EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 30.5.2018
COM(2018) 382 final
2018/0206(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+)
{SEC(2018) 273 final}
{SWD(2018) 289 final}
EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 30.5.2018
COM(2018) 382 final
2018/0206(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+)
{SEC(2018) 273 final}
{SWD(2018) 289 final}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
Europa bevindt zich op een cruciaal punt in de tijd. Het belang en het succes van Europa in de komende decennia zal worden bepaald door zijn vermogen om competitief te blijven in de wereldeconomie en te zorgen voor hoge niveaus van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, gezondheid, sociale inclusie en actieve participatie in de samenleving. Om Europa in de toekomst concurrerender, meer samenhangend en veerkrachtiger te maken, moeten wij nu in de mensen van Europa investeren: in hun onderwijs en opleiding, vaardigheden, creativiteit, hun potentieel om een bedrijf op te richten en te innoveren, en in hun gezondheid.
Bovendien zijn er nog steeds aanzienlijke uitdagingen. Ondanks verbeteringen blijft het aanpakken van de werkloosheid en de aanhoudend hoge armoedecijfers een prioriteit in de hele EU. Sociale en werkgelegenheidskwesties zijn een belangrijk punt van zorg voor de Europese burgers en een gebied waarop van de Unie meer verwacht wordt. Bijkomende uitdagingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd, houden verband met:
·tekorten in de kwalificatieniveaus;
·slechte prestaties in het actieve arbeidsmarktbeleid en de onderwijsstelsels;
·uitdagingen die voortvloeien uit nieuwe technologieën zoals automatisering en de daarmee samenhangende nieuwe vormen van werk;
·sociale uitsluiting van gemarginaliseerde groepen zoals de Roma en migranten
·en de lage arbeidsmobiliteit.
Er is behoefte aan beleidsinitiatieven en gerichte ondersteunende maatregelen om die uitdagingen aan te pakken.
Als reactie op de oproep van onze burgers om de sociale dimensie van de Unie te versterken, hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op 17 november 2017 gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd. Nu moeten de Europese instellingen en de lidstaten samenwerken om de beginselen en rechten die in de pijler zijn verankerd te verwezenlijken.
Op 2 mei 2018 heeft de Commissie een voorstel goedgekeurd voor het volgende meerjarig financieel kader voor 2021-2027 1 . Het voorstel weerspiegelt de huidige sociale en economische context en biedt een concreet antwoord op de oproep van het Europese publiek voor een socialer Europa en voor een grotere investering in de mensen in de Europese Unie.
Daarom omvat dit voorstel het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) als het belangrijkste instrument van de EU om in mensen te investeren en de Europese pijler van sociale rechten uit te voeren. In het ESF+ worden de volgende fondsen en programma's samengevoegd:
–het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI);
–het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD);
–het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en
–het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid (het EU-gezondheidsprogramma).
Met de samenvoeging van de bovengenoemde fondsen worden drie doelen beoogd:
–de samenhang en synergie vergroten tussen aanvullende EU-instrumenten die een belangrijke ondersteuning verlenen aan mensen en die tot doel hebben hun levensstandaard te verbeteren door de ontwikkeling van meer geïntegreerde benaderingen van programmering en uitvoering;
–de flexibiliteit verhogen en de middelen beter afstemmen op de prioriteiten op EU-niveau en op de uitdagingen die zijn gesignaleerd in de cyclus economische governance;
–de programmering en het beheer van middelen vereenvoudigen, wat de administratieve lasten voor autoriteiten en begunstigden zal verminderen.
Daarom zal het ESF+ helpen bij het opbouwen van een krachtig sociaal Europa en bijdragen tot economische, sociale en territoriale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU, een noodzakelijke voorwaarde voor het naar behoren functioneren van de EU als een stabiele en levensvatbare economische en politieke unie.
Dit voorstel, dat van toepassing zou moeten worden op 1 januari 2021, wordt voorgelegd voor een Unie van 27 lidstaten, in overeenstemming met de kennisgeving van het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om zich terug te trekken uit de Europese Unie en uit Euratom die de Europese Raad op 29 maart 2017 heeft ontvangen uit hoofde van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
•Verenigbaarheid met bestaande beleidsbepalingen
Het ESF+ ondersteunt beleidsmaatregelen en prioriteiten die tot doel hebben volledige werkgelegenheid te helpen verwezenlijken, de kwaliteit en de productiviteit op de werkplek te verhogen, de geografische en beroepsmobiliteit van de werknemers binnen de Unie te vergroten, de onderwijs- en opleidingsstelsels te verbeteren en sociale inclusie en gezondheid te bevorderen.
De overkoepelende beleidsdoelstelling van de ESF+-verordening is bij te dragen tot een beter presterend en veerkrachtiger "sociaal Europa" en tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de door het proces van de Europese economische governance bekrachtigde sociale en werkgelegenheidsprioriteiten. Het ESF+ zal bijdragen aan de uitvoering van de geïntegreerde richtsnoeren die zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 121 en artikel 148, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de landspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester, en zal worden meegenomen in de algemene doelstelling van slimme, inclusieve en duurzame groei na 2030 (de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN 2 ) en opwaartse convergentie. Bovendien zal het ESF+ helpen de werkgelegenheidskansen te verbeteren, de levensstandaard en het gezondheidsniveau te verhogen, de arbeidsmobiliteit en de economische, sociale en territoriale samenhang te vergroten, zoals vastgesteld in het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de EU. Het ESF+ is ook bedoeld om een bijdrage te leveren aan de vaardighedenagenda voor Europa en de integratie van onderdanen van derde landen.
De vaststelling van minimumaandelen en -bedragen voor het ESF+ onder gedeeld beheer als één van de structuurfondsen zal ervoor zorgen dat de hierboven beschreven prioriteiten van de EU op passende wijze tot uiting komen in het volume van de investeringen die rechtstreeks op de Europese burgers zijn gericht.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Het ESF+ is erop gericht de synergieën en de samenhang met andere fondsen die in de ontwikkeling van menselijk kapitaal investeren, te verbeteren. Het ESF+ zou vooral moeten zorgen voor complementariteit en synergieën met het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), het Erasmus-programma en het Europees Solidariteitskorps, het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), en ook met het programma Horizon Europa en het programma Digitaal Europa en het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument.
Het ESF+ en het EFG zullen elkaar blijven aanvullen aangezien het ESF+ steun zal blijven verlenen aan preventieve en anticiperende maatregelen, terwijl het EFG een reactief noodfonds buiten het MFK blijft.
Het ESF+ en Erasmus zijn actief op gelijkaardige gebieden. Zij helpen met name mensen nieuwe vaardigheden te verwerven, bij te scholen om te beantwoorden aan de behoeften van de bedrijfstakken 3 , digitale competenties en de kwaliteit van onderwijs en opleiding te verbeteren. De samenwerking tussen het ESF+ en Erasmus zal daarom worden versterkt. De precieze aard van de samenwerking zal nader worden uitgewerkt in de werkprogramma’s en programmagidsen voor het ESF+ en Erasmus, waardoor doeltreffendere en doelmatigere synergieën mogelijk worden gemaakt.
Het ESF+ zal ook steun blijven verlenen aan de integratie op de middellange en lange termijn van onderdanen van derde landen ter aanvulling op het AMIF, dat de kortetermijnbehoeften ondersteunt.
Het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer zal deel blijven uitmaken van het cohesiebeleid en zal hoofdzakelijk worden geregeld in de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening). Als zodanig zullen voor beheer, programmering, monitoring, audit enz. dezelfde regels gelden als voor de meeste andere fondsen onder gedeeld beheer. Via programma's die door meerdere fondsen gesteund worden, kunnnen de lidstaten financiering uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en uit het ESF blijven combineren.
Voor het onderdeel gezondheid zal een passende governancestructuur voorzien in strategische richtsnoeren en technische adviezen over maatregelen ter ondersteuning en uitvoering van het onderdeel. Die structuur zal ook helpen bij het coördineren van de aanvullende bijstandsonderdelen voor onderzoek, de digitale markt, regionale en cohesiefondsen en andere.
Het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader voor 2021-2027 stelt een ambitieuzere doelstelling vast voor de integratie van klimaatmaatregelen in alle EU-programma's, met als algemeen streefdoel dat 25 % van de EU-uitgaven bijdraagt tot klimaatdoelstellingen. De bijdrage van dit programma aan het bereiken van dit algemene streefdoel zal worden opgevolgd via een EU-klimaatindicatorsysteem op een passend niveau van uitsplitsing, en met gebruik van preciezere methoden indien beschikbaar. De Commissie zal ook in de toekomst de informatie jaarlijks presenteren onder de vorm van vastleggingskredieten in het kader van de jaarlijkse ontwerpbegroting.
Om ervoor te zorgen dat het volledige potentieel van het programma op het gebied van klimaatdoelstellingen wordt benut, zal de Commissie relevante acties in kaart brengen tijdens de voorbereiding, uitvoering, herziening en evaluatie van het programma.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
De titels IX (Werkgelegenheid), X (Sociale politiek) en XIV (Volksgezondheid) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met name de artikelen 46, 149, 153, 162 tot en met 166, 168, 174, 175 en 349 van het VWEU vormen het rechtskader voor de onder dit voorstel vallende maatregelen.
Het ESF+ bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel, dat wordt uitgevoerd onder gedeeld beheer, omvat het (ex-) ESF, dat is gebaseerd op de artikelen 162 en 164 VWEU, en fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftigen overeenkomstig artikel 175, lid 3 VWEU. Het tweede onderdeel, dat wordt uitgevoerd onder direct en indirect beheer, omvat maatregelen ter bevordering van werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) op basis van artikel 175, lid 3 VWEU. Het derde onderdeel, dat wordt uitgevoerd onder direct beheer, omvat stimuleringsmaatregelen die gericht zijn op de bescherming en de verbetering van de menselijke gezondheid krachtens artikel 168 VWEU.
In dit voorstel worden de algemene doelstellingen van het ESF+ en het toepassingsgebied van de steun bepaald en vertaald in specifieke doelstellingen. In dit voorstel worden de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de drie onderdelen en de specifieke bepalingen voor elk onderdeel vastgelegd.
Daarnaast heeft de Commissie op 29 mei 2018 een voorstel voor een verordening "gemeenschappelijke bepalingen" aangenomen om de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van steun in het kader van gedeeld beheer te verbeteren met als doel de beleidsuitvoering te vereenvoudigen. Het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer valt onder deze gemeenschappelijke bepalingen.
De verschillende fondsen onder gedeeld beheer zijn gericht op elkaar aanvullende doelstellingen en delen dezelfde beheersvorm; daarom legt Verordening (EU) nr. [Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen] een aantal gemeenschappelijke algemene doelstellingen en algemene beginselen vast, zoals partnerschap en multi-level governance. Die verordening bevat ook de gemeenschappelijke elementen van strategische planning en programmering, waaronder de bepalingen over de partnerschapsovereenkomst die met elke lidstaat moet worden gesloten, en legt een gemeenschappelijke aanpak van de prestatiegerichtheid van de fondsen vast. Bijgevolg omvat de verordening randvoorwaarden, evaluatie van de resultaten en regelingen voor monitoring, rapportage en beoordeling. De verordening bevat ook gemeenschappelijke bepalingen in verband met de subsidiabiliteitsregels en bijzondere regelingen voor financiële instrumenten, het gebruik van het InvestEU-fonds, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en financieel beheer. Sommige beheers- en controleregelingen zijn voor alle fondsen gemeenschappelijk.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
Op het gebied van sociaal en werkgelegenheidsbeleid en volksgezondheid heeft de EU een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid (artikel 4 VWEU), de bevoegdheid om regelingen te treffen waarbinnen de lidstaten hun acties moeten coördineren (artikel 5 VWEU) of de bevoegdheid om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen (artikel 6 VWEU).
Het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer steunt op het subsidiariteitsbeginsel. Onder gedeeld beheer delegeert de Commissie strategische programmering en uitvoeringstaken aan de EU-lidstaten en regio's. Zij beperkt ook het optreden van de EU tot wat noodzakelijk is om de doelstellingen ervan te bereiken, zoals vastgesteld in de Verdragen. Gedeeld beheer is erop gericht ervoor te zorgen dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen en dat optreden op EU-niveau gerechtvaardigd is in het licht van de mogelijkheden en specifieke kenmerken op nationaal, regionaal of lokaal niveau. Gedeeld beheer brengt Europa dichter bij zijn burgers en verbindt lokale behoeften en Europese doelstellingen met elkaar 4 . Daarenboven verhoogt het de betrokkenheid bij de EU-doelstellingen aangezien de lidstaten en de Commissie beslissingsbevoegdheid en verantwoordelijkheid delen.
Ook de twee onderdelen onder direct en indirect beheer steunen op het subsidiariteitsbeginsel. Het EaSI-onderdeel zal gericht zijn op projecten met een innovatieve dimensie waarin duidelijk sprake is van EU-meerwaarde, d.w.z. dat EU-maatregelen doeltreffender zijn dan maatregelen op nationaal, regionaal of lokaal niveau om een kritische massa te bereiken en de administratieve lasten te verminderen. Het onderdeel gezondheid erkent de EU-dimensie van gezondheid, ondersteunt het gezondheidsbeleid van de lidstaten en vult het aan met inachtneming van hun bevoegdheid op dit gebied, in overeenstemming met artikel 168 VWEU.
•Evenredigheid
Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel gaat dit voorstel niet verder dan nodig is om de doelstellingen te verwezenlijken. Voor haar voorstel heeft de Commissie zich door het evenredigheidsbeginsel laten leiden. Zij stelt immers een verdere vereenvoudiging voor in overeenstemming met de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau voor toezicht op de vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van ESI-fondsen 5 . Het voorstel is evenredig aangezien het regels harmoniseert en consolideert en de fondsen samenvoegt, waardoor de lasten voor de belanghebbenden verminderen. De administratieve belasting voor de Unie en de nationale overheden is beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de Commissie om haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting van de Unie te kunnen uitoefenen.
•Keuze van het instrument
De keuze van het instrument is een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Sociaal Fonds+.
3.EVALUATIE ACHTERAF, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluatie achteraf van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
–Het Europees Sociaal Fonds (ESF)
Sterke punten: De evaluaties achteraf van het ESF 2000-2006 6 en 2007-2013 7 erkennen ESF-investering als relevant, doelmatig en doeltreffend. Het Fonds bereikte effectief een aanzienlijk aantal EU-burgers, vooral diegenen die de meeste behoefte aan steun hadden. De reden hiervoor was dat het ESF voorzag in aanzienlijke financiële middelen om sociale en werkgelegenheidsuitdagingen in de lidstaten aan te pakken en bestaande maatregelen verruimde door groepen of beleidsgebieden te ondersteunen die anders geen steun zouden krijgen. Bovendien heeft het ESF lokale/regionale innovaties ondersteund, die daarna op nationaal niveau zijn geïntegreerd. In de periode 2014-2020 is de interventielogica van de programma's steviger geworden met duidelijkere specifieke doelstellingen, meer gestandaardiseerde omschrijvingen van de indicatoren en solidere basiswaarden en streefcijfers.
Zwakke punten:
–Beleidsafstemming: hoewel de koppeling van het Fonds aan het Europees Semester in de programmeringsperiode 2014-2020 aanzienlijk is verbeterd 8 , is ze nog niet optimaal;
–Programmering: in de periode 2014-2020 bleek de resultaatgerichtheid verbeterd, maar het prestatiekader bood niet voldoende stimulans voor de lidstaten. De programmeringsvereisten werden als administratief belastend ervaren 9 .
–Uitvoering van het programma: studies tonen aan dat, ondanks enige vooruitgang, het beheer en de uitvoering van het ESF nog steeds te ingewikkeld is. Ondanks verbeteringen in de periode 2014-2020 is niet volledig overgeschakeld van een logica op basis van inputs naar een logica op basis van resultaten.
–Het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI)
Sterke punten: Het YEI heeft het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren zichtbaarder gemaakt en heeft in een aantal lidstaten beleidshervormingen bevorderd in het kader van het opzetten en uitvoeren van jongerengarantieregelingen. De lidstaten melden dat het YEI van cruciaal belang is voor de dekking en het ontwerp van werkgelegenheidsbeleid in hun land.
Zwakke punten: De belangrijkste uitdagingen houden verband met het financieel beheer (het wordt gefinancierd uit twee bronnen: de specifieke toewijzing voor het YEI en het ESF) en met de aanvullende rapportagevereisten. Volgens de begunstigden en de uitvoerende autoriteiten verzwaren deze elementen de administratieve lasten 10 .
–Het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD)
Sterke punten: Uit de voorlopige resultaten van de tussentijdse evaluatie van het FEAD, waaronder de resultaten van de raadpleging van belanghebbenden 11 , blijkt dat de maatregelen voor voedselhulp, materiële bijstand en sociale inclusie die door het Fonds worden ondersteund het verschil maken voor de meest behoeftigen in de samenleving, onder meer ook voor diegenen die bij de courante sociale bijstand uit de boot zouden vallen of onmiddellijke steun nodig hebben.
Zwakke punten: Het regelgevingskader van de EU en de interpretatie ervan of nationale vereisten kunnen leiden tot moeilijkheden bij de uitvoering van het Fonds, zoals vertragingen in de opstartfase van het programma en administratieve belemmeringen die meestal verband houlden met het nationale aanbestedingsbeleid en met aanvullende vereisten zoals het vastleggen van gegevens/informatie over acties en eindontvangers voor controledoeleinden en buitensporige en lange procedures.
–Het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI)
Sterke punten: Uit de tussentijdse evaluatie blijkt dat in de periode 2014-2016 het EaSI-programma doelmatig en doeltreffend was bij het helpen vergroten van het bewustzijn rond de beleidsinput van de Unie op het gebied van sociale inclusie en terugdringing van de armoede. De evaluatie toonde ook aan dat het EaSI-programma zorgde voor een betere perceptie van het grensoverschrijdend potentieel voor werkgelegenheid en bijdroeg aan snelle tests en uitvoering van innovatieve maatregelen en ruimere toegang tot microkredieten en steun voor ondernemerschap. Het EaSI bevorderde ook een beleidswijziging door de verspreiding van vergelijkende en analytische kennis, capaciteitsopbouw, wederzijds leren en dialoog, en door verscheidene belanghebbenden te helpen de formulering en implementatie van het socio-economisch beleid te beïnvloeden.
Zwakke punten: Er zou meer kunnen worden gedaan om de relevantie en het effect van het EaSI te verbeteren. De Progress-pijler zou de inspanningen moeten verbeteren om sociale beleidsexperimenten uit te voeren door de procedures voor de evaluatie en selectie van projecten te herzien en door de voorwaarden te creëren om ze op grotere schaal toe te passen. Voor Eures kan een langere uitvoeringsperiode in combinatie met maatregelen ter vermindering van de administratieve lasten belanghebbenden in staat stellen naar behoren de doeltreffendheid en de duurzaamheid van de projecten te ontwikkelen, uit te voeren en te meten.
