|
14.7.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 232/1 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over demografische uitdagingen in de EU in het licht van de ongelijkheid op economisch en ontwikkelingsvlak
(Verkennend advies op verzoek van het Kroatische voorzitterschap)
(2020/C 232/01)
|
Rapporteur: |
Stéphane BUFFETAUT |
|
Corapporteur: |
Adam ROGALEWSKI |
|
Verzoek van het Kroatische voorzitterschap van de Raad |
Brief d.d. 10.9.2019 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap |
|
Goedkeuring door de afdeling |
3.3.2020 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
7.5.2020 |
|
Zitting nr. |
551 — Zitting op afstand |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
249/0/12 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Dit advies werd opgesteld vóór de uitbraak van de COVID-19-pandemie. Het EESC is zich er echter van bewust dat de COVID-19-crisis een zware weerslag zal hebben op toekomstige EU-maatregelen om de demografische problemen en de groeiende ongelijkheid tussen de lidstaten aan te pakken. Het verzoekt de EU daarom met klem om de nodige maatregelen uit te werken — en daarvoor ruim voldoende middelen ter beschikking te stellen — om de burgers te beschermen tegen de nadelige gevolgen van de pandemie, met name de te verwachten economische crisis, en zo de sociale impact ervan binnen de perken te houden. Er moet zo snel mogelijk werk worden gemaakt van dergelijke beleidsmaatregelen, in overleg met de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. |
|
1.2. |
Om de huidige demografische problemen van de EU aan te pakken, is een brede benadering vereist, dat wil zeggen een combinatie van sociaal en economisch beleid, een actief arbeidsmarkt- en cohesiebeleid, gezinsbeleid, met name de mogelijkheid om werk, privé en gezinsleven beter op elkaar af te stemmen, speciale maatregelen voor oudere werknemers, beleid inzake actief en gezond ouder worden, een duurzaam en op integratie gericht immigratiebeleid en beleidsmaatregelen ter voorkoming van kennisvlucht. |
|
1.3. |
Aangezien een nieuwe babyboom weinig waarschijnlijk lijkt, is een stijging van de arbeidsmarktparticipatie cruciaal willen we de gevolgen van de demografische situatie in Europa het hoofd kunnen bieden. Te veel lidstaten kampen met een te hoog werkloosheids- en inactiviteitspercentage, terwijl ook te veel mensen onder hun niveau werken. Dat geldt met name voor jongeren: in alle lidstaten ligt de jeugdwerkloosheid tweemaal zo hoog als de gemiddelde werkloosheid. Bestrijding van de werkloosheid moet dan ook bovenaan de EU-agenda komen te staan. |
|
1.4. |
Voorts is een dynamische demografische ontwikkeling ondenkbaar zonder vertrouwen in de toekomst; de EU kan met andere woorden niet zonder een sterke economie en een sterk sociaal beleid. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, zullen de Europese vrouwen en mannen, en met name jongeren, hun vertrouwen in de toekomst verliezen, en de daaruit voortvloeiende sociale en economische onzekerheid zal hen ervan weerhouden om kinderen te krijgen. De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten speelt daarom een uiterst belangrijke rol bij de verbetering van de demografische situatie van de EU. Het EESC is dan ook ingenomen met het voornemen van de Commissie om aan de hand van een brede raadpleging een actieplan voor de uitvoering van de pijler uit te werken. |
|
1.5. |
