Brussel, 14.12.2018

COM(2018) 835 final

2018/0423(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting van een protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, waarbij die overeenkomst wordt uitgebreid tot rechtshandhaving


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Verordening (EU) nr. 603/2013 1 , waarbij Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin werd herschikt, is vastgesteld en in werking getreden op 19 juli 2013. De verordening is van toepassing sinds 20 juli 2015.

Verordening (EU) nr. 603/2013 maakt het onder meer mogelijk dat Eurodac wordt geraadpleegd door rechtshandhavingsinstanties voor het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten. Rechtshandhavingsinstanties moeten kunnen verzoeken om vergelijking van vingerafdrukgegevens met de gegevens in de centrale gegevensbank van Eurodac wanneer zij de juiste identiteit van een verdachte van terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit wensen vast te stellen of nadere informatie wensen te krijgen over een dergelijke persoon.

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van het titel V-acquis en neemt het derhalve niet deel aan de vaststelling van Verordening (EU) nr. 603/2013.

Op 8 maart 2006 is de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin 2 , hierna „overeenkomst van 8 maart 2006” genoemd, gesloten.

Denemarken past de asielbepalingen van Verordening (EU) nr. 603/2013 toe in overeenstemming met de overeenkomst van 8 maart 2006. De toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden valt echter niet onder het toepassingsgebied van die overeenkomst.

Tijdens een bijeenkomst op 14 mei 2014 met vertegenwoordigers van de Commissie hebben Denemarken en de geassocieerde landen hun belangstelling bevestigd voor het openen van onderhandelingen met de Europese Unie over een internationale overeenkomst waarbij de toepassing van de rechtshandhavingsbepalingen van Verordening (EU) nr. 603/2013 tot deze landen wordt uitgebreid.

Op 14 december 2015 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen over een overeenkomst tussen de Europese Unie, enerzijds, en Denemarken, anderzijds, betreffende de modaliteiten van de deelname van Denemarken aan de procedure voor de vergelijking en verzending van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden, bedoeld in hoofdstuk VI van Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving.

Deze onderhandelingen zijn afgerond en een overeenkomst in de vorm van een protocol bij de overeenkomst van 8 maart 2006, waarbij de toepassing van de overeenkomst van 8 maart 2006 tot rechtshandhaving wordt uitgebreid, is geparafeerd.

De uitbreiding van de toepassing van de rechtshandhavingsbepalingen van Verordening (EU) nr. 603/2013 tot Denemarken zou het mogelijk maken dat de rechtshandhavingsinstanties van Denemarken verzoeken om een vergelijking van vingerafdrukgegevens met door andere deelnemende staten ingevoerde vingerafdrukgegevens die in de gegevensbank van Eurodac zijn opgeslagen, wanneer zij de identiteit van een verdachte van een ernstig strafbaar feit of terroristisch misdrijf of van een slachtoffer daarvan wensen vast te stellen of meer informatie over een dergelijke persoon wensen te verkrijgen. Tegelijkertijd zou het voor de rechtshandhavingsinstanties van alle andere deelnemende staten, zowel andere lidstaten van de EU als geassocieerde landen, mogelijk worden om met hetzelfde doel te verzoeken om een vergelijking van vingerafdrukgegevens met door Denemarken ingevoerde vingerafdrukgegevens die in de gegevensbank van Eurodac zijn opgeslagen.

Het doel van dit protocol is de totstandbrenging van juridisch bindende rechten en verplichtingen om te waarborgen dat Denemarken effectief deelneemt aan de rechtshandhavingsonderdelen van Verordening (EU) nr. 603/2013. In het protocol wordt bepaald dat alle deelnemende staten die toegang hebben tot Eurodac, zowel lidstaten van de EU als geassocieerde landen en Denemarken, voor rechtshandhavingsdoeleinden toegang krijgen tot gegevens die door andere deelnemende staten zijn ingevoerd.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het voorstel is verenigbaar met het EU-beleid inzake de toegang tot de gegevensbank van Eurodac.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het voorstel is verenigbaar met het EU-beleid op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag voor dit voorstel voor een besluit van de Raad wordt gevormd door artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), VWEU.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

De overeenkomst van 8 maart 2006 is een door de EU met Denemarken gesloten internationale overeenkomst. Overeenkomstig het beginsel van subsidiariteit, dat is vastgelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, kunnen de doelstellingen van het protocol bij deze overeenkomst slechts worden bereikt door middel van een voorstel van de Commissie op EU-niveau.