–Het EU-gezondheidsprogramma
Sterke punten: De tussentijdse evaluatie bevestigde de toegevoegde waarde van EU-optreden, vooral onder de vorm van een grotere capaciteit in de lidstaten om grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid aan te pakken, van technische richtsnoeren en aanbevelingen ter voorkoming van kanker, Hiv/aids en tuberculose, van aanvullende ondersteuning voor EU-wetgeving inzake geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, van de activiteiten van het eHealth-netwerk en de evaluatie van gezondheidstechnologie. De evaluatie erkende ook de meerwaarde van de instrumenten voor de bestrijding van zorginfecties en het intensiveren van de gecoördineerde inspanningen ter bestrijding van antimicrobiële resistentie, en van de uitgebreide voorbereidingen via gemeenschappelijke optredens om beste praktijken voor de preventie en beheersing van ziekten in kaart te brengen en te delen. Ook de positieve bijdrage van maatregelen ter verhoging van de interoperabele en gestandaardiseerde grensoverschrijdende uitwisseling van gezondheidsgegevens en van de inspanningen om daartoe in de hele EU digitale infrastructuren op te zetten, werden onderkend.
Zwakke punten: Op niet-wetgevingsgebied, waar acties opener of in brede zin kunnen worden gedefinieerd, toonde de tussentijdse evaluatie aan dat er een gevaar bestaat dat die acties minder gericht zijn. Er is ruimte om de criteria voor de toegevoegde waarde meer toe te spitsen op drie kerngebieden: grensoverschrijdende bedreigingen van de volksgezondheid aanpakken, schaalvoordelen verbeteren en de uitwisseling en toepassing van beste praktijken bevorderen. Er waren ook enkele tekortkomingen en gebreken bij de controle van de uitvoeringsgegevens, die het moeilijker kunnen maken voor de programmabeheerders een up-to-date overzicht te bewaren van de resultaten van het programma.
•Raadpleging van belanghebbenden
De raadplegingen van belanghebbenden waren gebaseerd op stakeholder mapping. De in kaart gebrachte belanghebbenden zijn de belangrijkste EU-organisaties en -instellingen die werkzaam zijn op het gebied van sociaal en werkgelegenheidsbeleid en van de desbetreffende investeringen — overheden op alle niveaus, sociale partners, maatschappelijke organisaties, begunstigden en eindgebruikers van financiering en burgers in de hele EU. Voor de raadpleging van belanghebbenden werden verscheidene methoden en instrumenten gebruikt om een voldoende aantal en voldoende gevarieerde belanghebbenden te bereiken en de adviezen te controleren. De raadplegingen omvatten verscheidene brede openbare raadplegingen uitgevoerd als onderdeel van het MFK, de evaluatie achteraf van het ESF, de tussentijdse evaluatie van het FEAD en de tussentijdse evaluatie van het EaSI. De raadpleging omvatte ook conferenties en vergaderingen met belanghebbenden, focusgroepen, interviews, doelgerichte onlineraadplegingen en analyse van standpuntnota’s. Meer informatie over de raadplegingen van belanghebbenden is te vinden in de effectbeoordeling.
De belangrijkste conclusies van de raadplegingen van belanghebbenden waren:
–De toegevoegde waarde van de fondsen hangt samen met het bevorderen van doelmatige en doeltreffende openbare investeringen, het stroomlijnen van kennisdeling tussen landen en regio’s, het verbeteren van de sociale integratie en de totstandbrenging van een inclusiever Europa, het ondersteunen van beleidsexperimenten en innovatie, het verminderen van de regionale verschillen en het bevorderen van convergentie. De fondsen bieden ook een meerwaarde via het hefboomeffect van het cohesiebeleid op publieke en private investeringen.
–Ingewikkelde procedures worden beschouwd als de belangrijkste belemmering voor het bereiken van de doelstellingen van de fondsen.
–Er werd opgeroepen tot een vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten voor begunstigden, onder meer tot minder belastende vereisten in verband met het verzamelen van gegevens over de deelnemers.
–Het is nodig de sociale dimensie te versterken.
–De regels voor de verschillende EU-fondsen zouden op elkaar moeten worden afgestemd.
–Er was een oproep om de synergieën te versterken en dubbel werk en overlapping tussen de EU-instrumenten te vermijden. Fondsen samenvoegen werd aangemerkt als de beste manier om dit doel te bereiken, op voorwaarde dat een samenvoeging ook bijdraagt tot de vereenvoudiging van de EU-instrumenten.
–De beleidsdocumenten wijzen op een grote belangstelling voor het verbeteren van de koppeling tussen de fondsen en het Europees Semester.
–Actuele problemen op het gebied van de volksgezondheid kunnen enkel doeltreffend worden aangepakt door samenwerking op EU-niveau. Als de EU gemeenschappelijke uitdagingen aanpakt, zoals de ongelijkheid op gezondheidsgebied, migratie, vergrijzing, de veiligheid van patiënten, hoogwaardige gezondheidszorg, bedreigingen van de gezondheid, waaronder niet-overdraagbare ziekten, besmettelijke ziekten en antimicrobiële resistentie, biedt dat een toegevoegde waarde.
De belangrijkste voorstellen naar aanleiding van de feedback van belanghebbenden zijn de volgende:
–Om de synergieën te verbeteren en overlapping te vermijden tussen de financieringsinstrumenten die investeren in mensen en hun behoeften, zullen het ESF, het YEI, het FEAD, het EaSI en het EU-gezondheidsprogramma worden samengevoegd in één fonds (ESF+). Dat zal de toegang tot financiering voor de begunstigden vergemakkelijken, hen helpen verschillende soorten maatregelen te combineren en het beheer van de financiering vereenvoudigen.
–Als reactie op de vraag naar versterking van de sociale dimensie:
·Het toepassingsgebied van de ESF+-steun wordt afgestemd op de Europese pijler van sociale rechten. Verschillende instrumenten samenvoegen in het ESF+ zal het mogelijk maken de middelen te bundelen voor de uitvoering van de beginselen van de pijler.
·De dimensie van sociale inclusie van het ESF+ wordt versterkt door de integratie van het FEAD en het ESF. Daardoor kan de verstrekking van voedselhulp/materiële bijstand gemakkelijker worden gecombineerd met ondersteuning voor sociale inclusie en actieve maatregelen.
·Ten minste 25 % van de nationale ESF+-middelen zal worden toegewezen aan de bevordering van sociale inclusie en de bestrijding van armoede. Daarenboven zullen de lidstaten ten minste 2 % van hun ESF+-middelen moeten toewijzen aan maatregelen die op de meest behoeftigen gericht zijn. Zo wordt ervoor gezorgd dat een minimumbedrag van de middelen wordt gebruikt voor diegenen die de steun het meest nodig hebben.
–In de GB-verordening worden verscheidene bepalingen opgenomen om de uitvoering van het ESF+ te vereenvoudigen, de administratieve lasten voor de begunstigden te verminderen en de nadruk te verschuiven naar het behalen van resultaten. Om tegemoet te komen aan het verzoek van belanghebbenden om lichtere vereisten voor dit type bijstand bevat de ESF+-verordening echter ook maatregelen voor de aanpak van materiële deprivatie en vereenvoudigde vereisten voor gegevensverzameling, monitoring en rapportage.
–Om te zorgen voor een betere afstemming op het proces van het Europees Semester zal een toereikend bedrag van de nationale ESF+-middelen worden toegewezen aan de aanpak van uitdagingen die in het kader van het Europees Semester in kaart zijn gebracht.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
De Commissie heeft haar besluiten gebaseerd op expertise die is bijeengebracht via een aantal studies en verslagen van de lidstaten over de uitvoering van het ESF. In de studies werden uiteenlopende methoden gebruikt, zoals literatuuronderzoek, gerichte enquêtes, interviews, focusgroepen en economische modellen. De verslagen en studies worden vermeld in de effectbeoordeling. In het voorstel voor het ESF+ is rekening gehouden met de aanbevelingen van de studies door de synergieën en de complementariteit tussen de fondsen te vergroten, de koppeling met beleidsprioriteiten van de EU te versterken en door een aantal maatregelen op te nemen om de administratieve lasten te verminderen, zoals het uitbreiden van de vereenvoudigde kostenopties en vereenvoudigde vereisten inzake monitoring en rapportering.
•Effectbeoordeling
Dit voorstel wordt ondersteund door een effectbeoordeling. De hoorzitting van de raad voor regelgevingstoetsing vond plaats op 25 april 2018; de raad heeft een positief advies met voorbehoud gegeven 12 . Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste opmerkingen en van de manier waarop de effectbeoordeling werd gewijzigd om daarmee rekening te houden.
|
Belangrijkste overwegingen van de raad voor regelgevingstoetsing |
Wijzigingen van het effectbeoordelingsverslag |
|
1) De beleidsprioriteiten van de maatregelen zijn niet duidelijk, met name in verband met de Europese pijler van sociale rechten. Ook is niet duidelijk hoe een mogelijke vermindering van de financiering zou worden opgevangen. |
De tekst verduidelijkt dat een potentiële vermindering van de financiering zou worden opgevangen door een beperking van het toepassingsgebied van het ESF+ op het gebied van administratieve hervorming en door de nationale medefinancieringspercentages te verhogen. |
|
3) Uit het verslag blijkt onvoldoende of het systeem voor monitoring en evaluatie stevig is en tijdig de nodige informatie zal opleveren. |
In deel 5 werd aanvullende informatie over het systeem voor monitoring en evaluatie opgenomen. |
|
Nadere overwegingen en verzoeken om aanpassing |
|
|
1) De opgedane ervaring moet uitgebreider voortbouwen op de belangrijkste algemene en fondsenspecifieke uitdagingen die in kaart zijn gebracht in de resultaten van gepubliceerde evaluaties en voorlopige beoordelingen. |
Uit gepubliceerde resultaten, voorlopige beoordelingen en de raadpleging van belanghebbenden zijn specifieke uitdagingen voor elk van de fondsen naar voren gekomen. Bij nadere analyse bleek dat zij kunnen worden ingedeeld in de vier algemene MFK-uitdagingen, namelijk interactie en synergieën tussen fondsen, afstemming op beleid en flexibiliteit, vereenvoudiging en prestaties en resultaatgerichtheid. De horizontale MFK-uitdagingen vinden daarom hun vertaling in elk fonds (Punt 2.1.2.2). |
|
2) Verklaar de belangrijkste redenen voor de samenvoeging van de fondsen en de risico’s die verbonden zijn aan het samenvoegen. |
Er werd aanvullende uitleg opgenomen waarin wordt verklaard waarom de relevante fondsen worden samengevoegd en het EFG buiten dit nieuwe fonds wordt gehouden. Het belangrijkste risico dat door de belanghebbenden werd aangehaald, namelijk dat het nieuwe fonds de administratieve lasten zou verhogen, is beperkt aangezien maatregelen van het type ex-FEAD en EaSI aan eenvoudigere regels onderworpen zullen blijven (Punt 4.1.1). |
|
3) De gevolgen van de brexit moeten tot uiting komen in de basiswaarde van het ESF+. |
Basiswaarde na brexit toegevoegd in de tekst onder punt 2.1.1. |
|
4) Wees transparanter over de prioritering van het ESF+. Verduidelijk de belangrijkste wijzigingen in de beleidsprioriteiten van het ESF+, onder meer wat betreft het verband met de Europese pijler van sociale rechten. Verklaar of en hoe het ESF+ alle of sommige van de verschillende gebieden van de pijler zal bestrijken. Leg het verband tussen de structurele hervormingen en het proces van het Europees Semester beter uit. |
In het verslag werd verklaard dat de samengevoegde fondsen niet als zodanig een wijziging inhouden van de prioriteiten van het financieringsinstrument, dat een aggregatie vormt van de voorheen deels overlappende beleidsprioriteiten van de verschillende fondsen. Het ESF+ zal ondersteuning bieden voor de beleidsprioriteiten van de Europese pijler van sociale rechten die deel uitmaken van het toepassingsgebied. In de tekst wordt verder toegelicht welke rechten en beginselen van de pijler binnen het toepassingsgebied van het ESF+ vallen. De vraag in verband met de prioritering wordt verklaard op blz. 30-31. |
|
5) Verklaar of en in welke mate het ESF+ de hervorming van het openbaar bestuur zal aanpakken. Verwijs naar mogelijke toekomstige ondersteuning van andere financieringsprogramma's (bv. steunprogramma voor structurele hervormingen). |
In de tekst wordt het toepassingsgebied van het ESF+ met betrekking tot de hervorming van het openbaar bestuur voor zover mogelijk verduidelijkt gezien het feit dat op het moment waarop deze effectbeoordeling werd opgesteld de reikwijdte van het toekomstige steunprogramma voor hervormingen nog niet bekend was. |
|
6) Breng de belangrijkste wijzigingen in de uitvoeringsmechanismen van het ESF+ in kaart. |
De voorgestelde wijzigingen in de uitvoeringsmechanismen pakken verschillende problemen aan en zijn daarom verschillend van aard. Wat de programmering betreft, is een belangrijke wijziging bijvoorbeeld het afstemmen van de financiering op het beleidsproces door stroomlijning van de programmeringsdocumenten. Op het vlak van uitvoering is een belangrijke wijziging de flexibelere manier waarop de territoriale regels voor het ESF worden toegepast en de invoering van blijvende voorwaarden (punt 4). |
|
8) Verklaar de samenhang tussen het ESF+, het EFRO en Erasmus+. |
Aspecten van de samenhang tussen het ESF+, het EFRO en het programma Erasmus+ zijn opgenomen in de hoofdtekst van het verslag. Aanvullende informatie is te vinden in bijlage 4. |
|
9) Licht toe hoe het monitoringsysteem de kritiek die tijdens de periode 2007-2013 is geuit zal aanpakken. De evaluatieplanning moet een tussentijdse evaluatie van elk fonds omvatten. Verklaar hoe rekening is gehouden met de standpunten van de belanghebbenden. |
In verband met monitoring en evaluatie, zie belangrijkste overwegingen, punt 3. De standpunten van de belanghebbenden zijn samengevat in de hoofdtekst van het rapport (deel 1.2.2) en zijn meer gedetailleerd in bijlage 2; zie met name punt 6.2 waarin wordt uitgelegd hoe de standpunten van de belanghebbenden in aanmerking werden genomen. |
In de effectbeoordeling is onderzocht wat de beste manier is om de steun op EU-niveau ten volle te benutten en om de synergieën tussen verschillende instrumenten te verbeteren, vooral met het doel de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten beter te verwezenlijken. De volgende opties werden beoordeeld:
Optie 1: het ESF, het YEI, het FEAD, het EaSI en het EU-gezondheidsprogramma samenvoegen.
–Op basis van de resultaten van de evaluaties en van de raadplegingen van belanghebbenden was dit de voorkeursoptie. Naar de mening van de beheersautoriteiten zou een brede integratie van de fondsen hun strategische interventies helpen stroomlijnen over alle gebieden van het sociale beleid heen. Dit zou de fondsen meer flexibiliteit bieden bij het plannen van interventies en het verwezenlijken van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten vergemakkelijken. Begunstigden bevestigden dat er nog steeds onaangeboord potentieel is om de synergieën tussen de programma's en gefinancierde projecten te verbeteren.
Optie 2: het ESF, het YEI, het FEAD, het EaSI en het EU-gezondheidsprogramma, alsook het EFG, samenvoegen.
–Dit zou enkel een kunstmatige vermindering van het aantal fondsen tot gevolg hebben. De zeer specifieke doelstellingen, grote politieke zichtbaarheid en budgettaire flexibiliteit van het EFG zouden verloren gaan indien het zou worden samengevoegd met het ESF+. Belanghebbenden hebben dit bevestigd tijdens het raadplegingsproces 13 .
Optie 3: de fondsen onder gedeeld beheer samenvoegen (d.w.z. met uitsluiting van het EaSI en het EU-gezondheidsprogramma, maar met inbegrip van het EFG).
–Dit zou betekenen dat de grote zichtbaarheid van het EFG als noodinstrument van de EU ter vermindering van de negatieve neveneffecten van de globalisering wordt opgeofferd. De mogelijke flexibiliteit en synergieën die zouden voortvloeien uit de samenvoeging van het EaSI met het ESF+, zouden verloren gaan.
Optie 4: het FEAD als afzonderlijk fonds handhaven maar de FEAD-programma's materiële bijstand en sociale inclusie samenvoegen.
–Dit zou zorgen voor meer synergieën tussen de types steun voor fundamentele materiële bijstand en de maatregelen inzake sociale inclusie en tegelijk de huidige uitvoeringsregels handhaven. Het zou echter geen adequate afbakening ten opzichte van de maatregelen voor sociale inclusie van het type ESF inhouden.
Optie 5: alle ESI-fondsen samenvoegen.
–Dit zou de uitvoering van het beleid belemmeren aangezien het niet mogelijk zou zijn de uitvoeringsbepalingen aan te passen aan de specifieke eisen van de ondersteunde beleidsmaatregelen. Het zou niet zorgen voor meer synergieën en samenhang met andere fondsen ter ondersteuning van menselijk kapitaal.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
De verordening gemeenschappelijke bepalingen (gemeenschappelijk aan tal van beleidsterreinen onder gedeeld beheer) zal zorgen voor een vereenvoudiging van het onderdeel onder gedeeld beheer van het Fonds door het gebruik van gemeenschappelijke en vereenvoudigde regels betreffende programmering, regelingen voor monitoring en evaluatie, beheer en controle, informatie en communicatie en financieel beheer. Er zullen bepalingen zijn om het gebruik van vereenvoudigde kostenopties te vergemakkelijken alsook de nieuwe optie om gebruik te maken van financiering die niet aan de kosten is gekoppeld. De aanpak van de audit zal worden gestroomlijnd om meer nadruk te leggen op risicogebaseerde steekproeven voor audits en om het beginsel van één enkele audit te eerbiedigen. De taken en verantwoordelijkheden van verschillende organen in het beheers- en controlesysteem zijn duidelijker vastgesteld. Er zal ook meer flexibiliteit zijn, aangezien aanvankelijk enkel de eerste vijf jaar zullen worden geprogrammeerd. De toewijzingen voor de laatste twee jaar zullen gebeuren op basis van een omvangrijke en grondige tussentijdse evaluatie die leidt tot herprogrammering in 2025. De inhoud van de programma's zal beter gestroomlijnd en strategischer zijn.
•Grondrechten
De ESF+-verordening zorgt voor de eerbiediging van de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn vastgelegd. Deze verordening moet door de lidstaten worden toegepast met eerbiediging van deze rechten en beginselen.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
De totale begroting voor het ESF+ bedraagt 101 miljard EUR (in lopende prijzen) voor de periode 2021-2027, waarvan 100 miljard EUR voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer. De financiële middelen voor het ESF+-onderdeel onder direct beheer bedragen 1 174 miljoen EUR in lopende prijzen, waarvan 761 miljoen EUR voor werkgelegenheid en sociale innovatie en 413 miljoen EUR voor gezondheid.
Nadere bijzonderheden over de financiële en personele behoeften zijn te vinden in de financiële memoranda van het ESF+.
In dit voorstel wordt voorzien in een minimumbedrag voor het ESF+ om te zorgen voor een gepast bedrag voor de financiering van investeringen in mensen in de Unie.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage
Onder gedeeld beheer zullen de doelstellingen voor gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, en indien nodig, voor programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren worden vastgesteld op het niveau van het programma. De autoriteiten van de lidstaten zullen de gegevens over de output- en resultaatindicatoren zesmaal per jaar elektronisch aan de Commissie verzenden. De consistentie daarvan zal worden gecontroleerd. De betrouwbaarheid van het systeem voor het verzamelen, registreren en bewaren van gegevens voor monitoring, evaluatie, financieel beheer en verificatie zal aan een audit worden onderworpen. Om gegevensverzameling te vereenvoudigen en de lasten voor de deelnemers en begunstigden tot een minimum te beperken, zullen de autoriteiten zo veel mogelijk in staat worden gesteld monitoringgegevens te verzamelen uit bestaande administratieve registers. Gevoelige gegevens zullen niet rechtstreeks van de deelnemers worden verzameld en gebaseerd zijn op registers of gefundeerde ramingen.