Het mag niet zo zijn dat kinderen een loopbaan in de weg staan of tot koopkrachtverlies of verarming leiden; dit laatste is vooral een risico voor grote gezinnen. Een stabiel en proactief gezinsbeleid en een menselijk arbeidsmarktbeleid zijn broodnodig, met inbegrip van maatregelen ter bevordering van het evenwicht tussen privé en gezinsleven en werk (ouderschapsverlof, kinderopvang en andere zorgtaken, thuiswerk, flexibel werk) en financiële en educatieve ondersteuning. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan eenoudergezinnen en grote gezinnen, die sneller in armoede dreigen te vervallen. Het is al lang en breed bewezen dat een stabiel en divers gezinsbeleid dat is afgestemd op de culturele omgeving, een positieve invloed heeft op het vruchtbaarheidscijfer. |
|
1.6. |
Heel wat jongeren, en dan vooral in grootstedelijke gebieden en grote steden, krijgen te maken met onzekere arbeidsomstandigheden en een gebrek aan stabiele arbeidsmarktperspectieven. Ook is het voor hen lastig om een woning te huren of fatsoenlijke huisvesting te vinden. Het is voor deze jongeren dan ook geen sinecure om hun toekomst te plannen, op eigen benen te staan en een gezin te stichten. Hieraan moet zowel in EU- als in nationaal beleid meer aandacht worden besteed. |
|
1.7. |
Interne mobiliteit is een fundamentele vrijheid van de EU die het Europese concurrentievermogen versterkt en de burgers kansen biedt. Wat de mobiliteit binnen de EU en de kennisvlucht en het wegtrekken van arbeidskrachten door interne migratie betreft, ligt de beste oplossing in opwaartse sociale en economische convergentie in de lidstaten, maar dit vergt tijd. Het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds moeten met name de EU-lidstaten waar de economische prestaties onder de maat blijven, helpen bij de uitwerking van projecten om hun sociale en economische ontwikkeling te verbeteren, wat een onontbeerlijke voorwaarde is willen ze aantrekkelijk zijn of blijven voor hun eigen bevolking. Met het oog op wederzijdse verrijking kan worden overwogen migranten aan te moedigen terug te keren naar hun land van herkomst. |
|
1.8. |
Het economische en sociale klimaat is mede doorslaggevend voor de vraag of een land aantrekkelijk is. Investeringen in efficiënte openbare diensten en gezinsgerichte investeringen bepalen de toekomstige ontwikkelingen en moeten dan ook prioriteit krijgen. Een stijging van de overheidsinvesteringen in de lidstaten kan worden gestimuleerd via een “gulden regel” voor sociaal georiënteerde overheidsinvesteringen, zodat het mogelijk wordt flexibel om te springen met de begrotingsregels. |
|
1.9. |
Immigratie is misschien geen panacee, maar kan Europa wel helpen de demografische problemen het hoofd te bieden. Immigratie kan op de korte termijn een positieve invloed hebben op de bevolkingsgroei en de toename van de beroepsbevolking, op voorwaarde dat ook een rechtvaardig en houdbaar integratiebeleid wordt gevoerd om nieuwkomers te helpen zich te vestigen en hun integratie zo vlot mogelijk te doen verlopen. |
2. De huidige stand van zaken
|
2.1. |
De bevolkingsomvang hangt samen met het vruchtbaarheids- en sterftecijfer en migratie. Hoewel de situatie per land verschilt, vertonen de vruchtbaarheids- en sterftecijfers overal in de EU een dalende lijn. Ondanks lichte verschillen tussen landen blijft het vruchtbaarheidscijfer in de lidstaten doorgaans ver onder het vervangingsniveau. Zelfs in het licht van de wereldwijde trend van dalende sterfte- en vruchtbaarheidscijfers (demografische transitie) is Europa in dit opzicht een buitenbeentje. |
|
2.2. |
