Brussel, 18.4.2018

COM(2018) 193 final

2018/0092(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Japan is 's werelds op twee na grootste economie buiten de EU in termen van bbp, maar slechts de op zes na grootste handelspartner van de EU. Het telt meer dan 127 miljoen inwoners, met een zeer grote koopkracht. Het is een belangrijke markt voor exporteurs, dienstverleners en investeerders uit de Europese Unie.

Op 29 november 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd tot het openen van onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Japan. De vrijhandelsovereenkomst met Japan is bij de sluiting van een beginselakkoord op 6 juli 2017 omgedoopt tot de "economische partnerschapsovereenkomst" (EPO).

Op basis van de in 2012 door de Raad aangenomen onderhandelingsrichtsnoeren heeft de Commissie met Japan onderhandeld over een ambitieuze en veelomvattende EPO, met het oog op het scheppen van nieuwe mogelijkheden en rechtszekerheid voor de handel en investeringen tussen beide partners. De teksten van de EPO na de afronding van de onderhandelingen zijn in december 2017 gepubliceerd.

De EPO omvat geen normen voor investeringsbescherming, noch geschillenbeslechting op dit gebied, aangezien de nog altijd lopende onderhandelingen over deze onderwerpen niet konden worden voltooid op het ogenblik van de afronding van de onderhandelingen over de EPO. Beide zijden zijn vastbesloten de onderhandelingen over investeringsbescherming zo snel mogelijk af te ronden, in het licht van hun gezamenlijke inzet voor een stabiel en veilig investeringsklimaat in de Unie en in Japan. Daarom zal investeringsbescherming, zodra hierover overeenstemming wordt bereikt, het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke bilaterale investeringsovereenkomst.

De Commissie legt de volgende voorstellen voor besluiten van de Raad voor:

-Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan, en

-Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan.

Parallel aan deze voorstellen zal de Commissie een voorstel voorleggen voor een horizontale vrijwaringsverordening die de EPO naast andere handelsovereenkomsten zal bestrijken.

Het bijgevoegde voorstel voor een besluit van de Raad vormt het rechtsinstrument tot machtiging voor de ondertekening, namens de Europese Unie, van de EPO tussen de Europese Unie en Japan.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Parallel aan de onderhandelingen over de EPO is door de Europese Dienst voor extern optreden onderhandeld over de overeenkomst inzake een strategisch partnerschap (SPA) tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Japan, anderzijds. De onderhandelingen over de SPA bevinden zich momenteel in een eindstadium. De SPA maakt samen met de EPO deel uit van één onderhandelingskader. Zodra deze van kracht wordt, zal de SPA het rechtskader bieden voor verdere ontwikkeling van het reeds langdurige en sterke partnerschap tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en Japan, anderzijds, op vele gebieden, waaronder de politieke dialoog, energie, vervoer, mensenrechten, onderwijs, wetenschap en technologie, justitie, asiel en migratie. De SPA voorziet bovendien in de mogelijkheid om de toepassing ervan op te schorten in het geval van schending van de essentiële elementen ervan, te weten de mensenrechtenclausule en de non-proliferatieclausule. Daarnaast nemen de partijen bij de SPA er nota van dat een partij in een dergelijk geval andere passende maatregelen buiten het kader van de SPA kan nemen met inachtneming van het internationaal recht.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

De EPO is volledig in overeenstemming met het beleid van de Europese Unie en vereist niet dat de EU overgaat tot wijziging van haar regels, voorschriften of normen op enig gereglementeerd gebied (bv. technische voorschriften en productnormen, sanitaire of fytosanitaire voorschriften, voorschriften inzake voedselveiligheid, gezondheids- en veiligheidsnormen, voorschriften inzake GGO's, milieubescherming of consumentenbescherming), met uitzondering van een afwijking betreffende het in de verordening gedistilleerde dranken 1 gereglementeerde volume van flessen met het oog op het vergemakkelijken van de Japanse uitvoer van traditionele shochu, een gedistilleerde drank die door Japan wordt uitgevoerd in traditionele flessen van vier go () of één sho () 2 .

Voorts vrijwaart de EPO tussen de EU en Japan, zoals alle vrijhandelsovereenkomsten waarover de Commissie heeft onderhandeld, openbare diensten volledig, en waarborgt zij dat het recht van overheden om in het openbaar belang te reguleren ten volle behouden blijft.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

In juli 2015 heeft de Commissie bij het Hof van Justitie van de EU uit hoofde van artikel 218, lid 11, VWEU een verzoek om advies ingediend betreffende de vraag of de Unie de vereiste bevoegdheid had om de vrijhandelsovereenkomst waarover met Singapore was onderhandeld, alleen te ondertekenen en te sluiten, of dat de deelname van de EU-lidstaten noodzakelijk zou zijn met betrekking tot bepaalde door die overeenkomst bestreken aangelegenheden.

In zijn advies 2/15 van 16 mei 2017 heeft het Hof bevestigd dat de EU exclusief bevoegd is met betrekking tot alle aangelegenheden die door de overeenkomst waarover met Singapore was onderhandeld, werden bestreken, met uitzondering van andere dan directe investeringen en de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten waarbij de lidstaten verweerder zijn, welke aangelegenheden onder een gedeelde bevoegdheid van de Europese Unie en de lidstaten vallen, aldus het Hof. Het Hof leidde de exclusieve bevoegdheid van de EU af uit de werkingssfeer van de gemeenschappelijke handelspolitiek krachtens artikel 207, lid 1, VWEU en uit artikel 3, lid 2, VWEU (op grond van de aantasting van bestaande gemeenschappelijke regels in afgeleide wetgeving).

In overeenstemming met advies 2/15 moeten alle aangelegenheden die door de EPO worden bestreken ook worden geacht onder de bevoegdheid van de Europese Unie, en meer in bijzonder onder de werkingssfeer van artikel 91, artikel 100, lid 2, en artikel 207 VWEU te vallen.

De EPO moet worden ondertekend door de Europese Unie naar aanleiding van een besluit van de Raad uit hoofde van artikel 218, lid 5, VWEU, en worden gesloten door de Europese Unie naar aanleiding van een besluit van de Raad uit hoofde van artikel 218, lid 6, VWEU, na goedkeuring door het Europees Parlement.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

De EPO zoals deze is voorgelegd aan de Raad bestrijkt geen aangelegenheden die niet onder de reikwijdte van de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen.

Evenredigheid

Het voorstel tot sluiting van de EPO is in overeenstemming met de visie van de Europa 2020-strategie en draagt bij aan de handels- en ontwikkelingsdoelstellingen van de EU. Het gaat niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

Keuze van het instrument

Dit voorstel voor een besluit van de Raad wordt ingediend in overeenstemming met artikel 218, lid 5, VWEU, uit hoofde waarvan de Raad een besluit vaststelt waarbij machtiging wordt verleend tot ondertekening van de overeenkomst. Er bestaat geen ander rechtsinstrument dat kan worden gebruikt om de in dit voorstel geformuleerde doelstelling te bereiken.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadpleging van belanghebbenden

Voorafgaand aan de afronding van de onderhandelingen met Japan heeft een externe contractant een handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordeling van de EPO uitgevoerd om de mogelijke economische, sociale en milieueffecten van een hechter economisch partnerschap tussen de EU en Japan in kaart te brengen.

In het kader van de handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordeling heeft de contractant interne en externe deskundigen geraadpleegd, openbare raadplegingen georganiseerd en bilaterale ontmoetingen en gesprekken gehad met het maatschappelijk middenveld. Overleg in het kader van de handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordeling bood een platform voor deelname van de voornaamste belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld aan een dialoog over het handelsbeleid.

Zowel de handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordeling als het overleg in het kader van de voorbereiding ervan voorzag de Commissie van waardevolle input.

De EU-lidstaten zijn vóór en tijdens de onderhandelingen via het Comité handelspolitiek van de Raad zowel mondeling als schriftelijk regelmatig geïnformeerd en geraadpleegd over de verschillende aspecten van de onderhandelingen. Ook het Europees Parlement is regelmatig geïnformeerd en geraadpleegd, via zijn Commissie internationale handel (INTA), en met name zijn monitoringgroep voor de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Japan. Beide instellingen kregen gedurende het gehele proces inzage in de teksten van de onderhandelingsresultaten.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Een handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordeling van de EPO werd uitgevoerd door de London School of Economics Enterprise.

Effectbeoordeling

In de door een externe contractant uitgevoerde en in april 2016 afgeronde handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordeling werd geconcludeerd dat de EPO belangrijke positieve effecten (in termen van bbp, inkomen, handel en werkgelegenheid) voor zowel de EU als Japan zou hebben.

In het meest reële scenario, uitgaande van een volledige tariefliberalisering en een symmetrische reductie van de niet-tarifaire maatregelen, bedraagt de geraamde groei van het bbp op lange termijn voor de EU 0,76 %. Voor de EU zal de bilaterale uitvoer naar verwachting met 34 % toenemen, en de totale wereldwijde uitvoer met 4 %.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

De EPO valt niet onder Refit-procedures. Niettemin bevat zij een aantal bepalingen waardoor de handels- en investeringsprocedures zullen worden vereenvoudigd, de met uitvoer en investeringen verband houdende kosten zullen worden verminderd en er meer kleine bedrijven in staat worden gesteld op beide markten zaken te doen. Een aantal van de verwachte voordelen zijn: meer transparantie, minder omslachtige technische voorschriften, compliancevoorschriften, douaneprocedures en oorsprongsregels, betere bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en geografische aanduidingen en betere toegang tot aanbestedingsprocedures, en er is een speciaal hoofdstuk om ervoor te zorgen dat kleine en middelgrote ondernemingen de voordelen van de EPO maximaal kunnen benutten.

Grondrechten

Het voorstel heeft geen negatieve gevolgen voor de bescherming van de grondrechten in de Unie.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De EPO zal financiële gevolgen hebben voor de EU-begroting aan de ontvangstenzijde. Bij inwerkingtreding van de overeenkomst zal de EPO leiden tot een geraamd verlies aan rechten ten belope van 970 miljoen EUR. Na volledige uitvoering van de EPO (na 15 jaar na de inwerkingtreding ervan) loopt het geraamde jaarlijkse verlies aan rechten op tot 2,084 miljard EUR. Deze raming is gebaseerd op een extrapolatie van de ontwikkeling van de handel naar de komende 15 jaar, zonder overeenkomst.

De EPO zal naar verwachting geen financiële gevolgen hebben voor de uitgavenzijde van de EU-begroting.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De EPO omvat institutionele bepalingen die voorzien in een structuur voor uitvoeringsorganen teneinde voortdurend toezicht te houden op de uitvoering, de werking en het effect van de overeenkomst.

Het institutionele hoofdstuk van de EPO stelt een Gemengd Comité in dat als voornaamste taak het toezicht houden op en het vergemakkelijken van de uitvoering en toepassing van de overeenkomst heeft. Het Gemengd Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de EU en van Japan, en vergadert eenmaal per jaar of in dringende gevallen op verzoek van een van de zijden. Het Gemengd Comité staat onder het gezamenlijke voorzitterschap van een vertegenwoordiger van Japan op ministerieel niveau en het bevoegde lid van de Europese Commissie, of van hun respectieve afgevaardigden.

Het Gemengd Comité is belast met het toezicht op de werkzaamheden van alle uit hoofde van de overeenkomst opgerichte gespecialiseerde comités en werkgroepen (Comité voor de handel in goederen, Comité voor de handel in diensten, liberalisering van investeringen en elektronische handel, Comité voor overheidsopdrachten, Comité voor handel en duurzame ontwikkeling, Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden, Comité voor intellectuele eigendom, Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied, Comité voor technische handelsbelemmeringen en Comité voor samenwerking op landbouwgebied).

Zoals benadrukt in de mededeling "Handel voor iedereen", besteedt de Commissie meer middelen aan de doeltreffende uitvoering en handhaving van handels- en investeringsovereenkomsten. In 2017 publiceerde de Commissie het eerste jaarlijks verslag over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten. Het voornaamste doel van het verslag is een objectief overzicht te geven van de uitvoering van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU, waarin de geboekte vooruitgang en de tekortkomingen die moeten worden aangepakt, worden onderstreept. Het is de bedoeling dat het verslag als basis dient voor een open debat over de werking en de uitvoering van de vrijhandelsovereenkomsten waarbij de lidstaten, het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld in het algemeen worden betrokken. De publicatie van het verslag op jaarbasis zal de regelmatige monitoring van ontwikkelingen inzake vrijhandelsovereenkomsten mogelijk maken, waarbij ook verslag kan worden uitgebracht over de wijze waarop prioritaire aangelegenheden zijn aangepakt. Het verslag zal de EPO vanaf de inwerkingtreding ervan bestrijken.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Niet van toepassing.

Artikelsgewijze toelichting

De EPO legt de voorwaarden vast waaronder marktdeelnemers uit de EU ten volle profijt kunnen trekken van de mogelijkheden die worden geboden door 's werelds op twee na grootste nationale markt.

Bij de afronding van de onderhandelingen kondigden voorzitter Juncker en premier Abe het volgende aan: "De EPO tussen de EU en Japan is een van de belangrijkste en meest omvattende economische overeenkomsten die de EU of Japan ooit hebben gesloten. De EPO zal een gigantische economische zone met 600 miljoen mensen en ongeveer 30 percent van het mondiale bbp creëren, zal enorme kansen bieden voor handel en investeringen en zal bijdragen aan de versterking van onze economieën en samenlevingen. Zij zal ook de economische samenwerking tussen Japan en de EU verbeteren en ons concurrentievermogen als ontwikkelde maar innovatieve economieën nog versterken.".

Bij de onderhandelingen over deze overeenkomst heeft de Commissie de best mogelijke voorwaarden voor marktdeelnemers uit de EU op de Japanse markt nagestreefd.

Deze doelstelling is volledig verwezenlijkt: de overeenkomst gaat verder dan de bestaande WTO-verbintenissen op vele gebieden, zoals diensten, overheidsopdrachten, niet-tarifaire belemmeringen en de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van geografische aanduidingen. Op al deze gebieden heeft Japan ingestemd met nieuwe verbintenissen die aanzienlijk verder gaan dan wat Japan tot dusver bereid was te aanvaarden.

De overeenkomst voldoet aan de criteria van artikel XXIV van de GATT (afschaffing van douanerechten en andere handelsbeperkende maatregelen ten aanzien van praktisch de gehele handel in goederen tussen de partijen), alsmede van artikel V van de GATS, dat voorziet in een soortgelijke toetsing met betrekking tot diensten.

In overeenstemming met de doelstellingen van de onderhandelingsrichtsnoeren heeft de Commissie met name het volgende bereikt:

1.Japan zal bij de inwerkingtreding van de overeenkomst 91 % van zijn invoer uit de EU liberaliseren. Aan het einde van de afbouwperiode zal 99 % van de Japanse invoer uit de EU geliberaliseerd zijn, terwijl de overige invoer (1 %) gedeeltelijk geliberaliseerd zal zijn door middel van contingenten en tariefverlagingen (in de landbouw). In termen van tarieflijnen zal Japan bij de inwerkingtreding van de overeenkomst 86 % ervan volledig liberaliseren, wat na 15 jaar zal oplopen tot 97 %. De belangrijkste positieve verwezenlijkingen voor de EU zijn onder meer volledige liberalisering voor wijn en mousserende wijn bij de inwerkingtreding van de overeenkomst, volledige liberalisering van andere belangrijke agrovoedingsuitvoer (harde gerijpte kaas, deegwaren, chocolade, suikerwerk) met een overgangsperiode, een zeer belangrijke concessie waarmee na verloop van tijd nagenoeg volledige liberalisering wordt bereikt voor varkensvlees, aanzienlijke verbetering van de voorwaarden voor markttoegang voor EU-uitvoer van rundvlees en alle andere kaas en liberalisering van alle Europese industriële uitvoer, inclusief reeds lang bestaande prioriteiten zoals schoeisel en lederwaren.

2.Nieuwe kansen met betrekking tot overheidsopdrachten voor inschrijvers uit de EU, met name het feit dat Japan ons voor het eerst toegang geeft tot de 48 kernsteden van lagere niveaus dan het centrale niveau met meer dan 300 000 inwoners, goed voor ongeveer 15 % van de Japanse bevolking, en dat het ermee instemt de "operationeleveiligheidsclausule" voor ondernemingen uit de EU die actief zijn op de spoorwegmarkt één jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst af te schaffen.

3.Wegneming van technische en regelgevingsbelemmeringen voor de handel in goederen, zoals dubbele testen, met name door te bevorderen dat in de EU gebruikte technische en regelgevingsnormen worden gehanteerd in de sectoren motorvoertuigen, elektronica, farmaceutica en medische hulpmiddelen alsmede groene technologieën. Tevens zal er een specifieke bijlage zijn met betrekking tot motorvoertuigen, met een vrijwaringsclausule waardoor de EU opnieuw rechten kan instellen ingeval Japan ophoudt de VN/ECE-reglementen toe te passen of weggenomen niet-tarifaire maatregelen opnieuw invoert (of nieuwe niet-tarifaire maatregelen ontwikkelt).

4.Op het gebied van diensten omvat de EPO een hoofdstuk over de handel in diensten, de liberalisering van investeringen en de elektronische handel, alsmede de daarmee samenhangende lijsten van verbintenissen, die aanzienlijk verder gaan dan de WTO-verbintenissen van de beide partijen. Het hoofdstuk omvat horizontale regels inzake interne regelgeving en wederzijdse erkenning, en sectorspecifieke voorschriften teneinde een gelijk speelveld voor ondernemingen uit de EU te waarborgen. Zoals in al haar handelsovereenkomsten beschermt de EU de openbare diensten. Op het gebied van elektronische handel omvat het hoofdstuk de meest ambitieuze bepalingen die de EU ooit in een handelsovereenkomst heeft opgenomen: zij bestrijken alle handel die langs elektronische weg geschiedt. Dit weerspiegelt de belangen die zowel Europese als Japanse ondernemingen en consumenten hebben bij digitale handel, met volledige vrijwaring van legitieme beleidsdoelstellingen.

5.De EPO is de eerste overeenkomst van de EU die een specifiek hoofdstuk met bepalingen over corporate governance zal omvatten. Deze bepalingen zijn ingegeven door de OESO-code betreffende corporate governance en weerspiegelen de beste praktijken en voorschriften van de EU en Japan op dit gebied.

6.Een hoog niveau van bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, tevens wat de handhaving van deze rechten betreft, met inbegrip van gedetailleerde bepalingen inzake het auteursrecht, die voorzien in een betere bescherming van het auteursrecht.

7.Een hoog niveau van bescherming voor geografische aanduidingen van de EU, met bescherming uit hoofde van artikel 23 van de TRIPS-Overeenkomst ten aanzien van meer dan 200 geografische aanduidingen voor levensmiddelen, wijn en gedistilleerde dranken uit de EU.

8.Een uitgebreid hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, dat beoogt te waarborgen dat de handel milieubescherming en sociale ontwikkeling ondersteunt en het duurzaam beheer van bossen en visserij bevordert. Het hoofdstuk geeft ook aan hoe het maatschappelijk middenveld zal worden betrokken bij de uitvoering en de monitoring ervan. Het omvat tevens een verbintenis om uitvoering te geven aan de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering alsmede een specifiek evaluatiemechanisme.