Evenredigheid

Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel aangezien het niet verder gaat dan wat nodig is om de doelstelling van effectieve deelname van Denemarken aan de rechtshandhavingsonderdelen van de Eurodac-verordening (Verordening (EU) nr. 603/2013) te verwezenlijken.

Keuze van het instrument

Een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst is vereist op grond van artikel 218, lid 6, VWEU.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadpleging van belanghebbenden

De Raad (Groep asiel) is geraadpleegd over de inhoud en de voortgang van de onderhandelingen. Het Europees Parlement (Commissie LIBE) is in kennis gesteld.

4.OVERIGE ELEMENTEN

Artikelsgewijze toelichting

Het voorstel bevat een besluit waarbij machtiging wordt verleend tot sluiting van het protocol tussen de EU en Denemarken namens de Europese Unie. In het VWEU wordt bepaald dat de Raad, op voorstel van de Commissie, een besluit vaststelt waarbij machtiging wordt verleend tot ondertekening en sluiting van een internationale overeenkomst.

In het protocol wordt bepaald dat Verordening (EU) nr. 603/2013, wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden, van toepassing is op Denemarken. Het maakt derhalve mogelijk dat de aangewezen rechtshandhavingsinstanties van de andere deelnemende staten en Europol verzoeken om een vergelijking van vingerafdrukgegevens met vingerafdrukgegevens die door Denemarken in Eurodac zijn ingevoerd. Het maakt tevens mogelijk dat de aangewezen rechtshandhavingsinstanties van Denemarken verzoeken om een vergelijking van vingerafdrukgegevens met vingerafdrukgegevens die door andere deelnemende staten in het centrale systeem van Eurodac zijn ingevoerd.

Het protocol waarborgt dat het in de EU van kracht zijnde niveau van bescherming van persoonsgegevens ook geldt voor de verwerking van persoonsgegevens door de autoriteiten van Denemarken en de lidstaten op grond van het protocol. Deze verwerking van persoonsgegevens dient te zijn onderworpen aan normen voor de bescherming van persoonsgegevens volgens nationaal recht die in overeenstemming zijn met Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.

Het protocol verbindt aan de toegang van Denemarken tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden de voorwaarde dat eerst Besluit 2008/615/JBZ juridisch en technisch ten uitvoer is gelegd wat dactyloscopische gegevens betreft.

In het protocol wordt bepaald dat de mechanismen waarin de overeenkomst van 8 maart 2006 voorziet met het oog op wijzigingen, van toepassing zijn op alle wijzigingen betreffende de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden.

2018/0423 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting van een protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, waarbij die overeenkomst wordt uitgebreid tot rechtshandhaving

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, onder a), in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring door het Europees Parlement 3 ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig besluit [XXX] van [XXX] 4 is het protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, waarbij die overeenkomst wordt uitgebreid tot rechtshandhaving, op [XXX] ondertekend onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later tijdstip.

(2)Ter ondersteuning en versterking van de politiële samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en die van Denemarken bij het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten is het noodzakelijk dat de EU actie onderneemt om Denemarken in staat te stellen deel te nemen aan de rechtshandhavingsgerelateerde aspecten van Eurodac.

(3)Het protocol moet namens de Europese Unie worden goedgekeurd.

(4)Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, hebben die lidstaten te kennen gegeven dat zij aan de vaststelling en toepassing van dit besluit wensen deel te nemen.

(5)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is dit niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, waarbij die overeenkomst wordt uitgebreid tot rechtshandhaving, hierna „het protocol” genoemd, wordt namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die gemachtigd is (zijn) om namens de Europese Unie de in artikel 4, lid 2, van het protocol bedoelde kennisgeving te verrichten waarmee de instemming van de Europese Unie om door het protocol gebonden te zijn, tot uiting wordt gebracht.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

     Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht ( PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).
(2)    PB L 66 van 8.3.2006, blz. 38.
(3)    PB C […] van […], blz. […].
(4)    PB L […] van […], blz. […].