Van 1950 tot 1989 nam het aantal inwoners van Europa jaarlijks met meer dan 2 miljoen toe. Sinds 1990 blijft de jaarlijkse groei onder de 1,5 miljoen. Tegelijk lag de gemiddelde bevolkingsgroei in de rest van de wereld duidelijk hoger dan in Europa. Zo leefde in 1950 21,7 % van de wereldbevolking nog in Europa, terwijl dat in 2017 minder dan 10 % was. Het demografische gewicht van Europa is nooit lager geweest (1). |
|
2.3. |
Wat het geboortecijfer betreft, tussen 1952 en 1961 werden er elk jaar meer dan 12 miljoen kinderen geboren in Europa. Dit cijfer viel terug tot 7,3 miljoen in 2000. Migratie heeft relatief jonge mensen naar Europa gebracht, waardoor het geboortecijfer in een minderheid van de EU-landen is gestegen. Het aantal geboorten schommelt momenteel tussen 7 en 8 miljoen per jaar. |
|
2.4. |
Dit aantal moet worden afgezet tegen het sterftecijfer. Het sterftecijfer gaat beide kanten uit: omhoog omdat mensen nu al weer vele generaties lang een hoge leeftijd bereiken, en omlaag dankzij een betere hygiëne en gezondheidszorg en een gezondere levensstijl, waardoor de levensverwachting in Europa wordt verlengd (78 jaar voor mannen, 83 jaar voor vrouwen in de EU-28). Sinds 1992 telt Europa gemiddeld 8 tot 8,5 miljoen sterfgevallen per jaar. |
|
2.5. |
Sinds 1994 neemt de Europese bevolking elk jaar af: er is nu sprake van een negatief natuurlijk evenwicht, doordat het aantal sterfgevallen hoger ligt dan het aantal geboorten. Deze ontvolking treft Duitsland, Bulgarije, Kroatië, Spanje, Estland, Finland, Griekenland, Hongarije, Italië, Letland, Litouwen, Portugal, Roemenië en Slovenië. |
|
2.6. |
De migratie ten spijt — migranten zijn jonger zijn dan de autochtone bevolking — heeft Europa in de 21e eeuw te maken met een vergrijzende bevolking. Het aandeel 65-plussers in de totale bevolking is gestegen van 12,5 % in 1989 tot 18,8 % in 2019. Het Comité heeft eerder al beklemtoond dat de arbeidsparticipatie van de bevolking in de werkende leeftijd zwaarder weegt dan de afhankelijkheidsratio van ouderen, d.w.z. de verhouding tussen het aantal mensen in de werkende leeftijd en het aantal 65-plussers. Het is dan ook zaak het arbeidspotentieel van werklozen en mensen die onder hun niveau werken, te benutten. De hogere levensverwachting gaat gepaard met demografische uitdagingen. Om een en ander in goede banen te leiden, is het van cruciaal belang dat de arbeidsmarktintegratie van immigranten verbetert en dat werklozen en mensen in een precaire arbeidssituatie toegang krijgen tot opleiding. |
|
2.7. |
In sommige lidstaten is de intra-Europese mobiliteit een groot probleem: mensen trekken naar lidstaten met een hogere levensstandaard, wat de problemen in verband met de vergrijzing in de landen van herkomst nog verergert, aangezien het vooral jongeren zijn die wegtrekken. Naast het verdwijnen van de beroepsbevolking — waarbij het gaat om alle vaardigheidsniveaus — is er ook nog eens sprake van kennisvlucht, wat zorgwekkend is voor de betrokken landen; zij hebben namelijk geïnvesteerd in onderwijs- en opleidingsstelsels waarvan vervolgens wordt geprofiteerd door andere landen die betere sociale en arbeidsomstandigheden kunnen bieden. In 2018 was 36 % van de mobiele werknemers in de EU hoog opgeleid, had 40 % een gemiddeld opleidingsniveau en was 23 % laag opgeleid. Toch had slechts 20 % een hooggekwalificeerde baan, terwijl 60 % werkzaam was in een baan waarvoor gemiddelde kwalificaties vereist zijn, en 20 % een laaggekwalificeerde baan had (2). |
|
2.8. |
Het feit dat werknemers naar lidstaten trekken die het economisch beter doen, werkt bovendien de vergrijzing en de bevolkingsafname in de oostelijke lidstaten in de hand. Als deze trend zich in hetzelfde tempo doorzet, zal Oost-Europa meer 65-plussers gaan tellen dan de West-Europese landen (3). |
