonderd SST, staan eveneens open voor deelname van derde landen of internationale organisaties, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land of de internationale organisatie aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst
|
a) |
een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land of de internationale organisatie dat of die aan programma's van de Unie deelneemt; |
|
b) |
de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van [the new Financial Regulation]; |
|
c) |
het derde land of de internationale organisatie in kwestie geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma of toegang tot gevoelige of gerubriceerde informatie verleent; |
|
d) |
de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt. |
|
d bis) |
de strategische en soevereine belangen van de Unie op alle relevante gebieden, met inbegrip van de Europese strategische autonomie op technologisch of industrieel gebied, in voorkomend geval in stand houdt; |
3. De onderdelen van het programma staan alleen open voor deelname aan de in de leden 1 en 2 bedoelde derde landen en organisaties mits de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten beschermd blijven.
Artikel 8
Toegang tot SST, Govsatcom en de PRS door derde landen of internationale organisaties
1. Derde landen of internationale organisaties kunnen alleen deelnemen aan Govsatcom als bedoeld in artikel 67 of deelnemen aan of toegang krijgen tot de door de SST geleverde diensten indien zij, overeenkomstig de in artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde procedure, een overeenkomst sluiten waarin de voorwaarden van de gedetailleerde regels voor de toegang tot die gegevens, informatie, capaciteiten en diensten, alsook het kader voor de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde informatie worden vastgelegd.
2. Voor de toegang van derde landen of organisaties tot de door Galileo aangeboden publiek gereguleerde dienst gelden de bepalingen van artikel 3, lid 5, van Besluit nr. 1104/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad (20).
Artikel 9
Eigendom en gebruik van activa
1. De Unie heeft alle materiële en immateriële activa die worden gecreëerd of ontwikkeld in het kader van de onderdelen van het programma in eigendom. Daartoe treft de Commissie de nodige maatregelen om te waarborgen dat alle contracten, overeenkomsten en andere regelingen in verband met activiteiten die kunnen resulteren in de creatie of ontwikkeling van dergelijke activa, bepalingen bevatten waarin voor die activa een passende eigendomsregeling is vastgelegd.
2. Lid 1 is niet van toepassing op de materiële en immateriële activa die worden gecreëerd of ontwikkeld in het kader van de onderdelen van het programma, indien de activiteiten die kunnen resulteren in de creatie of ontwikkeling van dergelijke activa:
|
a) |
worden verricht in het kader van volledig door de Unie gefinancierde subsidies of prijzen; |
|
b) |
niet volledig door de Unie worden gefinancierd, of |
|
c) |
betrekking hebben op de ontwikkeling, de vervaardiging of het gebruik van PRS-ontvangers die EUCI omvatten of onderdelen van dergelijke ontvangers. |
3. De Commissie treft de nodige maatregelen om te waarborgen dat de contracten, overeenkomsten of andere regelingen in verband met de in lid 2 bedoelde activiteiten bepalingen bevatten waarin voor die activa een passende eigendoms- en gebruiksregeling wordt vastgesteld en, wat punt c) betreft, waarin wordt vastgelegd dat de Unie de PRS-ontvangers vrijelijk kan gebruiken en het gebruik ervan kan toestaan overeenkomstig Besluit nr. 1104/2011/EU.
4. De Commissie streeft ernaar om contracten of andere regelingen af te sluiten met derden met betrekking tot:
|
a) |
reeds bestaande eigendomsrechten in verband met materiële en immateriële activa die worden gecreëerd of ontwikkeld in het kader van de onderdelen van het programma in eigendom; |
|
b) |
de verwerving van eigendoms- of licentierechten in verband met andere materiële of immateriële activa die voor de uitvoering van het programma noodzakelijk zijn. |
5. De Commissie zorgt aan de hand van een passend kader voor een optimaal gebruik van de in de leden 1 en 2 bedoelde materiële en immateriële activa die eigendom van de Unie zijn.
6. Met name, wanneer die activa bestaan uit intellectuele-eigendomsrechten, beheert de Commissie die rechten zo effectief mogelijk, waarbij zij rekening houdt met de noodzaak ze te beschermen en te waarderen, met de rechtmatige belangen van alle betrokken belanghebbenden en met de nood aan een harmonieuze ontwikkeling van markten en nieuwe technologieën en aan de continuïteit van de door de onderdelen van het programma geleverde diensten. Daartoe zorgt zij er met name voor dat de relevante contracten, overeenkomsten en andere regelingen de mogelijkheid omvatten om die rechten over te dragen aan derden of om licenties voor die rechten af te geven aan derden, met inbegrip van de maker van dat intellectuele-eigendomsrecht, en dat het Agentschap vrijelijk over die rechten kan beschikken indien dat voor de uitvoering van zijn taken in het kader van deze verordening noodzakelijk is. De in artikel 29, lid 3 bis, genoemde overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap of de in artikel 32, lid 1, genoemde bijdrageovereenkomsten bevatten relevante bepalingen om het gebruik van die rechten door het Europees Ruimteagentschap en de andere entiteiten waaraan activiteiten worden toegewezen mogelijk te maken indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken uit hoofde van deze verordening, en de voorwaarden voor dit gebruik.
Artikel 10
Garantie
Onverminderd de verplichtingen krachtens juridisch bindende bepalingen worden de door de onderdelen van het programma geleverde diensten, gegevens en informatie verstrekt zonder enige expliciete of impliciete garantie ten aanzien van de kwaliteit, nauwkeurigheid, beschikbaarheid, betrouwbaarheid en geschiktheid voor een bepaald doel ervan. ▌De Commissie treft de nodige maatregelen om te waarborgen dat de gebruikers van die diensten, gegevens en informatie naar behoren in kennis worden gesteld▌.
TITEL II
BIJDRAGE EN BEGROTINGSMECHANISMEN
Artikel 11
Budget
1. De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021 — 2027 , met inbegrip van die voor de daarmee samenhangende risico's, bedragen 16,9 miljard EUR [in lopende prijzen].
De ▌ verdeling van het in de eerste alinea bedoelde bedrag wordt gesplitst in de volgende categorieën uitgaven :
|
a) |
voor Galileo en Egnos: 9,7 miljard EUR; |
|
b) |
voor Copernicus: 6 miljard EUR; |
|
c) |
voor SSA/Govsatcom : 1,2 miljard EUR. |
2. Aanvullende maatregelen als voorzien in artikel 3 , namelijk de in de artikelen 5 en 6 genoemde activiteiten, worden in het kader van de onderdelen van het programma gefinancierd.
3. De aan het programma toegewezen begrotingskredieten van de Unie dekken alle activiteiten die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 4 bedoelde doelstellingen. Dergelijke uitgaven kunnen betrekking hebben op:
|
a) |
studies en bijeenkomsten van deskundigen, met name in verband met de naleving van de beperkingen op het gebied van kosten en tijdsdruk; |
|
b) |
voorlichtings- en communicatieacties, inclusief de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover deze rechtstreeks verband houden met de doelstellingen van deze verordening, en met name gericht op de totstandbrenging van synergieën met andere beleidsterreinen van de Unie; |
|
c) |
de informatietechnologienetwerken waarmee informatie wordt verwerkt of uitgewisseld, en de door de Commissie getroffen administratieve beheersmaatregelen, waaronder op het gebied van beveiliging; |
|
d) |
technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het programma, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen. |
4. Acties die cumulatieve financiering uit verschillende programma's van de Unie ontvangen, worden slechts één keer gecontroleerd, waarbij alle betrokken programma's en hun respectieve toepasselijke regels worden bestreken.
5. De aan het programma gerelateerde vastleggingen in de begroting die acties bestrijken waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.
6. Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.
Artikel 12
Bestemmingsontvangsten
1. De door de onderdelen van het programma gegenereerde ontvangsten worden toegevoegd aan de begroting van de Unie en gebruikt voor de financiering van het onderdeel dat de ontvangst genereerde.
2. De lidstaten kunnen aanvullende financiering toekennen aan een onderdeel van het programma, op voorwaarde dat dergelijke bijkomende elementen geen financiële of technische belasting met zich meebrengen of tot vertragingen in het desbetreffende onderdeel leiden. De Commissie besluit overeenkomstig de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure of aan deze voorwaarden is voldaan.
3. De in dit lid bedoelde aanvullende financiering wordt behandeld als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig [artikel 21, lid 2] van het Financieel Reglement.
Artikel 13
Uitvoering en vormen van EU-financiering
1. Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.
2. In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen. Er kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen.
3. Indien de begroting voor Copernicus via indirect beheer wordt uitgevoerd, kunnen de aanbestedingsregels van de met begrotingsuitvoeringstaken belaste entiteiten van toepassing zijn, voor zover zulks toelaatbaar is krachtens de artikelen 62 en 154 van het Financieel Reglement. De specifieke aanpassingen aan deze regels worden in de relevante bijdrageovereenkomsten bepaald.
TITEL III
FINANCIËLE BEPALINGEN
HOOFDSTUK I
Aanbestedingen
Artikel 14
Aanbestedingsbeginselen
1. De aanbestedende dienst handelt bij de aanbestedingsprocedures in het kader van het programma overeenkomstig de volgende beginselen:
|
a) |
in alle lidstaten , in de hele Unie en in de hele toeleveringsketen, een zo breed en open mogelijke deelname van alle marktdeelnemers, en in het bijzonder startende ondernemingen, nieuwe marktdeelnemers en kleine en middelgrote ondernemingen ▌bevorderen, waaronder de vereiste van onderaanneming door de inschrijvers; |
|
b) |
daadwerkelijke concurrentie waarborgen en afhankelijkheid van één enkele leveringsbron, waar mogelijk, te voorkomen, met name wat kritieke uitrusting en diensten betreft, rekening houdend met de doelstellingen van technologische onafhankelijkheid en de continuïteit van de diensten; |
|
c) |
in afwijking van artikel 167 van het Financieel Reglement, waar passend, gebruikmaken van meer dan één leverancier om een betere controle van de onderdelen van het programma, de kosten en het tijdschema te waarborgen; |
|
c bis) |
de beginselen van open toegang en eerlijke mededinging in de gehele industriële bevoorradingsketen in acht te nemen, inschrijving op basis van transparante en tijdige informatie, duidelijke bekendmaking van de geldende voorschriften en procedures voor aanbestedingen, selectie- en gunningscriteria en alle andere relevante informatie die alle potentiële inschrijvers, met inbegrip van kmo's en start-ups, gelijke kansen biedt; |
|
d) |
de onafhankelijkheid van de Unie versterken , met name op technologisch vlak; |
|
e) |
voldoen aan de beveiligingsvereisten van de onderdelen van het programma en bijdragen aan de bescherming van de essentiële veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten; |
|
e bis) |
de continuïteit en de betrouwbaarheid van de dienstverlening waarborgen; |
|
f) |
aan passende sociale en milieucriteria voldoen. |
2. De raad voor aanbestedingen binnen de Commissie oefent toezicht uit op de aanbestedingsprocedure met betrekking tot alle onderdelen van het programma en monitort de contractuele uitvoering van de EU-begroting door de daarmee belaste entiteiten. Vertegenwoordigers van de belaste entiteiten worden in voorkomend geval uitgenodigd.
Artikel 15
Opdrachten met voorwaardelijke tranches
1. Met betrekking tot operationele en infrastructuurspecifieke activiteiten kan de aanbestedende dienst de opdracht plaatsen in de vorm van een opdracht met voorwaardelijke tranches in overeenstemming met dit artikel.
2. De opdracht met voorwaardelijke tranches omvat een vaste tranche die resulteert in een vaste verplichting inzake de uitvoering van de voor deze tranche gegunde werken, leveringen of diensten, en een of meer voorwaardelijke tranches wat begroting en uitvoering betreft. In de aanbestedingsstukken worden de elementen vermeld die specifiek zijn voor opdrachten met voorwaardelijke tranches. Met name worden het voorwerp, de prijs of de wijze waarop deze wordt vastgesteld en de regelingen voor de levering van de goederen of diensten voor elke tranche in de stukken gedefinieerd.
3. De verplichtingen van de vaste tranche vormen een samenhangend geheel; hetzelfde geldt voor de verplichtingen van elke voorwaardelijke tranche, rekening houdend met de verplichtingen van alle voorafgaande tranches.
4. De uitvoering van elke voorwaardelijke tranche is afhankelijk van een beslissing van de aanbestedende dienst, die volgens de in de opdracht vastgestelde voorwaarden aan de contractant wordt meegedeeld.
Artikel 16
Opdrachten tegen vergoeding op basis van gecontroleerde uitgaven
1. De aanbestedende dienst kan kiezen voor een opdracht die geheel of ten dele op basis van gecontroleerde uitgaven wordt vergoed, onder de in lid 3 genoemde omstandigheden.
De te betalen prijs bestaat uit de vergoeding van alle daadwerkelijk door de contractant bij de uitvoering van de opdracht gedane uitgaven, zoals die voor arbeidskosten, materialen, verbruiksgoederen en het gebruik van apparatuur en infrastructuur die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdracht, indirecte kosten , een vaste winst ▌ en een passende prestatievergoeding die afhangt van de vervulling van de doelstellingen inzake resultaten en tijdschema.
2. Bij opdrachten die op basis van gecontroleerde uitgaven worden vergoed, wordt een maximumprijs vastgesteld.
3. De aanbestedende dienst kan kiezen voor een geheel of ten dele op basis van gecontroleerde uitgaven vergoede opdracht indien het moeilijk of niet passend is een precieze vaste prijs vast te stellen als gevolg van de onzekerheden die inherent zijn aan de uitvoering van de opdracht doordat:
|
a) |
de opdracht betrekking heeft op zeer complexe zaken of zaken waarvoor een beroep moet worden gedaan op een nieuwe technologie, en daardoor aanzienlijke technische onzekerheden met zich meebrengt; of |
|
b) |
de werkzaamheden waarop de opdracht betrekking heeft om operationele redenen onmiddellijk moeten beginnen, terwijl nog geen vaste en definitieve totaalprijs vastgesteld kan worden doordat sprake is van significante onzekerheden of de uitvoering van het contract ten dele afhankelijk is van de uitvoering van andere contracten. |
4. De maximumprijs van een opdracht die geheel of ten dele op basis van gecontroleerde uitgaven wordt vergoed is de maximaal te betalen prijs. De prijs van de opdracht kan worden gewijzigd overeenkomstig [artikel 172] van het Financieel Reglement.
Artikel 17
Onderaanneming
1. Om nieuwe marktdeelnemers, kleine en middelgrote ondernemingen en startende ondernemingen en de grensoverschrijdende deelname daarvan aan te moedigen en om een zo groot mogelijke geografische dekking te bieden en de ▌ autonomie van de Unie te beschermen, verzoekt de aanbestedende dienst de inschrijver ▌ een deel van de opdracht door middel van een open aanbesteding op het passende niveau van onderaanneming uit te besteden aan bedrijven buiten de groep waartoe de inschrijver behoort.
▌
3. Eventuele afwijking van een verzoek overeenkomstig lid 1 wordt door de inschrijver gemotiveerd.
4. Voor opdrachten van meer dan tien miljoen EUR streeft de aanbestedende dienst ernaar ervoor te zorgen dat ten minste 30 % van de waarde van de opdracht door middel van een open aanbesteding op verschillende niveaus wordt uitbesteed aan bedrijven buiten de groep waartoe de hoofdcontractant behoort, met name om de grensoverschrijdende deelname van kmo's mogelijk te maken. De Commissie informeert het comité als bedoeld in artikel 107, lid 1, over de verwezenlijking van deze doelstelling met betrekking tot contracten die zijn ondertekend na de inwerkingtreding van deze verordening.
HOOFDSTUK II
Subsidies, prijzen en blendingverrichtingen
Artikel 18
Subsidies en prijzen
1. De Unie kan tot 100 % van de subsidiabele kosten dekken, onverminderd het medefinancieringsbeginsel.
2. In afwijking van [artikel 181, lid 6,] van het Financieel Reglement ▌ kan de bevoegde ordonnateur bij het toepassen van vaste percentages een financiering voor de indirecte kosten van de begunstigde toestaan of opleggen tot een maximum van 25 % van de totale directe subsidiabele kosten ▌ van de actie .
3. Niettegenstaande lid 2 kunnen indirecte kosten in de vorm van vaste bedragen of eenheidskosten worden gedeclareerd indien dat in het in artikel 100 bedoelde werkprogramma is bepaald.
4. In afwijking van [artikel 204] van het Financieel Reglement mag het maximumbedrag dat aan een derde kan worden uitbetaald ten hoogste 200 000 EUR bedragen.
Artikel 19
Gezamenlijke oproepen tot het indienen van voorstellen
De Commissie of een in het kader van het programma belaste entiteit kan een gezamenlijke oproep tot het indienen van voorstellen doen met de in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement genoemde entiteiten, organen of personen.
▌
Bij een gezamenlijke oproep tot het indienen van voorstellen zijn de in titel VIII van het Financieel Reglement genoemde regels van toepassing. Bij de evaluatieprocedures wordt een evenwichtige groep deskundigen betrokken ▌, benoemd door elke partij. De evaluatiecomité's zijn in overeenstemming met artikel 150 van het Financieel Reglement.
In de subsidieovereenkomst wordt de regeling bepaald die van toepassing is op de intellectuele-eigendomsrechten.
Artikel 20
Subsidies voor precommerciële aanbesteding en aanbesteding van innovatieve oplossingen
1. Acties kunnen de precommerciële aanbesteding of de openbare aanbesteding van innovatieve oplossingen inhouden of als hoofddoel beogen, uitgevoerd door begunstigden die aanbestedende diensten of contracterende entiteiten zijn als gedefinieerd in de Richtlijnen 2014/24/EU, 2014/25/EU en 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad.
2. De aanbestedingsprocedures:
|
a) |
nemen de beginselen van transparantie, non-discriminatie, gelijke behandeling, goed financieel beheer, evenredigheid en mededingingsregels in acht; |
|
b) |
kunnen, bij precommerciële aanbesteding, voorzien in specifieke voorwaarden zoals de beperking van de plaats van uitvoering van de aanbestede activiteiten tot het grondgebied van de lidstaten en de verbonden landen; |
|
c) |
kunnen voorzien in de gunning van meerdere contracten binnen één en dezelfde procedure (“multiple sourcing”), en |
|
d) |
voorzien in de gunning van de opdrachten aan de economisch voordeligste inschrijving(en) waarbij belangenconflicten worden vermeden. |
3. Een contractant die in het kader van een precommerciële aanbesteding resultaten genereert, is in ieder geval rechthebbende van de daaraan verbonden intellectuele-eigendomsrechten. De aanbestedende dienst heeft minimaal en vrij van royalty's recht op toegang tot die resultaten voor eigen gebruik en heeft het recht om niet-exclusieve licenties aan derden te verlenen of om die licentie door de deelnemende contractant te doen verlenen, teneinde de resultaten van de aanbestedende dienst onder eerlijke en redelijke voorwaarden te exploiteren, evenwel zonder sublicentierecht. Indien een contractant er niet in slaagt om de resultaten binnen een bepaalde periode na de precommerciële aanbesteding als vastgesteld in de overeenkomst, te exploiteren, kunnen de aanbestedende diensten van hem verlangen de eigendom van de resultaten aan de aanbestedende diensten over te dragen.
Artikel 21
Blendingverrichtingen
Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
HOOFDSTUK IV
Andere financiële bepalingen
Artikel 22
Cumulatieve, complementaire en gecombineerde financiering
1. Aan een actie waaraan uit een ander programma van de Unie een bijdrage is toegekend, kan ook in het kader van het programma een bijdrage worden toegekend, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van elk programma van de Unie dat een bijdrage levert, zijn van toepassing op de respectievelijke bijdrage ervan aan de actie. De cumulatieve financiering bedraagt niet meer dan de totale subsidiabele kosten van de actie, en de ondersteuning vanuit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor ondersteuning zijn vastgelegd.