Brussel, 14.12.2018

COM(2018) 835 final

BIJLAGE

bij het

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting van een protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, waarbij die overeenkomst wordt uitgebreid tot rechtshandhaving


BIJLAGE

bij het

Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de sluiting van een protocol bij de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, waarbij die overeenkomst wordt uitgebreid tot rechtshandhaving

DE EUROPESE UNIE

en

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

hierna „de partijen” genoemd,

(1)    OVERWEGENDE dat op 8 maart 2006 de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, hierna de „overeenkomst van 8 maart 2006” genoemd, is gesloten 1 ;

(2)    OVERWEGENDE dat de Raad op 26 juni 2013 Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, heeft vastgesteld 2 ;

(3)    VERWIJZENDE naar het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan Denemarken niet deelneemt aan de vaststelling van Verordening (EU) nr. 603/2013, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat;

(4)    EROP WIJZENDE dat de procedures voor de vergelijking en verzending van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 603/2013, geen wijziging van de bepalingen van de Eurodac-verordening inhouden zoals bedoeld in artikel 3 van de overeenkomst van 8 maart 2006, en derhalve niet tot het toepassingsgebied van die overeenkomst behoren;

(5)    OVERWEGENDE dat er een protocol tussen de Europese Unie en Denemarken dient te worden gesloten teneinde Denemarken in staat te stellen deel te nemen aan de rechtshandhavingsgerelateerde aspecten van Eurodac en daarmee de aangewezen rechtshandhavingsinstanties in Denemarken in staat te stellen verzoeken in te dienen om vergelijking met vingerafdrukgegevens die door andere deelnemende staten in het centrale systeem van Eurodac zijn ingevoerd;

(6)    OVERWEGENDE dat de toepassing van Verordening (EU) nr. 603/2013 voor rechtshandhavingsdoeleinden ten aanzien van Denemarken tevens de aangewezen rechtshandhavingsinstanties van de andere deelnemende staten en Europol in staat moet stellen verzoeken in te dienen om vergelijking met vingerafdrukgegevens die door Denemarken in het centrale systeem van Eurodac zijn ingevoerd;

(7)    OVERWEGENDE dat de verwerking van persoonsgegevens door de autoriteiten van de lidstaten met het oog op het voorkomen, het opsporen of het onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten overeenkomstig dit protocol dient te zijn onderworpen aan normen voor de bescherming van persoonsgegevens volgens nationaal recht die in overeenstemming zijn met Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad 3 ;

(8)    OVERWEGENDE dat Richtlijn (EU) 2016/680 een ontwikkeling inhoudt van de bepalingen van het Schengenacquis, opgenomen in deel drie, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en dat Denemarken op 26 oktober 2016 overeenkomstig artikel 4 van het protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken te kennen heeft gegeven dat het deze richtlijn in zijn nationale wetgeving zal omzetten. Richtlijn (EU) 2016/680 en de nadere voorwaarden die bij Verordening (EU) nr. 603/2013 zijn vastgesteld met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de aangewezen autoriteiten van Denemarken met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten dienen derhalve door Denemarken te worden toegepast;

(9)    OVERWEGENDE dat de nadere voorwaarden die bij Verordening (EU) nr. 603/213 zijn vastgesteld met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de aangewezen autoriteiten van de deelnemende staten en door Europol met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten, eveneens van toepassing dienen te zijn;

(10)    OVERWEGENDE dat slechts toegang mag worden verleend op voorwaarde dat vergelijkingen met de nationale vingerafdrukgegevensbanken van de verzoekende staat en met de geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen van alle andere deelnemende staten op grond van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit 4 niet tot de vaststelling van de identiteit van de betrokkene hebben geleid. Bijgevolg dient de verzoekende staat vergelijkingen uit te voeren met de technisch beschikbare geautomatiseerde dactyloscopische identificatiesystemen van alle andere deelnemende staten op grond van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad, tenzij die verzoekende staat kan aantonen dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat dit niet tot de vaststelling van de identiteit van de betrokkene zou leiden. Dergelijke gegronde redenen bestaan met name wanneer er in het specifieke geval geen enkele operationele of onderzoeksmatige aanknoping is met een bepaalde deelnemende staat. Bijgevolg dient de verzoekende staat, wat dactyloscopische gegevens betreft, eerst te hebben voorzien in de juridische en technische tenuitvoerlegging van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad, aangezien er geen Eurodac-controles voor rechtshandhavingsdoeleinden mogen worden verricht wanneer de bovengenoemde stappen niet vooraf zijn genomen;