|
2.9. |
De trek van werknemers uit Oost-Europese landen naar rijkere lidstaten hangt met name samen met het verschil in lonen, sociale bescherming en sociale normen, die veel lager liggen dan in de oude lidstaten. Hoewel de loonkloof tussen Oost- en West-Europa tot de crisis geleidelijk aan minder diep werd, kwam deze opwaartse convergentie van de Oost-Europese lonen in de nasleep van de crisis tot stilstand (4). In sommige oostelijke lidstaten hebben de hoge emigratiecijfers tot een tekort aan arbeidskrachten geleid. |
|
2.10. |
Daarnaast hebben ook de economische crisis (5) en de gevolgen daarvan de migratie van Zuid- naar West-Europa doen toenemen. In dit geval zijn het de weinig rooskleurige vooruitzichten op de arbeidsmarkt en de hoge werkloosheid die meer werknemers ongeacht hun kwalificaties ertoe hebben aangezet Zuid-Europa in te ruilen voor West-Europa. |
|
2.11. |
Ook factoren die niet strikt economisch zijn, zoals de wettelijke, culturele en sociale situatie, kunnen migratie in de hand werken. Zo kan het gebeuren dat mensen vertrekken naar meer ontwikkelde welvaartsstaten die een betere sociale bescherming en gezondheidszorg bieden. Ook krijgen sommige mensen te maken met discriminatie op grond van godsdienst, etnische afkomst of seksuele geaardheid, wat hen ertoe aanzet te emigreren naar een lidstaat waar de samenleving en het rechtssysteem toleranter zijn en meer bescherming bieden. Het is over het algemeen moeilijk om de omvang van deze vormen van mobiliteit en de impact ervan op de demografische ontwikkelingen te meten. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC pleit voor een overkoepelende benadering van de demografische problemen waarbij niet alleen wordt gekeken naar het vruchtbaarheidscijfer zelf, maar ook naar het evenwicht tussen werk en privéleven, de werkgelegenheid, de gelijkheid van mannen en vrouwen, de bestendigheid van het gezinsbeleid, het regionaal en het cohesiebeleid, en de kwaliteit van de openbare infrastructuur en diensten. |
|
3.2. |
Demografie gaat niet alleen over cijfers en statistieken, maar over kinderen, moeders en vaders, over mensen die hun leven plannen, hoe hun gezin er ook uitziet. De Europese samenlevingen moeten steun en bescherming bieden aan de meest kwetsbare groepen, in dit geval kinderen, wier rechten en belangen voorrang moeten krijgen. |
|
3.3. |
Het EESC heeft al een aantal adviezen over demografie uitgebracht. In sommige daarvan wijst het erop dat de demografische situatie in lidstaten met een sterk en divers gezinsbeleid, dat de verschillende culturen weerspiegelt, beter is dan die in landen zonder of met een krachteloos gezinsbeleid (6). In andere adviezen onderstreept het Comité dan weer dat een solide arbeidsmarktbeleid, dat gebaseerd is op een hoge arbeidsmarktparticipatie en hoogwaardige werkgelegenheid, een efficiënte manier is om de demografische problemen aan te pakken (7). |
|
3.4. |
Er bestaat op dit moment al beleid dat kan worden ingezet om de demografische uitdagingen aan te gaan, met name in het licht van de ongelijkheid op economisch en ontwikkelingsvlak. Zo is de Europese pijler van sociale rechten een belangrijk instrument om opwaartse sociale en economische convergentie in de EU te bewerkstelligen, wat meteen ook de sleutel is tot een aantal demografische problemen. |
|
3.5. |
Om een positieve demografische ontwikkeling in de EU in gang te zetten, zijn economische en sociale stabiliteit en fatsoenlijke levens- en arbeidsomstandigheden cruciaal; hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de sociale partners. Dit houdt in dat meer moet worden geïnvesteerd in sociale infrastructuur, gezinsbeleid, hoogwaardige openbare diensten en een actief arbeidsmarktbeleid. |