9.Een veelomvattend en nieuw hoofdstuk gewijd aan kleine en middelgrote ondernemingen om te waarborgen dat deze ten volle profijt trekken van de mogelijkheden die worden geboden door de EPO.

10.Een veelomvattend deel over de wederzijdse vergemakkelijking van uitvoer van wijn, met de goedkeuring van verscheidene oenologische praktijken, inclusief prioritaire additieven van beide zijden.

2018/0092 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, artikel 100, lid 2, en artikel 207, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Op 29 november 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd tot het openen van onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met Japan.

(2)De onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan (hierna "de overeenkomst" genoemd) zijn succesvol afgerond.

(3)De overeenkomst moet derhalve namens de Unie worden ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend voor de ondertekening, namens de Europese Unie, van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan (hierna "de overeenkomst" genoemd), onder voorbehoud van de sluiting ervan.

De tekst van de te ondertekenen overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon of personen aan te wijzen die bevoegd is of zijn de overeenkomst, onder voorbehoud van de sluiting ervan, namens de Europese Unie te ondertekenen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1576/89 van de Raad.
(2)    1 sho () komt overeen met 1 800 ml en 1 go () komt overeen met 180 ml.

Brussel, 18.4.2018

COM(2018) 193 final

BIJLAGE

bij

Voorstel voor een besluit van de Raad

betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Japan


OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN JAPAN

BETREFFENDE EEN ECONOMISCH PARTNERSCHAP

INHOUDSOPGAVE

PREAMBULE

HOOFDSTUK 1    ALGEMENE BEPALINGEN (Artikelen 1.1 tot en met 1.9)

HOOFDSTUK 2    HANDEL IN GOEDEREN

AFDELING A    Algemene bepalingen (Artikelen 2.1 tot en met 2.5)

AFDELING B    Nationale behandeling en markttoegang voor goederen (Artikelen 2.6 tot en met 2.22)

AFDELING C    Vergemakkelijking van uitvoer van wijnbouwproducten (Artikelen 2.23 tot en met 2.31)

AFDELING D    Overige bepalingen (Artikelen 2.32 tot en met 2.35)

HOOFDSTUK 3    OORSPRONGSREGELS EN OORSPRONGSPROCEDURES

AFDELING A    Oorsprongsregels (Artikelen 3.1 tot en met 3.15)

AFDELING B    Oorsprongsprocedures (Artikelen 3.16 tot en met 3.26)

AFDELING C    Diversen (Artikelen 3.27 tot en met 3.29)



HOOFDSTUK 4    DOUANEAANGELEGENHEDEN EN HANDELSBEVORDERING (Artikelen 4.1 tot en met 4.14)

HOOFDSTUK 5    HANDELSMAATREGELEN

AFDELING A    Algemene bepalingen (Artikel 5.1)

AFDELING B    Bilaterale vrijwaringsmaatregelen (Artikelen 5.2 tot en met 5.8)

AFDELING C    Algemene vrijwaringsmaatregelen (Artikelen 5.9 en 5.10)

AFDELING D    Antidumping- en compenserende maatregelen (Artikelen 5.11 tot en met 5.14)

HOOFDSTUK 6    SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN (Artikelen 6.1 tot en met 6.16)

HOOFDSTUK 7    TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN (Artikelen 7.1 tot en met 7.14)

HOOFDSTUK 8    HANDEL IN DIENSTEN, LIBERALISERING VAN INVESTERINGEN EN ELEKTRONISCHE HANDEL

AFDELING A    Algemene bepalingen (Artikelen 8.1 tot en met 8.5)

AFDELING B    Liberalisering van investeringen (Artikelen 8.6 tot en met 8.13)



AFDELING C    Grensoverschrijdende handel in diensten (Artikelen 8.14 tot en met 8.19)

AFDELING D    Toegang en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen (Artikelen 8.20 tot en met 8.28)

AFDELING E    Regelgevingskader

ONDERAFDELING 1    Nationale regelgeving (Artikelen 8.29 tot en met 8.32)

ONDERAFDELING 2    Algemeen toepasselijke bepalingen (Artikelen 8.33 tot en met 8.35)

INBDERAFDELING 3    Post- en koeriersdiensten (Artikelen 8.36 tot en met 8.40)

ONDERAFDELING 4    Telecommunicatiediensten (Artikelen 8.41 tot en met 8.57)

ONDERAFDELING 5    Financiële diensten (Artikelen 8.58 tot en met 8.67)

ONDERAFDELING 6    Internationale zeevervoerdiensten (Artikelen 8.68 en 8.69)

AFDELING F    Elektronische handel (Artikelen 8.70 tot en met 8.81)



HOOFDSTUK 9    KAPITAALBEWEGINGEN, BETALINGEN EN OVERDRACHTEN EN TIJDELIJKE VRIJWARINGSMAATREGELEN (Artikelen 9.1 tot en met 9.4)

HOOFDSTUK 10    OVERHEIDSOPDRACHTEN (Artikelen 10.1 tot en met 10.17)

HOOFDSTUK 11    MEDEDINGINGSBELEID (Artikelen 11.1 tot en met 11.9)

HOOFDSTUK 12    SUBSIDIES (Artikelen 12.1 tot en met 12.10)

HOOFDSTUK 13    OVERHEIDSONDERNEMINGEN, ONDERNEMINGEN WAARAAN BIJZONDERE RECHTEN OF VOORRECHTEN ZIJN TOEGEKEND EN AANGEWEZEN MONOPOLIES (Artikelen 13.1 tot en met 13.8)

HOOFDSTUK 14    INTELLECTUELE EIGENDOM

AFDELING A    Algemene bepalingen (Artikelen 14.1 tot en met 14.7)

AFDELING B    Normen betreffende intellectuele eigendom

ONDERAFDELING 1    Auteursrecht en naburige rechten (Artikelen 14.8 tot en met 14.17)

ONDERAFDELING 2    Merken (Artikelen 14.18 tot en met 14.21)



ONDERAFDELING 3    Geografische aanduidingen (Artikelen 14.22 tot en met 14.30)

ONDERAFDELING 4    Tekeningen en modellen van nijverheid (Artikel 14.31)

ONDERAFDELING 5    Niet-geregistreerde verschijningsvorm van producten (Artikel 14.32)

ONDERAFDELING 6    Octrooien (Artikelen 14.33 tot en met 14.35)

ONDERAFDELING 7    Bedrijfsgeheimen en niet-openbaar gemaakte tests of andere gegevens (Artikelen 14.36 en 14.37)

ONDERAFDELING 8    Kweekproducten (Artikel 14.38)

ONDERAFDELING 9    Oneerlijke mededinging (Artikel 14.39)

AFDELING C    Handhaving

ONDERAFDELING 1    Algemene bepalingen (Artikelen 14.40 en 14.41)

ONDERAFDELING 2    Handhaving — civiele rechtsmiddelen (Artikelen 14.42 tot en met 14.49)



ONDERAFDELING 3    Handhaving van bescherming tegen diefstal van bedrijfsgeheimen (Artikel 14.50)

ONDERAFDELING 4    Handhaving — maatregelen aan grens (Artikel 14.51)

AFDELING D    Samenwerking en institutionele regelingen (Artikelen 14.52 tot en met 14.55)

HOOFDSTUK 15    CORPORATE GOVERNANCE (Artikelen 15.1 tot en met 15.7)

HOOFDSTUK 16    HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING (Artikelen 16.1 tot en met 16.19)

HOOFDSTUK 17    TRANSPARANTIE (Artikelen 17.1 tot en met 17.8)

HOOFDSTUK 18    GOEDE REGELGEVINGSPRAKTIJKEN EN SAMENWERKING OP REGELGEVINGSGEBIED

AFDELING A    Goede regelgevingspraktijken en samenwerking op regelgevingsgebied

ONDERAFDELING 1    Algemene bepalingen (Artikelen 18.1 tot en met 18.3)

ONDERAFDELING 2    Goede regelgevingspraktijken (Artikelen 18.4 tot en met 18.11)

ONDERAFDELING 3    Samenwerking op regelgevingsgebied (Artikelen 18.12 en 18.13)


ONDERAFDELING 4    Institutionele bepalingen (Artikelen 18.14 tot en met 18.16)

AFDELING B    Dierenwelzijn (Artikel 18.17)

AFDELING C    Slotbepalingen (Artikelen 18.18 en 18.19)

HOOFDSTUK 19    SAMENWERKING OP LANDBOUWGEBIED (Artikelen 19.1 tot en met 19.8)

HOOFDSTUK 20    KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN (Artikelen 20.1 tot en met 20.4)

HOOFDSTUK 21    GESCHILLENBESLECHTING

AFDELING A    Doel, toepassingsgebied en definities (Artikelen 21.1 tot en met 21.3)

AFDELING B    Overleg en bemiddeling (Artikelen 21.4 tot en met 21.6)

AFDELING C    Werkwijze van panel (Artikelen 21.7 tot en met 21.24)

AFDELING D    Algemene bepalingen (Artikelen 21.25 tot en met 21.30)

HOOFDSTUK 22    INSTITUTIONELE BEPALINGEN (Artikelen 22.1 tot en met 22.6)

HOOFDSTUK 23    SLOTBEPALINGEN (Artikelen 23.1 tot en met 23.8)


BIJLAGEN (enkel de bestaande bijlagen worden vermeld):

BIJLAGE 2-A    AFSCHAFFING EN VERLAGING VAN RECHTEN

BIJLAGE 2-B    LIJST VAN GOEDEREN, BEDOELD IN DE ARTIKELEN 2.15 EN 2.17

BIJLAGE 2-C    MOTORVOERTUIGEN EN ONDERDELEN

Aanhangsel 2-C-1    VN-reglementen die door beide partijen worden toegepast

Aanhangsel 2-C-2    VN-reglementen die door een van de parijen worden toegepast en door de andere partijen nog niet in aanmerking zijn genomen

BIJLAGE 2-D    VERGEMAKKELIJKING VAN DE UITVOER VAN SHOCHU

BIJLAGE 2-E    VERGEMAKKELIJKING VAN UITVOER VAN WIJNBOUWPRODUCTEN

BIJLAGE 3-A    AANTEKENINGEN BIJ PRODUCTSPECIFIEKE OORSPRONGSREGELS

BIJLAGE 3-B    PRODUCTSPECIFIEKE OORSPRONGSREGELS

Aanhangsel 3-B-1    Bepalingen met betrekking tot bepaalde voertuigen en delen van voertuigen


BIJLAGE 3-C    IN ARTIKEL 3.5 BEDOELDE INFORMATIE

BIJLAGE 3-D    TEKST VAN HET ATTEST VAN OORSPRONG

BIJLAGE 3-E    BETREFFENDE HET VORSTENDOM ANDORRA

BIJLAGE 3-F    BETREFFENDE DE REPUBLIEK SAN MARINO

BIJLAGE 6    LEVENSMIDDELENADDITIEVEN

BIJLAGE 8-A    SAMENWERKING OP REGELGEVINGSGEBIED INZAKE FINANCIËLE REGELGEVING

BIJLAGE 8-B    LIJSTEN VOOR HOOFDSTUK 8

BIJLAGE I    VOORBEHOUDEN VOOR BESTAANDE MAATREGELEN

BIJLAGE II    VOORBEHOUDEN IN VERBAND MET TOEKOMSTIGE MAATREGELEN


BIJLAGE III    ZAKELIJKE BEZOEKERS VOOR VESTIGINGSDOELEINDEN, BINNEN EEN ONDERNEMING OVERGEPLAATSTE PERSONEN, INVESTEERDERS EN ZAKELIJKE BEZOEKERS VOOR EEN KORT VERBLIJF

BIJLAGE IV    DIENSTVERLENERS OP CONTRACTBASIS EN BEOEFENAREN VAN EEN VRIJ BEROEP

Aanhangsel IV    Beperkingen van zakelijke activiteiten van dienstverleners op contractbasis en beoefenaren van een vrij beroep in Japan

BIJLAGE 8-C    OVEREENKOMST INZAKE BEWEGING VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKELIJKE DOELEINDEN

BIJLAGE 10    OVERHEIDSOPDRACHTEN

BIJLAGE 14-A    WET- EN REGELGEVING VAN DE PARTIJEN MET BETREKKING TOT GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

BIJLAGE 14-B    LIJST VAN GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

BIJLAGE 23    GEZAMELIJKE VERKLARING



PREAMBULE

DE EUROPESE UNIE en JAPAN (hierna "de partijen" genoemd),

ZICH BEWUST van hun langdurige en sterke partnerschap gebaseerd op gemeenschappelijke beginselen en waarden alsmede van hun belangrijke economische, handels- en investeringsbanden,

ERKENNENDE dat het van belang is hun economische, handels- en investeringsbanden aan te halen met eerbiediging van het doel van een in economisch, sociaal en ecologisch opzicht duurzame ontwikkeling, en hun onderlinge handel en investeringen te bevorderen, met inachtneming van de behoeften van het bedrijfsleven van elke partij, in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen, alsmede van de hoge niveaus voor milieu- en werknemersbescherming door middel van de desbetreffende internationaal erkende normen en internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn,

ERKENNENDE dat deze overeenkomst bijdraagt tot meer consumentenwelvaart door middel van beleidsmaatregelen die een hoog niveau van consumentenbescherming en economisch welzijn waarborgen,

IN HET BESEF dat een dynamische en in snel tempo veranderende mondiale context als gevolg van de globalisering en de nauwere integratie tussen de economieën in de wereld voor de partijen tal van nieuwe uitdagingen en kansen op economisch gebied meebrengt,


ERKENNENDE dat de voorwaarden waaronder hun economische stelsels functioneren elkaar kunnen aanvullen en dat deze complementariteit ertoe moet bijdragen de ontwikkeling van de handel en investeringen tussen de partijen verder te stimuleren doordat zij door middel van bilaterale handels- en investeringsactiviteiten op hun respectieve economische sterktes inspelen,

IN DE OVERTUIGING dat de totstandbrenging van een duidelijk afgebakend en betrouwbaar handels- en investeringskader door middel van de vaststelling van over en weer tot voordeel strekkende regels voor de handel en investeringen tussen de partijen het concurrentievermogen van hun economieën zou versterken, hun markten efficiënter en dynamischer zou maken en zou zorgen voor een voorspelbaar ondernemingsklimaat voor verdere uitbreiding van de handel en investeringen tussen de partijen,

OPNIEUW BEVESTIGENDE dat zij het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ten volle onderschrijven,

ERKENNENDE dat transparantie in de internationale handel en investeringen van belang is voor alle betrokkenen,

MET HET OOG op de vaststelling van duidelijke en over en weer tot voordeel strekkende regels voor hun handel en investeringen alsmede op de beperking of opheffing van belemmeringen daarvoor,


VASTBESLOTEN bij te dragen aan de harmonische ontwikkeling en de uitbreiding van de internationale handel en investeringen door met deze overeenkomst belemmeringen daarvoor weg te nemen, en te voorkomen dat tussen de partijen nieuwe handels- of investeringsbelemmeringen worden opgeworpen die de voordelen van deze overeenkomst zouden kunnen beperken,

VOORTBOUWEND op hun respectieve rechten en verplichtingen ingevolge de WTO-Overeenkomst en andere multilaterale, regionale en bilaterale overeenkomsten waarbij zij partij zijn, alsmede

VASTBESLOTEN een rechtskader vast te stellen met het oog op de versterking van hun economisch partnerschap,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:


HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

ARTIKEL 1.1

Doelstellingen

Deze overeenkomst heeft tot doel de handel en de investeringen tussen de partijen te liberaliseren en te vergemakkelijken alsmede nauwere economische banden tussen de partijen te bevorderen.

ARTIKEL 1.2

Algemene definities

Tenzij anders is bepaald, wordt voor de toepassing van deze overeenkomst verstaan onder:

a)    "Overeenkomst inzake de landbouw": de Overeenkomst inzake de landbouw, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;


b)    "Antidumpingovereenkomst": de Overeenkomst inzake de toepassing van Artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;

c)    "Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen": de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;

d)    "Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen": de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;

e)    "CPC": de Provisional Central Product Classification (de voorlopige centrale productenclassificatie) (Statistical Papers Series M No. 77, Department of International Economic and Social Affairs, Statistical Office of the United Nations, New York, 1991);

f)    "douaneautoriteit":

i)    wat de Europese Unie betreft, de voor douanezaken bevoegde diensten van de Europese Commissie en de douanediensten alsmede alle andere instanties in de lidstaten van de Europese Unie die belast zijn met de toepassing en de handhaving van de douanewetgeving, en

ii)    wat Japan betreft, het Ministerie van Financiën;


g)    "douanewetgeving": de wet- en regelgeving van de Europese Unie of van Japan betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing van goederen onder enige andere douaneregeling, met inbegrip van verboden, beperkingen en controlemaatregelen die onder de bevoegdheid van de douaneautoriteiten vallen;

h)    "douanegebied":

i)    wat de Europese Unie betreft, het douanegebied als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie 1 , en

ii)    wat Japan betreft, het grondgebied met betrekking waartoe de douanewetgeving van Japan van kracht is;

i)    "dagen": kalenderdagen;

j)    "DSU": het Memorandum van Overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen, opgenomen in bijlage 2 bij de WTO-Overeenkomst;

k)    "GATS": de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten, opgenomen in bijlage 1B bij de WTO-Overeenkomst;


l)    "GATT 1994": de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; voor de toepassing van deze overeenkomst omvatten de verwijzingen naar de artikelen van de GATT 1994 de aantekeningen daarop;

m)    "Overeenkomst inzake overheidsopdrachten": de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, opgenomen in bijlage 4 bij de WTO-Overeenkomst 2 ;

n)    "geharmoniseerd systeem" of "GS": het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, met inbegrip van de bijbehorende algemene interpretatieregels en de aantekeningen op de afdelingen, hoofdstukken en onderverdelingen;

o)    "IMF": het Internationaal Monetair Fonds;

p)    "maatregel": elke maatregel in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, praktijk of administratieve handeling dan wel in enige andere vorm;


q)    "natuurlijke persoon van een partij": wat de Europese Unie betreft, een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, en wat Japan betreft, een onderdaan van Japan, in overeenstemming met hun respectieve toepasselijke wet- en regelgeving 3 ;

r)    "persoon": een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

s)    "SCM-Overeenkomst": de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;

t)    "SPS-Overeenkomst": de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;

u)    "TBT-Overeenkomst": de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst;

v)    "grondgebied": het gebied waarop deze overeenkomst overeenkomstig artikel 1.3 van toepassing is;

w)    "VWEU": het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;


x)    "TRIPS-Overeenkomst": de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, opgenomen in bijlage 1C bij de WTO-Overeenkomst;

y)    "WIPO": de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom;

z)    "WTO": de Wereldhandelsorganisatie, en

aa)    "WTO-Overeenkomst": de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, gedaan te Marrakesh op 15 april 1994.

ARTIKEL 1.3

Territoriale toepassing

1.    Deze overeenkomst is van toepassing:

a)    wat de Europese Unie betreft, op elk grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het VWEU van toepassing zijn onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en

b)    wat Japan betreft, op het grondgebied van Japan.


