Brussel,7.3.2018

SWD(2018) 217 final

WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE

Landverslag Nederland 2018
met een diepgaande evaluatie betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden

bij

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, DE EUROPESE CENTRALE BANK EN DE EUROGROEP

Europees semester 2018: beoordeling van de voortgang bij structurele hervormingen, de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden, en resultaten van diepgaande evaluaties in het kader van Verordening (EU) nr. 1176/2011

{COM(2018) 120 final}


INHOUD

Samenvatting

1.Economische situatie en vooruitzichten

2.Voortgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen

3.Samenvatting van de voornaamste bevindingen van de diepgaande evaluatie in het kader van de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden

3.1.Onevenwichtigheden en de ernst ervan

3.2.ONTWIKKELING, vooruitzichten en beleidsreacties

3.3.Algehele beoordeling

4.Hervormingsprioriteiten

4.1.Overheidsfinanciën en belastingen

4.2.Financiële sector

4.3.Arbeidsmarkt, onderwijs en sociaal beleid

4.4.Investeringen*

4.5.Sectoraal beleid

Bijlage A: Overzichtstabel

Bijlage B: Scorebord voor macro-economische onevenwichtigheden

Bijlage C: Standaardtabellen

Referenties

LIjST van Tabellen

Tabel 1.1:Economische en financiële kernindicatoren

Tabel 2.1:Voortgang bij de uitvoering van de LSA's

Tabel 3.1:PMO-beoordelingsmatrix (*) - Nederland

Tabel 4.1.1:Totale overheidsfinanciering voor O&O en innovatie (2015-2017)

Tabel 4.2.1:Financiële gezondheidsindicatoren

Tabel 4.4.1:Investeringen per sector NL en eurozone (in % van het bbp)

Tabel 4.4.2:Inkomensoverzicht niet-financiële vennootschappen

Tabel 4.5.1: Totale productiviteitsgroei 1995-2015 (in %)

Tabel B.1:PMO-scorebord voor Nederland (WMV 2018)

Tabel C.1:Indicatoren financiële markten

Tabel C.2:Kernindicatoren sociaal scorebord

Tabel C.3:Arbeidsmarkt- en onderwijsindicatoren

Tabel C.4:Indicatoren voor sociale inclusie en gezondheid

Tabel C.5:Indicatoren voor de prestatie van productmarkten en beleidsindicatoren

Tabel C.6:Groene groei

LIjST van Grafieken

Grafiek 1.1:     Bbp per hoofd van de bevolking (volume, index 2010=100)    

Grafiek 1.2:     Bbp-volume en trend vóór crisis    

Grafiek 1.3:    Bbp-groei en bijdragen    

Grafiek 1.4:    Arbeidsmarktontwikkelingen    

Grafiek 1.5:    Loongroei: werkelijk en voorspeld op basis van fundamentele economische factoren    

Bron: Europese Commissie (zie Kiss and Arpaia, 2011).    

Grafiek 1.6:    Trends in arbeidskosten en -componenten    

Grafiek 1.7:    Gemiddelde jaarlijkse stijging/daling reëel inkomen ten opzichte van de voorgaande generatie*    

Grafiek 1.8:    Nettovermogen naar leeftijd    

Grafiek 2.1:    Uitvoering van de LSA's tot op heden, vanuit een meerjarenperspectief (2011-2017) bezien    

Grafiek 4.1.1:    Gemiddeld begrotingssaldo bij hoog- en laagconjunctuur    

Grafiek 4.2.1:    Omvang van de financiële intermediairs en van de markt voor schuldpapier    

Grafiek 4.2.2:    Ontwikkeling van de huizenprijzen    

Grafiek 4.2.3:    Waardering van huizenprijzen    

Grafiek 4.2.4:    Particuliere schuld    

Grafiek 4.2.5:    Schuld van niet-financiële vennootschappen    

Grafiek 4.2.6:    Verhouding intraconcernschuld/totale schuld    

Grafiek 4.2.7:    Rente betaald en ontvangen door multinationals    

Grafiek 4.2.8:    Verplichteafdrachtenwig (2016)    

Grafiek 4.3.1:    Voornaamste arbeidsmarktontwikkelingen    

Grafiek 4.3.2:    Verband tussen werkloosheid en nominale loongroei (2001-2016)    

Grafiek 4.3.3:    Aandeel deeltijdwerk met en zonder kinderen (2016)    

Grafiek 4.3.4:    Arbeidsmarktparticipatie van vrouwen (met kinderen)    

Grafiek 4.3.5:    Werkgelegenheid (20-64 jaar) naar soort (jaarmutatie)    

Grafiek 4.3.6:    Zelfstandigen per bedrijfstak ( % van totale werkgelegenheid in de bedrijfstak)    

Grafiek 4.3.7:    Doorstroming van tijdelijk naar vast werk, per kwartaal    

Grafiek 4.4.1:    Investeringen naar activacategorie    

Grafiek 4.4.2:    Binnenlandse en buitenlandse investeringen    

Grafiek 4.4.3:    Vorderingenoverschot/-tekort per sector    

Grafiek 4.4.4:    Besparingen en investeringen in de sector niet-financiële vennootschappen    

Grafiek 4.4.5:    Brutobesparingen van niet-financiële vennootschappen    

Grafiek 4.4.6:    Componenten bruto-exploitatieoverschot    

Grafiek 4.4.7:    Netto-exploitatieoverschot per sector    

Grafiek 4.4.8:    Ratio's netto uitgekeerde winst    

Grafiek 4.4.9:    Vennootschapsbesparingen, uitgesplitst naar bedrijfsgrootte    

Grafiek 4.4.10:    Lopende rekening    

Grafiek 4.4.11: Handelssaldo goederen naar productgroep (2016)    

Grafiek 4.4.12: Handelssaldo diensten naar productgroep (2016)    

Grafiek 4.4.13: NIPP en cumulatieve overschotten op de lopende rekening    

Grafiek 4.4.14: Output en geaggregeerde vraag eurozone    

Grafiek 4.5.1:    Bijdragen aan mutaties in de groei van de reële toegevoegde waarde    

Grafiek 4.5.2:    Productiviteitsontwikkeling per sector    

Grafiek 4.5.3:    Productiviteitsgroei op bedrijfsproductiviteitsniveau (koplopers/achterblijvers)    

Grafiek 4.5.4:    O&O-intensiteit in de industrie    

LIjST van kaders

Kader 2.1: Tastbare resultaten die zijn bereikt met EU-steun voor structurele veranderingen in Nederland    

Kader 3.1: Overloopeffecten eurozone    

Kader 4.3.1: Monitoring van de prestaties in het licht van de Europese pijler van sociale rechten    

Kader 4.3.1: Effecten van tijdelijke banen op inkomen    

Kader 4.4.1: Investeringen en hervormingen in Nederland    

Kader 4.5.1: Beleid uitgelicht: Expertisecentrum Aanbesteden in Nederland    

Samenvatting

De Nederlandse economie blijft sterk groeien en deze expansie biedt de kans om de hervormingsdynamiek een krachtige impuls te geven. In zijn regeerakkoord 2018-2021 heeft het nieuwe kabinet een aantal maatregelen aangekondigd op het gebied van het begrotingsbeleid, de woningmarkt, de arbeidsmarkt en de pensioenen. Als deze maatregelen snel worden uitgevoerd, zal dat de binnenlandse vraag en de potentiële groei ten goede komen. Hoewel maatregelen zijn aangekondigd om huishoudens te stimuleren om zich minder diep in de schulden te steken, blijven er prikkels bestaan om schulden aan te gaan. De arbeidsmarkt heeft zich in 2017 verder hersteld en heeft over het geheel genomen goed gepresteerd, hoewel er nog uitdagingen zijn op het gebied van de pensioenen en de arbeidsmarktsegmentatie( 1 ).

In 2017 is de economische groei versneld tot 3,1 %, het hoogste percentage in tien jaar. De solide economische prestaties werden breed gedragen: zowel de binnenlandse vraag als de netto-uitvoer hebben een positieve bijdrage geleverd aan de groei. In de tussentijdse winterprognoses 2018 van de Europese Commissie wordt gerekend op een economische groei van 2,9 % in 2018 en 2,5 % in 2019, waarbij de binnenlandse economie naar verwachting sterk blijft presteren. De groeibijdrage van de netto-uitvoer blijft naar verwachting vrij beperkt vanwege de sterke binnenlandse vraag, die de invoer opstuwt.

De investeringsquote ligt inmiddels weer op het langetermijngemiddelde. De investeringen in de woningbouw zijn in sterke mate door de conjunctuur bepaald: na het uitbreken van de crisis vertoonden deze een scherpe daling, maar in recente jaren een dubbelcijferige groei. De bedrijfsinvesteringen in kapitaalgoederen zijn meegestegen met het bbp. Op grond van de stijgende bezettingsgraad wordt gerekend op een versnelling ervan. De publieke en private investeringen in O&O zijn in 2016 toegenomen tot 2,0 %, waarmee ze achterblijven bij het Europa 2020-streefcijfer van 2,5 % van het bbp. Hoewel de belemmeringen voor particuliere investeringen gering blijken, zijn de procedures voor het verkrijgen van een bouwvergunning tijdrovend in vergelijking met andere lidstaten.

De op volle toeren draaiende huizenmarkt verhoogt het vermogen van huishoudens, maar kan ook tot verdere onevenwichtigheden leiden. Onder invloed van de lage rente zijn de huizenprijzen en de transactievolumes in recente jaren sterk gestegen. Stijgende huizenprijzen hebben positieve vermogenseffecten en verlossen huishoudens geleidelijk van de onderwaarde van hun woning. Op nationaal niveau wijzen de huizenprijsindicatoren niet op een overwaardering. Er zijn echter aanwijzingen dat de stijging van de huizenprijzen in sommige regio's niet alleen door fundamentele factoren kan worden verklaard. De nominale schuldniveaus lopen inmiddels weer op, zij het in een veel lager tempo dan de huizenprijzen, hetgeen de financiële kwetsbaarheid beperkt.

De loongroei is bescheiden gebleven ondanks een krapper wordende arbeidsmarkt. Omdat de lonen in 2016 sterker zijn gegroeid dan de productiviteit, zijn de nominale arbeidskosten per eenheid product licht toegenomen. Over een langere periode bekeken ligt de loongroei echter onder het niveau dat mag worden verwacht op basis van fundamentele factoren als werkloosheid, productiviteit en inflatie. Verwacht wordt dat de loongroei de komende jaren toeneemt door de verder verkrappende arbeidsmarkt.

Het nieuwe kabinet heeft voor 2018-2021 een groot discretionair budgettair stimuleringspakket aangekondigd. In 2017 is het begrotingsoverschot volgens de ramingen opgelopen tot 0,7 %, terwijl de overheidsschuldquote is gedaald tot onder de grenswaarde van 60 %. Het kabinet heeft een verhoging van de sociale uitgaven (met name kindgerelateerde uitkeringen) en de uitgaven voor defensie, onderwijs en innovatie aangekondigd. Het begrotingskader is gewijzigd: een aantal conjuncturele uitgaven is uit het vaste uitgavenplafond gehaald. Daardoor verbetert de stabiliserende functie van de begroting aan de uitgavenzijde, maar neemt de conjunctuurgevoeligheid van de begroting toe. Dankzij de nominale begrotingsoverschotten, de stijgende bbp-groei en een gunstige ontwikkeling van de overheidsschuld is de houdbaarheid van de begroting verbeterd. Daardoor is Nederland, op grond van de basisprojecties van de Commissie voor de middellange termijn, ingedeeld in de categorie "laag risico".

Een aantal indicatoren wijzen erop dat de Nederlandse belastingregels door multinationals worden gebruikt voor agressieve fiscale planningconstructies. Nederland heeft stappen gezet om bepaalde aspecten van zijn belastingstelsel die een agressieve fiscale planning in de hand kunnen werken, te wijzigen en het kabinet heeft een hervormingsagenda aangekondigd voor de verdere wijziging van bepaalde aspecten van het belastingstelsel. Voorlopig kunnen de inhoudingsvrijstelling voor dividenduitkeringen van coöperaties, de mogelijkheid van hybride mismatches waarbij gebruik wordt gemaakt van commanditaire vennootschappen (cv's), en de inhoudingsvrijstelling voor royalty's en rentebetalingen, samen met het gebrek aan bepaalde antimisbruikbepalingen, een agressieve fiscale planning in de hand werken.

Nederland heeft enige vooruitgang geboekt bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen (LSA's) van 2017. Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de ondersteuning van de potentiële groei en de binnenlandse vraag. Op het gebied van O&O-investeringen is enige vooruitgang geboekt. Het kabinet heeft aangekondigd dat het belastingvoordeel voor hypotheekrentebetalingen sneller wordt afgebouwd, en heeft dit voornemen opgenomen in het regeerakkoord. Er zijn echter slechts enkele stappen gezet om de resterende verstoringen op de woningmarkt terug te dringen, zodat er al met al sprake is van enige vooruitgang met betrekking tot LSA 1. Nederland heeft beperkte vooruitgang geboekt bij de aanpak van de resterende belemmeringen voor het aannemen van personeel op basis van vaste contracten. Er zijn nog geen concrete maatregelen genomen om verstorende fiscale prikkels die tot een toename van zelfstandigenbanen leiden, te beperken of om de zelfstandigen een betere sociale bescherming te bieden. Het kabinet heeft herbevestigd dat het de tweede pensioenpijler wil hervormen, hoewel sinds de vaststelling van de LSA's geen nieuwe maatregelen zijn genomen. Er is beperkte vooruitgang geboekt bij het scheppen van voorwaarden voor een hogere reële loongroei met inachtneming van de rol van de sociale partners, zodat er met betrekking tot LSA 2 al met al sprake is van beperkte vooruitgang.

Wat betreft de vooruitgang die is geboekt om de nationale streefcijfers in het kader van de Europa 2020-strategie te bereiken (zie ook bijlage A), doet Nederland het goed op het gebied van de werkgelegenheid, het percentage tertiair opgeleiden, de energie-efficiëntie, de beperking van de uitstoot van broeikasgassen en het tegengaan van het voortijdig schoolverlaten. Er zijn echter meer inspanningen nodig op het gebied van O&O-investeringen, hernieuwbare energie en armoedebestrijding.

Nederland presteert vrij goed op de indicatoren van het sociaal scorebord voor de Europese pijler van sociale rechten De sociale en de arbeidsmarktresultaten zijn goed en de ongelijkheid is gering. Er zijn maar weinig jongeren die geen baan hebben of geen onderwijs of opleiding volgen. Het percentage personen dat armoede of sociale uitsluiting riskeert, is laag. Wel verdienen bepaalde zaken aandacht, zoals het feit dat de (geringe) inkomensongelijkheid iets toeneemt en het (krachtige) effect van de sociale overdrachten op de armoedebestrijding afneemt.

De voornaamste bevindingen van de in dit verslag vervatte diepgaande analyse en de daaraan gerelateerde beleidsuitdagingen volgen hieronder.

·De gevestigde huizenmarktpraktijk heeft de hoge schuldniveaus van huishoudens in de hand gewerkt en er blijven bepaalde inefficiënties bestaan. Het eigenwoningbezit ligt op een hoog niveau en is versterkt door het genereuze belastingvoordeel voor hypotheekrentebetalingen. Vóór de crisis was de schuld van huishoudens door aflossingsvrije hypotheken en zeer hoge loan-to-value ratio's opgestuwd tot circa 120 % van het bbp in 2009. Hoewel de schuld van de huishoudens als percentage van het bbp inmiddels geleidelijk terugloopt, is deze nog altijd tweemaal zo hoog als het eurozonegemiddelde. Ondanks de geleidelijke beperking van het belastingvoordeel voor hypotheken is de daadwerkelijke subsidie voor schuldgefinancierd eigenwoningbezit nog substantieel.

·De financiële aantrekkelijkheid van eigenwoningbezit en sociale huisvesting heeft deels tot gevolg dat de particuliere huurmarkt onderontwikkeld is gebleven. De gereguleerde en de socialewoningsector zijn groot in vergelijking met andere lidstaten. De particuliere huurmarkt is de enige woningmarktsector die niet gesubsidieerd wordt, en blijft onderontwikkeld. Door het gebrek aan een goed functionerend middensegment op de huurmarkt worden huishoudens ertoe aangezet eerder een woning te kopen dan te huren, wat leidt tot hoge schuld/inkomen-ratio's en financiële kwetsbaarheid op jonge leeftijd.

·De lopende rekening blijft een aanmerkelijk overschot vertonen. Nederland heeft de afgelopen dertig jaar een overschot op de lopende rekening van gemiddeld 6 % van het bbp gehad. De sector niet-financiële vennootschappen (NFV's) is grotendeels verantwoordelijk voor het hoge niveau ervan. Het betrekkelijk hoge spaaroverschot in de vennootschapssector is terug te voeren op een relatief hoog exploitatieoverschot in combinatie met een hoog inkomen uit beleggingen en lage dividenduitkeringen van multinationals. Na de crisis liep het overschot op de lopende rekening als gevolg van de schuldafbouw door de huishoudens in combinatie met de consolidatie van de begroting op tot een recordniveau van 10,3 % van het bbp in 2012, waarna het daalde tot 9 % in 2016. Volgens de najaarsprognoses 2017 van de Europese Commissie zal het saldo op de lopende rekening geleidelijk dalen als gevolg van een uitbundige binnenlandse vraag. Uit simulaties in dit verslag blijkt dat een verhoging van de publieke investeringen het handelsoverschot doet afnemen en ook, via potentiële overloopeffecten, doorwerkt naar de eurozone, met als gevolg een hogere economische groei in de andere eurolanden.

·De tweede pijler van het pensioenstelsel drukt een stempel op de financiën van huishoudens, met name in combinatie met de hoge hypotheekschuld. Terwijl het pensioenstelsel goed presteert qua toereikendheid van de pensioenen en budgettaire houdbaarheid, heeft het minpunten in termen van intergenerationele billijkheid, transparantie en flexibiliteit. Bovendien zijn de pensioenpremies in de tweede pijler hoog en fluctueren deze naargelang van de door het desbetreffende pensioenfonds behaalde financiële resultaten. Als zodanig kan daarvan een procyclisch effect uitgaan op de bestedingen van huishoudens, waarbij de risico's zwaar lijken te wegen op de jonge leeftijdsgroepen omdat een lagere indexatie en hogere pensioenpremies tot nu toe de primaire aanpassingsmethoden zijn geweest. Wat hier in belangrijke mate meeweegt is dat huishoudens een substantieel vermogen in de vorm van een eigen huis en pensioen combineren met een hoge hypotheekschuld. Dat vermogen is echter uiterst illiquide en ongelijk verdeeld over de generaties. Daardoor zijn huishoudens kwetsbaar bij economische schokken en wordt de procyclische dynamiek van de financiën van huishoudens versterkt.

Andere belangrijke structurele kwesties die in dit verslag aan de orde komen en die bijzondere uitdagingen voor de Nederlandse economie meebrengen, volgen hieronder.

·Ondanks een verlaging van de belastingdruk blijven de niet-fiscale verplichte afdrachten naar verwachting hoog. Het kabinet heeft voor 2019 een belastinghervorming aangekondigd waarbij het aantal belastingschijven wordt teruggebracht van vier naar twee en het toptarief wordt verlaagd van 52 % naar 49 %. De totale inkomstenbelastingdruk zal naar verwachting dalen. Niet-fiscale verplichte afdrachten als pensioen- en zorgpremies stuwen de totale verplichteafdrachtenwig op arbeid echter op. Hoewel dit billijk kan zijn, kan het ook aanleiding geven tot andere inefficiënties, met name met betrekking tot de bovengenoemde koppeling tussen verplichte pensioenpremies en de financiën van huishoudens.

·De arbeidsmarkt heeft zich in 2017 verder hersteld en heeft goed gepresteerd als het gaat om baancreatie, hoewel er nog uitdagingen zijn op het gebied van de arbeidsmarktsegmentatie en de integratie van niet in de EU geboren inwoners. De totale werkgelegenheid is gestaag toegenomen, terwijl de werkloosheid in 2017 verder is gedaald. Het aandeel flexwerkers op de arbeidsmarkt is al relatief groot en neemt nog steeds toe. Zelfstandigen hoeven zich niet te verzekeren tegen arbeidsgerelateerde risico's als ongevallen op het werk, inactiviteit en ouderdom (tweede pijler), wat ten koste kan gaan van de houdbaarheid van het socialezekerheidsstelsel op lange termijn. Het nieuwe kabinet heeft diverse maatregelen aangekondigd die de segmentatie kunnen aanpakken, maar er bestaat nog onduidelijkheid over de concrete invulling, het tijdskader en de mogelijke effecten ervan. Tot slot is nog niet al het arbeidspotentieel aangeboord: een hoog aantal vrouwen werkt deeltijds, en de arbeidsparticipatie onder de niet in de EU geboren personen is procentueel lager dan onder personen die in Nederland zijn geboren.

·De resultaten van het schoolonderwijs liggen boven het EU-gemiddelde, maar vertonen sinds 2012 een verslechtering. Volgens het programma voor internationale studentenbeoordeling (PISA) uit 2015 is het percentage zwakke leerlingen in alle drie de kerndomeinen gestegen. Verschillen tussen scholen behoren tot de factoren die het grootste effect hebben op het presteren van leerlingen, en hangen nauw samen met het uiteenlopende onderwijstraject dat deze scholen aanbieden.

·Volgens mondiale ranglijsten heeft Nederland een efficiënte en productieve O&O-sector, maar de groeivriendelijke publieke uitgaven blijven achter bij die van de koplopers. Het onderwijsstelsel en de wetenschappelijke basis van het land presteren sterk en bieden daarmee een solide grondslag voor de bevordering van innovatie en groeicapaciteit via onderwijs en O&O-activiteiten. Ondanks de aangekondigde substantiële extra investeringen wordt uitgegaan van een daling van de publieke O&O-intensiteit.

·De terugdringing van de CO2-uitstoot ligt op schema, maar het aandeel hernieuwbare energie in de energieproductie is laag. Verwacht wordt dat Nederland zijn nationale streefcijfer van 14 % hernieuwbare energie in 2020 niet gaat halen, nu in de Nationale Energieverkenning 2017 het aandeel hernieuwbare energie in 2020 op 12,5 % wordt geraamd.

1.    Economische situatie en vooruitzichten

Bbp-groei

In 2017 is de economische groei versneld tot 3,1 %, het hoogste percentage in tien jaar tijd. Deze expansie ligt in het verlengde van een betrekkelijk krachtig herstel in de recente jaren, maar moet worden gezien in de context van een langdurige dubbele dip in 2012-2013. Terwijl de versnelling van de economische groei in 2016 voornamelijk verband hield met de arbeidsbenutting (het aantal gewerkte uren), hebben in 2017 zowel de arbeidsbenutting als de productiviteitsgroei (met respectievelijk 2 procentpunt en 1 procentpunt) bijgedragen tot de bbp-groei per hoofd van de bevolking. Per hoofd van de bevolking ligt het bbp inmiddels 3 % boven de recordstand van vóór de crisis en vertoont het een snel stijgende lijn (zie grafiek 1.1). Wel wordt - in de aanname dat de economische groei na 2019 terugkeert naar het niveau van de potentiële groei - de blijvende weerslag van de crisis geraamd op ruwweg 4 % van het bbp (zie grafiek 1.2)( 2 ).

Grafiek 1.1: Bbp per hoofd van de bevolking (volume, index 2010=100)

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Naarmate de conjunctuurcyclus vordert, wordt de particuliere consumptie naar verwachting de belangrijkste aanjager van de groei. Volgens de tussentijdse economische winterprognoses 2018 van de Europese Commissie loopt het reële bbp op met 2,9 % in 2018 en 2,5 % in 2019. De particuliere consumptie zou moeten aantrekken naarmate de loon- en werkgelegenheidsgroei tot een verbetering van het beschikbaar inkomen van de huishoudens leidt, terwijl de stijgende huizenprijzen positieve vermogenseffecten opleveren. Als gevolg van de nieuwe begrotingsplannen van het kabinet zou de particuliere consumptie in 2018 en 2019 reëel met bijna 3 % moeten stijgen. De bedrijfsinvesteringen in kapitaalgoederen zullen naar verwachting groeien nu de bezettingsgraad het niveau van vóór de crisis heeft bereikt. Dit wordt echter deels tenietgedaan door vertraagde investeringen in de woningbouw, waar in recente jaren sprake was van een dubbelcijferige groei. De groeibijdrage van de netto-uitvoer blijft naar verwachting vrij beperkt vanwege de krachtige binnenlandse vraag, die de invoer opstuwt (zie grafiek 1.3).

Grafiek 1.2: Bbp-volume en trend vóór crisis

Bron: Europese Commissie. De trend van vóór de crisis is benaderd met een lineaire raming voor het eerste kwartaal van 2001 tot en met het vierde kwartaal van 2007.

Inflatie

De inflatie trekt aan. Na een zwakke inflatie in 2015 en 2016 komt de inflatie van de consumentenprijzen in 2017, voornamelijk onder invloed van de energieprijzen, volgens de ramingen uit op 1,3 %. Daarna trekt de inflatie naar verwachting nog verder aan op grond van de hogere loongroei, die de prijzen in met name de dienstensector opstuwt. Voor 2019 wordt gerekend op een stijging tot 2,3 % omdat de geplande verhoging van de indirecte belastingen (btw en energiebelastingen) dan doorwerkt in de cijfers.

Grafiek 1.3:Bbp-groei en bijdragen

Bron: Europese Commissie (tussentijdse economische winterprognoses 2018).

Arbeidsmarkt

De werkgelegenheidsgroei is in 2017 verder versneld. De werkgelegenheidsgroei is toegenomen van 1 % jaar-op-jaar in 2015 en begin 2016 naar 2,1 % in 2017. De stijging van het aantal werkenden is hoofdzakelijk toe te schrijven aan een stijging van de tijdelijke banen en zelfstandigenarbeid, hoewel het aantal vaste contracten in de laatste kwartalen van 2017 eveneens is toegenomen na een periode van negatieve groei. De werkloosheid is gedaald van 6,0 % van de beroepsbevolking in 2016 naar 4,9 % in 2017 en ligt ruim onder het EU-gemiddelde. De langdurige werkloosheid, die sinds 2009 substantieel was gestegen, is in alle leeftijdsgroepen afgenomen. In het derde kwartaal van 2017 kwam deze uit op 1,9 % van de beroepsbevolking, tegen 2,4 % in het derde kwartaal van 2016 (zie punt 4.3). Ondanks de over het geheel genomen hoge arbeidsparticipatie is nog niet het volledige potentieel aangeboord, met name wat betreft in deeltijd werkende vrouwen en mensen met een migrantenachtergrond.

De loongroei is in de recente jaren gematigd gebleven, maar trekt naar verwachting aan als gevolg van de krapper wordende arbeidsmarkt. Volgens de ramingen is de nominale beloning per werknemer enigszins opgelopen, met 1,7 %. Dit is lager dan het niveau dat verwacht mag worden op basis van fundamentele economische factoren. Voor 2018 hebben de vakbonden fors hogere looneisen gesteld in vergelijking met voorgaande jaren. In combinatie met een verkrapping van de arbeidsmarkt wordt voor de komende jaren gerekend op een versnelling van de nominale loongroei. Niettemin blijft de loongroei laag, afgezet tegen de fundamentele factoren (zie grafiek 1.5).

Grafiek 1.4:Arbeidsmarktontwikkelingen

Bron: Europese Commissie (CBS, seizoensgecorrigeerde gegevens).

Grafiek 1.5:Loongroei: werkelijk en voorspeld op basis van fundamentele economische factoren

Bron: Europese Commissie (zie Kiss and Arpaia, 2011).

Voor de komende jaren wordt gerekend op een stijging van de arbeidskosten per eenheid product. In 2016 is de reële beloning per werknemer met 0,6 % gestegen, hetgeen heeft geresulteerd in een lichte stijging van de arbeidskosten per eenheid product (0,3 %). In 2017 en 2018 zal de verkrapping van de arbeidsmarkt de reële loongroei echter opstuwen. In combinatie met een lage productiviteitsgroei zal dit naar verwachting resulteren in een sterkere stijging van de arbeidskosten per eenheid product (1,8 % in 2018). Dit niveau ligt boven het gemiddelde van de eurozone, zodat er dus een risico bestaat dat het concurrentievermogen er licht op achteruitgaat. Vanuit een langetermijnperspectief bezien loopt de ontwikkeling van het kostenconcurrentievermogen in Nederland min of meer in de pas met de eurozone omdat de geaccumuleerde stijging van de arbeidskosten per eenheid product in de periode 2002-2016 in Nederland (24,5 %) vrijwel gelijk was aan die van de eurozone (25,4 %) (zie grafiek 1.6).