Evaluatie zal de gedeelde verantwoordelijkheid van de lidstaten en de Commissie blijven. Naast de evaluaties door de lidstaten, zal de Commissie met de steun van de lidstaten een tussentijdse evaluatie en een evaluatie achteraf uitvoeren van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer.
Onder direct en indirect beheer zullen prestatiekaders worden ontwikkeld op basis van de praktijken van de voormalige kaders van het EaSI en het gezondheidsprogramma om ervoor te zorgen dat de gegevens op doelmatige en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. De Commissie zal de onderdelen onder direct en indirect beheer zodanig evalueren dat die evaluatie wordt meegenomen in verschillende besluitvormingsprocedures.
•Artikelsgewijze toelichting
Een groot gedeelte van de verwezenlijking en uitvoering van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer valt onder de GB-verordening. Daarom moeten de belangrijkste elementen van deze verordening in samenhang met de GB-verordening worden gelezen.
De ESF+-verordening heeft de volgende structuur:
Deel I — Algemene bepalingen (van toepassing op alle onderdelen)
Dit deel omvat het onderwerp, de definities, de algemene doelstellingen en uitvoeringsmethoden en de specifieke doelstellingen. Het omvat ook bepalingen inzake de beginselen van gendergelijkheid, gelijke kansen en non-discriminatie die de Commissie en de lidstaten in acht moeten nemen bij de uitvoering van het ESF+. Dit deel is van toepassing op alle onderdelen van het ESF+. De specifieke doelstellingen die door het ESF+ worden ondersteund, zijn gebaseerd op de beginselen die vervat zijn in de Europese pijler van sociale rechten.
Deel II – Uitvoering in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Dit deel bevat bepalingen die van toepassing zijn op het onderdeel onder gedeeld beheer, dat ex-ESF, ex-YEI en ex-FEAD omvat. Deze bepalingen vormen een aanvulling op de regels van de GB-verordening.
Hoofdstuk I: Gemeenschappelijke bepalingen inzake programmering (onder gedeeld beheer)
Dit hoofdstuk bevat bijzonderheden over de samenhang en de thematische concentratie van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer. Het voorziet met name in:
–bepalingen ter verbetering van de afstemming op het Europees Semester – ter versterking van de koppeling met het Europees Semester bepaalt het voorstel dat een lidstaat die een relevante landspecifieke aanbeveling heeft, een gepast bedrag van zijn ESF+-middelen onder gedeeld beheer moet besteden aan die aanbeveling.
–vereisten inzake thematische concentratie:
Armoede bestrijden en sociale inclusie bevorderen: sociale ongelijkheden blijven een punt van grote zorg. Daarom wordt ten minste 25 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer toegewezen aan de bevordering van sociale inclusie om ervoor te zorgen dat de sociale dimensie van Europa, zoals vastgesteld in de Europese pijler van sociale rechten, naar behoren wordt bevorderd en dat een minimumbedrag van de middelen wordt gebruikt voor wie daar het meest behoefte aan heeft. Bovendien is het wenselijk dat de lidstaten een minimumbedrag van de middelen toewijzen aan maatregelen ter bestrijding van materiële deprivatie.
Betere werkgelegenheidskansen creëren voor jongeren: hoewel de jeugdwerkloosheid in de EU is afgenomen– van een piek van 24 % in januari 2013 tot 15,6 % in maart 2018 – ligt ze nog steeds hoog – meer dan dubbel zo hoog als het totale werkloosheidspercentage (15,9 % in vergelijking met 7,1 % in februari 2018). Met name in alle ultraperifere gebieden is 40 % van de jongeren werkloos. Het percentage jongeren dat geen werk heeft en geen onderwijs of opleiding volgt (NEET's) lag ook nog steeds zeer hoog, op 13,4 % in 2017. Daarom moeten lidstaten waar het percentage NEET's (leeftijdsgroep tussen 15 en 29 jaar) boven een bepaalde drempel ligt, 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan gerichte acties en structurele hervormingen om jongeren te ondersteunen. Voor ultraperifere gebieden met een percentage NEET's boven de drempel is de toewijzing verhoogd tot 15 %.
Hoofdstuk II: Algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer met uitzondering van de steun ter bestrijding van materiële deprivatie. Het bevat regels inzake de subsidiabiliteit en de monitoring, die een aanvulling vormen op de GB-verordening.
Er is ook een bepaling inzake "innovatieve acties", die de lidstaten aanmoedigt steun te verlenen aan sociale innovatie en sociale experimenten, die bottom-up benaderingen op basis van partnerschappen versterken.
Hoofdstuk III: ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie
Hoofdstuk III is uitsluitend gericht op de materiële bijstand ex-FEAD. Dat is gerechtvaardigd aangezien deze soorten acties lagere deelnamedrempels hebben en dus minder administratief belastend zijn. De belanghebbenden hebben ertoe opgeroepen deze aanpak te handhaven en geen veeleisendere ESF-voorschriften op te leggen (bv. voor de rapportage van gegevens over indicatoren, of regels betreffende het controlespoor). Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de beginselen voor steun, de rapportageregels, subsidiabiliteit, de indicatoren en de audit.
Deel III – Uitvoering onder direct en indirect beheer
Hoofdstuk I: specifieke regels voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie
Dit hoofdstuk behandelt het onderdeel onder direct en indirect beheer in verband met werkgelegenheid en sociale innovatie. Het bevat bepalingen over de operationele doelstellingen, de in aanmerking komende acties en entiteiten.
Hoofdstuk II: specifieke bepalingen van toepassing op het onderdeel gezondheid
Dit hoofdstuk behandelt het onderdeel onder direct beheer in verband met gezondheid. Het bevat bepalingen over de operationele doelstellingen, de in aanmerking komende acties en entiteiten en governance.
Hoofdstuk III: Gemeenschappelijke regels die van toepassing zijn op de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de gemeenschappelijke regels die van toepassing zijn op de beide onderdelen onder direct beheer: geassocieerde derde landen, vormen van EU-financiering en uitvoeringsmethoden, werkprogramma, monitoring en rapportage, evaluatie, bescherming van de financiële belangen van de Unie, audits, informatie en communicatie en publiciteit.
Deel IV – Slotbepalingen
Deel IV bevat de bepalingen die algemeen van toepassing: uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie, de comitéprocedure voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, het comité uit hoofde van artikel 163 VWEU, de overgangsbepalingen en de datum van inwerkingtreding.
Bijlagen
–Bijlage I – Gemeenschappelijke indicatoren voor de algemene steun uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
–Bijlage II – Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie
–Bijlage III – Indicatoren voor het onderdeel gezondheid
2018/0206 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), artikel 164, artikel 168, lid 5, artikel 175, lid 3, en artikel 349,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 14 ,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's 15 ,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden; sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+). Om bij te dragen tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen en daardoor bijdragen aan de economische, territoriale en sociale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU.
(2)Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten in aansluiting met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale en/of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Zij moeten ook dienen om de financiering van de Unie op coherente wijze te gebruiken en de meerwaarde te maximaliseren van de financiële steun die met name zal worden ontvangen uit de programma's die in voorkomend geval door de Unie worden ondersteund in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, de stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU.
(3)De Raad van [...] heeft herziene richtsnoeren goedgekeurd voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten om de tekst af te stemmen op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met het oog op het verbeteren van het concurrentievermogen van Europa en om Europa een betere plaats te maken om te investeren, banen te scheppen en de sociale cohesie te bevorderen. Om het ESF+ volledig af te stemmen op de doelstellingen van die richtsnoeren, met name wat werkgelegenheid, onderwijs, opleiding en bestrijding van sociale uitsluiting, armoede en discriminatie betreft, moet het ESF+ de lidstaten ondersteunen met inachtneming van de relevante geïntegreerde richtsnoeren en de relevante landenspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4 VWEU, en, in voorkomend geval, op nationaal niveau, de nationale hervormingsprogramma's, onderbouwd door de nationale strategieën. Het ESF+ moet ook bijdragen aan relevante aspecten van de uitvoering van belangrijke initiatieven en activiteiten van de Unie (met name de "vaardighedenagenda voor Europa" en de Europese onderwijsruimte), relevante aanbevelingen van de Raad en andere initiatieven zoals de jongerengarantie, de bijscholingstrajecten en de integratie van langdurig werklozen.
(4)Op 20 juni 2017 heeft de Raad de reactie van de Unie "Een duurzame Europese toekomst" op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN) bekrachtigd. De Raad onderstreept hoe belangrijk het is om duurzame ontwikkeling te bereiken in al haar drie dimensies (economisch, sociaal en milieu), en om dit op een evenwichtige en geïntegreerde wijze te doen. Het is cruciaal dat duurzame ontwikkeling integraal deel gaat uitmaken van alle interne en externe beleidsterreinen van de EU en dat de Unie een ambitieus beleid voert om wereldwijde uitdagingen aan te pakken. De Raad verwelkomde de mededeling van de Commissie "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" van 22 november 2016 als een eerste stap naar het integreren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en het centraal stellen van duurzame ontwikkeling in al haar beleid, ook via haar financiële instrumenten.
(5)De Unie wordt geconfronteerd met structurele uitdagingen als gevolg van de economische globalisering, het beheer van migratiestromen en de toenemende veiligheidsbedreigingen, de overgang naar schone energie, technologische veranderingen en de steeds meer vergrijzende beroepsbevolking en het toenemend tekort aan vaardigheden en arbeidskrachten in bepaalde sectoren en regio's, dat vooral door kleine en middelgrote ondernemingen wordt ervaren. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid zijn op de huidige en toekomstige uitdagingen door te investeren in relevante vaardigheden, door groei inclusiever te maken en het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren, ook met het oog op arbeidsmobiliteit.
(6)Verordening (EU) nr. [...] stelt het kader vast voor actie door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het instrument voor grensbeheer en visa (BMVI) als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF), en bevat met name de beleidsdoelstellingen en de regels betreffende programmering, monitoring en evaluatie, beheer en controle voor de fondsen van de Unie die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd. Daarom moeten de algemene doelstellingen van het ESF+ worden omschreven en moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de activiteiten die door het ESF+ kunnen worden gefinancierd.
(7)Verordening (EU, Euratom) nr. [het nieuwe Financieel Reglement] (het "Financieel Reglement") bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen de regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties. Om te zorgen voor samenhang in de uitvoering van financieringsprogramma’s van de Unie, is het Financieel Reglement van toepassing op de acties die worden uitgevoerd in direct of indirect beheer in het kader van het ESF+.
(8)De in deze verordening vermelde financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico op niet-naleving. Voor subsidies houdt dit in dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten wordt overwogen, alsook financiering die niet aan de kosten is gekoppeld, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Om maatregelen uit te voeren die verband houden met de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen, en overeenkomstig artikel 88 van de GB-verordening kan de Commissie lidstaten vergoeden die gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties, waaronder vaste bedragen.
(9)Om het financieringslandschap te stroomlijnen en te vereenvoudigen en om aanvullende mogelijkheden voor synergieën te creëren via geïntegreerde benaderingen inzake financiering, moeten de acties die werden ondersteund door het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie en het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid worden geïntegreerd in één ESF+. Het ESF+ moet daarom drie onderdelen omvatten: het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid. Dat zou moeten bijdragen tot een vermindering van de administratieve lasten die gepaard gaan met het beheer van verschillende fondsen, vooral voor de lidstaten, terwijl de eenvoudigere regels voor eenvoudigere acties, zoals de distributie van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, worden behouden.
(10)Met het oog op dit bredere toepassingsgebied van het ESF+ moet ervan worden uitgegaan dat de doelstellingen om de arbeidsmarkten efficiënter te maken en de toegang tot kwaliteitsvol werk te bevorderen, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding te verbeteren en sociale inclusie en gezondheid te bevorderen niet enkel worden uitgevoerd onder gedeeld beheer, maar ook onder direct en indirect beheer in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid voor acties die nodig zijn op Unieniveau.
(11)De integratie van het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid in het ESF+ zal ook synergieën creëren tussen de ontwikkeling en beproeving van initiatieven en beleidsmaatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid, veerkrachtigheid en duurzaamheid van gezondheidsstelsels die door het onderdeel gezondheid van het ESF+ zijn ontwikkeld, en de uitvoering daarvan in de lidstaten via de instrumenten die door de andere onderdelen van de ESF+-verordening worden aangeleverd.
(12)In deze verordening worden de financiële middelen voor het ESF+ vastgelegd. Delen van die financiële middelen moeten worden gebruikt voor acties die moeten worden uitgevoerd in direct of indirect beheer in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid.
(13)Het ESF+ moet erop gericht zijn de werkgelegenheid te bevorderen door actieve maatregelen waardoor (her)integratie op de arbeidsmarkt, met name van jongeren, langdurig werklozen en inactieven, mogelijk wordt gemaakt, alsook door zelfstandige arbeid en de sociale economie te bevorderen. Het ESF+ moet erop gericht zijn de werking van de arbeidsmarkten te verbeteren door de modernisering van de arbeidsmarktinstellingen, zoals de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, te ondersteunen om hun capaciteit te verbeteren om intensief gericht advies en begeleiding te verlenen tijdens de zoektocht naar werk en de overgang naar werk en om de mobiliteit van werknemers te verbeteren. Het ESF+ moet de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen via maatregelen die er onder meer op gericht zijn het evenwicht tussen werk en privéleven en de toegang tot kinderopvang te verbeteren. Het ESF+ moet ook tot doel hebben een gezonde en goed aangepaste werkomgeving te creëren om te beantwoorden aan de gezondheidsrisico’s die verband houden met de veranderende vormen van werk en de behoeften van een vergrijzende beroepsbevolking.
(14)Het ESF+ moet steun bieden om onderwijs- en opleidingsstelsels kwaliteitsvoller, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt te maken om het verwerven van sleutelcompetenties te vergemakkelijken, in het bijzonder digitale vaardigheden die elke persoon nodig heeft voor zelfontplooiing en ontwikkeling, werk, sociale inclusie en actief burgerschap. Het ESF+ moet helpen bij de voortgang in onderwijs en opleiding en bij de overgang naar werk. Het moet een leven lang leren en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt ondersteunen en bijdragen tot het concurrentievermogen en de maatschappelijke en economische innovatie door schaalbare en duurzame initiatieven op deze gebieden te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt via werkgerelateerde opleidingen en leerlingplaatsen, levenslange begeleiding, het anticiperen op vaardigheden in samenwerking met de sector, actueel opleidingsmateriaal, prognoses en het volgen van afgestudeerden, opleiding van opleiders, validatie van leerresultaten en de erkenning van kwalificaties.
(15)Steun uit het ESF+ moet worden gebruikt ter bevordering van gelijke toegang voor iedereen, in het bijzonder voor kansarme groepen, tot kwaliteitsvolle, niet-gesegregeerde en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding. Daarbij moet overstappen tussen onderwijs- en opleidingssectoren worden vergemakkelijkt, voortijdig schoolverlaten worden voorkomen, de kennis van gezondheid worden verbeterd, de koppeling met niet-formeel en informeel leren worden versterkt en de leermobiliteit voor iedereen worden vergemakkelijkt. Synergieën met het programma Erasmus, met name ter bevordering van de deelname van kansarme lerenden aan leermobiliteit, moet in deze context worden ondersteund.
(16)Het ESF+ moet flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen, met name op het gebied van digitale vaardigheden en sleuteltechnologieën, bevorderen, om mensen uit te rusten met vaardigheden die zijn aangepast aan digitalisering, technologische veranderingen, innovatie en sociale en economische veranderingen. Het moet loopbaanovergangen vergemakkelijken en mobiliteit bevorderen en in het bijzonder laaggeschoolde volwassenen of volwassenen met geringe vaardigheden ondersteunen in overeenstemming met de agenda voor vaardigheden voor Europa.
(17)Synergieën met het programma Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat het ESF+ door Horizon Europa ondersteunde innovatieve onderwijsprogramma’s kan integreren en uitbreiden om mensen uit te rusten met de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de banen van de toekomst.
(18)Het ESF+ moet de inspanningen van de lidstaten ter bestrijding van armoede ondersteunen zodat het doorgeven van achterstand van generatie op generatie wordt doorbroken. Het moet sociale inclusie bevorderen door gelijke kansen te waarborgen voor iedereen en discriminatie en ongelijkheid op gezondheidsgebied aan te pakken. Dit vereist dat een heel scala aan beleidsmaatregelen voor de meest kansarmen wordt ingezet, ongeacht hun leeftijd, met inbegrip van kinderen, gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma en werkende armen. Het ESF+ moet de actieve inclusie van mensen die ver van de arbeidsmarkt af staan bevorderen met het oog op hun sociaal-economische integratie. Het ESF+ moet ook worden ingezet ter bevordering van de tijdige en gelijke toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten, zoals gezondheidszorg en langdurige zorg, in het bijzonder zorg in gezins- en gemeenschapsverband. Het ESF+ moet bijdragen tot de modernisering van socialebeschermingssystemen, vooral met het oog op het bevorderen van de toegankelijkheid ervan.
(19)Het ESF+ moet bijdragen tot het terugdringen van de armoede door ondersteuning van nationale regelingen die erop gericht zijn voedselgebrek en ernstige materiële deprivatie te verminderen en de sociale integratie van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting en van de meest behoeftigen te bevorderen. Aangezien op Unieniveau ten minste 4 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer de meest behoeftigen ondersteunt, moeten de lidstaten ten minste 2 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer gebruiken om de vormen van extreme armoede te bestrijden die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede en voedselgebrek. Gezien de aard van de activiteiten en het type eindontvangers is het nodig eenvoudigere regels toe te passen op de steun ter bestrijding van materiële deprivatie van de meest behoeftigen.
(20)In het licht van de aanhoudende behoefte aan grotere inspanningen voor het beheer van de migratiestromen in de Unie als geheel en met het oog op coherente, sterke en consistente ondersteuning van inspanningen voor solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheid, moet het ESF+ steun verlenen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen als aanvulling op de acties die worden gefinancierd in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie.
(21)Het ESF+ moet beleids- en systeemhervormingen ondersteunen op het gebied van werkgelegenheid, sociale inclusie, gezondheidszorg en langdurige zorg, en onderwijs en opleiding. Om de afstemming op het Europees Semester te verbeteren, moeten de lidstaten een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen voor de uitvoering van relevante landspecifieke aanbevelingen in verband met structurele uitdagingen die het best kunnen worden aangepakt via meerjarige investeringen binnen het toepassingsgebied van het ESF+. De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor samenhang, coördinatie en complementariteit tussen de ESF+-onderdelen onder gedeeld beheer en het onderdeel gezondheid van het ESF+ enerzijds en het steunprogramma voor hervormingen anderzijds, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De Commissie en de lidstaten moeten met name in alle stadia van het proces doeltreffende coördinatie waarborgen om de consistentie, samenhang, complementariteit en synergie tussen financieringsbronnen en de technische bijstand daarvan te bewaren.
(22)Om ervoor te zorgen dat de sociale dimensie van Europa, zoals vastgesteld in de Europese pijler van sociale rechten, naar behoren wordt bevorderd en dat een minimumbedrag van de middelen wordt gebruikt voor de meest behoeftigen moeten de lidstaten ten minste 25 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan de bevordering van sociale inclusie.