(11)    OVERWEGENDE dat, alvorens Eurodac te doorzoeken, de aangewezen autoriteiten ook, mits aan de voorwaarden voor een vergelijking is voldaan, het Visuminformatiesysteem moeten raadplegen op grond van Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten 5 ;

(12)    OVERWEGENDE dat in het protocol wordt bepaald dat de mechanismen waarin de overeenkomst van 8 maart 2006 voorziet met het oog op wijzigingen, van toepassing zijn op alle wijzigingen betreffende de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden;

(13)    OVERWEGENDE dat dit protocol deel uitmaakt van de overeenkomst van 8 maart 2006,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

1.Wat de vergelijking van vingerafdrukgegevens met de in het centrale systeem van Eurodac opgeslagen gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden betreft, wordt Verordening (EU) nr. 603/2013 door Denemarken uitgevoerd en toegepast en is zij overeenkomstig internationaal recht van toepassing in het kader van de betrekkingen met de andere deelnemende staten.

2.De lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, worden beschouwd als deelnemende staten, als bedoeld in lid 1. Zij passen de bepalingen van Verordening (EU) nr. 603/2013 die betrekking hebben op de toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden toe ten aanzien van Denemarken.

3.IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland worden beschouwd als deelnemende staten, als bedoeld in lid 1, voor zover tussen deze staten en de Europese Unie met onderhavige overeenkomst vergelijkbare overeenkomsten van kracht zijn.

Artikel 2

1.De bepalingen van Richtlijn (EU) 2016/680 zijn van toepassing ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens door Denemarken die uit de toepassing van dit protocol voortvloeit.

2.Naast lid 1 zijn ook de voorwaarden die bij Verordening (EU) nr. 603/2013 zijn vastgesteld met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de aangewezen autoriteiten met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten van toepassing op Denemarken.

Artikel 3

De bepalingen van de overeenkomst van 8 maart 2006 inzake wijzigingen zijn van toepassing op alle wijzigingen die betrekking hebben op de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden.

Artikel 4

1.Dit protocol wordt door de partijen bekrachtigd of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging of goedkeuring worden neergelegd bij de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie, die de depositaris van dit protocol is.

2.Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de mededeling van de depositaris aan de partijen dat de akten van bekrachtiging of goedkeuring van beide partijen zijn neergelegd.

3.Dit protocol is niet van toepassing voordat de bepalingen van hoofdstuk 6 van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad door Denemarken ten uitvoer zijn gelegd en de evaluatieprocedures van hoofdstuk 4 van de bijlage bij Besluit 2008/616/JBZ van de Raad betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit 6 zijn voltooid wat betreft dactyloscopische gegevens in verband met Denemarken.

Artikel 5

1.Elke partij kan zich uit dit protocol terugtrekken door aan de depositaris een schriftelijke verklaring te doen toekomen. Deze verklaring wordt zes maanden na de nederlegging ervan van kracht.

2.Dit protocol is niet langer van kracht wanneer ofwel de Europese Unie ofwel Denemarken zich terugtrekt.

3.Dit protocol is niet langer van kracht wanneer de overeenkomst van 8 maart 2006 niet langer van kracht is.

4.De terugtrekking uit dit protocol of de beëindiging ervan vormt geen beletsel voor de voortzetting van de toepassing van de overeenkomst van 8 maart 2006.

Artikel 6

Dit protocol wordt opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Het oorspronkelijke exemplaar wordt neergelegd bij de depositaris, die aan elk van de partijen een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen.

Gedaan te Brussel,

(1)    PB L 66 van 8.3.2006, blz. 38.
(2)    PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1.
(3)    PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89.
(4)    PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.
(5)    PB L 218 van 13.8.2008, blz. 129.
(6)    PB L 210 van 6.8.2008, blz. 12.