Grafiek 1.6:Trends in arbeidskosten en -componenten

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Sociale ontwikkelingen

De inkomensongelijkheid is in vergelijking met het EU-gemiddelde betrekkelijk laag. Nederland behaalt vrij goede resultaten als het gaat om sociale bescherming en inclusie. Naar internationale normen is de armoede gering, en de inkomensongelijkheid en armoede worden door belastingen en overdrachten in Nederland op effectieve wijze teruggedrongen. Er zijn echter tekenen dat het sociale stelsel de armoede minder goed weet terug te dringen dan voorheen (zie punt 4.3).

Er zijn indicaties dat de intergenerationele inkomensongelijkheid toeneemt. In theorie verdienen jonge cohorten doorgaans meer dan oudere generaties op dezelfde leeftijd, omdat economische groei zich mettertijd vertaalt in reële inkomensstijgingen. Dit wordt ook grotendeels gestaafd door inkomensgegevens van Nederlandse huishoudens: op elke leeftijd verdienen jonge geboortecohorten meer dan de voorgaande geboortecohorten (zie grafiek 1.7, die een overzicht geeft van het gemiddelde inkomensverschil met het voorgaande geboortecohort). Bij de meeste geboortecohorten is dit verschil in inkomen ruwweg 3 000 EUR per jaar. Hoewel er steeds minder gegevenspunten zijn, valt op dat zeer jonge verdieners van een inkomen gemiddeld minder verdienen dan voorgaande generaties. Dit kan het gevolg zijn van de economische neergang in de jaren na 2008.

Grafiek 1.7:Gemiddelde jaarlijkse stijging/daling reëel inkomen ten opzichte van de voorgaande generatie*

Bron: Europese Commissie (CBS, inkomensgegevens huishoudens). *) Geboortecohort van vijf jaar.

De ongelijkheid qua nettovermogen is deels toe te schrijven aan de schuld van huishoudens en aan levenscycluspatronen. De betrekkelijk grote ongelijkheid qua nettovermogen hangt grotendeels samen met de hoge hypotheekschuld en de onderwaarde van de eigen woning ("hypotheken die onder water staan", zie punt 4.2.4). Worden huishoudens met een onderwaarde buiten beschouwing gelaten, dan is het nettovermogen veel minder ongelijk verdeeld en loopt het meer in de pas met andere EU-landen. Levenscycluspatronen zijn ook van belang. Aangezien vermogen in de loop der jaren wordt opgebouwd, is een groot deel van het totale nettovermogen geconcentreerd bij relatief oude huishoudens. Het mediane nettovermogen groeit tot de leeftijd van 65 jaar, bereikt een piek van ongeveer 100 000 EUR op die leeftijd en daalt daarna weer (zie grafiek 1.8). De nettovermogensongelijkheid is binnen een leeftijdsgroep geringer dan tussen leeftijdsgroepen, hetgeen impliceert dat er vanuit levenscyclusperspectief sprake is van een minder scheve verdeling.

Grafiek 1.8:Nettovermogen naar leeftijd

Bron: Europese Commissie (op basis van CBS-gegevens van 2014 over vermogen).

Externe positie

Er wordt van uitgegaan dat het al omvangrijke overschot op de lopende rekening in 2017 is opgelopen en dat het in de jaren daarna slechts langzaam terugloopt. Als gevolg van een gedempte binnenlandse vraag (zie Europese Commissie 2017b, punt 1.2) en een krachtig herstel van de internationale handel na de crisis bereikte het overschot op de lopende rekening in 2012 een recordstand van meer dan 10 % van het bbp. Daarna is dit overschot, grotendeels door de daling van de netto primaire inkomens en met name het lagere inkomen uit buitenlandse directe investeringen, gedaald tot 9 % van het bbp in 2016. Door de toegenomen winstgevendheid van de buitenlandse activiteiten van Nederlandse multinationals is het saldo van de primaire inkomens begin 2017 echter opgelopen, waardoor het totale saldo van de lopende rekening is verbeterd. Voor de komende jaren wordt gerekend op een verdere daling van het handelsoverschot, zij het in een traag tempo omdat de uitbundige binnenlandse vraag samenvalt met de groei van de wereldhandel, die de groei van de Nederlandse uitvoer verder zal aanjagen.

Overheidsfinanciën

Ondanks het door het nieuwe kabinet aangekondigde forse budgettaire stimuleringspakket wordt ook voor de komende jaren een begrotingsoverschot verwacht. Er wordt uitgegaan van een daling van het nominale overheidsoverschot van 0,7 % van het bbp naar 0,5 % in 2018 om daarna op te veren tot 0,9 % in 2019 op grond van een robuuste groei van de ontvangsten en op grond van de verwachting dat de overheidsuitgaven minder snel groeien dan het nominale bbp. Het structurele begrotingssaldo, ofwel het nominale begrotingssaldo gecorrigeerd voor het effect van de conjunctuurcyclus en eenmalige maatregelen, is in 2017 naar verwachting uitgekomen op 0,3 % van het bbp om daarna terug te lopen tot -0,2 % in 2018 en -0,1 % in 2019. De schuldquote is in 2017 gedaald tot minder dan 60 %. Dit kwam hoofdzakelijk door omvangrijke stock-flow adjustments als gevolg van de herprivatisering van financiële instellingen en een krachtige nominale bbp-groei. Gerekend wordt op een verdere daling van de schuld tot 51,5 % van het bbp in 2019.

Tabel 1.1:Economische en financiële kernindicatoren

(1) NIIP exclusief directe investeringen en beleggingen.
(2) Binnenlandse bankengroepen en op zichzelf staande banken, door het buitenland (EU en niet-EU) gecontroleerde dochterondernemingen en door het buitenland (EU en niet-EU) gecontroleerde bijkantoren

Bron: Eurostat en ECB vanaf 30 januari 2018, indien beschikbaar. Europese Commissie voor de prognoses (tussentijdse winterprognoses 2018 voor het reële bbp en de HICP en najaarsprognoses 2017 voor de overige gevallen).

2.    Voortgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen

De voortgang bij de uitvoering van de aanbevelingen die in 2017 aan Nederland zijn gedaan( 3 ), moet worden bezien in een langeretermijnperspectief, en wel vanaf de invoering van het Europees semester in 2011. Wanneer de uitvoering van de LSA's wordt bezien in een meerjarenperspectief, dat wil zeggen vanaf het moment waarop ze voor het eerst zijn gedaan, dan blijkt dat met betrekking tot 78 % van alle LSA's aan Nederland ten minste "enige" vooruitgang is geboekt. Bij 22 % van de LSA's is een "beperkte" of "geen" vooruitgang genoteerd (zie grafiek 2.1). Op diverse terreinen van de arbeidsmarkt is wel sprake van een aanzienlijke vooruitgang dan wel volledige opvolging van de desbetreffende aanbeveling, zoals de verhoging van de aow-leeftijd en een grotere participatie van oudere werknemers, mensen met een handicap en migranten. Andere gebieden waarop aanzienlijke vooruitgang is geboekt, zijn de hervorming van de langdurige zorg en het ontzien van uitgaven die rechtstreeks van belang zijn voor de groei, zoals onderwijs, innovatie en onderzoek.

Grafiek 2.1:Uitvoering van de LSA's tot op heden, vanuit een meerjarenperspectief (2011-2017) bezien

* In de integrale beoordeling van de landspecifieke aanbevelingen is geen rekening gehouden met de vraag of het stabiliteits- en groeipact is nageleefd.
** 2011-2012: andere LSA-beoordelingscategorieën.

*** In deze beoordeling wordt de uitvoering van de LSA's over meerdere jaren bezien: vanaf het moment waarop deze voor het eerst zijn gedaan tot aan het landverslag 2018.

Bron: Europese Commissie.

Nederland heeft zijn buitensporige tekort tijdig en duurzaam gecorrigeerd. Met de financiële crisis en de correctie van de huizenprijzen maakte Nederland een periode mee van een stijgende schuldquote en een verslechterend begrotingssaldo, met als gevolg een buitensporig tekort. Een significante consolidatie-inspanning, verricht in de periode 2009-2013, leidde in 2013 tot de intrekking van de buitensporigtekortprocedure, en sindsdien is de begrotingssituatie alleen maar verbeterd. In 2017 is het begrotingsoverschot van de overheid in Nederland naar verwachting uitgekomen op 0,7 % van het bbp en lag de schuldquote voor het eerst sinds 2011 weer onder de grenswaarde van 60 %. In de budgettaire consolidatieperiode heeft de publieke financiering voor onderzoek en innovatie zich gestabiliseerd op een niveau van rond de 0,9 % van het bbp. Daarmee is onverkort gevolg gegeven aan de aanbeveling om dergelijke investeringen te ontzien. Niettemin is de totale O&O-intensiteit met 2,0 % van het bbp blijven steken op een niveau dat onder het streefcijfer van 2,5 % ligt. Deze achterblijvende prestatie is voornamelijk het gevolg van lage particuliere O&O-uitgaven (1,2 % van het bbp in 2016). Het cijfer ligt maar net onder het eurozonegemiddelde (1,4 % van het bbp), maar is fors lager dan in andere lidstaten met een vergelijkbaar onderwijsniveau en een vergelijkbare economische ontwikkeling (bijv. Zweden met 2,3 % van het bbp en Duitsland met 2 % van het bbp).

In de recente jaren heeft Nederland substantiële maatregelen genomen om de langdurige zorg en de pensioengerechtigde leeftijd te hervormen, en plannen aangekondigd om de tweede pijler van het pensioenstelsel te hervormen. Er is een ingrijpende hervorming doorgevoerd om de langdurige zorg te decentraliseren en aldus efficiencywinsten te realiseren en zorg op maat te bieden. Niettemin stijgen de uitgaven in deze sector volgens de projecties nog steeds sneller dan het EU-gemiddelde, onder meer door de invoering van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg. De aow-leeftijd wordt in stappen opgetrokken tot 67 jaar in 2021 en is voor de jaren daarna gekoppeld aan de levensverwachting. Het kabinet heeft aangekondigd dat het de tweede pijler van het pensioenstelsel wil hervormen op basis van het al gestarte overleg met de sociale partners. De maatregelen en het exacte tijdschema zijn nog niet geconcretiseerd.

Op de woningmarkt zijn belangrijke hervormingen doorgevoerd, maar er blijft sprake van verstoringen. Conform LSA 1 van 2017 heeft het kabinet besloten om de genereuze aftrekbaarheid van de hypotheekrente (HRA) sneller te verlagen: thans is dat met 0,5 procentpunt, maar het wordt vanaf 2020 met 3 procentpunt per jaar totdat de HRA uitkomt op 37 % in 2023. Eerder was al de eis ingevoerd dat verplicht moet worden afgelost op de hoofdsom om voor het belastingvoordeel in aanmerking te komen. In de huursector is enige vooruitgang geboekt doordat een puntensysteem is ingevoerd dat voorziet in marktgerichtere huren en in hogere huurstijgingen in de gereguleerde sector voor huurders met een inkomen dat boven een bepaalde grens ligt. Met de invoering van kortlopende huurcontracten creëert het kabinet ruimte voor een flexibelere huurmarkt, maar het is nog te vroeg om de impact van deze hervormingen te beoordelen. Ondanks de hervormingen blijven er verstoringen op de woningmarkt bestaan: het maken van schulden wordt gestimuleerd en huishoudens worden beïnvloed in hun beslissing om te kopen of te huren.

Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de verbetering van de arbeidsmarktparticipatie, hoewel er nog belangrijke uitdagingen zijn op het gebied van de arbeidsmarktsegmentatie. In recente jaren heeft het Nederlandse kabinet met bijvoorbeeld de Participatiewet en het Actieplan 50+ diverse maatregelen genomen om de inzetbaarheid van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, onder wie oudere werknemers en werknemers met een handicap, te verbeteren. Ook zijn er hervormingen op het gebied van de ontslagbescherming en de werkloosheidsuitkeringen doorgevoerd om de arbeidsmobiliteit te verhogen. Niettemin blijft de arbeidsmarktsegmentatie een punt van zorg, getuige de absolute en relatieve toename van flexwerkcontracten.

Nederland heeft enige vooruitgang geboekt( 4 ) bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen van 2017. Wat het begrotingsstructurele deel van LSA 1 betreft, is aanzienlijke vooruitgang geboekt: het kabinet gaat in 2018 aanvullende begrotingsmaatregelen doorvoeren om de binnenlandse vraag te ondersteunen, door met name de uitgaven aan veiligheid en de lerarensalarissen te verhogen. Vanaf 2018 worden de O&O-investeringen opgevoerd. Op de woningmarkt is enige vooruitgang geboekt. Het kabinet heeft een aantal maatregelen genomen om de ontwikkeling van het middensegment van de huurmarkt te stimuleren. Voor de koopwoningenmarkt heeft het kabinet aangekondigd dat het de HRA vanaf 2020 sneller wil verlagen om in 2023 uit te komen op 37 %, hetgeen nog steeds aan de hoge kant is. Bij LSA 2 is beperkte vooruitgang geboekt omdat het kabinet vooralsnog alleen de intentie heeft aangekondigd om het probleem van de arbeidsmarktsegmentatie aan te pakken. Concrete maatregelen zijn nog niet bekendgemaakt. De loongroei neemt in een traag tempo toe; er is beperkte vooruitgang geboekt wat betreft de bevordering van de reële loongroei. Er is geen vooruitgang geboekt bij de hervorming van de tweede pijler van het pensioenstelsel. Het kabinet heeft weliswaar aangekondigd dit van plan te zijn, maar er zijn geen details meegedeeld.

De ESI-fondsen zijn gericht op inclusieve groei en convergentie. In Nederland worden de fondsen met name ingezet om O&O-investeringen in de particuliere sector te stimuleren ten behoeve van de experimentele ontwikkeling van nieuwe producten, het opzetten van levende laboratoria en de bevordering van de samenwerking tussen het mkb en onderzoeksinstellingen. Met de ESI-fondsen wordt ook geïnvesteerd in de begeleiding van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en in maatregelen om de vooruitzichten van oudere werknemers op een baan te verbeteren.

Tabel 2.1:Voortgang bij de uitvoering van de LSA's

(1) Hierbij is de vraag of het stabiliteits- en groeipact is nageleefd, niet meegenomen.

Bron: Europese Commissie.

Kader 2.1: Tastbare resultaten die zijn bereikt met EU-steun voor structurele veranderingen in Nederland

Nederland ontvangt steun uit de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) en kan tot 2020 een bedrag van maximaal 1,9 miljard EUR ontvangen. Dit is goed voor ongeveer 1 % van de jaarlijkse publieke investeringen( I ) in de periode 2014-2018. Op 31 december 2017 was een geraamde 1,2 miljard EUR (62 % van het totale bedrag) toegewezen aan concrete projecten. Dankzij deze investeringen konden 309 bedrijven een samenwerkingsverband aangaan met onderzoeksinstellingen en konden 1 100 mkb'ers nieuwe producten op de markt brengen. Voorts hebben 212 000 mensen geprofiteerd van maatregelen om de sociale inclusie te bevorderen, en ontvingen 5 200 bedrijven steun voor aanpassingen van de werkomgeving om de loopbaan van werknemers te verlengen. Van de EU-financiering is 97 miljoen EUR geïnvesteerd via financiële instrumenten.

De ESI-fondsen helpen bij het aanpakken van structurele beleidsuitdagingen en de uitvoering van landspecifieke aanbevelingen. Investeringen in onderzoek en ontwikkeling in de particuliere sector worden gestimuleerd door onder meer leningen, subsidies en garanties te verstrekken voor de experimentele ontwikkeling van nieuwe producten, door levende laboratoria op te zetten en door de samenwerking tussen het mkb en onderzoeksinstellingen te bevorderen. De fondsen investeren ook in de begeleiding van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waardoor weer de algehele arbeidsmarktparticipatie wordt vergroot. Voorts wordt steun gegeven voor concrete maatregelen om de vooruitzichten van oudere werknemers op een baan te verbeteren.

Daarnaast hebben de Nederlandse regio's, in het kader van een voorwaarde vooraf( II ) voor steun uit de ESI-fondsen, op slimme specialisatie gerichte regionale strategieën voor onderzoek en innovatie ontwikkeld om de middelen en inspanningen te richten op productspecialisatie met een sterk marktpotentieel.

Nederland maakt ook vorderingen bij de besteding van middelen uit het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI). In december 2017 lag het totale bedrag aan financiering voor operaties die in het kader van EFSI zijn goedgekeurd, op 2,2 miljard EUR, waarmee naar verwachting in totaal 8 miljard EUR aan private en publieke investeringen wordt gegenereerd. Concreet zijn tot dusver binnen het infrastructuur- en innovatieloket zeventien projecten goedgekeurd waarbij Nederland is betrokken (inclusief vier multinationale projecten). Daarmee is een bedrag van 2,1 miljard EUR aan EIB-financiering in het kader van het EFSI gemoeid. Dit levert naar verwachting 7,5 miljard EUR aan investeringen op. Binnen het mkb-loket zijn tot dusver zeven overeenkomsten met financiële tussenpersonen goedgekeurd. De financiering van het Europees Investeringsfonds, dat door het EFSI mogelijk is geworden, bedraagt 135 miljoen EUR, waarmee naar verwachting in totaal zo'n 515 miljoen EUR aan investeringen wordt gemobiliseerd. Meer dan 1 100 kleinere bedrijven of start-ups zullen profiteren van deze steun. Vervoer staat qua goedgekeurde operaties en volume op nummer 1 van de ranglijst, gevolgd door energie en mkb.

De financiering in het kader van Horizon 2020, de Connecting Europe Facility en andere rechtstreeks beheerde EU-fondsen komt bovenop de middelen uit de ESI-fondsen. Eind 2017 heeft Nederland voor 357 miljoen EUR aan overeenkomsten getekend ten behoeve van projecten in het kader van de Connecting Europe Facility. Zie https://cohesiondata.ec.europa.eu/countries/NL voor meer informatie.

3.    Samenvatting van de voornaamste bevindingen van de diepgaande evaluatie in het kader van de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden

Dit verslag bevat een diepgaande evaluatie van de Nederlandse economie. In het voorjaar van 2017 is Nederland aangemerkt als een land met macro-economische onevenwichtigheden, waarbij het met name gaat om een hoog overschot op de lopende rekening (met als pendant het spaar- en investeringssaldo) en om een hoge particuliere schuld, vooral de hypotheekschuld van huishoudens en de schuld van de niet-financiële vennootschappen (NFV's). In het waarschuwingsmechanismeverslag 2018 van de Commissie is geconcludeerd dat een diepgaande evaluatie voor Nederland nodig is om de ontwikkelingen ten aanzien van de geconstateerde onevenwichtigheden te beoordelen. De analyses die voor de diepgaande evaluatie van belang zijn, zijn te vinden in: punt 4.1: het fiscale kader en het regelgevingskader, punt 4.2: de schuldenlast van de particuliere sector, punt 4.3: de loonontwikkelingen, en punt 4.4: de onevenwichtigheden tussen besparingen en investeringen. De potentiële effecten van een publieke investeringsschok op de handelsbalans komen in kader 3.1 aan bod.

3.1.    Onevenwichtigheden en de ernst ervan

Nederland heeft al meer dan drie decennia onafgebroken een overschot op de lopende rekening. In 2016 bedroeg het driejaarsgemiddelde van het overschot op de lopende rekening 8,8 % van het bbp, hoger dan in welk ander EU-land ook (zie punt 4.4). Als zodanig heeft het Nederlandse overschot 0,6 procentpunt bijgedragen aan het overschot van de eurozone in 2016 (ter vergelijking: de Duitse bijdrage was 2,4 procentpunt). Vanuit het perspectief van de reële handel blijft het forse goederenhandelsoverschot de belangrijkste oorzaak van het overschot op de lopende rekening.

Een spaar-investeringsbenadering wijst in de richting van de sector niet-financiële vennootschappen (NFV's) als de voornaamste aanjager van het overschot. Het vorderingenoverschot is grotendeels toe te schrijven aan het forse vorderingenoverschot van de NFV's, die hun spaaroverschot vanaf 2000 hebben opgevoerd. De hoge besparingen zijn ook een gevolg van de besparingen van multinationals, die slechts een klein deel van hun winst uitkeren, waardoor een statistisch opwaarts effect op het externe vorderingenoverschot ontstaat. In recente jaren heeft de sector huishoudens zijn spaaroverschot verlaagd, terwijl de overheid in 2016 voor het eerst in acht jaar een gering overschot noteerde (zie punt 4.4). De pensioenfondsen houden het grootste deel van de besparingen van de huishoudens onder zich en beleggen voornamelijk in effecten en dan vooral in het buitenland, waardoor het overschot nog verder oploopt. De totale activa van de pensioenfondsen zijn in 2016 uitgekomen op bijna 200 % van het bbp, waarvan 17 % in Nederland is belegd (zie punt 4.2.5). De totale spaar-investeringsonevenwichtigheid bereikte een piek in 2012, midden in de langdurige tweede dip waarin de Nederlandse economie terecht was gekomen en die deels werd aangejaagd door de procyclische pensioeninstellingen. Dit kan duiden op een suboptimale allocatie van middelen; er is dus ruimte voor meer groei en welvaart.

De schuldenlast van de particuliere sector blijft hoog. In 2016 stond de teller op 222 % van het bbp, waarin de NFV's een iets groter aandeel (114 % van het bbp) hadden dan huishoudens (108 % van het bbp). Terwijl de schuld van de NFV's als percentage van het bbp min of meer constant is gebleven, is de schuldenlast van de huishoudens de afgelopen twintig jaar fors opgelopen. De schuldenlast van de huishoudens is opgestuwd door het regelgevingskader, fiscale prikkels en forse stijgingen van zowel de huizenprijzen als de bijbehorende hypothecaire kredietverlening. Hoewel de huishoudens grote verplichtingen hebben (met name een hoge hypotheekschuld), gaan deze hand in hand met omvangrijke, niet-liquide activa in de vorm van een eigen woning en pensioenvermogen.

De schuld van NFV's komt grotendeels voor rekening van multinationals, die meer dan twee derde van de totale NFV-schuld bezitten. Grote buitenlandse NFV's bezitten voornamelijk intraconcernschuld waarop door de ene groepsmaatschappij bij een andere rente in rekening wordt gebracht. Dit wijst erop dat schuld wordt gebruikt voor fiscale doeleinden, aangezien multinationals schuld kunnen verschuiven om hun belastingdruk te verlagen, en wel door middel van verhoogde rentebetalingen aan andere groepsmaatschappijen.

Vanwege de middelgrote omvang van de Nederlandse economie zijn via het handelskanaal slechts bescheiden overloopeffecten naar andere lidstaten mogelijk, met uitzondering van België, waar deze effecten wél relatief groot kunnen zijn. Als gevolg van de nauwe financiële verwevenheid met buurlanden zijn financiële overloopeffecten naar een groter aantal landen, waaronder Frankrijk en het VK, mogelijk relevanter. Daarentegen zorgt de hoge mate aan economische en financiële openheid van de Nederlandse economie ervoor dat deze via financiële, bancaire en handelskanalen is blootgesteld aan mogelijk significante overloopeffecten vanuit andere landen, met name de naburige lidstaten en de VS. Uit kader 3.1 blijkt dat een investeringsimpuls van de Nederlandse overheid zowel in het binnenland als over de grens positieve effecten kan sorteren. De daarin gepresenteerde simulatie is in de geest van aanbeveling 1 voor de eurozone( 5 ), met name wat betreft de verbetering van het groeipotentieel en de bevordering van investeringen in lidstaten met een omvangrijk extern overschot.

3.2.    ONTWIKKELING, vooruitzichten en beleidsreacties

Er wordt gerekend op een aanhoudend overschot. Volgens de najaarsprognoses 2017 van de Europese Commissie komt het in 2017 uit op 9 % en loopt het daarna terug tot 8,7 % in 2018 en 8,4 % in 2019. De verwachte daling is voornamelijk toe te schrijven aan de uitbundige binnenlandse vraag (zie hoofdstuk 1). Verwacht wordt dat de loongroei de komende jaren toeneemt door de beduidend hogere looneisen van de vakbonden en de verdere verkrapping van de arbeidsmarkt. Daarnaast heeft het kabinet een budgettair stimuleringspakket aangekondigd dat naar verwachting een dempend effect zal hebben op het saldo op de lopende rekening. De voornaamste maatregelen bestaan in een verhoging van de uitgaven voor defensie en veiligheid (1,3 miljard EUR), sociale overdrachten (0,6 miljard EUR) en de salarissen van leraren in het basisonderwijs (0,3 miljard EUR).

De schuldenlast van de particuliere sector blijft naar verwachting hoog. De schuldenlast van huishoudens (voornamelijk hypotheken) is opnieuw gestegen, hetgeen deels het gevolg is van de stijgende huizenprijzen, ook al blijft de kredietgroei ruim onder de stijgingen van de huizenprijzen. Tegelijk sorteren stijgende huizenprijzen positieve vermogenseffecten en worden de huishoudens geleidelijk verlost van de onderwaarde van hun woning. Relatief gezien daalt de schuldquote van de particuliere sector dankzij de positieve bbp-groei (passieve schuldafbouw).

Hypotheekschuld en NFV-schuld worden momenteel fiscaal begunstigd. Hoewel het kabinet heeft aangekondigd dat het de hypotheekrenteaftrek sneller gaat verlagen, blijft het kopen van een eigen huis fiscaal zeer aantrekkelijk. De onderontwikkelde particuliere huurmarkt biedt geen alternatief voor het kopen van een huis. De NFV-schuld blijft naar verwachting hoog. In 2019 zal het kabinet de richtlijn bestrijding belastingontwijking (ATAD) implementeren. Deze richtlijn moet onder meer bedrijven ontmoedigen kunstmatige schuldconstructies te creëren om de belastingen tot een minimum te beperken.

3.3.    Algehele beoordeling

Nederland ondervindt onevenwichtigheden door zijn omvangrijke overschot op de lopende rekening en door de hoge particuliere schuld. Het overschot op de lopende rekening wordt opgestuwd door het vrij lage beschikbare inkomen van huishoudens( 6 ), omvangrijke investeringen van binnenlandse pensioenfondsen en kapitaalstromen van multinationals. De hoge particuliere schuldenlast bestaat hoofdzakelijk uit hypotheekschuld van huishoudens en (intraconcern)schuld van NFV's; beide worden beïnvloed door fiscale prikkels. Terwijl de hoge hypothecaire schuld huishoudens kwetsbaar maakt bij een financiële schok, is dit gevaar beperkt bij intraconcernschuld van NFV's omdat deze waarschijnlijk wordt gebruikt voor belastingoptimalisatiedoeleinden.

Zowel de particuliere schuld als het externe overschot blijven naar verwachting op een zeer hoog niveau; voor de komende jaren wordt gerekend op een geringe daling van het overschot op de lopende rekening. De gunstige economische vooruitzichten, het budgettaire stimuleringspakket van het kabinet en de verwachte hogere loongroei zullen de binnenlandse vraag waarschijnlijk een impuls geven en een dempend effect sorteren op het saldo van de lopende rekening. De begrotingskoers wordt in 2018 minder restrictief en trekt dus in mindere mate een wissel op de binnenlandse vraag dan in de directe nasleep van de crisis, met alle gunstige gevolgen van dien voor de binnenlandse vraag en dus voor de herbalancering van de lopende rekening. Naar verwachting blijft de particuliere schuld op een hoog niveau aangezien de nominale schuld opnieuw stijgt. De waargenomen schuldafbouw is passief geweest en toe te schrijven aan de uitbundige bbp-groei.

Tabel 3.1:PMO-beoordelingsmatrix (*) - Nederland

(vervolg op de volgende bladzijde)

Tabel (vervolg)

(*) In de eerste kolom wordt de "ernst van de uitdaging" geschetst, waarbij wordt aangegeven van welke orde van grootte de onevenwichtigheden zijn. In de tweede kolom wordt ingegaan op de "ontwikkeling en vooruitzichten" van/voor de onevenwichtigheden. In de derde kolom wordt vermeld met welke recente en geplande maatregelen de desbetreffende onevenwichtigheid wordt aangepakt. Voor de achterliggende oorzaak van elke onevenwichtigheid en voor elk aanpassingsvraagstuk worden de bevindingen vermeld. De laatste drie alinea's van de matrix bevatten een samenvatting van alle uitdagingen: de ernst ervan, de ontwikkelingen en vooruitzichten dienaangaande, en de beleidsreactie daarop.

Bron: Europese Commissie.