(23)In het licht van de aanhoudend hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit onder jongeren in een aantal lidstaten en regio’s, die vooral van invloed zijn op jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, moeten die lidstaten zich blijven inzetten om voldoende ESF+-middelen onder gedeeld beheer te investeren in acties ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, onder andere via de uitvoering van jongerengarantieregelingen. Voortbouwend op de acties die gericht zijn op individuele personen en werden ondersteund door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten verder steun blijven verlenen voor herintegratie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs en voor outreachmaatregelen voor jongeren door, waar van toepassing, prioriteit te geven aan langdurig werkloze, inactieve en kansarme jongeren, onder meer via jeugdwerk. De lidstaten moeten ook investeren in maatregelen die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken en de diensten voor arbeidsvoorziening te hervormen en aan te passen zodat zij ondersteuning op maat kunnen bieden aan jongeren. De betrokken lidstaten moeten daarom ten minste 10 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan ondersteuning van de inzetbaarheid van jongeren.
(24)De lidstaten moeten zorgen voor coördinatie en complementariteit tussen de door deze fondsen ondersteunde acties.
(25)Overeenkomstig artikel 349 VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 hebben de ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's recht op specifieke maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk beleid en de EU-programma’s. Deze regio’s hebben bijzondere steun nodig omwille van blijvende beperkingen.
(26)Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF+ ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen alle actoren op de relevante territoriale niveaus en de sociaaleconomische actoren, met name de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. Het is daarom van essentieel belang dat de lidstaten de sociale partners en het maatschappelijk middenveld aanmoedigen deel te nemen aan de uitvoering van het ESF+ onder gedeeld beheer.
(27)Steun voor sociale innovatie is cruciaal om het beleid beter op de sociale veranderingen af te stemmen en innovatieve oplossingen aan te moedigen en te ondersteunen. Met name het beproeven en evalueren van innovatieve oplossingen voordat zij op grotere schaal worden toegepast, is van fundamenteel belang voor de verbetering van de doelmatigheid van het beleid en rechtvaardigt de specifieke steunverlening uit het ESF+.
(28)De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat het ESF+ bijdraagt tot de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 8 VWEU ter bevordering van gelijke behandeling en kansen voor vrouwen en mannen op alle gebieden, waaronder de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. Zij moeten er ook voor zorgen dat het ESF+ gelijke kansen voor iedereen bevordert, zonder discriminatie, overeenkomstig artikel 10 VWEU, alsook de inclusie in de maatschappij van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en dat het bijdraagt tot de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Met deze beginselen moet tijdig en op consistente wijze rekening worden gehouden in alle dimensies en in alle fasen van de voorbereiding, monitoring, uitvoering en evaluatie van de programma's, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er specifieke acties worden ondernomen ter bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen. Het ESF+ moet ook de overgang van residentiële/institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige discriminatie. Het ESF+ mag geen acties ondersteunen die bijdragen tot segregatie of sociale uitsluiting. Verordening (EU) nr. [toekomstige GB-verordening] bepaalt dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen ten aanzien van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer moet worden voorzien.
(29)Om de administratieve lasten in verband met de verzameling van gegevens te verminderen, moeten de lidstaten wanneer dergelijke gegevens in registers beschikbaar zijn, de beheersautoriteiten in staat stellen deze gegevens uit die registers te verkrijgen.
(30)Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening moeten de nationale verantwoordelijken voor de gegevensverwerking hun taken in het kader van deze verordening uitvoeren in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad 16 .
(31)Via sociale experimenten, een kleinschalig project, kan informatie worden verzameld over de haalbaarheid van sociale innovatie. Het moet mogelijk zijn met haalbare ideeën op ruimere schaal of in andere contexten door te gaan met financiële ondersteuning van het ESF+ en andere bronnen.
(32)In het ESF+ zijn bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de centrale diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten onderling en met de Commissie tot stand te brengen. Het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening moet een betere werking van de arbeidsmarkten bevorderen door grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers gemakkelijker te maken en de informatie op de arbeidsmarkten transparanter te maken. Het toepassingsgebied van het ESF+ omvat ook de ontwikkeling en ondersteuning van gerichte mobiliteitsregelingen zodat vacatures kunnen worden vervuld waar tekortkomingen op de arbeidsmarkt zijn geïdentificeerd.
(33)Een van de grootste belemmeringen om een bedrijf te starten is gebrek aan toegang tot krediet voor micro-ondernemingen, de sociale economie en sociale ondernemingen, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. In de ESF+-verordening zijn bepalingen vastgesteld om een marktecosysteem te creëren om het aanbod aan en de toegang tot financiering te vergroten voor sociale ondernemingen en tegemoet te komen aan de vraag van degenen die hieraan het meest behoefte hebben, met name de werklozen, vrouwen en kwetsbare mensen die een micro-onderneming willen starten of uitbouwen. Aan deze doelstelling zal ook worden gewerkt via financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidscomponent voor sociale investeringen en vaardigheden van het InvestEU-fonds.
(34)Spelers op de markt voor sociale investeringen, waaronder filantropische actoren, kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van meerdere ESF+-doelstellingen aangezien ze zowel financiering als innovatieve en aanvullende benaderingen bieden om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, de werkloosheid terug te dringen en bij te dragen tot de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Daarom moeten filantropische actoren, zoals stichtingen en donoren naargelang het geval worden betrokken bij ESF+-acties, met name bij de acties die zijn gericht op de ontwikkeling van het ecosysteem voor de markt voor sociale investeringen.
(35)Krachtens artikel 168 VWEU moet bij de bepaling en uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid worden verzekerd. De Unie moet het nationale gezondheidsbeleid aanvullen en ondersteunen, samenwerking tussen lidstaten aanmoedigen en de coördinatie tussen hun programma ' s bevorderen, en dient de verantwoordelijkheden van de lidstaten met betrekking tot de bepaling van hun gezondheidsbeleid en de organisatie en de verstrekking van gezondheidsdiensten en geneeskundige verzorging ten volle te eerbiedigen.
(36)Mensen langer gezond en actief houden en hen in staat stellen een actieve rol te spelen bij de zorg voor de eigen gezondheid, zal positieve effecten hebben op de volksgezondheid, op de ongelijkheid op gezondheidsgebied, op de levenskwaliteit, de productiviteit, het concurrentievermogen en de inclusiviteit, en zal de druk op de nationale begrotingen doen afnemen. De Commissie is vastbesloten de lidstaten te helpen om hun duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals - SDG's) te behalen, in het bijzonder SDG 3 "Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd" 17 .
(37)De gemeenschappelijke waarden en beginselen in de gezondheidsstelsels van de Europese Unie, zoals vastgesteld in de conclusies van de Raad van 2 juni 2006, moeten het besluitvormingsproces ondersteunen om innovatieve, doeltreffende en veerkrachtige gezondheidsstelsels op te zetten en te beheren, om instrumenten te bevorderen die universele toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg waarborgen en om vrijwillig de beste praktijken op grotere schaal toe te passen.
(38)Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet bijdragen tot ziektepreventie gedurende het hele leven van de EU-burgers en tot de bevordering van de gezondheid door risicofactoren voor de gezondheid aan te pakken zoals tabaksgebruik en passief roken, schadelijk alcoholgebruik, consumptie van illegale drugs en schade aan de gezondheid door drugsgebruik, ongezonde voedingsgewoonten en gebrek aan lichaamsbeweging. Het moet een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor een gezonde levensstijl om de maatregelen van de lidstaten aan te vullen in overeenstemming met de desbetreffende strategieën. Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet doeltreffende preventiemodellen, innovatieve technologieën en nieuwe bedrijfsmodellen en oplossingen integreren om bij te dragen tot innovatieve, doeltreffende en duurzame gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en om de toegang tot een betere en veiligere gezondheidszorg voor de Europese burgers te vergemakkelijken.
(39)Niet-overdraagbare ziekten zijn verantwoordelijk voor meer dan 80 % van de voortijdige sterfte in de Unie en doeltreffende preventie veronderstelt verscheidene grensoverschrijdende dimensies. Tegelijkertijd hebben het Europees Parlement en de Raad de noodzaak beklemtoond om de gevolgen voor de volksgezondheid van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen, zoals overdraagbare ziekten en andere biologische, chemische, onbekende en milieubedreigingen tot een minimum te beperken door de crisisparaatheid en de responscapaciteit te ondersteunen.
(40)Het is van essentieel belang de last van resistente infecties en zorginfecties te verminderen en de beschikbaarheid van doeltreffende antibiotica te garanderen met het oog op een efficiënte gezondheidszorg en de gezondheid van de patiënten.
(41)De Commissie heeft onlangs een voorstel ingediend 18 betreffende de evaluatie van gezondheidstechnologie (EGT) ter ondersteuning van samenwerking op het gebied van evaluatie van gezondheidstechnologie op EU-niveau om de beschikbaarheid van innovatieve gezondheidstechnologieën voor patiënten in de hele Unie te verbeteren, beter gebruik te maken van de beschikbare middelen en de voorspelbaarheid voor zakendoen te verbeteren.
(42)Gezien de specifieke aard van enkele doelstellingen van het onderdeel gezondheid van het ESF+ en van de soorten acties in het kader van dat onderdeel, zijn de respectieve bevoegde autoriteiten van de lidstaten het best geplaatst om de daarmee samenhangende activiteiten uit te voeren. Die autoriteiten, die door de lidstaten zelf zijn aangewezen, moeten daarom voor de toepassing van artikel [195], van [het nieuwe Financieel Reglement] worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden en de subsidies moeten aan dergelijke autoriteiten worden toegekend zonder voorafgaande bekendmaking van oproepen tot het indienen van voorstellen.
(43)De Europese referentienetwerken (ERN's) zijn netwerken die zorgverleners uit heel Europa betrekken bij de bestrijding van zeldzame, weinig voorkomende en complexe ziekten en aandoeningen waarvoor zeer gespecialiseerde behandelingen en een bundeling van kennis en middelen nodig zijn. De ERN's zijn als netwerken door de bestuursraad van lidstaten van de Europese referentienetwerken goedgekeurd op grond van de goedkeuringsprocedure die is vastgesteld in Uitvoeringsbesluit 2014/287/EU van de Commissie van 10 maart 2014. Die netwerken moeten daarom voor de toepassing van artikel [195], van [het nieuwe Financieel Reglement] worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden en de subsidies moeten aan de ERN's worden toegekend zonder voorafgaande bekendmaking van oproepen tot het indienen van voorstellen.
(44)Het gezondheidsbeleid van de EU heeft een onmiddellijk effect op het leven van de burgers, op de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels en de goede werking van de interne markt. Het regelgevingskader voor medische producten en technologieën (geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en stoffen van menselijke oorsprong), alsook de wetgeving inzake tabak, de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg en ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid zijn essentieel voor de bescherming van de gezondheid in de EU. De regelgeving en de toepassing en handhaving daarvan moet gelijke tred houden met de ontwikkelingen in innovatie en onderzoek en met de maatschappelijke veranderingen op dit gebied en tegelijkertijd de gezondheidsdoelstellingen verwezenlijken. Daarom is het noodzakelijk voortdurend de wetenschappelijke basis te ontwikkelen die nodig is voor de uitvoering van dergelijke wetgeving met wetenschappelijk karakter.
(45)Om de doeltreffendheid en doelmatigheid van acties op het niveau van de Unie en op internationaal niveau te maximaliseren, moet de samenwerking worden ontwikkeld met relevante internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en gespecialiseerde agentschappen daarvan, met name de Wereldgezondheidsorganisatie, alsook met de Raad van Europa en met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), om het onderdeel gezondheid uit te voeren.
(46)Deze verordening weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het algemene streefcijfer van 25 % van de EU-begrotingsuitgaven voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt gehaald. Relevante acties zullen in kaart worden gebracht tijdens de voorbereiding en uitvoering, en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie ervan.
(47)Volgens artikel [94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad 19 ] moeten in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking komen voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.
(48)Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan de programma’s van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking onder de EER-overeenkomst, die in een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet in de uitvoering van de programma’s. Een specifieke bepaling moet in deze verordening worden opgenomen om de nodige rechten en toegang te verlenen aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en de Europese Rekenkamer, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunen uitoefenen.
(49)Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad 20 , Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad 21 , Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad 22 en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad 23 moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen in overeenstemming met het Financieel Reglement en andere toepasselijke regels, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van EU-fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad 24 . Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.
(50) Op deze verordening zijn de door het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goedgekeurde horizontale financiële regels van toepassing. Deze regels zijn vastgelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen, indirecte uitvoering, en in de regels is voorzien in controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben tevens betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële voorwaarde is voor goed financieel beheer en doeltreffende EU-financiering.
(51)Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten vergroten en de toegang tot kwaliteitsvol werk verbeteren, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding verbeteren, sociale inclusie en gezondheid bevorderen en armoede bestrijden, alsook de acties in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten en beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau de Unie, mag de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel als uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(52)Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging en aanvulling van de bijlagen over de indicatoren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.
(53)Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. De uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot het model voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers moeten worden uitgeoefend volgens de in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 25 bedoelde raadplegingsprocedure gezien de aard van dit model.
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Deel I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Voorwerp
Bij deze verordening wordt het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) vastgesteld.
In deze verordening worden de doelstellingen van het ESF+, de begroting voor de periode 2021-2027, de uitvoeringsmethoden, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
Artikel 2
Definities
1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) "begeleidende maatregelen": activiteiten ter aanvulling van de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand die tot doel hebben sociale uitsluiting tegen te gaan, zoals het verwijzen naar en het verlenen van sociale diensten of advies over het beheer van een gezinsbudget;
2) "geassocieerd land": een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie waardoor het overeenkomstig artikel 30 kan deelnemen aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid van het ESF+;
3) "fundamentele materiële bijstand": goederen om aan iemands basisbehoeften voor een waardig leven te voldoen, zoals kleding, toiletartikelen en schoolgerief;
4) "blendingverrichtingen": door de begroting van de Unie ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;
5) "gemeenschappelijke indicatoren van onmiddellijke resultaten": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die uiterlijk vier weken na de dag waarop de deelname aan een actie afloopt (einddatum), een beeld van de effecten geven;
6) "gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die zes maanden nadat de deelname aan een actie afloopt, een beeld van de effecten geven;
7) "kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand": de werkelijke kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand door de begunstigde die niet beperkt zijn tot de prijs van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand;
8) "eindontvanger": de meest behoeftige persoon of personen die de steun ontvangen overeenkomstig punt xi) van artikel 4, lid 1;
9) "gezondheidscrisis": elke crisis die gewoonlijk als een bedreiging wordt beschouwd, een gezondheidsdimensie heeft en dringende maatregelen van de autoriteiten in onzekere omstandigheden vereist;
10) "juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben;
11) "microfinanciering": garanties, microkrediet, eigen vermogen en quasi-eigenvermogen in combinatie met begeleidende diensten voor bedrijfsontwikkeling – onder meer in de vorm van individueel advies en individuele begeleiding en opleiding – die worden verstrekt aan personen en micro-ondernemingen die problemen ondervinden bij de toegang tot krediet voor professionele en/of ontvangstengenererende activiteiten;
12) "micro-onderneming": een onderneming met minder dan 10 werknemers en een jaarlijkse omzet of financiële balans van minder dan 2 000 000 EUR;
13) "meest behoeftige personen": natuurlijke personen – individuen, gezinnen, huishoudens of uit dergelijke personen samengestelde groepen – van wie de behoefte aan hulp is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die door de bevoegde nationale autoriteiten in overleg met relevante belanghebbende partijen, onder vermijding van belangenconflicten, zijn vastgesteld en door die bevoegde nationale autoriteiten zijn goedgekeurd en elementen kunnen bevatten waarmee de hulp kan worden afgestemd op de meest behoeftige personen in bepaalde geografische gebieden;
14) "referentiewaarde": een waarde voor het vaststellen van doelstellingen voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren die gebaseerd is op de huidige of voorgaande soortgelijke maatregelen;
15) "sociale onderneming": een onderneming – ongeacht haar juridische vorm – of een natuurlijke persoon die
a)– overeenkomstig de oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document dat kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van de regels van de lidstaat van vestiging – als belangrijkste sociale doelstelling meetbare positieve sociale effecten in plaats van winst voor andere doeleinden nastreeft en die diensten of goederen met een sociaal rendement levert en/of van methoden voor de productie van goederen of diensten gebruikmaakt die sociale doelstellingen belichamen;
b)de winst op de eerste plaats gebruikt om de belangrijkste sociale doelstelling te verwezenlijken en over vooraf vastgestelde procedures en regels voor de verdeling van de winst beschikt die ervoor zorgen dat die verdeling de belangrijkste sociale doelstelling niet ondermijnt;
c)op zakelijke, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, vooral door de participatie van werknemers, klanten en belanghebbenden op wie de bedrijfsactiviteiten van invloed zijn;
16) "sociale innovatie": activiteiten waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name die activiteiten die verband houden met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën (met betrekking tot producten, diensten en modellen) die in sociale behoeften voorzien en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden creëren en zo de samenleving ten goede komen en haar handelingscapaciteit vergroten;
17) "sociale experimenten": beleidsmaatregelen die innovatieve oplossingen voor sociale behoeften aandragen en op kleine schaal worden uitgevoerd onder omstandigheden die het mogelijk maken de effecten ervan te meten, alvorens ze – wanneer de resultaten overtuigend zijn – onder andere omstandigheden of op grotere schaal worden uitgevoerd;
18) "sleutelcompetenties: de kennis, vaardigheden en competenties die iedereen in elke levensfase nodig heeft met het oog op persoonlijke voldoening en ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale inclusie en actief burgerschap. De sleutelcompetenties zijn: lees- en schrijfvaardigheid; meertaligheid; wiskunde, wetenschappen, technologie en engineering; digitale vaardigheden, persoonlijke, sociale en leervaardigheden; burgerschap; ondernemerschap; cultureel bewustzijn en culturele expressie;
19) "derde land": een land dat geen lid van de Europese Unie is.
2. De definities in artikel [2] van [de toekomstige GB-verordening] gelden ook voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer.
Artikel 3
Algemene doelstellingen en uitvoeringsmethoden
Het ESF+ beoogt – in overeenstemming met de beginselen van de op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie afgekondigde Europese pijler van sociale rechten – de lidstaten te steunen met het oog op hoge werkgelegenheidsniveaus, een billijke sociale bescherming en een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking voor de toekomstige arbeidswereld.
Het ESF+ verleent steun en meerwaarde aan de beleidsmaatregelen van de lidstaten en het vult die maatregelen aan met het oog op gelijke kansen, toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming en inclusie, en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid.
Het wordt uitgevoerd:
a) onder gedeeld beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de specifieke in artikel 4, lid 1, vermelde doelstellingen (het "ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer"), en
b) onder direct en indirect beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, lid 1, en artikel 23 vermelde doelstellingen (het "onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie") en voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, leden 1 en 3, en artikel 26 vermelde doelstellingen (het "onderdeel gezondheid").