2. Acties die het certificaat “Excellentiekeur” hebben ontvangen, of die aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
|
a) |
zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma; |
|
b) |
zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen; |
|
c) |
zij kunnen als gevolg van budgettaire beperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd; |
kunnen ondersteuning ontvangen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+ of Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, overeenkomstig artikel [67], lid 5, van Verordening (EU) XX [verordening gemeenschappelijke bepalingen] en artikel [8] van Verordening (EU) XX [de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid], mits dergelijke acties overeenstemmen met de doelstellingen van desbetreffende programma. De regels van het fonds waaruit ondersteuning wordt verleend, zijn van toepassing.
▌
Artikel 24
Gezamenlijke aanbesteding
1. In aanvulling op de bepalingen van [artikel 165] van het Financieel Reglement kunnen de Commissie en/of het Agentschap gezamenlijke aanbestedingsprocedures uitvoeren met het Europees Ruimteagentschap of andere internationale organisaties die bij de uitvoering van de onderdelen van het programma zijn betrokken.
2. De toepasselijke aanbestedingsregels in [artikel 165] van het Financieel Reglement zijn van overeenkomstige toepassing, mits in elk geval de voor de instellingen van de Unie geldende procedurele bepalingen worden toegepast.
Artikel 25
Bescherming van essentiële veiligheidsbelangen
Indien dat voor de bescherming van de essentiële veiligheidsbelangen van de Unie en haar lidstaten noodzakelijk is, in het bijzonder wat betreft het waarborgen van de integriteit en veerkracht van de Unie-systemen en de onafhankelijkheid van de industriële basis waarop zij steunen, stelt de Commissie voor de aanbesteding, subsidies of prijzen die onder deze titel vallen de nodige subsidiabiliteitsvoorwaarden vast. Daartoe wordt bijzondere aandacht besteed aan de voorwaarde dat in aanmerking komende ondernemingen in een lidstaat zijn gevestigd en de relevante werkzaamheden binnen de Unie zullen verrichten▌. Die voorwaarden worden vermeld in de documenten in verband met de aanbesteding, subsidie of prijs, naargelang van het geval. In het geval van aanbesteding zijn de voorwaarden van toepassing op de gehele levenscyclus van de resulterende opdracht.
Artikel 26
Bescherming van de financiële belangen van de Unie
Wanneer een derde land deelneemt aan het programma uit hoofde van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of op grond van enig ander rechtsinstrument, verleent dat derde land de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, aan ▌ OLAF en aan de Europese Rekenkamer, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding ▌.
TITEL IV
GOVERNANCE VAN HET PROGRAMMA
Artikel 27
Beginselen van governance
De governance van het programma wordt gebaseerd op de volgende beginselen:
|
a) |
een duidelijke verdeling van de taken en verantwoordelijkheden tussen de bij de uitvoering van elk onderdeel en elke maatregel van het programma betrokken entiteiten, met name tussen de lidstaten, de Commissie, het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap en de Europese Organisatie voor de Exploitatie van Meteorologische Satellieten, waarbij wordt voortgebouwd op hun respectieve competentie en overlappingen van taken en verantwoordelijkheden worden vermeden ; |
|
a bis) |
de relevantie van de governancestructuur, in voorkomend geval, voor de specifieke behoeften van elk onderdeel en elke maatregel van het programma; |
|
b) |
een strenge controle van het programma, onder meer om te waarborgen dat alle entiteiten zich, binnen hun respectieve rollen en taken overeenkomstig deze verordening, strikt aan de ramingen voor de kosten, het tijdschema en de prestaties houden ; |
|
c) |
transparant en kostenefficiënt beheer ; |
|
c bis) |
continuïteit van de dienstverlening en continuïteit van de noodzakelijke infrastructuur, met inbegrip van bescherming tegen de relevante bedreigingen; |
|
d) |
systematisch en gestructureerd aandacht besteden aan de behoeften van de gebruikers van de door de onderdelen van het programma geleverde gegevens, informatie en diensten, en van de daaraan verbonden wetenschappelijke en technologische vooruitgang ▌; |
|
e) |
voortdurende inspanningen om risico's te beheersen en te verminderen. |
Artikel 28
De rol van de lidstaten
1. De lidstaten kunnen aan het programma deelnemen . De lidstaten die aan het programma deelnemen, dragen technische competentie kennis en bijstand bij , met name op het gebied van veiligheid en beveiliging, en/of, waar dat passend en mogelijk is, door de gegevens, informatie , diensten en infrastructuur waarover zij beschikken of die zich op hun grondgebied bevinden, ter beschikking van de Unie te stellen, onder meer door te zorgen voor efficiënte en obstakelvrije toegang tot en gebruik van in-situgegevens en door met de Commissie samen te werken aan een betere beschikbaarheid van in-situgegevens zoals vereist door het programma , met inachtneming van de toepasselijke licenties en verplichtingen .
2. De Commissie kan door middel van bijdrageovereenkomsten specifieke taken toevertrouwen aan organisaties van de lidstaten indien die organisaties door de betrokken lidstaat zijn aangewezen. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen en handelend volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure bijdragebesluiten inzake de bijdrageovereenkomsten vast.
2 bis. In bepaalde naar behoren gemotiveerde omstandigheden kan het Agentschap , voor de in artikel 30 bedoelde taken, door middel van bijdrageovereenkomsten specifieke taken toevertrouwen aan organisaties van de lidstaten, ingeval die organisaties door de betrokken lidstaat zijn aangewezen.
2 bis bis. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om te zorgen voor een goede werking van het programma▌, waaronder door de voor het programma benodigde frequenties op een adequaat niveau te helpen beschermen.
2 ter. De lidstaten en de Commissie kunnen samenwerken om de benutting van de door het programma geleverde gegevens, informatie en diensten te bevorderen.
2 quater. Waar mogelijk is de bijdrage van de lidstaten aan het gebruikersforum als bedoeld in artikel 107 gebaseerd op een systematische en gecoördineerde raadpleging van de eindgebruikersgemeenschappen op nationaal niveau, in het bijzonder met betrekking tot Galileo, Egnos en Copernicus.
3. De Commissie en de lidstaten werken samen aan de ontwikkeling van de in-situcomponent en de grondkalibratiediensten die nodig zijn voor de ingebruikneming van ruimtevaartsystemen en aan de bevordering van een optimaal gebruik van in- situ- en referentiegegevensreeksen, waarbij wordt voortgebouwd op bestaande capaciteiten .
4. Wat beveiliging betreft, verrichten de lidstaten de in artikel 34, lid 4, bedoelde taken.
Artikel 29
Rol van de Commissie
1. De Commissie heeft de algemene verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma, met inbegrip van de beveiliging , onverminderd de prerogatieven van de lidstaten op het gebied van nationale veiligheid . In overeenstemming met deze verordening en in overeenstemming met de gebruikersbehoeften stelt zij de prioriteiten en de ontwikkeling op de lange termijn van het programma vast en houdt zij toezicht op de uitvoering ervan, onverminderd de andere beleidsterreinen van de Unie.
2. De Commissie beheert elk onderdeel of elke subcomponent van het programma ▌ dat niet aan andere entiteiten is toevertrouwd , in het bijzonder Govsatcom, aardscheerders, het ruimteweer en de in artikel 54, onder d), genoemde activiteiten .
3. De Commissie zorgt voor een duidelijke verdeling van de taken en verantwoordelijkheden tussen de verschillende entiteiten die betrokken zijn bij het programma en coördineert de activiteiten van die entiteiten. De Commissie zorgt er ook voor dat alle entiteiten waaraan de uitvoering van het programma is toevertrouwd, de belangen van de Unie beschermen, het goede beheer van de middelen van de Unie waarborgen en het Financieel Reglement en deze verordening naleven.
3 bis. De Commissie sluit een overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap met het Agentschap en, met inachtneming van de kaderovereenkomst van 2004, het Europees Ruimteagentschap, zoals voorzien in [artikel 130] van het Financieel Reglement en als bedoeld in artikel 31 bis.
4. Indien dat voor de goede werking van het programma en de soepele dienstverlening door de onderdelen van het programma noodzakelijk is, stelt de Commissie, door middel van gedelegeerde handelingen , de vereisten van hoog niveau voor de uitvoering en ontwikkeling van die onderdelen en de daardoor geleverde diensten vast, na raadpleging van de gebruikers en alle andere relevante belanghebbenden , met inbegrip van de downstreamsector . Bij het vaststellen van die vereisten van hoog niveau voorkomt de Commissie dat het algemene beveiligingsniveau wordt verlaagd en zorgt zij voor achterwaartse compatibiliteit.
Deze gedelegeerde handelingen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 21 .
5. De Commissie ▌ waarborgt dat de ingebruikneming en het gebruik van de door de onderdelen van het programma geleverde gegevens en diensten in de publieke en de private sectoren wordt bevorderd en gemaximaliseerd, onverminderd de taken van het Agentschap of andere belaste entiteiten, waaronder door de juiste ontwikkeling van die diensten en gebruiksvriendelijke interfaces te ondersteunen en een stabiel klimaat op de lange termijn te bevorderen. Zij ontwikkelt passende synergieën tussen de toepassingen van de verschillende onderdelen van het programma. Ook zorgt zij voor complementariteit, consistentie, synergieën en de koppeling tussen het programma en andere acties en programma's van de Unie.
6. Waar passend zorgt de Commissie voor de samenhang van de activiteiten die in het kader van het programma worden verricht met de activiteiten op het gebied van ruimtevaart die worden verricht op nationaal, internationaal of Unieniveau. De Commissie moedigt samenwerking tussen de lidstaten aan en vergemakkelijkt, wanneer dit relevant is voor het programma, de convergentie van hun technische vermogens en ontwikkeling op het gebied van ruimtevaart. Hiertoe werkt de Commissie in voorkomend geval en binnen de gebieden die onder hun bevoegdheid vallen samen met het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap.
7. De Commissie stelt het in artikel 107 bedoelde comité in kennis van de tussentijdse en eindresultaten van de evaluatie van de inschrijvingen op aanbestedingen en van de met publieke en private entiteiten te sluiten contracten, met inbegrip van subcontracten.
Artikel 30
Rol van het Agentschap
1. het Agentschap heeft de volgende taken:
|
a) |
via de Raad voor de veiligheidsaccreditatie zorgen voor de beveiligingshomologatie van alle onderdelen van het programma, in overeenstemming met titel V, hoofdstuk II; |
|
b) |
de andere in artikel 34, leden 2 en 3, bedoelde taken verrichten; |
|
c) |
communicatie-, marktontwikkelings- en promotieactiviteiten verrichten ▌ van de door Galileo en Egnos geboden diensten , in het bijzonder activiteiten in verband met de marktinvoering en de coördinatie van de behoeften van de gebruikers ; |
|
c bis) |
communicatie-, promotie- en marktontwikkelingsactiviteiten van de door Copernicus geboden gegevens, informatie en diensten verrichten, onverminderd de activiteiten die door andere belaste entiteiten en de Commissie worden verricht; |
|
d) |
de Commissie ▌ deskundigheid leveren , onder meer voor de voorbereiding van de downstream-onderzoeksprioriteiten die gerelateerd zijn aan de ruimtevaart . |
2. De Commissie vertrouwt de volgende activiteiten toe aan het Agentschap:
|
a) |
de exploitatie van Egnos en Galileo beheren, met inbegrip van de acties als bedoeld in artikel 43; |
|
b) |
overkoepelende coördinatie van de gebruikersgerelateerde aspecten van Govsatcom, in nauwe samenwerking met de lidstaten, andere entiteiten, de relevante agentschappen van de Unie en de EDEO voor missies en operaties op het gebied van crisisbeheer; |
|
c) |
uitvoeringsactiviteiten in verband met de ontwikkeling van downstreamtoepassingen op basis van de onderdelen van het programma, met inbegrip van de fundamentele elementen en geïntegreerde toepassingen op basis van de door Galileo, Egnos en Copernicus verstrekte gegevens en diensten, ook wanneer voor deze activiteiten financiering beschikbaar is gesteld in het kader van het bij Verordening xx vastgestelde programma Horizon Europa of wanneer dit noodzakelijk is om de in artikel 4, lid 1, onder b), genoemde doelstellingen te verwezenlijken; |
|
d) |
activiteiten verrichten in verband met de benutting door gebruikers van de door andere onderdelen van het programma dan Galileo en Egnos aangeboden gegevens, informatie en diensten, onverminderd de activiteiten en diensten van Copernicus die aan andere entiteiten zijn toevertrouwd; |
|
e) |
specifieke acties bedoeld in artikel 6 . |
3. De Commissie kan op basis van de in artikel 102, lid 6, bedoelde evaluaties andere taken aan het Agentschap toevertrouwen, mits deze de activiteiten die aan andere entiteiten zijn toevertrouwd in het kader van het programma niet dupliceren en mits zij gericht zijn op het verbeteren van de efficiëntie van de uitvoering van de activiteiten van het programma .
3 bis. Wanneer activiteiten aan het Agentschap worden toevertrouwd, wordt voor passende financiële, personele en administratieve middelen voor de uitvoering daarvan gezorgd.
▌
5. In afwijking van artikel 62, lid 1, van het Financieel Reglement en afhankelijk van de evaluatie door de Commissie van de bescherming van de belangen van de Unie, kan het Agentschap door middel van bijdrageovereenkomsten specifieke activiteiten binnen hun respectieve bevoegdheidsgebieden aan andere entiteiten toevertrouwen, onder de voorwaarden van indirect beheer die van toepassing zijn op de Commissie.
Artikel 31
De rol van het Europees Ruimteagentschap
1. Mits het belang van de Unie wordt beschermd, worden aan het Europees Ruimteagentschap de volgende taken toegewezen:
|
a) |
wat Copernicus betreft: coördinatie van de ruimtecomponent en de tenuitvoerlegging van de ruimtecomponent van Copernicus en de evolutie, het ontwerp, de ontwikkeling ▌ en de constructie van de ruimtevaartinfrastructuur van Copernicus, met inbegrip van de werkzaamheden van die infrastructuur en de daaraan verbonden aanbestedingen, behalve wanneer dit wordt gedaan door andere entiteiten en, in voorkomend geval, toegang tot gegevens van derden; |
|
b) |
wat Galileo en Egnos betreft: evolutie van systemen, het ontwerp en de ontwikkeling van onderdelen van het grondsegment en ▌ van satellieten , met inbegrip van het testen en valideren ; |
|
c) |
wat alle onderdelen van het programma betreft: upstream-onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op zijn vakgebied. |
1 bis. Op basis van een beoordeling door de Commissie kunnen aan het Europees Ruimteagentschap andere taken worden toevertrouwd, op basis van de behoeften van het programma, mits zij de activiteiten die in het kader van het programma aan een andere entiteit zijn toevertrouwd, niet dupliceren en mits zij erop zijn gericht de efficiëntie van de uitvoering van de activiteiten van het programma te verbeteren.
▌
4. Onverminderd de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap als bedoeld in artikel 31 bis kunnen de Commissie of het Agentschap het Europees Ruimteagentschap verzoeken om de technische deskundigheid en de informatie die nodig zijn voor de uitoefening van de aan hen toegewezen taken in het kader van deze verordening onder onderling overeen te komen voorwaarden beschikbaar te stellen.
Artikel 31 bis
De overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap
1. In de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap als bedoeld in artikel 29, lid 3 bis:
|
a) |
worden de rollen, verantwoordelijkheden en verplichtingen van de Commissie, het Agentschap en het Europees Ruimteagentschap met betrekking tot elk onderdeel van het programma en de noodzakelijke coördinatie- en controlemechanismen duidelijk gedefinieerd; |
|
b) |
wordt vereist dat het Europees Ruimteagentschap de veiligheidsvoorschriften van de Unie toepast die zijn vastgelegd in de veiligheidsovereenkomsten die de Unie en haar instellingen en agentschappen hebben gesloten met ESA, met name wat de verwerking van gerubriceerde informatie betreft; |
|
c) |
worden de voorwaarden voor het beheer van de aan het Europees Ruimteagentschap toegewezen fondsen vastgelegd, in het bijzonder wat betreft openbare aanbestedingen, waaronder de toepassing van de Unieregels voor aanbestedingen indien uit naam van en namens de Unie wordt aanbesteed, of de toepassing van de regels van de entiteit waaraan de uitvoering is toevertrouwd, overeenkomstig artikel 154 van het Financieel Reglement, beheersprocedures, de te verwachten resultaten, gemeten aan de hand van prestatie-indicatoren, de te treffen maatregelen in geval van een gebrekkige of frauduleuze uitvoering van contracten voor wat betreft de kosten, het tijdschema en de resultaten, de communicatiestrategie en de eigendomsregeling voor alle materiële en immateriële activa; die voorwaarden zijn conform de titels III en V van deze verordening en het Financieel Reglement; |
|
d) |
wordt vereist dat, wanneer door het Agentschap of het Europees Ruimteagentschap een raad voor de beoordeling van de inschrijvingen wordt opgericht voor een aanbestedingsactie in het kader van de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap, deskundigen van de Commissie en, in voorkomend geval, de andere met de uitvoering belaste entiteit als lid deelnemen aan de vergaderingen van de raad voor de beoordeling van de inschrijvingen. Deze deelname laat de technische onafhankelijkheid van de raad voor de beoordeling van de inschrijvingen onverlet ▌; |
|
e) |
worden de toezicht- en controlemaatregelen vastgesteld, die met name een systeem voor kostenraming omvatten, alsmede systematische verstrekking van informatie aan de Commissie of, waar passend, aan het Agentschap, over de kosten en het tijdschema en, indien er een verschil is tussen de voorziene begrotingen, prestaties en tijdschema, corrigerende maatregelen om te waarborgen dat de activiteiten binnen ▌de begrotingstoewijzingen worden gerealiseerd ▌; |
|
f) |
worden voor elk onderdeel van het programma de beginselen voor de vergoeding van het Europees Ruimteagentschap vastgelegd, die in verhouding is met de voorwaarden waaronder de acties worden uitgevoerd, waarbij naar terdege rekening wordt gehouden met onstabiele en crisissituaties, en die in voorkomend geval op resultaten wordt gebaseerd; die vergoeding mag uitsluitend betrekking hebben op algemene kosten die niet zijn verbonden aan de activiteiten die door de Unie aan het Europees Ruimteagentschap zijn toevertrouwd; |
|
g) |
wordt bepaald dat het Europees Ruimteagentschap passende maatregelen treft om de bescherming van de belangen van de Unie te waarborgen en om te voldoen aan de besluiten die door de Commissie voor elk onderdeel bij de toepassing van deze verordening worden genomen . |
2. Onverminderd de overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap als bedoeld in artikel 31 bis kunnen de Commissie of het Agentschap het Europees Ruimteagentschap verzoeken om de technische deskundigheid en de informatie die nodig zijn voor de uitoefening van de aan hen toegewezen taken in het kader van deze verordening. De voorwaarden voor dergelijke verzoeken en de tenuitvoerlegging ervan worden wederzijds overeengekomen.
Artikel 32
Rol van Eumetsat en andere entiteiten
1. De Commissie kan de uitvoering van de volgende taken door middel van bijdrageovereenkomsten geheel of gedeeltelijk toewijzen aan andere entiteiten dan de in artikel 30 en 31 bedoelde entiteiten, waaronder:
|
a) |
de modernisering, voorbereiding van operaties en werking van de ruimtevaartinfrastructuur van Copernicus of van delen daarvan en, in voorkomend geval, het beheer van de toegang tot de gegevens van bijdragende missies, aan Eumetsat; |
|
b) |
de uitvoering van de Copernicusdiensten of onderdelen daarvan, aan relevante agentschappen, organen of organisaties, die ook de verwerving van informatie van derde partijen beheren . |
2. De criteria voor de selectie van de entiteiten waaraan activiteiten worden toegewezen, vormen met name een weerspiegeling van het vermogen ervan om de continuïteit en, waar dat passend is, de beveiliging van de activiteiten te waarborgen waarbij de activiteiten van het programma niet of nauwelijks worden ontregeld.
2 bis. Indien mogelijk zijn de voorwaarden van de in lid 1 bedoelde bijdrageovereenkomsten coherent met de voorwaarden van de in artikel 31 bis, lid 1, genoemde overeenkomst inzake financieel kaderpartnerschap.
