17.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 135/5


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 22 november 2017

inzake procedures op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst

(Zaak AT.39881 — Aan Japanse autofabrikanten geleverde systemen voor de veiligheid van inzittenden)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 7670)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2018/C 135/05)

Op 22 november 2017 heeft de Commissie een besluit vastgesteld inzake procedures op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad  (1) publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van het besluit, waaronder de opgelegde sancties, rekening houdend met het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

1.   INLEIDING

(1)

Op 22 november 2017 heeft de Commissie een besluit vastgesteld inzake vier enkele en voortdurende inbreuken op artikel 101 van het Verdrag en op artikel 53 van de EER-overeenkomst. De inbreuken bestonden uit prijscoördinatie en marktverdeling met betrekking tot de verkoop van systemen voor de veiligheid van inzittenden voor personenauto’s aan een aantal Japanse autofabrikanten die in de EER actief zijn.

(2)

De producten die het voorwerp van deze inbreuken vormen, zijn passieve veiligheidssystemen zoals veiligheidsgordels, airbags en stuurwielen. Dit zijn de belangrijkste systemen om de inzittenden van een voertuig te beschermen bij een botsing.

(3)

Dit besluit is gericht aan Tokai Rika (2), Takata (3), Autoliv (4), Toyoda Gosei (5) en Marutaka (6) (hierna „de partijen” genoemd).

2.   BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

2.1.   Procedure

(4)

Na de immuniteitsverzoeken op grond van de clementieregeling van 2006 van Tokai Rika in februari 2011, met betrekking tot een kartel voor de levering van veiligheidsgordels aan Toyota, en van Takata in maart 2011, met betrekking tot inbreuken bij de levering van veiligheidsgordels, airbags en stuurwielen aan verscheidene autofabrikanten, waaronder Toyota en Suzuki, heeft de Commissie in juni 2011 onaangekondigde inspecties krachtens artikel 20, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 uitgevoerd in de gebouwen van Autoliv in Duitsland. Op 4 juli 2011 diende Autoliv een clementieverzoek in. Op 12 november 2013 diende Toyoda Gosei een clementieverzoek in.

(5)

Op 4 april 2016 heeft de Commissie ten aanzien van de partijen de procedure van artikel 11, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1/2003 ingeleid met het oog op het aangaan van schikkingsgesprekken.

(6)

Op 26 september 2017 heeft de Commissie een aan de partijen gerichte mededeling van punten van bezwaar aangenomen. Alle partijen hebben op de mededeling van punten van bezwaar geantwoord en bevestigd dat de inhoud ervan in overeenstemming was met hun verklaringen met het oog op een schikking en dat zij nog steeds bereid waren de schikkingsprocedure te volgen.

(7)

Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft op 20 november 2017 een positief advies uitgebracht.

(8)

De Commissie heeft dit besluit op 22 november 2017 vastgesteld.

2.2.   Samenvatting van de inbreuken

(9)

De vier afzonderlijke inbreuken betreffen allemaal de levering van componenten van systemen voor de veiligheid van inzittenden voor personenauto’s in de EER. De draagwijdte van de inbreuken is als volgt:

Inbreuk I

:

Coördinatie tussen Tokai Rika, Takata, Autoliv en Marutaka betreffende bepaalde leveringen van veiligheidsgordels aan Toyota.

Inbreuk II

:

Coördinatie tussen Takata, Toyoda Gosei en Autoliv betreffende bepaalde leveringen van airbags aan Toyota.

Inbreuk III

:

Coördinatie tussen Takata en Tokai Rika betreffende bepaalde leveringen van veiligheidsgordels aan Suzuki.

Inbreuk IV

:

Coördinatie tussen Takata en Autoliv betreffende bepaalde leveringen van veiligheidsgordels, airbags en stuurwielen aan Honda.

2.2.1.   Inbreuk I

(10)

Tokai Rika, Takata en Autoliv maakten afspraken over prijzen en de verdeling van de leveringen van veiligheidsgordels aan Toyota. De besprekingen betroffen het behoud van commerciële rechten, afspraken over bepaalde prijsaanvragen, het uitwisselen van commercieel gevoelige informatie en coördinatie over de geregelde verzoeken van Toyota om prijsherzieningen/kostenbesparingen, evenals vragen over de stijging van de kosten van grondstoffen. De contacten vonden plaats via e-mail, tijdens persoonlijke vergaderingen of via de telefoon.

(11)

Marutaka was aanwezig op en maakte vergaderingen mogelijk tussen Takata en Tokai Rika en had contact met zowel Tokai Rika als Autoliv namens Takata om uit mededingingsoogpunt gevoelige informatie uit te wisselen en vergaderingen te organiseren.