Artikel 4
Specifieke doelstellingen
1. Het ESF+ ondersteunt de volgende specifieke doelstellingen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs, sociale inclusie en gezondheid en draagt zo ook bij tot de in artikel [4] van de [toekomstige GB-verordening] vastgestelde beleidsdoelstelling "Een socialer Europa – De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten":
i) de toegang van alle werkzoekenden – en vooral van jongeren en langdurig werklozen – en inactieven tot werk verbeteren en zelfstandig ondernemerschap en de sociale economie bevorderen;
ii) de arbeidsmarktinstellingen en -diensten moderniseren om behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen en om tijdige en op maat gesneden bijstand en steun te verlenen met het oog op een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en ter bevordering van overgangen en mobiliteit op de arbeidsmarkt;
iii) de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, een beter evenwicht tussen werk en gezin – onder meer via toegang tot kinderopvang –, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving – waarbij gezondheidsrisico’s worden aangepakt –, de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden bevorderen;
iv) de kwaliteit, de doeltreffendheid en de relevantie voor de arbeidsmarkt van de onderwijs- en opleidingsstelsels verbeteren om de verwerving van sleutelcompetenties – onder meer digitale vaardigheden – te bevorderen;
v) de gelijke toegang tot en de voltooiing van kwaliteitsvolle en inclusieve educatie en opleiding – vooral voor kansarme groepen – bevorderen vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken;
vi) een leven lang leren – en vooral flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen op het gebied van digitale vaardigheden – bevorderen, beter op veranderingen en nieuwe vereisten inzake vaardigheden anticiperen op basis van de behoeften van de arbeidsmarkt, loopbaanovergangen vergemakkelijken en beroepsmobiliteit bevorderen;
vii) actieve inclusie bevorderen met het oog op gelijke kansen en actieve participatie, en de inzetbaarheid verbeteren;
viii) de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen en van gemarginaliseerde gemeenschappen – onder meer de Roma – bevorderen;
ix) de gelijke en tijdige toegang tot hoogwaardige, duurzame en betaalbare diensten verbeteren; de stelsels voor sociale bescherming moderniseren, onder meer door de toegang tot sociale bescherming te bevorderen; de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg verbeteren;
x) de sociale integratie bevorderen van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting, onder meer de meest behoeftigen en kinderen;
xi) materiële deprivatie bestrijden door voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftigen te verlenen en begeleidende maatregelen te nemen.
2. Via de in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer uitgevoerde maatregelen ter verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde specifieke doelstellingen draagt het ESF+ ook bij tot de andere in artikel [4] van [de toekomstige GB-verordening] vermelde beleidsdoelstellingen, en met name tot de beleidsdoelstellingen in verband met:
1. een slimmer Europa via de ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, de industriële overgang, sectorale samenwerking rond vaardigheden en ondernemerschap, de opleiding van onderzoekers, networking en partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs, instellingen voor school- en beroepsopleiding, technologische en onderzoekscentra, bedrijven en clusters, steun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de sociale economie;
2. een groener en koolstofarm Europa via de verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels die nodig is voor de aanpassing van vaardigheden en kwalificaties, de bijscholing van iedereen – onder meer de beroepsbevolking – en het creëren van nieuwe banen in sectoren die verband houden met milieu, klimaat en energie en de bio-economie.
3. In het kader van het onderdeel gezondheid verleent het ESF+ steun voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie, draagt het bij tot de doeltreffendheid, de toegankelijkheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels, maakt het de gezondheidszorg veiliger, vermindert het de ongelijkheden op gezondheidsgebied, beschermt het de burgers tegen grensoverschrijdende bedreigingen voor de gezondheid en ondersteunt het de gezondheidswetgeving van de Unie.
Artikel 5
Begroting
1.De totale financiële middelen voor het ESF+ voor de periode 2021-2027 bedragen 101 174 000 000 EUR in lopende prijzen.
2.Het deel van de financiële middelen voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer in het kader van de doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid bedraagt 100 000 000 000 EUR in lopende prijzen of 88 646 194 590 EUR in prijzen van 2018, waarvan 200 000 000 EUR in lopende prijzen of 175 000 000 EUR in prijzen van 2018 wordt toegewezen voor de in artikel 23, onder i), bedoelde transnationale samenwerking ter ondersteuning van innovatieve oplossingen en 400 000 000 EUR in lopende prijzen of 376 928 934 EUR in prijzen van 2018 als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio’s van NUTS-niveau 2 die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994.
3.De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid voor de periode 2021-2027 bedragen 1 174 000 000 EUR in lopende prijzen.
4.De indicatieve verdeling van het in lid 3 bedoelde bedrag is als volgt:
a)761 000 000 EUR voor de uitvoering van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie;
b)413 000 000 EUR voor de uitvoering van het onderdeel gezondheid.
5.De in de leden 3 en 4 bedoelde bedragen kunnen ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van de programma's, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen.
Artikel 6
Gelijkheid van mannen en vrouwen, gelijke kansen en non-discriminatie
1. Bij alle in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer uitgevoerde programma's en bij de door de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid ondersteunde acties wordt de gelijkheid van mannen en vrouwen gewaarborgd tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie van de programma's en acties. Ook worden tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie van de programma's en acties gelijke kansen voor iedereen bevorderd, zonder discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.
2. De lidstaten en de Commissie ondersteunen ook specifieke gerichte acties om de in lid 1 bedoelde beginselen te bevorderen in het kader van alle doelstellingen van het ESF+, met inbegrip van de overgang van residentiële/institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband.
Deel II – Uitvoering in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Hoofdstuk I
Gemeenschappelijke bepalingen inzake programmering
Artikel 7
Samenhang en thematische concentratie
1. De lidstaten gebruiken de ESF+-middelen onder gedeeld beheer vooral voor maatregelen met betrekking tot de uitdagingen die zijn vastgesteld in hun nationale hervormingsprogramma's, het Europees Semester en de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen, en ze houden rekening met de in de Europese pijler van sociale rechten vastgestelde beginselen en rechten.
Zowel tijdens de planning als de uitvoering bevorderen de lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie synergieën en zorgen ze voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen, programma's en instrumenten van de Unie, zoals Erasmus, het Fonds voor asiel en migratie en het steunprogramma voor hervormingen – met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie optimaliseren de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen en zorgen voor nauwe samenwerking tussen de voor de uitvoering verantwoordelijken met het oog op coherente en gestroomlijnde steunmaatregelen.
2. De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe om de uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester binnen de werkingssfeer van het ESF+, zoals vastgesteld in artikel 4.
3. De lidstaten wijzen ten minste 25 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met xi), vastgestelde specifieke doelstellingen voor het beleidsgebied sociale inclusie, met inbegrip van de bevordering van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen.
4. De lidstaten wijzen ten minste 2 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder xi), vastgestelde specifieke doelstelling bestrijding van materiële deprivatie.
In naar behoren gemotiveerde gevallen mag met de toegewezen middelen voor de in artikel 4, lid 1, onder x), vastgestelde specifieke doelstelling inzake de meest behoeftigen rekening worden gehouden bij de verificatie van de naleving van de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde minimumtoewijzing van ten minste 2 %.
5. Lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2019 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, wijzen ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de periode 2021-2025 toe voor gerichte acties en structurele hervormingen om de jeugdwerkgelegenheid, de overgang van school naar werk, trajecten om jongeren opnieuw in onderwijs of opleiding te integreren en tweedekansonderwijs te ondersteunen, met name in het kader van de uitvoering van jongerengarantieregelingen.
Bij de tussentijdse programmering van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor 2026 en 2027 overeenkomstig artikel [14] van [de toekomstige GB-verordening] wijzen lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2024 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de jaren 2026 en 2027 voor deze acties toe.
Ultraperifere gebieden die aan de voorwaarden van de eerste en tweede alinea voldoen, wijzen ten minste 15 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in hun programma’s toe voor de in de eerste alinea vastgestelde gerichte acties. Met deze toewijzing wordt rekening gehouden bij de verificatie van de naleving van het in de eerste en tweede alinea vastgestelde minimumpercentage op nationaal niveau.
Bij de uitvoering van dergelijke acties geven de lidstaten voorrang aan inactieve en langdurig werkloze jongeren en zorgen ze voor gerichte outreachmaatregelen.
6. De leden 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op de specifieke aanvullende toewijzing die de ultraperifere gebieden en de regio’s van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, ontvangen.
7. De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing op technische bijstand.
Artikel 8
Partnerschap
1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat sociale partners en maatschappelijke organisaties naar behoren worden betrokken bij beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer worden ondersteund.
2. De lidstaten wijzen een passend bedrag van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in elk programma toe voor de capaciteitsopbouw van sociale partners en maatschappelijke organisaties.
Artikel 9
Materiële deprivatie bestrijden
De in artikel 7, lid 4, bedoelde middelen worden in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd.
Artikel 10
Steun voor jeugdwerkgelegenheid
Steun overeenkomstig artikel 7, lid 5, wordt in het kader van een specifieke prioriteit geprogrammeerd en gebruikt voor de in artikel 4, lid 1, onder i), vastgestelde specifieke doelstelling.
Artikel 11
Steun voor relevante landspecifieke aanbevelingen
De acties om de in artikel 7, lid 2, bedoelde uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester, worden in het kader van een of meer specifieke prioriteiten geprogrammeerd.
Hoofdstuk II
Algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Artikel 12
Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op ESF+-steun onder gedeeld beheer in het kader van de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, (de "algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer").
Artikel 13
Innovatieve acties
1. De lidstaten verlenen steun aan sociale innovatie en sociale experimenten of versterken bottom-up benaderingen op basis van partnerschappen tussen de overheid, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld, zoals de lokale actiegroepen die door de gemeenschap geleide, plaatselijke ontwikkelingsstrategieën ontwikkelen en uitvoeren.
2. De lidstaten kunnen steun verlenen aan de opschaling van innovatieve methoden die op kleine schaal zijn uitgetest (sociale experimenten) en in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en andere programma’s van de Unie zijn ontwikkeld.
3. Innovatieve acties en methoden kunnen in het kader van elk van de in de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd.
4. Elke lidstaat wijdt ten minste één prioriteit aan de uitvoering van de leden 1 of 2 of aan beide. Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteiten kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer aan deze prioriteiten.
Artikel 14
Subsidiabiliteit
1. Naast de in artikel [58] van [de toekomstige GB-verordening] bedoelde kosten zijn de volgende kosten niet subsidiabel in het kader van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer:
a)de aankoop van grond en onroerend goed en de beschikbaarstelling van infrastructuur, en
b)de aankoop van meubilair, apparatuur en voertuigen, tenzij de aankoop voor de verwezenlijking van de doelstelling van de actie noodzakelijk is, of de items volledig zijn afgeschreven, of de aankoop van deze items de meest economische optie is.
2. Bijdragen in natura in de vorm van toelagen of lonen die door een derde partij ten behoeve van de deelnemers aan een actie worden uitbetaald, kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, mits de bijdragen in natura zijn verleend overeenkomstig de nationale regels, inclusief de boekhoudregels, en de door de derde partij gedragen kosten niet overstijgen.
3. De specifieke aanvullende toewijzing voor de ultraperifere gebieden en de regio’s van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, wordt gebruikt om de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen te ondersteunen.
4. Directe personeelskosten komen in aanmerking voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, mits uit gegevens van Eurostat blijkt dat ze niet hoger zijn dan 100 % van de gebruikelijke beloning voor het betrokken beroep in de lidstaat.
Artikel 15
Indicatoren en verslaglegging
1. Programma’s die algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer ontvangen, gebruiken de in bijlage 1 bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. De programma’s mogen ook programmaspecifieke indicatoren gebruiken.
2. Voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke outputindicatoren bedraagt de basiswaarde nul. Wanneer dit relevant is voor de aard van de ondersteunde acties, worden cumulatief gekwantificeerde mijlpalen en streefcijfers voor die indicatoren in absolute cijfers vastgesteld. De gerapporteerde waarden voor de outputindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
3. De referentiewaarde voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren waarvoor een cumulatief gekwantificeerde mijlpaal voor 2024 en een streefcijfer voor 2029 zijn vastgesteld, wordt vastgesteld op basis van de meest recente beschikbare gegevens of andere relevante bronnen van informatie. Streefcijfers voor gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers of in procenten vastgesteld. Programmaspecifieke resultaatindicatoren en daarmee verband houdende streefcijfers kunnen in kwantitatieve of kwalitatieve termen worden uitgedrukt. De gerapporteerde waarden voor de gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
4. Gegevens over de indicatoren voor deelnemers worden alleen overgemaakt wanneer alle krachtens punt 1a) van bijlage 1 vereiste gegevens met betrekking tot die deelnemer beschikbaar zijn.
5. Wanneer gegevens in registers of gelijkwaardige bronnen beschikbaar zijn, stellen de lidstaten de beheersautoriteiten en andere instanties die belast zijn met de verzameling van gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, in staat deze gegevens uit gegevensregisters of gelijkwaardige bronnen te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) en e), van Verordening (EU) 2016/679.
6. De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage I te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
Hoofdstuk III
ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie
Artikel 16
Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op ESF+-steun in het kader van punt xi) van artikel 4, lid 1.
Artikel 17
Beginselen
1. De ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie mag alleen worden gebruikt om de distributie te ondersteunen van voedsel en goederen die beantwoorden aan het Unierecht inzake de veiligheid van consumentenproducten.
2. De lidstaten en de begunstigden kiezen de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand op basis van objectieve criteria met betrekking tot de behoeften van de meest behoeftige personen. Bij de selectiecriteria voor voedsel – en in voorkomend geval voor goederen – wordt ook rekening gehouden met klimatologische en milieuaspecten, vooral met het oog op minder voedselverspilling. In voorkomend geval wordt bij de keuze van het te verdelen soort voedsel rekening gehouden met de bijdrage van het voedsel tot het evenwichtig dieet van de meest behoeftige personen.
De voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand kunnen direct aan de meest behoeftige personen worden verleend of indirect met behulp van elektronische vouchers of kaarten, op voorwaarde dat ze uitsluitend kunnen worden ingeruild voor voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand als bedoeld in artikel 2, punt 3.
Het voedsel voor de meest behoeftige personen kan worden verkregen uit het gebruik, de verwerking of de verkoop van producten die zijn afgezet overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, mits dit de economisch gunstigste optie is en de levering van het voedsel aan de meest behoeftige personen hierdoor niet onnodig wordt vertraagd.
Uit dergelijke transacties afkomstige bedragen worden gebruikt ten behoeve van de meest behoeftige personen, naast de bedragen waarover het programma al beschikt.
3. De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat bij de hulp in het kader van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie de waardigheid van de meest behoeftige personen wordt geëerbiedigd en ze niet worden gestigmatiseerd.
4. De levering van voedselhulp en/of materiële bijstand kan worden aangevuld met een reoriëntatie naar bevoegde diensten en andere begeleidende maatregelen die de sociale inclusie van de meest behoeftige personen beogen.
Artikel 18
Inhoud van de prioriteit
Een prioriteit met betrekking tot steun in het kader van punt xi) van artikel 4, lid 1, stelt het volgende vast:
a) het soort steun;
b) de belangrijkste doelgroepen;
c) een beschrijving van de nationale of regionale steunregelingen.
Bij programma’s dit tot dit soort steun en de bijbehorende technische bijstand zijn beperkt, omvat de prioriteit ook de criteria voor de selectie van acties.
Artikel 19
Subsidiabiliteit van acties
1 De voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand voor de meest behoeftige personen kunnen door of namens de begunstigde worden aangekocht of gratis ter beschikking van de begunstigde worden gesteld.
2. De voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand worden gratis aan de meest behoeftige personen verstrekt.
Artikel 20
Subsidiabiliteit van uitgaven
1. De volgende kosten van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie zijn subsidiabel:
a) de kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, met inbegrip van de kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken;
b) wanneer het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken, niet onder a) valt, de door de aankopende instantie gedragen kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de opslagplaatsen en/of de begunstigden en de opslagkosten tegen een vast tarief van 1 % van de onder a) bedoelde kosten of – in naar behoren gemotiveerde gevallen – de daadwerkelijk opgelopen en betaalde kosten;
c) de administratieve, vervoers- en opslagkosten die door de bij de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen betrokken begunstigden worden gedragen, tegen een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten; of 5 % van de waarde van het overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 afgezette voedsel;
d) de kosten voor de inzameling, het vervoer, de opslag en de distributie van voedseldonaties en daarmee rechtstreeks verband houdende voorlichtingsactiviteiten;
e) de kosten van begeleidende maatregelen door of namens begunstigden die zijn gemeld door de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen leveren, tegen een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten.
2. Een verlaging van de in lid 1, onder a), bedoelde subsidiabele kosten als gevolg van inbreuken op het toepasselijke recht door de instantie die verantwoordelijk is voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, leidt niet tot een verlaging van de in lid 1, onder c) en e), bedoelde subsidiabele kosten.
3. De volgende kosten zijn niet subsidiabel:
a) de debetrente;
b) de beschikbaarstelling van infrastructuur;
c) de kosten voor tweedehandsgoederen.
Artikel 21
Indicatoren en verslaglegging
1. Prioriteiten ter bestrijding van materiële deprivatie gebruiken de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. Deze programma’s mogen ook programmaspecifieke indicatoren gebruiken.
2. De referentiewaarden voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren worden vastgesteld.
3. Uiterlijk 30 juni 2025 en 30 juni 2028 delen de beheersautoriteiten de Commissie de resultaten mee van een tijdens het voorgaande jaar uitgevoerd gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers. Dit onderzoek is gebaseerd op het model dat door de Commissie wordt vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling.
4. Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een model vast voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.
5. De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage II te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
Artikel 22
Audit
De audit van acties kan betrekking hebben op alle stadia van de uitvoering ervan en op alle niveaus van de distributieketen, met als enige uitzondering de controle van de eindontvangers, tenzij uit een risicobeoordeling blijkt dat er een specifiek risico van onregelmatigheden of fraude bestaat.
Deel III – Uitvoering onder direct en indirect beheer
Hoofdstuk I – Specifieke regels voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie
Afdeling I: Algemene bepalingen
Artikel 23
Operationele doelstellingen
Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie heeft de volgende operationele doelstellingen:
a) hoogwaardige vergelijkende analytische kennis ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen ter verwezenlijking van de in artikel 4 bedoelde specifieke doelstellingen gebaseerd zijn op solide gegevens en afgestemd op de behoeften, uitdagingen en omstandigheden in de geassocieerde landen;
b) een doeltreffende en inclusieve informatie-uitwisseling, wederzijds leren, collegiale toetsingen en een dialoog over beleidsmaatregelen op de in artikel 4 bedoelde gebieden bevorderen om de geassocieerde landen te helpen passende beleidsmaatregelen te nemen;
c) sociale experimenten op de in artikel 4 bedoelde gebieden ondersteunen en de capaciteit van de belanghebbenden opbouwen om de geteste sociale beleidsinnovaties uit te voeren, over te dragen of op te schalen;
d) specifieke ondersteunende diensten aan werkgevers en werkzoekenden verlenen om geïntegreerde Europese arbeidsmarkten te ontwikkelen, van de voorbereiding voor de werving tot steun na plaatsing om vacatures voor bepaalde groepen (bijvoorbeeld kwetsbare personen) en in bepaalde sectoren, beroepen, landen en grensregio’s te vervullen;
e) steun verlenen aan de ontwikkeling van het marktecosysteem met betrekking tot de verlening van microfinanciering aan micro-ondernemingen in de aanloop- en ontwikkelingsfase, en met name aan ondernemingen die kwetsbare personen tewerkstellen;
f) steun verlenen aan networking op het niveau van de Unie en aan de dialoog met en tussen belanghebbenden op de in artikel 4 bedoelde gebieden, en bijdragen tot de opbouw van de institutionele capaciteit van deze belanghebbenden, onder meer de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, socialezekerheidsinstellingen, instellingen voor microfinanciering en instellingen die sociale ondernemingen en de sociale economie financieren;
g) de ontwikkeling van sociale ondernemingen en de opkomst van een markt voor sociale investeringen ondersteunen, waardoor publieke en particuliere interacties en de deelname van stichtingen en filantropische actoren op die markt worden bevorderd;
h) advies verstrekken voor de ontwikkeling van de voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten benodigde sociale infrastructuur (met inbegrip van huisvesting, kinderopvang, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en langdurige zorg);
i) de transnationale samenwerking bevorderen om de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen in heel Europa te vergemakkelijken, met name op het gebied van werkgelegenheid, vaardigheden en sociale inclusie;
j) de uitvoering van relevante internationale sociale en arbeidsnormen ondersteunen in de context van de globalisering en de externe dimensie van het beleid van de Unie op de in artikel 4 bedoelde gebieden.