Kader 3.1: Overloopeffecten eurozone

De begrotingsplannen van het nieuwe kabinet omvatten een discretionaire publieke bestedingsimpuls in 2019 van bijna 1,0 % van het bbp ten opzichte van een basisscenario van geen beleid. Deze maatregelen pakken waarschijnlijk gunstig uit voor de economische groei in Nederland. Vanwege de grote handelsopenheid van de Nederlandse economie kunnen zich belangrijke overloopeffecten voordoen naar de rest van de eurozone (REZ), waarbij wél moet worden bedacht dat de Nederlandse economie, afgezet tegen het eurozoneaggregaat, slechts een beperkte omvang heeft (zie ook Europese Commissie 2016a). Ter illustratie van de omvang van mogelijke bbp-overloopeffecten wordt in dit kader een beeld gegeven van de impact van een blijvende schuldgefinancierde verhoging van de productieve publieke investeringen met 1 % van het bbp op het Nederlandse bbp, het bbp van de eurozone en de Nederlandse handelsbalans. Een publieke investeringsimpuls kan worden gemotiveerd met een gunstige ontwikkeling van de schuld, lage leenkosten en een monetair beleid met een "nulondergrens" voor de rente. In essentie zou een dergelijk scenario de daling van de publieke uitgaven die zich vanaf 2009 heeft voorgedaan, ongedaan maken.

Uit simulaties met het Quest-model van de Europese Commissie( III ) blijkt een gunstig effect op het Nederlandse reële bbp van circa 0,5 % in het eerste jaar, oplopend tot 0,9 % na vijf jaar. Het handelsoverschot loopt vanaf het eerste jaar met rond de 0,1 % van het bbp terug. Het overloopeffect van de binnenlandse investeringsimpuls via het handelskanaal is positief: een budgettaire expansie van 1 % van het bbp via publieke investeringen in Nederland leidt tot een stijging van het reële bbp in de rest van de eurozone met circa 0,1 %.

4.    Hervormingsprioriteiten

4.1.    Overheidsfinanciën en belastingen

4.1.1. BELASTINGEN* ( 7 )

Nieuwe belastingmaatregelen zullen de belastingdruk op arbeid verlagen. Het nieuwe kabinet heeft een pakket maatregelen aangekondigd om de inkomstenbelasting te verlagen met 0,5 miljard EUR (0,1 % van het bbp) in 2018, geleidelijk oplopend tot 6,2 miljard EUR (0,9 % van het bbp) in 2021. De maatregelen zijn gericht op alle inkomensgroepen. De belastingdruk op arbeid zal worden verminderd door de inkomstenbelasting te verlagen. Dit gebeurt in hoofdzaak door het aantal belastingschijven terug te brengen van vier naar twee, met een basistarief van 36,95 % in de lage schijf en een toptarief van 49,5 % (voor inkomens boven 68 600 EUR). Een andere belangrijke maatregel is de verhoging van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, die in totaal zullen worden verhoogd met 1,5 miljard EUR (0,2 % van het bbp) in 2019, met 3,3 miljard EUR (0,5 % van het bbp) in 2020 en vanaf 2021 vast met 4,7 miljard EUR (0,7 % van het bbp). Kinderbijslagen en kinderopvangtoeslagen zullen in 2019 met 0,5 miljard EUR (0,1 % van het bbp) en vanaf 2020 met ongeveer 1 miljard EUR worden verhoogd.

Tegelijkertijd zal een aantal belastingmaatregelen worden ingevoerd om de daling van de belastinginkomsten te verzachten. De energiebelasting voor huishoudens zal worden verhoogd, hetgeen 0,5 miljard EUR zal opleveren in 2018 en vanaf 2021 nog eens 1 miljard EUR. Het verlaagde btw-tarief wordt verhoogd van 6 % naar 9 %, wat naar verwachting vanaf 2019 jaarlijks 2,6 miljard EUR extra zal opbrengen. In algemene zin betekent dit pakket maatregelen in de inkomstenbelasting een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar inkomstenbronnen die minder schadelijk zijn voor de groei.

Om het fiscale investeringsklimaat voor vennootschappen te versterken, wordt het vennootschapsbelastingtarief in stappen verlaagd van 25 % tot uiteindelijk 21 % (24 % in 2019, 22,5 % in 2020 en 21 % in 2021). Het tarief in de eerste schijf (in 2017 voor een belastbare winst tot 200 000 EUR) wordt op dezelfde manier verlaagd van 20 % naar 16 %.

Een aantal indicatoren wijst er nog steeds op dat bedrijven de nationale regels inzake vennootschapsbelasting gebruiken voor agressieve fiscale planning. Uit een studie (IHS, 2018) blijkt dat het hoge volume inkomende en uitgaande buitenlandse directe investeringen (BDI)( 8 ) in Nederland slechts ten dele valt te verklaren door reële economische activiteiten die in Nederland plaatsvinden. De hoge dividend-, royalty- en rentebetalingen die via Nederland verlopen ( 9 ) (zie punt 4.4) blijven er nog steeds op wijzen dat bedrijven de nationale belastingregels gebruiken voor een agressieve fiscale planning. Een groot deel van dit BDI-volume komt voor rekening van zogeheten Special Purpose Entities (SPE's)( 10 ). De inhoudingsvrijstelling voor dividenduitkeringen door coöperaties, de kans op hybride mismatches door het gebruik van commanditaire vennootschappen (cv) en de inhoudingsvrijstelling op royalty's en rentebetalingen (die ertoe kunnen leiden dat over die betalingen in het geheel geen belasting wordt geheven indien daarover in de ontvangende jurisdictie evenmin belasting verschuldigd is), gecombineerd met het ontbreken van bepaalde antimisbruikbepalingen, kunnen agressieve fiscale planning in de hand werken. De kans op hybride mismatches, waarbij wordt gebruikgemaakt van commanditaire vennootschappen (cv), zal verdwijnen wanneer de EU-richtlijn over hybride mismatches ten uitvoer is gelegd (uiterlijk op 1 januari 2020).

Er is een hervormingsagenda aangekondigd om bepaalde aspecten in het Nederlandse belastingstelsel die agressieve fiscale planning in de hand kunnen werken, aan te pakken. Voor betalingen naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties zullen bronbelastingen op rente- en royaltybetalingen worden ingevoerd. Hoewel de dividendbelasting, die momenteel 15 % bedraagt, in beginsel zal worden afgeschaft, zal zij toch worden gehandhaafd voor misbruiksituaties en voor betalingen naar landen met zeer lage belastingen. Het tijdschema voor deze hervormingen en voor de invoering van bronbelastingen op royalty's en rentebetalingen is nog niet duidelijk. Deze plannen zullen geen invloed hebben op de voorgenomen invoering van een dividendbelasting op betalingen door coöperaties die grotendeels fungeren als houdster-/financieringsmaatschappijen. Dit plan zal per 1 januari 2018 ingaan. Daarbij zal het er op aankomen hoe "misbruik" en "laagbelastende jurisdictie" worden gedefinieerd in het kader van de gedeeltelijke afschaffing van de dividendbelasting en de invoering van bronbelastingen op rentebetalingen en royalty's. De beperking op renteaftrek uit de richtlijn bestrijding belastingontwijking (ATAD) zal worden ingevoerd in de vorm van een earnings stripping-maatregel. Tegelijkertijd zullen diverse bestaande renteaftrekbeperkingen worden afgeschaft, maar welke is nog niet duidelijk. Artikel 10a van de vennootschapsbelastingwet (Wet Vpb), die een regel inzake grondslaguitholling bevat, blijft behouden. Er wordt een generiek minimumkapitaalvereiste (thin cap rule) ingevoerd die renteaftrek over vreemd vermogen boven 92 % van het commerciële balanstotaal beperkt. (Buitenlandse) beleggers die beleggen via van vennootschapsbelasting vrijgestelde fiscale beleggingsinstellingen, zullen op hun vastgoed worden belast door middel van dividendbelasting. Nu de dividendbelasting in beginsel zal worden afgeschaft, zullen fiscale beleggingsinstellingen niet langer direct in vastgoed kunnen beleggen. Hiermee moet worden voorkomen dat met dit soort beleggingen zowel vennootschapsbelasting als dividendbelasting wordt ontweken.

Nederland heeft maatregelen genomen om bepaalde aspecten van zijn belastingstelsel waarmee agressieve fiscale planning in de hand wordt gewerkt, aan te passen. De Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen)( 11 ) heeft de aangepaste Nederlandse innovatiebox goedgekeurd. Voor de oude regeling geldt een grandfathering-clausule die tot juni 2021 loopt. Onder de nieuwe regeling( 12 ) komt er een sterkere band tussen het intellectuele eigendom (IP) dat op de regeling aanspraak kan maken, en met de door deze IP gecreëerde O&O. Het effectieve belastingtarief in de innovatieboxregeling zal in 2018 worden verhoogd van 5 % naar 7 %. Hoewel het economische bewijs voor de effectiviteit van innovatieboxen als middel om O&O te stimuleren beperkt blijft, kunnen deze toch als een tool voor fiscale concurrentie worden gebruikt. Het regelgevend kader voor de trustsector wordt strenger. Het instrumentarium van de toezichthouder voor de trustsector (De Nederlandsche Bank) wordt uitgebreid. Naar aanleiding van de Panama Papers wordt de informatiepositie en de opsporingscapaciteit van de belastingdiensten versterkt. Voorts moeten de bepalingen van de richtlijnen bestrijding belastingontwijking tegen eind 2018 en 2019 in nationale wetgeving zijn omgezet. Het zal van belang zijn om na te gaan in hoeverre nieuwe (aangekondigde of in wetgeving vastgelegde) maatregelen, in samenhang met het effect van de omzetting van de richtlijn, de mogelijkheden voor agressieve fiscale planning in Nederland beperken.

Het belastingtarief voor inkomen uit een aanmerkelijk belang zal stijgen. Dit tarief zal in stappen worden verhoogd van 25 % naar 28,5 % in 2021 om het evenwicht te bewaren tussen zelfstandigen die inkomensbelastingplichtig zijn en zelfstandigen die hun onderneming drijven als een vennootschapsbelastingplichtige onderneming. Bij de vermogensrendementsheffing zal het heffingsvrije vermogen per persoon worden verhoogd van 25 000 EUR naar 30 000 EUR. Het verwachte rendement zal sneller worden aangesloten op het werkelijke rendement van spaartegoeden.

4.1.2 HOUDBAARHEID VAN DE OVERHEIDSFINANCIËN OP LANGE TERMIJN

De overheidsschuldquote is sneller dan verwacht gedaald. In 2017 komt de schuldquote volgens de ramingen uit op 57,7 % van het bbp, waardoor deze voor het eerst sinds 2011 onder de grenswaarde van 60 % daalt. De schuld ontwikkelt zich gunstiger dan verwacht dankzij hogere bbp-groei en stock-flow adjustements, onder meer de verkoop van aandelen in financiële instellingen die in handen van de overheid zijn. Volgens de schuldhoudbaarheidsanalyse van de Commissie( 13 ) loopt de schuld, bij ongewijzigd beleid, vooral als gevolg van primaire overschotten, maar ook van nominale bbp-groei en lage rente-uitgaven verder terug tot 38,6 % van het bbp in 2028 (het laatste projectiejaar). Met deze gunstige trend van de overheidsschuld blijft Nederland in de categorie "laag risico", op basis van de basisprojecties van de Commissie voor de middellange termijn.

De pensioenleeftijd wordt in 2022 aan de levensverwachting gekoppeld. Als gevolg van hervormingen in 2012 zal de pensioenleeftijd geleidelijk stijgen tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de pensioenleeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Deze is momenteel vastgelegd op 67 jaar en 3 maanden. Door een stagnerende levensverwachting in de jongste prognoses zal er in 2023 geen sprake zijn van een stijging van de pensioenleeftijd. Dit is voor het eerst sinds 2013.

4.1.3 BEGROTINGSKADER

Nederland heeft een goed opgezet begrotingskader, dat sinds 1994 bestaat. De basisprincipes zijn vastgelegd in een specifieke wet en het nieuwe kabinet heeft deze basisprincipes herhaald. De belangrijkste kenmerken van dit meerjarig trendgebaseerd begrotingsraamwerk zijn: i) het gebruik van onafhankelijk opgestelde macro-economische aannames; ii) het gebruik van voor inflatie gecorrigeerde( 14 ) uitgavenplafonds, die vooraf zijn vastgesteld en de hele kabinetsperiode bestrijken; iii) het gebruik van automatische stabilisatoren aan de ontvangstenzijde, en iv) een welomlijnd begrotingsproces op het gebied van besluitvorming en een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden, met inbegrip van de taken van het Centraal Planbureau (CPB) en de Raad van State (Afdeling advisering). Het CPB voert de onafhankelijke begrotingsprognose uit, terwijl de Raad van State belast is met het toezicht op de naleving van de cijfermatige begrotingsregels. Bovendien is het engagement om EU-begrotingsregels na te leven vastgelegd in het Nederlandse rechtskader.

Het kabinet zet in op het vergroten van de stabiliserende werking van de overheidsbegroting. Nederlandse overheidsfinanciën hebben een suboptimaal trackrecord waar het gaat om hun stabiliserende werking. Tijdens hausses worden doorgaans zeer kleine begrotingsoverschotten opgebouwd, hetgeen vaak leidt tot procyclische maatregelen in daaropvolgende recessies. Hoewel deze situatie voor meerdere landen in de eurozone geldt, steekt zij schril af tegen de ervaring in andere landen, zoals Zweden en Denemarken (zie grafiek 4.1.1) (Afman en Deroose, 2016). In het rapport van vorig jaar van de Studiegroep Begrotingsruimte (SBR)( 15 ), die voorafgaand aan een nieuwe kabinetsperiode advies uitbrengt over de begrotingsruimte, werd de aanbeveling gedaan om de stabiliserende werking van de begroting te versterken. In zijn rapport deed de studiegroep de aanbeveling om conjuncturele uitgaven zoals de WW-uitgaven buiten het kader te plaatsen, maar de rente-uitgaven en de gasbesluiten aan het kader toe te voegen. Het kabinet heeft dit advies gevolgd en heeft een aantal conjuncturele elementen uit het uitgavenplafond verwijderd, namelijk de niet-discretionaire, conjuncturele veranderingen in de WW- en bijstandsuitgaven. Tegelijk zijn de rente-uitgaven en de effecten van gasbesluiten aan het kader toegevoegd. Hoewel hiermee het macro-economisch stabiliserende effect van het begrotingsraamwerk verder wordt versterkt, zou de begroting hierdoor ook gevoeliger worden voor de conjunctuurcyclus, wat de noodzaak aantoont van budgettaire voorzichtigheid in economisch goede tijden.

Grafiek 4.1.1:Gemiddeld begrotingssaldo bij hoog- en laagconjunctuur

Bron: Afman en Deroose (2016); gemiddelde 1996-2015.

Het Nederlandse begrotingsraamwerk erkent weliswaar de EU-begrotingsregels als het ankerpunt voor het begrotingsbeleid, maar toch kunnen verdere efficiëntiewinsten worden geboekt. Een en ander kan worden bereikt door betere afstemming, bijvoorbeeld bij het beoordelen van de budgettaire houdbaarheid of bij de praktische uitvoering van de begrotingsdoelstelling voor de middellange termijn binnen de nationale context (Vierke en Masselink, 2017). Ook ligt er nog een aantal mogelijkheden om de flexibiliteit binnen het raamwerk te verbeteren, waarbij moet worden opgepast een verantwoordelijk begrotingsbeleid in de weg te staan. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de toepassing van "voortschrijdende mechanismen" waarbij meerjarige uitgavenplafonds jaarlijks worden bijgesteld op basis van vooraf vastgelegde factoren (bijv. een actualisering van macro-omstandigheden).

4.1.4 KWALITEIT VAN DE OVERHEIDSFINANCIËN

Groeivriendelijke overheidsuitgaven zijn in 2015-2016 licht toegenomen, maar blijven lager dan die van andere "innovatieleiders"( 16 ). Overheidsuitgaven in groeivriendelijke sectoren zijn van bijzonder belang om impulsen te geven aan investeringen in kenniskapitaal en om de groei en werkgelegenheid op lange termijn te ondersteunen. De publieke O&O-intensiteit in Nederland is geleidelijk toegenomen tot 0,9 % van het bbp in 2013: dat ligt dicht bij het gemiddelde van vergelijkbare EU-landen die het verst gevorderd zijn (1 %). De totale voor O&O uitgetrokken begrotingsmiddelen beliepen 0,72 % van het bbp in 2015: dat is minder dan die van vergelijkbare EU-landen die het verst gevorderd zijn. Rechtstreekse overheidsfinanciering voor O&O zal naar verwachting tot 2020 teruglopen (zie punt 4.5.1).

Tabel 4.1.1:Totale overheidsfinanciering voor O&O en innovatie (2015-2017)

Noot: GBAORD of Government Budget Appropriations or Outlays on R&D (overheidsbestedingen aan O&O). In de fiscale prikkels is de innovatiebox niet meegerekend.

Bron: Vennekens en van Steen (2017).

Overheidsinvesteringen blijven krachtig, maar uitgaven voor onderwijs stijgen vrij traag. Bruto-overheidsinvesteringen in vaste activa vertegenwoordigden 3,5 % van het bbp in 2016 - boven het EU-gemiddelde van 2,9 % (eurozone: 2,7 %), maar lager dan die van andere "innovatieleiders", met name Zweden (4,4 %), Finland (4 %) en Denemarken (3,7 %). Het Nederlandse onderwijsstelsel mag dan een stevige basis bieden voor het verbeteren van menselijk kapitaal, innovatie en groei, toch blijven uitgaven aan onderwijs nog steeds onder die van best presterende landen zoals de noordse landen. In 2015 besteedde Nederland 5,4 % van zijn bbp aan onderwijs: dat ligt boven het gemiddelde van de EU en de eurozone, maar is minder dan de best presterende vergelijkbare landen zoals Denemarken (7,0 %), Zweden (6,5 %), België (6.4 %), Finland (6,2 %) en de Baltische landen. De doelmatigheid van de overheidsmiddelen voor onderwijs is in Nederland betrekkelijk hoog, hetgeen ook blijkt uit het verhoudingsgewijs hoge aandeel hoogopgeleiden (Europese Commissie, 2017f). Volgens het regeerakkoord wil het kabinet de uitgaven voor groeibevorderende sectoren zoals O&O in 2018-2019 verhogen met 600 miljoen EUR.



4.2.    Financiële sector

4.2.1. BANKSECTOR

De Nederlandse banksector blijft in termen van het bbp een van de grootste in de EU en is sterk geconcentreerd. De activa van deze sector waren in 2017 goed voor ongeveer 370 % van het nationale bbp (tegenover 530 % in 2007) (DNB, 2017b). Activa in het totale financiële bestel bedroegen eind 2016 bijna achtmaal het bbp. In de verzekerings- en pensioensector beliepen de activa respectievelijk 70 % en 184 % van het bbp, terwijl beleggingsfondsen activa houden die overeenkomen met 113 % van het bbp (grafiek 4.2.1). De Nederlandse bankenmarkt is een van de sterkst geconcentreerde markten in de EU, waarbij de vijf grootste banken in 2017 samen 85 % van de activa houden, tegen een gemiddelde van 48 % voor de eurozone (ECB, 2017). Gezien het systeemrelevante karakter van die vijf banken, heeft De Nederlandsche Bank de banken opgedragen om in de periode 2016-2019 geleidelijk aan extra kapitaalbuffers op te bouwen. Het kabinet is voornemens door te gaan met de operatie om ABN AMRO opnieuw te privatiseren.

Grafiek 4.2.1:Omvang van de financiële intermediairs en van de markt voor schuldpapier

Bron: ECB, Europese Commissie

De financiële gezondheidsindicatoren van Nederlandse kredietinstellingen geven geen aanleiding tot bezorgdheid over stabiliteit. De banken hebben tijdens de crisis geen grote verliezen geleden op hun leningenportfolio's en de ratio van niet-renderende leningen (NPL's) bedroeg de afgelopen paar jaar niet meer dan 3 % en kwam in 2016 zelfs uit op slechts 2,2 %. De banken behouden voldoende financiële veerkracht en gezonde solvabiliteitsposities en hun kapitaalnormen liggen ver boven de wettelijke vereisten. Op sectoraal niveau stond hun kapitaalratio op een stevige 23,1 % en hun tier 1-kapitaalratio op 18,3 %, tegen een gemiddelde voor de eurozone van respectievelijk 17,6 % en 15 % in het tweede kwartaal van 2017 (zie tabel 4.2.1). De hefboomratio van Nederlandse kredietverschaffers is weliswaar lager dan tijdens de crisis, maar bedraagt thans een bescheiden 4,7 % op sectoraal niveau (DNB, 2017b), tegen een gemiddelde voor de eurozone van 5,1 % (ECB).

Tabel 4.2.1:Financiële gezondheidsindicatoren

* Geaggregeerde balans ECB: leningen ongerekend overheid en MFI's / deposito's ongerekend overheid en MFI's.
** Ter wille van de vergelijkbaarheid worden alleen jaarwaarden gegeven.

Bron: ECB, CBD.

Het aandeel wholesale funding in de banksector blijft hoog. Deposito's vertegenwoordigen slechts 47 % van de totale funding, hetgeen ver onder het gemiddelde van 56 % voor de eurozone ligt (augustus 2017). In een stressscenario zouden fundingkosten sterk kunnen oplopen, wat impact zou hebben op de winstgevendheid en de nettorentebaten van Nederlandse banken. Een positief punt is dan weer dat sinds de crisis de looptijd van de marktfunding langer is geworden, hetgeen een imminent liquiditeitsrisico voorkomt. Het aandeel deposito's is mettertijd toegenomen, hetgeen een positief effect heeft op de loan-to-deposit-ratio die verder is teruggelopen tot 110,6 % in september 2016. Deze ratio en het gebruik van wholesale funding door de banken zal waarschijnlijk nog verder afnemen door de steeds grotere rol van pensioenfondsen en verzekeringsondernemingen op de hypotheekmarkt. De marktaandelen van deze fondsen en ondernemingen voor hypotheken zijn toegenomen van 8 % (2010) tot 11 % (2016) (DNB, 2016).

De winstgevendheid van de banksector blijft stevig, maar kan nog steeds onder druk komen te staan door aanhoudend lange rentestanden, concurrenten van buiten de banksector en op handen zijnde wijzigingen in de regelgeving. Leningen die in het verleden tegen vaste hoge rente zijn toegekend (meestal hypotheken), zullen de komende twee decennia geleidelijk aflopen, en het ziet er naar uit dat dat nieuwe leningen opnieuw tegen leningen tegen minder winstgevende tarieven zullen worden afgesloten. De marges van banken en de kredietvolumes op de markt voor hypothecair krediet komen onder druk te staan door de toenemende concurrentie van pensioenfondsen en verzekeringsondernemingen: deze fondsen en ondernemingen waren in 2016 goed voor 20 % van de nieuwe hypotheken (DNB, 2016). In andere traditionele sectoren van het bankbedrijf (zoals betalingen) krijgen banken steeds meer te maken met concurrentie van fintechondernemingen nu de markt verder wordt opengesteld als gevolg van de goedkeuring van de nieuwe richtlijn betaaldiensten (PSD2). Ook het pakket met regels voor prudentieel toezicht dat recentelijk door het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) is goedgekeurd - en de komende jaren van kracht zal worden - zal gevolgen hebben voor de winstgevendheid van de Nederlandse banken. Gelet op het feit dat banken in aanzienlijke mate blootstaan aan hypotheken, houden de nieuwe regels in dat zij extra kapitaal moeten reserveren, hetgeen waarschijnlijk het rendement op eigen vermogen in de sector zal doen dalen. Nederlandse banken leveren bijkomende inspanningen om hun efficiëntie te verbeteren door nog meer over te schakelen van bankkantoren naar digitale dienstverlening. Sinds 2007 hebben zij het aantal kantoren in heel het land al teruggebracht met meer dan 50 %, naar 1 764 kantoren in 2015.

4.2.2. TOEGANG TOT FINANCIERING*

De perceptie van beschikbaarheid van bancair krediet is verder verbeterd en een overgroot deel van de beleidsmaatregelen zijn ten uitvoer gelegd in het kader van het Aanvullend Actieplan Mkb-financering. De aandelenfinanciering en financiering door business angels voor nieuwe en groeiende bedrijven is bevredigend (Europese Commissie, 2017j). Ondernemingen schatten de toegang tot financiering positiever in, maar maken tegelijk steeds meer gebruik van andere kanalen dan traditionele bancaire kredietverschaffing. Deze verbeteringen zijn gedeeltelijk terug te voeren op het afnemende aantal kredietaanvragen van het mkb en de nettodaling met 13 % van het aandeel bancaire kredieten. De belangrijkste redenen voor deze daling zijn onder meer de toegenomen financiële buffers van het mkb dankzij een herstel van duurzame winst, hogere solvabiliteitsratio's en liquiditeit en een grotere rol voor leasing als financieel instrument (DNB, 2016) Het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) en de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII) dragen bij tot deze verbeterde toegang tot financiering( 17 ).

Dankzij nieuwe regelgeving en alternatieve aanbieders van mkb-financiering zijn nieuwe vormen van financiering ontstaan. De regeling voor nieuwe aanbieders van mkb-financiering vormde de aanzet voor diverse fondsen die alternatieve mkb-financiering aanbieden (bijv. FundIQ en DBS2 Factoring) met een garantie van het ministerie van Economische Zaken. In 2017 ging de nieuwe regeling Co-Investeringsfaciliteit voor Business Angels van start in het kader van de bestaande Seed Capital-regeling.

4.2.3. WONINGMARKT* ( 18 )

Het herstel van de woningmarkt zet door - met toenemende regionale verschillen. Landelijk zijn de huizenprijzen geleidelijk aan het toegroeien naar de piek van vóór de crisis in 2008 (zie grafiek 4.2.2). Eind 2017 zou de nationale woningprijsindex zijn uitgekomen op 94 % van het peil van 2008. Hoewel de jaarlijkse groei van de woningprijzen in 2017 landelijk ongeveer 6 % bedroeg, lag deze veel hoger in de vier grote steden: in Amsterdam stegen de woningprijzen in 2017 met 13 %, in Rotterdam en Utrecht met 11 % en in Den Haag met 9 %. De stijging van de woningprijzen in de vier grote steden gaat niet gepaard met een toename van kredieten aan huishoudens. Sinds 2016 is de kredietgroei in deze steden losgekoppeld van de groei van de woningprijzen, en eind 2016 teruggevallen tot ruwweg 0 % op jaarbasis, hetgeen erop lijkt te wijzen dat de aankoop van een woning eerder wordt gefinancierd uit spaargeld in plaats van via krediet (DNB, 2017a).

De indicatoren voor de waardering van de huizenprijzen wijzen landelijk niet op een overwaardering. De langetermijnwaarden van de prijs/inkomen- en de prijs/huur-ratio's liggen nog onder de langetermijngemiddelden (zie grafiek 4.2.3). Volgens ramingen zijn de huizenprijzen grotendeels in lijn met de fundamentele waarden. Toch blijkt uit recent onderzoek dat voor Amsterdam de stijging van de huizenprijzen niet kan worden verklaard door fundamentele factoren zoals de (betere) kwaliteit van woningen, de rente, inkomensgroei of huurprijzen (Houben, Dröes en Lamoen, 2017).

Grafiek 4.2.2:Ontwikkeling van de huizenprijzen

Bron: CBS

Het herstel van de woningmarkt komt ook tot uiting in een toenemend aantal transacties. In het derde kwartaal van 2017 is het aantal transacties voor bestaande koopwoningen gestegen tot het hoogste peil sinds 1995. In datzelfde kwartaal bereikte de totale waarde van transacties voor bestaande koopwoningen een recordhoogte van 16 miljard EUR, bijna 3 miljard EUR boven de vorige piek in het vierde kwartaal van 2007.

Het herstel van de woningmarkt zal waarschijnlijk aanhouden in de nabije toekomst. De waarde van bouwvergunningen voor nieuwbouwwoningen is gestegen van 3,4 miljard EUR in 2013 (26 000 woningen) tot 6,5 miljard EUR in 2016 (51 000 woningen); dit ligt nog enigszins onder de waarde van 12 miljard EUR die in 2007 werd opgetekend (voor 88 000 woningen). Net als in het verleden, wordt het merendeel van de woningen (ongeveer 60 %) gebouwd door bouwbedrijven en beleggers. Toch is het absolute aantal afgegeven bouwvergunningen gedaald van 7 000 naar 4 000. Woningcorporaties en het Rijk hebben hun aandeel in nieuwe bouwvergunningen sterk verminderd, van 23 % in 2007 (3 000 bouwvergunningen) naar 8 % in 2016 (500 vergunningen). Particulieren hebben hun aandeel in de loop van de jaren dan weer verhoogd van ongeveer 19 % in 2007 tot 31 % in 2016. Dit valt grotendeels te verklaren door het dalende aantal bouwvergunningen van andere bouwers, want het totale aantal daarvan ligt in beide jaren rond de 2 000 bouwvergunningen.