3. Het programmacomité wordt geraadpleegd over het bijdragebesluit met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde bijdrageovereenkomst, overeenkomstig de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 107, lid 2. Het programmacomité wordt vooraf op de hoogte gesteld van de door de Unie, vertegenwoordigd door de Commissie, met de in lid 1 genoemde entiteiten te sluiten bijdrageovereenkomsten.
TITEL V
BEVEILIGING VAN HET PROGRAMMA
HOOFDSTUK I
Beveiliging van het programma
Artikel 33
Beginselen van de beveiliging
1. De beveiliging van het programma wordt gebaseerd op de volgende beginselen:
|
a) |
rekening houden met de ervaringen van de lidstaten op het gebied van beveiliging en inspiratie putten uit hun beste praktijken; |
|
b) |
gebruikmaken van ▌ de beveiligingsvoorschriften van de Raad en de Commissie , die onder meer voorzien in een scheiding tussen operationele functies en functies die verband houden met homologatie. |
2. Deze verordening doet geen afbreuk aan de uitsluitende verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de nationale veiligheid, als bepaald in artikel 4, lid 2, VEU, noch aan het recht van de lidstaten om hun wezenlijke veiligheidsbelangen te verdedigen overeenkomstig artikel 346 VWEU.
Artikel 34
Beheer van de beveiliging
1. De Commissie zorgt op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen met ondersteuning van het Agentschap voor een hoge mate van beveiliging, in het bijzonder met betrekking tot:
|
a) |
de bescherming van de infrastructuur, zowel op de grond als in de ruimte, en de dienstverlening, in het bijzonder tegen fysieke of cyberaanvallen, waaronder de verstoring van gegevensstromen ; |
|
b) |
het toezicht op en beheer van technologieoverdrachten; |
|
c) |
de ontwikkeling en het behoud binnen de Unie van de verworven deskundigheid en knowhow; |
|
d) |
de bescherming van gevoelige niet-gerubriceerde en gerubriceerde informatie. |
Te dien einde zorgt de Commissie ervoor dat voor elk onderdeel van het programma een risico- en dreigingsanalyse wordt uitgevoerd. Op basis van die risico- en dreigingsanalyse, stelt zij uiterlijk eind 2023 , door middel van uitvoeringshandelingen, voor elk onderdeel van het programma de algemene beveiligingsvereisten vast. Daarbij houdt de Commissie rekening met de gevolgen van die vereisten voor de goede werking van dat onderdeel, met name wat de kosten, het risicobeheer en het tijdschema betreft, en zorgt zij ervoor het algemene beveiligingsniveau niet te verlagen en geen afbreuk te doen aan de werking van de op dat onderdeel gebaseerde bestaande apparatuur , en houdt zij rekening met cyberbeveiligingsrisico's . Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Na de inwerkingtreding van deze verordening deelt de Commissie een indicatieve lijst van uitvoeringshandelingen mee die moet worden ingediend bij en besproken door het programmacomité in zijn samenstelling voor veiligheidsvraagstukken. Deze lijst gaat vergezeld van een indicatief tijdschema voor indiening.
2. De entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer van een onderdeel van het programma is verantwoordelijk voor ▌ de operationele beveiliging van dat onderdeel en verricht te dien einde een risico- en dreigingsanalyse en alle nodige activiteiten om de beveiliging van dat onderdeel te waarborgen en in het oog te houden, waaronder met name het vaststellen van technische specificaties en operationele procedures, en ziet erop toe dat deze aan de in lid 1 bedoelde algemene beveiligingsvereisten voldoen. Overeenkomstig artikel 30 is die entiteit voor Galileo en Egnos het Agentschap.
2 bis. Op basis van de risico- en dreigingsanalyse bepaalt de Commissie in voorkomend geval een structuur voor het monitoren van de beveiliging en opvolgen van de in het kader van Besluit 201x/xxx/GBVB ontwikkelde instructies (21). De structuur functioneert overeenkomstig de in lid 1 bedoelde beveiligingsvereisten. Voor Galileo is deze structuur het Galileo-centrum voor beveiligingscontrole.
3. Het Agentschap:
|
a) |
zorgt voor de beveiligingshomologatie van alle onderdelen van het programma, in overeenstemming met hoofdstuk II van deze titel en onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten; |
|
b) |
waarborgt de exploitatie van het Galileo-centrum voor de beveiligingscontrole, overeenkomstig de in lid 2 bedoelde vereisten en de binnen het toepassingsgebied van Besluit 2014/496/GBVB ontwikkelde instructies; |
|
c) |
voert de taken uit die het krachtens Besluit nr. 1104/2011/EU toegewezen heeft gekregen; |
|
d) |
stelt haar technische deskundigheid ter beschikking van de Commissie en verschaft haar alle benodigde informatie voor de uitoefening van haar taken in het kader van deze verordening. |
4. De lidstaten:
|
a) |
nemen maatregelen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke noodzakelijk zijn voor de bescherming van Europese kritieke infrastructuren zoals bedoeld in Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (22) en aan die welke noodzakelijk zijn voor de bescherming van de eigen nationale kritieke infrastructuren, teneinde zorg te dragen voor de bescherming van de ruimtevaartinfrastructuren op de grond die integraal deel uitmaken van het programma en die op hun grondgebied gelegen zijn; |
|
b) |
verrichten de in artikel 41 bedoelde beveiligingshomologatietaken. |
5 . De entiteiten die betrokken zijn bij het programma nemen alle nodige maatregelen om de beveiliging van het programma te waarborgen , ook in het licht van de in de risicoanalyse vastgestelde problemen .
Artikel 34 bis
Beveiliging van de ingevoerde systemen en diensten
In alle gevallen waarin de exploitatie van de systemen van invloed kan zijn op de veiligheid van de Unie of haar lidstaten, zijn de bij Besluit XXXX/XX/GBVB van de Raad vastgestelde procedures van toepassing.
HOOFDSTUK II
Beveiligingshomologatie
Artikel 35
Instantie voor beveiligingshomologatie
De binnen het Agentschap ingestelde Raad voor de beveiligingshomologatie is de instantie voor beveiligingshomologatie voor alle onderdelen van het programma.
Artikel 36
Algemene beginselen van de beveiligingshomologatie
Voor alle onderdelen van het programma worden beveiligingshomologatiewerkzaamheden verricht overeenkomstig de volgende beginselen:
|
a) |
beveiligingshomologatiewerkzaamheden en -besluiten worden uitgevoerd in een context van collectieve verantwoordelijkheid voor de beveiliging van de Unie en de lidstaten; |
|
b) |
er wordt naar gestreefd besluiten binnen de Raad voor de beveiligingshomologatie bij consensus te nemen; |
|
c) |
voor beveiligingshomologatiewerkzaamheden wordt een aanpak van risicobeoordeling en beheer gehanteerd, waarbij de risico's voor de beveiliging van het onderdeel en het effect op de kosten of de tijdschema's van maatregelen ter beperking van de risico's worden bezien, rekening houdend met de doelstelling het algemene beveiligingsniveau van dit onderdeel niet te verlagen; |
|
d) |
de beveiligingshomologatiebesluiten van de raad voor de beveiligingshomologatie worden opgesteld en genomen door vakmensen die voldoende bekwaamheid bezitten op het vlak van de homologatie van complexe systemen, over een veiligheidsmachtiging van een passend niveau beschikken, en op objectieve wijze optreden; |
|
e) |
er wordt gepoogd alle bij de beveiligingskwesties met betrekking tot dit onderdeel betrokken actoren te raadplegen; |
|
f) |
de beveiligingshomologatiewerkzaamheden worden door alle relevante belanghebbenden van het onderdeel verricht overeenkomstig een beveiligingshomologatiestrategie, onverminderd de rol van de Europese Commissie; |
|
g) |
de beveiligingshomologatiebesluiten van de raad voor de beveiligingshomologatie worden conform de in de desbetreffende, door die raad vastgestelde, beveiligingshomologatiestrategie vastgestelde procedure gebaseerd op lokale beveiligingshomologatiebesluiten die worden genomen door de respectieve nationale instanties van de lidstaten voor beveiligingshomologatie; |
|
h) |
een permanent, transparant en volkomen begrijpelijk monitoringproces zorgt ervoor dat de beveiligingsrisico's van het onderdeel bekend zijn, dat er beveiligingsmaatregelen worden vastgesteld om die risico's tot een aanvaardbaar niveau te beperken in het licht van de beveiligingsbehoeften van de Unie en haar lidstaten en ter wille van een soepel verloop van de programma's, en dat die maatregelen worden toegepast overeenkomstig het begrip “verdediging in de diepte”. De doeltreffendheid van deze maatregelen wordt voortdurend geëvalueerd. Het proces van beoordeling en beheer van beveiligingsrisico's wordt als een iteratief proces gezamenlijk uitgevoerd door de belanghebbenden van het onderdeel; |
|
i) |
beveiligingshomologatiebesluiten worden door de raad voor de beveiligingshomologatie genomen op strikt onafhankelijke wijze, ook jegens de Commissie en de andere organen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het onderdeel en de verlening van aanverwante diensten, en jegens de uitvoerend directeur en de raad van bestuur van het Agentschap; |
|
j) |
bij de uitvoering van de beveiligingshomologatiewerkzaamheden wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak van adequate coördinatie tussen de Commissie en de instanties die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de beveiligingsvoorschriften; |
|
k) |
de door de raad voor de beveiligingshomologatie uitgevoerde beveiligingshomologatie van Egnos doet geen afbreuk aan de door het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart uitgevoerde homologatiewerkzaamheden voor de luchtvaart. |
Artikel 37
Taken van de raad voor de beveiligingshomologatie
1. De raad voor de beveiligingshomologatie verricht zijn taken onverminderd de verantwoordelijkheden van de Commissie of de aan de andere organen van het Agentschap toevertrouwde verantwoordelijkheden, met name wat betreft aangelegenheden op het gebied van beveiliging, en onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van beveiligingshomologatie.
2. De raad voor de beveiligingshomologatie heeft de volgende taken:
|
a) |
de opstelling en goedkeuring van een beveiligingshomologatiestrategie met opgave van:
|
|
b) |
het nemen van beveiligingshomologatiebesluiten, met name wat betreft de goedkeuring van satellietlanceringen, de machtiging om de krachtens de onderdelen van het programma opgerichte systemen of de elementen van deze onderdelen in hun diverse configuraties en voor de diverse daardoor aangeboden diensten, tot en met het signaal in de ruimte, te exploiteren en de machtiging om de grondstations te exploiteren. Wat de aan de in artikel 44 bedoelde PRS-dienst, of aan een andere uit de onderdelen van het programma voortkomende beveiligde dienst, verbonden netwerken en apparatuur betreft, neemt de Raad voor de beveiligingshomologatie alleen besluiten over de machtiging van organen om gevoelige PRS-technologieën, PRS-ontvangers of PRS-beveiligingsmodules, of andere technologie of apparatuur die op grond van de in artikel 34, lid 1, bedoelde algemene beveiligingsvereisten moet worden gecontroleerd, te ontwikkelen en te vervaardigen, rekening houdend met het advies van de nationale autoriteiten die bevoegd zijn inzake beveiligingsaangelegenheden en met de algehele beveiligingsrisico's; |
|
c) |
het bestuderen en, tenzij het documenten betreft die de Commissie moet aannemen krachtens artikel 34, lid 1, van deze verordening en artikel 8 van Besluit nr. 1104/2011/EU, het goedkeuren van documentatie over beveiligingshomologatie; |
|
d) |
het verstrekken, binnen zijn bevoegdheid, van advies aan de Commissie bij de opstelling van ontwerpteksten voor handelingen als bedoeld in artikel 34, lid 1, van deze verordening en artikel 8 van Besluit nr. 1104/2011/EU, met inbegrip van de vaststelling van operationele beveiligingsprocedures (SecOPs), en het verstrekken van een verklaring met zijn afsluitend standpunt; |
|
e) |
het bestuderen en goedkeuren van de beveiligingsrisicobeoordeling die is opgesteld overeenkomstig het in artikel 36, onder h), bedoelde monitoringproces, rekening houdend met de naleving van de in dit lid onder c) bedoelde documenten en met de documenten die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 34, lid 1, van deze verordening en artikel 8 van Besluit nr. 1104/2011/EU; en de samenwerking met de Commissie bij het vaststellen van risicobeperkende maatregelen; |
|
f) |
het controleren van de tenuitvoerlegging van beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de beveiligingshomologatie van de onderdelen van het programma, en wel via het uitvoeren of steunen van beveiligingsbeoordelingen, -inspecties, -audits of -evaluaties, in overeenstemming met artikel 41, onder b), van deze verordening; |
|
g) |
het onderschrijven van de selectie van goedgekeurde producten en maatregelen die bescherming bieden tegen elektronisch afluisteren (Tempest) en van goedgekeurde cryptografische producten die worden gebruikt om de onderdelen van het programma te beveiligen; |
|
h) |
het goedkeuren van, of waar passend, het samen met de betrokken entiteiten die bevoegd zijn inzake beveiligingsaangelegenheden goedkeuren van de interconnectie tussen de krachtens de onderdelen van het programma opgerichte systemen, of de onderdelen van deze onderdelen, en andere systemen; |
|
i) |
het bereiken van overeenstemming met de betrokken lidstaat over het model voor toegangscontrole als bedoeld in artikel 41, onder c); |
|
j) |
het opstellen van risicoverslagen en het in kennis stellen van de Commissie, de raad van bestuur en de uitvoerend directeur van zijn risicobeoordeling, alsmede het aan hen verstrekken van advies over opties voor de aanpak van restrisico's met betrekking tot een bepaald beveiligingshomologatiebesluit; |
|
k) |
in nauwe samenwerking met de Commissie, de Raad en de hoge vertegenwoordiger en op specifiek verzoek van de Raad en/of de hoge vertegenwoordiger, bijstand verlenen aan de Raad bij de uitvoering van Besluit 2014/496/GBVB; |
|
l) |
het verrichten van de raadplegingen die hij nodig heeft om zijn taken uit te voeren; |
|
m) |
het vaststellen en bekendmaken van zijn reglement van orde. |
3. Onverminderd de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten wordt onder toezicht van de raad voor de beveiligingshomologatie een speciaal ondergeschikt orgaan opgericht dat de lidstaten vertegenwoordigt en dat in het bijzonder de volgende taken vervult:
|
a) |
het beheer van vluchtsleutelcodes en andere codes die noodzakelijk zijn voor de werking van Galileo; |
|
b) |
de verificatie van de vaststelling en handhaving van procedures voor de boekhouding, beveiligde behandeling, opslag en verspreiding van de PRS-sleutelcodes van Galileo. |
Artikel 38
Samenstelling van de raad voor de beveiligingshomologatie
1. De raad voor de beveiligingshomologatie bestaat uit een vertegenwoordiger per lidstaat, een vertegenwoordiger van de Commissie en een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (“hoge vertegenwoordiger”). De ambtstermijn van de leden van de raad voor de beveiligingshomologatie bedraagt vier jaar en kan worden verlengd.
2. De deelname aan de raad voor de beveiligingshomologatie is gebaseerd op de noodzaak van kennisneming. In voorkomend geval kunnen vertegenwoordigers van het Europees Ruimteagentschap en vertegenwoordigers van het Agentschap die niet betrokken zijn bij de beveiligingshomologatie worden uitgenodigd om de vergaderingen van de raad voor de beveiligingshomologatie als waarnemer bij te wonen. Bij uitzondering kunnen ook vertegenwoordigers van agentschappen van de Unie, derde landen of internationale organisaties worden uitgenodigd om vergaderingen als waarnemers bij te wonen voor aangelegenheden die die derde landen of internationale organisaties rechtstreeks aanbelangen, in het bijzonder aangelegenheden met betrekking tot de aan hen toebehorende of op hun grondgebied ingerichte infrastructuur. Regelingen voor die deelname van vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties en de voorwaarden ervan worden in de desbetreffende overeenkomsten vastgelegd en stemmen overeen met het reglement van orde van de raad voor de beveiligingshomologatie.
Artikel 39
Stemprocedure in de raad voor de beveiligingshomologatie
Indien er geen consensus kan worden bereikt overeenkomstig de in artikel 36 vermelde algemene beginselen, stelt de raad voor de beveiligingshomologatie besluiten vast met gekwalificeerde meerderheid, overeenkomstig artikel 16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. De vertegenwoordiger van de Commissie en de vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger stemmen niet. De door de raad voor de beveiligingshomologatie vastgestelde besluiten worden door zijn voorzitter namens de raad voor de beveiligingshomologatie ondertekend.
Artikel 40
Kennisgeving en gevolgen van besluiten van de raad voor de beveiligingshomologatie
1. De besluiten van de raad voor de beveiligingshomologatie worden aan de Commissie toegezonden.
2. De Commissie houdt de raad voor de beveiligingshomologatie permanent op de hoogte van de gevolgen van de door de raad voor de beveiligingshomologatie voorgenomen besluiten, voor het goede verloop van het programma, alsmede van de uitvoering van plannen voor de aanpak van restrisico's. De raad voor de beveiligingshomologatie neemt nota van dergelijke informatie van de Commissie.
3. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad onverwijld op de hoogte van de gevolgen van beveiligingshomologatiebesluiten voor het goede verloop van de onderdelen van het programma. Indien de Commissie van oordeel is dat een door de raad voor de beveiligingshomologatie genomen besluit belangrijke gevolgen kan hebben voor het goede verloop van deze onderdelen, bijvoorbeeld wat betreft kosten, tijdschema's of prestaties, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan onverwijld in kennis.
4. De raad van bestuur wordt op gezette tijden in kennis gesteld van het verloop van de werkzaamheden van de raad voor de beveiligingshomologatie.
5. Het tijdschema voor de werkzaamheden van de raad voor de beveiligingshomologatie mag geen belemmering vormen voor het tijdschema van in het in artikel 100 bedoelde werkprogramma opgenomen activiteiten.