2.    Tenzij anders is bepaald, is deze overeenkomst ook van toepassing op alle gebieden buiten de territoriale wateren van elke partij, met inbegrip van de zeebodem en van de ondergrond ervan, waarin die partij op grond van internationaal recht, waaronder het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, gedaan te Montego Bay op 10 december 1982, en haar met het internationaal recht verenigbare wet- en regelgeving soevereiniteit of jurisdictie uitoefent 4 .

3.    Wat de bepalingen van deze overeenkomst inzake de toepassing van de preferentiële tariefbehandeling op goederen alsmede de artikelen 2.9 en 2.10 betreft, is deze overeenkomst ook van toepassing op de zones van het douanegebied van de Europese Unie die niet onder lid 1, punt a), vallen alsmede op de gebieden als bedoeld in de bijlagen 3-E en 3-F.

4.    In geval van wijzigingen van het respectieve territoriale toepassingsgebied van de overeenkomst als bedoeld in de leden 1 tot en met 3 stelt de desbetreffende partij de andere partij daarvan in kennis en verstrekt zij op verzoek van de andere partij onverwijld aanvullende informatie of toelichtingen daaromtrent.


ARTIKEL 1.4

Belastingen

1.    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)    "vestigingsplaats": de fiscale woonplaats;

b)    "belastingverdrag": een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belastingheffing of enige andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing en waarbij de Europese Unie of haar lidstaten partij zijn dan wel Japan partij is, en

c)    "belastingmaatregel": een maatregel ter uitvoering van de belastingwetgeving van de Europese Unie of haar lidstaten of van Japan.

2.    Deze overeenkomst is uitsluitend van toepassing op belastingmaatregelen voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de bepalingen van deze overeenkomst.


3.    Deze overeenkomst laat de rechten en verplichtingen van de Europese Unie of haar lidstaten of van Japan uit hoofde van belastingverdragen onverlet. In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een dergelijk belastingverdrag heeft het belastingverdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft. Wat belastingverdragen tussen de Europese Unie of haar lidstaten en Japan betreft, stellen de krachtens deze overeenkomst en het desbetreffende belastingverdrag betrokken bevoegde autoriteiten in onderling overleg vast of deze overeenkomst strijdig is met het belastingverdrag.

4.    Meestbegunstigingsverplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst gelden niet ten aanzien van een ingevolge een belastingverdrag door de Europese Unie of haar lidstaten of door Japan toegekend voordeel.

5.    Het bij artikel 22.1 ingestelde Gemengd Comité kan een ander toepassingsgebied van de geschillenbeslechting in het kader van hoofdstuk 21 met betrekking tot belastingmaatregelen vaststellen.


6.    Mits de belastingmaatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen bij soortgelijke omstandigheden of een verkapte beperking van de handel en investeringen vormen, wordt geen enkele bepaling in deze overeenkomst aldus uitgelegd dat de Europese Unie of haar lidstaten of Japan belet wordt belastingmaatregelen vast te stellen, te handhaven of toe te passen die gericht zijn op billijke en doeltreffende belastingheffing of -inning, zoals maatregelen:

a)    waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot waar zij ingezetene zijn of hun vestigingsplaats hebben of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd, of

b)    ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking in overeenstemming met de bepalingen van belastingverdragen of de interne belastingwetgeving.

ARTIKEL 1.5

Uitzonderingen op grond van veiligheidsoverwegingen

1.    Geen enkele bepaling in deze overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat:

a)    een partij verplicht wordt gegevens te verstrekken waarvan zij openbaarmaking in strijd acht met haar wezenlijke veiligheidsbelangen;


b)    een partij belet wordt handelingen te verrichten die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die:

i)    betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op stoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;

ii)    verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig dan wel met de productie van of de handel in andere goederen en materialen die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;

iii)    verband houden met de verlening van diensten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben, of

iv)    in tijden van oorlog of ernstige internationale urgentie worden genomen, of

c)    een partij belet wordt handelingen te verrichten tot handhaving van de internationale vrede en veiligheid ingevolge haar verplichtingen krachtens het Handvest van de Verenigde Naties.

2.    Onverminderd het bepaalde in lid 1 geldt:

a)    voor de toepassing van hoofdstuk 10 artikel III van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, en

b)    voor de toepassing van hoofdstuk 14 artikel 14.54.


ARTIKEL 1.6

Vertrouwelijke informatie

1.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, verplicht niets in deze overeenkomst een partij tot het verstrekken van vertrouwelijke informatie waarvan openbaarmaking de handhaving van haar wet- en regelgeving zou belemmeren, anderszins met het openbaar belang in strijd zou zijn of de legitieme commerciële belangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen zou schaden.

2.    Wanneer een partij in het kader van deze overeenkomst de andere partij informatie verstrekt die ingevolge haar wet- en regelgeving als vertrouwelijk wordt beschouwd, respecteert de andere partij de vertrouwelijke aard van de verstrekte informatie, tenzij de partij die de informatie vertrekt anders overeenkomt.

ARTIKEL 1.7

Nakoming van verplichtingen en gedelegeerde bevoegdheid

1.    Elke partij ziet erop toe dat alle noodzakelijke maatregelen worden genomen om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze overeenkomst.


2.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, waarborgt elke partij dat personen aan wie of entiteiten waaraan zij regelgevende of bestuursrechtelijke bevoegdheid heeft gedelegeerd om de verplichtingen van de partij krachtens deze overeenkomst na te komen, bij de uitoefening van die gedelegeerde bevoegdheid in overeenstemming met deze verplichtingen handelt.

3.    Voor alle duidelijkheid: geen van beide partijen wordt van haar verplichtingen krachtens deze overeenkomst bevrijd ingeval een van haar bestuursniveaus of niet-gouvernementele instanties bij de uitoefening van door haar gedelegeerde bevoegdheden de bepalingen van deze overeenkomst niet naleeft.

ARTIKEL 1.8

Wet- en regelgeving en wijzigingen daarvan

Tenzij anders is bepaald, worden verwijzingen in deze overeenkomst naar de wet- en regelgeving van een partij geacht tevens betrekking te hebben op de wijzigingen daarvan.

ARTIKEL 1.9

Verhouding tot andere overeenkomsten

1.    De bestaande overeenkomsten tussen de Europese Unie of haar lidstaten en Japan worden door deze overeenkomst niet vervangen of beëindigd.


2.    Niets in deze overeenkomst verplicht de partijen te handelen op een wijze die in strijd is met hun verplichtingen ingevolge de WTO-Overeenkomst.

3.    In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een andere overeenkomst dan de WTO-Overeenkomst waarbij beide partijen partij zijn, plegen de partijen onmiddellijk overleg met elkaar om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen.

4.    Onder de internationale overeenkomsten 5 waarnaar in deze overeenkomst wordt verwezen of die in deze overeenkomst geheel of gedeeltelijk worden opgenomen, worden tevens de wijzigingen daarvan of de vervolgovereenkomsten die voor beide partijen op of na de datum van ondertekening van deze overeenkomst in werking treden, begrepen. Indien zich naar aanleiding van deze wijzigingen of vervolgovereenkomsten vraagstukken met betrekking tot de uitvoering of de toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst voordoen, kunnen de partijen op verzoek van een partij met elkaar overleg plegen om in voorkomend geval tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing hiervoor te komen.



HOOFDSTUK 2

HANDEL IN GOEDEREN

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 2.1

Doelstelling

Dit hoofdstuk heeft tot doel het handelsverkeer in goederen tussen de partijen te vergemakkelijken en geleidelijk te liberaliseren in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst.

ARTIKEL 2.2

Toepassingsgebied

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen tussen de partijen.


ARTIKEL 2.3

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

a)    "procedures voor uitvoervergunningen": administratieve procedures, al dan niet aangeduid met de term "vergunningen", waarvan door een partij wordt gebruikgemaakt voor de uitvoering van regelingen inzake uitvoervergunningen in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de uitvoer uit het grondgebied van die partij aan de bevoegde administratieve instantie een aanvraag wordt ingediend of andere documenten dan die welke voor douaneprocedures worden benodigd, worden overgelegd;

b)    "niet-automatische procedures voor in- of uitvoervergunningen": vergunningprocedures waarbij de aanvraag niet wordt ingewilligd voor alle personen die voldoen aan de eisen die de betrokken partij stelt voor in- of uitvoeractiviteiten met betrekking tot de goederen die het voorwerp uitmaken van die vergunningprocedure, en

c)    "van oorsprong": uit hoofde van de bepalingen van hoofdstuk 3 als van oorsprong uit een partij kunnen worden beschouwd.


ARTIKEL 2.4

Douanerecht

Elke partij verlaagt haar douanerechten of schaft die af ingevolge artikel 2.8, lid 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "douanerechten" verstaan alle soorten rechten en heffingen, met inbegrip van alle aanvullende belastingen en heffingen, die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer van goederen, met uitzondering van:

a)    aan interne belastingen gelijkgestelde heffingen overeenkomstig artikel III van de GATT 1994;

b)    rechten die overeenkomstig de artikelen VI en XIX van de GATT 1994, de Antidumpingovereenkomst, de SCM-Overeenkomst, de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 22 van het DSU worden toegepast, en

c)    retributies en andere heffingen die overeenkomstig artikel 2.16 worden geheven.


ARTIKEL 2.5

Landbouwvrijwaringsmaatregelen

1.    Landbouwproducten die kunnen worden beschouwd als van oorsprong uit een partij (hierna "landbouwproducten van oorsprong" genoemd) worden niet onderworpen aan rechten die door de andere partij worden toegepast op grond van een uit hoofde van de Overeenkomst inzake de landbouw genomen bijzondere vrijwaringsmaatregel.

2.    Landbouwvrijwaringsmaatregelen met betrekking tot landbouwproducten van oorsprong in de zin van deze overeenkomst kunnen worden toegepast overeenkomstig bijlage 2-A, deel 3, afdeling C.

AFDELING B

Nationale behandeling en markttoegang voor goederen

ARTIKEL 2.6

Indeling van goederen

1.    De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen geschiedt in overeenstemming met het geharmoniseerd systeem.


2.    Elke partij waarborgt de consistente toepassing van haar wet- en regelgeving op de tariefindeling van goederen van oorsprong uit de andere partij.

ARTIKEL 2.7

Nationale behandeling

Elke partij behandelt de goederen uit de andere partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994. Daartoe wordt artikel III van de GATT 1994 mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maakt het integrerend deel hiervan uit.

ARTIKEL 2.8

Verlaging en afschaffing van invoerrechten

1.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, verlaagt elke partij haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij of schaft die af overeenkomstig bijlage 2-A.


2.    Wanneer een partij haar meestbegunstigingsrecht verlaagt, wordt dat recht toegepast op een goed van oorsprong uit de andere partij indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig bijlage 2-A berekende douanerecht op hetzelfde goed.

3.    De behandeling van goederen van oorsprong uit een partij die zijn ingedeeld onder de tarieflijnen die worden aangegeven met "S" in de kolom "Opmerking" in de lijst van de Europese Unie in bijlage 2-A, deel 2, afdeling B, en in de lijst van Japan in bijlage 2-A, deel 3, afdeling D, wordt door de partijen in het vijfde jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst of, wanneer dit eerder is, in een ander door de partijen overeengekomen jaar geëvalueerd. De evaluatie vindt plaats met het oog op verbetering van de voorwaarden voor markttoegang, bijvoorbeeld door middel van maatregelen als snellere verlaging of afschaffing van douanerechten, het stroomlijnen van aanbestedingsprocedures, de verhoging van contingenten, alsmede de behandeling van kwesties in verband met heffingen.

4.    Wanneer een partij op basis van een internationale overeenkomst voor de in lid 3 bedoelde goederen aan een derde land een grotere of snellere tariefverlaging, grotere contingenten of enige andere gunstigere behandeling toekent dan die waarin deze overeenkomst voorziet, waardoor het evenwicht op de markt voor die goederen in de Europese Unie of Japan wordt aangetast, maken de partijen uiterlijk drie maanden na de datum van inwerkingtreding van de internationale overeenkomst tussen de Europese Unie en dat derde land of tussen Japan en dat derde land een aanvang met die evaluatie om te waarborgen dat aan de andere partij ten minste dezelfde voorkeursbehandeling wordt toegekend, en streven zij ernaar de evaluatie binnen zes maanden te rekenen vanaf die datum af te sluiten.


ARTIKEL 2.9

Na reparatie of wijziging opnieuw binnengekomen goederen

1.    Een partij past geen douanerechten toe op goederen, ongeacht de oorsprong ervan, die haar douanegebied opnieuw binnenkomen nadat zij ter reparatie of wijziging tijdelijk uit haar douanegebied naar het douanegebied van de andere partij waren uitgevoerd, ongeacht of die reparatie of wijziging in haar douanegebied had kunnen worden verricht, op voorwaarde dat de betrokken goederen binnen de in haar wet- en regelgeving bepaalde termijn haar douanegebied opnieuw binnenkomen 6 .

2.    Lid 1 is niet van toepassing op goederen die zich in het douanegebied van een partij onder douanetoezicht bevinden zonder betaling van rechten en belastingen bij invoer, die ter reparatie of wijziging worden uitgevoerd en die niet opnieuw het douanegebied onder douanetoezicht binnenkomen zonder betaling van rechten en belastingen bij invoer.


3.    Een partij past geen douanerechten toe op goederen, ongeacht de oorsprong ervan, die ter reparatie of wijziging tijdelijk uit het douanegebied van de andere partij worden ingevoerd, op voorwaarde dat de goederen binnen de in haar wet- en regelgeving bepaalde termijn opnieuw uit haar douanegebied worden uitgevoerd 7 .

4.    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "reparatie" of "wijziging" verstaan elke bewerking of elk proces ten aanzien van goederen die of dat ten doel heeft een gebrekkige werking of materiële schade te herstellen zodat de oorspronkelijke functie ervan wordt hersteld of ervoor te zorgen dat de goederen aan de technische eisen voor gebruik ervan voldoen. Reparatie of wijziging van goederen omvat het herstel en onderhoud, ongeacht de mogelijke waardestijging van de goederen, maar omvat geen bewerkingen of processen waardoor:

a)    de wezenlijke kenmerken van een goed teniet worden gedaan, of een nieuw of commercieel verschillend goed ontstaat;

b)    een onafgewerkt goed in een afgewerkt goed wordt getransformeerd, of

c)    de functie van een goed wordt gewijzigd.


ARTIKEL 2.10

Tijdelijke invoer van goederen

Elke partij staat in overeenstemming met haar wet- en regelgeving rechtenvrije tijdelijke invoer van de volgende goederen in haar douanegebied toe, op voorwaarde dat deze goederen geen wijziging ondergaan, met uitzondering van hun normale waardevermindering door gebruik, en dat zij binnen de door elke partij bepaalde termijn worden uitgevoerd:

a)    goederen die bestemd zijn op tentoonstellingen, beurzen, congressen en dergelijke te worden getoond of gebruikt;

b)    professionele apparatuur, met inbegrip van apparatuur voor pers, radio en televisie, filmapparatuur, hulpmateriaal bij die apparatuur en toebehoren daarvan;

c)    handelsmonsters en reclamefilms en -opnamen;

d)    containers en pallets in gebruik of voor gebruik bij de verzending van goederen in het internationale verkeer, toebehoren daarvan en uitrusting daarvoor;


e)    welzijnsgoederen voor zeelieden;

f)    uitsluitend voor wetenschappelijke doeleinden ingevoerde goederen;

g)    voor internationale sportwedstrijden of -demonstraties of voor trainingsdoeleinden ingevoerde goederen;

h)    persoonlijke bezittingen van tijdelijke bezoekers, en

i)    toeristisch reclamemateriaal.

ARTIKEL 2.11

Douanewaarde

Voor het bepalen van de douanewaarde van tussen de partijen verhandelde goederen zijn de bepalingen van deel I van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst, van overeenkomstige toepassing.


ARTIKEL 2.12

Uitvoerrechten

Een partij stelt niet in of handhaaft evenmin ter zake van de uitvoer van goederen naar de andere partij rechten, belastingen, retributies of andere heffingen van welke aard ook, noch interne belastingen of andere heffingen die hoger zijn dan die welke op soortgelijke, voor intern verbruik bestemde goederen zouden worden geheven. Voor de toepassing van dit artikel omvatten retributies of andere heffingen van welke aard ook geen in overeenstemming met artikel 2.16 geheven retributies of andere heffingen die zijn beperkt tot de kosten bij benadering van de verleende diensten.

ARTIKEL 2.13

Status-quo

1.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, past een partij geen verhoging toe van het overeenkomstig bijlage 2-A op goederen van oorsprong uit de andere partij toe te passen douanerecht.

2.    Voor alle duidelijkheid: een partij mag een douanerecht na een eenzijdige verlaging verhogen tot het niveau dat voor het desbetreffende jaar is vastgesteld in de lijst van de Europese Unie in bijlage 2-A, deel 2, afdeling B, en in de lijst van Japan in bijlage 2-A, deel 3, afdeling D.


ARTIKEL 2.14

Uitvoerconcurrentie

1.    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "uitvoersubsidies" verstaan de subsidies als bedoeld in artikel 1, onder e), van de Overeenkomst inzake de landbouw en andere in bijlage I bij de SCM-Overeenkomst opgenomen subsidies die kunnen worden toegepast op landbouwproducten die zijn opgenomen in bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw.

2.    De partijen bevestigen dat zij ernaar streven om, zoals tot uitdrukking komt in het ministerieel WTO-besluit van 19 december 2015 inzake uitvoerconcurrentie (WT/MIN(15)/45, WT/L/980), ten aanzien van uitvoersubsidies en uitvoermaatregelen met gelijke werking de grootst mogelijke terughoudendheid als bedoeld in dat besluit te betrachten.

ARTIKEL 2.15

In- en uitvoerbeperkingen

1.    Een partij stelt niet in of handhaaft evenmin ter zake van de invoer van goederen uit de andere partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van voor het douanegebied van de andere partij bestemde goederen verboden of beperkingen, niet zijnde douanerechten, tenzij dit in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994. Daartoe wordt artikel XI van de GATT 1994 mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maakt het integrerend deel hiervan uit.


2.    Wanneer een partij voornemens is ter zake van de uitvoer of verkoop ten uitvoer van in bijlage 2-B opgenomen goederen een beperking of verbod in te stellen in overeenstemming met artikel XI, lid 2, of artikel XX van de GATT 1994:

a)    streeft zij ernaar, voor zover nodig, dat verbod of die beperking te begrenzen, daarbij voldoende rekening houdend met de mogelijke negatieve gevolgen voor de andere partij;

b)    stelt zij de andere partij daarvan zo vroeg mogelijk, zo mogelijk vóór de instelling van dat verbod of die beperking, schriftelijk in kennis, of, als dat niet het geval is, uiterlijk 15 dagen na de datum van instelling van dat verbod of die beperking, waarbij de schriftelijke kennisgeving een beschrijving omvat van het betrokken goed, het verbod dat of de beperking die wordt ingesteld, met inbegrip van de aard ervan, de redenen ervoor, de datum waarop dat verbod of die beperking wordt ingesteld alsmede de verwachte duur ervan, en

c)    biedt zij de andere partij op verzoek een redelijke mogelijkheid voor overleg over alle aangelegenheden die verband houden met dat verbod of die beperking.