2.2.2.   Inbreuk II

(12)

Takata, Toyoda Gosei en Autoliv maakten afspraken over de verkoop van airbags aan Toyota. De besprekingen betroffen het behoud van commerciële rechten, coördinatie over bepaalde prijsaanvragen, het uitwisselen van commercieel gevoelige informatie en coördinatie over de geregelde verzoeken van Toyota om prijsherzieningen/kostenbesparingen. De contacten hadden de vorm van e-mailcorrespondentie, telefoongesprekken en vergaderingen, en vonden meestal plaats op bilaterale basis. Af en toe waren alle drie de concurrenten bij de contacten betrokken.

2.2.3.   Inbreuk III

(13)

Takata en Tokai Rika maakten afspraken over de verkoop van veiligheidsgordels aan Suzuki. De afspraken betroffen het behoud van commerciële rechten, coördinatie over bepaalde prijsaanvragen, het uitwisselen van commercieel gevoelige informatie en coördinatie over geregelde verzoeken om prijsherzieningen. De contacten vonden plaats via e-mail, tijdens persoonlijke vergaderingen of via de telefoon.

2.2.4.   Inbreuk IV

(14)

Takata en Autoliv maakten afspraken over de verkoop van veiligheidsgordels, airbags en stuurwielen aan Honda. De besprekingen betroffen de toewijzing van projecten (waarbij de „rechten van de historische leverancier” werden eerbiedigd), het uitwisselen van prijsinformatie, het uitwisselen (en in sommige gevallen coördineren) van prijzen van grondstoffen en het uitwisselen van commercieel gevoelige informatie over kostenbesparingen. De contacten vonden plaats via e-mail, tijdens persoonlijke vergaderingen of via de telefoon.

2.3.   Duur

(15)

De duur van de deelname van elke partij aan de inbreuken was als volgt:

Tabel

Inbreuk

Onderneming

Begin

Einde

I

Tokai Rika

6.7.2004

11.2.2010

Takata

6.7.2004

25.3.2010

Autoliv

18.12.2006

25.3.2010

Marutaka

6.7.2004

15.4.2009

II

Takata

14.6.2005

26.7.2010

Autoliv

18.7.2006

26.7.2010

Toyoda Gosei

14.6.2005

15.7.2009

III

Takata, Tokai Rika

14.2.2008

18.3.2010

IV

Takata, Autoliv

28.3.2006

22.5.2010

2.4.   Adressaten

2.4.1.   Tokai Rika

(16)

De aansprakelijkheid voor de inbreuken I en III wordt toegeschreven aan Tokai Rika Co., Ltd.

2.4.2.   Takata

(17)

De aansprakelijkheid voor de inbreuken I, II, III en IV wordt toegeschreven aan Takata Corporation.

2.4.3.   Autoliv

(18)

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de inbreuken I, II en IV wordt toegeschreven aan Autoliv Japan Ltd als direct handelende entiteit en Autoliv, Inc. als moedermaatschappij.

2.4.4.   Toyoda Gosei

(19)

De aansprakelijkheid voor inbreuk II wordt toegeschreven aan Toyoda Gosei Co., Ltd.

2.4.5.   Marutaka

(20)

De aansprakelijkheid voor inbreuk I wordt toegeschreven aan Marutaka Co., Ltd.

2.5.   Sancties

(21)

In het besluit worden de richtsnoeren boetetoemeting van 2006 (7) toegepast.

2.5.1.   Basisbedrag van de geldboete

(22)

Bij inbreuk I wordt de verkoopwaarde berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de verkoop van veiligheidsgordels bestemd voor voertuigen van Toyota in de EER tijdens de inbreukperiode. Marutaka heeft niets verkocht in de EER, omdat de onderneming enkel in Japan actief is als distributeur van Takata. Rekening houdend met haar rol van facilitator bij deze inbreuk, werd de verkoopwaarde van Marutaka geraamd op basis van i) de verkoopwaarde van de andere partijen van veiligheidsgordels bestemd voor voertuigen van Toyota in de EER, en ii) hun wereldwijde omzet. Het resultaat werd vervolgens verlaagd vanwege de beperktere rol van Marutaka als facilitator.

(23)

Bij inbreuk II wordt de verkoopwaarde berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de verkoop van airbags bestemd voor voertuigen van Toyota in de EER tijdens de inbreukperiode.

(24)

Bij inbreuk III wordt de verkoopwaarde berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de verkoop van veiligheidsgordels bestemd voor voertuigen van Suzuki in de EER tijdens de inbreukperiode.

(25)

Bij inbreuk IV wordt de verkoopwaarde berekend op basis van de verkoop van veiligheidsgordels, airbags en stuurwielen bestemd voor voertuigen van Honda in de EER tijdens de inbreukperiode.

(26)

Gelet op de aard van de inbreuken en de geografische omvang ervan, wordt het percentage van het variabele bedrag van de geldboeten en het additionele bedrag („entry fee”) vastgesteld op 17 % van de waarde van de verkopen voor de inbreuken.

(27)

Het variabele bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal jaren of fracties van jaren dat elk van de verschillende partijen aan de inbreuk heeft deelgenomen. De verhoging voor de duur is berekend op basis van dagen.