Artikel 41
Rol van de lidstaten bij de beveiligingshomologatie
De lidstaten:
|
a) |
zenden de raad voor de beveiligingshomologatie alle gegevens toe die zij van belang achten met het oog op de beveiligingshomologatie; |
|
b) |
verlenen naar behoren gemachtigde personen die door de raad voor de beveiligingshomologatie zijn afgevaardigd, toegang tot alle informatie en tot alle voor de beveiliging van systemen relevante plaatsen en/of locaties die onder hun rechtsmacht vallen, zulks in overeenstemming met en onder toezicht van de nationale autoriteiten die bevoegd zijn inzake beveiligingsaangelegenheden, overeenkomstig hun nationale wetten en bestuursrechtelijke bepalingen en zonder discriminatie op grond van nationaliteit van onderdanen van de lidstaten, mede met het oog op veiligheidsaudits en -tests waartoe de raad voor de beveiligingshomologatie heeft besloten en het in artikel 36, onder h), bedoelde monitoringproces voor veiligheidsrisico's. Die audits en tests worden verricht overeenkomstig de volgende beginselen:
|
|
c) |
zijn elk verantwoordelijk voor het ontwerpen van een model voor toegangscontrole, met een overzicht of lijst van plaatsen/locaties die gehomologeerd moeten worden, waarover vooraf overeenstemming wordt bereikt tussen de lidstaten en de raad voor de beveiligingshomologatie, waarbij erop wordt toegezien dat alle lidstaten voorzien in hetzelfde niveau van toegangscontrole; |
|
d) |
zijn op lokaal niveau verantwoordelijk voor de beveiligingshomologatie van de locaties op hun grondgebied die zich binnen de perimeter voor de beveiligingshomologatie van de onderdelen van het programma bevinden en brengen hiertoe verslag uit aan de raad voor de beveiligingshomologatie. |
HOOFDSTUK III
Bescherming van gerubriceerde informatie
Artikel 42
Bescherming van ▌ gerubriceerde informatie
Binnen het toepassingsgebied van deze verordening:
|
a) |
hangt de uitwisseling van gerubriceerde informatie ▌ die betrekking heeft op het programma af van een internationale overeenkomst tussen de Unie en een derde land of een internationale organisatie inzake de uitwisseling van gerubriceerde informatie of, in voorkomend geval, een overeenkomst die door de bevoegde instelling of het bevoegde orgaan van de Unie en de desbetreffende instanties van een derde land of een internationale organisatie is gesloten over de uitwisseling van gerubriceerde informatie, en gelden voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie de daarin vastgelegde voorwaarden ; |
|
▌ |
|
|
c) |
kunnen in derde landen verblijvende natuurlijke personen en aldaar gevestigde rechtspersonen enkel met gerubriceerde informatie van de Europese Unie over het programma werken wanneer in die landen voor hen beveiligingsvoorschriften gelden die ten minste eenzelfde mate van bescherming bieden als de veiligheidsvoorschriften van de Commissie in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie en de beveiligingsvoorschriften van de Raad in de bijlagen bij Besluit 2013/488/EU. De gelijkwaardigheid van beveiligingsvoorschriften die in een derde land of een internationale organisatie worden toegepast, wordt omschreven in een overeenkomst over beveiliging van informatie, waar relevant met inbegrip van kwesties inzake industriële beveiliging, tussen de Unie en dat derde land of die internationale organisatie, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 218 VWEU en met inachtneming van artikel 13 van Besluit 2013/488/EU; |
|
d) |
kan, onverminderd artikel 13 van Besluit 2013/488/EU en de voorschriften inzake industriële beveiliging in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie, aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, derde land of internationale organisatie toegang worden verleend tot gerubriceerde informatie van de Europese Unie, wanneer dat nodig wordt geacht en per geval, afhankelijk van de aard en de inhoud van die gegevens, de noodzaak dat de ontvanger er kennis van neemt en het voordeel daarvan voor de Unie. |
TITEL VI
Galileo en Egnos
Artikel 43
In aanmerking komende acties
De exploitatie van Galileo en Egnos omvat de volgende in aanmerking komende acties :
|
a) |
het beheer, de exploitatie, het onderhoud, de voortdurende verbetering, de ontwikkeling en de bescherming van de ruimte-infrastructuur, met inbegrip van opwaardering en het beheer inzake veroudering; |
|
b) |
het beheer, de exploitatie, het onderhoud, de voortdurende verbetering, de ontwikkeling en de bescherming van de grondinfrastructuur, in het bijzonder de grondcentra en grondstations als bedoeld in Besluit (EU) 2016/413 en Besluit (EU) 2017/1406 , netwerken, met inbegrip van opwaardering en het beheer inzake veroudering; |
|
c) |
de ontwikkeling van toekomstige generaties van de systemen en de evolutie van de door Galileo en Egnos aangeboden diensten, onverminderd toekomstige besluiten over de financiële vooruitzichten van de Unie, onder meer door rekening te houden met de behoeften van relevante belanghebbenden ; |
|
c bis) |
de ondersteuning van de ontwikkeling van downstreamtoepassingen van Galileo en Egnos en de ontwikkeling en evolutie van fundamentele technologische elementen, zoals met Galileo compatibele chipsets en ontvangers; |
|
d) |
de ondersteuning van certificerings- en normaliseringsactiviteiten met betrekking tot Galileo en Egnos, met name in de vervoersector ; |
|
e) |
de ononderbroken levering ▌ van de door Galileo en Egnos aangeboden diensten en, in aanvulling op de initiatieven van de lidstaten en de private sector, de marktontwikkeling van die diensten, in het bijzonder teneinde de in artikel 4, lid 1, bedoelde socio-economische voordelen te maximaliseren ; |
|
f) |
samenwerking met andere regionale of mondiale satellietnavigatiesystemen , onder meer om de compatibiliteit en interoperabiliteit te bevorderen ; |
|
g) |
▌ elementen waarmee de betrouwbaarheid van de systemen en de resultaten van de exploitatie ervan worden gemonitord ; |
|
h) |
activiteiten in verband met de verlening van diensten en de coördinatie van de uitbreiding van de dekking daarvan. |
Artikel 44
Door Galileo aangeboden diensten
1. De door Galileo aangeboden diensten omvatten:
|
a) |
een open dienst van Galileo (de “Galileo Open Service” of GOS), die gratis is voor de gebruiker en informatie verschaft voor plaatsbepaling en synchronisering, voornamelijk bestemd voor massatoepassingen van satellietnavigatie voor consumentendoeleinden; |
|
b) |
een precisiedienst (de “High-Accuracy Service” of HAS), die gratis is voor de gebruikers en door middel van in een aanvullende frequentieband verspreide aanvullende gegevens zeer precieze informatie verschaft voor plaatsbepaling en synchronisering, voornamelijk bestemd voor satellietnavigatietoepassingen voor professionele of commerciële doeleinden; |
|
c) |
een signaalauthenticatiedienst (de “Signal Authentication Service” of SAS), op basis van de in de signalen opgenomen versleutelde codes, voornamelijk bestemd voor satellietnavigatietoepassingen voor professionele of commerciële doeleinden; |
|
d) |
een publiek gereguleerde dienst (de “Public Regulated Service” of PRS), die is beperkt tot door de overheid gemachtigde gebruikers ▌, voor gevoelige toepassingen die een grote continuïteit van de diensten vereisen, onder meer op het gebied van beveiliging en defensie, waarbij gebruik wordt gemaakt van sterke, gecodeerde signalen; deze dienst is gratis voor de lidstaten, de Raad, de Commissie, de EDEO en, in voorkomend geval, voor naar behoren gemachtigde agentschappen van de Unie; de vraag, of de andere PRS-gebruikers als bedoeld in artikel 2 van Besluit nr. 1104/2011/EU een heffing moet worden opgelegd, wordt per geval beoordeeld en er worden passende bepalingen in de overeenkomstig artikel 3, lid 5, van dat besluit gesloten overeenkomsten opgenomen; de toegang tot PRS wordt geregeld overeenkomstig Besluit 1104/2011/EU, dat van toepassing is op de lidstaten, de Raad, de Commissie, de EDEO en de agentschappen van de Unie; |
|
e) |
een alarmdienst (de “Emergency Service” of ES) , die gratis is voor gebruikers en die signalen uitzendt om waarschuwingen te verspreiden met betrekking tot natuurrampen of andere noodsituaties in specifieke gebieden; deze dienst wordt in voorkomend geval verleend in samenwerking met de nationale civiele-beschermingsautoriteiten van de lidstaten; |
|
f) |
een tijdsbepalingsdienst (de “Timing Service” of TS), die gratis is voor de gebruiker en een nauwkeurige en betrouwbare referentietijd verschaft en zorgt voor realisatie van de gecoördineerde universele tijd, en aldus de ontwikkeling van tijdsbepalingstoepassingen op basis van Galileo en het gebruik in kritische toepassingen bevordert. |
2. Galileo draagt ook bij aan:
|
a) |
de opsporings- en reddingsdienst (de “Search and Rescue Support Service” of SAR) van het Cospas-Sarsat-systeem door het detecteren van door bakens uitgezonden noodsignalen en het ernaar terugzenden van boodschappen via een retourverbinding; |
|
b) |
op het niveau van de Unie of op internationaal niveau gestandaardiseerde integriteitsbewakingsdiensten voor gebruik door diensten met betrekking tot de beveiliging van levens, op basis van de signalen van de open dienst van Galileo en in combinatie met Egnos en andere satellietnavigatiesystemen; |
|
c) |
via het GNSS-dienstencentrum (23) verschafte ruimteweerkundige informatie en via de grondinfrastructuur van Galileo verschafte vroegtijdige waarschuwingsdiensten, voornamelijk bedoeld ter vermindering van de mogelijke risico's in verband met ▌ de ruimte voor de gebruikers van de door Galileo en andere GNSS'en verleende diensten. |
Artikel 45
Door Egnos aangeboden diensten
1. De door Egnos aangeboden diensten omvatten:
|
a) |
een open dienst van Egnos (de “EGNOS Open Service” of EOS), die gratis is voor de gebruikers en informatie verschaft voor plaatsbepaling en synchronisering, voornamelijk bestemd voor massatoepassingen van satellietnavigatie voor consumentendoeleinden; |
|
b) |
een dienst voor de toegang tot gegevens van Egnos (de “EGNOS Data Access Service” of EDAS) , die gratis is voor de gebruikers en die informatie verschaft voor plaatsbepaling en synchronisering, voornamelijk bestemd voor satellietnavigatietoepassingen voor professionele of commerciële doeleinden en die betere prestaties en gegevens met een grotere toegevoegde waarde biedt dan die van de EOS; |
|
c) |
een dienst beveiliging van levens (de “Safety-of-Life Service” of SoL), zonder heffingen voor de rechtstreekse gebruiker, die informatie verschaft voor plaatsbepaling en tijdsynchronisering met een hoog niveau van continuïteit, beschikbaarheid en nauwkeurigheid en die een integriteitsfunctie omvat waarmee de gebruiker wordt gewaarschuwd voor slecht functioneren of “buiten tolerantie”-signalen van Galileo en andere GNSS'en die het versterkt binnen het dekkingsgebied, met name ten behoeve van gebruikers voor wie veiligheid essentieel is, in het bijzonder voor luchtvaartnavigatiediensten in de burgerluchtvaart , overeenkomstig de normen van de ICAO, of voor andere vervoersectoren . |
2. De in lid 1 bedoelde diensten worden met voorrang voor het einde van 2026 aangeboden op het grondgebied van de lidstaten dat zich geografisch in Europa bevindt, voor deze doelstelling met inbegrip van Cyprus, de Azoren, de Canarische Eilanden en Madeira .
Voor zover technisch uitvoerbaar en in overeenstemming met de beveiligingsvereisten als bedoeld in artikel 34 en, voor de SoL-dienst, op basis van internationale overeenkomsten kan de geografische dekking van Egnos worden uitgebreid naar andere regio's in de wereld, met name naar het grondgebied van kandidaat-lidstaten, van derde landen die aangesloten zijn bij het gemeenschappelijk Europees luchtruim en van derde landen die deel uitmaken van het Europees nabuurschapsbeleid.
3. De kosten van een dergelijke uitbreiding, met inbegrip van de daaraan verbonden specifieke exploitatiekosten voor deze regio's, worden niet gedekt door de in artikel 11 bedoelde begroting. De Commissie neemt andere programma's of instrumenten in overweging om deze activiteiten te financieren. Een dergelijke uitbreiding mag niet leiden tot vertraging in het aanbieden van de in lid 1 bedoelde diensten op het gehele grondgebied van de lidstaten dat zich geografisch in Europa bevindt.
Artikel 46
Uitvoeringsmaatregelen voor Galileo en Egnos
Indien dat voor de goede werking van Galileo en Egnos en de aanvaarding ervan door de markt nodig is, stelt de Commissie, waar nodig, de vereiste maatregelen vast om:
|
a) |
de risico's die inherent zijn aan de werking van Galileo en Egnos te beheren en beperken , in het bijzonder om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen ; |
|
b) |
de belangrijke besluitmomenten voor de controle en evaluatie van de uitvoering van Galileo en Egnos te specificeren; |
|
c) |
de locaties van de tot de grondinfrastructuur van Galileo en Egnos behorende centra overeenkomstig de beveiligingsvereisten te bepalen, volgens een open en transparant proces, en de goede werking ervan te waarborgen; |
|
d) |
de technische en operationele specificaties met betrekking tot de in artikel 44, lid 1, onder c), e), en f), en lid 2, onder c), genoemde diensten te bepalen . |
Die uitvoeringsmaatregelen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 47
Compatibiliteit, interoperabiliteit en standaardisering
1. Galileo en Egnos, en de daardoor aangeboden diensten, zijn volledig compatibel en interoperabel vanuit technisch oogpunt , ook op het niveau van de gebruikers .
2. Galileo en Egnos, en de daardoor aangeboden diensten, zijn compatibel en operabel met andere satellietnavigatiesystemen en met conventionele radionavigatiemiddelen, indien de nodige vereisten van compatibiliteit en interoperabiliteit en de voorwaarden daarvoor in internationale overeenkomsten zijn vastgelegd.
TITEL VII
Copernicus
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 48
Toepassingsgebied van Copernicus
1. Copernicus wordt uitgevoerd door voort te bouwen op eerdere investeringen ▌ , onder meer door belanghebbenden zoals het Europees Ruimteagentschap en Eumetsat en, wanneer dit passend en kosteneffectief is, door gebruik te maken van de nationale of regionale capaciteiten van de lidstaten, rekening houdend met de capaciteiten van commerciële leveranciers van vergelijkbare gegevens en informatie en de noodzaak om de concurrentie en de marktontwikkeling te stimuleren en tegelijkertijd de kansen voor Europese gebruikers te maximaliseren .
2. Bij de levering van gegevens en informatie bouwt Copernicus voort op de behoeften van Copernicusgebruikers en baseert Copernicus zich op een volledig, vrij en open gegevensbeleid ▌.
2 bis. Copernicus ondersteunt de bepaling, tenuitvoerlegging en de monitoring van het beleid van de Unie en haar lidstaten, vooral op de gebieden milieu en klimaatverandering, op marien en maritiem gebied, op de gebieden atmosfeer, landbouw en plattelandsontwikkeling, behoud van cultureel erfgoed, civiele bescherming, de monitoring van infrastructuur, veiligheid en beveiliging, evenals de digitale economie, teneinde de administratieve lasten verder te verminderen.
3. Copernicus bestaat uit vier elementen , te weten:
|
a) |
▌ gegevensverwerving, die de volgende zaken omvat:
|
|
b) |
▌ gegevens- en informatieverwerking via Copernicusdiensten , die activiteiten omvat voor het genereren van informatie met meerwaarde voor de ondersteuning van milieumonitoring, verslaglegging en het waarborgen van de naleving, civiele bescherming en beveiligingsdiensten ▌; |
|
c) |
een onderdeel voor de toegang tot en de verspreiding van gegevens, dat infrastructuur en diensten omvat voor het waarborgen van het opzoeken en raadplegen van, het toegang krijgen tot en de verspreiding en benutting en het op lange termijn bewaren van Copernicusgegevens en -informatie, op een gebruiksvriendelijke manier ; |
|
d) |
▌de acceptatie door de gebruikers, de marktontwikkeling en capaciteitsopbouw overeenkomstig artikel 29, lid 5, die relevante activiteiten, middelen en diensten omvatten om Copernicus en gegevens en diensten ervan, evenals de aanverwante downstreamtoepassingen en de ontwikkeling daarvan op alle niveaus te bevorderen teneinde de in artikel 4, lid 1, bedoelde socio-economische voordelen en het verzamelen en analyseren van gebruikersbehoeften te maximaliseren. |
4. Om zijn mondiale dimensie en complementariteit te versterken, rekening houdend met de ▌ internationale overeenkomsten en coördinatieprocessen, bevordert Copernicus de internationale coördinatie van de observatiesystemen en de desbetreffende uitwisseling van gegevens.
HOOFDSTUK II
In aanmerking komende acties
Artikel 49
In aanmerking komende acties voor gegevensverwerving
In aanmerking komende acties in het kader van Copernicus hebben betrekking op:
|
a) |
acties om te zorgen voor een grotere mate van continuïteit van de bestaande Sentinel-missies en om verdere Sentinels te ontwikkelen, lanceren, onderhouden en exploiteren om het observatiegebied te vergroten , waarbij in het bijzonder prioriteit wordt gegeven aan ▌ observatiecapaciteiten voor het monitoren van de antropogene emissies van CO2 en andere broeikasgassen, waardoor de poolgebieden kunnen worden gemonitord en innovatieve milieutoepassingen in de domeinen landbouw, bossen en waterbeheer en het beheer van de rijkdommen van de zee en cultureel erfgoed mogelijk worden gemaakt; |
|
b) |
acties om toegang te verlenen tot gegevens van derden die nodig zijn voor het genereren van Copernicusdiensten of voor gebruik door de instellingen, agentschappen en gedecentraliseerde diensten van de Unie en, wanneer dit passend en kosteneffectief is, nationale of regionale overheidsinstanties ; |
|
c) |
acties om gecoördineerde toegang te verlenen tot in-situ- en andere aanvullende gegevens die nodig zijn voor het genereren, kalibreren en valideren van Copernicusgegevens en -informatie, wanneer dit passend en kosteneffectief is met inbegrip van het gebruik van bestaande nationale capaciteiten en waarbij duplicatie wordt vermeden . |
Artikel 50
In aanmerking komende acties voor Copernicusdiensten
1. Copernicus omvat acties ter ondersteuning van de volgende diensten:
|
a) |
milieumonitoring, diensten voor verslaglegging en het waarborgen van de naleving met betrekking tot:
|
|
b) |
dienst voor het beheer van noodsituaties om informatie te verschaffen ter ondersteuning van en in samenwerking met ▌ overheden die belast zijn met civiele bescherming, ter ondersteuning van civielebeschermings- en noodhulpoperaties (ter verbetering van activiteiten in verband met vroegtijdige waarschuwing en van crisisresponscapaciteiten), en preventie- en paraatheidsacties (risico- en herstelanalysen) in verband met verschillende soorten rampen; |
|
c) |
beveiligingsdienst ter ondersteuning van de bewaking van de Unie en haar buitengrenzen, maritieme bewaking, alsmede extern optreden van de Unie in reactie op veiligheidsvraagstukken waarmee de Unie wordt geconfronteerd, en de doelstellingen en acties van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. |
2. De Commissie garandeert, in voorkomend geval met ondersteuning van onafhankelijke deskundigheid, dat de diensten relevant zijn, door:
|
a) |
te bevestigen dat de door de gebruikersgroepen kenbaar gemaakte eisen technisch haalbaar en doelmatig zijn; |
|
b) |
de middelen en oplossingen te beoordelen die zijn voorgesteld of toegepast om te voldoen aan de eisen van de gebruikersgroepen en de doelstellingen van het programma. |
Artikel 51
In aanmerking komende acties voor toegang tot en verspreiding van gegevens en informatie
1. Copernicus omvat acties om betere toegang te verlenen tot alle Copernicusgegevens en -informatie en, in voorkomend geval, te voorzien in aanvullende infrastructuur en diensten ter bevordering van de verspreiding, de toegang tot en het gebruik van die gegevens en informatie.
2. Wanneer de Copernicusgegevens of Copernicusinformatie uit beveiligingsoogpunt volgens de artikelen 12 tot en met 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1159/2013 van de Commissie (24) van gevoelige aard zijn, kan de Commissie de aanbesteding, het toezicht op de verwerving, de toegang tot en de verspreiding van die gegevens en informatie aan een of meer fiduciaire entiteiten toevertrouwen. Dergelijke entiteiten zetten een register van gehomologeerde gebruikers op, houden dat register bij en verlenen toegang tot de aan beperkingen onderworpen gegevens via een afgeschermde workflow.
HOOFDSTUK III
Beleid inzake Copernicusgegevens
Artikel 52
Beleid inzake Copernicusgegevens en -informatie
1. Copernicusgegevens en -informatie worden aan de gebruikers verstrekt in het kader van een vrij, volledig en open gegevensbeleid met de volgende kenmerken:
|
a) |
Copernicusgebruikers mogen alle Copernicusgegevens en -informatie vrijelijk en wereldwijd reproduceren, verspreiden, aan het publiek mededelen, aanpassen en wijzigen en met andere gegevens en informatie combineren; |
|
b) |
het vrije, volledige en open gegevensbeleid kent de volgende beperkingen:
|
2. De Commissie stelt overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de specifieke bepalingen ter aanvulling van lid 1 wat betreft de specificaties en de voorwaarden en procedures voor de toegang tot en het gebruik van Copernicusgegevens en -informatie.
3. De Commissie verstrekt vergunningen en kennisgevingen voor de toegang tot en het gebruik van Copernicusgegevens en -informatie, met inbegrip van toeschrijvingsclausules, overeenkomstig het gegevensbeleid van Copernicus zoals vastgesteld in deze verordening en toepasselijke gedelegeerde handelingen uit hoofde van lid 2.