ARTIKEL 2.16

Retributies en formaliteiten in verband met in- en uitvoer

1.    Elke partij draagt er overeenkomstig artikel VIII van de GATT 1994 zorg voor dat alle retributies en heffingen van welke aard ook, niet zijnde douanerechten of rechten en belastingen bij uitvoer als bedoeld in artikel III van de GATT 1994, ter zake van of in verband met in- of uitvoer worden beperkt tot de kosten bij benadering van de verleende diensten, die niet op een ad-valorembasis worden berekend, en geen indirecte bescherming van interne goederen noch een belasting voor fiscale doeleinden bij invoer inhouden.

2.    De partijen schrijven geen consulaire formaliteiten voor, waaronder begrepen daarmee verband houdende retributies en heffingen. Voor de toepassing van dit lid wordt onder "consulaire formaliteiten" verstaan de door de consul van de partij van invoer op het grondgebied van de partij van uitvoer gestelde vereisten met het oog op het verkrijgen van een consulaire factuur of een consulair visum op een handelsfactuur, een certificaat van oorsprong, een manifest, een aangifte ten uitvoer door de verlader of enig ander douanebescheid dat bij of in verband met de invoer is vereist.


ARTIKEL 2.17

Procedures voor in- en uitvoervergunningen

1.    De partijen bevestigen hun bestaande rechten en verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen.

2.    Elke partij stelt procedures voor uitvoervergunningen in of handhaaft deze in overeenstemming met artikel 1, leden 1 tot en met 9, en artikel 3 van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen. Daartoe worden die bepalingen van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel hiervan uit, en zijn zij van toepassing op procedures voor uitvoervergunningen tussen de partijen. Een partij kan procedures voor uitvoervergunningen instellen of handhaven in overeenstemming met artikel 2 van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen. De leden 2 tot en met 8 zijn van toepassing op alle goederen die zijn opgenomen in bijlage 2-B.

3.    Elke partij draagt er zorg voor dat alle procedures voor uitvoervergunningen, wat de toepassing ervan betreft, neutraal zijn en op eerlijke, billijke, niet-discriminerende en transparante wijze worden beheerd.

4.    Elke partij stelt uitsluitend procedures voor in- of uitvoervergunningen in of handhaaft deze uitsluitend wanneer voor het bereiken van een administratief doel redelijkerwijs geen andere passende procedures beschikbaar zijn.


5.    De partijen stellen geen niet-automatische procedures voor in- of uitvoervergunningen in of handhaven deze niet, tenzij dat noodzakelijk is voor de uitvoering van een maatregel die in overeenstemming met de onderhavige overeenkomst is. Een partij die een niet-automatische vergunningsprocedure instelt, vermeldt duidelijk welke maatregel door middel van deze vergunningprocedure wordt uitgevoerd.

6.    Elke partij antwoordt binnen zestig dagen op vragen van de andere partij in verband met procedures voor in- en uitvoervergunningen die eerstgenoemde partij voornemens is in te stellen, heeft ingesteld of handhaaft, en in verband met de criteria om in- of uitvoervergunningen te verlenen of toe te wijzen.

7.    Een partij die aan de uitvoer van een goed beperkingen in de vorm van een contingent oplegt, streeft naar een verdeling van de handel in dit goed die zo veel mogelijk overeenkomt met het aandeel dat zonder zulke beperkingen zou kunnen worden verwacht.

8.    Wanneer een partij procedures voor uitvoervergunningen instelt of handhaaft, plegen de partijen op verzoek van de andere partij overleg over alle aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van deze procedures, en houden zij naar behoren rekening met de uitkomsten van dat overleg.


ARTIKEL 2.18

Gereviseerde goederen

1.    Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, ziet elke partij erop toe dat gereviseerde goederen worden behandeld als nieuwe goederen. Elke partij mag eisen dat gereviseerde goederen als zodanig worden aangeduid met het oog op distributie of verkoop.

2.    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "gereviseerde goederen" verstaan goederen die zijn ingedeeld onder post 40.12, de hoofdstukken 84 tot en met 90 of post 94.02 van het geharmoniseerd systeem en die 8 : 

a)    geheel of gedeeltelijk bestaan uit onderdelen die zijn verkregen uit gebruikte goederen;

b)    een met deze goederen, indien nieuw, vergelijkbare levensduur hebben en met deze goederen, indien nieuw, vergelijkbare prestaties leveren, en

c)    over een fabrieksgarantie beschikken die vergelijkbaar is met die welke voor deze goederen, indien nieuw, geldt.


ARTIKEL 2.19

Niet-tarifaire maatregelen

1.    Specifieke verbintenissen van elke partij ten aanzien van niet-tarifaire maatregelen met betrekking tot goederen zijn opgenomen in de bijlagen 2-C en 2-D.

2.    Tien jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst of op verzoek van een partij beoordelen de partijen of de kwesties die voortvloeien uit niet-tarifaire maatregelen met betrekking tot goederen in het kader van deze overeenkomst doeltreffend kunnen worden behandeld. Op grond van deze beoordeling treden de partijen met elkaar in overleg om te bezien of de bestaande verbintenissen een breder toepassingsgebied kunnen krijgen dan wel of aanvullende verbintenissen van wederzijds belang ten aanzien van niet-tarifaire maatregelen met betrekking tot goederen, ook wat samenwerking betreft, moeten worden aangegaan. Op basis van dat overleg kunnen de partijen overeenkomen onderhandelingen van wederzijds belang aan te gaan. Bij de toepassing van dit lid houden de partijen rekening met de ervaring die is opgedaan tijdens de voorafgaande periode van uitvoering van deze overeenkomst.


ARTIKEL 2.20

Beperkingen ter bescherming van betalingsbalans

1.    Niets in deze overeenkomst mag op zodanige wijze worden uitgelegd dat een partij belet wordt maatregelen te nemen ten behoeve van de betalingsbalans. Een partij die dergelijke maatregelen neemt, doet zulks in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel XII van de GATT 1994 en het Memorandum van Overeenstemming betreffende de betalingsbalansbepalingen van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst.

2.    Niets in deze overeenkomst belet een partij gebruik te maken van deviezencontroles of deviezenbeperkingen overeenkomstig de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds.

ARTIKEL 2.21

Oorsprongsaanduiding

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, worden, wanneer een partij voor andere goederen dan levensmiddelen of landbouw- of visserijproducten als omschreven in haar wet- en regelgeving een verplichte aanduiding van het land van oorsprong voorschrijft, wat de Europese Unie betreft, de aanduiding "Made in Japan" of een soortgelijke aanduiding in de lokale taal van het land van invoer en, wat Japan betreft, de aanduiding "Made in EU" of een soortgelijke aanduiding in het Japans geacht aan deze voorschriften te voldoen. Hoofdstuk 3 is op dit artikel niet van toepassing.


ARTIKEL 2.22

Algemene uitzonderingen

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel XX van de GATT 1994 mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maakt het integrerend deel hiervan uit.

2.    Wanneer een partij voornemens is maatregelen te treffen overeenkomstig artikel XX, onder i) en j), van de GATT 1994:

a)    verstrekt zij de andere partij alle ter zake dienende informatie, en

b)    biedt zij de andere partij op verzoek een redelijke mogelijkheid voor overleg over alle aangelegenheden die verband houden met een dergelijke maatregel, teneinde een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden.

3.    De partijen kunnen besluiten tot elke maatregel die een einde maakt aan de aangelegenheden die het voorwerp zijn van overleg als bedoeld in lid 2, onder b).


4.    Wanneer door uitzonderlijke en kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de partij die voornemens is de betrokken maatregelen te treffen, onmiddellijk de maatregelen nemen die nodig zijn om aan de omstandigheden het hoofd te bieden, en stelt zij de andere partij hiervan onmiddellijk in kennis.

AFDELING C

Vergemakkelijking van uitvoer van wijnbouwproducten

ARTIKEL 2.23

Toepassingsgebied

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op andere goederen dan onder post 22.04 van het geharmoniseerd systeem ingedeelde wijnbouwproducten.

ARTIKEL 2.24

Algemeen beginsel

Tenzij in de artikelen 2.25 tot en met 2.28 anders is bepaald, vinden de invoer en de verkoop van tussen de partijen verhandelde wijnbouwproducten waarop deze afdeling betrekking heeft, plaats overeenkomstig de wet- en regelgeving van de partij van invoer.


ARTIKEL 2.25

Toestaan van oenologische procedés — eerste fase

1.    Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst staat de Europese Unie de invoer en de verkoop toe van wijnbouwproducten voor menselijke consumptie in de Europese Unie, van oorsprong uit Japan, die worden geproduceerd in overeenstemming met:

a)    de productomschrijvingen en de in Japan toegestane oenologische procedés en toegepaste beperkingen voor de verkoop van Japanse wijn als bedoeld in bijlage 2-E, deel 2, afdeling A, op voorwaarde dat zij voldoen aan de productomschrijvingen, oenologische procedés en beperkingen als bedoeld in bijlage 2-E, deel 1, afdeling A, en

b)    de oenologische procedés als bedoeld in bijlage 2-E, deel 2, afdeling B.

2.    Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst staat Japan de invoer en de verkoop toe van wijnbouwproducten voor menselijke consumptie in Japan, van oorsprong uit de Europese Unie, die worden geproduceerd in overeenstemming met:

a)    de productomschrijvingen en de in de Europese Unie toegestane oenologische procedés en toegepaste beperkingen als bedoeld in bijlage 2-E, deel 1, afdeling A, op voorwaarde dat zij voldoen aan de productomschrijvingen, oenologische procedés en beperkingen als bedoeld in bijlage 2-E, deel 2, afdeling A, en


b)    de oenologische procedés als bedoeld in bijlage 2-E, deel 1, afdeling B.

3.    Op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst wisselen de partijen kennisgevingen uit waarin wordt bevestigd dat hun procedures voor het toestaan van oenologische procedés als bedoeld in bijlage 2-E, deel 1, afdeling B, respectievelijk bijlage 2-E, deel 2, afdeling B, zijn voltooid.

ARTIKEL 2.26

Toestaan van oenologische procedés — tweede fase

1.    De Europese Unie neemt onverwijld de maatregelen die nodig zijn om de oenologische procedés als bedoeld in bijlage 2-E, deel 2, afdeling C, toe te staan en stelt Japan er onverwijld van in kennis dat haar desbetreffende procedures zijn voltooid.

2.    Japan neemt onverwijld de maatregelen die nodig zijn om de oenologische procedés als bedoeld in bijlage 2-E, deel 1, afdeling C, toe te staan en stelt de Europese Unie er onverwijld van in kennis dat zijn desbetreffende procedures zijn voltooid.

3.    De procedés als bedoeld in de leden 1 en 2 worden toegestaan met ingang van de datum van de laatste kennisgeving van een van beide partijen.


ARTIKEL 2.27

Toestaan van oenologische procedés — derde fase

1.    De Europese Unie neemt de maatregelen die nodig zijn om de oenologische procedés als bedoeld in bijlage 2-E, deel 2, afdeling D, toe te staan en stelt Japan ervan in kennis dat haar desbetreffende procedures zijn voltooid.

2.    Japan neemt de maatregelen die nodig zijn om de oenologische procedés als bedoeld in bijlage 2-E, deel 1, afdeling D, toe te staan en stelt de Europese Unie ervan in kennis dat zijn desbetreffende procedures zijn voltooid.

3.    De procedés als bedoeld in de leden 1 en 2 worden toegestaan met ingang van de datum van de laatste kennisgeving van een van beide partijen.

ARTIKEL 2.28

Zelfcertificering

1.    Een in overeenstemming met de wet- en regelgeving van Japan gewaarmerkt certificaat, waaronder ook wordt verstaan een certificaat opgesteld door een door de bevoegde autoriteit van Japan erkende producent, volstaat om aan te tonen dat is voldaan aan de in de artikelen 2.25, 2.26 of 2.27 bedoelde voorschriften voor de invoer en de verkoop in de Europese Unie van wijnbouwproducten van oorsprong uit Japan.


2.    De bij artikel 22.4 ingestelde werkgroep "Wijn" stelt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst bij besluit nadere voorschriften vast voor:

a)    de toepassing van lid 1, met name voor de te gebruiken formulieren en de in het certificaat te verstrekken informatie, en

b)    de samenwerking tussen de door de Europese Unie voor elk van haar lidstaten en door Japan aangewezen contactpunten.

3.    Er is geen certificaat of ander gelijkwaardige document vereist om aan te tonen dat is voldaan aan de in de artikelen 2.25, 2.26 of 2.27 bedoelde voorschriften voor de invoer en de verkoop in Japan van wijnbouwproducten van oorsprong uit de Europese Unie.

ARTIKEL 2.29

Evaluatie, overleg en tijdelijke schorsing van zelfcertificering

1.    De partijen evalueren:

a)    regelmatig, en ten minste eenmaal per jaar, gedurende twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst de uitvoering van artikel 2.26, en


b)    uiterlijk drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst de uitvoering van artikel 2.27.

2.    Wanneer de partijen bij de evaluatie van de uitvoering van artikel 2.26 vaststellen dat de in dat artikel bedoelde kennisgevingen niet binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn uitgewisseld, treden zij met elkaar in overleg teneinde overeenstemming over een praktische oplossing te bereiken.

3.    Wanneer de in artikel 2.26, lid 2, bedoelde kennisgeving niet binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is verstuurd en de in artikel 2.26, lid 1, bedoelde kennisgeving wel is verstuurd, kan de Europese Unie de erkenning van de zelfcertificering van wijnbouwproducten als bedoeld in artikel 2.28 tijdelijk schorsen als niet binnen drie maanden na het begin van het in lid 2 bedoelde overleg overeenstemming over een praktische oplossing als bedoeld in lid 2 is bereikt.

4.    De tijdelijke schorsing van de erkenning van de zelfcertificering als bedoeld in lid 3 wordt onmiddellijk opgeheven wanneer Japan de in artikel 2.26, lid 2, bedoelde kennisgeving aan de Europese Unie stuurt.

5.    Wanneer de partijen bij de evaluatie van de uitvoering van artikel 2.27 als bedoeld in lid 1 vaststellen dat de in dat artikel bedoelde kennisgevingen niet binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn uitgewisseld, treden zij met elkaar in overleg.


6.    Dit artikel laat de rechten en verplichtingen van een partij uit hoofde van de SPS-Overeenkomst onverlet.

ARTIKEL 2.30

Status-quo

1.    Een partij mag ten aanzien van aangelegenheden die onder de artikelen 2.25 tot en met 2.28 vallen geen minder gunstige voorwaarden opleggen dan die waarin in deze afdeling of in haar op de datum van ondertekening van deze overeenkomst geldende wet- en regelgeving wordt voorzien.

2.    Lid 1 laat het recht van de partijen onverlet om de sanitaire en fytosanitaire maatregelen te nemen die nodig zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet in strijd zijn met de bepalingen van de SPS-Overeenkomst.

ARTIKEL 2.31

Wijzigingen

Het bij artikel 22.1 ingestelde Gemengd Comité kan overeenkomstig artikel 23.2, lid 3, besluiten nemen tot wijziging van bijlage 2-E om verwijzingen naar oenologische procedés, beperkingen en andere aspecten toe te voegen, te schrappen of te wijzigen.


AFDELING D

Overige bepalingen

ARTIKEL 2.32

Uitwisseling van informatie

1.    In het kader van het toezicht op de werking van deze overeenkomst en gedurende tien jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst wisselen de partijen jaarlijks invoerstatistieken uit voor de periode die het meest recente kalenderjaar bestrijkt waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De periode kan door het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor de handel in goederen met nog eens vijf jaar worden verlengd.

2.    De in lid 1 bedoelde uitwisseling van invoerstatistieken omvat voor zover mogelijk gegevens met betrekking tot de periode die het meest recente kalenderjaar bestrijkt waarvoor gegevens beschikbaar zijn, waaronder de waarde en de omvang, op basis van de nomenclatuur van de desbetreffende partij, van de invoer van goederen van de andere partij die voor de preferentiële tariefbehandeling krachtens deze overeenkomst in aanmerking komen en die welke geen preferentiële tariefbehandeling krijgen.


ARTIKEL 2.33

Bijzondere maatregelen met betrekking tot beheer van preferentiële tariefbehandeling

1.    De partijen erkennen dat overtredingen van hun douanewetgeving met betrekking tot de krachtens deze overeenkomst toegekende preferentiële tariefbehandeling nadelige gevolgen voor de interne industrie kunnen hebben en komen overeen samen te werken bij het voorkomen, opsporen en tegengaan van dergelijke overtredingen in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van hoofdstuk 3 en de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Japan betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, gedaan te Brussel op 30 januari 2008 (hierna "de CMAA" genoemd).

2.    Een partij kan in overeenstemming met de procedure van de leden 4 tot en met 7 voor de goederen die verband houden met de onder a) bedoelde systematische overtredingen overgaan tot de tijdelijke schorsing van de krachtens deze overeenkomst toegekende preferentiële tariefbehandeling, wanneer zij op basis van objectieve, onweerlegbare en verifieerbare informatie heeft vastgesteld dat:

a)    voor een bepaald goed systematische overtredingen van haar douanewetgeving met betrekking tot de krachtens deze overeenkomst toegekende preferentiële tariefbehandeling hebben plaatsgevonden, en

b)    de andere partij systematisch en op ongerechtvaardigde gronden heeft geweigerd of anderszins heeft verzuimd samen te werken in de zin van lid 1 wat de onder a) bedoelde systematische overtredingen betreft.


3.    Onverminderd het bepaalde in lid 2 wordt de tijdelijke schorsing niet toegepast ten aanzien van handelaren die voldoen aan de nalevingscriteria die de partijen door middel van het in lid 4 bedoelde overleg zijn overeengekomen.

4.    De partij die de vaststelling als bedoeld in lid 2 heeft gedaan, stelt de andere partij onverwijld van die vaststelling in kennis en verstrekt daarbij voldoende informatie om de opening van overleg te rechtvaardigen, waaronder de samenvatting van de belangrijkste feiten in verband met lid 2, onder a) en b), en treedt met de andere partij in overleg in het kader van het Comité voor de handel in goederen teneinde een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken en overeenstemming te bereiken over de criteria voor de naleving van de voorschriften van deze overeenkomst en de toepasselijke douanewetgeving.

5.    De partij die de vaststelling als bedoeld in lid 2 heeft gedaan, stelt, voordat een definitief besluit wordt genomen, alle belanghebbenden in kennis van haar voornemen om tot een tijdelijke schorsing over te gaan en ziet erop toe dat zij ten volle gelegenheid krijgen hun belangen te verdedigen. Er wordt geen tijdelijke schorsing ten aanzien van belanghebbenden toegepast indien zij ten overstaan van de partij die de vaststelling heeft gedaan, objectief en genoegzaam aantonen dat zij niet betrokken zijn bij de systematische overtredingen als bedoeld in lid 2, onder a).


6.    Wanneer de partijen na afloop van de procedures als bedoeld in de leden 4 en 5 binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving geen overeenstemming over een aanvaardbare oplossing hebben bereikt, kan de partij die de vaststelling heeft gedaan, besluiten over te gaan tot tijdelijke schorsing van de krachtens deze overeenkomst toegekende preferentiële tariefbehandeling voor de betrokken goederen, daarbij naar behoren rekening houdend met de in lid 3 voorziene uitzondering. De andere partij wordt van deze tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld.