2.5.2.   Aanpassingen van het basisbedrag

(28)

In deze zaak is er geen sprake van verzwarende of verzachtende omstandigheden.

(29)

In dit besluit hoeft het basisbedrag van de geldboete niet aangepast te worden ter afschrikking.

2.5.3.   Toepassing van het 10 %-omzetplafond

(30)

Geen enkele van de berekende geldboeten overschrijdt 10 % van de totale omzet van de desbetreffende onderneming voor 2016.

2.5.4.   Toepassing van de clementieregeling: boeteverlaging

(31)

Met betrekking tot inbreuk I verstrekte Tokai Rika als eerste onderneming inlichtingen en bewijsmateriaal die aan de voorwaarden van punt 8, onder a), van de clementieregeling van 2006 voldeden. Daarom wordt Tokai Rika immuniteit tegen geldboeten verleend voor inbreuk I.

(32)

Bovendien voldeed Tokai Rika als eerste onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling van 2006 met betrekking tot inbreuk III. Tokai Rika krijgt daarom een boeteverlaging van 46 % voor inbreuk III.

(33)

Met betrekking tot de inbreuken II, III en IV verstrekte Takata als eerste onderneming inlichtingen en bewijsmateriaal die aan de voorwaarden van punt 8, onder a), van de clementieregeling van 2006 voldeden. Daarom wordt Takata immuniteit tegen geldboeten verleend voor de inbreuken II, III en IV.

(34)

Bovendien voldeed Takata als eerste onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling van 2006 met betrekking tot inbreuk I. Takata krijgt daarom een boeteverlaging van 50 % voor inbreuk I.

(35)

Autoliv voldeed als eerste onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling van 2006 met betrekking tot de inbreuken II en IV en voldeed als tweede onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling met betrekking tot inbreuk I. Autoliv krijgt daarom een boeteverlaging van 30 % voor inbreuk I en van 50 % voor de inbreuken II en IV.

(36)

Autoliv verstrekte als eerste partij overtuigend bewijs overeenkomstig punt 25 van de clementieregeling van 2006 op grond waarvan de Commissie kon aantonen dat de inbreuken I, II en IV hebben voortgeduurd. Overeenkomstig punt 26 van de clementieregeling van 2006 is geen rekening gehouden met de genoemde duur bij het bepalen van de boete voor Autoliv voor de inbreuken I, II en IV.

(37)

Toyoda Gosei voldeed als tweede onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling met betrekking tot inbreuk II. Toyoda Gosei krijgt daarom een boeteverlaging van 28 % voor inbreuk II.

(38)

Toyoda Gosei verstrekte als eerste partij overtuigend bewijs overeenkomstig punt 25 van de clementieregeling van 2006 op grond waarvan de Commissie kon aantonen dat inbreuk II heeft voortgeduurd. Overeenkomstig punt 26 van de clementieregeling van 2006 zal de Commissie geen rekening houden met de genoemde duur bij het bepalen van de boete voor Toyoda Gosei voor inbreuk II.

2.5.5.   Toepassing van de mededeling betreffende schikkingsprocedures

(39)

Op grond van de toepassing van de mededeling betreffende schikkingsprocedures wordt het bedrag van de geldboeten die aan elke partij worden opgelegd, met 10 % verlaagd. Die verlaging kwam bovenop hun clementiekorting.

3.   CONCLUSIE

(40)

Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 zijn de volgende geldboeten opgelegd:

 

Voor inbreuk I:

a)   aan Tokai Rika Co., Ltd: 0 EUR;

b)   aan Takata Corporation: 12 724 000 EUR;

c)   aan Autoliv, Inc. en Autoliv Japan Ltd, hoofdelijk aansprakelijk: 265 000 EUR;

d)   aan Marutaka Co., Ltd: 156 000 EUR.

 

Voor inbreuk II:

a)   aan Takata Corporation: 0 EUR;

b)   aan Autoliv, Inc. en Autoliv Japan Ltd, hoofdelijk aansprakelijk: 4 957 000 EUR;

c)   aan Toyoda Gosei Co., Ltd: 11 262 000 EUR.

 

Voor inbreuk III:

a)   aan Takata Corporation: 0 EUR;

b)   aan Tokai Rika Co., Ltd: 1 818 000 EUR.

 

Voor inbreuk IV:

a)   aan Takata Corporation: 0 EUR;

b)   aan Autoliv, Inc. en Autoliv Japan Ltd, hoofdelijk aansprakelijk: 2 829 000 EUR.


(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 411/2004 (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 1).

(2)  De betrokken rechtspersoon is Tokai Rika Co., Ltd.

(3)  De betrokken rechtspersoon is Takata Corporation.

(4)  De betrokken rechtspersonen zijn Autoliv, Inc. en Autoliv Japan Ltd.

(5)  De betrokken rechtspersoon is Toyoda Gosei Co., Ltd.

(6)  De betrokken rechtspersoon is Marutaka Co., Ltd.

(7)  PB C 210 van 1.9.2006, blz. 2.