Afdeling II – Subsidiabiliteit
Artikel 24
In aanmerking komende acties
1. Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 en 4 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
2. Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie kan de volgende acties ondersteunen:
a)analytische activiteiten, onder meer met betrekking tot derde landen, en met name:
i) onderzoeken, studies, statistische gegevens, methoden, classificaties, microsimulaties, indicatoren, steun voor Europese waarnemingsposten en benchmarks;
ii) sociale experimenten ter evaluatie van sociale innovatie;
iii) monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het recht van de Unie;
b)uitvoering van het beleid, en met name:
i) grensoverschrijdende partnerschappen en ondersteunende diensten in grensoverschrijdende regio’s;
ii) een op arbeid gerichte mobiliteitsregeling op het niveau van de Unie om vacatures te vervullen waar zich tekorten op de arbeidsmarkt voordoen;
iii) steun voor microfinanciering en sociale ondernemingen, onder meer via blendingverrichtingen zoals asymmetrische risicodeling of het beperken van transactiekosten, alsmede steun voor de ontwikkeling van sociale infrastructuur en vaardigheden;
iv) steun voor transnationale samenwerking en partnerschappen met het oog op de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen;
c)capaciteitsopbouw, en met name:
i) van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
ii) van nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het onderdeel;
iii) van de administratieve structuren van de deelnemende landen, van socialezekerheidsinstellingen, van voor de bevordering van de arbeidsmobiliteit verantwoordelijke diensten voor arbeidsvoorziening, van instellingen voor microfinanciering en van instellingen die sociale ondernemingen of andere actoren op het gebied van sociale investeringen financieren, alsook van de structuren voor networking;
iv) van belanghebbenden met het oog op transnationale samenwerking;
d) communicatie- en verspreidingsactiviteiten, en met name:
i) wederzijds leren door de uitwisseling van goede praktijken, innovatieve methoden, resultaten van analytische activiteiten, collegiale toetsingen en benchmarking;
ii) handleidingen, verslagen, informatiemateriaal en mediaberichtgeving over initiatieven met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
iii) informatiesystemen die gegevens verspreiden met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
iv) evenementen, conferenties en seminars van het voorzitterschap van de Raad.
Artikel 25
In aanmerking komende entiteiten
1. Naast de in artikel [197] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de volgende criteria voor entiteiten van toepassing om in aanmerking te komen:
a)juridische entiteiten die gevestigd zijn in een van de volgende landen:
i) een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;
ii) geassocieerde landen;
iii) een derde land dat in het werkprogramma is opgenomen onder de in de leden 2 en 3 gespecificeerde voorwaarden;
b)elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie, of elke internationale organisatie;
2. Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet geassocieerd derde land, komen bij wijze van uitzondering voor deelname in aanmerking, voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaalde actie.
3. Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet geassocieerd derde land, dragen in principe de kosten van hun deelname.
Hoofdstuk II — Specifieke bepalingen voor het onderdeel gezondheid
Afdeling I: Algemene bepalingen
Artikel 26
Operationele doelstellingen
1. Alleen acties voor de verwezenlijking van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
2. Het onderdeel gezondheid heeft de volgende operationele doelstellingen:
a)de crisisparaatheid, -beheersing en -respons in de Unie versterken om burgers te beschermen tegen grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid
i) de capaciteitsopbouw bevorderen met het oog op crisisparaatheid, -beheersing en -respons
ii) reageren op grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid tijdens een crisis
iii) de laboratoriumcapaciteit vergroten
iv) antimicrobiële resistentie bestrijden
b)de gezondheidsstelsels verbeteren
i) investeren in gezondheidsbevordering en ziektepreventie
ii) de digitale transformatie van gezondheid en zorg ondersteunen
ii) de ontwikkeling van een duurzaam systeem voor gezondheidsinformatie in de Unie ondersteunen
iii) de lidstaten helpen bij kennisoverdracht die voor nationale hervormingen nuttig is met het oog op meer doeltreffende, toegankelijke en veerkrachtige gezondheidsstelsels en een betere gezondheidsbevordering en ziektepreventie, waarbij vooral de in het Europees Semester vermelde uitdagingen worden aangegaan
iv) methoden ontwikkelen en toepassen die op toekomstige uitdagingen voor de gezondheidsstelsels kunnen inspelen
c)de gezondheidswetgeving van de Unie ondersteunen
i) de uitvoering van de wetgeving inzake geneesmiddelen en medische hulpmiddelen ondersteunen
ii) de uitvoering van de wetgeving van de Unie inzake de evaluatie van gezondheidstechnologie (EGT) ondersteunen 26
iii) de lidstaten monitoren en ondersteunen bij hun uitvoering van de wetgeving inzake stoffen van menselijke oorsprong
iv) de uitvoering van de tabakswetgeving ondersteunen
v) de uitvoering van de wetgeving van de Unie inzake grensoverschrijdende gezondheidszorg ondersteunen
vi) de wetenschappelijke comités van de Commissie voor consumentenveiligheid en voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico's ondersteunen
d) geïntegreerde werkzaamheden ondersteunen (bijvoorbeeld de Europese referentienetwerken, de evaluatie van gezondheidstechnologie en de toepassing van beste praktijken ter bevordering van gezondheid, preventie en ziektebeheer)
i) de steun voor de Europese referentienetwerken voortzetten
ii) de samenwerking bij de evaluatie van gezondheidstechnologie ondersteunen in de aanloop naar nieuwe geharmoniseerde regels
iii) de toepassing van beste praktijken voor innovatie op het gebied van de volksgezondheid ondersteunen
Afdeling II
Subsidiabiliteit
Artikel 27
In aanmerking komende acties
1. Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 en 26 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
2. Het onderdeel gezondheid kan de volgende acties ondersteunen:
a)analytische activiteiten, en met name:
i)onderzoeken, studies, het verzamelen van gegevens, methoden, classificaties, microsimulaties, indicatoren en benchmarkactiviteiten;
ii)monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het recht van de Unie;
b)uitvoering van het beleid, en met name:
i)grensoverschrijdende samenwerking en partnerschappen, onder meer in grensoverschrijdende regio’s;
ii)steun voor transnationale samenwerking en partnerschappen met het oog op de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen;
iii)oefeningen met het oog op paraatheid bij een gezondheidscrisis.
c)capaciteitsopbouw, met name:
i)door de overdracht, de aanpassing en de toepassing van beste praktijken met een toegevoegde waarde van de Unie tussen de lidstaten;
ii)van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 26 bedoelde gebieden;
iii)door steun voor de invoering, de exploitatie en het onderhoud van IT-infrastructuur voor de uitwisseling van gegevens;
iv)van nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het programma;
v)van belanghebbenden met het oog op transnationale samenwerking;
vi)door bijstand in samenwerking met derde landen;
vii)door de aankoop van goederen en diensten bij een gezondheidscrisis.
d)communicatie- en verspreidingsactiviteiten, en met name:
i)wederzijds leren door de uitwisseling van goede praktijken, innovatieve methoden, resultaten van analytische activiteiten, collegiale toetsingen en benchmarking;
ii)handleidingen, verslagen, informatiemateriaal en mediaberichtgeving over initiatieven met betrekking tot de in artikel 26 bedoelde gebieden;
iii)informatiesystemen die gegevens verspreiden met betrekking tot de in artikel 26 bedoelde gebieden;
iv)evenementen, voorbereidende acties, conferenties en seminars van het voorzitterschap van de Raad.
3. De in het tweede lid bedoelde maatregelen zijn alleen subsidiabel, als ze schaalvoordelen opleveren, de paraatheid bij een crisis aanscherpen, de toepassing van beste praktijken met een hoge toegevoegde waarde ondersteunen of erop gericht zijn te waarborgen dat de voorschriften van de Unie op de in artikel 26, lid 3, bedoelde gebieden worden uitgevoerd, gehandhaafd, geëvalueerd en – waar nodig – herzien.
Artikel 28
In aanmerking komende entiteiten en subsidiabele kosten
1. Naast de in artikel 197 van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de volgende criteria voor entiteiten van toepassing om in aanmerking te komen:
a)juridische entiteiten die gevestigd zijn in een van de volgende landen:
i) een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;
ii) een geassocieerd land;
iii) een derde land dat in het werkprogramma is opgenomen onder de in de leden 3 en 4 gespecificeerde voorwaarden;
b) elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie of elke internationale organisatie;
2. Natuurlijke personen komen niet in aanmerking.
3. Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet geassocieerd derde land, komen bij wijze van uitzondering voor deelname in aanmerking, voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaalde actie.
4. Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet geassocieerd derde land, dragen in principe de kosten van hun deelname.
5. In uitzonderlijke gevallen – tijdens een crisis als gevolg van een ernstige grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid in de zin van Besluit 1082/2013/EU 27 – kunnen in niet-geassocieerde landen opgelopen kosten bij wijze van uitzondering als subsidiabel worden beschouwd, als ze naar behoren gerechtvaardigd zijn om de verspreiding van het risico voor de bescherming van de gezondheid van de EU-burgers tegen te gaan.
Artikel 29
Governance
De Commissie raadpleegt de gezondheidsautoriteiten van de lidstaten in de stuurgroep voor gezondheidsbevordering, ziektepreventie en het beheersen van niet-overdraagbare ziekten of in andere relevante deskundigengroepen van de Commissie of soortgelijke entiteiten over de werkplannen voor en de prioriteiten, de strategische richtsnoeren en de uitvoering van het onderdeel gezondheid, evenals over de aspecten inzake gezondheidsbeleid van andere beleidsmaatregelen en steunmechanismen, waardoor de algemene coördinatie en de toegevoegde waarde ervan toenemen.
Hoofdstuk III
Gemeenschappelijke regels die van toepassing zijn op de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid
Artikel 30
Deelname van geassocieerde landen aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid
1. De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid staan open voor deelname van de volgende geassocieerde landen:
a)landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;
b)toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;
c)derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst over deelname aan het onderdeel, mits de overeenkomst
1)een billijk evenwicht waarborgt met betrekking tot de bijdragen en voordelen van het aan de programma’s van de Unie deelnemende derde land;
2)de voorwaarden voor deelname aan de programma’s vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan individuele programma’s of onderdelen van programma’s en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van [het nieuw Financieel Reglement];
3)het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het onderdeel verleent;
4)de rechten van de Unie waarborgt om voor een gezond financieel beheer te zorgen en de financiële belangen van de Unie te beschermen.
2. Bovendien staat het onderdeel gezondheid ook open voor deelname van landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen.
Artikel 31
Vormen van EU-financiering en uitvoeringsmethoden
1. De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid kunnen voor financiering zorgen in de in het Financieel Reglement vastgestelde vormen, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen en vrijwillige betalingen aan internationale organisaties waarvan de Unie lid is of aan de werkzaamheden waarvan de Unie deelneemt.
2. De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid worden direct uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement of indirect met in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement bedoelde organen.
Bij de toekenning van subsidies kan het in artikel [150] van het Financieel Reglement bedoelde evaluatiecomité zijn samengesteld uit externe deskundigen.
3. Blendingverrichtingen in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
4. In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend om acties te financieren met een duidelijke meerwaarde van de Unie die worden medegefinancierd door de voor gezondheid bevoegde autoriteiten in de lidstaten of de met het programma geassocieerde derde landen, of door individueel of als netwerk optredende overheidsinstanties en niet-gouvernementele organen die door die bevoegde autoriteiten zijn gemachtigd.
5. In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan Europese referentienetwerken die als netwerken door de bestuursraad van lidstaten van de Europese referentienetwerken zijn goedgekeurd op grond van de goedkeuringsprocedure die is vastgesteld in Uitvoeringsbesluit 2014/287/EU van de Commissie van 10 maart 2014 tot vaststelling van de criteria voor de oprichting en evaluatie van Europese referentienetwerken en de leden daarvan en voor de bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van dergelijke netwerken.
Artikel 32
Werkprogramma en coördinatie
Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid worden uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel [108] van het Financieel Reglement. In de werkprogramma's wordt – in voorkomend geval – het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.
De Commissie bevordert synergie en zorgt voor doeltreffende coördinatie tussen het onderdeel gezondheid van het ESF+ en het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning.
Artikel 33
Monitoring en verslaglegging
1. Er worden indicatoren vastgesteld om de uitvoering en de voortgang van de onderdelen te monitoren bij de verwezenlijking van de in artikel 4 vastgestelde specifieke doelstellingen en de in de artikelen 23 en 26 vastgestelde operationele doelstellingen.
2. Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering van de onderdelen en de resultaten efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en – in voorkomend geval – de lidstaten.
3. De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage III aan te vullen of te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van de onderdelen doeltreffend te kunnen beoordelen.
Artikel 34
Bescherming van de financiële belangen van de Unie
Wanneer een derde land aan het programma deelneemt krachtens een besluit in het kader van een internationale overeenkomst, verleent het derde land de nodige rechten en toegang zodat de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken – onder meer controles en verificaties ter plaatse – uit te voeren overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).
Artikel 35
Evaluatie
1. Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
2. De tussentijdse evaluatie van de onderdelen kan worden uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering ervan beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van de onderdelen is begonnen.
3. Aan het einde van de uitvoeringperiode, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 5 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van de onderdelen uit.
4. De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Artikel 36
Audits
Audits naar het gebruik van de bijdrage van de Unie uitgevoerd door personen of entiteiten, daaronder begrepen andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid in de zin van artikel 127 van het Financieel Reglement.
Artikel 37
Informatie, communicatie en publiciteit
1. De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende en doeltreffende wijze te informeren.
2. De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid, alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikelen 4, 23 en 26 bedoelde doelstellingen.
Deel IV – Slotbepalingen
Artikel 38
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 28 .
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een overeenkomstig artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 39
Comitéprocedure voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
1.De Commissie wordt bijgestaan door het in artikel [109, lid 1,] van [de toekomstige GB-verordening] bedoelde comité.
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Artikel 40
Comité overeenkomstig artikel 163 VWEU
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 163 VWEU ingestelde comité (het ESF+-Comité).
2. Iedere lidstaat wijst één vertegenwoordiger van de regering, één vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties, één vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties alsmede één plaatsvervanger voor ieder lid aan voor een termijn van maximaal zeven jaar. Bij afwezigheid van een lid neemt de plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.
3. Het ESF+-Comité omvat telkens één vertegenwoordiger van de organisaties die de werknemersorganisaties en de werkgeversorganisaties op het niveau van de Unie vertegenwoordigen.
4. Het ESF+-Comité wordt geraadpleegd over het geplande gebruik van technische bijstand, voor zover daarvoor een bijdrage uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer wordt verleend, alsook over andere kwesties met gevolgen voor de uitvoering van de strategieën op het niveau van de Unie die relevant zijn voor het ESF+;
5. Het ESF+-Comité kan advies uitbrengen over:
a) kwesties met betrekking tot de ESF+-bijdrage tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer landspecifieke aanbevelingen en semestergerelateerde prioriteiten (nationale hervormingsprogramma’s, enzovoort);
b) kwesties met betrekking tot de [toekomstige GB-verordening] die relevant zijn voor het ESF+;
c) andere dan de in lid 4 bedoelde kwesties in verband met het ESF+ die de Commissie aan het comité voorlegt.
De adviezen van het ESF+-Comité worden goedgekeurd met absolute meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen en worden ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden. De Commissie licht het ESF+-Comité in over de wijze waarop zij met zijn adviezen rekening heeft gehouden.
6. Het ESF+-Comité kan werkgroepen oprichten voor elk onderdeel van het ESF+.
Artikel 41
Overgangsbepalingen voor het ESF+ onder gedeeld beheer
Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad 29 , Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad 30 of uit hoofde daarvan vastgestelde handelingen blijven van toepassing op programma’s en acties die door het Europees Sociaal Fonds en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen worden gesteund in het kader van de programmeringsperiode 2014-2020.
Artikel 42
Overgangsbepalingen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid
1. Verordening (EG) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad 31 en Verordening (EG) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad 32 worden met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken.
2. De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het ESF+ en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van de voorgaande programma's: het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie en het gezondheidsprogramma van de Unie.
3. Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 5, lid 6, bedoelde uitgaven [technische en administratieve bijstand] in de begroting worden opgenomen.
4. Terugvloeiende middelen van door het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI 2014-2020) vastgestelde financiële instrumenten worden geïnvesteerd in de financiële instrumenten van het "sociale venster" van het uit hoofde van Verordening XXX opgerichte InvestEU-fonds.
Artikel 43
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement Voor de Raad
De voorzitter De voorzitter
FINANCIEEL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
[Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds Plus en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, nr. 1304/2013 en nr. 223/2014]
1.2.Betrokken beleidsterrein(en) (programmacluster)
Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden
Titel 07
Hoofdstuk 07 02 – ESF+
1.3.Het voorstel/initiatief betreft:
☑ een nieuwe actie
◻ een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie 33
◻ de verlenging van een bestaande actie
◻ de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
1.4.Motivering van het voorstel/initiatief
1.4.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
Het ESF+ is het belangrijkste instrument van de EU om in mensen te investeren en het levert een belangrijke bijdrage tot een socialer Europa door Europa dicht bij de burgers te brengen en elke dag voor resultaten te zorgen ten behoeve van de meest behoeftige mensen in onze samenlevingen. Het ESF+ draagt bij tot meer sociaaleconomische convergentie tussen de lidstaten, een noodzakelijke voorwaarde voor het adequaat functioneren van de EU als een stabiele en levensvatbare economische en politieke unie.
Na de vaststelling van de ESF+-verordening zullen de lidstaten hun budgettaire toewijzingen programmeren volgens de richtsnoeren in het kader van het Europees Semester van het voorgaande jaar. De nieuwe programmeringsperiode begint op 1 januari 2021 en de Commissie heeft maatregelen genomen om de uitvoering van het Fonds zo veel mogelijk te versnellen (bijvoorbeeld door af te zien van de verplichting de Commissie in kennis te stellen van de aanwijzing van beheersautoriteiten), zodat de vertragingen tijdens de periode 2014-2020 worden voorkomen.
De uitvoering onder direct beheer zal ook onmiddellijk beginnen na de inwerkingtreding van het programma.
1.4.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijv. coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder "toegevoegde waarde van de deelname van de Unie" verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen de lidstaat zou zijn gecreëerd.
Redenen voor maatregelen op Europees niveau (ex ante): De toegevoegde waarde van de EU vloeit voort uit het feit dat in gebieden en doelgroepen wordt geïnvesteerd waarin anders niet zou worden geïnvesteerd, dat het bereik van de huidige maatregelen wordt verruimd en de mainstreaming van innovaties wordt ondersteund en dat de capaciteit van de administratieve structuren in de lidstaten wordt versterkt. Uit heel wat gegevens blijkt dat EU-beleidsmaatregelen ter bevordering van sociale cohesie en sociale rechten niet zouden zijn uitgevoerd zonder aanvullende EU-investeringen. Dankzij Europese financiering hebben de lidstaten geïnvesteerd in gebieden, doelgroepen en hervormingen op een wijze die niet mogelijk zou zijn geweest met nationale financiering alleen. Het zijn vooral de nationale instanties die bevoegd zijn voor werkgelegenheid en sociale zaken. Gezien de omvang en het effect van de uitdagingen zijn maatregelen echter doeltreffender en efficiënter gebleken als de EU de inspanningen van de lidstaten ondersteunt en hervormingen helpt bevorderen die zowel individuele landen als de EU als geheel ten goede komen.