7.    Een tijdelijke schorsing wordt niet langer toegepast dan nodig is om de overtredingen tegen te gaan, en in geen geval langer dan zes maanden. Wanneer een partij heeft vastgesteld dat de omstandigheden naar aanleiding waarvan aanvankelijk tot de schorsing is overgegaan bij het verstrijken van de tijdelijke schorsing voortduren, kan zij besluiten de tijdelijke schorsing te verlengen, nadat zij de andere partij van die vaststelling in kennis heeft gesteld en daarbij voldoende informatie heeft verstrekt om de verlenging te rechtvaardigen. De tijdelijke schorsing eindigt uiterlijk twee jaar nadat aanvankelijk tot de schorsing is overgegaan, tenzij ten overstaan van het Comité voor de handel in goederen is aangetoond dat de omstandigheden naar aanleiding waarvan aanvankelijk tot de schorsing is overgegaan, nog voortduren bij het verstrijken van de periode waarvoor de schorsing is verlengd.

8.    Binnen het Comité voor de handel in goederen vindt periodiek overleg over de toegepaste tijdelijke schorsingen plaats.

9.    De partij die de vaststelling als bedoeld in de leden 2 of 7 heeft gedaan, publiceert overeenkomstig haar interne procedures berichten aan de importeurs over alle kennisgevingen en besluiten met betrekking tot tijdelijke schorsingen als bedoeld in de leden 4 tot en met 7.


10.    Er wordt geen tijdelijke schorsing toegepast ten aanzien van andere handelaren dan die bedoeld in lid 3 en de belanghebbenden als bedoeld in lid 5 indien zij ten overstaan van de partij die de vaststelling als bedoeld in de leden 2 of 7 heeft gedaan, objectief en genoegzaam aantonen dat zij niet betrokken zijn bij de systematische overtredingen als bedoeld in lid 2, onder a).

11.    Voor alle duidelijkheid: niets in dit artikel mag op zodanige wijze worden uitgelegd dat handelaren of belanghebbenden belet wordt op grond van de wet- en regelgeving van de partij die de vaststelling als bedoeld in de leden 2 of 7 heeft gedaan, van deze partij schadevergoeding te vorderen wegens ingevolge de in lid 6 bedoelde maatregelen onrechtmatig toegebrachte schade.

ARTIKEL 2.34

Comité voor de handel in goederen

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor de handel in goederen (hierna in dit artikel "het Comité" genoemd) is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke toepassing en werking van dit hoofdstuk.

2.    Het Comité heeft de volgende taken:

a)    evalueren van en toezicht houden op de toepassing en werking van dit hoofdstuk;


b)    verslag van de bevindingen van het Comité uitbrengen aan het Gemengd Comité, en

c)    andere taken verrichten die ingevolge artikel 22.1, lid 5, onder b), door het Gemengd Comité kunnen worden gedelegeerd.

3.    Het Comité komt bijeen op de tijdstippen en de plaatsen of met gebruikmaking van middelen die worden overeengekomen door de vertegenwoordigers van de partijen.

ARTIKEL 2.35

Werkgroep "Wijn"

1.    De bij artikel 22.4, lid 1, ingestelde werkgroep "Wijn" is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke toepassing en werking van afdeling C en bijlage 2-E.

2.    De werkgroep "Wijn" heeft de volgende taken:

a)    de nadere voorschriften inzake de zelfcertificering als bedoeld in artikel 2.28, lid 2, vaststellen;


b)    toezicht houden op de uitvoering van de artikelen 2.25 tot en met 2.29, met inbegrip van de evaluatie en het overleg op grond van artikel 2.29, en

c)    wijzigingen van bijlage 2-E in overweging nemen en aanbevelingen aan het Gemengd Comité doen met betrekking tot de vaststelling van een besluit met betrekking tot deze wijzigingen.

3.    De werkgroep "Wijn" komt voor het eerst bijeen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.


HOOFDSTUK 3

OORSPRONGSREGELS EN OORSPRONGSPROCEDURES

AFDELING A

Oorsprongsregels

ARTIKEL 3.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    "aquacultuur": de teelt van aquatische organismen, met inbegrip van vis, weekdieren, schaaldieren, andere ongewervelde waterdieren en waterplanten uit zaad, eieren, visbroed, pootvis, larven, parr, smolt of andere onrijpe vis in het postlarvale stadium, door ingrepen in het kweek- en groeiproces teneinde de productie te vergroten, zoals het uitzetten, voeren, of beschermen tegen predatoren;


b)    "zending": producten die gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden verzonden of die vergezeld gaan van één enkel vervoersdocument voor de verzending van de exporteur naar de geadresseerde, of bij gebreke daarvan, van één enkele factuur;

c)    "exporteur": een in een partij gevestigde persoon die overeenkomstig de voorschriften van de wet- en regelgeving van die partij het product van oorsprong uitvoert of produceert en een attest van oorsprong opstelt;

d)    "importeur": een persoon die het product van oorsprong invoert en daarvoor om preferentiële tariefbehandeling verzoekt;

e)    "materiaal": elk voorwerp dat of elke stof die wordt gebruikt bij de productie van een product, met inbegrip van alle bestanddelen, ingrediënten, grondstoffen of onderdelen;

f)    "niet van oorsprong zijnd materiaal": materiaal dat op grond van dit hoofdstuk niet als van oorsprong wordt aangemerkt, met inbegrip van materiaal waarvan de oorsprongsstatus niet kan worden bepaald;

g)    "preferentiële tariefbehandeling": het douanerecht dat overeenkomstig artikel 2.8, lid 1, van toepassing is op een goed van oorsprong;


h)    "product": elk voorwerp dat of elke stof die het voortbrengsel is van productie, zelfs indien dat voorwerp of die stof is bedoeld om als materiaal bij de productie van een ander product te worden gebruikt, en dat de betekenis van een goed in de zin van hoofdstuk 2 heeft, en

i)    "productie": elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage.

ARTIKEL 3.2

Vereisten voor producten van oorsprong

1.    Voor de toepassing door een partij van de preferentiële tariefbehandeling op een goed van oorsprong uit de andere partij overeenkomstig artikel 2.8, lid 1, worden de volgende producten, voor zover zij aan alle overige toepasselijke vereisten van dit hoofdstuk voldoen, beschouwd als van oorsprong uit de andere partij:

a)    volledig verkregen of geproduceerde producten als bedoeld in artikel 3.3;

b)    uitsluitend uit materialen van oorsprong uit die partij geproduceerde producten, of

c)    met gebruikmaking van niet van oorsprong zijnde materialen geproduceerde producten, voor zover zij voldoen aan alle toepasselijke vereisten van bijlage 3-B.


2.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de zee, de zeebodem en de ondergrond buiten de territoriale wateren van een partij uitgesloten van de territoriale werkingssfeer.

3.    Als een product de oorsprongsstatus heeft verkregen, worden de niet van oorsprong zijnde materialen die zijn gebruikt bij de productie van het product niet als niet van oorsprong beschouwd wanneer dat product als materiaal in een ander product wordt verwerkt.

4.    Aan de in dit hoofdstuk opgenomen vereisten met betrekking tot het verkrijgen van de oorsprongsstatus moet in een partij zonder onderbreking worden voldaan.

ARTIKEL 3.3

Volledig verkregen producten

1.    Voor de toepassing van artikel 3.2 wordt een product volledig in een partij verkregen voor zover het:

a)    aldaar gekweekte, geteelde, geoogste, geplukte of verzamelde planten of plantaardige producten betreft;

b)    aldaar geboren en opgefokte levende dieren betreft;

c)    producten afkomstig van aldaar opgefokte levende dieren betreft;


d)    producten afkomstig van aldaar geboren en opgefokte geslachte dieren betreft;

e)    aldaar door jacht, vangst met vallen en strikken, bevissing, verzamelen of vangen verkregen dieren betreft;

f)    producten afkomstig van aldaar bedreven aquacultuur betreft;

g)    aldaar ontgonnen of gewonnen minerale of andere van nature voorkomende stoffen, niet vallende onder a) tot en met f), betreft;

h)    vissen, schelpdieren of andere mariene levensvormen betreft die door middel van een vaartuig van een partij uit de zee, de zeebodem of de ondergrond buiten de territoriale wateren van elke partij en, in overeenstemming met het internationaal recht, buiten de territoriale wateren van derde landen worden gewonnen;

i)    producten betreft die buiten de territoriale wateren van elke partij en, in overeenstemming met het internationaal recht, buiten de territoriale wateren van derde landen aan boord van een fabrieksschip van een partij uitsluitend uit de onder h) genoemde producten worden geproduceerd;

j)    andere producten dan vissen, schelpdieren en andere mariene levensvormen betreft die door een partij of een persoon van een partij uit de zeebodem of de ondergrond buiten de territoriale wateren van elke partij en buiten de gebieden onder de jurisdictie van derde landen worden gewonnen, voor zover die partij of een persoon van die partij naar internationaal recht het recht heeft de zeebodem of de ondergrond te exploiteren;


k)    producten betreft waarbij het gaat om:

i)    resten of afval afkomstig van de productie aldaar, of

ii)    resten of afval afkomstig van aldaar verzamelde gebruikte producten, voor zover die producten alleen nog voor de terugwinning van grondstoffen kunnen worden gebruikt, of

l)    producten betreft die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met k) genoemde producten of uit derivaten daarvan worden geproduceerd

2.    Onder "vaartuig van een partij" in lid 1, onder h), of "fabrieksschip van een partij" in lid 1, onder i), wordt verstaan een vaartuig respectievelijk een fabrieksschip dat:

a)    in een lidstaat van de Europese Unie of in Japan is geregistreerd;

b)    onder de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van Japan vaart, en

c)    aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

i)    ten minste voor 50 % eigendom zijn van één of meer natuurlijke personen van een partij, of


ii)    eigendom zijn van één of meer rechtspersonen 9 die:

A)    hun maatschappelijke zetel en belangrijkste handelsactiviteit in een partij hebben, en

B)    voor ten minste 50 % in handen zijn van natuurlijke of rechtspersonen van een partij.

ARTIKEL 3.4

Ontoereikende be- of verwerking

1.    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2, lid 1, onder c), wordt een product niet als van oorsprong uit een partij beschouwd indien bij de productie van het product in die partij uitsluitend een of meer van de volgende behandelingen worden verricht op niet van oorsprong zijnde materialen:

a)    behandelingen zoals drogen, invriezen, pekelen en andere soortgelijke behandelingen die uitsluitend bedoeld zijn om producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;


b)    het veranderen van verpakkingen;

c)    het splitsen of samenvoegen van colli;

d)    het wassen, schoonmaken of verwijderen van stof, roest, olie, verf of dergelijke;

e)    het strijken of persen van textielstoffen en textielwaren;

f)    het eenvoudig schilderen of polijsten;

g)    het ontvliezen of doppen, geheel of gedeeltelijk bleken, polijsten of glanzen van granen en rijst;

h)    het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van suiker in vaste vorm;

i)    het pellen, ontpitten of schillen van vruchten, noten of groenten;

j)    het aanscherpen, eenvoudig vermalen of versnijden;

k)    het zeven, sorteren, classificeren of assorteren, daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen;


l)    het eenvoudig plaatsen in flessen, blikken, flacons, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de verpakking;

m)    het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

n)    het eenvoudig mengen van producten 10 , ook van verschillende soorten;

o)    het eenvoudig toevoegen van water, verdunnen, drogen of denatureren 11 van producten;

p)    het eenvoudig verzamelen of samenvoegen van delen tot een volledig of afgewerkt artikel of een ingevolge Algemene Regel 2a voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem als zodanig aan te merken artikel; het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen, of

q)    het slachten van dieren.


2.    Voor de toepassing van lid 1 worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, toestellen of uitrustingsstukken nodig zijn.

ARTIKEL 3.5

Cumulatie

1.    Een product dat als van oorsprong uit een partij kan worden beschouwd, wordt als van oorsprong uit de andere partij beschouwd wanneer het als materiaal bij de productie van een ander product in de andere partij wordt gebruikt.

2.    Om te bepalen of een product van oorsprong is uit de andere partij, kan rekening worden gehouden met productie die in een partij met gebruikmaking van een niet van oorsprong zijnd materiaal is uitgevoerd.

3.    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de in de andere partij uitgevoerde productie niet ingrijpender is dan een of meer van de in artikel 3.4, lid 1, onder a) tot en met q), genoemde behandelingen.

4.    Een exporteur kan het attest van oorsprong als bedoeld in artikel 3.16, lid 2, onder a), voor een in lid 2 genoemd product alleen invullen wanneer hij van zijn leverancier de in bijlage 3-C bedoelde informatie verkrijgt.


5.    De in lid 4 bedoelde informatie geldt voor één enkele zending of verschillende zendingen van hetzelfde materiaal dat wordt geleverd binnen een periode van ten hoogste twaalf maanden vanaf de datum waarop de informatie werd verstrekt.

ARTIKEL 3.6

Toleranties

1.    Wanneer een bij de productie van een product gebruikt niet van oorsprong zijnd materiaal niet aan de vereisten van bijlage 3-B voldoet, wordt het product als van oorsprong uit een partij beschouwd, op voorwaarde dat:

a)    voor een onder de hoofdstukken 1 tot en met 49 of de hoofdstukken 64 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem 12 ingedeeld product de waarde van al die niet van oorsprong zijnde materialen niet hoger is dan 10 % van de prijs af fabriek of de fob-prijs van het product;

b)    voor een onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem ingedeeld product de in de aantekeningen 6 tot en met 8 bij bijlage 3-A bepaalde toleranties van toepassing zijn.


2.    Lid 1 is niet van toepassing wanneer de waarde van de bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen hoger is dan een van de in bijlage 3-B voorgeschreven percentages voor de maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen.

3.    Lid 1 is niet van toepassing op volledig in een partij verkregen producten in de zin van artikel 3.3. Indien op grond van bijlage 3-B is vereist dat de bij de productie van een product gebruikte materialen volledig zijn verkregen, zijn de leden 1 en 2 van toepassing.

ARTIKEL 3.7

In aanmerking te nemen eenheid

1.    De voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij de indeling van het product in het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

2.    Wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem worden ingedeeld, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op elk van deze producten op zich beschouwd.


ARTIKEL 3.8

Gescheiden boekhouding

1.    Van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare materialen worden tijdens de opslag fysiek gescheiden met het oog op het behoud van de oorsprongsstatus ervan.

2.    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "onderling vervangbare materialen" verstaan: materialen van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysieke kenmerken, waartussen geen onderscheid mogelijk is zodra zij in het eindproduct zijn verwerkt.

3.    Onverminderd het bepaalde in lid 1 mogen van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare materialen bij de productie van een product worden gebruikt zonder tijdens de opslag fysiek te worden gescheiden, op voorwaarde dat een methode van gescheiden boekhouding wordt gebruikt.

4.    De in lid 3 bedoelde methode van gescheiden boekhouding word in overeenstemming met een voorraadbeheersysteem toegepast op grond van in de partij algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen.


5.    Een partij kan, met inachtneming van de in haar wet- en regelgeving vastgestelde voorwaarden, verlangen dat voor gebruikmaking van een methode van gescheiden boekhouding voorafgaande toestemming van haar douaneautoriteit nodig is. De douaneautoriteit van de partij houdt toezicht op het gebruik dat van de toestemming wordt gemaakt en kan deze intrekken wanneer degene aan wie de toestemming is verleend oneigenlijk gebruik maakt van de methode van gescheiden boekhouding of niet aan een van de andere voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet.

6.    Als methode van gescheiden boekhouding geldt elke methode waarmee te allen tijde wordt gewaarborgd dat niet meer materialen de oorsprongsstatus verkrijgen dan het geval zou zijn wanneer de materialen fysiek gescheiden waren.

ARTIKEL 3.9

Stellen of assortimenten

Een overeenkomstig de Algemene Regels 3b en 3c voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem ingedeeld stel of assortiment wordt als van oorsprong uit een partij beschouwd wanneer alle samenstellende delen ervan van oorsprong zijn in de zin van dit hoofdstuk. Een stel of assortiment bestaande uit van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde samenstellende delen wordt in zijn geheel als van oorsprong uit een partij beschouwd op voorwaarde dat de waarde van de niet van oorsprong zijnde samenstellende delen niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek of de fob-prijs van het stel of assortiment bedraagt.


ARTIKEL 3.10

Niet-wijziging

1.    Een voor binnenlands gebruik in de partij van invoer aangegeven product van oorsprong mag, nadat het is uitgevoerd en voordat het voor binnenlands gebruik wordt aangegeven, op geen enkele manier zijn gewijzigd of getransformeerd en evenmin andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren of die welke bestaan in het toevoegen of aanbrengen van merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te waarborgen dat aan de specifieke interne vereisten van de partij van invoer wordt voldaan.

2.    Een product mag in een derde land worden opgeslagen of tentoongesteld, op voorwaarde dat het in dat derde land onder douanetoezicht blijft.

3.    Onverminderd het bepaalde in afdeling B kunnen zendingen in een derde land worden gesplitst wanneer dit door de exporteur of onder zijn verantwoordelijkheid geschiedt en op voorwaarde dat de zendingen in dat derde land onder douanetoezicht blijven.

4.    In geval van twijfel over de vraag of aan de voorwaarden van de leden 1 tot en met 3 wordt voldaan, kan de douaneautoriteit van de partij van invoer de importeur verzoeken te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet, welke bewijs met alle middelen kan worden geleverd, onder meer aan de hand van vervoersovereenkomsten zoals cognossementen of feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummering van de colli of ander bewijsmateriaal betreffende het product zelf.


ARTIKEL 3.11

Retourneren van producten

Wanneer een uit een partij naar een derde land uitgevoerd product van oorsprong uit die partij naar die partij wordt geretourneerd, wordt het als niet van oorsprong beschouwd tenzij ten genoegen van de douaneautoriteit van die partij kan worden aangetoond dat het geretourneerde product:

a)    hetzelfde is als het uitgevoerde product, en

b)    terwijl het zich in dat derde land bevond of toen het werd uitgevoerd, geen andere behandelingen heeft ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om het in goede staat te bewaren.

ARTIKEL 3.12

Toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of ander voorlichtingsmateriaal

1.    Dit artikel is van toepassing op toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en instructie- of ander voorlichtingsmateriaal voor zover:

a)    de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal bij het product zijn ingedeeld en samen met het product worden geleverd, maar niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, en


b)    de soorten, hoeveelheden en waarde van de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal gebruikelijk zijn voor het desbetreffende product.

2.    Bij het bepalen of een product volledig is verkregen dan wel aan een in bijlage 3-B vermelde voorwaarde met betrekking tot productieprocedé of wijziging in tariefindeling voldoet, worden de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal buiten beschouwing gelaten.

3.    Bij het bepalen of een product aan een in bijlage 3-B vermelde voorwaarde met betrekking tot waarde voldoet, worden de toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal, wat de waarde ervan betreft, bij de berekening met het oog op de toepassing van die voorwaarde op het product in aanmerking genomen als van oorsprong zijnde of niet van oorsprong zijnde materialen, naar gelang het geval.

4.    De toebehoren, vervangingsonderdelen, gereedschappen en het instructie- of ander voorlichtingsmateriaal van een product hebben de oorsprongsstatus van het product waarmee zij worden geleverd.