Grafiek 4.2.3:Waardering van huizenprijzen

Waarderingsverschil, geraamd als gemiddelde van de waarderingsverschillen voor prijs/inkomen, prijs/huur en fundamenteel model. De langetermijnwaarden voor de prijs/inkomen- en de prijs/huur-ratio's zijn berekend over de periode 1995-2016. Voor de modelgebaseerde waarderingsverschillen is een vector error correction model (VECM) geraamd voor een panel van 21 EU-landen op basis van een systeem van vijf fundamentele variabelen: de relatieve huizenprijs, de totale bevolking, de reële investeringen in woningen, het reële beschikbare inkomen per hoofd van de bevolking en de reële langetermijnrente.

Bron: Europese Commissie.

De sterke aanwezigheid van de sociale huursector kan de huizenprijzen verder onder druk zetten. De sociale huursector is een van de grootste in de EU, met een landelijk aandeel van 29 % van het totale aantal woningen in 2017. Dit aandeel is de laatste vijf jaar met slechts 0,8 % verminderd en zal naar verwachting traag dalen, omdat minder bouwvergunningen zijn afgegeven voor de sociale huursector dan voor de vrije huursector en de eigen woningen. In Amsterdam en Rotterdam domineren woningcorporaties de woningmarkt met aandelen van respectievelijk 42 % en 44 %. Een aanzienlijk aandeel van de sociale huurwoningen in Nederland wordt bewoond door "scheefwoners"( 19 ). De afgelopen jaren is het aantal scheefwoners (18 % van het totale aantal huurders in de sociale sector) licht afgenomen, maar het gaat landelijk nog steeds om meer dan 400 000 mensen (WoON 2015). Omdat de sociale huursector zo groot is, beletten inefficiënties in deze sector een doelmatiger functioneren van de totale woningmarkt, waardoor de overige marktsegmenten onder prijsdruk komen te staan.

De particuliere huurmarkt is de enige woningmarktsector die niet wordt gesubsidieerd, en blijft onderontwikkeld. Het aandeel van deze sector ten opzichte van het totale aantal woningen neemt zeer traag toe: in 2016 werd slechts 13 % van de woningen verhuurd in de vrije huursector. Rekening houdende met het aantal afgegeven bouwvergunningen zal deze situatie waarschijnlijk niet veranderen, omdat de meeste vergunningen niet worden afgegeven voor huurwoningen. Het kabinet heeft geen nieuwe maatregelen aangekondigd om de voorraad vrije sector huurwoningen te versterken. In 2016 werden slechts 16 000 bouwvergunningen afgegeven voor de bouw van huurwoningen, tegenover 35 000 bouwvergunningen voor nieuwe huiseigenaren. Een deel van het probleem is dat gemeenten een hogere prijs kunnen krijgen voor grond die wordt gebruikt voor koopwoningen in plaats van voor huurwoningen. Dit komt door de subsidies voor de koopwoningenmarkt (DNB, 2017a). Om de beschikbaarheid van grond voor de vrije huursector te vergroten, krijgen gemeenten door een wijziging in het Besluit ruimtelijke ordening in 2017( 20 ) de mogelijkheid om zones specifiek te bestemmen voor het bouwen van woningen in het middensegment. Het kabinet heeft weliswaar zijn voornemen aangekondigd om de voorraad betaalbare woningen op de vrije markt te ondersteunen, maar meer details over hoe die steun er moet gaan uitzien, zijn nog niet meegedeeld.

Woningcorporaties aarzelen om de huurprijzen te verhogen. Terwijl de huurprijzen in de vrije huursector met 2,3 % zijn gestegen, zijn de huurprijzen in de sociale huursector in 2017 met slechts 1,1 % gestegen. Dit is minder dan de huurverhogingen die corporaties wettelijk gezien mogen doorvoeren. Volgens de huursombenadering( 21 ) hadden woningcorporaties de huur in 2017 met in totaal 1,3 % mogen verhogen, met verhogingen van maximaal 2,8 % voor huurders met een laag inkomen (tot 40 349 EUR per jaar) en 4,3 % voor huurders met een hoger inkomen. Uit gegevens over 2016 blijkt dat voor slechts 24 % van de huishoudens met een hoger inkomen de maximale huurverhoging is toegepast. Worden de huurverhogingen als gevolg van nieuwe huurovereenkomsten niet meegerekend, dan zijn de bestaande huurprijzen in de sociale huursector in 2017 in feite met in totaal slechts 0,6 % gestegen (CBS, 2016). Dit betekent dat de helft van de huurverhogingen voor rekening kwam van nieuwe huurders, die doorgaans huishoudens met een laag inkomen zijn, omdat woningcorporaties ten minste 80 % van de woningen aan deze doelgroep moeten toewijzen.

Huishoudens met een hoog inkomen blijven in sociale huurwoningen wonen. Gegevens uit een recent onderzoek laten zien dat huishoudens met een hoog inkomen weinig financiële prikkels hebben om weg te gaan uit hun sociale huurwoning: 84 % van de huurders met een inkomen boven 40 349 EUR verklaart dat huurverhogingen geen invloed hebben gehad op hun beslissing om weg te gaan uit hun sociale huurwoning (ING, 2017). De meeste scheefwoners zijn ouder dan 65 jaar (ING, 2017) en hun potentiële huurverhoging is bij wet beperkt (Ministerie van BZK, 2017).

Woningcorporaties moeten bij huurverhogingen een afweging maken. Voor corporaties is het aan de ene kant winstgevend om de huur - en daarmee hun inkomsten - te verhogen. Daartegenover staat dat zij, wanneer zij de huur te veel verhogen, het risico lopen dat zij hun meest winstgevende huurders (die met een hoog inkomen) zien vertrekken. Wanneer die woningen vrijkomen, moet de meerderheid daarvan opnieuw worden toegewezen aan huishoudens met een laag inkomen. Een huurder met een hoog inkomen inruilen voor een huurder met een laag inkomen, betekent dat de corporatie minder inkomsten ontvangt voor dezelfde woning. Uit een recent onderzoek blijkt dat een derde van de corporaties niet van plan is om inkomensafhankelijke huurverhogingen door te voeren (RIGO, 2016).

4.2.4. PARTICULIERE SCHULD*

De particuliere schuld blijft hoog in Nederland. In 2016 bedroeg deze 221,5 % van het bbp, gelijk verdeeld tussen huishoudens (vooral hypotheken) en niet-financiële vennootschappen (NFV's). De afgelopen 20 jaar is de verhouding NFV-schulden/bbp ruwweg stabiel gebleven, terwijl de schulden van huishoudens fors zijn opgelopen van 63 % van het bbp in 1995 tot 118 % van het bbp in 2009 tijdens de piek in de huizenprijzen, om daarna weer af te nemen tot 108 % van het bbp (zie grafiek 4.2.4). De schulden van zowel huishoudens als niet-financiële vennootschappen ligt ver boven het niveau dat is ingegeven door prudentiële overwegingen, zoals blijkt uit berekeningen van de Commissie( 22 ). Hierbij moet echter worden aangestipt dat de schulden van ondernemingen grotendeels worden bepaald door transacties van multinationals en het grote aantal grensoverschrijdende leningen in concernverband, terwijl de schuldgraad van de overige binnenlandse niet-financiële vennootschappen in overeenstemming is met het prudentiële niveau.

De schulden van huishoudens bestaan grotendeels uit hypotheken en zijn door het Europees Comité voor systeemrisico's aangemerkt als een beduidend kwetsbaar punt (ESRB, 2016). Het hoge niveau aan hypotheekschulden wordt bepaald door sterke verstoringen op de woningmarkt: de royale fiscale behandeling van eigen woningen, de vroegere regelgeving die hoge LTV-ratio's en aflossingsvrije hypotheken begunstigde, de ondoelmatige en gesubsidieerde sociale huursector en de onderontwikkelde vrije huursector. Hoewel het belastingvoordeel voor rentebetalingen op hypotheken geleidelijk wordt afgebouwd (zie de discussie verderop), behoort het nog steeds tot de hoogste in de EU.

De nominale schuld van huishoudens stijgt. Toen de zeepbel op de huizenmarkt was gebarsten, bereikte de nominale schuld van huishoudens in 2012 met 758 miljard EUR een piek . Na een lichte terugval in de twee daaropvolgende jaren, bereikte de nominale schuld in 2016 opnieuw het vorige piekniveau. Toch is de verhouding schulden van huishoudens/bbp sinds de piek van 2012 aan het dalen door de stijging van het nominale bbp. In het verleden heeft het kabinet maatregelen genomen - met name de verlaging van de hypotheekrenteaftrek, de aflossingsverplichting om aanspraak te kunnen maken op de hypotheekrenteaftrek en een aanscherping van de loan-to-value- en de loan-to-income-ratio's - maar hiermee werd het hoge schuldpeil niet rechtstreeks aangepakt en deze maatregelen hebben misschien alleen maar op lange termijn effect op het niveau van de schuld.

Grafiek 4.2.4:Particuliere schuld

Bron: CBS

Het aantal hypotheken dat onder water staat, is afgenomen.( 23 ) Uit de recentste gegevens van De Nederlandsche Bank over het leningpeil blijkt dat het aantal hypotheken dat onder water staat, is afgenomen van 36 % van het totale aantal leningen in het eerste kwartaal van 2013 tot 14 % in het tweede kwartaal van 2017. Dit valt voor een groot deel te verklaren door het herstel van de woningmarkt. De groep die het meest wordt getroffen, bevindt zich in is de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar. Deze groep bestaat vooral uit starters op de woningmarkt die hun eigen woning hebben gekocht in de periode net vóór de crisis op de woningmarkt. Deze groep staat door hun hoge loan-to-value-ratio ook het meeste bloot aan veranderingen in de prijzen op de markt.

De loan-to-value- (LTV) en loan-to-income (LTI)-ratio's blijven hoog. De maximale LTV-ratio voor nieuwe hypotheken is stapsgewijs verlaagd tot 100 % in 2018. Hoewel de totale LTV-ratio voor uitstaande schuld 78 % bedroeg in 2015, hadden de huiseigenaren in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar die het meest getroffen werden door een hypotheek die onder water staat, in 2015 een gemiddelde LTV-ratio van 110 %. De LTI-ratio( 24 ) van die groep was 5,3, terwijl de totale LTI-ratio in 2015 op 4,2 stond.

Het kabinet heeft aangekondigd de hypotheekrenteaftrek sneller af te gaan bouwen. In plaats van de hypotheekrenteaftrek jaarlijks met 0,5 procentpunt te verlagen zodat deze tegen 2041 op 38 % uitkomt, zal hij nu vanaf 2020 met 3 procentpunten worden verlaagd zodat hij in 2023 op 37 % uitkomt. Dit mag dan een aanzienlijke verlaging van de hypotheekrenteaftrek zijn, toch blijft 37 % nog steeds het hoogste percentage in de EU. Bovendien zal deze verlaging alleen invloed hebben op belastingplichtigen in de hoogste belastingschijf; de maatregel zal geen invloed hebben op de mensen in de laagste belastingschijven( 25 ). Een sterke subsidie op schuldvorming blijft dus bestaan. In een recent quasi-experimenteel onderzoek zijn kanttekeningen geplaatst bij de argumenten voor een hypotheekrenteaftrek en is aangetoond dat huishoudens in regelingen met een ruimere hypotheekrenteaftrek erdoor worden aangezet om meer schulden te maken (Gruber, Jensen en Kleven, 2017). Ook heeft het kabinet beslist om de zogeheten wet-Hillen uit te faseren – over een periode van dertig jaar die ingaat in 2019 – en het eigenwoningforfait stapsgewijs te verlagen met 0,15 ppt per jaar: van thans 0,75 % naar 0,6 % vanaf 2020. Op basis van nieuwe regels zou over een fictieve huurwaarde belasting moeten worden betaald voor eigen woningen waarvoor de hypotheek bijna of helemaal is afgelost. Tot dusver kon, dankzij de wet-Hillen, in dergelijke gevallen de over dit huurwaardeforfait verschuldigde belasting tot nul worden teruggebracht.

Grafiek 4.2.5:Schuld van niet-financiële vennootschappen

Bron: CBS

De schuld van niet-financiële vennootschappen valt grotendeels toe te schrijven aan multinationals. Het aandeel van multinationals in de totale schuld van niet-financiële vennootschappen is in de loop van de jaren aanzienlijk toegenomen: van 52 % van het bbp in 2007 tot 90 % in 2015, hetgeen overeenkomt met 69 % van het totale schuldvolume van niet-financiële vennootschappen( 26 ). Een deel van de verklaring voor deze hoge schuldgraad van multinationals is gelegen in de belastingheffing en de wet- en regelgeving, die grote ondernemingen ertoe aanzetten om zich in Nederland te vestigen en de verschillen in regelgeving tussen landen uit te buiten. Diverse aspecten in de regelgeving maken Nederland aantrekkelijk voor multinationals (bijv. de innovatieboxregeling, het ontbreken van bronbelastingen op royalty's en rentebetalingen of de wijdverbreide praktijk om Advance Tax Rulings (ATR) af te geven), ook al houden deze niet allemaal direct verband met vreemd vermogen.

Grafiek 4.2.6:Verhouding intraconcernschuld/totale schuld

Bron: CBS

Buitenlandse niet-financiële vennootschappen zijn goed voor ten minste 43 % van de totale schuld van niet-financiële vennootschappen. Daarbij gaat het voor het merendeel om intraconcernschulden. Het grote aandeel schulden van buitenlandse niet-financiële vennootschappen kan betekenen dat om fiscale redenen vreemd vermogen wordt ingezet. Dit lijkt zelfs nog plausibeler omdat het bij 60 % van de schulden van buitenlandse grote niet-financiële vennootschappen gaat om intraconcernschulden, dus leningen die worden verstrekt binnen het concern, waarover meestal ook rente wordt berekend (zie grafiek 4.2.6). De intraconcernschulden van binnenlandse niet-financiële vennootschappen zonder internationale dochterondernemingen liggen namelijk veel lager (minder dan 5 % in 2015). Het verschuiven van schulden binnen een concern wordt doorgaans door multinationals gebruikt om hun belastingdruk te verlagen door hogere rentebetalingen aan andere groepsmaatschappijen buiten Nederland. De gegevens over rentebetalingen door multinationals bevestigen deze vaststelling, aangezien de kloof tussen de door multinationals betaalde en ontvangen rente aanzienlijk is verruimd door een forse toename in de schulden van multinationals (zie grafiek 4.2.7). Een en ander kan ook in verband worden gebracht met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 2003 over de aftrekbaarheid van rentekosten van buitenlandse deelnemingen (Jansen en Ligthart, 2014). Het Hof( 27 ) verklaarde dat, evenals bij binnenlandse deelnemingen, ook rentekosten die samenhangen met de verwerving van buitenlandse deelnemingen in Nederland, aftrekbaar moeten zijn. Omdat intraconcernschuld van niet-financiële vennootschappen hoogst waarschijnlijk wordt gebruikt voor fiscale optimalisatiedoeleinden, is dit niet meteen een aanwijzing voor een macro-economisch risico.

Grafiek 4.2.7:Rente betaald en ontvangen door multinationals

Bron: CBS

4.2.5. PENSIOENEN*

Het driepijlerpensioenstelsel scoort goed op toereikendheid van pensioenen en budgettaire houdbaarheid. De eerste pijler is een staatspensioen georganiseerd op basis van een omslagstelsel, betaald uit een specifieke premie en algemene belastingontvangsten. Om de budgettaire houdbaarheid van dit stelsel te garanderen, is de wettelijke pensioenleeftijd gekoppeld aan de levensverwachting (zie punt 4.1)( 28 ). De tweede pijler is op bedrijfstakniveau georganiseerd en wordt gefinancierd via kapitaaldekking. Op verzoek van de representatieve sociale partners in de betrokken bedrijfstak kan deelname verplicht worden gesteld, en pensioenpremies en -uitkeringen zijn afhankelijk van de arbeidservaring. Hoewel er een verschuiving is naar premiepensioenen( 29 ), valt toch nog zo'n 90 % van de werknemers onder een uitkeringsovereenkomst. De derde pijler bestaat uit individuele pensioenproducten, en bestaat in wezen alleen uit een belastingvrijstelling voor premies ingelegd voor dit soort producten. De eerste en tweede pijler streven naar een vervangingsratio van 75 % van het middelloon bij het bereiken van de pensioenleeftijd.

De tweede pijler kampt met knelpunten in termen van dekking, transparantie en flexibiliteit over de hele levenscyclus. Dit stelsel is in het midden van de twintigste eeuw ingericht en is niet goed toegerust om in te spelen op de huidige structurele trends op de arbeidsmarkt (individualisering, flexibiliteit, baan-baanmobiliteit, vergrijzing). Het kabinet zet in op een modernisering van het pensioenstelsel volgens de contouren die door de Sociaal-Economische Raad (SER) zijn uitgetekend. Het kabinet wil, samen met de sociale partners, naar een stelsel gaan dat de kwetsbaarheden in het huidige pensioenstelsel adresseert en waarmee de sterke elementen gehandhaafd blijven: verplichtstelling, collectieve uitvoering, risicodeling en fiscale ondersteuning ( 30 ).

De tweede pensioenpijler is procyclisch en duur als de rente laag staat. De afgelopen paar jaar zijn de zwakke punten van de tweede pensioenpijler blootgelegd. Een lage rentestand, maar ook een vergrijzende bevolking en de sterke toename van de levensverwachting hebben bij veel pensioenfondsen een situatie van "onderdekking" doen ontstaan. Om het stelsel houdbaar te houden, is in recente jaren afgezien van een indexatie van de pensioenen en zijn de pensioenpremies verhoogd tot ongeveer 30 miljard EUR, bijna 5 % van het bbp. Momenteel werken werknemers in loondienst ruwweg één dag per week voor hun pensioen. Dit is een belangrijke factor in de verplichteafdrachtenwig), die verhoudingsgewijs hoog is in Nederland (zie grafiek 4.2.8; pensioenpremies zijn goed voor ruwweg 70 % van de niet-verplichte fiscale afdrachten. De totale activa van pensioenfondsen zijn aangegroeid van 778,5 miljard EUR in 2009 (127 % van het bbp) tot 1 378 miljard EUR in 2016 (bijna 200 % van het bbp). Toch is dit al bij al nog steeds onvoldoende om de toegenomen verplichtingen te dekken. Door de stijgende pensioenbesparingen is de groei van de particuliere consumptie verzwakt en is het binnenlandse spaaroverschot opgelopen. Omdat een verlaging van de pensioenuitkeringen een laatste redmiddel is, verschuiven de overblijvende risico's naar de werkende en jongere generaties. Met andere woorden, ad-hocaanpassingen van indexatie en pensioenpremies hebben tot procyclische macro-economische schokken geleid en zouden tot overdrachten tussen generaties kunnen leiden die ten koste gaan van de huidige jongere generaties, die dus hogere premies zouden moeten gaan betalen voor een relatief lager gegarandeerd pensioen.

Grafiek 4.2.8:Verplichteafdrachtenwig (2016)

Bron: OESO (2017). Niet-fiscale verplichte afdrachten als extra lasten op inkomen uit arbeid in 2016. http://www.oecd.org/tax/tax-policy/Non-tax-compuslory-payments.pdf. De grafiek geeft de gemiddelde verplichteafdrachtenwig en de gemiddelde belastingwig weer voor alleenstaande belastingplichtigen zonder kinderen met een middeninkomen, 2016.

Pensioenfondsen bepalen de financiële architectuur van het land. Pensioenfondsen trekken binnenlandse spaargelden aan bij huishoudens en beleggen die grotendeels in het buitenland om hun voordeel te doen met internationale diversificatie en de fiduciaire doelstelling van hun deelnemers te kunnen verwezenlijken( 31 ). Dit mag dan gunstig zijn voor de efficiëntie van hun portfolio, toch kunnen vragen worden gesteld bij de impact op de binnenlandse financieringsbasis omdat een en ander van invloed kan zijn op de betrekkelijk lage ratio deposito's/totale funding van banken (zie punt 4.2.1). Met een hoge verplichteafdrachtenwig hebben huishoudens het moeilijk om geld opzij te zetten om een huis te kopen en moeten zij dus een hypotheekschuld aangaan. Banken financieren hun hypotheken dan weer op grote schaal met geld dat zij op de internationale kapitaalmarkten hebben geleend. Dit creëert een afhankelijkheid van wholesale funding en versterkt de kwetsbaarheid in tijden van financiële turbulentie. Pensioenfondsen investeren pas sinds kort meer op de lange termijn in de Nederlandse hypotheekmarkt.

Er mag dan een brede consensus zijn dat het pensioenstelsel moet worden hervormd, toch blijven concrete stappen voorlopig uit. De afgelopen jaren is een aantal incrementele beleidsmaatregelen genomen, zoals het optrekken van de pensioenleeftijd, een hiermee samengaande aanpassing in het belastingstelsel en maatregelen op het gebied van financieel toezicht, waardoor pensioenfondsen met een dekkingstekort een langere herstelperiode krijgen. Ook zijn er initiatieven om pensioenfondsen meer te laten financieren in de nationale economie, die de economische groei in Nederland ten goede moeten komen. Desondanks zijn er nog maar weinig concrete stappen gezet om de procycliciteit van het pensioenstelsel aan te pakken. De duidelijke toezegging om met name een vooraf bepaald nominaal uitkeringsniveau te halen, heeft een hoge kostprijs. Deze wordt uiteindelijk betaald door de deelnemers aan het pensioenfonds zelf en vergroot de omvang van de conjunctuurcyclus. De hervormingsrichtingen die thans door de sociale partners worden besproken, zijn veelbelovend: zij kunnen leiden tot lagere en stabielere pensioenpremies, en toch de toereikendheid van pensioenen ongemoeid laten.

4.3.    Arbeidsmarkt, onderwijs en sociaal beleid

4.3.1.Arbeidsmarkt*

Het herstel van de arbeidsmarkt is in 2017 verder versneld. In de eerste helft van het jaar hadden meer dan negen miljoen mensen in Nederland een baan, dit aantal ligt hoger dan vóór de crisis. Met een arbeidsparticipatie van 77,9 % in 2017 behoorde Nederland tot een van de Europese koplopers. Toch lag dit percentage nog iets onder het niveau van vóór de crisis door een toename van de bevolking in de werkende leeftijd. Een van de gunstige arbeidsmarktonwikkelingen is een aanhoudende daling van de werkloosheid, die afnamen tot 4,9 % in 2017. Deze daling viel ook waar te nemen in de cijfers voor de jeugdwerkloosheid en de langdurige werklozen.

Grafiek 4.3.1:Voornaamste arbeidsmarktontwikkelingen

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Ondanks lage werkloosheidscijfers en een groot aantal vacatures, blijft de loongroei betrekkelijk bescheiden. De groei van de nominale beloning per werknemer was in 2016 met 1,2% nog altijd aan de voorzichtige kant. Hoewel de loongroei in 2017 versnelt tot 1,7 %, blijft deze onder het niveau dat zou mogen worden verwacht op basis van de lage werkloosheidscijfers (zie grafiek 4.3.2) en van andere fundamentele factoren zoals inflatie en productiviteit (zie grafiek 1.5 in punt 1). De zwakke loongroei valt misschien verder te verklaren door de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt: dat is . een maatstaf voor de onderbenutting van de arbeidskrachten( 32 ) en deze is geraamd op 8,6 % in het derde kwartaal van 2017.

Grafiek 4.3.2:Verband tussen werkloosheid en nominale loongroei (2001-2016)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Naast de macro-economische ontwikkelingen en de krapte op de arbeidsmarkt, kan ook de toenemende segmentering op de arbeidsmarkt de zwakke loongroei deels helpen te verklaren. Het aandeel tijdelijke werknemers is tussen 2006 en 2014 gestegen van 16 % tot 17,3 %. De totale loongroei kwam naar schatting 11 % lager uit door deze toename van tijdelijke banen, omdat tijdelijke werknemers doorgaans een lager loon ontvangen dan werknemers met een vaste baan ( 33 ).

Kader 4.3.1: Monitoring van de prestaties in het licht van de Europese pijler van sociale rechten

De Europese pijler van sociale rechten die op 17 november 2017 is afgekondigd door het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie, bevat 20 sleutelbeginselen en -rechten voor burgers in de EU. In de nasleep van de crisis en gezien de verschuivingen in onze samenlevingen onder invloed van vergrijzing, technologische veranderingen en nieuwe arbeidsvormen, dient de pijler als een kompas voor een hernieuwd proces van convergentie naar betere arbeids- en levensomstandigheden.

Nederland presteert relatief goed als het gaat om de indicatoren van het Sociale Scorebord( 34 ) dat de Europese pijler van sociale rechten flankeert. Er is in Nederland al bij al sprake van een goede arbeidsmarktsituatie en sociale situatie te zien. Per capita is het reële beschikbare inkomen van huishoudens in 2016 gestegen en het niveau ligt nu bijna weer op dat van vóór de crisis. De inkomensongelijkheid is betrekkelijk laag, al is ze in 2016 licht toegenomen. Wat betreft gelijke kansen op de arbeidsmarkt en eerlijke arbeidsvoorwaarden blijft de kwestie van de segmentering van de arbeidsmarkt een aandachtspunt.

De genderongelijkheid in de arbeidsmarktparticipatie past zich slechts zeer traag aan als gevolg van de huidige prikkels van het beleid rond de balans tussen werk en privéleven. De genderkloof op de arbeidsmarkt zorgt voor een brede genderkloof in ouderdomspensioenen. Dit is een punt van zorg uit oogpunt van gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Het hoge aandeel deeltijdwerk bij vrouwen is terug te voeren op een combinatie van factoren. Een daarvan is het stelsel van familieverlof (zwangerschaps- en bevallingsverlof en ouderschapsverlof) dat geen ruimte biedt voor een uit genderoogpunt evenwichtige opname van verlof. Dit leidt tot een ongelijke verdeling van de zorgtaken tussen moeders en vaders en ontmoedigt de hoofdkostwinner - vaak mannen - om daarvan gebruik te maken.

Het percentage jongeren dat geen onderwijs volgt en niet werkzaam is, ligt in Nederland verhoudingsgewijs laag. Ook in 2016 heeft Nederland beleidsinitiatieven ontplooid om de jeugdwerkloosheid aan te pakken. Het kabinet rolt de zogeheten City Deal Aanpak Jeugdwerkloosheid uit, een beleidsinitiatief en partnerschap tussen zeven gemeenten en scholen (secundair en hoger onderwijs), onderzoekers, werkgevers en bemiddelingsinstanties. In dit initiatief ligt de focus op oplossingen voor (migranten)jongeren in achterstandsbuurten, zodat ze door een loopbaangerichte sturing op school beter zijn voorbereid op de overgang naar werk. Binnen het programma Matchen op Werk investeert het Rijk, samen met de gemeenten, het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) en hun partners in duurzame arbeidskansen voor jongeren. Samen zetten zij in op betere dienstverlening voor werkgevers (de sleutelpartners in de aanpak van (jeugd)werkloosheid) en betere toegang tot vacatures.

Hoewel de vakbeweging de afgelopen jaren de looneisen heeft gematigd in ruil voor werkzekerheid, liggen de looneisen voor 2018 veel hoger. De FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging), de grootste Nederlandse vakbond, heeft voor 2018 gepleit voor een loonsverhoging met minimaal 3,5 % in nominale termen, en tot 5 % voor de laagste loonschalen. Dit steekt scherp af tegen de looneisen van de voorbije jaren die veel gematigder waren en waar de hoofddoelstelling het behoud van banen en het terugdringen van het aantal tijdelijke banen was. Hoe een en ander afloopt, staat nog te bezien.

Arbeidsmarktparticipatie van vrouwen

Ook al functioneert de arbeidsmarkt goed, toch is er nog veel onbenut arbeidspotentieel. De arbeidsparticipatie van vrouwen mag dan hoog zijn (71,6 % in 2016), bijna drie op vier vrouwen werkt in deeltijd (74,8 %). Daardoor ligt de arbeidsparticipatie in voltijdequivalenten voor vrouwen veel lager (48,9 %) en is de genderkloof in voltijdequivalenten een van de hoogste in de EU (27,2 ppt). Het aandeel deeltijdarbeid is bijzonder hoog bij vrouwen met zorgtaken (zie grafiek 4.3.3): in 2016 werkte 86 % van de vrouwen met ten minste één kind jonger dan 14 jaar in deeltijd, tegenover 51 % van de vrouwen zonder kinderen. De afgelopen jaren is het aandeel deeltijdarbeid bij vrouwen met kinderen echter gedaald en is het aantal deeltijds gewerkte uren toegenomen, terwijl er geen vergelijkbare trend valt waar te nemen voor vrouwen zonder kinderen (zie grafiek 4.3.4). Of mannen kinderen hebben, speelde dan weer geen grote rol voor het aandeel mannen dat deeltijd werkt. Opvallend is wel dat het aandeel deeltijdwerk bij mannen ver boven het EU-gemiddelde en het gemiddelde van de buurlanden ligt. Verschillen in werkintensiteit resulteren in een grote loonkloof (47,5 % in 2014) en, op latere leeftijd, in een grotere genderkloof voor het pensioen (42,5 % in 2016)

Traditioneel gezien is het aandeel deeltijdarbeid bij vrouwen in Nederland altijd hoog geweest en misschien verloopt de aanpassing daarom zo traag. Het hoge aandeel deeltijdarbeid is het resultaat van een samenspel van diverse factoren en institutionele invloeden, zoals de vormgeving van verlofregelingen om gezinsredenen, maar ook de intermediaire kostprijs en de beschikbaarheid van voltijdse kinderopvang en naschoolse opvang (Portegijs e.a., 2008; Taskforce DeeltijdPlus, 2010).