|
3.6. |
Analyses van demografisch doeltreffend beleid tonen aan dat het hierbij gaat om een combinatie van verschillende maatregelen waaraan gedurende langere tijd wordt vastgehouden. Dat is belangrijk, omdat ouderschaps- en gezinsprojecten per definitie langetermijnprojecten zijn. Wat het gezinsbeleid betreft, moet bijzondere aandacht worden besteed aan gezinnen die het risico lopen in armoede te vervallen, zoals grote en eenoudergezinnen. In dit verband mag niet worden vergeten dat na werkloosheid het uiteenvallen van het gezin de belangrijkste oorzaak van armoede is, en dat het risico op armoede toeneemt met het aantal kinderen in een gezin. Het EESC heeft in het verleden al gepleit voor een fatsoenlijk minimuminkomen in de EU (8). |
|
3.7. |
Openbare diensten zijn een cruciale schakel van het sociaal beleid en gezinsondersteuning. Zonder hoogwaardige, toegankelijke en betaalbare zorg en bijstand (voor kinderen, gehandicapten en ouderen) is het zo goed als onmogelijk om de demografische problemen aan te pakken en bevolkingsgroei te stimuleren. Het gebrek aan investeringen in openbare diensten heeft geleid tot een tekort aan personeel en passende infrastructuur. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar kinderopvang, onderwijs en beleid dat gericht is op oudere generaties. Het is met name op het gebied van langdurige gezondheidszorg en ouderenzorg dat het gebrek aan investeringen het schrijnendst is (9). |
|
3.8. |
Met het oog op de demografische problemen pleit het EESC voor meer investeringen in openbare diensten en sociaal beleid. Het Comité herhaalt dat een stijging van de overheidsinvesteringen in de lidstaten kan worden gestimuleerd via een “gulden regel” voor sociaal georiënteerde overheidsinvesteringen, zodat het mogelijk wordt flexibel om te springen met de begrotingsregels. De huidige en toekomstige EU-middelen, met name het Investeringsplan voor Europa, moeten worden opgetrokken en meer worden toegespitst op sociale investeringen, de ondersteuning van gezinnen en de bevordering van gelijkheid; maatregelen op deze gebieden kunnen immers helpen om de demografische problemen het hoofd te bieden. |
|
3.9. |
Het EESC benadrukt de omvang en het belang van het fenomeen onbetaald werk, dat vooral wordt verricht door vrouwen, die begaan zijn met hun familie en daarom het leeuwendeel van de verzorging en hulp op zich nemen, voor ondersteuning zorgen en inspringen waar de openbare infrastructuur tekortschiet. Deze taken worden zelden als echt werk beschouwd, hoewel onbetaalde zorg en huishoudelijk werk naar schatting respectievelijk 10 en 39 % van het mondiale bruto binnenlands product vertegenwoordigen (10). Onbetaalde zorgverleners, meestal familieleden, die ervoor kiezen niet te werken om zieke, gehandicapte en andere hulpbehoevende familieleden te kunnen verzorgen en bijstaan, verdienen erkenning en ondersteuning; dat is niet meer dan rechtvaardig. Dit houdt onder meer in dat voldoende wordt geïnvesteerd in zorginfrastructuur. De lidstaten moeten worden aangemoedigd de economische, sociale en morele waarde van dit werk te erkennen door deze zorgverleners een passende status en financiële steun te verlenen en hun socialezekerheidsrechten te waarborgen. |
|
3.10. |
Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de plattelandsbevolking, die nog sneller vergrijst dan de bevolking in het algemeen. Het platteland wordt overal in Europa gekenmerkt door een afname van de bevolking, aangezien jongeren met het oog op opleiding en werk meestal voor de stad kiezen. De bescherming van de levensstandaard, wat onder meer inhoudt dat wordt gezorgd voor fatsoenlijke vooruitzichten op de arbeidsmarkt, alsook investeringen in infrastructuur, openbare diensten en onderwijs, zijn cruciaal om de ontvolking van het platteland en kleine en middelgrote provinciesteden tegen te gaan. |
|
3.11. |
Het EESC onderstreept dat maatschappelijke organisaties en de sociale partners een belangrijke rol spelen bij het overleg over het beleid inzake demografische uitdagingen en de uitwerking daarvan. |
4. Het belang van hoogwaardige werkgelegenheid, een proactief arbeidsmarktbeleid en beleid dat het evenwicht tussen werk, privé en gezinsleven ondersteunt
|
4.1. |
Een proactief arbeidsmarktbeleid dat bijdraagt tot stabiele werkgelegenheid en het welbevinden van werknemers, is een belangrijke stap in de richting van een efficiënte oplossing voor de demografische problemen. Europeanen halen hun inkomen immers voornamelijk uit werk, en zonder nieuwe banen, dynamische arbeidsmarktvooruitzichten, zekerheid op de arbeidsmarkt en hoogwaardige werkgelegenheid is het lastig om een gezin behoorlijke levensomstandigheden te bieden. De sociale partners kunnen via collectieve onderhandelingen ijveren voor betere lonen en sociale en arbeidsvoorwaarden. |
|
4.2. |
In het rapport Demographic scenarios for the EU (demografische scenario’s voor de EU) (11) staat te lezen dat de meest haalbare en efficiënte remedie tegen de negatieve gevolgen van de vergrijzing een stijging van de arbeidsparticipatie is, en niet een verhoging van het vruchtbaarheidscijfer of meer migratie. Op de middellange en lange termijn is een evenwichtigere demografische ontwikkeling een noodzakelijke voorwaarde om de sociale uitgaven en de economische dynamiek in evenwicht te houden. |
|
4.3. |
Maatregelen ter bestrijding van armoede onder werkenden zijn broodnodig om gezinnen fatsoenlijke levensomstandigheden te bieden en ervoor te zorgen dat kinderen en ouders een waardig leven kunnen leiden. Het EESC neemt kennis van het voornemen van de voorzitter van de Commissie “om ervoor te zorgen dat elke werknemer in onze Unie een eerlijk minimumloon ontvangt” (12). Dit indachtig zal het EESC een verkennend advies over “Fatsoenlijke minimumlonen in heel Europa” opstellen. |
|
4.4. |
Kwaliteitsbanen, die ten grondslag liggen aan economische stabiliteit, toegang tot opleiding om de vaardigheden en competenties van werknemers te verbeteren en de mogelijkheid om veilige en flexibele werkomstandigheden te combineren, zijn factoren die de demografische groei kunnen stimuleren. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan deeltijdwerk en flexibele arbeidspatronen om het evenwicht tussen werk en privé en gezinsleven te verbeteren. Een van de maatregelen om werk en privéleven beter op elkaar af te stemmen en het gezins- en privéleven te beschermen in deze tijden van voortrazende digitalisering, is het recht om onbereikbaar te zijn, dat in de ogen van het EESC een goede praktijk is (13). |
|
4.5. |
Het EESC heeft in vorige adviezen (14) al een lans gebroken voor een proactief gendergelijkheidsbeleid om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en maatregelen te bevorderen om werk en privéleven beter met elkaar te verenigen. Uit studies blijkt dat het niet alleen voor het gezinsleven maar ook voor de Europese economie en het Europese concurrentievermogen gunstig is als mannen zich bezighouden met zorgtaken. Door de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren, kan hun potentieel worden benut in een tijd waarin de beroepsbevolking in de EU afneemt en de bevolking vergrijst. |