ARTIKEL 3.13

Neutrale elementen

Om te bepalen of een product van oorsprong is uit een partij, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprongsstatus is van de volgende elementen:

a)    brandstof, energie, katalysatoren en oplosmiddelen;

b)    materieel, apparatuur en benodigdheden voor het testen of inspecteren van het product;

c)    handschoenen, brillen, schoeisel, kleding, veiligheidsuitrusting en benodigdheden;

d)    machines, werktuigen, matrijzen en gietvormen;

e)    vervangingsonderdelen en materialen voor het onderhoud van materieel en gebouwen;

f)    smeermiddelen, vetten, samenstellende materialen en andere materialen die worden gebruikt bij de productie of om materieel en gebouwen te laten functioneren, en

g)    alle andere materialen die niet in het product zijn verwerkt, maar waarvan redelijkerwijs kan worden aangetoond dat het gebruik bij de productie van het product een onderdeel van die productie is.


ARTIKEL 3.14

Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen voor verzending

Bij de bepaling van de oorsprongsstatus van een product wordt geen rekening gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen voor verzending die worden gebruikt ter bescherming van een product tijdens het vervoer.

ARTIKEL 3.15

Verpakkingsmateriaal en verpakkingsmiddelen voor detailhandelsverkoop

1.    Bij de bepaling of alle bij de productie van een product gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen voorwerp van de toepasselijke wijziging in tariefindeling of van een productieprocedé als bedoeld in bijlage 3-B zijn geweest dan wel of het product volledig is verkregen, wordt geen rekening gehouden met het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor de detailhandelsverkoop, voor zover dat verpakkingsmateriaal en die verpakkingsmiddelen bij het product worden ingedeeld.

2.    Wanneer voor een product een in bijlage 3-B vermelde voorwaarde met betrekking tot waarde geldt, worden het verpakkingsmateriaal en de verpakkingsmiddelen waarin het product is verpakt voor de detailhandelsverkoop, voor zover dat verpakkingsmateriaal en die verpakkingsmiddelen bij het product worden ingedeeld, wat de waarde ervan betreft, bij de berekening met het oog op de toepassing van die voorwaarde op het product in aanmerking genomen als van oorsprong zijnde of niet van oorsprong zijnde materialen, naar gelang het geval.


AFDELING B

Oorsprongsprocedures

ARTIKEL 3.16

Verzoek om preferentiële tariefbehandeling

1.    De partij van invoer verleent bij invoer een preferentiële tariefbehandeling aan een product van oorsprong uit de andere partij, op grond van een verzoek van de importeur om preferentiële tariefbehandeling. De importeur is verantwoordelijk voor de juistheid van het verzoek om preferentiële tariefbehandeling en de naleving van de voorwaarden van dit hoofdstuk.

2.    Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling wordt gedaan op basis van:

a)    een door de exporteur opgesteld attest van oorsprong waaruit blijkt dat het product van oorsprong is, of

b)    de aan de importeur bekende informatie dat het product van oorsprong is.


3.    Een verzoek om preferentiële tariefbehandeling en de grondslag ervan als bedoeld in lid 2, onder a) of b), worden in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de partij van invoer in de douaneaangifte ten invoer opgenomen. De douaneautoriteit van de partij van invoer kan de importeur verzoeken om, voor zover hem dit mogelijk is, als onderdeel van de douaneaangifte ten invoer of als daarbij gevoegd document een verklaring te verstrekken dat het product voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.

4.    De importeur die op basis van een attest van oorsprong als bedoeld in lid 2, onder a), om een preferentiële tariefbehandeling verzoekt, bewaart het attest van oorsprong en verstrekt de douaneautoriteit van de partij van invoer desgevraagd een kopie daarvan.

5.    De leden 2 tot en met 4 zijn niet van toepassing in de gevallen als bedoeld in artikel 3.20.


ARTIKEL 3.17

Attest van oorsprong

1.    Een attest van oorsprong kan door een exporteur van een product worden opgesteld op basis van informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is, met inbegrip van informatie over de oorsprongsstatus van de bij de productie van het product gebruikte materialen. De exporteur is verantwoordelijk voor de juistheid van het attest van oorsprong en van de verstrekte informatie.

2.    Een attest van oorsprong wordt in een van de in bijlage 3-D opgenomen taalversies verstrekt op een factuur of ander handelsdocument waarin het product van oorsprong voldoende duidelijk is omschreven om het te kunnen identificeren. De partij van invoer mag van de importeur geen vertaling van het attest van oorsprong verlangen.

3.    De douaneautoriteit van de partij van invoer mag een verzoek om preferentiële tariefbehandeling niet afwijzen wegens geringe vergissingen of afwijkingen in het attest van oorsprong of om de enkele reden dat de factuur in een derde land werd afgegeven.

4.    Een attest van oorsprong is twaalf maanden geldig vanaf de datum waarop het is opgesteld.


5.    Een attest van oorsprong kan van toepassing zijn op:

a)    één enkele zending van een of meer in een partij ingevoerde producten, of

b)    meerdere zendingen van identieke producten die binnen een in het attest van oorsprong aangegeven periode van maximaal twaalf maanden in een partij worden ingevoerd.

6.    Wanneer, op verzoek van de importeur, niet-gemonteerde of gedemonteerde producten in de zin van Algemene Regel 2a voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XV tot en met XXI van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, kan voor deze producten één enkel attest van oorsprong worden gebruikt in overeenstemming met de voorschriften van de douaneautoriteit van de partij van invoer.

ARTIKEL 3.18

Aan de importeur bekende informatie

De aan de importeur bekende informatie dat een product van oorsprong is uit de partij van uitvoer is gebaseerd op informatie waaruit blijkt dat het product van oorsprong is en voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.


ARTIKEL 3.19

Verplichting tot bewaren van gegevens

1.    Een importeur die verzoekt om preferentiële tariefbehandeling voor een in de partij van invoer ingevoerd product bewaart gedurende ten minste drie jaar na de datum van invoer van het product:

a)    als het verzoek op een attest van oorsprong werd gebaseerd, het door de exporteur opgestelde attest van oorsprong, of

b)    als het verzoek op de hem bekende informatie werd gebaseerd, alle gegevens waaruit blijkt dat het product voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus.

2.    Een exporteur die een attest van oorsprong heeft opgesteld, bewaart gedurende ten minste vier jaar na het opstellen van dat attest, een kopie van het attest van oorsprong en alle andere gegevens waaruit blijkt dat het product voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprongsstatus.

3.    De overeenkomstig dit artikel te bewaren gegevens mogen in elektronische vorm worden opgeslagen.

4.    De leden 1 tot en met 3 zijn niet van toepassing in de gevallen als bedoeld in artikel 3.20.


ARTIKEL 3.20

Kleine zendingen en ontheffingen

1.    Producten die door particulieren in kleine colli aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als producten van oorsprong toegelaten, mits deze producten niet als handelsgoederen worden ingevoerd 13 , bij de aangifte daarvan is verklaard dat zij aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat.

2.    Op voorwaarde dat de ingevoerde producten geen deel uitmaken van invoer waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die afzonderlijk is verricht om te ontkomen aan het vereiste inzake een attest van oorsprong, mag de totale waarde van de in lid 1 bedoelde producten niet hoger zijn dan:

a)    wat de Europese Unie betreft, 500 EUR voor kleine colli of 1 200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers. De in een andere valuta van een lidstaat van de Europese Unie te gebruiken bedragen zijn de tegenwaarde in die valuta van de in EUR uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van oktober van elk jaar. De bedragen zijn die welke voor die dag worden bekendgemaakt door de Europese Centrale Bank, tenzij uiterlijk op 15 oktober van elk jaar een ander bedrag aan de Europese Commissie wordt meegedeeld, en gelden met ingang van 1 januari van het daaropvolgende jaar. De Europese Commissie stelt Japan van de desbetreffende bedragen in kennis.


b)    wat Japan betreft, 100 000 yen of enig ander door Japan vast te stellen bedrag.

3.    Elke partij kan bepalen dat het verzoek niet op de grondslagen als bedoeld in artikel 3.16, lid 2, hoeft te worden gebaseerd in geval van invoer van een product waarvoor de partij van invoer ontheffing van de voorwaarden heeft verleend.

ARTIKEL 3.21

Verificatie

1.    Om te controleren of een in een partij ingevoerd product van oorsprong is uit de andere partij dan wel of aan de andere voorwaarden van dit hoofdstuk wordt voldaan, kan de douaneautoriteit van de partij van invoer een verificatie verrichten op basis van methoden voor risicobeoordeling, die een willekeurige steekproef kunnen omvatten, door een verzoek om informatie te richten aan de importeur die het in artikel 3.16 bedoelde verzoek heeft ingediend. De douaneautoriteit van de partij van invoer kan de verificatie hetzij op het tijdstip van de douaneaangifte ten invoer, hetzij vóór de vrijgave van de producten, hetzij na de vrijgave van de producten verrichten.


2.    De informatie waarom overeenkomstig lid 1 wordt verzocht, omvat ten hoogste:

a)    als het in artikel 3.16, lid 2, onder a), bedoelde verzoek werd gebaseerd op een attest van oorsprong, dat attest van oorsprong;

b)    het tariefindelingsnummer van het product overeenkomstig het geharmoniseerd systeem en de gebruikte oorsprongscriteria;

c)    een korte beschrijving van het productieprocedé;

d)    als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een specifiek productieprocedé, een specifieke beschrijving van dat procedé;

e)    voor zover van toepassing, een beschrijving van de in het productieprocedé gebruikte van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde materialen;

f)    als het oorsprongscriterium "volledig verkregen" was, de toepasselijke categorie (zoals oogst, ontginning, bevissing en plaats van productie);

g)    als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een waardemethode, de waarde van het product alsmede de waarde van alle bij de productie gebruikte niet van oorsprong zijnde of, waar nodig om de naleving van de voorwaarde met betrekking tot waarde vast te stellen, van oorsprong zijnde materialen;


h)    als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op gewicht, het gewicht van het product alsmede het gewicht van de desbetreffende in het product verwerkte niet van oorsprong zijnde of, waar nodig om de naleving van de voorwaarde met betrekking tot gewicht vast te stellen, van oorsprong zijnde materialen;

i)    als het oorsprongscriterium werd gebaseerd op een wijziging in tariefindeling, een lijst van alle niet van oorsprong zijnde materialen, met inbegrip van het tariefindelingsnummer ervan overeenkomstig het geharmoniseerd systeem (in twee, vier of zes cijfers, afhankelijk van de oorsprongscriteria), of

j)    de informatie betreffende de naleving van de bepalingen van artikel 3.10 inzake niet-wijziging.

3.    Wanneer de importeur de gevraagde informatie verstrekt, kan hij daaraan alle andere informatie die hij met het oog op de verificatie nuttig acht toevoegen.

4.    Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling werd gebaseerd op een attest van oorsprong als bedoeld in artikel 3.16, lid 2, onder a), deelt de importeur de douaneautoriteit van de partij van invoer mee wanneer de gevraagde informatie volledig of wat een of meer gegevenselementen betreft rechtstreeks door de exporteur kan worden verstrekt.


5.    Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling werd gebaseerd op de aan de importeur bekende informatie als bedoeld in artikel 3.16, lid 2, onder b), kan de douaneautoriteit van de partij van invoer die de verificatie verricht, na eerst overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel om informatie te hebben verzocht, de importeur om informatie verzoeken wanneer zij van oordeel is dat aanvullende informatie nodig is om de oorsprongsstatus van het product te controleren. De douaneautoriteit van de partij van invoer kan indien passend de importeur om specifieke documentatie en informatie verzoeken.

6.    Als de douaneautoriteit van de partij van invoer besluit de preferentiële tariefbehandeling voor het betrokken product te schorsen zolang de uitslag van de verificatie niet bekend is, stelt zij de importeur voor het product vrij te geven onder voorbehoud van passende conservatoire maatregelen, waaronder waarborgen. De schorsing van de preferentiële tariefbehandeling wordt zo spoedig mogelijk opgeheven nadat de douaneautoriteit van de partij van invoer de oorsprongsstatus van het betrokken product is nagegaan of heeft bevestigd dat aan de andere voorwaarden van dit hoofdstuk wordt voldaan.


ARTIKEL 3.22

Administratieve samenwerking

1.    Met het oog op de goede toepassing van dit hoofdstuk werken de partijen via hun respectieve douaneautoriteit samen bij het controleren of een product van oorsprong is en voldoet aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk.

2.    Als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling werd gebaseerd op een attest van oorsprong als bedoeld in artikel 3.16, lid 2, onder a), kan de douaneautoriteit van de partij van invoer die de verificatie verricht, na eerst overeenkomstig artikel 3.21, lid 1, om informatie te hebben verzocht, tevens binnen twee jaar na de invoer van de producten de douaneautoriteit van de partij van uitvoer om informatie verzoeken wanneer zij van oordeel is dat aanvullende informatie nodig is om de oorsprongsstatus van het product te controleren. Het verzoek om informatie moet de volgende informatie bevatten:

a)    het attest van oorsprong;

b)    de identiteit van de douaneautoriteit waarvan het verzoek afkomstig is;

c)    de naam van de exporteur;


d)    het onderwerp en de reikwijdte van de verificatie, en

e)    indien van toepassing, andere relevante documenten.

Naast deze informatie kan de douaneautoriteit van de partij van invoer indien nodig de douaneautoriteit van de partij van uitvoer om specifieke documentatie en informatie verzoeken.

3.    De douaneautoriteit van de partij van uitvoer kan in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving om documenten of een onderzoek verzoeken door bewijsmateriaal op te vragen of een bezoek te brengen aan de bedrijfsruimten van de exporteur met het oog op de controle van de gegevens en de inspectie van de bij de productie van het product gebruikte infrastructuur.

4.    Onverminderd het bepaalde in lid 5 verstrekt de douaneautoriteit van de partij van uitvoer die het in lid 2 bedoelde verzoek ontvangt de douaneautoriteit van de partij van invoer de volgende informatie:

a)    de gevraagde documentatie, voor zover beschikbaar;

b)    een advies inzake de oorsprongsstatus van het product;

c)    de beschrijving van het product dat het voorwerp van onderzoek is en de voor de toepassing van dit hoofdstuk relevante tariefindeling;

d)    een beschrijving van en een toelichting bij het productieprocedé die volstaan om de oorsprongsstatus van het product te staven;


e)    informatie over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, en

f)    indien van toepassing, bewijsstukken.

5.    De douaneautoriteit van de partij van uitvoer verstrekt de douaneautoriteit van de partij van invoer de in lid 4 bedoelde informatie niet als deze informatie door de exporteur als vertrouwelijk wordt aangemerkt.

6.    Elke partij deelt de andere partij de contactgegevens, met inbegrip van het post- en e-mailadres alsmede het telefoon- en faxnummer, van de douaneautoriteiten en, binnen 30 dagen na de datum van wijziging, alle wijziging hiervan mee.

ARTIKEL 3.23

Wederzijdse bijstand bij fraudebestrijding

Bij vermoeden van schending van de bepalingen van dit hoofdstuk verlenen de partijen elkaar wederzijdse bijstand, in overeenstemming met de CMAA.


ARTIKEL 3.24

Weigering van toekenning van preferentiële tariefbehandeling

1.    Onverminderd het bepaalde in lid 3 kan de douaneautoriteit van de partij van invoer weigeren een preferentiële tariefbehandeling toe te kennen indien:

a)    binnen drie maanden na de datum van het verzoek om informatie overeenkomstig artikel 3.21, lid 1:

i)    geen antwoord wordt verstrekt, of

ii)    als het verzoek om preferentiële tariefbehandeling op de aan de importeur bekende informatie als bedoeld in artikel 3.16, lid 2, onder b), werd gebaseerd, de verstrekte informatie niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is;

b)    binnen drie maanden na de datum van het verzoek om informatie overeenkomstig artikel 3.21, lid 5:

i)    geen antwoord wordt verstrekt, of

ii)    de verstrekte informatie niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is;


c)    binnen tien maanden na de datum van het verzoek om informatie overeenkomstig artikel 3.22, lid 2:

i)    geen antwoord wordt verstrekt, of

ii)    de verstrekte informatie niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is, of

d)    nadat een verzoek om bijstand overeenkomstig artikel 3.23 is gedaan en binnen een wederzijds overeengekomen periode, met betrekking tot producten die het voorwerp zijn geweest van een verzoek als bedoeld in artikel 3.16, lid 1:

i)    door de douaneautoriteit van de partij van uitvoer geen bijstand wordt verleend, of

ii)    het resultaat van die bijstand niet volstaat om te bevestigen dat het product van oorsprong is.

2.    De douaneautoriteit van de partij van invoer kan weigeren een preferentiële tariefbehandeling toe te kennen voor een product waarvoor een importeur om preferentiële tariefbehandeling verzoekt, wanneer de importeur niet voldoet aan andere voorwaarden van dit hoofdstuk dan die welke betrekking hebben op de oorsprongsstatus van de producten.


3.    Als de douaneautoriteit van de partij van invoer in gevallen waarin de douaneautoriteit van de partij van uitvoer overeenkomstig artikel 3.22, lid 4, onder b), een advies heeft uitgebracht waarin de oorsprongsstatus van de producten wordt bevestigd, over voldoende gronden beschikt om te weigeren een preferentiële tariefbehandeling toe te kennen overeenkomstig lid 1, stelt zij binnen twee maanden na ontvangst van dat advies de douaneautoriteit van de partij van uitvoer in kennis van haar voornemen om de preferentiële tariefbehandeling te weigeren. In geval van een dergelijke kennisgeving vindt binnen drie maanden na de datum van de kennisgeving op verzoek van een partij overleg plaats. De partijen kunnen de termijn voor overleg in onderlinge overeenstemming per geval verlengen. Het overleg kan plaatsvinden volgens de procedure die wordt vastgesteld door het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden. Na het verstrijken van de termijn voor overleg kan de douaneautoriteit van de partij van invoer uitsluitend weigeren de preferentiële tariefbehandeling toe te kennen wanneer zij daartoe over voldoende gronden beschikt en nadat zij de importeur in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

ARTIKEL 3.25

Vertrouwelijkheid

1.    Elke partij respecteert in overeenstemming met haar wet- en regelgeving de vertrouwelijke aard van alle haar door de andere partij op grond van dit hoofdstuk verstrekte informatie en beschermt deze informatie tegen openbaarmaking.


2.    De door de autoriteiten van de partij van invoer op grond van dit hoofdstuk verkregen informatie mag door die autoriteiten alleen met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk worden gebruikt.

3.    Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, worden vertrouwelijke zakelijke gegevens die de douaneautoriteit van de partij van uitvoer of de douaneautoriteit van de partij van invoer door de toepassing van de artikelen 3.21 en 3.22 van de exporteur heeft verkregen, niet openbaar gemaakt.

4.    De op grond van dit hoofdstuk door de douaneautoriteit van de partij van invoer verkregen informatie wordt door de partij van invoer niet gebruikt in strafrechtelijke procedures, tenzij de partij van uitvoer in overeenstemming met haar wet- en regelgeving daarvoor toestemming verleent.

ARTIKEL 3.26

Administratieve maatregelen en sancties

Elke partij legt in overeenstemming met haar wet- en regelgeving administratieve maatregelen en, in voorkomend geval, sancties op aan ieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële tariefbehandeling voor een product te verkrijgen, die niet aan de verplichtingen van artikel 3.19 voldoet, die niet het bewijsmateriaal als bedoeld in artikel 3.22, lid 3, verstrekt of die niet het bezoek als bedoeld in artikel 3.22, lid 3, toestaat.