Grafiek 4.3.3:Aandeel deeltijdwerk met en zonder kinderen (2016)

(1) De grafiek geeft het aandeel weer van deeltijdarbeid bij vrouwen en mannen (in de leeftijd 30-45 jaar), naargelang er in het huishouden kinderen jonger dan 14 jaar zijn.

Bron: Europese Commissie (Eurostat, Arbeidskrachtenenquête).

Grafiek 4.3.4:Arbeidsmarktparticipatie van vrouwen (met kinderen)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Deze kunnen een invloed hebben op de (ongelijke) verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen. Tegelijkertijd lijkt onderzoek erop te wijzen dat de wijze waarop beleid voor een betere balans tussen werk en privé is vormgegeven, en de daaruit voortvloeiende prikkels, impact kunnen hebben op de gemaakte keuzes en dus op de arbeidsmarktprestaties van vrouwen (OESO, 2017d; Eurofound, 2017b). Met name het feit dat ouderschapsverlof vaak onbetaald is, schrikt hoofdkostwinners (vaak mannen) af om daarvan gebruik te maken; hiermee wordt dus versterkt dat vooral vrouwen de zorg voor kinderen opnemen. Het feit dat mannen slechts twee dagen betaald kraamverlof krijgen, functioneert ook als een rem op de gelijke verdeling van de zorgtaken voor kinderen. In dit verband stelt het nieuwe regeerakkoord voor om het kraamverlof in 2019 te verlengen van twee naar vijf dagen. Daarbovenop zou vanaf 1 juli 2020 aanvullend kraamverlof van vijf weken worden toegekend, op te nemen in de eerste zes maanden na geboorte.

Arbeidsmarktintegratie van migranten

De algehele participatiegraad is zeer hoog, maar mensen met een migratieachtergrond doen het op dit gebied minder goed. Met name de situatie van mensen die buiten de EU zijn geboren, blijft een cruciaal thema. De arbeidsparticipatie van migranten die buiten de EU zijn geboren, bedroeg 58,9 % in 2016 en lag 20,6 procentpunten (ppt) lager dan voor autochtonen, een lichte stijging ten opzichte van 2015 (20,2 ppt). De kloof is groter voor vrouwen die buiten de EU zijn geboren (23,4 ppt minder dan voor autochtone vrouwen), als gevolg van hun zeer lage activiteitsgraad. Migranten die buiten de EU geboren zijn, kampen ook met hogere werkloosheidsgraad (12,1 %) dan mensen die in Nederland zijn geboren (5,4 %). Dit geldt met name voor mensen in de leeftijdsgroep 15-24 jaar. Verschillen in arbeidsmarktprestaties van buiten de EU geboren migranten, vallen slechts gedeeltelijk te verklaren door verschillen in leeftijd en opleiding. Dit kan erop wijzen dat andere factoren zoals het ontbreken van erkenning van kwalificaties, taalvaardigheden, beperkte professionele netwerken of discriminatie een rol kunnen spelen (Europese Commissie, 2017b).

Ook de arbeidsmarktprestaties van de "tweede generatie" (d.w.z. in Nederland geboren personen met een migratieachtergrond) zijn ongunstig, ook al zijn zij in Nederland geboren en getogen. Uit recentelijk door het Centraal Bureau voor de Statistiek( 35 ) gepubliceerde gegevens blijkt dat de arbeidsparticipatie van inwoners met een migratieachtergrond uit "niet-westerse" landen( 36 ) in de leeftijd van 15 tot 74 jaar in 2016 ongeveer 60,1 % bedroeg, ruim onder het gemiddelde voor mensen zonder een migratieachtergrond (67,4 %) (CBS, 2017a, Tabel Arbeidsparticipatie). Toch lag dit percentage hoger dan voor migranten van de eerste generatie uit "niet-westerse" landen (54,2 %), grotendeels door een veel hogere werkloosheid. Daarbij komt dat de kans op een baan (zelfs na correctie voor vaardigheden (score geletterdheid), leeftijd, geslacht en opleidingsniveau (OESO, 2014, tabel A.7)) in 2012 voor in Nederland uit migrantenouders geboren kinderen lager was (19,4 ppt) dan voor in Nederland uit twee autochtone ouders geboren kinderen.

Integratieprogramma's kunnen beslist nog worden versterkt. Bij de efficiëntie van de hervorming van het integratiebeleid voor immigranten (van 2012-2014) kunnen vraagtekens worden gezet. Met die hervorming worden migranten verplicht Nederlands te leren en een inburgeringsexamen af te leggen, terwijl de verantwoordelijkheid voor de integratie - met name het leren van de taal (en de financiële kostprijs daarvan) - voor het grootste deel bij de immigranten wordt gelegd (zie Algemene Rekenkamer, 2017). Ook de lage slaagcijfers voor taaltoetsen en de kwaliteit van de inburgeringscursussen zijn een punt van zorg. De nieuwe coalitie wil de overheidsfinanciering voor taallessen ("vanaf dag één") opvoeren en tegelijk het verplichte taalniveau aanscherpen. Hoewel de lopende herevaluatie van het integratiebeleid noodzakelijk lijkt, is onduidelijk of dit een afdoende antwoord biedt op de integratiebehoeften van nieuwkomers op de arbeidsmarkt.

Segmentatie*

Het aandeel flexwerkers op de arbeidsmarkt is relatief groot en neemt nog steeds toe. Zowel het percentage tijdelijke werknemers als het percentage zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) is de afgelopen tien jaar fors opgelopen in Nederland (zie grafiek 4.3.5). Veranderingen in de industriële productie - met verschuivingen van werkgelegenheid naar sectoren die zich naar hun aard meer lenen voor zelfstandig ondernemerschap of flexbanen - bieden slechts een gedeeltelijke verklaring voor de recente verschuiving naar meer flexibele arbeid. Deze situatie wordt verder beïnvloed door uiteenlopende institutionele factoren, zoals een gunstige fiscale behandeling (voor zzp'ers) en verschillen in socialezekerheidswetgeving, maar ook door grote verschillen in de arbeids- en ontslagbeschermingsregels voor mensen met vaste en tijdelijke contracten (Europese Commissie, 2017b, blz. 30; Europese Commissie, 2016a, blz. 46-49).

De recente sterke toename in banencreatie zit vooral in tijdelijke banen en banen van zelfstandigen. Deze trend wijst op een verdere toename van de flexibiliteit op de Nederlandse arbeidsmarkt. Ondanks de hervorming van 2015 (zie verderop), is het aandeel tijdelijke werknemers (in de leeftijdsgroep 20-64 jaar) blijven stijgen, om in het derde kwartaal 2017 uit te komen op 18,4 % (EU-gemiddelde: 13,7 %). Het aandeel van zzp'ers in de totale werkgelegenheid bedroeg 12,1 % in het derde kwartaal 2017 (EU-gemiddelde: 9,9 %). De groep zzp'ers is heel divers en het aantal zzp'ers is in alle bedrijfstakken en leeftijdsgroepen toegenomen (zie grafiek 4.3.6).

Grafiek 4.3.5:Werkgelegenheid (20-64 jaar) naar soort (jaarmutatie)

Bron: Europese Commissie (Eurostat, niet-seizoensgecorrigeerde gegevens).

Zelfstandigen zijn niet verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsrisico's zoals ongevallen op het werk, inactiviteit en ouderdom (tweede pijler). Zij zijn alleen verzekerd voor ziektekosten en langdurige zorg en hebben recht op gezinsbijslagen, een staatspensioen (eerste pijler) en een nabestaandenpensioen. Bij langdurige ziekte ontvangen zij de eerste twee jaar geen uitkering bij ziekte. Iedere Nederlander, ook zelfstandigen, heeft een verplichte particuliere basiszorgverzekering. Toch geeft de meerderheid van de zzp'ers (57 %) aan dat zij zich financieel onzeker zouden voelen indien zij met ernstige langdurige ziekte werden geconfronteerd (EU-gemiddelde: 48 %) (Eurofound, 2017a) ( 37 ).

Ongeveer één op de vijf werknemers in Nederland had in 2016 een tijdelijk contract. Met name starters op de arbeidsmarkt krijgen met tijdelijke contracten te maken: 44,1 % van de werknemers jonger dan 30 jaar werkt met een tijdelijk contract (EU-gemiddelde: 32,2 %). Dit is een opvallende stijging ten opzichte van 2005, toen nog maar 33,0 % van de werknemers jonger dan 30 jaar een tijdelijk contract had. Het hoge aandeel tijdelijke banen heeft een negatief effect op de loopbaanduur en het carrièreperspectief van jongeren. De gemiddelde baanduur van werknemers jonger dan 30 jaar nam af van 27 maanden in 2005 tot 21 maanden in 2015. Deze daling zou volgens ramingen voor bijna de helft kunnen worden toegeschreven aan de toename van het aantal tijdelijke contracten voor jongere werknemers (Europese Commissie, 2017f). Voorts zijn er, gezien de aanzienlijke loonkloof tussen werknemers met een tijdelijke of een vaste baan, ook negatieve effecten voor het inkomen van deze groep werknemers.

Grafiek 4.3.6:Zelfstandigen per bedrijfstak ( % van totale werkgelegenheid in de bedrijfstak)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

In 2015 heeft het kabinet een ingrijpende hervorming doorgevoerd om de verschillen tussen tijdelijke en vaste contracten terug te dringen. Deze hervorming kwam uitvoerig aan bod in Europese Commissie, 2016a en Europese Commissie, 2017a. Omdat de maatregelen stapsgewijs worden ingevoerd, valt een formele evaluatie van de hervorming pas voor 2020 te verwachten. Uit de eerste bevindingen over het effect van de veranderingen die met de Nederlandse Wet werk en zekerheid zijn doorgevoerd, blijkt dat veranderingen, in onder meer de verlaging van de ontslagvergoeding, geen invloed hebben gehad op het besluit van werkgevers om werknemers met een vast contract te ontslaan of in dienst te nemen (Heyma e.a., 2017). De doorstroming van tijdelijke naar vaste contracten is de afgelopen drie jaar vrij stabiel gebleven en ligt tussen 11 % en 12 % per kwartaal (zie grafiek 4.3.7). De toepassing van een mechanisme dat voor werkgevers de prikkels moet verminderen om werknemers door schijnzelfstandigen te vervangen, is opgeschort tot minstens begin 2018.

Om de arbeidsmarkt te moderniseren en de segmentatie aan te pakken, heeft het nieuwe kabinet een reeks aanvullende maatregelen aangekondigd, maar meer details en een tijdschema voor de goedkeuring ervan blijven vooralsnog uit. De belangrijkste maatregelen zijn: 1) de loondoorbetalingsperiode bij ziekte voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) wordt verkort van twee naar één jaar; 2) de introductie van een cumulatiegrond in het ontslagrecht voor contracten voor onbepaalde tijd; 3) de invoering van een minimumuurtarief voor zzp'ers om schijnzelfstandigheid terug te dringen. Tegelijk wordt 4) de totale periode dat iemand met een tijdelijk contract kan werken, verlengd van twee naar drie jaar (in lijn met de wetgeving vóór 2015), maar hij/zij krijgt wel vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst recht op een transitievergoeding (in plaats van pas na twee jaar zoals voordien het geval was). Voorts heeft het kabinet voorgesteld om nader te bezien hoe de WW-premie kan worden gedifferentieerd al naargelang het type contract en de kwalificatie van de zzp'er. Op dit ogenblik zijn het tijdschema voor goedkeuring, maar ook de mogelijke effecten van deze nieuwe maatregelen op de segmentatie van de arbeidsmarkt nog altijd onduidelijk.

Het sociaal overleg is een essentieel onderdeel van het Nederlandse poldermodel en functioneert al met al vrij goed. De sociale partners zijn geconsulteerd over de richting en mogelijke beleidsopties om het tweedepijlerpensioenstelsel te hervormen. Het nieuwe kabinet wil hen ook nauw betrekken bij de ambitieuze agenda voor de hervorming van de arbeidsmarkt.

Grafiek 4.3.7:Doorstroming van tijdelijk naar vast werk, per kwartaal

Bron: Europese Commissie (op basis van CBS-gegevens)

Armoede en sociale uitsluiting in Nederland

In Nederland mag het risico op armoede of sociale uitsluiting tot het laagste in de EU behoren, toch is deze indicator in de periode 2008-2016 toegenomen met 364 000 personen. Het armoedeverminderende effect van sociale transfers (pensioenen niet meegerekend) is het afgelopen jaar aanzienlijk vertraagd, al blijft het op een behoorlijk niveau en ligt het boven het EU-gemiddelde. Nederland scoort goed op het gebied van adequate steun aan minima (als percentage van de armoededrempel) en de relatieve armoederisicokloof. Wat betreft werkloosheidsuitkeringen liggen de Nederlandse prestaties dicht bij het EU-gemiddelde in termen van adequate steun, al is de duur ervan (voor één jaar aan arbeidsverleden) betrekkelijk kort( 38 ). Het bijstandsinkomen wordt gecombineerd met prikkels voor de (re-)integratie op de arbeidsmarkt, omdat mensen die een uitkering ontvangen, passend werk moeten accepteren. Het armoederisico voor werkenden is in Nederland in 2016 toegenomen met 6 ppt (al geven de data een reeksbreuk te zien) en kwam uit op 5,6 %, hetgeen ruim onder het EU-gemiddelde ligt (9,5 % in 2015).

Het aantal mensen in huishoudens met een lage werkintensiteit is afgenomen. Bij het vastleggen van zijn Europa 2020-doelstellingen heeft Nederland zich ertoe verbonden om het aantal mensen in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (d.w.z. die minder dan 20 % van hun totale potentieel werken) uiterlijk in 2020 te verminderen met 100 000 ten opzichte van 2008. Deze vermindering is gericht op de leeftijdsgroepen tot 64 jaar en niet op die tot 59 jaar, zoals in de Eurostat-indicator. Sinds 2008 valt er echter een verschuiving in de cijfers vast te stellen. Sinds 2016 hebben 51 000 mensen zich onttrokken aan huishoudens met een lage werkintensiteit. Zodoende is de Europa 2020-doelstelling voor de helft bereikt.

Mensen die buiten de EU geboren zijn, kampen met een hoger risico op armoede of sociale uitsluiting. Bij de mensen ouder dan 18 jaar die in Nederland geboren zijn, is het aandeel mensen met een risico op armoede of sociale uitsluiting over de periode 2008-2016 stabiel gebleven op 13,7 %. Bij inwoners die buiten de EU geboren zijn, is dit risico toegenomen van 31,7 % in 2009 tot 39,6 % in 2016. Een en ander houdt rechtstreeks verband met de hierboven beschreven kwetsbare arbeidsmarktpositie van veel buiten de EU geboren migranten.

4.3.2.Onderwijs en vaardigheden

Over het geheel genomen wordt goed gepresteerd, maar de basisvaardigheden nemen iets af en de prestatieverschillen tussen scholen stijgen. Hoewel in 2015 het aandeel zwak presterende leerlingen in het Programme for International Student Assessment (PISA) van de OESO nog steeds onder het EU-gemiddelde lag, is het toegenomen in alle drie de domeinen (leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen). De prestatieverschillen tussen scholen zijn het grootst van alle OESO-landen (OESO, 2016a) en hangen nauw samen met het uiteenlopende onderwijstraject dat deze scholen aanbieden. Ook zijn er verschillen tussen scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie (Ministerie van OCW, 2017a)

Een reeks nieuwe maatregelen wil de prestatiekloof dichten tussen leerlingen uit een achterstandsmilieu en uit hogere sociaaleconomische milieus. Het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs (sbo) is sinds de invoering van het "passend onderwijs"-beleid in 2014-2015 met meer dan 6 % gedaald. Alle scholen zijn er tegenwoordig voor verantwoordelijk om elk kind, ook kinderen met speciale onderwijsbehoeften, een passende plek in het onderwijs te bieden, bij voorkeur in het gewone onderwijs. De schoolprestaties van leerlingen met een migratieachtergrond blijven een belangrijke uitdaging, omdat deze doorgaans doorwerken in een geringere arbeidsmarktprestatie. Kinderen zonder migratieachtergrond presteren voor alle drie de PISA-domeinen opvallend beter dan kinderen met een migratieachtergrond. Dit verschil geldt ook voor leerlingen van de tweede generatie. Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met sociaaleconomische verschillen, presteren leerlingen met een migratieachtergrond (zowel eerste als tweede generatie) veel slechter dan leerlingen zonder migratieachtergrond, met een verschil van 41 punten voor leesvaardigheid en 31 voor wiskunde (Meelissen e.a., 2012).

De deelname van volwassenen aan scholing is over het algemeen hoog en ligt ruim boven het EU-gemiddelde. De deelname aan scholing ligt ook voor lager opgeleide volwassenen (9,1 % in 2016) aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde (4,2 %). In september 2016 is een bijzondere commissie, de Commissie vraagfinanciering mbo, opgericht die het kabinet moest adviseren over vouchers voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Als follow-up van het Nationaal Techniekpact en het actieplan mbo "Focus op Vakmanschap 2011–2015" vinden tussen mei 2015 en juli 2021 experimenten plaats in mbo-scholen om het schooltraject en het stagetraject te integreren. Leerlingen zullen in het schooltraject beginnen en kunnen dan naar het andere traject overstappen nadat zij de nodige theoretische en praktische vaardigheden hebben opgedaan. Met het experiment wordt tegemoetgekomen aan de behoeften van mbo-instellingen en bedrijven om flexibeler te opereren tussen beide trajecten, en de onderlinge samenwerking te stimuleren. De nieuwe maatregelen sluiten aan bij de aanbeveling tot invoering van bijscholingstrajecten( 39 ) voor lager opgeleide volwassenen, zodat zij vaardigheden kunnen verwerven en behouden en succesvol kunnen omgaan met de transities op de arbeidsmarkt.

Nederland kampt met een oplopend lerarentekort. In het basisonderwijs wordt rekening gehouden met een tekort van 4 000 voltijdequivalenten in 2020, terwijl de vraag in 2025 oploopt tot 10 000 voltijdequivalenten (Fontein e.a., 2015). In het secundaire onderwijs wordt een tekort verwacht voor vakken zoals wiskunde, natuurwetenschappen en vreemde talen. Na diverse jaren van dalende belangstelling viel bij de instroom van lerarenopleidingen in 2016 een lichte stijging van 5 % waar te nemen (Ministerie van OCW, 2017b). Gemiddeld werd in 5,1 % van alle lessen in het secundair onderwijs in 2015 lesgegeven door docenten zonder onderwijsbevoegdheid. In aansluiting op de Lerarenagenda 2013-2020 zijn maatregelen getroffen om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, blijvend te werken aan professionele ontwikkeling en carrièreperspectief te bieden.

Ook al beschikt Nederland over een ruim aanbood aan opgeleide en gekwalificeerde werknemers, toch is het lage aantal STEM (Science, Technology, Engineering and Mathematics)-diploma's een beperking voor de innovatiecapaciteit van het land. In 2015 behaalde slechts 17 % van de masterstudenten een diploma in STEM-sectoren, en slechts een derde daarvan was vrouw. Ondanks de zeer open arbeidsmarkt blijft dit een punt van zorg, omdat STEM-profielen belangrijk zijn voor de industrie en bij technologische innovatie. Het aandeel STEM-diploma's in Nederland behoort nog steeds tot een van de laagste in de EU, ook al neemt het aantal toe. Een kennelijk tekort aan geschikte ICT-professionals( 40 ) en mismatches in vaardigheden als gevolg van het beperkte gebruik van ICT-vaardigheden op het werk (OESO, 2015) vormen een grote uitdaging voor de ontwikkeling van de digitale economie en de digitale samenleving. Tekorten zullen naar verwachting blijven aanhouden; volgens het UWV (Van der Aalst and Van den Beukel, 2017) doen zijn de tekorten het grootst in de techniek- en ICT-banen. Om te voldoen aan de vraag naar meer ICT-specialisten, is de Human Capital Agenda ICT is opgezet. De eerste uitkomsten van het Techniekpact 2020 laten zien dat meer studenten kiezen voor bètatechniek, met een stijging van het aantal vrouwelijke studenten (Monitor Techniekpact, 2017).

Kader 4.3.1: Effecten van tijdelijke banen op inkomen

Dit kader analyseert de effecten van tijdelijke banen op inkomen, met name op uurlonen en armoede. Het is gebaseerd op de analyse van de segmentatie in het verslag "Labour Market and Wage Developments 2018".

In nagenoeg alle EU-landen liggen de lonen van werknemers met een vast contract hoger dan die van tijdelijke werknemers. In 2014 was deze loonkloof een van de hoogste in de EU. Vergeleken met andere lidstaten is het aandeel tijdelijke werknemers met een laag inkomen betrekkelijk hoog (36,5 % van de tijdelijke werknemers had een uurloon dat tot de laagste 20 % van alle lonen behoorde) (zie grafiek 1).

Het grote verschil tussen de lonen van tijdelijke en vaste werknemers valt voor een deel toe te schrijven aan verschillen in productiviteit, die gedeeltelijk kunnen worden verklaard door observeerbare individuele kenmerken en baankenmerken. Zo was in 2016 in Nederland 62 % van alle tijdelijke werknemers (in de leeftijd 15 tot 64 jaar) jonger dan 30 jaar, hetgeen kan verklaren waarom hun lonen lager zijn dan die van vaste werknemers die in doorsnee ouder zijn.

Daarom wordt in een volgende stap het loon gecorrigeerd op basis van verschillen in individuele kenmerken (leeftijd, geslacht en hoogst behaalde onderwijsniveau) en verschillen in baankenmerken (werktijdenregelingen, dienstverband en bedrijfstak). De uitkomsten laten zien dat, zelfs na een correctie van de verschillen in individuele kenmerken, vaste werknemers gemiddeld meer dan 11 % meer verdienen dan tijdelijke werknemers (zie grafiek 2). De bijgestelde loonkloof blijkt toe te nemen met de leeftijd en bereikt het hoogste peil voor mensen tussen de 40 en 50 jaar (12 %). Niettemin werd ook voor jongeren (20 tot 29 jaar) geconstateerd dat de loonkloof bijzonder significant is (7 %). Een andere vaststelling is dat de bijgestelde loonkloof toeneemt al naargelang het behaalde onderwijsniveau en varieert van 7 % voor lager opgeleiden (ISCED 0-2) tot 19 % voor mensen met een masterdiploma of hoger (ISCED 7-8). De precaire inkomenssituatie van tijdelijke werknemers komt ook tot uiting in een hoger armoederisico voor tijdelijke werknemers (7,9 % in 2016) ten opzichte van vaste werknemers (3,7 % in 2016).

4.4. Investeringen*

Met een scherp aantrekkende bedrijvigheid in de woningbouw waren de totale investeringen in 2016 weer terug op niveau van het langetermijngemiddelde van 20 % van het bbp. De woningbouwinvesteringen zijn weliswaar toegenomen van 3 % aan het eind van de crisis naar 4 % van het bbp in 2016, maar liggen nog ruim onder het gemiddelde van 6 % van het bbp in de tien jaar vóór de crisis. De publieke investeringen zijn stabiel gebleven op een niveau van rond de 3,5 % van het bbp, hetgeen 1 procentpunt hoger is dan het eurozonegemiddelde. De particuliere investeringen waren daarentegen 1,3 procentpunt lager dan het eurozonegemiddelde.

Grafiek 4.4.1:Investeringen naar activacategorie

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Tabel 4.4.1:Investeringen per sector NL en eurozone (in % van het bbp)

Bron: Europese Commissie (Eurostat): pre-crisisgemiddelde over de periode 2000-2008.

De binnenlandse investeringen zijn laag in vergelijking met de totale besparingen, waardoor de Nederlandse economie een vorderingenoverschot heeft op de rest van de wereld. Al sinds het begin van de jaren tachtig kent de Nederlandse economie een spaaroverschot. De totale binnenlandse besparingen zijn als percentage van het bbp relatief stabiel, maar worden in toenemende mate in het buitenland geïnvesteerd naarmate de binnenlandse investeringen zijn afgenomen (zie grafiek 4.4.2).

Grafiek 4.4.2:Binnenlandse en buitenlandse investeringen

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

De niet-financiële vennootschappen zijn de drijvende kracht achter het hoge spaaroverschot, maar de andere binnenlandse sectoren zijn de bepalende factor in de recente mutaties van dit saldo. Uit een uitsplitsing naar institutionele sector blijkt dat het spaaroverschot van de sector niet-financiële vennootschappen in de loop der tijd is toegenomen van gemiddeld 2-3 % van het bbp in 1995-2000 naar gemiddeld 5-6 % in 2001-2005 en 8 % van het bbp in de afgelopen tien jaar. Aangezien het omvangrijke NFV-overschot relatief stabiel is gebleven, zijn de mutaties in het vorderingenoverschot het gevolg van ontwikkelingen in de sectoren huishoudens en overheid. De huishoudens hadden in de aanloop naar de crisis nog een vorderingentekort, maar dit sloeg om in een overschot als gevolg van een daling van hun investeringen en een stijging van hun pensioenbesparingen( 41 ), terwijl ook schuld moest worden afgebouwd (zie punt 4.2). De overheid had een vorderingentekort, maar dit tekort sloeg in 2016 ook om in een overschot, waardoor de nettobesparingen van de totale economie tussen 2009 en 2016 verder opliepen.

Grafiek 4.4.3:Vorderingenoverschot/-tekort per sector

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

De besparingen van de niet-financiële vennootschappen (NFV's) zijn uitzonderlijk hoog. In 2016 bedroeg het NFV-vorderingenoverschot 7 %: dat is vijfmaal zoveel als het eurozonegemiddelde en tweemaal zoveel als in Duitsland. De brutobesparingen van de NFV-sector kwamen in 2016 uit op 17,5 % van het bbp, tegen een eurozonegemiddelde van 13,6 % van het bbp. De investeringen van de NFV-sector bedroegen echter 10,3 % van het bbp, tegen een eurozonegemiddelde van 12,2 %. Dit betekent dat circa twee derde van het verschil in het NFV-vorderingenoverschot/-tekort tussen Nederland en de eurozone is toe te schrijven aan hogere besparingen en een derde aan lagere investeringen.

De NFV-brutobesparingen zijn in de eerste plaats het gevolg van hoge winsten. Het overgrote deel van de brutobesparingen wordt verklaard door het exploitatieoverschot (zie grafiek 4.4.5)( 42 ). De ontvangen en de uitgekeerde dividenden zijn beide in 2005 sterk gestegen, hetgeen illustreert dat besluiten van multinationals waar zij hun hoofdkantoor vestigen, van groot belang zijn voor de betalingsbalansstatistieken( 43 ). De mondiale daling van de rentetarieven heeft geleid tot lagere rente-uitgaven van niet-financiële vennootschappen, waardoor de brutobesparingen nog verder opliepen.

Grafiek 4.4.4:Besparingen en investeringen in de sector niet-financiële vennootschappen

Gemiddelde 2012-2016

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Grafiek 4.4.5:Brutobesparingen van niet-financiële vennootschappen

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Het NFV-spaaroverschot is terug te voeren op hogere winsten en lagere winstuitkeringen in vergelijking met andere EU-landen. De Nederlandse NFV-besparingen zijn bijna 6 procentpunt hoger dan het eurozonegemiddelde. Ruwweg de helft daarvan is toe te schrijven aan een betrekkelijk groot bruto-exploitatieoverschot. De andere helft laat zich verklaren door lage nettowinstuitkeringen. In tabel 4.4.2 worden de besparingen van de Nederlandse NFV-sector afgezet tegen het eurozonegemiddelde en tegen die van vergelijkbare landen als Frankrijk en Duitsland. Het verschil met Duitsland is uitsluitend het gevolg van nettowinstuitkeringen (voornamelijk dividenden), terwijl de verschillen in NFV-besparingen met Frankrijk volledig zijn terug te voeren op een lager bruto-exploitatieoverschot van de NFV's. Verschillen in secundair inkomen, zoals vennootschapsbelasting, spelen geen belangrijke rol.

Tabel 4.4.2:Inkomensoverzicht niet-financiële vennootschappen

Bron: Europese Commissie (Eurostat): gemiddelde 2012-2016.