Verwachte gegenereerde toegevoegde waarde van de Unie (ex post): Door de problemen waarmee de Europese economieën en samenlevingen worden geconfronteerd – met name op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, vaardigheden en sociale zaken – zijn blijvende investeringen in deze gebieden noodzakelijk. Het initiatief zal naar verwachting tot de uitvoering van EU-beleidsmaatregelen en -prioriteiten op deze gebieden (bijvoorbeeld de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de Europese pijler van sociale rechten) bijdragen, beste praktijken en samenwerking bevorderen (om de beleidsvorming en de uitvoeringscapaciteit te verbeteren en de transnationale samenwerking te vergemakkelijken) en de EU-waarden promoten (zoals gelijkheid en sociale rechtvaardigheid). Op lange termijn zal het initiatief naar verwachting bijdragen tot de sociaaleconomische convergentie van de lidstaten en de Europese economie en samenlevingen weerbaarder maken.
1.4.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Uit evaluaties van de huidige en de vorige programmeringsperioden en uit studies blijkt de doeltreffendheid, de efficiëntie, de relevantie, de EU-meerwaarde en de coherentie van de fondsen die onder deze verordening vallen. De lidstaten hebben geïnvesteerd in beleidsgebieden, doelgroepen en hervormingen op een wijze die niet mogelijk zou zijn geweest met nationale financiering alleen. Er wordt met name op gewezen dat:
• uit de evaluaties achteraf van het ESF 2000-2006 en 2007-2013 blijkt dat ESF-investeringen relevant, efficiënt en doeltreffend zijn. Het ESF is mettertijd beter afgestemd op de beleidsmaatregelen en prioriteiten van de EU in het kader van de Lissabonstrategie en de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Tegelijkertijd draagt het ESF als een van de structuurfondsen bij tot de in het Verdrag vastgestelde doelstellingen van economische, sociale en territoriale samenhang door een toenemende concentratie van middelen. Het ESF (met de bijbehorende nationale financiering) is bijvoorbeeld goed voor 70 % van de actieve maatregelen in 11 lidstaten.
• het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief de zichtbaarheid van het jeugdwerkgelegenheidsbeleid heeft vergroot door jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET’s), in specifieke regio’s van de EU te ondersteunen. Bovendien heeft het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief geleid tot een verschuiving in de beleidsvorming in een aantal lidstaten door steun te verlenen voor het opzetten en uitvoeren van jongerengarantieregelingen;
• uit de voorlopige resultaten van de tussentijdse evaluatie van het FEAD (met feedback van belanghebbenden) blijkt dat de door het Fonds gesteunde maatregelen op het gebied van voedselhulp, materiële bijstand en sociale inclusie een verschil maken voor de meest behoeftigen, ook voor diegenen die bij de courante sociale bijstand uit de boot zouden vallen of onmiddellijke steun nodig hebben;
• uit de tussentijdse evaluatie van het EaSI blijkt dat de doelstellingen ervan nog steeds relevant zijn (met name in een problematische sociaaleconomische context in de nasleep van de financiële en economische crisis) en dat het EaSI alle relevante belanghebbenden heeft bereikt, resultaten heeft opgeleverd en zijn doelstellingen heeft verwezenlijkt.
De evaluaties en studies wijzen echter ook op een aantal problemen (met name de behoefte aan meer samenhang, synergie, flexibiliteit, coherentie van het beleid, prestatie- en resultaatgerichtheid en vereenvoudiging). Vooral het financieringslandschap en – in meer of mindere mate – de uitvoering van de fondsen moeten worden vereenvoudigd. De probleemgebieden worden samengevat in de effectbeoordeling bij het wetgevingsvoorstel.
1.4.4.Verenigbaarheid en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Het initiatief beoogt een betere synergie en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen die in de ontwikkeling van menselijk kapitaal investeren.
Met het EFRO deelt het ESF+ vooral de doelstelling van economische en sociale samenhang. De coördinatie wordt gewaarborgd door gemeenschappelijke regels voor gedeeld beheer op gebieden als programmering en financieel beheer. Meerfondsenprogramma’s blijven mogelijk om geïntegreerde methoden op het gebied van programmering en uitvoering mogelijk te maken. Gemeenschappelijke regels zullen ook zorgen voor compatibiliteit tussen het EFRO, het ESF+ en de programma’s van het ELFPO en het EFMZV.
De samenwerking tussen het ESF+ en Erasmus+ zal actiever worden ondersteund door geschikte bepalingen in de verordeningen op te nemen, die in de werkprogramma’s en programmagidsen gedetailleerd moeten worden uitgewerkt.
Het ESF+ zal steun blijven verlenen aan de integratie van migranten op lange termijn, terwijl het AMIF de behoeften op korte termijn zal dekken.
Als het belangrijkste instrument van de EU voor investeringen in menselijk kapitaal en vaardigheden zal het ESF+ – in synergie met Horizon Europa – een belangrijke bijdrage blijven leveren tot de ontwikkeling van menselijk kapitaal in onderzoek en innovatie.
1.5.Duur en financiële gevolgen
☑ beperkte geldigheidsduur
–☑ van kracht vanaf 01/01/2021 tot en met 31/12/2027
–☑ financiële gevolgen vanaf 2021 tot en met 2027 voor vastleggingskredieten en vanaf 2021 tot en met 2030 voor betalingskredieten.
◻ onbeperkte geldigheidsduur
–Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ, gevolgd door een volledige uitvoering.
1.6.Beheersvorm(en) 34
☑ direct beheer door de Commissie
–☑ door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;
–☑ door de uitvoerende agentschappen;
☑ gedeeld beheer met lidstaten
☑ indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:
–◻ derde landen of de door hen aangewezen organen;
–☑ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);
–◻ de EIB en het Europees Investeringsfonds;
–☑ de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;
–☑ publiekrechtelijke organen;
–☑ privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;
–◻ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;
–◻ personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.
–Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".
Opmerkingen
Het ESF+ zal worden gesplitst in twee hoofdonderdelen: één onder gedeeld beheer, waaronder de voormalige programma’s van het ESF, het FEAD en het YEI vallen, en één onder direct en indirect beheer, dat de activiteiten van de voormalige programma's voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en gezondheid hergroepeert.
Voor de uitvoering van het ESF+ zullen de lopende activiteiten met internationale organisaties – bijvoorbeeld de agentschappen van de VN (en met name de WHO), de OESO en de IAO – worden voortgezet.
Naast de nieuwe transnationale samenwerking kunnen geplande activiteiten worden uitgevoerd onder indirect beheer, waarbij een beroep op de beheersautoriteiten van het ESF wordt gedaan.
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
Vermeld frequentie en voorwaarden.
Onder gedeeld beheer zullen gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren op programmaniveau worden vastgesteld. De autoriteiten van de lidstaten zullen zes keer per jaar gegevens over gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren elektronisch aan de Commissie meedelen. De consistentie van de gegevens zal worden gecontroleerd. De betrouwbaarheid van het systeem voor het verzamelen, registreren en bewaren van gegevens voor monitoring, evaluatie, financieel beheer en verificatie zal aan een audit worden onderworpen.
Onder direct en indirect beheer zullen prestatiekaders worden ontwikkeld op basis van de praktijken van de voormalige kaders van het EaSI en het gezondheidsprogramma om ervoor te zorgen dat de gegevens efficiënt, effectief en tijdig worden verzameld.
2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en)
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
De ontwerp-GBV voorziet in betalingen van de Commissie in de vorm van voorfinanciering, tussentijdse betalingen en betalingen na goedkeuring van de rekeningen. De voorfinanciering wordt jaarlijks betaald op basis van de in de GB-verordening vastgestelde percentages. De tussentijdse betalingen worden berekend aan de hand van de in het operationeel programma overeengekomen medefinancieringspercentages per prioriteit. Anders dan voor de huidige programmeringsperiode is het aantal aanvragen voor tussentijdse betalingen beperkt tot vier per jaar (de aanvragen worden driemaandelijks ingediend).
De ontwerp-GBV voorziet in verschillende modaliteiten voor tussentijdse betalingen afhankelijk van de vraag of de uitvoering van het programma op de reële door de lidstaat gedeclareerde kosten is gebaseerd of op een "vereenvoudigde kostenoptie" of op het naleven van voorwaarden.
Het ontwerpvoorstel voor een GBV (gedeeld beheer) is gebaseerd op het voorstel voor de programmeringsperiode 2014-2020. Er worden echter een aantal maatregelen voorgesteld om de uitvoering te vereenvoudigen en de auditlast voor de lidstaten en de begunstigden te verlichten. Deze maatregelen hebben betrekking op het beheer van de fondsen door de beheersautoriteit, die – zoals voorgesteld – de beheersverificaties op een risicoanalyse zal baseren. Onder bepaalde voorwaarden kan de beheersautoriteit besluiten aangescherpte controleregelingen toe te passen in overeenstemming met de nationale procedures en zonder voorafgaande toestemming van de Commissie. Ook het aanwijzingsproces is geschrapt in de hoop de uitvoering van de programma’s te versnellen.
Het ontwerpvoorstel voor een GB-verordening voorziet niet in een certificeringsautoriteit, maar veeleer in een boekhoudkundige functie. Doel is de administratieve lasten op nationaal niveau te verminderen.
Wat de controle van de gedeclareerde uitgaven bereft, bevat het GBV-voorstel een aantal elementen om meervoudige audits voor dezelfde actie/uitgaven te voorkomen.
Krachtens de ontwerpvoorschriften van de GB-verordening zullen tussentijdse betalingen aan de Commissie worden gecertificeerd, nadat beheerscontroles – op een op risico gebaseerde steekproef van door de begunstigden ingediende uitgavenclaims – zijn uitgevoerd, maar vaak voordat grondige beheerscontroles ter plekke of latere auditactiviteiten hebben plaatsvonden.
Om het risico te beperken dat hierdoor niet-subsidiabele uitgaven worden vergoed, voorzien de voorstellen in een aantal maatregelen:
1) Tussentijdse betalingen door de Commissie blijven beperkt tot 90 % van het aan de lidstaten verschuldigde bedrag, omdat in dit stadium slechts een deel van de nationale controles is uitgevoerd. Het saldo wordt uitbetaald na de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen, zodra de beheersautoriteit en de auditautoriteit informatie over de audit en een redelijke garantie omtrent de betrouwbaarheid van de rekeningen hebben gegeven. Als de Commissie of de Rekenkamer na overlegging van gecertificeerde jaarrekeningen door de beheersautoriteit of de certificeringsautoriteit onregelmatigheden vaststellen, kan een nettocorrectie worden toegepast.
2) De jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen en de jaarlijkse afsluiting van voltooide acties of uitgaven worden voortgezet, waardoor nationale en regionale autoriteiten met het oog op de jaarlijkse mededeling van gecertificeerde rekeningen aan de Commissie extra worden gestimuleerd tijdig kwaliteitscontroles uit te voeren.
De onderdelen gezondheid en werkgelegenheid en sociale innovatie van het programma zullen onder direct en indirect beheer worden uitgevoerd met behulp van de door het Financieel Reglement geboden uitvoeringsmechanismen (voornamelijk subsidies en overheidsopdrachten). Dankzij direct beheer kunnen directe contacten worden gelegd met begunstigden/contractanten die rechtstreeks zijn betrokken bij activiteiten ter bevordering van het beleid van de Unie. De Commissie zorgt voor directe monitoring van de resultaten van de gefinancierde acties. De betalingsvoorwaarden van de gefinancierde acties zullen worden aangepast aan de risico’s van de financiële transacties. Met het oog op de doeltreffendheid en de efficiëntie van de controles van de Commissie wordt gekozen voor een evenwicht tussen controles vooraf en controles achteraf.
Met betrekking tot direct en indirect beheer zullen externe accountants ter plekke ook audits achteraf uitvoeren op een steekproef van transacties. De selectie van deze transacties is gebaseerd op een combinatie van een risicobeoordeling en een willekeurige selectie.
2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico's en het (de) syste(e)(men) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico's te beperken
De verminderde controle kan leiden tot een toename van het aantal fouten. Verwacht wordt dat dit risico wordt beperkt door de terugbetalingen te plafonneren en de rekeningen jaarlijks goed te keuren. Meer correcties op nationaal niveau zijn echter waarschijnlijk, wat kan leiden tot een zekere frustratie bij de lidstaten. Deze frustratie kan ook worden aangewakkerd door het feit dat volgens de huidige formulering van de GB-verordening de beheersautoriteiten verplicht zijn controles volgens een op risico gebaseerde methode uit te voeren in plaats van op de 100 %-basis zoals in het verleden. Dit vereiste kan ook in strijd zijn met bestaande nationale wetgeving die een exhaustieve verificatie van de gedeclareerde kosten vereist (ook voor de nationale tegenwaardefondsen). Dit kan een element zijn waarmee in het voorstel onvoldoende rekening is gehouden.
De afschaffing van de certificeringsautoriteit verzwakt een extra filter bij het beheer en de controle van de uitgaven. Tijdens de twee voorgaande programmeringsperioden speelden de certificeringsautoriteiten een belangrijke rol door niet-subsidiabele uitgaven uit te filteren en – waar nodig – aanvullende financiële correcties uit te voeren. Het huidige GBV-voorstel beperkt dit risico niet.
De afgezwakte audit kan ertoe leiden dat resterende fouten niet worden opgespoord, waardoor het zekerheidsproces van de Commissie kan worden ondermijnd. Naar onze mening wordt dit risico niet beperkt, vooral omdat de evenredige controleregelingen ook de auditbevoegdheden van de Commissie beperken. Wij zijn daarom van mening dat dit risico door de wetgever wordt aanvaard.
Met betrekking tot de onder direct en indirect beheer uitgevoerde begroting spitst de uitvoering zich toe op het sluiten van aanbestedingsovereenkomsten voor overheidsopdrachten, maar wordt ook in een aantal subsidies voor specifieke activiteiten en organisaties voorzien.
De aanbestedingsovereenkomsten voor overheidsopdrachten zullen voornamelijk worden gesloten voor studies, gegevensverzameling, evaluatie, contracten, opleiding, voorlichtingscampagnes, IT- en communicatiediensten, beheer van faciliteiten enz. De contractanten zijn hoofdzakelijk consultancyfirma's en andere particuliere ondernemingen zijn, waaronder veel mkb's. Voor het onderdeel gezondheid zijn de contractanten instellingen, laboratoria en hoofdaannemers.
Subsidies worden voornamelijk voor ondersteunende activiteiten toegekend aan niet-gouvernementele organisaties, nationale agentschappen, universiteiten, enzovoort. De duur van de gesubsidieerde projecten en activiteiten varieert meestal van één tot drie jaar.
De belangrijkste risico's zijn:
• inefficiënt of niet-economisch gebruik van de toegekende middelen, zowel voor subsidies (complexiteit van de financieringsvoorschriften, met name voor kleine operatoren) als aanbestedingen (een beperkt aantal economische actoren met de vereiste gespecialiseerde kennis, waardoor in sommige sectoren onvoldoende mogelijkheden bestaan om prijsoffertes te vergelijken);
• reputatieschade voor de Commissie wanneer fraude of criminele activiteiten worden ontdekt. de interne controlesystemen van derde partijen kunnen geen volledige zekerheid bieden, gezien het vrij grote aantal heterogene contractanten en begunstigden, elk met een eigen – veelal eerder kleinschalig – controlesysteem.
De Commissie heeft voor interne procedures gezorgd om de bovenstaande risico’s te voorkomen. De interne procedures zijn volledig in overeenstemming met het Financieel Reglement en omvatten kosten-batenoverwegingen en fraudebestrijdingsmaatregelen. Binnen dit kader blijft de Commissie mogelijkheden verkennen om het beheer en de efficiëntie te verbeteren. De voornaamste kenmerken van het controlekader zijn:
Controles voor en tijdens de uitvoering van de projecten:
• Er worden door de Commissie ontwikkelde modelsubsidieovereenkomsten en modeldienstencontracten gebruikt. Ze bevatten een aantal controlebepalingen zoals auditcertificaten, financiële garanties, audits ter plaatse en inspecties door OLAF. De regels inzake de subsidiabiliteit van kosten worden vereenvoudigd, bijvoorbeeld door gebruik te maken van vaste bedragen, eenheidskosten, niet aan de kosten gekoppelde bijdragen en andere mogelijkheden waarin het Financieel Reglement voorziet. Hierdoor worden de kosten van controles verminderd en komt de nadruk te liggen op controles op gebieden met een hoog risico.
• Alle personeelsleden onderschrijven de code van goed administratief gedrag. Personeelsleden die bij de selectieprocedure of bij het beheer van subsidieovereenkomsten/contracten betrokken zijn, ondertekenen (ook) een verklaring inzake de afwezigheid van belangenconflicten. De personeelsleden worden op gezette tijden opgeleid en maken gebruik van netwerken om beste praktijken uit te wisselen.
• De technische uitvoering van een project wordt geregeld aan de hand van documenten gecontroleerd op basis van de technische voortgangsverslagen van de contractanten en begunstigden; bovendien vinden per geval vergaderingen met de contractanten/begunstigden en bezoeken ter plekke plaats.
Controles aan het eind van het project: Er worden controles achteraf uitgevoerd om de subsidiabiliteit van kostenclaims ter plekke te verifiëren. Deze controles hebben tot doel ernstige fouten met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van financiële transacties te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. Met het oog op een hoog effect van de controles voorziet de selectie van de aan een audit te onderwerpen begunstigden in de combinatie van een risicogebaseerde selectie met een aselecte steekproef en in zoveel mogelijk aandacht voor de operationele aspecten tijdens de audit ter plekke.
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
De optie van een boekhoudkundige functie, die de lidstaten in staat zou kunnen stellen een groot deel van de 4 % van de huidige kosten voor certificering te besparen als gevolg van een reductie van de functies van de beheers- en controlesystemen;
- het gebruik van vereenvoudigde kosten en niet aan de kosten gelinkte SCO's, wat de administratieve kosten en lasten op alle niveaus voor overheidsinstanties en begunstigden vermindert;
- evenredige controleregelingen voor beheersverificaties (risicogebaseerd) en audits;
- jaarlijkse afsluiting, waardoor de kosten voor overheidsinstanties en begunstigden in verband met het bewaren van documenten voor controledoeleinden worden verminderd.
In het algemeen wordt daarom verwacht dat de voorstellen tot een herverdeling van de controlekosten zullen leiden (die ongeveer 2 % van de totale beheerde middelen zullen blijven uitmaken) en niet tot een stijging of daling.
Tegen de achtergrond van de ervaring met de uitvoering van de vorige (onderdelen van het) programma onder direct beheer en de belangrijkste kenmerken van het nieuwe programma, wordt verwacht dat de risico’s bij de uitvoering van het programma relatief stabiel blijven. Dankzij de combinatie van subsidies en aanbestedingen, controles vooraf en achteraf alsook controles van documenten en audits ter plaatse zal het kwantificeerbare gemiddelde resterende foutenpercentage naar verwachting onder de 2 % blijven.