AFDELING C

Diversen

ARTIKEL 3.27

Toepassing van dit hoofdstuk op Ceuta en Melilla

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk vallen van de zijde van de Europese Unie Ceuta en Melilla niet onder de term "partij".

2.    Producten van oorsprong uit Japan die in Ceuta of Melilla worden ingevoerd, zijn in elk opzicht ingevolge deze overeenkomst voorwerp van dezelfde douanebehandeling als die welke op grond van protocol nr. 2 bij de Akte van Toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Republiek Portugal tot de Europese Unie van toepassing is op producten van oorsprong uit het douanegebied van de Europese Unie. Japan past op de invoer van onder deze overeenkomst vallende producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla ingevolge deze overeenkomst dezelfde douanebehandeling toe als op producten van oorsprong uit de Europese Unie die vanuit de Unie worden ingevoerd.

3.    De oorsprongsregels en oorsprongsprocedures in het kader van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op producten die vanuit Japan naar Ceuta en Melilla worden uitgevoerd en op producten die vanuit Ceuta en Melilla naar Japan worden uitgevoerd.


4.    Artikel 3.5 is van toepassing op de invoer en de uitvoer van producten tussen de Europese Unie, Japan en Ceuta en Melilla.

5.    Ceuta en Melilla worden als één grondgebied beschouwd.

6.    De douaneautoriteit van het Koninkrijk Spanje is verantwoordelijk voor de toepassing van dit artikel in Ceuta en Melilla.

ARTIKEL 3.28

Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden (hierna in dit hoofdstuk "het Comité" genoemd) is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke toepassing en werking van dit hoofdstuk, naast de andere in artikel 4.14, lid 1, vermelde taken.


2.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk heeft het Comité de volgende taken:

a)    evalueren van en zo nodig doen van passende aanbevelingen aan het bij artikel 22.1 ingestelde Gemengd Comité over:

i)    de toepassing en werking van dit hoofdstuk, en

ii)    alle door een partij voorgestelde wijzigingen van de bepalingen van dit hoofdstuk;

b)    opstellen van toelichtingen om de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk te vergemakkelijken;

c)    vaststellen van de overlegprocedure als bedoeld in artikel 3.24, lid 3, en

d)    zich buigen over alle andere door de vertegenwoordigers van de partijen overeengekomen aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk.


ARTIKEL 3.29

Overgangsbepalingen voor doorvoer of opslag van producten

De bepalingen van deze overeenkomst kunnen worden toegepast op producten die voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk en die zich op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst hetzij in doorvoer tussen de partij van uitvoer en de partij van invoer hetzij onder douanetoezicht in de partij van invoer bevinden zonder dat invoerrechten en belastingen zijn betaald, op voorwaarde dat binnen twaalf maanden na die datum bij de douaneautoriteit van de partij van invoer een verzoek om preferentiële tariefbehandeling als bedoeld in artikel 3.16 wordt ingediend.

HOOFDSTUK 4

DOUANEAANGELEGENHEDEN EN HANDELSBEVORDERING

ARTIKEL 4.1

Doelstellingen

Dit hoofdstuk heeft tot doel:

a)    het handelsverkeer voor tussen de partijen verhandelde goederen te vergemakkelijken en tegelijkertijd doeltreffende douanecontroles te verzekeren, daarbij rekening houdend met de ontwikkeling van de handelspraktijken;


b)    de transparantie van de douanewetgeving en de overige handelsgerelateerde wet- en regelgeving van elke partij en de samenhang daarvan met de toepasselijke internationale normen te waarborgen;

c)    de voorspelbare, consistente en niet-discriminerende toepassing door elke partij van haar douanewetgeving en overige handelsgerelateerde wet- en regelgeving te waarborgen;

d)    de vereenvoudiging en modernisering van de douaneprocedures en -praktijken van elke partij te bevorderen;

e)    de risicobeheerstechnieken ter bevordering van de legitieme handel verder te ontwikkelen, en tegelijkertijd de internationale toeleveringsketen veilig te stellen, en

f)    de samenwerking tussen de partijen op het gebied van douaneaangelegenheden en handelsbevordering te verbeteren.

ARTIKEL 4.2

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op aangelegenheden in verband met de douanewetgeving, de overige handelsgerelateerde wet- en regelgeving en de algemene handelsgerelateerde administratieve procedures van elke partij, met inbegrip van de toepassing daarvan op tussen de partijen verhandelde goederen, alsook de samenwerking tussen de partijen.


2.    Dit hoofdstuk laat de rechten en verplichtingen van een partij uit hoofde van de hoofdstukken 6 en 7 onverlet.

3.    In geval van strijdigheid tussen dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 heeft hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.

4.    Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd de verwezenlijking van de legitieme beleidsdoelstellingen van elke partij en haar verplichtingen uit hoofde van internationale overeenkomsten waarbij zij partij is, wat betreft de bescherming van:

a)    de openbare zeden;

b)    het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;

c)    nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed, of

d)    het milieu.

5.    De bepalingen van dit hoofdstuk worden door elke partij uitgevoerd in overeenstemming met haar wet- en regelgeving. Elke partij maakt op passende wijze gebruik van haar beschikbare middelen voor de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.


ARTIKEL 4.3

Transparantie

1.    Elke partij ziet erop toe dat haar douanewetgeving en overige handelsgerelateerde wet- en regelgeving alsmede haar algemene administratieve procedures en relevante algemeen toepasselijke informatie in verband met handel worden bekendgemaakt en voor elke belanghebbende gemakkelijk beschikbaar en toegankelijk zijn, in voorkomend geval onder meer via het internet.

2.    Elke partij maakt haar douanewetgeving, overige handelsgerelateerde wet- en regelgeving en algemene administratieve procedures in verband met handel zo vroeg mogelijk vóór de inwerkingtreding ervan bekend en gemakkelijk beschikbaar, zodat elke belanghebbende hiervan kennis kan nemen, behalve:

a)    in dringende gevallen;

b)    in geval van geringe wijzigingen van die wet- en regelgeving of algemene administratieve procedures;

c)    ingeval de doeltreffendheid van die wet- en regelgeving of de handhaving ervan wordt ondermijnd door voorafgaande bekendmaking, of

d)    in geval van maatregelen die een verlichting meebrengen.


3.    Elke partij wijst één of meer informatiepunten aan voor de beantwoording van redelijke verzoeken van belanghebbenden om inlichtingen over aangelegenheden die vallen onder lid 1. De informatiepunten beantwoorden dergelijke verzoeken om inlichtingen en verstrekken alle desbetreffende formulieren en documenten binnen een door elke partij vastgestelde redelijke termijn.

4.    Elke partij voorziet in voorkomend geval in regelmatig overleg tussen haar douaneautoriteit en andere instanties op handelsgebied en handelaren of andere belanghebbenden die zich op haar grondgebied bevinden.

5.    Informatie over retributies en heffingen wordt bekendgemaakt overeenkomstig de leden 1 en 2. Die informatie bestrijkt de retributies en heffingen die zullen worden toegepast, de reden voor dergelijke retributies en heffingen, de bevoegde autoriteit alsmede het tijdstip en de wijze van betaling. Dergelijke retributies en heffingen worden pas toegepast nadat de informatie daarover is bekendgemaakt.

ARTIKEL 4.4

Procedures voor invoer, uitvoer en doorvoer

1.    Elke partij past haar douanewetgeving en overige handelsgerelateerde wet- en regelgeving op voorspelbare, consistente, transparante en niet-discriminerende wijze toe.


2.    Elke partij waarborgt dat haar douaneprocedures:

a)    in overeenstemming zijn met de internationale normen en aanbevolen praktijken die voor elke partij op het gebied van douaneprocedures gelden, zoals die welke zijn vastgelegd onder de auspiciën van de Werelddouaneorganisatie 14 (hierna de "WDO" genoemd), met inbegrip van de materiële elementen van het Protocol houdende wijziging van de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, gedaan te Brussel op 26 juni 1999, het Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, gedaan te Brussel op 14 juni 1983, alsmede het Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade van de WDO (hierna het "SAFE-kader" genoemd);

b)    erop gericht zijn de legitieme handel te bevorderen, rekening houdend met de ontwikkeling van handelspraktijken, en tegelijkertijd waarborgen dat aan haar wet- en regelgeving wordt voldaan;

c)    voorzien in doeltreffende handhaving in geval van overtredingen van haar wet- en regelgeving inzake douaneprocedures, met inbegrip van de ontduiking van heffingen en smokkel, en

d)    geen verplichte inschakeling van douane-expediteurs en geen inspecties vóór verzending omvatten.


3.    Elke partij stelt maatregelen vast dan wel handhaaft maatregelen waarbij een gunstige behandeling met betrekking tot douanecontroles vóór de vrijgave van goederen wordt toegekend aan handelaren of marktdeelnemers die voldoen aan de in haar wet- en regelgeving vermelde criteria.

4.    Elke partij bevordert de ontwikkeling en het gebruik van geavanceerde systemen, waaronder die welke gebaseerd zijn op informatie- en communicatietechnologie, om de uitwisseling van elektronische gegevens tussen handelaren of marktdeelnemers en haar douaneautoriteit en andere instanties op handelsgebied te vergemakkelijken.

5.    Elke partij streeft ernaar de door haar douaneautoriteit en andere instanties op handelsgebied verlangde gegevens en documentatie verder te vereenvoudigen en te standaardiseren.

ARTIKEL 4.5

Vrijgave van goederen

Elke partij stelt douaneprocedures in dan wel handhaaft douaneprocedures die:

a)    voorzien in de onmiddellijke vrijgave van goederen binnen een tijdvak dat niet langer is dan vereist om te waarborgen dat aan haar wet- en regelgeving wordt voldaan;


b)    het mogelijk maken dat de documentatie en alle andere vereiste informatie vóór de aankomst van de goederen elektronisch worden ingediend en elektronisch worden verwerkt, en

c)    het mogelijk maken dat goederen vóór de uiteindelijke vaststelling van douanerechten, belastingen, retributies en heffingen worden vrijgegeven, mits, indien vereist op grond van haar wet- en regelgeving, zekerheid wordt gesteld voor de eindbetaling daarvan.

ARTIKEL 4.6

Vereenvoudiging van douaneprocedures

1.    Elke partij streeft naar vereenvoudiging van haar vereisten en formaliteiten voor douaneprocedures met het oog op de besparing van tijd en kosten voor handelaren of marktdeelnemers, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen.

2.    Elke partij stelt maatregelen vast dan wel handhaaft maatregelen op grond waarvan handelaren of marktdeelnemers die voldoen aan de in haar wet- en regelgeving vermelde criteria, voor verdere vereenvoudiging van douaneprocedures in aanmerking kunnen komen. Deze vereenvoudiging kan inhouden dat het mogelijk is na de vrijgave van de goederen periodiek aangifte te doen voor de vaststelling en betaling van douanerechten en belastingen over meerdere binnen een bepaalde periode ingevoerde partijen.


3.    Elke partij stelt programma's vast dan wel handhaaft programma's op grond waarvan marktdeelnemers die voldoen aan de in haar wet- en regelgeving vermelde criteria, nader in aanmerking kunnen komen voor of gemakkelijker toegang kunnen hebben tot de vereenvoudiging als bedoeld in lid 2.

ARTIKEL 4.7

Besluiten vooraf

1.    Elke partij stelt via haar douaneautoriteit een besluit vooraf vast waarin de op de betrokken goederen toe te passen behandeling wordt omschreven. Dat besluit wordt op passende wijze en tijdig vastgesteld ten aanzien van een aanvrager die een schriftelijk verzoek met alle nodige gegevens, ook in elektronische vorm, heeft ingediend in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de partij die het besluit vaststelt.

2.    Een besluit vooraf heeft betrekking op de tariefindeling van de goederen, de oorsprong van de goederen, met inbegrip van de kwalificatie daarvan als goederen van oorsprong uit hoofde van hoofdstuk 3, of enige andere door de partijen overeengekomen aangelegenheid, met name wat betreft de passende methode of de passende criteria voor de bepaling van de douanewaarde van de goederen.

3.    Een partij mag haar besluiten vooraf, onder voorbehoud van eventuele vertrouwelijkheidsvereisten ingevolge haar wet- en regelgeving, bekendmaken, onder meer via het internet.


ARTIKEL 4.8

Beroep en toetsing

1.    Elke partij waarborgt dat iedere persoon ten aanzien van wie haar douaneautoriteit of andere instanties op handelsgebied een administratief besluit nemen, het recht heeft om beroep in te stellen of om toetsing te verzoeken.

2.    Het beroep of de toetsing omvatten:

a)    administratief beroep bij of administratieve toetsing door een hoger bestuursorgaan of een bestuursorgaan dat onafhankelijk is van de functionaris of de dienst die het besluit heeft genomen, of

b)    beroep in rechte tegen of rechterlijke toetsing van het besluit.

3.    Elke partij ziet erop toe dat, ingeval de beslissing op het beroep of de toetsing als bedoeld in lid 2, onder a), niet binnen de in haar wet- en regelgeving bepaalde termijn of niet zonder onnodige vertraging wordt gegeven, de in lid 1 bedoelde persoon het recht heeft om een nieuw administratief beroep of beroep in rechte in te stellen of om een nieuwe administratieve of rechterlijke toetsing te verzoeken.

4.    Elke partij ziet erop toe dat de in lid 1 bedoelde persoon in kennis wordt gesteld van de redenen voor het administratieve besluit, zodat hij indien nodig gebruik kan maken van de beroeps- of toetsingsprocedures.


ARTIKEL 4.9

Risicobeheer

1.    Elke partij zet een risicobeheersysteem op dan wel handhaaft een risicobeheersysteem dat haar douaneautoriteit in staat stelt de inspectieactiviteiten op hoogrisicozendingen toe te spitsen en dat ervoor zorgt dat laagrisicozendingen snel worden vrijgegeven.

2.    Elke partij baseert haar risicobeheer op een beoordeling van de risico's aan de hand van passende selectiviteitscriteria.

3.    Een partij kan als onderdeel van haar risicobeheer ook op willekeurige basis zendingen voor de in lid 1 bedoelde inspectieactiviteiten selecteren.

4.    Elke partij ontwerpt en past het risicobeheer toe op zodanige wijze dat willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de internationale handel wordt vermeden.


ARTIKEL 4.10

Controle na douaneafhandeling

1.    Ter bespoediging van de vrijgave van de goederen stelt elke partij controles na douaneafhandeling in dan wel handhaaft zij controles na douaneafhandeling, teneinde de naleving van haar douanewetgeving en overige handelsgerelateerde wet- en regelgeving te verzekeren. De douaneautoriteit van elke partij gebruikt de resultaten van de door haar verrichte controles na douaneafhandeling bij de toepassing van het risicobeheer als bedoeld in artikel 4.9. Een partij kan bepalen dat haar douaneautoriteit bij de toepassing van het risicobeheer de resultaten van de door andere instanties op handelsgebied verrichte controles na douaneafhandeling gebruikt, en omgekeerd.

2.    Elke partij selecteert een persoon of een zending voor de controles na douaneafhandeling op risicogebaseerde wijze, waarbij ook gebruik kan worden gemaakt van passende selectiviteitscriteria. Elke partij voert de controles na douaneafhandeling op transparante wijze uit. Wanneer de persoon bij het controleproces betrokken is en de controle uitsluitsel heeft gegeven, stelt de partij de persoon wiens administratie het voorwerp van de controle is, zonder vertraging in kennis van de resultaten, van zijn rechten en plichten alsmede van de redenen voor de resultaten.


ARTIKEL 4.11

Doorvoer en overlading

Elke partij stelt procedures in dan wel handhaaft procedures ter bevordering van het verkeer vanuit of naar de andere partij van goederen die door haar douanegebied worden doorgevoerd of binnen haar douanegebied worden overgeladen, met behoud van passende controles.

ARTIKEL 4.12

Douanesamenwerking

1.    Zonder afbreuk te doen aan andere vormen van samenwerking waarin deze overeenkomst voorziet en onverminderd artikel 1.6, werken de douaneautoriteiten van de partijen samen, onder meer door het uitwisselen van informatie, en verlenen zij elkaar wederzijdse administratieve bijstand in de in dit hoofdstuk bedoelde aangelegenheden, overeenkomstig de CMAA.


2.    De douaneautoriteiten van de partijen verbeteren op de volgende gebieden de samenwerking bij de in dit hoofdstuk bedoelde aangelegenheden met het oog op de verdere ontwikkeling van de handelsbevordering, waarbij zij erop toezien dat hun respectieve douanewetgeving wordt nageleefd en zij de continuïteit van de toeleveringsketen bevorderen:

a)    samenwerking op het gebied van de verdere vereenvoudiging van de douaneprocedures, rekening houdend met de ontwikkeling van de handelspraktijken;

b)    samenwerking op het gebied van de harmonisatie van de gegevensvereisten voor douanedoeleinden, in overeenstemming met toepasselijke internationale normen zoals de normen van de WDO;

c)    samenwerking op het gebied van de verdere uitwerking van de douanegerelateerde aspecten van de beveiliging en vergemakkelijking van de internationale toeleveringsketen overeenkomstig het SAFE-kader;

d)    samenwerking op het gebied van de verbetering van hun risicobeheertechnieken, onder meer door het uitwisselen van beste praktijken en, in voorkomend geval, risico-informatie en resultaten van controles;

e)    samenwerking met het oog op de verdere uitwerking van de maatregelen als bedoeld in artikel 4.4, lid 3, en artikel 4.6, lid 2, of de programma's als bedoeld in artikel 4.6, lid 3, met inbegrip van de mogelijkheid voor zodanige samenwerking dat de handelaren of marktdeelnemers van een partij in aanmerking kunnen komen voor de maatregelen of de programma's van de andere partij;


f)    samenwerking en coördinatie in internationale organisaties zoals de WTO en de WDO, met betrekking tot aangelegenheden van gemeenschappelijk belang, onder meer tariefindeling, douanewaarde en oorsprong, met het oog op de vaststelling, zo mogelijk, van gemeenschappelijke standpunten, en

g)    samenwerking bij de rechtshandhaving in de strijd tegen de handel in verboden goederen.

3.    De douaneautoriteiten van de partijen waarborgen de uitwisseling van gegevens die nodig zijn voor de toepassing van lid 2.

ARTIKEL 4.13

Tijdelijke invoer

Ten behoeve van de tijdelijke invoer van goederen als bedoeld in artikel 2.10 en ongeacht de oorsprong van die goederen aanvaardt elke partij, overeenkomstig de procedures die zijn vastgelegd in internationale overeenkomsten betreffende tijdelijke invoer en die door de partij worden toegepast, in de andere partij afgegeven ATA-carnets 15 .


ARTIKEL 4.14

Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden (hierna in dit hoofdstuk "het Comité" genoemd) is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke toepassing en werking van dit hoofdstuk en de douanegerelateerde aangelegenheden van hoofdstuk 2 en artikel 14.51, naast de andere in artikel 3.28, lid 1, vermelde taken 16 .