Met name de sectoren handel en industrie zijn winstgevend. Het driejarige gemiddelde NFV-exploitatieoverschot ligt in Nederland op ruwweg 24,5 % van het bbp, tegen een eurozonegemiddelde van iets meer dan 21 % (zie grafiek 4.4.6). Dit verschil is al zichtbaar in de toegevoegde waarde van NFV's, die relatief hoog is als percentage van het bbp. Dit werkt slechts voor een deel door in de beloning van werknemers, waar het verschil met andere landen minder groot is. Uit een beoordeling per sector blijkt dat met name de handel en de industrie een significante rol spelen (zie grafiek 4.4.7).

De nettodividenduitkeringen zijn zeer laag en wijzen op hoge ingehouden winsten die weer worden gebruikt voor de financiering van buitenlandse investeringen. In vergelijking met andere lidstaten ontvangen Nederlandse NFV's relatief grote bedragen aan winstuitkeringen uit het buitenland (voornamelijk dividenden), terwijl de dividenduitkeringen juist relatief laag zijn, met als gevolg zeer lage nettowinstuitkeringen (zie grafiek 4.4.8). Afgaande op de balansen van multinationale ondernemingen lijkt het erop dat de ingehouden winsten zijn gebruikt voor de financiering van buitenlandse investeringen. Tussen 2005 en 2015 hebben multinationals hun aandelenbezit in het buitenland uitgebreid met rond de 50 procentpunt van het bbp, hetgeen neerkomt op een stijging van de totale activa van 26 % naar 43 % (zie EC, 2017b). Kortom, de hoge ingehouden winsten lijken te zijn gebruikt voor de financiering van buitenlandse investeringen door multinationals.

Grafiek 4.4.6:Componenten bruto-exploitatieoverschot

Gemiddelde 2014-2016

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Grafiek 4.4.7:Netto-exploitatieoverschot per sector

Gemiddelde 2012-2015

Bron: Europese Commissie en CBS (productiestatistieken).

Grafiek 4.4.8:Ratio's netto uitgekeerde winst

Bron: Europese Commissie (Eurostat): gemiddelde 2014-2016.

De multinationals zijn de drijvende kracht achter de besparingen van de vennootschapssector. Terwijl slechts 2 % van alle ondernemingen in Nederland wordt aangemerkt als multinationals, zijn deze goed voor 40 % van de werkgelegenheid in de particuliere sector en voor ongeveer twee derde van de omzet in de particuliere sector (CBS, 2015). Met name de besparingen van de multinationals zijn wisselvallig (zie grafiek 4.4.9). Hoewel het productieproces en de definities niet vergelijkbaar zijn met de nationale rekeningen, zijn de nettobesparingen van grote bedrijven goed voor ruwweg twee derde van de totale NFV-besparingen. Dit wijst erop dat het netto-overschot vooral aan deze bedrijven is toe te rekenen (zie ook EC, 2017b).

Grafiek 4.4.9:Vennootschapsbesparingen, uitgesplitst naar bedrijfsgrootte

(1) Onder brutobesparingen wordt verstaan: bruto-exploitatieoverschot en ander primair inkomen minus betaalde rente, belastingen en dividenden (methodologie Jansen en Ligthart 2014).De reeksen bevatten een breuk in 2011: vanaf dat jaar gelden bedrijven en multinationals met een balanstotaal van ten minste 40 miljoen EUR als groot. Vóór 2011 was dat 23 miljoen EUR.

Bron: Europese Commissie (CBS/Statistiek Financiën van grote ondernemingen en Statistiek Financiën alle ondernemingen).

Lopende rekening in reëel perspectief

Het overschot van Nederland op de lopende rekening is de afgelopen dertig jaar gemiddeld 6 % van het bbp geweest. In 2012 bereikte het een piek van 10,3 % van het bbp, om daarna licht te dalen tot 9 % van het bbp in 2016 (zie grafiek 4.4.10). In de afgelopen tien jaar is het overschot op de lopende rekening duidelijk boven het langetermijngemiddelde en de desbetreffende benchmarks gebleven. Volgens de door de Commissie opgestelde "normramingen" voor 2016 verklaren fundamentele factoren 3,8 % van het overschot op de lopende rekening( 44 ). Dit cijfer is voornamelijk terug te voeren op het hoge inkomen per hoofd van de bevolking en op de verwachte sterkere vergrijzing in vergelijking met de rest van de wereld, hetgeen nettokapitaaluitvoer impliceert, en op de positie van Nederland als financieel centrum voor multinationals.

Het saldo van de primaire inkomens is tussen 2012 en 2016 scherp teruggelopen. Terwijl het totale handelsoverschot stabiel bleef, zijn de netto primaire inkomens fors teruggevallen, van een overschot van 2,4 % van het bbp in 2012 naar een tekort van 1,2 % van het bbp in 2016. De recente daling van het overschot op de lopende rekening is vooral aan deze daling toe te schrijven. De terugval was vooral zichtbaar bij de ontvangsten uit directe investeringen, maar werd gedeeltelijk gecompenseerd door hogere ontvangsten uit beleggingen. In 2016 is het saldo van de secundaire inkomens beïnvloed door een eenmalige teruggave van 2,7 miljard EUR uit de EU-begroting aan de Nederlandse staat.

Grafiek 4.4.10:Lopende rekening

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

De robuuste goederenhandel blijft de voornaamste aanjager van het overschot op de lopende rekening. Terwijl bij de goederenhandel in 2016 een overschot van 11,9 % van het bbp werd gerealiseerd, noteerde de handel in diensten per saldo een tekort van 0,9 % van het bbp. Het goederenhandelsoverschot is grotendeels toe te rekenen aan chemische producten en aan voedingsmiddelen en levende dieren. De economie vertoont in vergelijking met de EU-15 een stabiele uitvoerspecialisatie in landbouwproducten, zoals snijbloemen, bollen en andere planten. Volgens een analyse van het CBS is de handelsbalans sterk opgeblazen door wederuitvoer, die goed is voor ruwweg 45 % van de totale uitvoer (CBS, 2017c). Hoewel wederuitgevoerde goederen in Nederland geen verwerking of ingrijpende bewerking ondergaan, raamt het CBS de binnenlandse toegevoegde waarde van wederuitvoer op ongeveer 11 cent per uitgevoerde euro, waarmee de totale toegevoegde waarde in 2016 net iets minder dan 3 % van het bbp bedroeg( 45 ). Het dienstenhandelstekort wordt grotendeels veroorzaakt door royalty's, toerisme en vervoersdiensten.

Grafiek 4.4.11: Handelssaldo goederen naar productgroep (2016)

Bron: Europese Commissie (CBS).

Grafiek 4.4.12: Handelssaldo diensten naar productgroep (2016)

Bron: Europese Commissie (CBS).

Economische gevolgen

Hardnekkige omvangrijke overschotten kunnen duiden op een suboptimale allocatie van economische middelen over een langere periode en/of over bepaalde sectoren. Het aanhoudend hoge nationale spaaroverschot is al eerder ter discussie gesteld en gezien als teken van inefficiëntie( 46 ). De omvangrijke besparingen in de tweede pensioenpijler bijvoorbeeld verhogen de verplichte fiscale en niet-fiscale druk op arbeid (de combinatie van belastingen en zorg- en pensioenpremies, zie punt 4.2). Midden in de crisis bleven de pensioenreserves groeien, onder meer door een verhoging van premies, waardoor de spaarquote van huishoudens opliep en het loon dat mee naar huis werd gebracht, terugliep. De procyclische inkomens- en consumptiedynamiek wordt nog verder gevoed door balansproblemen bij de huishoudens. Nederlandse huishoudens hebben doorgaans een lange balans: aan de actiefzijde staan omvangrijke illiquide pensioenrechten en een omvangrijk illiquide vermogen in de vorm van een eigen huis en aan de passiefzijde staat een hoge schuld. De relatief geringe liquiditeit van huishoudens verhoogt de wisselvalligheid van de vraag van consumenten in een cyclus. Daardoor is de particuliere consumptie sterker teruggelopen dan in andere EU-landen. Een aanpak van de balansproblemen van huishoudens, onder meer door een ingrijpende herziening van de tweede pensioenpijler (zoals thans wordt besproken door de sociale partners, zie punt 4.2.4), kan ertoe leiden dat het spaar-investeringssaldo van huishoudens aan minder schommelingen bloot komt te staan en de binnenlandse economie weerbaarder wordt bij financiële schokken.

Het aanhoudende vorderingenoverschot heeft zich niet vertaald in een overeenkomstige netto internationale investeringspositie. Met overschotten op de lopende rekening bouwt een land een positieve netto internationale investeringspositie (NIIP) op. Hoewel een overschotland daardoor een crediteur wordt, kunnen zich waarderingswinsten/-verliezen voordoen als gevolg van schommelingen in wisselkoersen en marktprijzen. De NIIP is in de recente jaren meegestegen met de overschotten op de lopende rekening, maar blijft ver onder het niveau van de gecumuleerde jaarlijkse overschotten op de lopende rekening over een langere periode (zie grafiek 4.4.13).

Een symmetrische herbalancering zou goed zijn voor de economie van de eurozone. Hoewel de economie van de eurozone in de recente jaren een betrekkelijk krachtige expansie heeft doorgemaakt, blijft de binnenlandse vraag volgens een analyse van de Commissie achter (zie grafiek 4.4.14). Een spaaroverschot van Nederland leidt tot een groter aanbod van kapitaal aan andere landen (in de EU, maar ook daarbuiten) en tot een lagere rente. Onder normale economische omstandigheden wordt de binnenlandse vraag daardoor gestimuleerd. Een stijging van de besparingen heeft met de huidige lage rente echter weinig effect op de rente en heeft geen effect op de vraag. Een verhoging van de directe uitgaven om de productie in de eurozone op te krikken en meer banen te scheppen, is dan effectiever. In dit verband moet worden benadrukt dat dit een in de tijd variabele conclusie is en afhangt van de staat waarin de economie verkeert.

Grafiek 4.4.13: NIPP en cumulatieve overschotten op de lopende rekening

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Kortom, meer binnenlandse uitgaven zijn heilzaam voor Nederland en voor de EU. Het aanhoudend hoge nationale spaaroverschot kan tot op zekere hoogte een symptoom zijn van een procyclische gevestigde praktijk die zijn stempel drukt op het spaar- en investeringsgedrag van huishoudens. Over een langere periode bekeken kan dit weinig profijt opleveren (getuige de verschillen tussen de gecumuleerde jaarlijkse overschotten en de NIIP). Meer binnenlandse investeringen kunnen leiden tot positieve overloopeffecten naar andere landen van de eurozone en, op endogene wijze, tot meer economische groei in de eurozone en in Nederland.

Grafiek 4.4.14: Output en geaggregeerde vraag eurozone

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Kader 4.4.1: Investeringen en hervormingen in Nederland

Deel 1. Macro-economisch perspectief

In 2016 waren de investeringen weer terug op het niveau van het langjarig gemiddelde van 20 % van het bbp. Met name de woningbouwinvesteringen hebben boom-bustperiodes meegemaakt tijdens de crisis, met een forse terugval als gevolg van de inzinking op de huizenmarkt en een even krachtig herstel vanaf 2014. Vooruitblikkend wordt gerekend op een aanhoudende groei van de particuliere investeringen, zij het in een lager, houdbaarder tempo. De investeringen in immateriële activa zijn goed voor zo'n 10 % van de totale brutobedrijfsinvesteringen in vaste activa, waarmee ze op het EU-gemiddelde, maar onder het niveau van de VS, het VK en de noordse landen liggen. De overheidsinvesteringen bereikten in 2009 een piek van 4,3 % van het bbp, daalden tot 3,5 % in 2016 en blijven volgens de economische najaarsprognoses 2017 van de Europese Commissie de komende jaren min of meer stabiel. De publieke en particuliere uitgaven aan O&O blijven behoorlijk onder het streefcijfer van 2,5 % van het bbp, hetgeen laag is in vergelijking met de best presterende landen, ook al is in het nieuwe regeerakkoord een verhoging van de publieke O&O-financiering voorzien.

Deel 2. Beoordeling van investeringsbelemmeringen en lopende hervormingen

Voornaamste investeringsbelemmeringen en lopende prioritaire acties

Zoals blijkt uit de beoordeling van de Europese Commissie (zie EC, 2015), heeft Nederland over het geheel genomen relatief weinig regelgeving die investeringsbelemmerend werkt. De begrotingsplannen van het nieuwe kabinet bevatten een forse injectie in O&O (zie punt 4.5.2). Bepaalde sectorale regelgeving kan belemmeringen opwerpen voor investeringen. Zo zijn de procedures voor het verkrijgen van een bouwvergunning tijdrovend, hoewel de indicatoren in het Doing Business-verslag van de Wereldbank op een (relatief) lichte verbetering ten opzichte van het afgelopen jaar wijzen. Wel staat Nederland nog altijd vrij laag op de ranglijst (op plaats 76, tegen plaats 87 in 2016), vooral door de tijd die het kost om een bouwvergunning te krijgen. Nederland heeft alle administratieve procedures ingevoerd om investeringen in hernieuwbare energie te ondersteunen (zie Europese Commissie, 2017i). Daarbij zijn barrières voor investeringen in deze sector verlaagd. Ondanks aanvullende maatregelen en de nieuwe, in juli 2017 geopende Energietransitie Financieringsfaciliteit zal Nederland zijn 2020-streefcijfer voor hernieuwbare energie naar verwachting echter niet halen.

4.5. Sectoraal beleid

4.5.1.Productiviteitsontwikkelingen, innovatie en concurrentie

Het herstel van de productiviteitsgroei dat zich na de crisis heeft voorgedaan, is vooral toe te schrijven aan de groei van de totale factorproductiviteit (TFP). De Nederlandse economie is een van de meest productieve economieën ter wereld met een inkomen per hoofd van de bevolking dat 20 % boven het EU-gemiddelde ligt. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is de productiviteitsgroei aanzienlijk vertraagd, van gemiddeld 5 % per jaar naar amper 1 % in de laatste jaren. Het recente bescheiden herstel van de bbp-groei is grotendeels te danken aan de TFP-groei, die in recente jaren de enige permanente bron van productiviteitsgroei is geweest (zie grafiek 4.5.1).

Grafiek 4.5.1:Bijdragen aan mutaties in de groei van de reële toegevoegde waarde

Bron: Europese Commissie, EU-database Klems.

De voornaamste bijdragen aan de geaggregeerde productiviteitsgroei komen van ontwikkelingen binnen sectoren. Uit een shift-share-analyse van de productiviteitsgroei blijkt dat veranderingen in de sectorale structuur een (gering) negatief effect hadden op de geaggregeerde productiviteitsgroei: het overgrote deel van de productiviteitsgroei was het gevolg van productiviteitsontwikkelingen binnen sectoren (zie tabel 4.5.1).

Terwijl ICT, energie en de financiële sector vóór de crisis de snelste productiviteitsgroei kenden, is de productiviteitsgroei na de crisis vooral opgestuwd door de vastgoed-, de bouw- en de handelssector. Het productiviteitsniveau is van oudsher hoog in de industrie en laag in de dienstensector. De productiviteitsgroei na de crisis was ook relatief hoog in de sectoren industrie, handel en vervoer (zie grafiek 4.5.2).

Tabel 4.5.1: Totale productiviteitsgroei 1995-2015 (in %)

Bron: Europese Commissie, database Amerco en eigen berekeningen.

Grafiek 4.5.2:Productiviteitsontwikkeling per sector

Sectorcodes: A = landbouw, C = industrie, D-E = elektriciteit, gas, F = bouw, G = groot- en detailhandel, H = vervoer, I = accommodatie en voeding, J = informatie, K = financieel, M-N = vrije beroepen, O = overheid, P = onderwijs, Q = gezondheid, R = kunst en S = overige diensten.

Bron: Europese Commissie (EU Klems).

Een recente studie waarin is gekeken naar gegevens op Nederlands bedrijfsniveau, toont vrij weinig verschillen tussen sectoren en vindt geen bewijs voor een gebrek aan technologische diffusie. Een in een recente CPB-studie verrichte uitgebreide analyse van de productiviteitsgroei op bedrijfsniveau vóór, tijdens en na de crisis, die berust op registergegevens en andere administratieve gegevensbronnen voor 53 sectoren over de periode 2006-2015, laat patronen zien die opvallende gelijkenissen vertonen voor de zogenoemde bedrijven in de voorhoede en bedrijven in de achterhoede (zie Van Heuvelen, Bettendorf en Meijerink, 2018, verschijnt binnenkort). Geconstateerd wordt dat de productiviteit van leidende en van achterblijvende bedrijven tijdens de crisis is teruggelopen (waarbij de teruggang het sterkst is bij de koplopers in de dienstensector), en dat de verschillen in productiviteit tijdens het herstel zijn toegenomen (zie grafiek 4.5.3). Op basis van deze bevindingen concluderen de auteurs dat de waargenomen productiviteitsvertragingen niet zijn toe te schrijven aan veranderingen in transmissiemechanismen (technologiediffusie vanuit de leidende voorhoedebedrijven naar andere bedrijven in de sector, waarbij de beproefde technologieën van de voorhoedebedrijven hun weg vinden naar de andere bedrijven in de economie). Ook blijkt uit de studie dat er sprake is van een substantiële beweeglijkheid van bedrijven als het gaat om hun positie in de productiviteitsvoorhoede (slechts circa 10 % van de bedrijven behoudt over een periode van vijf jaar bezien zijn plek in de nationale productiviteitsvoorhoede). Een significant deel van de bedrijven blijkt in de loop der tijd van positie te wisselen, dus ook bedrijven die eerder als koploper of als achterblijver zijn aangemerkt.

Grafiek 4.5.3:Productiviteitsgroei op bedrijfsproductiviteitsniveau (koplopers/achterblijvers)

Bron: Europese Commissie op basis van Van Heuvelen e.a. (2018, verschijnt binnenkort).

Een verdere terugdringing van vaardigheidsmismatches op de werkplek en een betere benutting van vaardigheden kunnen bevorderlijk zijn voor de productiviteit. Op basis van gegevens uit een enquête naar de internationale beoordeling van competenties van volwassenen (PIAAC) ligt de daadwerkelijke benutting van rekenvaardigheids- en IT-vaardigheden op de werkplek ver onder het niveau van de vaardigheden waarover werknemers beschikken; ook is er sprake van significante aantallen overgekwalificeerde werknemers in de lagere loonkwintielen. Door de vaardighedenmismatch terug te brengen naar de best practice van de OESO, zou de productiviteit met maximaal 3 % kunnen stijgen (OESO, 2015, 2017b). Door tekorten en beperkingen op huisvestingsgebied aan te pakken, zouden de tekorten aan vaardigheden op regionaal niveau worden teruggedrongen en zou de arbeidsproductiviteit verder kunnen toenemen (OESO, 2017a,c).

Bouwsector

De arbeidsproductiviteit in de Nederlandse bouwsector is laag als gevolg van versnippering, trage digitalisering en tekorten aan vaardigheden. In tegenstelling tot de buurlanden is de bijdrage van zowel ICT-kapitaal als TFP aan de arbeidsproductiviteitsgroei in de Nederlandse bouwsector sinds de crisis negatief. Dit komt onder meer door de matige investeringen in technologieën, een trage digitalisering van de waardeketen in de bouw, de onderbenutting van ICT-vaardigheden, de vergrijzing en een tekort aan vakmensen. Door bevordering van innovatie en opschaling van met name micro-ondernemingen en zzp-bedrijven, die samen meer dan 85 % van de bedrijven in de Nederlandse bouwsector vertegenwoordigen (het EU-gemiddelde is 57 %), kan de versnippering van de sector worden teruggedrongen, de digitalisering worden versneld, de bouw aantrekkelijker worden gemaakt voor met name jongere werknemers( 47 ) en de sector meer deel gaan uitmaken van grotere grensoverschrijdende waardeketens op dit gebied (EC, 2017a).

Specifieke sectorale regelgeving en te late betalingen kunnen de productiviteit in de bouwsector belemmeren. Hoewel Nederland vrij weinig regelgeving kent die belemmerend werkt voor investeringen en voor de uitbouw van bedrijven in het algemeen (zie kader 4.4.1), zijn er nog wel bepaalde barrières, zoals plannings- en vergunningsprocedures voor bouwinvesteringen. Afgezien van een horizontale vergunningsregeling voor hijswerkzaamheden zijn in Nederland uitgebreide bouwvergunningen vereist zonder dat er eenvoudigere procedurele alternatieven beschikbaar zijn. En hoewel er in Nederland sprake is van een goed betaalgedrag van de overheid jegens het bedrijfsleven, is het aantal te late betalingen tussen bedrijven onderling in 2016 ook duidelijk gestegen: 41 % van de bouwbedrijven heeft te maken met te late betalingen en meer dan een vijfde van de mkb'ers in de bouw die als onderaannemer werken, wordt uiteindelijk helemaal niet betaald door de hoofdaannemer (EC, 2016b).

4.5.2.Onderzoek en innovatie

Volgens de wereldranglijsten heeft Nederland een krachtig innovatievermogen dankzij een productieve O&O-sector, een concurrerend ondernemingsklimaat en solide randvoorwaarden in het algemeen. Het land scoort hoog op alle belangrijke lijsten van samengestelde indexen: de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum (plaats 4), het Europees innovatiescorebord (plaats 4), de Global Innovation Index (plaats 3) en de Index van de digitale economie en maatschappij (plaats 4).

Door bevordering van de investeringen van het bedrijfsleven in O&O kan de productiviteitsgroei toenemen, met name in de industrie. Productiviteitsgroei wordt bepaald door tal van factoren: van investeringen in ICT- en niet-ICT-kapitaal, de integratie en diffusie van nieuwe technologie, aanvullende investeringen in andere immateriële activa en opleiding van personeel zodat het een zo groot mogelijke bijdrage kan leveren, tot goed functionerende instellingen en markten (Grabska e.a., 2017). Geavanceerde economieën zoals die van Nederland kunnen hun productiviteit slechts in beperkte mate opvoeren door aan te haken bij koplopers. Om de productiviteit verder op te voeren, is het eerder van essentieel belang dat de voordelen van digitalisatie en innovatie ten volle worden benut door te investeren in O&O en andere immateriële activa. De O&O-intensiteit in het bedrijfsleven (1,16 %) blijft laag in verhouding met die in vergelijkbare landen en is in de recente jaren (2011-2016) langzaam toegenomen, terwijl de nominale O&O-investeringen (in EUR) in dezelfde periode met 17 % zijn gestegen. Hoewel de vrij beperkte investeringen in O&O deels het gevolg zijn van de economische structuur van Nederland, dat sterk is gespecialiseerd in diensten en andere sectoren met een kleine formele O&O-component, is de omvang van O&O in de industrie ook vrij laag (zie grafiek 4.5.4). Dit lage niveau kan echter weer deels worden verklaard door de O&O-activiteiten van grote Nederlandse bedrijven in andere landen. Nederland heeft een hoog aantal grote multinationals binnen zijn grenzen, waarvan de O&O-activiteiten in andere landen plaatsvinden. Zo staan in het industriële O&O-investeringsscorebord 2017 van de EU 38 Nederlandse ondernemingen in de top 2 500 van O&O-investeerders in de wereld( 48 ). Deze ondernemingen zijn alleen al goed voor 1,3 % van het bbp aan O&O-investeringen, hetgeen meer is dan de intramurale O&O-intensiteit van 1,16 %( 49 ).

Grafiek 4.5.4:O&O-intensiteit in de industrie

Bron: Europese Commissie, EU-database Klems.

De dynamiek van ondernemersactiviteiten en innovatieve bedrijfsgroei lijkt redelijk goed. Zowel het aandeel van de werkgelegenheid in kennisintensieve activiteiten (17,5 %) als het aandeel van de werkgelegenheid in snelgroeiende mkb'ers in innovatieve sectoren (5,5 %) liggen op een vrij hoog niveau. Ook is het aandeel van de bevolking dat actief is in jonge ondernemingen, vrij hoog (11 % van de totale bevolking in de leeftijdsgroep 25-64, GEM, 2017).

De overheidssteun voor onderzoek en innovatie is goed opgezet. De totale publieke steun voor onderzoek en innovatie komt uit op 6,5 miljard EUR, inclusief een bedrag van 1,2 miljard EUR aan indirecte begrotingssteun via de WBSO. De duidelijkheid die het ondersteuningsstelsel voor O&I biedt, in combinatie met een regelmatige monitoring en regelmatige evaluaties is een sterk punt. In het regeerakkoord is aangekondigd dat tot en met 2020 structureel 400 miljoen EUR extra beschikbaar komt voor onderzoek, waarvan 200 miljoen EUR voor toegepast onderzoek en innovatie. In 2018 en in 2019 wordt een incidentele investering van 50 miljoen EUR in onderzoekinfrastructuur gedaan. Voorts heeft het kabinet aangekondigd 2,5 miljard EUR te investeren in een nieuwe financierings- en ontwikkelingsorganisatie, Invest-NL geheten. Dit moet leiden tot meer durfkapitaal voor innovatieve start-ups en scale-ups. InvestNL zal ook proberen om publiek en privaat kapitaal aan te trekken uit andere fondsen, zoals het EFSI en de EIB. De meeste bestaande risico- en durfkapitaalfinanciering, zoals de SEED Capital-regeling, wordt in deze faciliteit ondergebracht.

De publieke O&O-intensiteit is geleidelijk toegenomen tot 0,88 % van het bbp in 2016, waarmee deze in de buurt komt van het gemiddelde niveau van vergelijkbare EU-landen die het verst gevorderd zijn (1 %). In 2015 bedroeg het totale budget voor O&O 0,73 % van het bbp, hetgeen relatief hoog is in de EU, maar lager dan in vergelijkbare EU-landen die het verst gevorderd zijn. Voor de periode 2018-2021 lopen de O&O-begrotingsuitgaven van de overheid volgens de prognoses terug van 0,67 % naar 0,63 % van het bbp (ongerekend de in het regeerakkoord aangekondigde extra uitgaven aan onderzoek en innovatie). Dit komt voornamelijk door de nominale bbp-groei, de noemer (zie Vennekens & Van Steen, 2017). De Nederlandse belanghebbenden en adviesorganen hebben in diverse adviezen en analyses aangegeven dat de komende jaren extra geïnvesteerd moet worden. Er blijven met name zorgen bestaan over de vraag of de kenniscapaciteit van de technologische instituten op de lange termijn op peil blijft. In de periode 2010-2021 zou de publieke financiering voor instellingen die toepassingsgericht onderzoek uitvoeren, en met name de TO2-instituten, met 21 % dalen. Op verzoek van het kabinet heeft de Adviesraad voor wetenschap advies uitgebracht over de oriëntatie van het beleid voor toepassingsgericht onderzoek (AWTI, 2017). De raad heeft met name geadviseerd om 330 miljoen EUR per jaar extra te investeren in de onderzoekscapaciteit van publieke kennisorganisaties. Voor onderzoeksinfrastructuur zouden de komende jaren ook publieke investeringen nodig zijn (Strategische Agenda TO2, 2017).

Samenwerking tussen het bedrijfsleven en de kennisinstellingen kan een effectief middel blijken om de innovatie te bevorderen. Het Nederlandse innovatie-ecosysteem kan voortbouwen op het hoger onderwijs en publieke onderzoeksstelsel. Er is sprake van een zeer goede wetenschapsbasis: 14,3 % van de wetenschappelijke publicaties behoort tot de 10 % meest geciteerde ter wereld. Nederland behoort daarmee tot de best presterende landen in de EU. De openheid en kwaliteit van het publieke onderzoek komt ook tot uiting in het hoge percentage internationale wetenschappelijke publicaties en in de internationalisering van de wetenschappelijke staf (een derde van het wetenschappelijk personeel en 45 % van de doctoren is van buitenlandse origine). In een recente evaluatie van de topsectorenaanpak, het sectorbeleid van het kabinet, is geconcludeerd dat de aanpak succesvol is gebleken in de intensivering van de samenwerking tussen publieke en private actoren via een inmiddels stevig gefundeerde governance (Bongers e.a., 2017). In de evaluatie werd er echter op gewezen dat de overheid duidelijker en sterker moet sturen en met name beter moet definiëren wat de exacte innovatiedoelstellingen zijn, omdat daarmee meer richting wordt gegeven aan de mogelijke samenwerking, met name bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

4.5.3.Overheidsopdrachten

Op aanbestedingsgebied presteert Nederland redelijk. Nederland presteert zeer goed op het gebied van e-procurement, het aanwakkeren van concurrentie tussen bieders, de snelheid van besluiten en strategische aanbesteding. Het is tevens een van de landen met de meeste ervaring op het gebied van precommerciële aanbesteding. Het Expertisecentrum Aanbesteden van de overheid PIANOo speelt een centrale rol in de capaciteitsopbouw van openbare aanbesteders en de bevordering van innovatiegericht inkopen (zie kader 4.5.1).