TITEL VIII
ANDERE ONDERDELEN VAN HET PROGRAMMA
HOOFDSTUK I
SSA
AFDELING I
SST
Artikel 53
Toepassingsgebied van SST
1. De SST-subonderdelen ondersteunen de volgende activiteiten:
|
a) |
de oprichting, ontwikkeling en exploitatie van een netwerk van op de grond en/of in de ruimte gestationeerde SST-sensoren van de lidstaten, met inbegrip van sensoren die zijn ontwikkeld met tussenkomst van het Europees Ruimteagentschap of door de particuliere sector van de Unie, en op nationaal niveau beheerde sensoren van de Unie, voor het bewaken en volgen van voorwerpen in de ruimte en voor het ontwikkelen van een Europese catalogus van voorwerpen in de ruimte ▌; |
|
b) |
de verwerking en analyse van SST-gegevens op nationaal niveau om SST-informatie en -diensten te produceren zoals bedoeld in artikel 54; |
|
c) |
de verstrekking van de in artikel 54 bedoelde SST-diensten aan de in artikel 55 vermelde gebruikers ; |
|
c bis) |
de monitoring en totstandbrenging van synergie-effecten met initiatieven die gericht zijn op het ontwikkelen en gebruiken van technologieën voor het opruimen van ruimtevaartuigen aan het einde van hun levensduur, en van technologische systemen voor het voorkomen en elimineren van ruimteschroot, alsook met de internationale initiatieven op het gebied van ruimteverkeersbeheer. |
2. Het SST-onderdeel verleent ook technische en administratieve bijstand ter ondersteuning van de overgang tussen het ruimtevaartprogramma van de Unie en het bij Besluit nr. 541/2014/EU opgerichte SST-ondersteuningskader.
Artikel 54
STT-diensten
1. SST-diensten omvatten:
|
a) |
de beoordeling van het risico op een botsing tussen ruimtevaartuigen of tussen ruimtevaartuigen en ruimteschroot en de mogelijke afgifte van waarschuwingen ter voorkoming van botsingen gedurende de fases van de lancering, de vroege omloopbaan, de baanverhoging en de activiteiten in de omloopbaan en de eindfase van missies van ruimtevaartuigen; |
|
b) |
de detectie en typering van het versplinteren, uiteenvallen of botsen in de omloopbaan; |
|
c) |
de beoordeling van het risico bij ongecontroleerde terugkeer van voorwerpen uit de ruimte en ruimteschroot in de dampkring van de aarde en het genereren van daarmee verband houdende informatie, met inbegrip van een schatting van het vermoedelijke tijdstip en de plaats van een mogelijke inslag; |
|
d) |
de ontwikkeling van activiteiten ter voorbereiding van:
|
2. SST-diensten zijn kosteloos en op elk moment beschikbaar zonder onderbrekingen , en aangepast aan de behoeften van de in artikel vermelde gebruikers .
3. De deelnemende lidstaten, de Commissie en, voor zover van toepassing, de frontdesk, zijn niet aansprakelijk voor:
|
a) |
schade voortvloeiend uit de afwezigheid van of onderbrekingen in de verstrekking van SST-diensten; |
|
b) |
vertraging in de verstrekking van SST-diensten; |
|
c) |
onnauwkeurigheid in de via de SST-diensten aangeleverde informatie; of |
|
d) |
actie die naar aanleiding van de verstrekking van SST-diensten wordt ondernomen. |
Artikel 55
SST-gebruikers
1. EU-gebruikers omvatten:
|
a) |
kerngebruikers van SST : de lidstaten, de EDEO, de Commissie, de Raad, het Agentschap en in de Unie gevestigde publieke en private eigenaren en exploitanten van ruimtevaartuigen ▌; |
|
b) |
niet-kerngebruikers van SST: andere in de Unie gevestigde publieke en private entiteiten ▌. |
Kerngebruikers van SST hebben toegang tot alle in artikel 54, lid 1, vermelde SST-diensten.
Niet-kerngebruikers van SST kunnen toegang hebben tot alle in artikel 54, lid 1, punten b) t/m d), vermelde SST-diensten.
2. Internationale gebruikers omvatten derde landen, internationale organisaties zonder hoofdkantoor in de Unie en particuliere entiteiten zonder vestiging in de Unie, onder de volgende voorwaarden:
|
a) |
derde landen en internationale organisaties zonder hoofdkantoor in de Unie kunnen toegang hebben tot SST-diensten overeenkomstig artikel 8, lid 1 bis; |
|
b) |
particuliere entiteiten zonder vestiging in de Unie kunnen toegang hebben tot SST-diensten, op voorwaarde dat er een internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 8, lid 1 bis, is met het derde land waar zij gevestigd zijn dat hen die toegang verleent. |
3. In afwijking van lid 2 van dit artikel is in het geval van een publiek beschikbare SST-dienst als bedoeld in artikel 54, lid 1, geen internationale overeenkomst vereist.
4. De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, nadere bepalingen met betrekking tot de toegang tot SST-diensten en relevante procedures vaststellen. Die bepalingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 56
Deelname van lidstaten
1. Lidstaten die wensen deel te nemen aan de verstrekking van de in artikel 54 bedoelde SST-diensten voor alle omloopbanen , dienen één enkel gezamenlijk voorstel in bij de Commissie waarin wordt aangetoond dat aan de onderstaande criteria is voldaan:
|
a) |
het in eigendom hebben van of toegang hebben tot ofwel toereikende SST-sensoren die beschikbaar zijn voor de Europese SST, en beschikken over de benodigde personele middelen om deze te exploiteren, ofwel toereikende capaciteiten voor operationele analyse en gegevensverwerking die speciaal voor SST zijn ontworpen en beschikbaar zijn voor de Europese SST; |
|
b) |
door de aanvragende lidstaat uitgevoerde en gevalideerde eerste beoordeling van het beveiligingsrisico voor elk SST-middel; |
|
c) |
een actieplan waarin rekening is gehouden met het krachtens artikel 6 van Besluit nr. 541/2014/EU vastgestelde coördinatieplan voor de uitvoering van de in artikel 53 van deze verordening genoemde activiteiten; |
|
d) |
de verdeling van de verschillende activiteiten over de overeenkomstig artikel 57 aangewezen deskundigenteams; |
|
e) |
de regels voor het delen van gegevens die nodig zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 4 genoemde doelstellingen. |
Met betrekking tot de criteria onder a) en b) toont elke lidstaat die aan de verstrekking van SST-diensten wil deelnemen, aan dat hij aan elk van deze criteria afzonderlijk voldoet.
Met betrekking tot de criteria onder c) t/m e) toont elke lidstaat die aan de verstrekking van SST-diensten wil deelnemen aan dat hij aan al deze criteria voldoet.
2. Aan de in lid 1, onder a) en b), bedoelde criteria wordt geacht te zijn voldaan door de deelnemende lidstaten waarvan de aangewezen nationale instanties op de datum van inwerkingtreding van deze verordening lid zijn van het overeenkomstig artikel 7 van Besluit nr. 541/2014/EU opgerichte consortium.
3. Indien geen gezamenlijk voorstel overeenkomstig lid 1 is ingediend of indien de Commissie van oordeel is dat een aldus ingediend gezamenlijk voorstel niet aan de in lid 1 bedoelde criteria voldoet, mogen ten minste vijf lidstaten ▌ een nieuw gezamenlijk voorstel bij de Commissie indienen, waarin wordt aangetoond dat zij aan de criteria als bedoeld in lid 1 voldoen ▌.
4. De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen, de nadere bepalingen met betrekking tot de in de leden 1 tot en met 3 bedoelde procedures en elementen vaststellen. Die uitvoeringsmaatregelen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 57
Organisatorisch kader van de deelname van de lidstaten
1. Elke lidstaat die een voorstel heeft ingediend waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 56, lid 1, heeft vastgesteld dat het aan de criteria voldoet, of die overeenkomstig de in artikel 56, lid 3, bedoelde procedure door de Commissie is geselecteerd, wijst een op zijn grondgebied gevestigde oprichtende nationale entiteit aan die hem vertegenwoordigt. De oprichtende nationale entiteit is een overheidsinstantie van een lidstaat of een met de uitoefening van het openbaar gezag belast orgaan.
2. De krachtens lid 1 aangewezen oprichtende nationale entiteiten sluiten een overeenkomst tot oprichting van een SST-partnerschap en tot vaststelling van de regels en mechanismen voor hun samenwerking bij de uitvoering van de in artikel 53 bedoelde activiteiten. Die overeenkomst omvat in het bijzonder de in artikel 56, lid 1, onder c), d) en e), genoemde elementen en het opzetten van een risicobeheersingsstructuur om de uitvoering van de bepalingen inzake het gebruik en de beveiligde uitwisseling van SST-gegevens en -informatie te waarborgen.
3. De oprichtende nationale entiteiten ontwikkelen hoogwaardige SST-diensten van de Unie op grond van een meerjarenplan, relevante kernprestatie-indicatoren en gebruikerseisen, op basis van de werkzaamheden van de in lid 6 bedoelde deskundigenteams. De Commissie kan, door middel van uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, het meerjarenplan en de kernprestatie-indicatoren vaststellen.
4. De oprichtende nationale entiteiten nemen bestaande en mogelijke toekomstige sensoren op in netwerken om ze op een gecoördineerde en geoptimaliseerde wijze te exploiteren, met het oog op het vaststellen en bijhouden van een bijgewerkte gemeenschappelijke Europese catalogus , onverminderd de prerogatieven van de lidstaten op het gebied van nationale veiligheid .
5. De deelnemende lidstaten verrichten beveiligingshomologatie op basis van de in artikel 34, lid 1, bedoelde algemene beveiligingsvereisten.
6. Door de aan SST deelnemende lidstaten worden deskundigenteams aangewezen die worden belast met specifieke thema's in verband met de verschillende SST-activiteiten. De deskundigenteams moeten van permanente aard zijn, worden beheerd en van personeel worden voorzien door de oprichtende nationale entiteiten van de lidstaten die ze hebben opgericht, en kunnen bestaan uit deskundigen van elke oprichtende nationale entiteit.
7. De oprichtende nationale instanties en de deskundigenteams waarborgen de bescherming van SST-gegevens, SST-informatie en SST-diensten.
8. De Commissie stelt gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 105 betreffende de specifieke bepaling ter bepaling van nadere regels met betrekking tot de werking van het organisatorisch kader van de deelname van de lidstaten aan SST. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 58
SST-frontdesk
1. De Commissie , rekening houdend met de aanbevelingen van de oprichtende nationale instanties, selecteert de SST-frontdesk op basis van de beste expertise op het gebied van beveiligingsaangelegenheden en de verstrekking van diensten . De frontdesk:
|
a) |
voorziet in de benodigde beveiligde interfaces om SST-informatie te centraliseren, op te slaan en beschikbaar te stellen voor SST-gebruikers, waarbij wordt gezorgd voor de adequate behandeling en traceerbaarheid ervan; |
|
b) |
voorziet in ▌ verslaglegging over de prestaties van de SST-diensten aan het SST-partnerschap en de Commissie ; |
|
c) |
verzamelt noodzakelijke feedback voor het SST-partnerschap om te zorgen voor de vereiste afstemming van de diensten op de verwachtingen van de gebruikers; |
|
d) |
ondersteunt, bevordert en stimuleert het gebruik van de diensten. |
2. De oprichtende nationale entiteiten sluiten de nodige uitvoeringsregelingen met de SST-frontdesk.
AFDELING II
Ruimteweer en aardscheerders
Artikel 59
Activiteiten op het gebied van ruimteweer
1. De subcomponenten met betrekking tot ruimteweer kunnen de volgende activiteiten ondersteunen:
|
a) |
de beoordeling en vaststelling van de behoeften van de gebruikers uit de in lid 2, onder b), genoemde sectoren met het oog op de vaststelling van de te verlenen ruimteweerdiensten; |
|
b) |
de verlening van ruimteweerdiensten aan de gebruikers van ruimteweerdiensten , op basis van de vastgestelde gebruikersbehoeften en de technische vereisten. |
2. Ruimteweerdiensten zijn op elk moment beschikbaar zonder onderbrekingen. De Commissie selecteert, door middel van uitvoeringshandelingen, die diensten op basis van de volgende regels:
|
a) |
de Commissie kent prioriteiten toe aan de op het niveau van de Unie te leveren ruimteweerdiensten naargelang de behoeften van de gebruikers, de technologische paraatheid van de diensten en het resultaat van een risicobeoordeling; |
|
b) |
de ruimteweerdiensten kunnen bijdragen tot activiteiten op het gebied van civiele bescherming en de bescherming van een brede waaier aan sectoren , zoals: ruimtevaart, vervoer , GNSS'en, elektriciteitsnetwerken en communicatie. |
Deze uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 107, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.
3. De publieke of particuliere entiteiten die ruimteweerdiensten zullen aanbieden, worden geselecteerd door middel van een uitnodiging tot inschrijving.
Artikel 60
Activiteiten met betrekking tot aardscheerders
1. De subcomponenten met betrekking tot aardscheerders kunnen de volgende activiteiten ondersteunen:
|
a) |
het in kaart brengen van de capaciteiten van de lidstaten voor het opsporen en monitoren van aardscheerders; |
|
b) |
het stimuleren van de vorming van netwerken tussen de faciliteiten en onderzoekscentra van de lidstaten; |
|
c) |
het ontwikkelen van de in lid 2 bedoelde dienst; |
|
d) |
het ontwikkelen van een routinesnellereactiedienst die nieuw ontdekte aardscheerders kan typeren; |
|
e) |
het opzetten van een Europese catalogus van aardscheerders . |
2. De Commissie kan op haar bevoegdhedengebied procedures vaststellen voor het samen met de relevante organen van de Verenigde Naties coördineren van de acties van de Unie en de nationale overheden die belast zijn met civiele bescherming indien wordt geconstateerd dat een aardscheerder op de aarde afkomt.
HOOFDSTUK II
Govsatcom
Artikel 61
Toepassingsgebied van Govsatcom
In het kader van het Govsatcom-onderdeel worden capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie samengebracht in een gemeenschappelijke pool op het niveau van de Unie van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie , met gepaste beveiligingsvereisten . Dit onderdeel omvat:
|
a) |
de ontwikkeling, bouw en exploitatie van de infrastructuur van het grondsegment als bedoeld in artikel 66, en eventueel de ruimte-infrastructuur als bedoeld in artikel 69 ; |
|
b) |
de aanbesteding van voor de levering van Govsatcom-diensten benodigde overheids- en commerciële capaciteit, diensten en gebruikersapparatuur op het gebied van satellietcommunicatie; |
|
c) |
maatregelen die noodzakelijk zijn voor het bevorderen van de interoperabiliteit en normalisatie van Govsatcom-gebruikersapparatuur. |
Artikel 62
In het kader van Govsatcom aangeboden capaciteiten en diensten
1. De levering van Govsatcom-capaciteiten en -diensten ▌ wordt gewaarborgd volgens het in lid 3 bedoelde dienstenpakket, overeenkomstig de in lid 2 bedoelde operationele vereisten, de in artikel 34, lid 1, bedoelde specifieke beveiligingsvereisten voor Govsatcom, en binnen de grenzen van de in artikel 65 bedoelde regels voor deling en prioritering. De toegang tot Govsatcom-capaciteiten en -diensten is gratis voor institutionele en overheidsgebruikers, tenzij de Commissie overeenkomstig artikel 65, lid 2, anders besluit.
2. De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, de operationele vereisten vast voor in het kader van Govsatcom aangeboden diensten, in de vorm van technische specificaties voor usecases met betrekking tot in het bijzonder crisisbeheersing, bewaking en beheer van belangrijke infrastructuur, met inbegrip van diplomatieke communicatienetwerken. Die operationele vereisten worden gebaseerd op een gedetailleerde analyse van de gebruikerseisen en rekening houdend met de vereisten die voortvloeien uit bestaande gebruikersapparatuur en netwerken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3. De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, het dienstenpakket vast voor in het kader van Govsatcom aangeboden diensten, in de vorm van een lijst van categorieën van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie en de eigenschappen daarvan, met inbegrip van geografische dekking, frequentie, bandbreedte, gebruikersapparatuur en beveiligingsaspecten. Die maatregelen worden regelmatig geactualiseeerd en gebaseerd op de in lid 1 bedoelde operationele en beveiligingsvereisten en geven prioriteit aan diensten die aan gebruikers worden aangeboden overeenkomstig hun relevantie en kritikaliteit . Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3 bis. Het in lid 3 bedoelde dienstenpakket houdt rekening met bestaande commercieel beschikbare diensten om de concurrentie op de interne markt niet te verstoren.
4. Govsatcom-gebruikers krijgen toegang tot de in het dienstenpakket opgenomen capaciteiten en diensten. Die toegang wordt verleend via de in artikel 66 bedoelde Govsatcom-hubs.
Artikel 63
Aanbieders van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie
In het kader van dit onderdeel kunnen capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie worden aangeboden door de volgende entiteiten:
|
a) |
Govsatcom-deelnemers als bedoeld in artikel 67, en |
|
b) |
rechtspersonen die overeenkomstig de procedure voor beveiligingshomologatie als bedoeld in artikel 36 naar behoren zijn gehomologeerd voor het aanbieden van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie, hetgeen stoelt op de in artikel 34, lid 1, bedoelde, voor het Govsatcom-onderdeel vastgestelde algemene beveiligingsvereisten. |
Artikel 64
Govsatcom-gebruikers
1. De volgende entiteiten kunnen als Govsatcom-gebruikers optreden, op voorwaarde dat zij zijn belast met taken in verband met het toezicht op en het beheer van voor noodsituaties en de veiligheid kritieke taken, werkzaamheden en infrastructuur:
|
a) |
een overheidsinstantie van de Unie of van een lidstaat of een met de uitoefening van openbaar gezag belast orgaan; |
|
b) |
een natuurlijke of rechtspersoon die namens en onder controle van een onder a) bedoelde entiteit handelt . |
2. Govsatcom-gebruikers worden naar behoren door een deelnemer zoals bedoeld in artikel 67 gemachtigd om Govsatcom-capaciteiten en -diensten te gebruiken , en voldoen aan de in artikel 34, lid 1, bedoelde, voor het Govsatcom-onderdeel vastgestelde algemene beveiligingsvereisten .
Artikel 65
Deling en prioritering
1. De in een gezamenlijk pool samengebrachte capaciteiten, diensten en gebruikersapparatuur op het gebied van satellietcommunicatie worden gedeeld en geprioriteerd tussen Govsatcom-deelnemers op basis van een analyse van de veiligheids- en beveiligingsrisico's van de gebruikers. Bij een dergelijke analyse wordt rekening gehouden met de bestaande communicatie-infrastructuur en de beschikbaarheid van bestaande vermogens, alsook hun geografische dekking, op het niveau van de Unie en de lidstaten. Bij deze deling en prioritering wordt voorrang gegeven aan gebruikers overeenkomstig hun relevantie en kritikaliteit .
2. De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, de nadere regels vast inzake de deling en prioritering van capaciteiten, diensten en gebruikersapparatuur, rekening houdend met de verwachte vraag voor de verschillende usecases, de analyse van de beveiligingsrisico's voor die usecases en, in voorkomend geval, kosten-efficiëntie .
Middels de opname van een prijsbeleid in die regels waarborgt de Commissie dat het aanbieden van Govsatcom-capaciteiten en -diensten niet tot marktverstoringen leidt en dat er geen tekort aan Govsatcom-capaciteiten ontstaat.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
3. De deling en prioritering van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie tussen Govsatcom-gebruikers die door dezelfde Govsatcom-deelnemer zijn gemachtigd, wordt door die deelnemer bepaald en uitgevoerd.