|
4.6. |
Speciale aandacht moet uitgaan naar jonge werknemers die kinderen hebben of plannen in die richting maken. Gemiddeld ligt de werkloosheid in de EU het hoogst onder jongeren; de jeugdwerkloosheid schommelt van 5 tot wel 40 % in een aantal landen (15). Ook zijn het met name jongeren die te maken krijgen met precaire arbeidsvoorwaarden (16). Bovendien maken het gebrek aan nieuwe banen, dynamische arbeidsmarktvooruitzichten en zekerheid op de arbeidsmarkt, alsook het feit dat het lastig is een woning te huren of woonruimte te vinden, het voor jongeren moeilijk om toekomstplannen te maken, op eigen benen te staan, zich te settelen en een gezin te stichten. Jongeren moeten dan ook vlotter toegang krijgen tot kwaliteitsbanen; dit zou hen de zekerheid geven die zij nodig hebben om een gezin te stichten. |
|
4.7. |
De generatie oudere werknemers heeft dan weer behoefte aan ondersteunend beleid, zodat zij kunnen werken tot de wettelijke pensioenleeftijd die in hun land van kracht is (17). Daartoe kan het nuttig zijn de werkgelegenheidskansen en arbeidsomstandigheden te verbeteren, zodat er werk wordt gecreëerd dat beter aansluit bij de behoeften van ouderen. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de bestrijding van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt. |
|
4.8. |
Ook aan gezondheid en veiligheid op het werk moet de nodige aandacht worden besteed, aangezien ouderen een groter risico lopen op gezondheidsproblemen. Het is dan ook cruciaal dat het werk zo wordt geregeld en de werkplek zo wordt ingericht dat deze ziekten kunnen worden voorkomen en dat meer mensen aan het werk kunnen blijven tot de wettelijke pensioenleeftijd (18). |
5. Het belang van gezinsbeleid voor een dynamische demografische ontwikkeling
|
5.1. |
In lidstaten met een actief gezinsbeleid ligt het geboortecijfer hoger dan in lidstaten die geen of een zwak gezinsbeleid voeren. Het mag niet zo zijn dat mensen die kinderen krijgen — de toekomst van Europa — daarmee een wissel trekken op hun levensstandaard of loopbaanvooruitzichten. Daarom is een combinatie nodig van fiscale maatregelen, sociale wetgeving, directe financiële steun en efficiënte en betaalbare openbare diensten, waaronder kinderopvang. Een dergelijk beleid zal ongetwijfeld vruchten afwerpen (19), maar wil dat ook op termijn het geval zijn, dan moet het gaan om duurzame maatregelen die voor een stabiele wettelijke basis zorgen. |
|
5.2. |
Een doeltreffend gezinsbeleid moet evenwel deel uitmaken van een breder kader: voorwaarden zijn banen, een dynamische economische en sociale ontwikkeling, een gezinsvriendelijke cultuur, een aangepast huisvestingsbeleid, een efficiënt onderwijssysteem en milieubeleid. Tot slot willen we er nog op wijzen dat gezin en werk voor Europese mannen en vrouwen van groot belang zijn en dat de Europese samenleving deze thema’s dus boven aan de agenda moet zetten. |
|
5.3. |
Demografie is bij uitstek een problematiek van de lange termijn en vereist een gecoördineerd Europees optreden. De EU moet gemeenschappelijke richtsnoeren ontwikkelen, uitgaande van solidariteit tussen de generaties en gendergelijkheid, en daarbij rekening houden met de nationale culturen en de verschillen in sociaal beleid. In de Europese Unie zijn nu maatregelen nodig om het geboortecijfer op te krikken. “Besturen is vooruitdenken”: het is dan ook tijd om actie te ondernemen. |
6. Migratie en mobiliteit binnen de EU