Ook bood de gewijzigde Aanbestedingswet 2012 meer rechtszekerheid en kansen voor het mkb. De gewijzigde wet bevat onder meer de volgende nieuwe elementen: een verbod op het stellen van minimumomzeteisen, de eis dat het bundelen van opdrachten moet worden gemotiveerd, een aansporing om opdrachten op te splitsen in percelen, en een beperking van de administratieve lasten om aan een aanbesteding deel te nemen. Verder zijn alle leveranciers aan de nationale overheid sinds 2017 verplicht om elektronisch te factureren. Niettemin vinden mkb'ers die willen deelnemen aan een overheidsaanbesteding, een aantal praktische belemmeringen op hun pad, zoals omvangrijke opdrachten, disproportionele of onduidelijke geschiktheidseisen, hoge administratieve kosten, langdurige raamcontracten en een gebrek aan kennis over aanbesteden. Het aantal aanbestedingen dat overeenkomstig de EU-regelgeving is gepubliceerd, ligt onder het EU-gemiddelde (2,2 % van het bbp, tegen 4,4 % van het bbp in de EU) en de rapportagekwaliteit laat doorgaans te wensen over met 75 % van de biedingen die EU-breed zonder aanbestedingswaarde zijn gepubliceerd (EC, 2017k).

Kader 4.5.1: Beleid uitgelicht: Expertisecentrum Aanbesteden in Nederland

PIANOo (Professioneel en Innovatief Aanbesteden, Netwerk voor Overheidsopdrachtgevers)( IV ) is het expertisecentrum voor aanbestedingen van de Nederlandse overheid en is onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. Het centrum is bedoeld om het aanbestedingsproces van de overheid en de naleving van (EU-)aanbestedingsregelgeving in Nederland te verbeteren. Voorts moet het de inkoop van innovatieve oplossingen in Nederland bevorderen. De hoofdtaak van het centrum is het verstrekken van informatie en advies aan overheidsorganisaties die zich bezighouden met het inkopen en aanbesteden van werken, leveringen en diensten. PIANOo biedt op zijn website toegang tot tools en modeldocumenten, organiseert bijeenkomsten, biedt een online forum, publiceert documenten over specifieke onderwerpen en organiseert cursussen aanbestedingsrecht. De expertise van het centrum stoelt op een netwerk van circa 3 500 publieke inkopers en aanbesteders. Het centrum brengt experts op specifieke gebieden bij elkaar en stimuleert de dialoog tussen opdrachtgevers bij de overheid en het bedrijfsleven.

Een van de informatietools van PIANOo is een webgebaseerde "Innovatiekoffer"( V ), die de aanbestedende diensten moet helpen bij innovatiegerichte inkoop. De tool omvat een beschrijving van diverse instrumenten, zoals behoefteanalyse, risicomanagement, marktconsultatie en innovatiepartnerschap. Ook omvat de tool trajecten die beschrijven hoe verschillende instrumenten kunnen worden gecombineerd, evenals cases van innovatieve projecten.

In 2005 heeft Nederland het programma Small Business Innovation Research (SBIR) ingevoerd dat ondernemingen moet aanmoedigen om nieuwe innovatieve producten en diensten te ontwikkelen die tegemoetkomen aan de vraag van de overheid. Het bestaat uit een competitie in twee fasen waarin ondernemingen met de beste voorstellen een haalbaarheidsstudie verrichten. Het programma financiert vervolgens de ontwikkeling van hun innovatieve oplossingen, zodat publieke entiteiten deze nieuwe producten in de toekomst eventueel kunnen kopen. Op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken is een evaluatie van het SBIR-instrument verricht. Daaruit is gebleken dat het maatschappelijke toegevoegde waarde heeft (Bongers e.a., 2017).

In het programma van het nieuwe kabinet is speciaal aangegeven dat openbare aanbestedingen strategischer moeten worden ingezet, met bijzondere nadruk op innovatiegericht inkopen en een breder gebruik van het SBIR-instrument. Nederland blijft inzetten op ambitieuze kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen op het gebied van innovatiegericht inkopen, inclusief het streven om 2,5 % van het totale inkoopbudget van de Rijksoverheid te besteden aan innovatie. Bovendien beheert het Ministerie van Binnenlandse Zaken het Slimmernetwerk, een innovatienetwerk van circa 4 000 ambtenaren en adviseurs binnen het Rijk, de provincies, gemeenten, waterschappen en politie (OESO, 2017e). Voorbeelden als het Erasmus Medisch Centrum laten de potentiële positieve effecten van innovatiegericht inkopen zien (OESO, 2016).

Nederland is wereldwijd koploper op het gebied van circulair inkopen, met proefprojecten om de circulaire economie (waarin producten zo energie-efficiënt, duurzaam en recyclebaar mogelijk moeten zijn) in het inkoopproces te integreren. De meeste projecten circulair inkopen worden uitgevoerd in het kader van Green Deal Circulair Inkopen en het programma Rebus (Resource Efficient Business Models). Vanuit beide initiatieven moeten diverse hulpmiddelen en praktijkvoorbeelden voor circulair inkopen worden ontwikkeld. Er zijn echter nog een aantal factoren die innovatie in de circulaire economie belemmeren en die een betere bewustwording vereisen van het feit dat voor de overgang naar een circulaire economie verschillende vormen van innovatie nodig zijn: technologische, financiële (verdienmodellen), organisatorische (werkmethoden) en sociale (gericht op samenwerking en teamwork) (SER, 2017).

4.5.4.Energie en duurzaamheid

Het kabinet wil een nationaal klimaat- en energieakkoord opstellen met een nationale strategie om de doelstellingen voor 2030 te halen. Het akkoord zal samen met medeoverheden en belanghebbenden worden uitgewerkt. De maatregelen die uit dit akkoord voortvloeien, zullen in een klimaatwet worden opgenomen. De ambitie van het kabinet is onder meer dat alle kolencentrales uiterlijk in 2030 worden gesloten, uiterlijk in 2030 alleen emissievrije auto's worden verkocht, de uitstoot van huizen en gebouwen wordt teruggedrongen door een combinatie van energie-efficiëntie en duurzame stroom en verwarming, en het aanbod van kavels voor windenergie op zee wordt vergroot. Er zijn geen maatregelen aangekondigd om een compensatie te geven voor het sluiten van de kolencentrales.

De aardgasproductie zal verder worden teruggeschroefd. Als gevolg van de productieplafonds die (vanwege de aardbevingen) zijn ingesteld voor het Groningenveld, en als gevolg van de lagere productieniveaus in andere kleine gasvelden die uitgeput raken, wordt de gaswinning in de komende jaren verder verlaagd. Het Internationaal Energieagentschap gaat ervan uit dat Nederland uiterlijk in 2025 een netto-importeur van gas wordt.

Nederland is de enige lidstaat die zijn indicatieve traject voor hernieuwbare energiebronnen (HEB) voor 2013/2014 (5,9 % van het bruto-eindenergieverbruik) niet heeft gehaald. Met een aandeel van 5,84 % aan hernieuwbare energie in het bruto-eindenergieverbruik in 2015 zal Nederland naar verwachting ook het indicatieve HEB-traject voor 2015-2016 van 7,6 % missen. Hoewel in de Nationale Energieverkenning 2017 wordt gerekend op een versnelling van de groei van het aandeel hernieuwbare energie naarmate het jaar 2020 dichterbij komt, blijft de doelstelling voor 2020 voor Nederland waarschijnlijk buiten bereik. Het kabinet heeft enkele aanvullende maatregelen aangekondigd: het wil het budget voor de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie verhogen tot 3,2 miljard EUR per jaar. Het nationale streefcijfer van 16 % hernieuwbare energie in 2023 dat is vastgelegd in het Energieakkoord, wordt naar verwachting gehaald. Hoewel het kabinet met een "energieagenda" is gekomen met daarin de hoofdlijnen voor de overgang naar een koolstofarme energievoorziening in 2050, heeft het geen expliciet HEB-streefcijfer voor 2030 vastgesteld. Gezien de lichte stijging van het energieverbruik moeten de inspanningen op energie-efficiëntiegebied op peil blijven om de streefcijfers voor 2020 te halen.

Het regeerakkoord omarmt het Rijksbrede programma circulaire economie dat gericht is op de ondersteuning van het nationaal klimaatbeleid en het grondstoffenakkoord. Hoewel het Nederlandse percentage hergebruikt afval een van de hoogste in de EU is, is het lager dan dat van de buurlanden, terwijl de intensiteit fysiek afval (d.w.z. de afvalintensiteit van het binnenlands materiaalverbruik) vrij hoog is en sneller groeit dan het EU-gemiddelde. Nederland scoort tamelijk laag (plaats 16) op de Eco-Innovation Index 2016( 50 ), hetgeen wijst op de noodzaak om het programma circulaire economie te verbeteren. Niettemin lijken de prestaties wat betreft de ontwikkeling van milieutechnologieën en de diffusie van deze technologieën niet ver van het EU-gemiddelde van 2016 te liggen. In de agenda's die in januari 2018 aan de Tweede Kamer zijn aangeboden, wordt nadruk gelegd op de monitoring van de voortgang in de overgang naar een circulaire economie en op de opschaling van geslaagde proefprojecten en andere initiatieven.

Het kabinet wil een modernisering van het belastingstelsel aangrijpen om zijn vergroeningsambitie waar te maken en de economie koolstofvrij te maken. In een begrotingsbijlage bij het regeerakkoord van het nieuwe kabinet, dat de verbintenis bevat om de koolstofuitstoot in 2030 met 49 % terug te dringen ten opzichte van de niveaus van 1990, worden initiatieven geschetst om een verlaging van de inkomstenbelasting te compenseren met een verhoging van de energie-, milieu- en verbruiksbelasting. Het kabinet wil ook, in aanvulling op het prijssignaal van het ETS van de EU, een CO2-minimumprijs voor elektriciteitsopwekking (een koolstofbodemprijs) invoeren van 18 EUR in 2020, oplopend tot 43 EUR in 2030. Bedrijven in de sector wordt een extra heffing in rekening gebracht die berust op het prijsverschil tussen de EU-rechten en de bodemprijs. Om de tarieven beter in balans te brengen met de CO2-uitstoot, gaat voor de consument de belasting op gas met 0,03 EUR per kubieke meter omhoog en de belasting op elektriciteit met 0,0072 per kilowattuur omlaag. Nederland behoort tot de lidstaten die het gebruik van elektrische voertuigen stimuleren om de luchtkwaliteit te verbeteren. In het kader daarvan worden lagere accijnzen geheven op elektriciteit van laadpalen. Voorlopig geeft de luchtverontreiniging nog aanleiding tot ernstige zorgen over de volksgezondheid (Europees Milieuagentschap, 2017, blz. 57-58).

Bijlage A: Overzichtstabel

Toezeggingen

Samenvattende beoordeling ( 51 )

Landspecifieke aanbevelingen (LSA's) van 2017

LSA 1: Met inachtneming van de doelstelling op middellange termijn het begrotingsbeleid gebruiken om de binnenlandse vraag te ondersteunen, met inbegrip van investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Maatregelen nemen om de resterende verstoringen op de woningmarkt en de bevoordeling van schulden van huishoudens terug te dringen, met name door de hypotheekrenteaftrek te beperken.

Nederland heeft enige vooruitgang geboekt bij het aanpakken van LSA 1( 52 ):

Met inachtneming van de doelstelling op middellange termijn het begrotingsbeleid gebruiken om de binnenlandse vraag te ondersteunen,

Aanzienlijke vooruitgang. Het kabinet heeft begrotingsmaatregelen doorgevoerd om de binnenlandse vraag te ondersteunen door met name de uitgaven voor veiligheid en de lerarensalarissen te verhogen.

met inbegrip van investeringen in onderzoek en ontwikkeling.

Enige vooruitgang. Vanaf 2018 verhoogt het kabinet de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling.

Maatregelen nemen om de resterende verstoringen op de woningmarkt en de bevoordeling van schulden van huishoudens terug te dringen, met name door de hypotheekrenteaftrek te beperken.

Enige vooruitgang. Het kabinet heeft aangekondigd dat het de aftrekbaarheid van de hypotheekrente vanaf 2020 sneller wil verlagen om in 2023 uit te komen op 37 %, hetgeen nog steeds aan de hoge kant is. Wat de huurmarkt betreft, heeft het kabinet de Samenwerkingstafel Middenhuur in het leven geroepen om belanghebbenden samen te brengen om uitdagingen en oplossingen op de huurmarkt te bespreken. De Samenwerkingstafel zal aanbevelingen doen over de vraag hoe het middensegment van de huurmarkt kan worden gestimuleerd. Voorts krijgen gemeenten door een wijziging in het Besluit ruimtelijke ordening in 2017 de mogelijkheid om zones specifiek te bestemmen voor het bouwen van woningen voor middenhuur. Andere resterende verstoringen in de sociale huursector zijn niet aangepakt.

LSA 2: Resterende belemmeringen voor het inhuren van personeel op basis van vaste contracten aanpakken. De sterke stijging van het aantal zelfstandigen zonder personeel aanpakken, mede door fiscale verstoringen die zelfstandigenbanen stimuleren, te beperken zonder het ondernemerschap te schaden, en door de toegang van de zelfstandigen tot betaalbare sociale bescherming te bevorderen. Op basis van het brede voorbereidende proces dat al aan de gang is, de tweede pijler van het pensioenstelsel transparanter, eerlijker tussen generaties en schokbestendiger maken. Gunstige voorwaarden tot stand brengen voor hogere reële loongroei, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de rol van de sociale partners.

Nederland heeft beperkte vooruitgang geboekt bij het aanpakken van LSA 2:

Resterende belemmeringen voor het inhuren van personeel op basis van vaste contracten aanpakken.

Beperkte vooruitgang. Het kabinet heeft een reeks verdere maatregelen en ideeën/plannen aangekondigd om na te denken over segmentatie, maar nog geen wetgevingsmaatregelen voorgesteld.

De sterke stijging van het aantal zelfstandigen zonder personeel aanpakken, mede door fiscale verstoringen die zelfstandigenbanen stimuleren, te beperken zonder het ondernemerschap te schaden, en door de toegang van de zelfstandigen tot betaalbare sociale bescherming te bevorderen.

Beperkte vooruitgang. Het kabinet heeft de invoering van een minimumuurtarief voor zzp'ers en ideeën voor verdere reflectie aangekondigd, maar nog geen wetgevingsmaatregelen voorgesteld. De aangekondigde vermindering van het aantal belastingschijven van vier naar twee kan het maximumpercentage van specifieke belastingaftrekmogelijkheden voor sommige zzp'ers die niet aan de onderkant van de arbeidsmarkt actief zijn, gefaseerd verlagen. Er zijn geen specifieke maatregelen aangekondigd met betrekking tot de sociale bescherming van zzp'ers.

Op basis van het brede voorbereidende proces dat al aan de gang is, de tweede pijler van het pensioenstelsel transparanter, eerlijker tussen generaties en schokbestendiger maken.

Geen vooruitgang. Het kabinet heeft zijn intentie om de tweede pijler van het pensioenstelsel te hervormen bevestigd, maar nog geen maatregelen aangekondigd.

Gunstige voorwaarden tot stand brengen voor hogere reële loongroei, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de rol van de sociale partners.

Beperkte vooruitgang. Het kabinet erkent dat er behoefte is aan een hogere reële loongroei. De aangekondigde nieuwe belastingmaatregelen zullen de belastingdruk op arbeid verlagen. Daarnaast is een verhoging van de uitgaven voor de lerarensalarissen in het regeerakkoord opgenomen. In het algemeen behoort de loonvorming tot de bevoegdheden van de sociale partners en de recente looneisen (en die waarover voor bepaalde sectoren al overeenstemming is bereikt) zijn aanzienlijk hoger voor 2017 en 2018. Naar verwachting zal de verkrapping van de arbeidsmarkt de reële loongroei opstuwen.

Europa 2020 (nationale doelen en vooruitgang)

Doelstelling werkgelegenheidsgraad vastgesteld in het NHP 2016: 80 %.

De arbeidsmarktparticipatie bedroeg 81,6 % in het tweede kwartaal van 2017 en het percentage werkenden 77,1 % in datzelfde kwartaal. Nederland is op de goede weg om deze doelstelling te bereiken.

O&O-doel: 2,5 % van het bbp.

In 2016 bedroegen de totale O&O-uitgaven 2,03 % van het bbp. Het gemiddelde jaarlijkse groeicijfer van 1,0 % sinds 2012 zou aanzienlijk moeten stijgen tot meer dan 5 % om het doel in 2020 te bereiken.

·Nationale doelstelling broeikasgasemissies:

·-16 % in 2020 ten opzichte van 2005 (in sectoren die niet onder de EU-emissiehandelsregeling vallen).

·Niet-ETS-doelstelling voor 2016: -9 %.

Volgens nationale prognoses zal Nederland in vergelijking met 2005 naar verwachting 10 pp beter presteren dan de 2020-doelstelling broeikasgasemissies van -16 % in het kader van de verordening inzake de verdeling van de inspanningen.

De tussentijdse doelstelling van 2016 van -9 % is overtroffen: het percentage bedraagt nu 11 %.

2020-doelstelling hernieuwbare energie:

·Het aandeel energie uit hernieuwbare energiebronnen bedraagt 14 % van het bruto-eindverbruik van energie in 2020.

·De tussentijdse doelstelling voor 2015-2016 is 7,6 %.

Met een aandeel van 5,84 % hernieuwbare energie van het bruto-eindenergieverbruik in 2015 zal Nederland naar verwachting het indicatief traject voor hernieuwbare energie 2015-2016 van 7,6 % missen. Het is onwaarschijnlijk dat Nederland zonder bijkomende inspanningen de 2020-doelstelling volledig zal halen.

Doelstelling inzake energie-efficiëntie: cumulatieve besparingen in eindenergieverbruik van 11,5 Mtoe in 2014-2020. Dit betekent:

·primair energieverbruik van 60,7 Mtoe; en

·eindverbruik van energie van 52,2 Mtoe.

Het primair energieverbruik is gestegen van 64,59 Mtoe in 2015 naar 64,8 Mtoe in 2016. Het eindverbruik van energie is stabiel gebleven op 49,5 Mtoe in 2015 en 2016.

Gezien de lichte stijging van het energieverbruik moeten er blijvend inspanningen worden gedaan om te garanderen dat de 2020-doelstellingen worden behaald.

Doelstelling inzake voortijdige schoolverlaters: <8,0 %.

Het percentage voortijdige schoolverlaters gaat al jaren naar beneden en met een percentage van 8 % werd de nationale doelstelling al in 2016 bereikt.

Doelstelling inzake tertiair onderwijs: >40 %.

Het percentage van 45,7 % in 2016 ligt ruim boven de nationale doelstelling en het EU-gemiddelde van 39,1 %.

Doelstelling inzake de terugdringing van het aantal mensen dat deel uitmaakt van huishoudens met een zeer geringe arbeidsintensiteit: - 100 000 (leeftijdsgroep 0-64).

Het aantal mensen dat tot deze groep behoort, bedroeg in 2010 1 595 000; dit aantal is in 2015 gestegen tot 1 653 000 en in 2016 stabiel gebleven. De doelstelling lijkt dus niet gehaald te worden.

Bijlage B: Scorebord voor macro-economische onevenwichtigheden

Tabel B.1:PMO-scorebord voor Nederland (WMV 2018)

Aantekeningen: b: breuk in reeks. p: voorlopig.
1) Deze tabel bevat gegevens zoals gepubliceerd in het kader van het waarschuwingsmechanismeverslag 2018, waarin gegevens van 24 oktober 2017 zijn opgenomen. De cijfers in deze tabel kunnen daarom verschillen van recentere gegevens elders in dit document.

Bron: Europese Commissie 2017, Statistical Annex to the Alert Mechanism Report 2018, SWD(2017) 661.

Bijlage C: Standaardtabellen

Tabel C.1:Indicatoren financiële markten

1) Recentste gegevens Q3 2017. Omvat niet alleen banken, maar alle monetaire financiële instellingen behalve centrale banken.
2) Recentste gegevens Q2 2017.

3) Volgens de definitie van de ECB van bruto niet-renderende schuldinstrumenten.

4) Kwartaalwaarden worden niet geannualiseerd.

* Uitgedrukt in basispunten.

Bron: Europese Commissie (rentetarieven op lange termijn); Wereldbank (externe brutoschuld); Eurostat (particuliere schuld); ECB (alle andere indicatoren).

Tabel C.2:Kernindicatoren sociaal scorebord

† Het sociaal scorebord omvat 14 kernindicatoren, waarvan er momenteel 12 worden gebruikt om de prestaties van de lidstaten te vergelijken. De indicatoren "percentage personen die willen werken en aan actieve arbeidsmarktmaatregelen deelnemen" en "beloning van werknemers per gewerkt uur (in EUR)" worden niet gebruikt vanwege technische bezwaren van de lidstaten. Mogelijke alternatieven worden besproken in de relevante comités.

1) Personen die een armoede- of uitsluitingsrisico lopen (Arope): personen die een armoederisico lopen (AROP) en/of die met ernstige materiële deprivatie kampen (SMD) en/of die deel uitmaken van een huishouden met een werkintensiteit die nul of bijzonder laag is (LWI).

2) Werklozen zijn alle personen die geen werk hebben, actief naar werk zoeken en bereid zijn onmiddellijk of binnen een termijn van twee weken aan het werk te gaan.

3) Het bruto beschikbare inkomen van huishoudens wordt ongecorrigeerd gedefinieerd, overeenkomstig het ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2018.

4) Daling van het armoederisicopercentage door sociale overdrachten (berekend door vergelijking van het armoederisicopercentage vóór sociale overdrachten met dat na overdrachten; pensioenen worden bij de berekening niet als sociale overdrachten beschouwd).

5) Gemiddelde van de eerste drie kwartalen van 2017 voor de arbeidsparticipatie en de genderkloof arbeidsparticipatie.

Bron: Eurostat

Tabel C.3:Arbeidsmarkt- en onderwijsindicatoren

* Niet-scorebordindicator

1) Langdurig werklozen zijn personen die minstens twaalf maanden werkloos zijn.

2) Verschil tussen het gemiddelde bruto-uurloon van mannen in loondienst en dat van vrouwen in loondienst, uitgedrukt als een percentage van het gemiddelde bruto-uurloon van mannen in loondienst. Het wordt gedefinieerd als "ongecorrigeerd" omdat het niet corrigeert voor de verdeling van individuele kenmerken (en dus een algemeen beeld geeft van genderongelijkheid op het gebied van loon). Alle werknemers die in ondernemingen met tien of meer werknemers werken, zonder beperkingen voor leeftijd en gewerkte uren, zijn meegerekend.

3) Zwakke prestaties voor wiskunde van 15-jarigen volgens PISA (OESO)-resultaten.

4) Impact van sociaaleconomische en culturele status op PISA (OESO)-resultaten. De cijfers voor 2012 en 2015 hebben respectievelijk betrekking op wiskunde en wetenschappen.

5) Gemiddelde van de eerste drie kwartalen van 2017, behalve voor de jeugdwerkloosheid (jaarcijfer).

Bron: Eurostat, OESO

Tabel C.4:Indicatoren voor sociale inclusie en gezondheid

1) Armoederisicopercentage (AROP): percentage van de bevolking met een gestandaardiseerd beschikbaar inkomen dat minder bedraagt dan 60 % van het nationale gestandaardiseerde mediane inkomen.

2) Percentage van de bevolking dat kampt met ten minste vier van de volgende vormen van deprivatie: zij kunnen het zich niet veroorloven i) de huur- of energierekeningen te betalen, ii) hun woning voldoende te verwarmen, iii) onverwachte uitgaven te doen, iv) om de twee dagen vlees, vis of even proteïnerijk voedsel te eten, v) één keer per jaar een week met vakantie te gaan, of een vi) auto, vii) een wasmachine, viii) een kleurentelevisie of ix) een telefoon aan te schaffen.

3) Percentage van de totale bevolking dat in een overbezette woning woont en geconfronteerd wordt met woningnood.    

4) Personen in huishoudens met zeer lage werkintensiteit: percentage van de 0-59-jarigen dat deel uitmaakt van huishoudens waar de volwassenen (met uitzondering van afhankelijke kinderen) de voorbije twaalf maanden minder dan 20 % van hun totale potentiële arbeidstijd hebben gewerkt.

5) Ratio van het mediane individuele brutopensioen in de leeftijdsgroep 65-74 jaar in verhouding tot het mediane individuele bruto-inkomen in de leeftijdsgroep 50-59 jaar.

6) Penetratie van vaste breedband (33 %), penetratie van mobiele breedband (22 %), snelheid (33 %) en betaalbaarheid (11 %), van het digitale scorebord.

Bron: Eurostat, OESO



Tabel C.5:Indicatoren voor de prestatie van productmarkten en beleidsindicatoren

1 De methodologie, met inbegrip van de aannames, voor de opstelling van deze indicator wordt in detail beschreven op de website http://www.doingbusiness.org/methodology
2 Gemiddelde antwoorden op vraag Q7B_a. "[Bankkrediet]: Indien u een aanvraag voor dit soort financiering hebt ingediend en hierover in de laatste zes maanden hebt proberen te onderhandelen, wat was dan de uitkomst?" De antwoorden waren als volgt gecodeerd: 0 indien alles ontvangen, 1 indien meeste ontvangen, 2 indien alleen beperkt deel ontvangen, 3 indien geweigerd of verworpen en behandeld als ontbrekende waarde indien de aanvraag nog hangende is of de uitkomst niet bekend is.

3 Aandeel bevolking 15-64 jaar dat tertiair onderwijs met succes heeft doorlopen.

4 Aandeel bevolking 20-24 jaar dat ten minste tweede fase middelbaar heeft genoten.

5 Index: 0 = niet gereguleerd; 6 = het sterkst gereguleerd. De bij de opstelling van de OESO-indicatoren voor de productmarktregulering gevolgde werkwijzen worden in detail beschreven op de website http://www.oecd.org/competition/reform/indicatorsofproductmarketregulationhomepage.htm

6 Geaggregeerde OESO-indicatoren inzake regulering op gebied van energie, vervoer en communicatie (ETCR).

Bron: Europese Commissie; Wereldbank — Doing Business (voor het afdwingen van contracten en de benodigde tijd om een bedrijf te starten); OESO (voor indicatoren productmarktregulering); SAFE (voor de uitkomst van aanvragen van het mkb voor bankkredieten).

Tabel C.6:Groene groei

Alle macro-intensiteitsindicatoren zijn uitgedrukt als een verhouding van een fysieke hoeveelheid tot het bbp (in prijzen van 2010)

Energie-intensiteit: bruto binnenlands energieverbruik (in kgoe) gedeeld door bbp (in EUR)

Koolstofintensiteit: broeikasgasemissies (in kg CO2-equivalenten) gedeeld door bbp (in EUR)

Hulpbronnenintensiteit: binnenlands verbruik grondstoffen (in kg) gedeeld door bbp (in EUR)

Afvalintensiteit: afval (in kg) gedeeld door bbp (in EUR)

Energiehandelsbalans: verhouding tussen export en import energie, uitgedrukt als percentage van het bbp.

Weging energie in HICP: aandeel "energie"-items in consumptiemandje gebruikt voor berekening HICP.

Verschil tussen verandering energieprijzen en inflatie: energiecomponent HICP, en totale HICP-inflatie (jaarlijkse verandering in %).

Reële energiekosten per eenheid: reële energiekosten als percentage van totale toegevoegde waarde voor de economie.

Energie-intensiteit industrie: eindenergieverbruik van de industrie (in kgoe) gedeeld door de bruto toegevoegde waarde van de industrie (in EUR 2010).

Reële energiekosten per eenheid voor be- en verwerkende industrie exclusief raffinage: reële kosten als percentage van totale toegevoegde waarde voor sectoren be- en verwerkende industrie.

Aandeel energie-intensieve industrieën in de economie: aandeel bruto toegevoegde waarde van energie-intensieve industrieën in bbp.

Elektriciteits- en gasprijzen voor middelgrote industriële verbruikers: verbruikcategorie 500–20 000 MWh en 10 000–100 000 GJ; gegevens excl. btw.

Recyclingpercentage huishoudelijk afval: verhouding gerecycled en gecomposteerd huishoudelijk afval - totaal huishoudelijk afval.

Overheidsuitgaven O&O voor energie of voor milieu: overheidsuitgaven voor O&O voor deze categorieën als percentage van het bbp.

Aandeel broeikasgasemissies dat onder EU-emissiehandelsregeling (ETS) valt (exclusief luchtvaart): gebaseerd op

door lidstaten aan het Europees Milieuagentschap gemelde broeikasgasemissies (excl. landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw).

Energie-intensiteit vervoer: eindenergieverbruik vervoer (in kgoe) gedeeld door bruto toegevoegde waarde vervoersindustrie (in EUR 2010).