Artikel 66
Infrastructuur en exploitatie van het grondsegment
1. Het grondsegment omvat de benodigde infrastructuur voor het aanbieden van diensten aan de gebruikers overeenkomstig artikel 65, met name de Govsatcom-hubs die in het kader van dit onderdeel worden aangekocht om de Govsatcom-gebruikers in verbinding te stellen met aanbieders van capaciteiten en diensten op het gebied van satellietcommunicatie. Het grondsegment en de exploitatie ervan voldoen aan de in artikel 34, lid 1, bedoelde, voor het Govsatcom-onderdeel vastgestelde algemene beveiligingsvereisten.
2. De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, de locatie van de infrastructuur van het grondsegment vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 107, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure en laten het recht van een lidstaat onverlet om te beslissen dergelijke infrastructuur niet op zijn grondgebied toe te laten .
Artikel 67
Govsatcom-deelnemers en bevoegde autoriteiten
1. De lidstaten, de Raad, de Commissie en de EDEO zijn Govsatcom-deelnemers in die zin dat zij Govsatcom-gebruikers machtigen, of voorzien in capaciteiten op het gebied van satellietcommunicatie of grondsegmentlocaties of een deel van de grondsegmentfaciliteiten.
Indien de Raad, de Commissie of de EDEO een machtiging aan Govsatcom-gebruikers verleent, of satellietcommunicatiecapaciteiten of lokaties voor grondsegmenten of een deel van de faciliteiten voor grondsegmenten ter beschikking stelt op het grondgebied van een lidstaat, doet deze vergunning of terbeschikkingstelling geen afbreuk aan de bepalingen inzake neutraliteit of ongebonden status in de grondwet van de lidstaat in kwestie.
2. Agentschappen van de Unie kunnen Govsatcom-gebruikers worden , enkel voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van hun taken en volgens de gedetailleerde regels die vastgelegd zijn in een administratieve overeenkomst tussen het agentschap in kwestie en de instelling van de Unie die er toezicht op houdt ▌.
3. Elke deelnemer wijst één bevoegde Govsatcom-autoriteit aan.
4. Een bevoegde Govsatcom-autoriteit zorgt ervoor dat
|
a) |
het gebruik van diensten in overeenstemming is met de geldende beveiligingsvereisten; |
|
b) |
de toegangsrechten voor Govsatcom-gebruiker worden vastgesteld en beheerd; |
|
c) |
de gebruikersapparatuur en de bijbehorende informatie en verbindingen voor elektronische communicatie worden gebruikt en beheerd overeenkomstig de toepasselijke beveiligingsvereisten; |
|
d) |
er wordt een centraal contactpunt ingesteld om, voor zover nodig, bijstand te verlenen bij het melden van beveiligingsrisico's en dreigingen, met name wat betreft de opsporing van potentieel schadelijke elektromagnetische interferentie die gevolgen heeft voor de diensten in het kader van dit onderdeel. |
Artikel 68
Toezicht op vraag en aanbod voor Govsatcom
De Commissie houdt voortdurend toezicht op de ontwikkeling van de vraag naar en het aanbod , inclusief bestaande Govsatcom-capaciteiten in een baan om de aarde voor bundelen en delen, van Govsatcom-capaciteiten en -diensten, waarbij zij rekening houdt met nieuwe risico's en dreigingen, alsook met nieuwe technologische ontwikkelingen, teneinde voor Govsatcom-diensten een optimaal evenwicht tussen vraag en aanbod te bereiken.
▌
TITEL IX
HET AGENTSCHAP VAN DE EUROPESE UNIE VOOR HET RUIMTEVAARTPROGRAMMA
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen betreffende het Agentschap
Artikel 70
Juridische status van het Agentschap
1. Het Agentschap is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.
2. In elk van de lidstaten geniet het Agentschap de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid welke aan rechtspersonen krachtens het recht wordt verleend. Het kan in het bijzonder roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en kan in rechte optreden.
3. Het Agentschap wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.
Artikel 71
Zetel van het Agentschap en lokale kantoren
1. De zetel van het Agentschap is gevestigd in Praag (Tsjechië).
2. Het personeel van het Agentschap mag worden ondergebracht in één van de grondinfrastructuurcentra van Galileo of EGNOS als bedoeld in Uitvoeringsbelsuit (EU) 2016/413 of (EU) 2017/1406 met het oog op het uitvoeren van programma-activiteiten als vermeld in de desbetreffende overeenkomst.
3. Overeenkomstig de behoeften van het programma kunnen er lokale kantoren in de lidstaten worden geopend overeenkomstig de procedure van artikel 79, lid 2.
HOOFDSTUK II
Organisatie van het Agentschap
Artikel 72
Administratieve en beheersstructuur
1. De administratieve en beheersstructuur van het agentschap omvat:
|
a) |
de raad van bestuur; |
|
b) |
de uitvoerend directeur; |
|
c) |
de raad voor de beveiligingshomologatie. |
2. De raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de raad voor de beveiligingshomologatie ▌ werken samen om de goede werking en de coördinatie van het Agentschap te waarborgen, op de wijze die is vastgesteld door de interne voorschriften van het Agentschap, zoals het reglement van orde van de raad van bestuur, het reglement van orde van de raad voor de beveiligingshomologatie, de op het Agentschap toepasselijke financiële bepalingen, de bepalingen voor de toepassing van het personeelsstatuut en de voorwaarden voor toegang tot de documenten.
Artikel 73
Raad van bestuur
1. De raad van bestuur bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat en drie vertegenwoordigers van de Commissie, die allen stemrecht hebben. Tot de raad van bestuur behoort tevens een lid zonder stemrecht dat door het Europees Parlement wordt aangewezen.
2. De voorzitter of de vicevoorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie, een vertegenwoordiger van de Raad, een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en een vertegenwoordiger van het Europees Ruimteagentschap worden uitgenodigd om als waarnemers de vergaderingen van de raad van bestuur bij te wonen voor kwesties die hen direct aangaan , onder de in het reglement van orde van de raad van bestuur vastgestelde voorwaarden.
3. Elk lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger. De plaatsvervanger vertegenwoordigt het lid indien het afwezig is.
4. Elke lidstaat draagt een lid van de raad van bestuur en een plaatsvervanger voor rekening houdend met hun kennis op het gebied van de ▌ taken van het Agentschap, met inachtneming van hun relevante bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden. Het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten trachten het verloop van hun vertegenwoordigers in de raad van bestuur te beperken om te zorgen voor continuïteit in de activiteiten. Alle partijen streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de raad van bestuur.
5. De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur en van hun plaatsvervangers bedraagt vier jaar en kan ▌ worden verlengd.
6. Indien nodig, worden de deelname van vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties en de voorwaarden daarvoor vastgelegd in de in artikel 98 bedoelde overeenkomsten en leven zij het reglement van orde van de raad van bestuur na. Deze vertegenwoordigers hebben geen stemrecht.
Artikel 74
Voorzitter van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur kiest uit zijn stemgerechtigde leden een voorzitter en een vicevoorzitter. De vicevoorzitter vervangt de voorzitter automatisch wanneer hij/zij niet in staat is zijn/haar taken uit te voeren.
2. De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitters bedraagt twee jaar en kan eenmaal worden verlengd. De ambtstermijn loopt af wanneer de persoon geen lid meer is van de raad van bestuur.
3. De raad van bestuur is bevoegd om de voorzitter, de vicevoorzitter of beiden te ontslaan.
Artikel 75
Vergaderingen van de raad van bestuur
1. De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen.
2. De uitvoerend directeur neemt deel aan de beraadslagingen, tenzij de voorzitter anders bepaalt. Hij/zij heeft geen stemrecht.
3. De raad van bestuur houdt regelmatig, ten minste tweemaal per jaar, gewone vergaderingen . Daarnaast komt de raad van bestuur, op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden, bijeen.
4. De raad van bestuur kan eenieder wiens advies van belang kan zijn, uitnodigen om als waarnemer de vergaderingen bij te wonen. De leden van de raad van bestuur kunnen zich op de door het reglement van orde van de raad bepaalde wijze laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.
5. In het geval van discussies over het gebruik van gevoelige nationale infrastructuur ▌ mogen de vertegenwoordigers van de lidstaten en de vertegenwoordigers van de Commissie aan de vergaderingen en de beraadslagingen van de raad van bestuur deelnemen op een “need to know”-basis , maar enkel de vertegenwoordigers van lidstaten die over dergelijke infrastructuur beschikken en een vertegenwoordiger van de Commissie mogen aan de stemming deelnemen. Indien de voorzitter van de raad van bestuur geen lidstaat vertegenwoordigt die over dergelijke infrastructuur beschikt, wordt hij/zij vervangen door een van de vertegenwoordigers van een lidstaat die over dergelijke infrastructuur beschikt. In het reglement van de raad van bestuur staat in welke situaties deze procedure van toepassing is.
6. Het Agentschap vervult de secretariaatstaken voor de raad van bestuur.
Artikel 76
Stemprocedures in de raad van bestuur
1. Tenzij deze verordening anders bepaalt, neemt de raad van bestuur besluiten met meerderheid van de stemmen van zijn stemgerechtigde leden.
Een meerderheid van tweederde van alle stemgerechtigde leden is vereist voor het verkiezen en het ontslaan van de voorzitter en de vicevoorzitter van de raad van bestuur en voor de goedkeuring van de begroting, de werkprogramma's , de regelingen als bedoeld in artikel 98, lid 2, de beveiligingsregels van het Agentschap, het reglement, voor de opening van lokale kantoren en voor de in artikel 92 bedoelde gastlandovereenkomsten .
2. Elke vertegenwoordiger van een lidstaat en van de Commissie heeft één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid is zijn/haar plaatsvervanger gerechtigd zijn/haar stem uit te brengen. ▌ Besluiten op grond van artikel 77, lid 2, onder a), ▌ met uitzondering van de aangelegenheden die onder titel V, hoofdstuk II vallen, of op grond van artikel 77, lid 5, worden enkel aangenomen met een gunstig standpunt van de vertegenwoordigers van de Commissie.
3. Het reglement van orde van de raad van bestuur bepaalt de nadere bijzonderheden van de stemprocedure, en in het bijzonder onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen , alsmede de quorumvoorschriften, indien van toepassing .
Artikel 77
Taken van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur ziet erop toe dat het Agentschap de aan het Agentschap toevertrouwde taken uitvoert, onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, en neemt alle besluiten die daartoe nodig zijn, onverminderd de bevoegdheden die aan de raad voor de beveiligingshomologatie zijn toebedeeld voor de activiteiten van titel V, hoofdstuk II.
2. Daarnaast voert de raad van bestuur ook de volgende taken uit:
|
a) |
hij stelt uiterlijk op 15 november van elk jaar het werkprogramma van het Agentschap voor het komende jaar vast na er, zonder enige wijziging, het deel in te hebben opgenomen dat de raad voor de beveiligingshomologatie overeenkomstig artikel 80, onder b), heeft opgesteld en na het advies van de Commissie te hebben ontvangen; |
|
x) |
hij stelt uiterlijk op 30 juni van het eerste jaar van het meerjarig financieel kader als bedoeld in artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het meerjarig werkprogramma van het Agentschap op voor de periode die onder het meerjarig financieel kader valt, na er, zonder enige wijziging, het deel in te hebben opgenomen dat de raad voor de beveiligingshomologatie overeenkomstig artikel 80, onder a), heeft opgesteld en na het advies van de Commissie te hebben ontvangen. Het Europees Parlement wordt over het meerjarig werkprogramma geraadpleegd, op voorwaarde dat dit gebeurt in de vorm van een gedachtewisseling en dat de uitkomst ervan niet bindend is voor het Agentschap. |
|
b) |
hij verricht de taken met betrekking tot de begroting overeenkomstig artikel 84, leden 5, 6, 10 en 11; |
|
c) |
hij ziet toe op de exploitatie van het Galileo-centrum voor de beveiligingscontrole als bedoeld in artikel 34, lid 3, onder b); |
|
d) |
hij stelt de regelingen vast ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (25), overeenkomstig artikel 94; |
|
e) |
hij keurt de in artikel 98 bedoelde regelingen goed, na raadpleging van de raad voor de beveiligingshomologatie, over de bepalingen van de regelingen betreffende de beveiligingshomologatie; |
|
f) |
hij stelt de technische procedures vast die nodig zijn voor de uitvoering van zijn taken; |
|
g) |
hij stelt het jaarverslag over de activiteiten en de vooruitzichten van het Agentschap vast, na er het deel ongewijzigd in te hebben opgenomen dat de raad voor de beveiligingshomologatie overeenkomstig artikel 80, onder c), heeft opgesteld, en zendt dit uiterlijk op 1 juli toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer; |
|
h) |
hij geeft het nodige gevolg aan de bevindingen en aanbevelingen van de in artikel 102 bedoelde evaluaties en audits, die van onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), en alle interne en externe auditverslagen en zendt de begrotingsautoriteit alle informatie toe die voor de evaluatieprocedures van belang is; |
|
i) |
hij wordt geraadpleegd door de uitvoerend directeur over de overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap als bedoeld in artikel 31, lid 2, en over de overeenkomsten inzake bijdragen als bedoeld in de artikelen 28, lid 2 bis, en 30, lid 5, voordat zij ondertekend worden; |
|
j) |
hij stelt de in artikel 96 bedoelde beveiligingsvoorschriften van het Agentschap vast; |
|
k) |
hij stelt, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, een fraudebestrijdingsstrategie vast; |
|
l) |
hij stelt, indien nodig en op basis van voorstellen van de uitvoerend directeur, de organisatiestructuur als bedoeld in artikel 77, lid 1, onder n), vast; |
▌
|
n) |
hij benoemt een rekenplichtige, die de rekenplichtige van de Commissie kan zijn, die onderworpen is aan het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn/haar taken; |
|
o) |
hij stelt het reglement van orde vast en maakt het bekend. |
3. Ten aanzien van het personeel van het Agentschap oefent de raad van bestuur de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag en van het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag uit, die worden verleend door respectievelijk het statuut van de ambtenaren van de Unie (“Statuut van de Ambtenaren”) en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (“de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag”).
Overeenkomstig de procedure van artikel 110 van het Statuut, kan de raad van bestuur op basis van artikel 2, lid 1, van het Statuut en op basis van artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, een besluit vaststellen om de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag te delegeren aan de uitvoerend directeur, en om de voorwaarden vast te stellen waaronder die delegatie kan worden geschorst. De uitvoerend directeur brengt aan de raad van bestuur verslag uit over de uitoefening van die gedelegeerde bevoegdheden. De uitvoerend directeur kan deze bevoegdheid op zijn beurt subdelegeren.
Overeenkomstig de tweede alinea van dit lid kan de raad van bestuur, wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, een besluit nemen om de delegatie van bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag aan de uitvoerend directeur en de door hem verleende subdelegatie tijdelijk te schorsen en deze bevoegdheden zelf uitoefenen dan wel delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.
In afwijking van de tweede alinea is de raad van bestuur verplicht de in de eerste alinea bedoelde bevoegdheden aan de voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie te delegeren, voor zover het gaat om de aanwerving, evaluatie en herplaatsing van het personeel dat betrokken was bij de activiteiten die vallen onder titel V, hoofdstuk II, alsmede de tegen dat personeel te nemen disciplinaire maatregelen.
De raad van bestuur stelt de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de Ambtenaren en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie vast overeenkomstig artikel 110 van het Statuut. Wat de werving, evaluatie en herplaatsing van het bij de activiteiten krachtens titel V, hoofdstuk II betrokken personeel en de ten aanzien van dat personeel te nemen disciplinaire maatregelen betreft, raadpleegt hij vooraf de raad voor de beveiligingshomologatie en houdt hij terdege rekening met diens opmerkingen.
Hij stelt ook een besluit houdende voorschriften inzake de detachering van nationale deskundigen bij het Agentschap vast. Voorafgaand aan dat besluit raadpleegt de raad van bestuur, de raad voor de beveiligingshomologatie in verband met de detachering van de bij de in titel V, hoofdstuk II bedoelde activiteiten op het gebied van beveiligingshomologatie betrokken nationale deskundigen, en houdt hij naar behoren rekening met de opmerkingen van deze raad.
4. De raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur en kan diens mandaat overeenkomstig artikel 89 verlengen of beëindigen.
5. De raad van bestuur oefent tuchtrechtelijk toezicht uit op de uitvoerend directeur met betrekking tot diens prestatie, in het bijzonder op het gebied van beveiligingsaangelegenheden die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren, met uitzondering van activiteiten overeenkomstig titel V, hoofdstuk II.
Artikel 78
Uitvoerend directeur
1. Het Agentschap wordt beheerd door zijn uitvoerend directeur. De uitvoerend directeur legt verantwoording af aan de raad van bestuur.
Dit lid is van toepassing onverminderd de autonomie en onafhankelijkheid van de raad voor de beveiligingshomologatie en het personeel van het Agentschap waarop deze toezicht uitoefent overeenkomstig artikel 82, en onverminderd de bevoegdheden die de raad voor de beveiligingshomologatie en de voorzitter daarvan worden verleend overeenkomstig de artikelen 37, respectievelijk 81.
2. Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie en de raad van bestuur, is de uitvoerend directeur onafhankelijk bij de uitvoering van zijn taken en vraagt noch aanvaardt hij instructies van een regering of enige andere instantie.
Artikel 79
Taken van de uitvoerend directeur
1. De uitvoerend directeur voert de volgende taken uit:
|
a) |
hij vertegenwoordigt het Agentschap en ondertekent de in artikel 31, lid 2, bedoelde overeenkomst; |
|
b) |
hij bereidt de werkzaamheden van de raad van bestuur voor en neemt, zonder stemrecht, deel aan de werkzaamheden van de raad van bestuur, met inachtneming van artikel 76, tweede alinea; |
|
c) |
hij voert de besluiten van de raad van bestuur uit; |
|
d) |
hij stelt het meerjarige en jaarlijkse werkprogramma van het Agentschap op en legt het voor bij de raad van bestuur, met uitzondering van de delen die overeenkomstig artikel 80, onder a) en b), worden opgesteld en goedgekeurd door de raad voor de beveiligingshomologatie; |
|
e) |
hij voert het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma uit, met uitzondering van de delen die worden uitgevoerd door de voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie; |
|
f) |
hij stelt voor elke vergadering van de raad van bestuur een voortgangsverslag op over de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma en waar nodig van het meerjarige werkprogramma waarin, zonder enige wijziging, het deel is opgenomen dat de voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie heeft opgesteld; |
|
g) |
hij stelt het jaarverslag over de activiteiten en de vooruitzichten van het Agentschap op, met uitzondering van het deel dat overeenkomstig artikel 80, onder c), door de raad voor de beveiligingshomologatie over de in titel V bedoelde activiteiten wordt opgesteld en goedgekeurd, en legt dit ter goedkeuring voor aan de raad van bestuur; |
|
h) |
hij neemt de dagelijkse leiding van het Agentschap op zich en neemt alle noodzakelijke maatregelen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om het functioneren van het Agentschap in overeenstemming met deze verordening te waarborgen; |
|
i) |
hij stelt overeenkomstig artikel 84 een ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap op en voert overeenkomstig artikel 85 de begroting uit; |
|
j) |
hij zorgt ervoor dat het Agentschap, als exploitant van het Galileo-centrum voor beveiligingscontrole, gehoor kan geven aan instructies die uit hoofde van Besluit 2014/496/GBVB worden verstrekt en zijn rol als bedoeld in artikel 6 van Besluit nr. 1104/2011/EU kan vervullen; |
|
k) |
hij zorgt voor de doorstroming van relevante informatie, in het bijzonder wat betreft beveiligingsaangelegenheden, binnen de structuur van het Agentschap als bedoeld in artikel 72, lid 1; |
|
l) |
hij bepaalt, in nauwe samenwerking met de voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie, wat betreft de aangelegenheden die verband houden met beveiligingshomologatie krachtens titel V, hoofdstuk II, de organisatiestructuur van het Agentschap en legt die ter goedkeuring aan de raad van bestuur voor. Die structuren weerspiegelen de specifieke kenmerken van de verschillende onderdelen van het programma; |
|
m) |
hij oefent ten aanzien van het personeel van het Agentschap de in artikel 37, lid 3, eerste alinea, bedoelde bevoegdheden uit, voor zover die bevoegdheden hem zijn verleend overeenkomstig de tweede alinea daarvan; |
|
n) |
hij zorgt ervoor dat de raad voor de beveiligingshomologatie, de in artikel 37, lid 3, bedoelde organen en de voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie beschikken over een secretariaat en alle middelen die nodig zijn voor een goede werking; |
|
o) |
hij bereidt een actieplan voor voor de follow-up van de bevindingen en aanbevelingen van de in artikel 102 bedoelde evaluaties, met uitzondering van de afdeling van het actieplan dat de onder titel V, hoofdstuk II vallende activiteiten betreft, en legt aan de Commissie een halfjaarlijks voortgangsverslag voor, na er, zonder enige wijziging, het door de raad voor beveiligingshomologatie opgestelde deel in te hebben opgenomen, dat tevens ter informatie aan de raad van bestuur wordt voorgelegd; |
|
p) |
hij neemt de volgende maatregelen om de financiële belangen van de Unie te beschermen:
|
|
q) |
hij ontwikkelt voor het Agentschap een fraudebestrijdingsstrategie die in verhouding staat tot de risico's op fraude, die uitgaat van een kosten-batenanalyse van de uit te voeren maatregelen en die rekening houdt met de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit de onderzoeken van OLAF, en legt die ter goedkeuring aan de raad van bestuur voor; |
|
r) |
op verzoek brengt hij verslag uit aan het Europees Parlement over de uitvoering van zijn taken. De Raad kan de uitvoerend directeur uitnodigen verslag uit te brengen over de uitvoering van zijn taken. |
2. De uitvoerend directeur beslist of het voor de efficiënte en effectieve uitvoering van de taken van het Agentschap noodzakelijk is een of meer personeelsleden te vestigen in een of meer lidstaten. Alvorens te beslissen een plaatselijk kantoor te openen, vraagt de uitvoerend directeur de toestemming van de Commissie, de raad van bestuur en de betrokken lidstaat/lidstaten. In het besluit wordt het toepassingsgebied van de in dat lokale kantoor te verrichten activiteiten omschreven, op zodanige wijze dat onnodige kosten en verdubbeling van administratieve functies van het Agentschap worden vermeden. Het kan nodig zijn een gastlandovereenkomst met de betrokken lidstaat/lidstaten te sluiten. Indien mogelijk worden de gevolgen voor de toewijzing van personeel en het budget geïntegreerd in het ontwerp van enig programmeringsdocument als bedoeld in artikel 84, lid 6.