|
6.1. |
Wat de rol van immigratie bij het aanpakken van de demografische problemen aangaat, herhaalt het EESC dat immigratie een positief effect heeft op de groei van de bevolking en de beroepsbevolking. Als de natuurlijke bevolkingsgroei negatief wordt, kan immigratie de totale bevolking en de beroepsbevolking op peil helpen houden. Immigratie is weliswaar geen panacee voor de gevolgen van de vergrijzing in Europa, maar kan wel uitkomst bieden bij tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden die niet gerelateerd zijn aan demografische processen (20). |
|
6.2. |
Het is zaak de systematische migratie van hooggekwalificeerde en hoogopgeleide werknemers, waardoor de vaardigheidskloof met de ontwikkelingslanden nog wordt verdiept, niet te stimuleren; dit zou namelijk de economische en sociale ontwikkeling van deze landen in gevaar brengen. Ook moet een actief opvang- en integratiebeleid op poten worden gezet, zodat migranten die zich in een nieuw land willen vestigen en zich een nieuwe cultuur eigen willen maken, niets in de weg wordt gelegd. |
|
6.3. |
Het vrije verkeer van EU-burgers is een fundamentele vrijheid van de Unie. De grootschalige migratie binnen de EU kan de lidstaten van herkomst voor bijzondere problemen stellen, zoals een versnelde vergrijzing of het verlies van arbeidskrachten en competenties; dit geldt overigens ook voor de gastlanden. |
|
6.4. |
Vraag is of deze mobiliteit binnen de EU onomkeerbaar is of dat het gaat om een tijdelijk fenomeen, wat zou betekenen dat migranten in de regel terugkeren naar hun land van herkomst. In feite gaat het hier om een vorm van circulaire mobiliteit en keert het merendeel van de vertrekkers binnen twee jaar terug naar hun eigen land. Dit soort mobiliteit is voor alle betrokken landen een verrijking. Voorwaarde is dan wel dat er sprake is van opwaartse economische en sociale convergentie tussen oost en west en tussen zuid en west. Het verkleinen van de bestaande kloof is de beste manier om het vertrekken van arbeidskrachten tegen te gaan. |
Brussel, 7 mei 2020.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) Gérard-François Dumont “Vue de ses frontières, une Europe vieillissante mais attractive pour les migrants” (Vanaf de grens gezien: een verouderend Europa is nog steeds aantrekkelijk voor migranten), Diploweb, La revue géopolitique, 3.11.2019.
(2) https://www.etui.org/Publications2/Working-Papers/Why-central-and-eastern-Europe-needs-a-pay-rise
(3) Demographic Scenarios for the EU, 2019, https://ec.europa.eu/jrc/en/publication/eur-scientific-and-technical-research-reports/demographic-scenarios-eu
(4) https://www.etui.org/Publications2/Working-Papers/Why-central-and-eastern-Europe-needs-a-pay-rise
(5) Jaarverslag 2018 over de arbeidsmobiliteit binnen de EU, Eindrapport 2018.
(6) PB C 218 van 23.7.2011, blz. 7 en PB C 161 van 13.7.2007, blz. 66.
(7) PB C 318 van 29.10.2011, blz. 1 en PB C 14 van 15.1.2020, blz. 60.
(8) PB C 190 van 5.6.2019, blz. 1.
(9) PB C 71 van 24.2.2016, blz. 46.
(10) https://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=E/CN.6/2017/3
(11) Demographic Scenarios for the EU, 2019.
(12) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 142
(13) PB C 14 van 15.1.2020, blz. 52.
(14) PB C 129 van 11.4.2018, blz. 44 en PB C 110 van 22.3.2019, blz. 26.
(15) Speech van mevrouw Von der Leyen.
(16) PB C 14 van 15.1.2020, blz. 60.
(17) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 142.
(18) https://osha.europa.eu/sites/default/files/publications/documents/Work-related_MSDs_prevalence_costs_and_demographics_in_the_EU_report.pdf