Koolstofintensiteit vervoer: broeikasgasemissies in vervoer gedeeld door bruto toegevoegde waarde sector vervoer.

Afhankelijkheid van invoer energie: netto-invoer energie gedeeld door bruto binnenlands energieverbruik incl. door internationale bunkers.

Geaggregeerde concentratie-index leveranciers: omvat olie, gas en kolen. Kleinere waarden wijzen op grotere diversificatie en dus lager risico.

Diversificatie energiemix: Herfindahl-index voor aardgas, totaal petroleumproducten, nucleaire warmte, hernieuwbare energie en vaste brandstoffen.

* Europese Commissie en Europees Milieuagentschap.

Bron: Europese Commissie en Europees Milieuagentschap (aandeel broeikasgasemissies dat onder ETS valt); Europese Commissie (milieuheffingen en belastingen op arbeid en bbp); Eurostat (alle andere indicatoren).

Referenties

Adriaens, H., P. Fontein, M. den Uijl en K. de Vos (2016), De toekomstige arbeidsmarkt voor onderwijspersoneel po, vo en mbo 2015-2025, CentERdata, Tilburg.

Afman, E. en S. Deroose (2016), De Raad van State als Begrotingsraad: effectiviteit en uitdagingen. Economisch Statistische Berichten Vol. 101, blz. 750-754.

Algemene Rekenkamer (2017), Inburgering: Eerste resultaten van de Wet inburgering 2013, Algemene Rekenkamer, Den Haag.

Arpaia, A. en A. Kiss (2015), Benchmarks for the assessment of wage developments, Short Analytical Web Note 2/2015, Europese Commissie, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2015, http://publications.europa.eu/s/b4YC.

Andrews, D., C. Criscuolo en P. Gal (2015), Frontier Firms, Technology Diffusion and Public Policy: Micro evidence from OECD countries, OECD Productivity Working Papers, Parijs.

AWTI (2017), Onmisbare schakels: De toekomst van het toepassingsgericht onderzoek, Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie, Den Haag.

Bovenberg, A. (1991), Overvloed en onbehagen: Sparen en investeren in Nederland. Economische Statistische Berichten, 76(3794), blz. 144-148, Amsterdam.

Bongers, F., P. de Boer, M. Janssen, J. Steur, J. Veldman en B. Verspagen (2017), Evaluatie Small Business Innovation Research (SBIR), in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, Dialogic, Utrecht.

Carroll, C., J. Slacalek en K. Tokuoka (2014), The Distribution of Wealth and the MPC: Implications of New European Data. The American Economic Review, 104(5), blz. 107-111.

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2015), Internationaliseringsmonitor 2015, derde kwartaal, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2016), Laagste huurstijging in vijf jaar, beschikbaar op: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/36/laagste-huurstijging-in-vijf-jaar

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2017a), Kernindicatoren integratie 2017, beschikbaar op: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2017/31/kernindicatoren-integratie-2017

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2017b), Kwart ICT-bedrijven heeft personeelstekort, beschikbaar op: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/26/kwart-ict-bedrijven-heeft-personeelstekort

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2017c), Handelsoverschot zonder wederuitvoer 20 miljard lager, beschikbaar op: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/18/handelsoverschot-zonder-wederuitvoer-20-miljard-lager

Commissie vraagfinanciering MBO (2017), Doorleren werkt: Samen investeren in nieuwe zekerheid, Rijksoverheid, Den Haag.

De Beer, J., H. van Dalen en K. Henkens (2017), Stijgt de AOW-leeftijd niet te hard? beschikbaar op: http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/stijgt-de-aowleeftijd-niet-te-hard

De Nederlandsche Bank (DNB) (2016), Kredietmarkten in beweging: Grotere rol pensioenfondsen en verzekeraars bevordert financiële stabiliteit, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

De Nederlandsche Bank (DNB) (2017a), 'De woningmarkt in de grote steden', Occasional Studies Volume 15-1, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

De Nederlandsche Bank (DNB) (2017b), Overzicht Financiële Stabiliteit - najaar 2017, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

Eggelte, J., R. Hillebrand, T. Kooiman en G. Schotten (2014), 'Het nationale spaaroverschot ontleed', DNB Occasional Studies, Vol. 12-6, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

Eurofound (2017a), Exploring self-employment in the European Union, Eurofound report, Dublin.

Eurofound (2017b), Working time patterns for sustainable work, Eurofound report, Dublin.

Europese Centrale Bank (ECB) (2017), Report on Financial Structures, Frankfurt.

Europese Commissie (EC) (2015), 'Challenges to Member States' Investment Environments', Werkdocument van de diensten van de Commissie COM(2015) 400 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2016a), 'Landverslag Nederland', Werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2016) 87 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2016b), European Construction Sector Observatory: Country profile Netherlands, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2017a), Background documents for the European Semester: Construction, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2017b), 'Landverslag Nederland', Werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2017) 84 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2017c), Eco-Innovation Scoreboard and Eco-Innovation Index, beschikbaar op: https://ec.europa.eu/environment/ecoap/indicators/index_en

Europese Commissie (EC) (2017d), 'European Economic Forecast - Autumn 2017', Institutional Paper 063, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2017e), Impact Assessment accompanying the document Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on work-life balance for parents and carers and repealing Council Directive 2010/18/EU, SWD/2017/0202 final - 2017/085 (COD), Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2017f), 'Investment in Human Capital: Assessing the efficiency of public spending on education', nota aan de Eurogroep, 6 november 2017, beschikbaar op: http://consilium.europa.eu/media/31409/investment-in-human-capital_eurogroup_31102017_ares.pdf

Europese Commissie (EC) (2017g), Labour market and wage developments report in Europe, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2017h), Prudential thresholds for private sector debt: households vs. non-financial corporations, nota voor het Comité voor economische politiek, 13 juni 2017.

Europese Commissie (EC) (2017i), Voortgangsverslag hernieuwbare energie, COM(2017) 57 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2017j), SBA-factsheets voor Nederland 2017, beschikbaar op: https://ec.europa.eu/growth/smes/business-friendly-environment/performance-review_nl#sba-fact-sheets

Europese Commissie (EC) (2017k), Scorebord van de interne markt, Prestaties per beleidsterrein: Overheidsopdrachten (Rapportageperiode: 1.2016 - 12.2016), beschikbaar op: http://ec.europa.eu/single-market-scoreboard

Europese Commissie (EC) (2017l), Tax Policies in the European Union 2017 Survey, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (EC) (2017m), 'Empirical current account benchmarks: modelling the impact of demographic variables', LIME Working Group, 24 april 2017.

Europese Commissie (EC) (2018), 'Debt Sustainability Monitor 2017', Institutional Paper 071, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europees Milieuagentschap (2017), 'Air quality in Europe', EEA Report No 13/2017, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europees Comité voor systeemrisico's (2016), Vulnerabilities in the EU residential real estate sector / November 2016, ESRB, Frankfurt.

Fontein, P., Adriaens, H., Den Uijl, M., & De Vos, K. (2015), De toekomstige arbeidsmarkt voor onderwijspersoneel po, vo en mbo 2015-2025. Update oktober 2015, beschikbaar op http://www.voion.nl/publicaties/de-toekomstige-arbeidsmarkt-voor-onderwijspersoneel-po-vo-en-mbo-2015-2025

Fransman, R. (2014), Sparen is geen deugd. Amsterdam University Press.

Grabska, K., L. Bettendorf, R. Luginbuhl, G. Meijerink en A. Elbourne (2017), 'De vertraging van de productiviteit – feiten voor Nederland', CPB Notitie in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Gruber, J., A. Jensen en H. Kleven (2017), 'Do People Respond to the Mortgage Interest Deduction? Quasi-experimental evidence from Denmark', NBER Working Paper No. 23600.

Heyma, A., S. van der Werff, L. Megens, H. Bennaars en M. Engelen (2017), De kosten van ontslag met wederzijds goedvinden voor werkgevers, SEO Economisch Onderzoek, in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

Houben, A., M. Dröes en R. van Lamoen (2017), De prijsstijgingen op de Amsterdamse woningmarkt onder de loep, Economisch Statistische Berichten, 12 oktober 2017, beschikbaar op: https://esb.nu/incoming/20032497/de-prijsstijgingen-op-de-amsterdamse-woningmarkt-onder-de-loep

IHS (2018, verschijnt binnenkort), Aggressive Tax Planning Indicators, European Commission Taxation Papers.

Internationaal Monetair Fonds (IMF) (2017). External Sector Report, Washington D.C.

ING (2017), EBZ Doorstroming huurmarkt onder druk, beschikbaar op: https://www.ing.nl/zakelijk/kennis-over-de-economie/onze-economie/de-nederlandse-economie/publicaties/inkomensafhankelijke-huurverhoging-heeft-weinig-effect.html

Jansen, C. en M. Ligthart (2014), 'Spaaroverschot niet-financiële bedrijven: ontwikkeling, oorzaken en gevolgen', CPB Achtergronddocument, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Koninkrijk der Nederlanden (2017), Besluit van 18 april 2017 tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met het aanwijzen van geliberaliseerde woningen voor middenhuur, Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, Jaargang 2017, Nr. 172, beschikbaar op: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2017-172.html

Meelissen, M., A. Netten, M. Drent, R. Punter, M. Droop en L. Verhoeven (2012), PIRLS- en TIMSS-2011: Trends in leerprestaties in Lezen, Rekenen en Natuuronderwijs, Nijmegen/Enschede: Radboud Universiteit / Universiteit Twente, beschikbaar op: https://doi.org/10.3990/1.9789036534758

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017a). Onderwijs in Cijfers, Den Haag, http://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/sectoroverstijgend/personeel/lerarenopleiding

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017b), Staat van het Onderwijs: onderwijsverslag 2015/2016, Rijksoverheid, Den Haag.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2016), Wonen in beweging. De resultaten van het WoonOnderzoek Nederland 2015, Rijksoverheid, Den Haag.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) (2017), Staat van de Woningmarkt 2017, Rijksoverheid, Den Haag.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2014), International Migration Outlook 2014, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO, Parijs.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2015), OECD Employment Outlook, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO, Parijs.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2016a), 'PISA 2015 Results (Volume I)', Excellence and Equity in Education, PISA, OECD Publishing, OESO, Parijs.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2016b), Public procurement for innovation: Good Practices and Strategies, OECD Public Governance Reviews, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO, Parijs.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2017a), Getting Skills Right: Skills for Jobs Indicators, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO, Parijs.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2017b), OECD Skills Outlook 2017: Skills and global value chains, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Parijs.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2017c), Skill for jobs indicators: Data overview and analysis, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Parijs.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2017d), The Pursuit of Gender Equality: An uphill battle. OESO, Parijs.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (2017e), Non-tax compulsory payments (NTCPs) as an additional burden on labour income in 2016. OESO, Parijs.

Portegijs, W., M. Cloïn, S. Keuzenkamp, A. Merens en E. Steenvoorden (2008), Verdeelde tijd: Waarom vrouwen in deeltijd werken, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.

RIGO Research en Advies (2016), Huurprijs als verhuisprikkel: Evaluatie van de inkomensafhankelijke huurverhoging, Amsterdam.

Sociaal-Economische Raad (SER) (1992), Het nationale spaaroverschot, Rapport van de Commissie Economische Deskundigen, Publicatie 92/11, Den Haag.

Sociaal-Economische Raad (SER) (2017), The transition to a circular economy (Engelse samenvatting van het advies Werken aan een circulaire economie: geen tijd te verliezen (2016)), SER-advies, Den Haag.

Sociaal en Cultureel Planbureau en Centraal Bureau voor de Statistiek (2016), Emancipatiemonitor 2016, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.

Taskforce DeeltijdPlus (2010), De discussie voorbij: Eindrapport Taskforce DeeltijdPlus, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Rijksoverheid, Den Haag.

Van den Broek, A., F. Wartenbergh, J. Bendig-Jacobs, R. Tholen, S. Duysak en J. Nooij (2017), Monitor Beleidsmaatregelen 2016-2017: Studiekeuze, studiegedrag en leengedrag in relatie tot beleidsmaatregelen in het hoger onderwijs, 2006-2016, ResearchNed, in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Nijmegen.

Van der Aalst, M. en L. van den Beukel (2017), Kansrijke beroepen: Waar is de arbeidsmarkt krap? Landelijk overzicht, Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, Amsterdam.

Van Heuvelen, G., L. Bettendorf, G. Meijerink (2018), Frontier firms and followers in The Netherlands. CPB-achtergronddocument, Centraal Planbureau, Den Haag (verschijnt binnenkort).

Vennekens, A. & Van Steen, J. (2017), ‘Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie, 2015-2021’, Rathenau Instituut, Den Haag, april 2017.

Vierke, H. en M. Masselink (2017), The Dutch Budgetary Framework and the European Fiscal Rules. Europese Commissie, Economic Brief 027. Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

(1) ()    In het voorliggende verslag wordt de economie van Nederland beoordeeld in het licht van de jaarlijkse groeianalyse van de Europese Commissie van 22 november 2017. In die analyse roept de Commissie de EU-lidstaten op hervormingen door te voeren om de Europese economie productiever, weerbaarder en inclusiever te maken. Daarbij moeten de lidstaten hun inspanningen richten op de drie elementen van de "heilzame driehoek" van economisch beleid: het stimuleren van investeringen, het doorvoeren van structurele hervormingen en het garanderen van een verantwoord begrotingsbeleid. Tegelijk heeft de Commissie het waarschuwingsmechanismeverslag (WMV) gepubliceerd, waarmee het startschot is gegeven voor de zevende ronde van de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden. In het WMV werd geconstateerd dat voor Nederland een diepgaande evaluatie nodig was. Deze wordt in het voorliggende verslag gepresenteerd.
(2) ()    Op basis van de tussentijdse winterprognoses 2018 van de Europese Commissie en aangenomen dat de economie na 2019 trendmatig groeit.
(3) ()    Voor de beoordeling van andere in het verleden doorgevoerde hervormingen wordt verwezen naar met name de punten 4.1, 4.2, 4.3 en 4.5.
(4) ()    In de overzichtstabel in de bijlage is informatie te vinden over de mate van vooruitgang en over de maatregelen die zijn genomen om gevolg te geven aan het beleidsadvies voor elk LSA-onderdeel. Deze integrale beoordeling houdt geen rekening met de vraag of het stabiliteits- en groeipact is nageleefd.
(5) ()    Aanbeveling van de Europese Commissie voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (22.11.2017).
(6) ()    Zie Europese Commissie (2017b) en punt 4.2.4 voor de bijzonder hoge verplichteafdrachtenwig.
(7) ()    Een asterisk (*) geeft aan dat de analyse in dit punt van invloed is op de diepgaande evaluatie in het kader van de PMO (zie hoofdstuk 3 voor een algeheel overzicht van de voornaamste bevindingen).
(8) ()    In 2016 bedroeg het volume inkomende BDI 551 % van het bbp en het volume uitgaande BDI 688 % van het bbp.
(9) ()    De stromen uitgekeerde en ontvangen dividenden (berekend als nettobaten op BDI) bedroegen 16,9 % en 23,2 % van het bbp in 2016 (respectievelijk, het op drie en op één na hoogste in de EU en, gerekend naar waarde, het eerste). De stromen uitgekeerde en ontvangen rentebetalingen (berekend als nettobaten op BDI) bedroegen 2,2 % en 4,7 % van het bbp. De uitgekeerde en ontvangen royalty's bedroegen in 2016 respectievelijk 6,5 % van het bbp en 5,6 % van het bbp (en behoren zo bij de drie hoogste in de EU).
(10) ()    Het aandeel in het volume door SPE's gehouden inkomende en uitgaande BDI bedroeg in 2016 respectievelijk 80 % en 73 % van het bbp.
(11) ()    http://www.consilium.europa.eu/en/council-eu/preparatory-bodies/code-conduct-group/
(12) ()    In de Nederlandse innovatieboxregeling, een gunstige regeling voor intellectuele-eigendomsrechten, kan de winst uit in aanmerking komende O&O momenteel worden belast tegen een effectief belastingtarief van 5 %. Dat wordt verhoogd tot 7 %.
(13) ()    Europese Commissie (2018). Dit is een mechanische projectie op basis van het huidige primaire overschot en aannames voor de nominale groei en de rente. Vervolgens kunnen het schuldniveau en een rentedienst op evenwichtsniveau worden berekend.
(14) ()    Vanaf 2018 zullen uitgavenplafonds worden geïndexeerd met de loon- en prijsontwikkelingen van de uitgaven, en niet langer met de deflator prijs nationale bestedingen (pNB).
(15) ()     http://www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties/studiegroep-begrotingsruimte  
(16) ()    Zoals gedefinieerd in het Europees innovatiescorebord (EIS): http://ec.europa.eu/growth/industry/innovation/facts-figures/scoreboards_en
(17) ()    Het NIA is een éénloketcontactcentrum waar ondernemers terecht kunnen voor durfkapitaal, garanties, exportkredietverzekeringen en internationale financieringsprogramma's. Daarnaast biedt het extra durfkapitaal en betere toegang tot EU-financiering voor start-ups en scale-ups, met name voor innovatieve projecten en risicovolle activiteiten op verschillende transitiegebieden De NLII stelt institutionele beleggers in staat direct in de Nederlandse economie te investeren via mkb-bedrijfsfinanciering, en via speciale fondsen in de sectoren Energietransitie en Verduurzaming, Zorg en Wonen, en Onderwijshuisvesting.
(18) ()    Tenzij anders aangegeven, zijn alle gegevens in dit punt afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
(19) ()    Scheefwoners zijn huurders met een inkomen boven de inkomensgrens voor een sociale huurwoning, die desondanks in een sociale huurwoning wonen omdat zij hiervoor in het verleden wel in aanmerking kwamen.
(20) ()     https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2017-172.html  
(21) ()    De huursombenadering geldt sinds 1 januari 2017. Hiermee wordt het totale bedrag beperkt waarmee de huur voor sociale huurwoningen mag worden verhoogd. Het idee is om de verschillen tussen huurprijzen in de sociale huursector te beperken; hiermee wordt echter verhinderd dat de huurprijzen voor scheefwoners sneller worden aangepast.
(22) ()    Prudentiële drempels vertegenwoordigen de schulddrempel waarboven de kans op een bankencrisis hoog is, om zo de kans op een onvoorziene crisis en valse alarmsignalen tot een minimum terug te brengen. Zie ook Europese Commissie (2017h).
(23) ()    Een hypotheek staat onder water wanneer de restschuld van de hypotheek hoger is dan die van het onderliggende vastgoed.
(24) ()    Op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek en omschreven als de verhouding tussen de gemiddelde hypotheekschuld en het gemiddelde beschikbare inkomen.
(25) ()    Het regeerakkoord wil tot een belastingstelsel komen met twee in plaats van vier belastingschijven.
(26) ()    De gegevens in deze alinea zijn afkomstig van de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek en zijn gebaseerd op jaarrekeningen van vennootschappen. Deze stemmen niet volledig overeen met gegevens over niet-financiële vennootschappen van Eurostat, die zijn gebaseerd op nationale rekeningen.
(27) ()    Arrest HvJ EU van 18 september 2003, Bosal, C-168/01, ECLI:EU:C:2003:479.
(28) ()    Al is er recentelijk enige discussie ontstaan over het verband met de levensverwachting; zie De Beer, van Dalen en Henkens (2017).
(29) ()    Hoewel regelingen met premiepensioenen het stelsel minder voorspelbaar maken voor premiebetalers dan voor deelnemers aan regelingen met een uitkeringsovereenkomst, zijn deze regelingen toch transparanter en beperken zij het risico op aanzienlijke overdrachten tussen generaties. Bovendien zijn premiepensioenregelingen doorgaans ook actuarieel billijk.
(30) ()    De huidige beleidsinstellingen beperken momenteel de mogelijkheid om de consumptie beter over de levensloop te spreiden. De druk op het beschikbare inkomen voor mensen in de eerste jaren van hun werkzame leven komt van twee kanten: ten eerste van de woningmarkt, waar zij worden aangezet tot de aankoop van een eigen woning, waarbij een hoge hypotheek wordt aangegaan en op de hoofdsom wordt afgelost, en ten tweede van de hoge pensioenpremies. Dit staat in schril contrast met de oude dag, waar huishoudens gemiddeld een hoog pensioeninkomen hebben en weinig of geen uitgaven voor woning of kinderen.
(31) ()    Pensioenfondsen hebben 17 % van hun activa toegewezen aan Nederland (derde kwartaal 2017) en hebben een kleinere home bias dan andere institutionele beleggers.
(32) ()    Krapte op de arbeidsmarkt wordt gedefinieerd als de som van het aantal personen dat beschikbaar is voor werk maar geen werk zoekt, personen die werk zoeken maar niet direct beschikbaar zijn, en alle mensen die onvrijwillig in deeltijd werken (zie ook Europese Commissie, 2017g). 
(33) ()    Gebaseerd op een shift-share-analyse van de effecten van de veranderingen in de structuur van banen op de loongroei in de periode 2006-2014, gebruikmakend van statistische gegevens uit het loonstructuuronderzoek.
(34) Het Sociale Scorebord omvat 14 kernindicatoren, waarvan er momenteel 12 worden gebruikt om de prestaties van lidstaten te vergelijken. De indicatoren "Percentage personen die willen werken en aan actieve arbeidsmarktmaatregelen deelnemen" en "Beloning van werknemers per gewerkt uur (in euro)" worden niet gebruikt wegens technische bezwaren van lidstaten. Mogelijke alternatieven zullen in de desbetreffende comités worden besproken. Afkorting: bruto beschikbaar inkomen van huishoudens (BBIH).
(35) ()    Uit de EU-Arbeidskrachtenquête zijn geen recente data beschikbaar over in Nederland geboren mensen met een migratieachtergrond.
(36) ()    Ten minste één van de ouders is geboren in Afrika, Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Latijns-Amerika.
(37) ()    Zie ook de casestudy "Access to social protection for self-employed without employees in the Netherlands" van Regioplan.
(38) (()    Volgens de benchmarkingexercitie voor werkloosheidsuitkeringen en actief arbeidsmarktbeleid uitgevoerd in het EMCO. Zie voor meer details het ontwerp van gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2018.
(39) ()    Op 19 december 2016 vastgesteld door de Raad (PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1).
(40) ()    Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek had één op de vier ICT-bedrijven te kampen met personeelstekorten in het tweede kwartaal 2017.
(41) ()    De nettopensioenbesparingen zijn het verschil tussen de jaarlijkse pensioenuitkeringen en pensioenpremies. Dit verschil is zichtbaar in de rekeningen van de pensioenfondssector (overige financiële vennootschappen), maar wordt in de nationale rekeningen overgedragen naar de sector huishoudens (via de correctie voor mutaties in het nettovermogen van pensioenfondsen). Werkgevers betalen ook pensioenpremie, hetgeen betekent dat een stijging van de door hen betaalde pensioenpremies leidt tot een daling van de nettobesparingen van NFV's.
(42) ()    De NFV-brutobesparingen bestaan uit het exploitatieoverschot en ander primair inkomen zoals kapitaal (ontvangen dividenden en rente) minus rente-uitgaven, uitgekeerde dividenden, vennootschapsbelasting en ander secundair inkomen. Het exploitatieoverschot is de bruto toegevoegde waarde minus de beloning van werknemers plus subsidies minus productiebelastingen.
(43) ()    In 2005 verplaatste energiemaatschappij Royal Dutch Shell haar hoofdkantoor naar Nederland, waarmee er een einde kwam aan haar binationale bestuursstructuur. Shell is een van de grootste ondernemingen ter wereld met een jaaromzet van 212 miljard EUR in 2016 ofwel 30 % van het Nederlandse bbp. De ontvangen winstuitkeringen liepen op van iets onder de 21 % van het netto-exploitatieoverschot naar 47 % in 2005. Volgens ramingen van Eggelte e.a. (2014) op basis van de gemiddelde nettowinsten en dividenduitkeringsratio's is Shell alleen al goed voor een NFV-spaaroverschot van 1,5 % van het bbp (Eggelte e.a., 2014). Vanwege de wisselvalligheid van de nettowinsten in 2015 en 2016 is het niet mogelijk om dit cijfer te extrapoleren.
(44) ()    De "norm" voor de lopende rekening is afgeleid van regressies op basis van de belangrijkste fundamentele determinanten van het spaar-investeringssaldo (bijv. demografie, hulpbronnen), alsmede beleidsfactoren en de wereldwijde financiële situatie. Zie ook Europese Commissie 2017k. De overeenkomstige IMF-"normramingen" voor de lopende rekening wijzen op een niveau van 5,5 % van het bbp voor 2016. Zie IMF 2017.
(45) ()    Dit blijkt ook uit het hoge netto-exploitatieoverschot van de handelssector, zie grafiek 4.4.7.
(46) ()    Bij het hardnekkige nationale spaaroverschot zijn al vraagtekens geplaatst door Bovenberg (1991) en de SER (1992). Zie Fransman (2014) voor een uitgebreide recente analyse.
(47) ()    Mede door de trage digitalisering en een verhoudingsgewijs laag aanvangssalaris is de sector weinig aantrekkelijk voor leerlingen in opleiding en vergrijst deze.
(48) ()    http://iri.jrc.ec.europa.eu/scoreboard17.html
(49) ()    Dit cijfer is exclusief Airbus, een onderneming met hoofdkantoor in Nederland, maar met betrekkelijk weinig industriële activiteiten in het land. Inclusief deze onderneming bedragen de totale investeringen van deze topondernemingen 1,8 % van het bbp.
(50) ()     https://ec.europa.eu/environment/ecoap/scoreboard  
(51) ()    Voor de beoordeling van de vooruitgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen (LSA's) worden de volgende categorieën gebruikt: Geen vooruitgang: de lidstaat heeft niet op geloofwaardige wijze maatregelen aangekondigd of maatregelen vastgesteld om gevolg te geven aan de LSA. Deze categorie bevat een aantal typische situaties die van geval tot geval moeten worden beoordeeld, rekening houdend met landspecifieke omstandigheden. Het betreft onder meer de volgende situaties: er zijn geen wettelijke, administratieve of budgettaire maatregelen aangekondigdin het nationale hervormingsprogramma,in een andere officiële mededeling aan het nationaal parlement, de bevoegde parlementaire commissies of de Europese Commissie,of openbaar aangekondigd (bv. in een persbericht of een mededeling op de website van de overheid);er zijn geen niet-wetgevingshandelingen ingediend door de regering of een wetgevende instantie;de lidstaat heeft de eerste stappen gezet om gevolg te geven aan de LSA, bijvoorbeeld door opdracht te geven voor nader onderzoek of een studiegroep op te richten om mogelijk nodige maatregelen te analyseren (tenzij in de LSA uitdrukkelijk richtsnoeren of verkennende acties worden gevraagd). Er zijn geen duidelijk omschreven maatregelen voorgesteld om gevolg te geven aan de LSA.Beperkte vooruitgang: de lidstaat heeft: een aantal maatregelen aangekondigd, maar hiermee wordt slechts in beperkte mate gevolg gegeven aan de LSA; en/ofin de regering of wetgevende instanties wetgevingshandelingen voorgesteld, maar deze zijn nog niet aangenomen en er zijn nog aanzienlijke niet-wetgevende werkzaamheden nodig voordat de LSA zal zijn uitgevoerd;niet-wetgevingshandelingen ingediend, maar deze niet laten volgen door uitvoeringsmaatregelen die nodig zijn om gevolg te geven aan de LSA.Enige vooruitgang: de lidstaat heeft maatregelen vastgesteld waarmee gedeeltelijk gevolg wordt gegeven aan de LSA; en/of om gevolg te geven aan de LSA, maar er is nog tamelijk veel werk nodig om volledig gevolg te geven aan de LSA aangezien slechts enkele van de maatregelen zijn uitgevoerd. Er zijn bijvoorbeeld maatregelen vastgesteld door het nationale parlement of bij ministerieel besluit, maar er zijn geen uitvoeringsbesluiten genomen. Aanzienlijke vooruitgang: de lidstaat heeft maatregelen vastgesteld waarmee in grote mate gevolg wordt gegeven aan de LSA, en de meeste daarvan zijn uitgevoerd. Volledige uitvoering: de lidstaat heeft alle maatregelen uitgevoerd die nodig zijn om op passende wijze gevolg te geven aan de LSA.
(52) ()    Bij deze algemene beoordeling van LSA 1 wordt niet nagegaan of het stabiliteits- en groeipact is nageleefd.
(I) ()Onder publieke investeringen wordt verstaan: bruto-investeringen in vaste activa + investeringsbijdragen + nationale uitgaven voor landbouw en visserij.
(II) ()Vóór de goedkeuring van een programma moeten de lidstaten voldoen aan een aantal zogeheten ex-antevoorwaarden, die bedoeld zijn om betere condities te scheppen voor het merendeel van de publieke investeringsgebieden.
(III)
(IV) ()www.pianoo.nl/
(V) ()www.innovatiekoffer.nl/