Artikel 80
Beheerstaken van de raad voor de beveiligingshomologatie
Naast de in artikel 37 bedoelde taken, voert de raad voor de beveiligingshomologatie, als onderdeel van het beheer van het Agentschap de volgende taken uit:
|
a) |
opstellen en goedkeuren van dat deel van het meerjarig werkprogramma betreffende de operationele activiteiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen en betreffende de financiële en personele middelen die noodzakelijk zijn voor de verrichting van die activiteiten, en tijdige indiening van dit deel bij de raad van bestuur zodat het in het meerjarig programma kan worden opgenomen; |
|
b) |
opstellen en goedkeuren van dat deel van het jaarlijks werkprogramma betreffende de operationele activiteiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen en betreffende de financiële en personele middelen die noodzakelijk zijn voor de verrichting van die activiteiten, en tijdige indiening van dit deel bij de raad van bestuur zodat het in het jaarlijks werkprogramma kan worden opgenomen; |
|
c) |
opstellen en goedkeuren van dat deel van het jaarverslag betreffende de operationele activiteiten en vooruitzichten van het Agentschap die onder titel V, hoofdstuk II vallen en betreffende de financiële en personele middelen die noodzakelijk zijn voor de verrichting van die activiteiten en vooruitzichten, en tijdige indiening van dit deel bij de raad van bestuur zodat het in het jaarverslag kan worden opgenomen; |
Artikel 81
De voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie
1. De raad voor de beveiligingshomologatie kiest uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter met een meerderheid van twee derde van alle stemgerechtigde leden. Wanneer geen tweederdemeerderheid is bereikt na twee vergaderingen van de raad voor de beveiligingshomologatie is een gewone meerderheid vereist.
2. De vicevoorzitter vervangt automatisch de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn/haar taken te verrichten.
3. De raad voor de beveiligingshomologatie is bevoegd om de voorzitter, de vicevoorzitter of beiden te ontslaan. Hij neemt het besluit daartoe met een meerderheid van twee derde van zijn leden.
4. De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie bedraagt twee jaar en is eenmaal verlengbaar. Elke ambtstermijn neemt een einde wanneer de persoon zijn hoedanigheid van lid van raad voor de beveiligingshomologatie verliest.
Artikel 82
Organisatorische aspecten van de raad voor de beveiligingshomologatie
1. De raad voor de beveiligingshomologatie beschikt over alle personele en materiële middelen die nodig zijn voor de onafhankelijke uitvoering van zijn taken. Hij heeft toegang tot alle informatie die van nut is voor de uitvoering van zijn taken en waarover de andere organen van het Agentschap beschikken, onverminderd de in artikel 36, onder i), vastgelegde beginselen van autonomie en onafhankelijkheid.
2. De raad voor de beveiligingshomologatie en het personeel van het Agentschap dat onder zijn toezicht is geplaatst, verrichten hun werkzaamheden zo dat autonomie en onafhankelijkheid ten opzichte van de andere activiteiten van het Agentschap gewaarborgd zijn, met name ten opzichte van de operationele activiteiten in samenhang met de exploitatie van de systemen, overeenkomstig de doelstellingen van de verschillende onderdelen van het programma. Geen lid van het personeel van het Agentschap dat onder toezicht van de raad voor de beveiligingshomologatie staat, mag tegelijkertijd andere taken binnen het Agentschap verrichten.
Daartoe wordt binnen het Agentschap een daadwerkelijke organisatorische scheiding tot stand gebracht tussen het personeel dat zich bezighoudt met de activiteiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen, en het andere personeel van het Agentschap. De raad voor de beveiligingshomologatie brengt de uitvoerend directeur, de raad van bestuur en de Commissie onmiddellijk op de hoogte van alle omstandigheden die zijn autonomie of onafhankelijkheid in de weg zouden kunnen staan. Indien geen oplossing wordt gevonden binnen het Agentschap, onderzoekt de Commissie de situatie in overleg met de betrokken partijen. Op basis van het resultaat van dat onderzoek stelt de Commissie de door het Agentschap uit te voeren passende risicobeperkende maatregelen vast en brengt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan op de hoogte.
3. De raad voor de beveiligingshomologatie richt speciale ondergeschikte organen op die overeenkomstig zijn instructies specifieke vraagstukken behandelen. In het bijzonder richt de Raad, onder waarborging van de noodzakelijke continuïteit van de werkzaamheden, een panel op dat evaluaties en tests van beveiligingsanalyses uitvoert en risicoverslagen ter zake opstelt om hem bij te staan bij de voorbereiding van zijn besluiten. De raad voor de beveiligingshomologatie kan deskundigengroepen oprichten om een bijdrage te leveren aan de werkzaamheden van het panel en kan deze groepen ook ontbinden.
Artikel 83
Taken van de voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie
1. De voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie ziet erop toe dat de Raad zijn beveiligingshomologatieactiviteiten volstrekt onafhankelijk verricht en voert de volgende taken uit:
|
a) |
hij beheert de activiteiten in verband met de beveiligingshomologatie onder toezicht van de raad voor de beveiligingshomologatie; |
|
b) |
hij voert onder toezicht van de raad voor de beveiligingshomologatie het deel van het meerjarig werkprogramma en van het jaarlijks werkprogramma van het Agentschap uit dat onder titel V, hoofdstuk II valt; |
|
c) |
hij helpt de uitvoerend directeur met het opstellen van een ontwerppersoneelsformatie als bedoeld in artikel 84, lid 4, en de organisatiestructuren van het Agentschap; |
|
d) |
hij bereidt het onderdeel van het voortgangsverslag voor betreffende de operationele activiteiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen, en dient dit deel tijdig in bij de raad voor de beveiligingshomologatie en de uitvoerend directeur zodat het in het voortgangsverslagverslag kan worden opgenomen; |
|
e) |
hij bereidt het onderdeel van het jaarverslag en van het actieplan voor betreffende de operationele activiteiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen, en dient dit deel tijdig in bij de uitvoerend directeur; |
|
f) |
hij treedt op als vertegenwoordiger van het Agentschap voor de activiteiten en besluiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen; |
|
g) |
hij oefent ten aanzien van het personeel van het Agentschap dat betrokken is bij de activiteiten van titel V, hoofdstuk II de in artikel 77, lid 3, eerste alinea, bedoelde bevoegdheden uit, die hem of haar zijn verleend overeenkomstig artikel 77, lid 3, vierde alinea. |
2. Voor de activiteiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen, kunnen het Europees Parlement en de Raad de voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie uitnodigen voor een gedachtewisseling over de werkzaamheden en de vooruitzichten van het Agentschap, mede wat betreft het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma.
HOOFDSTUK III
Financiële bepalingen betreffende het Agentschap
Artikel 84
Begroting van het Agentschap
1. De inkomsten van het Agentschap omvatten, onverminderd andere activa en passiva, ▌een in de algemene begroting van de Unie opgenomen bijdrage van de Unie waarmee de ontvangsten en de uitgaven in evenwicht worden gehouden. Het Agentschap mag ad-hocbijdragen van de begroting van de Unie ontvangen.
2. De uitgaven van het Agentschap omvatten de uitgaven voor personeel, administratie en infrastructuur, de werkingskosten en de uitgaven in verband met de werking van de raad voor de beveiligingshomologatie, met inbegrip van de in de artikelen 37, lid 3, en 82, lid 3, bedoelde organen, alsmede de uitgaven in verband met de contracten en overeenkomsten die door het Agentschap zijn gesloten met het oog op de uitvoering van de hem toevertrouwde taken.
3. De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht.
4. De uitvoerend directeur stelt, in nauw overleg met de voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie wat de activiteiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen betreft, een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar, waarin de elementen van de ontwerpraming die verband houden met beveiligingshomologatie duidelijk worden gescheiden van de andere activiteiten van het Agentschap. De voorzitter van de raad voor de beveiligingshomologatie kan een toelichting bij dat ontwerp opstellen en de uitvoerend directeur zendt de ontwerpraming en deze toelichting tezamen met een ontwerppersoneelsformatie aan de raad van bestuur en de raad voor de beveiligingshomologatie.
5. Elk jaar stelt de raad van bestuur, op basis van de ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven en in nauw overleg met de raad voor de beveiligingshomologatie wat de activiteiten die onder titel V, hoofdstuk II vallen betreft, een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar.
6. De raad van bestuur zendt uiterlijk op 31 januari een ontwerp van enig programmeringsdocument, dat onder meer een raming en een ontwerp van personeelsformatie bevat, samen met het voorlopige jaarlijkse werkprogramma toe aan de Commissie en aan de derde landen of internationale organisaties waarmee de Unie overeenkomstig artikel 98, overeenkomsten heeft gesloten.
7. De Commissie zendt de raming van ontvangsten en uitgaven aan het Europees Parlement en de Raad (“de begrotingsautoriteit”), samen met het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie.
8. Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en de subsidie ten laste van de algemene begroting op in de ontwerpbegroting van de Europese Unie, die zij overeenkomstig artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorlegt aan de begrotingsautoriteit.
9. De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de bijdrage aan het Agentschap goed en stelt de personeelsformatie van het Agentschap vast.
10. De begroting wordt vastgesteld door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.
11. De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van de begroting hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. De raad van bestuur brengt de Commissie daarvan op de hoogte.
12. Wanneer een tak van de begrotingsautoriteit kennis heeft gegeven van zijn voornemen om een advies te verstrekken, doet hij dit advies aan de raad van bestuur toekomen binnen een termijn van zes weken te rekenen vanaf de kennisgeving van het project.
Artikel 85
Uitvoering van de begroting van het Agentschap
1. De uitvoerend directeur voert de begroting van het Agentschap uit.
2. Elk jaar stelt de uitvoerend directeur de begrotingsautoriteit in kennis van alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar beoordelingstaken.
Artikel 86
Weergave van de rekeningen van het Agentschap en kwijting
De weergave van de voorlopige en de definitieve rekeningen van het Agentschap en de kwijting gebeuren overeenkomstig de voorschriften en het tijdschema van het Financieel Reglement en de financiële kaderregeling voor de organen als bedoeld in [artikel 70] van het Financieel Reglement.
Artikel 87
Financiële bepalingen betreffende het Agentschap
Na raadpleging van de Commissie stelt de raad van bestuur de financiële voorschriften vast die van toepassing zijn op het Agentschap. Deze voorschriften mogen niet afwijken van de financiële kaderregeling voor de organen als bedoeld in [artikel 70] van het Financieel Reglement tenzij de specifieke vereisten van de werking van het Agentschap dit noodzakelijk maken en mits de Commissie hiermee heeft ingestemd.
HOOFDSTUK V
Personele middelen van het Agentschap
Artikel 88
Personeel van het Agentschap
1. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Europese Unie zijn vastgesteld ter uitvoering van dat statuut en die regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Agentschap.
2. Het personeel van het Agentschap bestaat uit personeelsleden die door het Agentschap worden geworven, al naar gelang zijn werkzaamheden vereisen. Het personeel beschikt over een passende beveiligingsmachtiging voor de graad van rubricering van de informatie die zij verwerken.
3. De interne voorschriften van het Agentschap, zoals het reglement van orde van de raad van bestuur, het reglement van orde van de raad voor de beveiligingshomologatie, de financiële regels die van toepassing zijn op het Agentschap, de bepalingen voor de toepassing van het personeelsstatuut en de voorwaarden voor toegang tot de documenten garanderen de autonomie en de onafhankelijkheid van het personeel dat zich met beveiligingshomologatie bezighoudt ten opzichte van het personeel dat andere activiteiten van het Agentschap verricht, overeenkomstig artikel 36, onder i).
Artikel 89
Benoeming en ambtstermijn van de uitvoerend directeur
1. De uitvoerend directeur wordt aangesteld als tijdelijk functionaris van het Agentschap overeenkomstig artikel 2, onder a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie.
De uitvoerend directeur wordt op grond van verdiensten en van door bewijsstukken gedocumenteerde bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, alsook relevante bekwaamheid en ervaring, door de raad van bestuur benoemd aan de hand van een door de Commissie voorgestelde lijst van ten minste drie kandidaten, na een transparant algemeen vergelijkend onderzoek volgend op de bekendmaking van een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie of elders.
De door de raad van bestuur geselecteerde kandidaat voor de functie van uitvoerend directeur kan worden verzocht zo spoedig mogelijk voor het Europees Parlement een verklaring te komen afleggen en vragen van de parlementsleden te beantwoorden.
Voor het aangaan van het contract van de uitvoerend directeur wordt het Agentschap vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur.
De raad van bestuur neemt een besluit tot benoeming van de uitvoerend directeur met een meerderheid van twee derde van zijn leden.
2. De ambtstermijn van de uitvoerend directeur is vijf jaar. Aan het einde van die ambtstermijn verricht de Commissie een beoordeling die de prestaties van de uitvoerend directeur en de toekomstige taken en uitdagingen van het Agentschap in acht neemt.
Op basis van een voorstel van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de in de eerste alinea bedoelde beoordeling, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal met ten hoogste vijf jaar verlengen.
Elk besluit tot verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur wordt met een meerderheid van twee derde van de leden van de raad van bestuur genomen.
Een uitvoerend directeur van wie de ambtstermijn is verlengd, kan na afloop van de verlenging van zijn mandaat niet deelnemen aan een selectieprocedure voor dezelfde functie.
De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de directeur te verlengen. Vóór deze verlenging kan de uitvoerend directeur worden verzocht een verklaring voor de bevoegde commissies van het Europees Parlement te komen afleggen en vragen van leden te beantwoorden.
3. De raad van bestuur kan op voorstel van de Commissie of van een derde van zijn leden de uitvoerend directeur ontslaan door middel van een met een meerderheid van twee derde van zijn leden genomen besluit.
4. Het Europees Parlement en de Raad kunnen de uitvoerend directeur uitnodigen voor een gedachtewisseling over de werkzaamheden en de vooruitzichten van het Agentschap, mede wat betreft het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma. Die gedachtewisseling betreft geen aangelegenheden in verband met de onder titel V, hoofdstuk II vallende activiteiten in verband met beveiligingshomologatie.
Artikel 90
Detachering van nationale deskundigen bij het Agentschap
Het Agentschap kan nationale deskundigen van lidstaten alsook, overeenkomstig artikel 98, lid 2, nationale deskundigen van deelnemende derde landen en internationale organisaties in dienst nemen. Deze deskundigen beschikken over een passende beveiligingsmachtiging voor de graad van rubricering van de informatie die zij verwerken overeenkomstig artikel 42, onder c) . Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie zijn niet van toepassing op dit personeel.
HOOFDSTUK VI
Overige bepalingen
Artikel 91
Voorrechten en immuniteiten
Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, is van toepassing op het Agentschap en zijn personeelsleden.
Artikel 92
Zetelovereenkomst en gastlandovereenkomst inzake lokale kantoren
1. De nodige regelingen betreffende de huisvesting van het Agentschap in de lidstaat van vestiging en de voorzieningen die deze lidstaat moet treffen, alsmede de bijzondere regels die in de lidstaat van vestiging van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, de werknemers van het Agentschap en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een zetelovereenkomst tussen het Agentschap en de desbetreffende lidstaat van vestiging, die gesloten wordt nadat de raad van bestuur deze heeft goedgekeurd. Indien noodzakelijk voor de werking van het lokale kantoor wordt na goedkeuring door de raad van bestuur een gastlandovereenkomst gesloten tussen het Agentschap en de desbetreffende lidstaat van vestiging van het kantoor.
2. De gastlidstaten waar het Agentschap gevestigd is, bieden de best mogelijke voorwaarden voor het vlot en efficiënt functioneren van het Agentschap, met inbegrip van meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.
Artikel 93
Talenregeling voor het Agentschap
1. Op het Agentschap zijn de bepalingen van Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (26) van toepassing.
2. De voor het functioneren van het Agentschap vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.
Artikel 94
Beleid inzake toegang tot de documenten die bij het Agentschap berusten
1. Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die bij het Agentschap berusten.
2. De raad van bestuur stelt bepalingen vast voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
3. Tegen de beslissingen van het Agentschap uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingesteld bij de Ombudsman of een beroep bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, volgens de voorwaarden van respectievelijk artikel 228 en artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 95
Fraudepreventie door het Agentschap
1. Om de bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale handelingen als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad te bevorderen, treedt het Agentschap binnen zes maanden na de datum waarop het operationeel is geworden toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (27) en stelt het de geschikte, voor alle werknemers van het Agentschap geldende bepalingen vast volgens het model van de bijlage bij dat akkoord.
2. De Europese Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die van het Agentschap EU-middelen hebben ontvangen, audits te verrichten, zowel op basis van documenten als ter plaatse.
3. OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 onderzoeken verrichten, waaronder controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met een subsidie of een door het Agentschap gefinancierde overeenkomst.
4. Onverminderd de leden 1, 2 en 3 omvatten de samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten van het Agentschap bepalingen die de Europese Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke controles en onderzoeken te verrichten overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.
Artikel 96
Bescherming van gerubriceerde of gevoelige niet-gerubriceerde informatie door het Agentschap
Na overleg met de Commissie stelt het Agentschap eigen beveiligingsvoorschriften vast die gelijkwaardig zijn aan de veiligheidsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, met inbegrip van voorschriften betreffende de uitwisseling, de verwerking en de opslag van dergelijke informatie, overeenkomstig Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (28) en Besluit 2015/444 (29).
Artikel 97
Aansprakelijkheid van het Agentschap
1. De contractuele aansprakelijkheid van het Agentschap wordt beheerst door het recht dat op de betrokken overeenkomst van toepassing is.
2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door het Agentschap gesloten overeenkomst.
3. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Agentschap in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn afdelingen of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.
4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft rechtsmacht voor geschillen over de vergoeding van schade als bedoeld in lid 3.
5. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens het Agentschap wordt beheerst door de op hen van toepassing zijnde bepalingen van het Statuut of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.
Artikel 98
Samenwerking met derde landen en internationale organisaties
1. Het Agentschap staat open voor deelname van derde landen en internationale organisaties die met de Unie internationale overeenkomsten in die zin hebben gesloten.
2. Krachtens de desbetreffende bepalingen van de in lid 1 en artikel 42 bedoelde overeenkomsten worden regelingen uitgewerkt voor met name de aard, de omvang en de werkwijze van de deelname van de betrokken derde landen aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van bepalingen betreffende de deelname aan initiatieven van het Agentschap, de financiële bijdragen en het personeel. Wat personeelszaken betreft, stroken die afspraken in elk geval met het Statuut van de ambtenaren. In voorkomend geval bevatten ze ook bepalingen over de uitwisseling en bescherming van gerubriceerde informatie met derde landen en internationale organisaties. Deze bepalingen moeten vooraf door de Commissie worden goedgekeurd.
3. De raad van bestuur stelt een strategie op voor de betrekkingen met derde landen en internationale organisaties , in het kader van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomsten, wat betreft aangelegenheden waarvoor het Agentschap bevoegd is.
4. De Commissie ziet erop toe dat het Agentschap in zijn betrekkingen met derde landen en internationale organisaties handelt binnen zijn mandaat en het bestaande institutionele kader door het sluiten van een passende werkovereenkomst met de uitvoerend directeur.
Artikel 99
Belangenconflicten
1. De leden van de raad van bestuur en van de raad voor de beveiligingshomologatie, de uitvoerend directeur, de gedetacheerde nationale deskundigen en waarnemers leggen een verbintenisverklaring af, alsmede een verklaring over hun belangen waaruit blijkt of zij al dan niet directe of indirecte belangen hebben die als nadelig voor hun onafhankelijkheid kunnen worden beschouwd. Die verklaringen moeten waarheidsgetrouw en volledig zijn. Zij worden schriftelijk afgelegd bij indiensttreding van de betrokken personen en worden jaarlijks vernieuwd. Zij worden bijgewerkt wanneer daartoe aanleiding bestaat, met name in geval van relevante wijzigingen in de persoonlijke situatie van de betrokkenen.
2. De leden van de raad van bestuur en van de raad voor de beveiligingshomologatie, de uitvoerend directeur, de gedetacheerde nationale deskundigen, de waarnemers en de externe deskundigen die zitting hebben in de ad-hocwerkgroepen maken op elke vergadering onverkort en accuraat kenbaar of er al dan niet belangen zijn die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid ten aanzien van elk van de agendapunten, en nemen niet deel aan de bespreking en de stemming betreffende die agendapunten.
3. De raad van bestuur en de raad voor de beveiligingshomologatie leggen in hun reglement van orde de praktische regelingen vast voor de in de leden 1 en 2 bedoelde belangenverklaringen en voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten.
TITEL X
PROGRAMMERING, MONITORING, EVALUATIE EN CONTROLE
Artikel 100
Werkprogramma
Het programma wordt uitgevoerd via de in artikel 110 van het Financieel Reglement bedoelde werkprogramma's, die specifiek kunnen zijn voor elk onderdeel van het programma. De werkprogramma's bevatten, in voorkomend geval, het algemene voor blendingverrichtingen gereserveerde bedrag.
Artikel 101
Monitoring en verslaglegging
1. Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 4 vermelde algemene en specifieke doelstellingen zijn in de bijlage vastgesteld.
2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van de bijlage om indien nodig de indicatoren te herzien en/of aan te vullen.
3. Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en (in voorkomend geval) de lidstaten.
4. Met het oog op lid 1 zijn de ontvangers van middelen van de Unie verplicht de nodige informatie te verstrekken. De gegevens die nodig zijn voor de verificatie van de prestaties worden op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig verzameld.
Artikel 102
Evaluatie
1. De Commissie voert evaluaties van het programma tijdig uit zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
2. Uiterlijk op 30 juni 2024, en vervolgens om de vier jaar, evalueert de Commissie de uitvoering van het programma.
Die evaluatie heeft betrekking op alle onderdelen en acties van het programma. Beoordeeld worden de prestatie van de verstrekte diensten, de ontwikkeling van de behoeften van de gebruikers en de ontwikkeling van de beschikbare capaciteiten voor delen en bundelen, in het kader van de evaluatie van de uitvoering van SSA en Govsatcom, of van de gegevens en diensten van concurrenten, in het kader van de evaluatie van de uitvoering van Galileo, Copernicus en Egnos. Voor elk onderdeel heeft de evaluatie, op basis van een kosten/baten-analyse, ook betrekking op de gevolgen van die ontwikkelingen, met inbegrip van de noodzaak van het aanpassen van het prijsbeleid of de noodzaak van aanvullende ruimte- of grondinfrastructuur.
Indien nodig gaat de evaluatie vergezeld van een passend voorstel.
▌
4. De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties samen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
5. De bij de uitvoering van deze verordening betrokken entiteiten voorzien de Commissie van de benodigde gegevens en informatie voor de in lid 1 bedoelde evaluatie.
6. Uiterlijk op 30 juni 2024, en vervolgens om de vier jaar, evalueert de Commissie de prestaties van het Agentschap, in het bijzonder met betrekking tot de doelstellingen, het mandaat en de taken ▌overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie. In de evaluatie wordt met name nagegaan of het noodzakelijk is om het mandaat van het Agentschap te wijzigen, alsmede de financiële implicaties van zo'n wijziging , één en ander op basis van een kosten/baten-analyse . Deze evaluatie betreft ook het beleid van het Agentschap inzake belangenconflicten en de onafhankelijkheid en de autonomie van de raad voor de beveiligingshomologatie. De Commissie mag bij de evaluatie van de prestaties van het Agentschap ook nagaan of het mogelijk is het mandaat uit te breiden met aanvullende taken. Indien nodig gaat de evaluatie vergezeld van een passend voorstel.
Als de Commissie van mening is dat de instandhouding van het Agentschap op grond van de eraan toegekende doelstellingen, mandaat en taken niet langer gerechtvaardigd is, kan zij een voorstel doen tot wijziging van deze verordening.
De Commissie dient een verslag in aangaande de evaluatie van het Agentschap en haar conclusies daarover bij het Europees Parlement, de Raad, de raad van bestuur en de raad voor de beveiligingshomologatie van het Agentschap. De resultaten van de evaluatie worden openbaar gemaakt.
Artikel 103
Audits
Audits naar het gebruik van de bijdrage van de Unie uitgevoerd door personen of entiteiten, daaronder begrepen andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid in de zin van artikel 127 van het Financieel Reglement.
Artikel 104
Bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer
Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van de taken en activiteiten krachtens deze verordening, met inbegrip van persoonsgegevens verwerkt door het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma, gebeurt overeenkomstig het toepasselijke recht inzake de bescherming van persoonsgegevens, met name Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad. De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 door het Agentschap, onder meer betreffende de benoeming van de functionaris voor gegevensbescherming van het Agentschap. Deze maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
TITEL XI
DELEGATIE EN UITVOERINGSMAATREGELEN
Artikel 105
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in de artikelen 52 en 101 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend ▌tot en met 31 december 2028.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 52 en 101 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig de artikelen 52 en 101 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 106
Spoedprocedure
1. ▌ Gedelegeerde handelingen die volgens dit artikel worden vastgesteld, treden onverwijld in werking en zijn van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.
2. Hetzij het Europees Parlement hetzij de Raad mag overeenkomstig de in artikel 105, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. Indien dit gebeurt, trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt .
Artikel 107
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
Het comité komt bijeen in de onderstaande specifieke configuraties:
|
a) |
Galileo en Egnos; |
|
b) |
Copernicus; |
|
c) |
SSA; |
|
d) |
Govsatcom; |
|
e) |
beveiligingsconfiguratie: alle beveiligingsaspecten van het programma, onverminderd de rol van de raad voor de beveiligingshomologatie. Vertegenwoordigers van ESA en het Agentschap mogen worden uitgenodigd om deel te nemen als waarnemers. De Europese Dienst voor extern optreden wordt eveneens uitgenodigd om de vergaderingen bij te wonen (30); |
|
f) |
horizontale configuratie: strategisch overzicht van de uitvoering van het programma, samenhang tussen de verschillende onderdelen van het programma, horizontale maatregelen en toewijzing van begrotingsmiddelen als bedoeld in artikel 11. |
1 bis. Het programmacomité richt, overeenkomstig zijn reglement van orde, het “gebruikersforum” op als een werkgroep die het programmacomité adviseert over aspecten in verband met de behoeften van de gebruikers, de ontwikkeling van de diensten en de acceptatie door gebruikers. Het “gebruikersforum” streeft naar een continu en daadwerkelijke betrokkenheid van gebruikers en komt in specifieke configuraties bijeen voor elk onderdeel van het programma.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
4. Overeenkomstig door de Unie gesloten internationale overeenkomsten mogen vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties worden uitgenodigd om als waarnemers aanwezig te zijn in de vergaderingen van het comité onder de voorwaarden als bedoeld in het reglement van orde van dat comité, met inachtneming van de beveiliging van de Unie.
TITEL XII
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 108
Informatie, communicatie en publiciteit
1. De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
2. De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 4 bedoelde doelstellingen.
3. Het Agentschap mag op eigen initiatief communicatieactiviteiten op zijn bevoegdheidsgebied uitvoeren. De toewijzing van middelen voor communicatieactiviteiten mag niet ten koste gaan van de doeltreffende uitvoering van de in artikel 30 vermelde taken. Deze communicatieactiviteiten worden uitgevoerd in overeenstemming met de betrokken, door de raad van bestuur vastgestelde communicatie- en verspreidingsplannen.
Artikel 109
Intrekkingen
1. De Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.
2. Verwijzingen naar de ingetrokken handelingen gelden als verwijzingen naar deze verordening.
Artikel 110
Overgangsbepalingen en continuïteit van de diensten na 2027
1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van de Verordeningen (EU) nr. 377/2014, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 912/2010 en op basis van Besluit nr. 541/2014/EU, die op de acties van toepassing blijven totdat zij worden afgesloten. Met name het consortium dat uit hoofde van artikel 7, lid 3, van Besluit nr. 541/2014/EU is opgericht biedt SST-diensten tot en met 3 maanden na de ondertekening door de nationale entiteiten van de overeenkomst waarbij het in artikel 57 bedoelde SST-partnerschap wordt gecreëerd.
2. De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van de Verordeningen (EU) nr. 377/2014 en (EU) nr. 1285/2013 en op grond van Besluit nr. 541/2014/EU.
3. Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten in de begroting worden opgenomen ter dekking van de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 4 ▌bedoelde doelstellingen .
Artikel 111
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
[Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.]
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te …,
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
Voor de Raad
De voorzitter
(1) Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2019. De onderstreepte tekstdelen vormen niet het voorwerp van het in het kader van de interinstitutionele onderhandelingen bereikt akkoord.
(2) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(3) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(4) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(5) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(6) Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PB L 81 van 21.3.2012, blz. 7).
(7) Dit besluit van de Raad zal gebaseerd zijn op het voorstel van de Hoge Vertegenwoordiger tot uitbreiding van het toepassingsgebied van Besluit 2014/496/GBVB van 22 juli 2014 waarover momenteel wordt onderhandeld.
(8) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1.
(9) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/224 van de Commissie van 8 februari 2017 tot vaststelling van de technische en operationele specificaties die nodig zijn om de commerciële dienst die wordt aangeboden door het door het Galileoprogramma ingestelde systeem, de in artikel 2, lid 4, onder c), van Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad genoemde functie te laten vervullen (PB L 34 van 9.2.2017, blz. 36).
(10) Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot vaststelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44).
(11) Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 1).
(12) Mededeling “Artificial Intelligence for Europe” (Kunstmatige intelligentie voor Europa) (COM(2018)0237), Mededeling “Towards a common European data space” (Naar een gemeenschappelijke Europese gegevensruimte) (COM(2018)0232), Proposal for a Council Regulation on establishing the European High Performance Computing Joint Undertaking (Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de oprichting van de gemeenschappelijke onderneming high performance computing) (COM(2018)0008).
(13) Europese Organisatie voor de Exploitatie van Meteorologische Satellieten.
(14) Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire).
(15) PB L 175 van 27.6.2013, blz. 1.
(16) PB L 309 van 19.11.2013, blz. 1.
(17) https://ec.europa.eu/commission/sites/beta-political/files/witboek_over_de_toekomst_van_europa_nl.pdf
(18) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/intm/146072.pdf
(19) EUCO 217/13.
(20) PB L 287 van 4.11.2011, blz. 1.
(21) Dit besluit van de Raad zal gebaseerd zijn op het voorstel van de Hoge Vertegenwoordiger tot uitbreiding van het toepassingsgebied van Besluit 2014/496/GBVB van 22 juli 2014 waarover momenteel wordt onderhandeld.
(22) PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.
(23) Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/413 van de Commissie van 18 maart 2016 tot bepaling van de locaties van de grondinfrastructuur van het door het Galileo-programma ingestelde systeem en tot vaststelling van de maatregelen die nodig zijn om de goede werking ervan te waarborgen, en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2012/117/EU (PB L 74 van 19.3.2016, blz. 45).
(24) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1159/2013 van de Commissie van 12 juli 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) via de vaststelling van registratie- en vergunningsvoorwaarden voor GMES-gebruikers en de vaststelling van criteria voor het beperken van de toegang tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie (PB L 309 van 19.11.2013, blz. 1).
(25) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(26) PB 17 van 6.10.1958, blz. 385.
(27) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
(28) Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).
(29) Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).
(30) Een verklaring van de Raad en de Commissie over de uitvoering van artikel 107 in verband met de beveiligingsaspecten van het programma moet aan de verordening te worden toegevoegd, bijvoorbeeld als volgt: “De Raad en de Commissie benadrukken dat het, gezien de gevoeligheid van de beveiligingsaspecten van het programma en overeenkomstig artikel 3, lid 4, en artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. 182/2011, van bijzonder belang is dat de voorzitter van het programmacomité, wanneer dat bijeenkomt in de beveiligingsconfiguratie, zich bij de werkzaamheden gericht op het vaststellen van ontwerpen van uitvoeringshandelingen met betrekking tot de beveiligingsaspecten van het programma tot het uiterste inspant om tot oplossingen te komen waarvoor in het comité of het comité van beroep zo veel mogelijk draagvlak is.”
SLEUTELINDICATOREN
Er wordt gebruik gemaakt van sleutelindicatoren voor het monitoren van de prestaties van het programma voor het verwezenlijken van de doelstellingen ervan als bedoeld in artikel 4, teneinde de administratieve lasten en de kosten tot een minimum te beperken.
1.
Daartoe worden voor de jaarlijkse rapportage gegevens verzameld met betrekking tot de onderstaande reeks sleutelindicatoren waarvoor in de overeenkomsten met de entiteiten waaraan de uitvoering is toevertrouwd tenuitvoerleggingsdetails worden vastgesteld, zoals meeteenheden, cijfers en daaraan gerelateerde nominale waarden en drempels (inclusief kwantitatieve en kwalitatieve cases) overeenkomstig de toepasselijke missievereisten en de verwachte prestatie:In artikel 4, lid 2, onder a), vastgelegde doelstelling
Indicator 1: Nauwkeurigheid van de navigatie- en timingdiensten die door Galileo, respectievelijk Egnos worden verstrekt
Indicator 2: Beschikbaarheid en continuïteit van de diensten die door Galileo, respectievelijk Egnos worden verstrekt
Indicator 3: Geografische dekking van de Egnos-diensten en het aantal door Egnos gepubliceerde procedures (zoals APV-I, als LPV-200)
Indicator 4: Tevredenheid van EU-gebruikers over de diensten van Galileo en Egnos
Indicator 5: Aandeel van Galileo- en Egnoscompatibele ontvangers van de mondiale en de EU-markt voor GNSS/SBAS (mondiale satellietnavigatiesystemen/satellietaugmentatiesystemen)
In artikel 4, lid 2, onder b), vastgelegde doelstelling
Indicator 1: Aantal EU-gebruikers van Copernicusdiensten, Copernicusgegevens, en Data and Information Access Systems (DIAS) die, indien mogelijk, informatie verstrekken zoals het soort gebruiker, de geografische spreiding en de activiteitensector
Indicator 1 bis: In voorkomend geval, het aantal verzoeken om activering van Copernicusdiensten dat ontvangen en/of gehonoreerd is
Indicator 1 ter: Tevredenheid van EU-gebruikers over de diensten van Copernicus en DIAS
Indicator 1 quater: Betrouwbaarheid, beschikbaarheid en continuïteit van de Copernicusdiensten en de gegevensstroom van Copernicus
Indicator 2: Aantal nieuwe informatieproducten dat in het portfolio van elke Copernicusdienst wordt verstrekt
Indicator 3: Hoeveelheid gegevens die door de Sentinels wordt gegenereerd
In artikel 4, lid 2, onder c), vastgelegde doelstelling
Indicator 1: Aantal gebruikers van SSA-onderdelen, inclusief, indien mogelijk, informatie over bijvoorbeeld het soort gebruikers, de geografische spreiding en de activiteitensector
Indicator 2: Beschikbaarheid van diensten
In artikel 4, lid 2, onder d), vastgelegde doelstelling
Indicator 1: Aantal EU-gebruikers van Govsatcom, inclusief, indien mogelijk, informatie over bijvoorbeeld het soort gebruikers, de geografische spreiding en de activiteitensector
Indicator 2: Beschikbaarheid van diensten
In artikel 4, lid 2, onder e), vastgelegde doelstelling
Indicator 1: Aantal lanceringen voor het programma (uitgesplitst naar soort lanceerinrichtingen)
In artikel 4, lid 2, onder f), vastgelegde doelstelling
Indicator 1: Aantal en lokatie van de ruimtevaarthubs in de Unie
Indicator 2: Aandeel kleine en middelgrote ondernemingen in de EU uitgedrukt in een percentage van het totale aantal contracten in het kader van het programma
2.
Bij de in artikel 102 bedoelde evaluatie wordt rekening houden met bijkomende elementen zoals:|
a) |
De prestaties van concurrenten op de gebieden navigatie en aardobservatie |
|
b) |
De acceptatie door gebruikers van Galileo- en Egnosdiensten |
|
c) |
De integriteit van Egnosdiensten |
|
d) |
De acceptatie van Copernicusdiensten door kerngebruikers van Copernicus |
|
e) |
Het aantal beleidsterreinen op Unie- en lidstaatniveau dat van Copernicus gebruik maakt of profiteert |
|
f) |
Analyse van de autonomie van het SST-onderdeel en van de mate van onafhankelijkheid van de EU op dit gebied |
|
g) |
Stand van zaken op het gebied van networking voor activiteiten met betrekking tot aardscheerders |
|
h) |
Beoordeling van Govsatcom-capaciteiten wat betreft de behoeften van gebruikers als bedoeld in de artikelen 68 en 69 |
|
i) |
Tevredenheid onder de gebruikers over de SSA- en Govsatcom-diensten |
|
j) |
Aandeel Ariane- en Vega-lanceringen in de totale markt gebaseerd op openbaar beschikbare gegevens |
|
k) |
Ontwikkeling van de downstreamsector, indien beschikbaar uitgedrukt in het aantal nieuwe ondernemingen dat van EU-ruimtevaartgegevens, -informatie en -diensten gebruikt maakt, de gecreëerde werkgelegenheid en de omzet, uitgesplitst naar lidstaat, op basis van, indien beschikbaar, gegevens van Eurostat |
|
l) |
Ontwikkeling van de upstreamsector in de EU, indien beschikbaar uitgedrukt in het aantal gecreëerde banen en de omzet, uitgesplitst naar lidstaat, en het mondiale marktaandeel van de Europese ruimtevaartindustrie, op basis van, indien beschikbaar, gegevens van Eurostat |