Voor direct en indirect beheer bedragen de jaarlijkse kosten van het voorgestelde controleniveau ongeveer 4 tot 7 % van het jaarlijkse budget van de beleidsuitgaven. Dit is gerechtvaardigd door het hoge aantal te controleren transacties. Op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en gezondheid houdt direct beheer immers in dat een groot aantal contracten en subsidies voor acties worden verleend en talrijke exploitatiesubsidies aan niet-gouvernementele organisaties en vakbonden worden uitbetaald. Het risico in verband met deze activiteiten heeft betrekking op het vermogen van (vooral) kleinere organisaties om de uitgaven daadwerkelijk te controleren.
Over een periode van 5 jaar bedroeg het foutenpercentage voor de audits ter plaatse van subsidies onder direct beheer 1,8 % en voor aanbestedingen in het algemeen (rekening houdend met het lage risiconiveau) minder dan 1 %. Dit foutenpercentage wordt aanvaardbaar geacht, aangezien het onder de foutentolerantie van 2 % ligt.
De voorgestelde veranderingen voor het programma zullen geen gevolgen hebben voor de wijze waarop de kredieten worden beheerd. Het huidige controlesysteem is in staat fouten en/of onregelmatigheden te voorkomen en/of op te sporen en te corrigeren. De foutenpercentages uit het verleden zullen daarom naar verwachting niet veranderen.
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijvoorbeeld in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.
Met betrekking tot haar activiteiten onder direct, indirect en gedeeld beheer neemt de Commissie passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de financiële belangen van de Europese Unie worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door doeltreffende controles en, indien er onregelmatigheden worden vastgesteld, de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en, waar nodig, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.
De Commissie of haar vertegenwoordigers en de Rekenkamer hebben de bevoegdheid om op basis van documenten of ter plaatse audits uit te voeren bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die middelen van de Unie hebben ontvangen. OLAF is gemachtigd controles en verificaties ter plaatse uit te voeren bij economische actoren die direct of indirect bij dergelijke financiering betrokken zijn.
De Commissie neemt ook een reeks maatregelen zoals:
- bij besluiten, overeenkomsten en contracten die voortvloeien uit de uitvoering van het programma zullen de Commissie, met inbegrip van OLAF, en de Rekenkamer uitdrukkelijk worden gemachtigd om audits alsook controles en inspecties ter plaatse uit te voeren;
- tijdens de evaluatiefase van een oproep tot het indienen van voorstellen/aanbesteding wordt aan de hand van verklaringen en het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES) gecontroleerd of de bekendgemaakte uitsluitingscriteria niet op de aanvragers en de inschrijvers van toepassing zijn;
- de regels in verband met de subsidiabiliteit van de kosten zullen worden vereenvoudigd overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement;
- alle personeelsleden die betrokken zijn bij contractbeheer, alsook auditors en controleurs die de verklaringen van de begunstigden ter plaatse onderzoeken, krijgen geregeld opleiding over thema's die verband houden met fraude en onregelmatigheden.
DG EMPL neemt maatregelen in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie (CAFS).
Met betrekking tot direct beheer is de Fraud-Risk-Assessment (FRA) in 2016 bijgewerkt. De procedure voor de toekenning van subsidies omvat een aantal elementen voor het opsporen van fraude, zoals de wijdverbreide toepassing van het "4-eyes"-beginsel, de verificatie van de juistheid en transparantie van gunningsprocedures, gedetailleerde procedures ter voorkoming van belangenconflicten, controles om na te gaan of de aanvragers op een "zwarte lijst" voorkomen overeenkomstig Verordening 1605/2002, het gebruik van IT-instrumenten zoals EDES en Arachne en het opsporen van andere "rode vlaggen" (fraude-indicatoren).
Met betrekking tot het gedeeld beheer van structuurfondsen bestaat de meer specifieke fraudebestrijdingsstrategie 2015-2020 van DG Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling, DG Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie en DG Maritieme Zaken en Visserij. Voor de structuurfondsen is er een specifieke fraudebestrijdingsvereiste voor 2014-2020 opgenomen in de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (artikel 125, lid 4, onder c), van de GB-verordening). DG EMPL verifieert uit hoofde van zijn controle- en auditverplichtingen of de lidstaten doeltreffend beheerde beheers- en controlesystemen hebben opgezet om ervoor te zorgen dat de fondsen efficiënt en correct worden gebruikt en de wettigheid en de regelmatigheid van de uitgaven kunnen worden gewaarborgd. De lidstaten zijn verplicht problemen te melden via het beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS, Irregularity Management System). DG EMPL houdt toezicht op de nationale maatregelen ter bestrijding van fraude en bestraft zo nodig een gebrek aan maatregelen door financiële correcties op de aan het betrokken programma verleende ESF-steun toe te passen (bijvoorbeeld in het kader van de follow-up van verslagen en aanbevelingen van OLAF). Voorts verleent DG EMPL advies aan de beheersautoriteiten (onder meer in de vorm van een instrument om frauderisico's te beoordelen). DG EMPL verspreidt Arachne (een instrument om risicoscores vast te stellen) actief onder de lidstaten.
Op grond van een studie van een externe contractant die medio 2018 zal worden voltooid, zal de gezamenlijke fraudebestrijdingsstrategie worden herzien en de bijdrage van DG EMPL tot de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie worden geactualiseerd.
Ten slotte ronden horizontale maatregelen (bijvoorbeeld interne opleidingen rond fraudebewustzijn ("rode vlaggen") en fraudepreventie) de maatregelen van DG EMPL af.
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubriek van het meerjarig financieel kader en voorgesteld(e) nieuw(e) begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader |
Begrotingsonderdeel |
Soort
|
Bijdrage |
|||
|
Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden |
GK/ NGK |
van EVA-landen 35 |
van kandidaat-lidstaten 36 |
van derde landen |
in de zin van artikel [21, lid 2, onder b),] van het Financieel Reglement |
|
|
2 |
07 01 xx ESF+ gedeeld beheer – Ondersteunende uitgaven |
NGK |
Ja |
Ja |
Nee |
Nee |
|
2 |
07 01 01 yy – ESF+ werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid – Ondersteunende uitgaven |
NGK |
Ja |
Ja |
Ja |
Nee |
|
2 |
07 02 xx – ESF+ gedeeld beheer |
GK |
Nee |
Nee |
Nee |
Nee |
|
2 |
07 02 xx xx – ESF+ gedeeld beheer – Operationele technische bijstand |
GK |
Nee |
Nee |
Nee |
Nee |
|
2 |
07 02 xz – ESF+ werkgelegenheid en sociale innovatie |
GK |
Ja |
Ja |
Ja |
Nee |
|
2 |
07 02 yy – ESF+ gezondheid |
GK |
Ja |
Ja |
Ja |
Nee |
3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel
|
2 |
Investeren in mensen, sociale cohesie en waarden |
|
TOTAAL |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
Na 2027 |
TOTAAL |
||
|
07 02 xx – ESF+ gedeeld beheer |
Vastleggingen |
1) |
|||||||||
|
Betalingen |
2) |
||||||||||
|
07 02 xy – ESF+ gedeeld beheer – Operationele technische bijstand |
Vastleggingen |
1) |
|||||||||
|
Betalingen |
2) |
||||||||||
|
07 01 xx ESF+ gedeeld beheer – Ondersteunende uitgaven |
Vastleggingen = betalingen |
3) |
|||||||||
|
07 02 xz – ESF+ werkgelegenheid en sociale innovatie |
Vastleggingen |
1) |
99,444 |
101,493 |
103,583 |
105,714 |
107,889 |
110,106 |
111,771 |
740,000 |
|
|
Betalingen |
2) |
27,593 |
58,577 |
76,326 |
81,034 |
83,439 |
85,282 |
86,869 |
240,880 |
740,000 |
|
|
07 02 yy – ESF+ gezondheid |
Vastleggingen |
1) |
48,547 |
49,659 |
51,793 |
52,950 |
54,130 |
55,334 |
58,237 |
370,650 |
|
|
Betalingen |
2) |
5,170 |
23,504 |
33,802 |
41,064 |
44,539 |
47,846 |
50,121 |
124,604 |
370,650 |
|
|
07 01 01 yy – ESF+ werkgelegenheid en sociale innovatie, gezondheid – Ondersteunende uitgaven 37 |
Vastleggingen = betalingen |
3) |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
63,350 |
|
|
TOTAAL kredieten voor het budget van het programma |
Vastleggingen |
=1+3 |
157,041 |
160,202 |
164,426 |
167,714 |
171,069 |
174,490 |
179,058 |
1.174,000 |
|
|
Betalingen |
=2+3 |
41,813 |
91,131 |
119,178 |
131,148 |
137,028 |
142,178 |
146,040 |
365,484 |
1.174,000 |
|
De kredieten voor het deel van het ESF+ onder gedeeld beheer worden gedetailleerd vermeld in het financieel memorandum voor de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening)
Met betrekking tot het onderdeel gezondheid kan het programma (gedeeltelijk) worden overgedragen aan een uitvoerend agentschap – afhankelijk van de resultaten van de kosten-batenanalyse en de daarmee samenhangende beslissingen. De gerelateerde administratieve kredieten voor de uitvoering van het programma door de Commissie en het uitvoerend agentschap zullen dienovereenkomstig worden aangepast.
|
|
7 |
"Administratieve uitgaven" |
Dit deel moet worden ingevuld aan de hand van de "administratieve begrotingsgegevens", die eerst moeten worden opgenomen in de bijlage bij het financieel memorandum (bijlage V bij de interne regels), te uploaden in DECIDE met het oog op overleg tussen de diensten.
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
DG EMPL |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
Na 2027 |
TOTAAL |
|
|
Personele middelen |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
638,448 |
||
|
Andere administratieve uitgaven |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
35,514 |
||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 – DG EMPL |
(Totaal vastleggingen = totaal betalingen) |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
673,962 |
|
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
DG SANTE |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
Na 2027 |
TOTAAL |
|
|
Personele middelen |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
10,045 |
||
|
Andere administratieve uitgaven |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,756 |
||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 – DG SANTE |
(Totaal vastleggingen = totaal betalingen) |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
10,801 |
|
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
TOTAAL |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
Na 2027 |
TOTAAL |
|
|
Personele middelen |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
648,493 |
||
|
Andere administratieve uitgaven |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
36,270 |
||
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader |
(Totaal vastleggingen = totaal betalingen) |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
684,763 |
|
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
Na 2027 |
TOTAAL |
|||
|
TOTAAL kredieten
|
Vastleggingen |
254,864 |
258,025 |
262,249 |
265,537 |
268,892 |
272,313 |
276,881 |
1.858,763 |
||
|
Betalingen |
139,636 |
188,954 |
217,001 |
228,971 |
234,851 |
240,001 |
243,863 |
365,484 |
1.858,763 |
||
3.2.2.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
–◻ Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig.
–☑ Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
Jaar |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
TOTAAL |
DG EMPL
Voor de personele middelen zijn de onderstaande cijfers gebaseerd op de toewijzing aan DG EMPL in 2018 (SEC(2017)528), waarvan het aan het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering toegewezen personeel is afgetrokken krachtens een afzonderlijk voorstel COM(2018) XXX.
De totale financiële middelen voor andere administratieve uitgaven worden hieronder vermeld (met inbegrip van de uitgaven met betrekking tot het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering).
|
RUBRIEK 7
|
||||||||
|
Personele middelen |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
91,207 |
638,448 |
|
Andere administratieve uitgaven |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
5,073 |
35,514 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7
|
96,280 |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
96,280 |
673,962 |
DG SANTE
|
RUBRIEK 7
|
||||||||
|
Personele middelen |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
1,435 |
10,045 |
|
Andere administratieve uitgaven |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,108 |
0,756 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7
|
1,543 |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
1,543 |
10,801 |
TOTAAL
|
RUBRIEK 7
|
||||||||
|
Personele middelen |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
92,642 |
648,493 |
|
Andere administratieve uitgaven |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
5,181 |
36,270 |
|
Subtotaal RUBRIEK 7
|
97,823 |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
97,823 |
684,763 |
|
Jaar |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
TOTAAL |
TOTAAL
|
Buiten RUBRIEK 7
38
|
||||||||
|
Personele middelen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Andere administratieve
|
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
63,350 |
|
Subtotaal
|
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
9,050 |
63,350 |
|
TOTAAL |
106,873 |
106,873 |
106,873 |
106,873 |
106,873 |
106,873 |
106,873 |
748,113 |
De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
De kredieten voor het deel van het ESF+ onder gedeeld beheer worden gedetailleerd vermeld in het financieel memorandum voor de verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening)
3.2.2.1.Geraamde personeelsbehoeften
–◻ Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.
–☑ Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
Raming in voltijdequivalenten
|
Jaar |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|
|
• Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) |
||||||||
|
DG EMPL |
||||||||
|
Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie |
599 |
599 |
599 |
599 |
599 |
599 |
599 |
|
|
Delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Onderzoek |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
DG SANTE |
||||||||
|
Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie |
9 |
9 |
9 |
9 |
9 |
9 |
9 |
|
|
Delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Onderzoek |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
TOTAAL Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) |
||||||||
|
Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie |
608 |
608 |
608 |
608 |
608 |
608 |
608 |
|
|
Delegaties |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
Onderzoek |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
|
• Extern personeel (in voltijdequivalenten VTE) – AC, AL, END, INT en JPD 39 Rubriek 7 |
||||||||
|
DG EMPL |
||||||||
|
Gefinancierd uit RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader |
- zetel |
71 |
71 |
71 |
71 |
71 |
71 |
71 |
|
- delegaties |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
|
Gefinancierd uit het budget van het programma 40 |
- zetel |
|||||||
|
- delegaties |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
|
DG SANTE |
||||||||
|
Gefinancierd uit RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader |
- zetel |
2 |
2 |
2 |
2 |
2 |
2 |
2 |
|
- delegaties |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
|
Gefinancierd uit het budget van het programma 41 |
- zetel |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
- delegaties |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
|
Onderzoek |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
|
Andere (geef aan welke) |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
|
TOTAAL extern personeel (in VTE) |
73 |
73 |
73 |
73 |
73 |
73 |
73 |
|
|
EINDTOTAAL |
681 |
681 |
681 |
681 |
681 |
681 |
681 |
|
Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
Beschrijving van de uit te voeren taken:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel |
Programmabeheer, financiën en audit |
|
Extern personeel |
Programmabeheer, financiën en audit |
3.2.3.Bijdragen van derden
Het voorstel/initiatief:
–☑ voorziet niet in medefinanciering door derden;
–◻ voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
Jaar |
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
TOTAAL |
|
EER/EVA |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
|
Kandidaat-lidstaten |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
|
Derde landen, met inbegrip van buurlanden |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
p.m. |
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–☑ Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.
–◻ Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
–◻ voor de eigen middelen
–◻ voor de overige ontvangsten
Geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven ◻
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: |
Gevolgen van het voorstel/initiatief 42 |
||||||
|
2021 |
2022 |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
2027 |
|
|
Artikel …………. |
|||||||
Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.
[…]
Andere opmerkingen (bijv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).
[…]
Zie de studie ter ondersteuning van de effectbeoordeling van investeringen in menselijk kapitaal, DG EMPL (aan de gang): "The integration of EGF in framework of other DG EMPL funds was generally not deemed desirable by the different stakeholders involved in the management of EGF.".
EUROPESE COMMISSIE
Brussel,30.5.2018
COM(2018) 382 final
BIJLAGEN
bij voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+)
{SEC(2018) 273 final}
{SWD(2018) 289 final}
BIJLAGE I 1
Gemeenschappelijke indicatoren voor de algemene steun uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Alle persoonlijke gegevens moeten worden opgesplitst naar gender (vrouwelijk, mannelijk, "non-binair"). Indien bepaalde resultaten niet mogelijk zijn, moeten de gegevens voor die resultaten niet worden verzameld en gerapporteerd.
1) Gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot activiteiten die gericht zijn op mensen:
1a) Gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers
–De gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:
–werklozen, onder wie langdurig werklozen*,
–langdurig werklozen*,
–inactieven*,
–werkenden, onder wie zelfstandigen*,
–jonger dan 30 jaar*,
–ouder dan 54 jaar*,
–met lager voortgezet onderwijs of minder (ISCED 0-2)*,
–met hoger middelbaar (ISCED 3) of postsecundair onderwijs (ISCED 4)*,
–met hoger onderwijs (ISCED 5 tot en met 8)*.
Het totale aantal deelnemers moet automatisch worden berekend op basis van de gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot de arbeidssituatie.
1b) Andere gemeenschappelijke outputindicatoren
Als de gegevens voor deze indicatoren niet worden verzameld uit gegevensregisters, mogen de waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigde.
–deelnemers met een handicap**,
–onderdanen van derde landen*,
–deelnemers met een buitenlandse achtergrond*,
–minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma)**,
–daklozen of mensen die van de woningmarkt uitgesloten zijn*,
–deelnemers van het platteland*.
2) De gemeenschappelijke outputindicatoren voor entiteiten zijn:
–aantal ondersteunde overheidsadministraties of overheidsdiensten op nationaal, regionaal of lokaal niveau,
–aantal ondersteunde, kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (waaronder coöperatieve ondernemingen en sociale ondernemingen).
3) De gemeenschappelijke onmiddellijkresultaatindicatoren voor de deelnemers zijn:
–deelnemers die na de deelname op zoek gaan naar werk*,
–deelnemers die na de deelname onderwijs of opleiding volgen*,
–deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
–deelnemers die na de deelname aan het werk zijn, met inbegrip van werk als zelfstandige*.
4) Gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor de deelnemers:
–deelnemers die zes maanden na de deelname aan het werk zijn, met inbegrip van werk als zelfstandige*,
–deelnemers van wie de arbeidsmarktsituatie zes maanden na de deelname verbeterd was*,
Als minimumvereiste moeten deze gegevens worden verzameld op basis van een representatieve steekproef van deelnemers binnen elke specifieke doelstelling. De interne validiteit van de steekproef moet zodanig worden gegarandeerd dat de gegevens kunnen worden gegeneraliseerd op het niveau van de specifieke doelstelling.
BIJLAGE II
Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-ondersteuning ter bestrijding van materiële deprivatie
|
1) Outputindicatoren a) Totale waarde in geld van verstrekte voedselhulp en goederen. b) Totale hoeveelheid verstrekte voedselhulp (in ton). Waarvan 2 : 2) Gemeenschappelijke resultaatindicatoren 3 Aantal eindontvangers die voedselhulp ontvangen - Aantal kinderen van 18 jaar of jonger; - Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar; - Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder; - Aantal eindontvangers met een handicap; - Aantal onderdanen van derde landen; - Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma); - Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn. Aantal eindontvangers die materiële ondersteuning ontvangen - Aantal kinderen van 18 jaar of jonger; - Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar; - Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder; - Aantal eindontvangers met een handicap; - Aantal onderdanen van derde landen; - Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma); - Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn. |
BIJLAGE III
Indicatoren voor het onderdeel gezondheid
Niveau van geïntegreerde werkzaamheden op het gebied van gezondheid en van het gebruik van de resultaten van het programma in het nationale gezondheidsbeleid
1. Aantal patiënten die worden ondersteund door de Europese referentienetwerken
2. Aantal gezamenlijke klinische evaluaties van gezondheidstechnologieën
3. Aantal overgedragen beste praktijken
4. Mate waarin gebruik wordt gemaakt van de resultaten van het programma in het nationale gezondheidsbeleid zoals gemeten aan de hand van een vragenlijst "voor en na".