2.    Het Comité houdt gezamenlijke vergaderingen met het bij de CMAA ingestelde Gemengd Comité Douanesamenwerking (hierna in dit hoofdstuk "het JCCC" genoemd), tenzij deze gezamenlijke vergaderingen niet noodzakelijk zijn om de samenhang bij de toepassing en de werking van de bepalingen als bedoeld in lid 1 en in de CMAA te waarborgen 17 .

3.    De partijen zien erop toe dat hun delegaties naar de vergaderingen van het Comité aldus worden samengesteld dat de agendapunten worden bestreken.


4.    Onverminderd de taken van het JCCC heeft het Comité de volgende taken:

a)    behandelen van alle aangelegenheden in verband met de toepassing en werking van de in lid 1 bedoelde bepalingen;

b)    vaststellen op welke gebieden de toepassing en werking van de in lid 1 bedoelde bepalingen kan worden verbeterd;

c)    fungeren als mechanisme voor het snel bereiken van onderling overeengekomen oplossingen met betrekking tot alle aangelegenheden die worden bestreken door de in lid 1 bedoelde bepalingen;

d)    opstellen van resoluties, aanbevelingen of adviezen met betrekking tot acties of maatregelen die het noodzakelijk acht voor het verwezenlijken van de doelstellingen en de doeltreffende werking van dit hoofdstuk;

e)    beslissen welke acties door een partij of de partijen moeten worden ondernomen of welke maatregelen door een partij of de partijen moeten worden uitgevoerd op de in artikel 4.12, lid 2, bedoelde gebieden, die het noodzakelijk acht voor het verwezenlijken van de doelstellingen en de doeltreffende werking van dit hoofdstuk, en

f)    verrichten van andere taken die ingevolge artikel 22.1, lid 5, onder b), door het Gemengd Comité kunnen worden gedelegeerd.


HOOFDSTUK 5

HANDELSMAATREGELEN

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 5.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    "interne bedrijfstak": de gezamenlijke producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende goederen die in een partij actief zijn of die producenten waarvan de gezamenlijke productie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende goederen een groot deel van de totale interne productie van die goederen uitmaakt;

b)    "ernstige schade": een aanmerkelijke algemene achteruitgang van de situatie van een interne bedrijfstak;


c)    "dreiging van ernstige schade": een duidelijk risico van ernstige schade in de nabije toekomst, in overeenstemming met het onderzoek als bedoeld in artikel 5.4, lid 3. De vaststelling dat er een dreiging van ernstige schade bestaat moet zijn gebaseerd op feiten en niet louter op beweringen, vermoedens of vage mogelijkheden, en

d)    "overgangsperiode": wat een bepaald goed van oorsprong betreft, de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst tot tien jaar na de datum waarop de tariefverlaging of -afschaffing voor dat goed is voltooid overeenkomstig bijlage 2-A.

AFDELING B

Bilaterale vrijwaringsmaatregelen

ARTIKEL 5.2

Toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen

1.    Als, wegens de afschaffing of verlaging van een douanerecht ingevolge artikel 2.8, een goed van oorsprong uit de ene partij in de andere partij wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige voorwaarden dat een interne bedrijfstak ernstige schade lijdt of dreigt te lijden, kan de andere partij de in lid 2 bedoelde maatregelen vaststellen voor zover zij noodzakelijk zijn om de ernstige schade voor de interne bedrijfstak van de andere partij te voorkomen of te herstellen en om de aanpassing van de interne bedrijfstak te vergemakkelijken.


2.    Bilaterale vrijwaringsmaatregelen kunnen bestaan in:

a)    de schorsing van de in hoofdstuk 2 voorziene verdere verlaging van het douanerecht op het goed van oorsprong, of

b)    de verhoging van het douanerecht op het goed van oorsprong tot een niveau dat niet hoger ligt dan het laagste van de volgende rechten:

i)    het meestbegunstigingsrecht dat geldt op de datum waarop de bilaterale vrijwaringsmaatregel wordt toegepast, of

ii)    het meestbegunstigingsrecht dat geldt op de dag onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.


ARTIKEL 5.3

Voorwaarden en beperkingen

1.    Een bilaterale vrijwaringsmaatregel wordt slechts gehandhaafd voor zover en zo lang als noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en om de aanpassing van de interne bedrijfstak te vergemakkelijken, mits deze periode niet langer is dan twee jaar. Een bilaterale vrijwaringsmaatregel kan echter worden verlengd, mits de totale looptijd van de bilaterale vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van dergelijke verlengingen, niet meer dan vier jaar bedraagt.

2.    Bilaterale vrijwaringsmaatregelen mogen uitsluitend tijdens de overgangsperiode worden toegepast.

3.    Om de aanpassing te vergemakkelijken wanneer de verwachte looptijd van een bilaterale vrijwaringsmaatregel meer dan één jaar bedraagt, wordt de bilaterale vrijwaringsmaatregel door de partij die de maatregel handhaaft op gezette tijden tijdens de uitvoeringsperiode geleidelijk geliberaliseerd.

4.    Op de invoer van een bepaald goed van oorsprong dat reeds voorwerp van een bilaterale vrijwaringsmaatregel was wordt gedurende een periode die gelijk is aan de looptijd van de vorige bilaterale vrijwaringsmaatregel of gedurende één jaar, indien dit langer is, geen bilaterale vrijwaringsmaatregel toegepast.


5.    Bij de beëindiging van een bilaterale vrijwaringsmaatregel is het douanerecht voor het goed van oorsprong waarvoor de maatregel geldt, het recht dat zonder de bilaterale vrijwaringsmaatregel van toepassing zou zijn geweest.

ARTIKEL 5.4

Onderzoek

1.    Een partij mag een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts toepassen nadat haar bevoegde autoriteit 18 een onderzoek heeft verricht volgens dezelfde procedures als die welke zijn voorzien in artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

2.    Het onderzoek wordt in alle gevallen voltooid binnen één jaar na de datum van opening ervan.


3.    Bij dit onderzoek dat dient om vast te stellen of de toename van de invoer van een goed van oorsprong ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor een interne bedrijfstak, evalueert de bevoegde autoriteit die het onderzoek verricht alle ter zake dienende factoren van objectieve en kwantificeerbare aard die van invloed zijn op de situatie van die interne bedrijfstak. Die factoren omvatten met name het tempo en de omvang van de toename van de invoer van het goed van oorsprong in absolute en relatieve cijfers, het door de toename van de invoer van het goed van oorsprong veroverde deel van de interne markt alsmede wijzigingen in de omvang van de verkoop, de productie, de productiviteit, de bezettingsgraad, winst en verlies en de werkgelegenheid.

4.    Er wordt pas vastgesteld dat de toename van de invoer van een goed van oorsprong ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor een interne bedrijfstak, als uit het onderzoek op basis van objectief bewijsmateriaal blijkt dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de toename van de invoer van het goed van oorsprong en de ernstige schade of dreiging van ernstige schade voor de interne bedrijfstak. Bij deze vaststelling worden andere factoren dan de toename van de invoer van het goed van oorsprong die op hetzelfde ogenblik ook schade veroorzaken voor de interne bedrijfstak, in aanmerking worden genomen.


ARTIKEL 5.5

Kennisgeving

1.    Een partij stelt de andere partij onverwijld in kennis van:

a)    de opening van een onderzoek als bedoeld in artikel 5.4, lid 1, met betrekking tot ernstige schade of de dreiging van ernstige schade alsmede van de redenen daarvoor;

b)    de vaststelling dat er sprake is van ernstige schade of dreiging van ernstige schade veroorzaakt door een toename van de invoer, en

c)    de vaststelling van een besluit tot toepassing of verlenging van een vrijwaringsmaatregel.

2.    De kennisgevende partij als bedoeld in lid 1 verstrekt de andere partij alle ter zake dienende informatie, waaronder:

a)    in geval van een kennisgeving als bedoeld in lid 1, onder a), de redenen voor de opening van het onderzoek, een nauwkeurige omschrijving van het goed van oorsprong waarop het onderzoek betrekking heeft en de desbetreffende onderverdeling in het geharmoniseerd systeem, de verwachte duur van het onderzoek alsmede de datum van opening van het onderzoek, en


b)    in geval van een kennisgeving als bedoeld in lid 1, onder b) en c), bewijzen waaruit blijkt dat de toename van de invoer van het goed van oorsprong ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, een nauwkeurige omschrijving van het goed van oorsprong waarop de voorgenomen bilaterale vrijwaringsmaatregel betrekking heeft en de desbetreffende onderverdeling in het geharmoniseerd systeem, een nauwkeurige omschrijving van de voorgenomen bilaterale vrijwaringsmaatregel, alsmede de voorgestelde datum van de invoering en de verwachte looptijd van de bilaterale vrijwaringsmaatregel.

ARTIKEL 5.6

Overleg en compensaties

1.    Een partij die voornemens is een bilaterale vrijwaringsmaatregel toe te passen of te verlengen biedt voldoende gelegenheid tot voorafgaand overleg met de andere partij, met het oog op toetsing van de informatie die uit het onderzoek als bedoeld in artikel 5.4, lid 1, naar voren komt, het uitwisselen van standpunten over de bilaterale vrijwaringsmaatregel en het bereiken van overeenstemming over de in dit artikel bedoelde compensatie.

2.    Een partij die voornemens is een bilaterale vrijwaringsmaatregel toe te passen of te verlengen biedt de andere partij in onderlinge overeenstemming passende middelen voor handelscompensatie in de vorm van tariefconcessies, die in wezen gelijkwaardig zijn aan de aanvullende douanerechten die naar verwachting als gevolg van de bilaterale vrijwaringsmaatregel zullen worden toegepast.


3.    Wanneer de partijen binnen dertig dagen na de aanvang van het overleg geen overeenstemming over de compensatie kunnen bereiken, staat het de partij op het goed van oorsprong waarvan de bilaterale vrijwaringsmaatregel wordt toegepast vrij over te gaan tot schorsing van de toepassing van tariefconcessies op grond van deze overeenkomst, die in wezen gelijkwaardig zijn aan de aanvullende douanerechten die als gevolg van de bilaterale vrijwaringsmaatregel zullen worden toegepast. De partij die het recht van schorsing uitoefent, mag de toepassing van tariefconcessies slechts schorsen zo lang als noodzakelijk is om de in wezen gelijke werking te bereiken en slechts gedurende de tijd dat de bilaterale vrijwaringsmaatregel wordt gehandhaafd.

4.    Onverminderd het bepaalde in lid 3 mag het in dat lid bedoelde recht van schorsing niet worden uitgeoefend tijdens de eerste 24 maanden dat een bilaterale vrijwaringsmaatregel wordt toegepast, op voorwaarde dat de bilaterale vrijwaringsmaatregel is genomen als gevolg van een absolute toename van de invoer en in overeenstemming is met de bepalingen van deze overeenkomst.


ARTIKEL 5.7

Voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregelen

1.    In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, kan een partij een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 5.2, lid 2, onder a) of b), nadat zij voorlopig heeft vastgesteld dat er duidelijke bewijzen voorhanden zijn waaruit blijkt dat de toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de andere partij ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor een interne bedrijfstak van de partij die voornemens is de voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toe te passen.

2.    Een partij stelt de andere partij uiterlijk op de toepassingsdatum van de door haar voorgenomen voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel schriftelijk van die maatregel in kennis. De partijen treden onmiddellijk nadat de voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel wordt toegepast, met elkaar in overleg over de toepassing van die maatregel. De kennisgeving moet vergezeld gaan van bewijzen voor het bestaan van kritieke omstandigheden, bewijzen waaruit blijkt dat de toename van de invoer van het goed van oorsprong ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, een nauwkeurige omschrijving van het goed van oorsprong waarop de voorgenomen voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel betrekking heeft en de desbetreffende onderverdeling in het geharmoniseerd systeem alsmede een nauwkeurige omschrijving van de voorgenomen voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel.


3.    De looptijd van een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel mag niet meer bedragen dan tweehonderd dagen. Gedurende die periode moet worden voldaan aan de ter zake geldende voorschriften van artikel 5.4. De looptijd van de voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel wordt bij de periode als bedoeld in artikel 5.3, lid 1, gerekend.

4.    Artikel 5.3, lid 5, is mutatis mutandis van toepassing op een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel. Het als gevolg van de voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel ingestelde douanerecht wordt terugbetaald indien bij het daaropvolgende onderzoek als bedoeld in artikel 5.4, lid 1, niet wordt vastgesteld dat de toename van de invoer van het goed van oorsprong waarop de voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel betrekking heeft ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigde te veroorzaken voor een interne bedrijfstak.

ARTIKEL 5.8

Diversen

De kennisgevingen als bedoeld in artikel 5.5, lid 1, en artikel 5.7, lid 2, alsmede alle overige mededelingen tussen de partijen in het kader van deze afdeling worden opgesteld in het Engels.


AFDELING C

Algemene vrijwaringsmaatregelen

ARTIKEL 5.9

Algemene bepalingen

1.    Niets in dit hoofdstuk belet een partij op een goed van oorsprong uit de andere partij vrijwaringsmaatregelen toe te passen in overeenstemming met artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

2.    De bepalingen van deze afdeling kunnen geen voorwerp zijn van geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21.


ARTIKEL 5.10

Toepassing van vrijwaringsmaatregelen

Een partij past noch toe noch handhaaft met betrekking tot hetzelfde goed tegelijkertijd:

a)    een bilaterale vrijwaringsmaatregel als bedoeld in afdeling B;

b)    een maatregel overeenkomstig artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, of

c)    een vrijwaringsmaatregel als bedoeld in bijlage 2-A, deel 3, afdeling C.

AFDELING D

Antidumping- en compenserende maatregelen

ARTIKEL 5.11

Algemene bepalingen

1.    De partijen behouden hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de Antidumpingovereenkomst en de SCM-Overeenkomst.


2.    De bepalingen van deze afdeling kunnen geen voorwerp zijn van geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21.

3.    Hoofdstuk 3 is niet van toepassing op antidumping- en compenserende maatregelen ingevolge deze overeenkomst.

ARTIKEL 5.12

Transparantie en mededeling van belangrijkste feiten

1.    Elke partij verricht antidumping- en antisubsidieonderzoeken op eerlijke en transparante wijze en op basis van de Antidumpingovereenkomst en de SCM-Overeenkomst.

2.    Vóór of onmiddellijk na de instelling van voorlopige maatregelen als bedoeld in artikel 7 van de Antidumpingovereenkomst en artikel 17 van de SCM-Overeenkomst en in elk geval vóór de definitieve vaststelling ervan ziet elke partij erop toe dat de belangrijkste feiten en overwegingen die ten grondslag liggen aan de beslissing of voorlopige en definitieve maatregelen worden toegepast, volledig worden meegedeeld. Voor die mededeling gelden de vereisten inzake vertrouwelijkheid als bedoeld in artikel 6.5 van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12.4 van de SCM-Overeenkomst onverkort. Die mededeling geschiedt schriftelijk en moet tijdig genoeg gebeuren om de belanghebbenden in staat te stellen hun belangen te verdedigen.


3.    De mededeling van de belangrijkste feiten overeenkomstig lid 2 bevat met name:

a)    in geval van een antidumpingonderzoek, de vastgestelde dumpingmarges, een voldoende gedetailleerde uiteenzetting van de grondslag en de methode voor de vaststelling van de normale waarden en de uitvoerprijzen alsmede van de methode die werd gebruikt bij de vergelijking van de normale waarden en de uitvoerprijzen, daaronder begrepen eventuele correcties;

b)    in geval van een antisubsidieonderzoek, de vaststelling van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidiëring, daaronder begrepen voldoende details over de berekening van de hoogte van de subsidiëring en de methode die werd toegepast om te bepalen of er sprake was van subsidiëring, en

c)    informatie die van belang is voor het vaststellen van schade, daaronder begrepen informatie over de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen op de interne markt voor soortgelijke goederen, de precieze methode die is gebruikt voor de berekening van de prijsonderbieding alsmede de gevolgen van de invoer met dumping voor de interne bedrijfstak, en voor het aantonen van een oorzakelijk verband, daaronder begrepen het onderzoek van andere factoren dan de invoer met dumping als bedoeld in artikel 3.5 van de Antidumpingovereenkomst.


4.    In gevallen waarin een onderzoekende autoriteit 19 van een partij voornemens is gebruik te maken van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 6.8 van de Antidumpingovereenkomst, stelt zij de betrokken belanghebbende van haar voornemen in kennis en vermeldt zij duidelijk welke redenen aanleiding kunnen zijn van de beschikbare gegevens gebruik te maken. Wanneer de onderzoekende autoriteit de betrokken belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld binnen een redelijke termijn nadere toelichtingen te verstrekken en zij deze toelichtingen niet bevredigend acht, vermeldt zij in de mededeling van de belangrijkste feiten duidelijk van welke beschikbare gegevens zij in plaats daarvan heeft gebruikgemaakt.

ARTIKEL 5.13

Overweging van algemeen belang

Wanneer de onderzoekende autoriteit van de partij van invoer antidumping- en antisubsidieonderzoeken met betrekking tot een goed verricht, stelt zij de producenten van het soortgelijke goed in de partij van invoer, de importeurs van het goed, de industriële gebruikers van het goed en, wanneer het goederen betreft die gewoonlijk in de detailhandel worden verkocht, de representatieve consumentenorganisaties in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de partij van invoer in de gelegenheid schriftelijk hun standpunt mee te delen met betrekking tot het antidumping- en antisubsidieonderzoek, onder meer wat betreft de mogelijke gevolgen van een recht voor hun situatie.


ARTIKEL 5.14

Antidumpingonderzoek

Wanneer de onderzoekende autoriteit van de partij van invoer een schriftelijk verzoek van of namens de interne bedrijfstak van die partij om opening van een antidumpingonderzoek met betrekking tot een goed van de partij van uitvoer heeft ontvangen, stelt de partij van invoer de partij van uitvoer ten minste tien dagen vóór de opening van een dergelijk onderzoek van dat verzoek in kennis.

HOOFDSTUK 6

SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

ARTIKEL 6.1

Doelstellingen

Dit hoofdstuk heeft tot doel:

a)    het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen door het opstellen, vaststellen en toepassen van sanitaire en fytosanitaire maatregelen en tegelijkertijd de negatieve gevolgen ervan voor de handel tussen de partijen zoveel mogelijk te beperken;


b)    de samenwerking tussen de partijen bij de uitvoering van de SPS-Overeenkomst te bevorderen, en

c)    middelen ter verbetering van de communicatie en de samenwerking tussen de partijen, een kader voor het behandelen van aangelegenheden in verband met de uitvoering van sanitaire en fytosanitaire maatregelen alsmede middelen voor het bereiken van wederzijds aanvaardbare oplossingen ter beschikking te stellen.

ARTIKEL 6.2

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de partijen in het kader van de SPS-Overeenkomst die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden.

ARTIKEL 6.3

Definities

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage A bij de SPS-Overeenkomst.


2.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

a)    "invoervoorwaarden": alle sanitaire of fytosanitaire maatregelen die moeten worden nageleefd met het oog op de invoer van producten, en

b)    "beschermd gebied": een officieel afgebakend geografisch deel van het grondgebied van elke partij waarin een bepaald gereguleerd schadelijk organisme ondanks gunstige voorwaarden voor vestiging ervan niet voorkomt, terwijl het in andere delen van het grondgebied van de partij wel voorkomt.

3.    Daarnaast kan het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen andere definities voor de toepassing van dit hoofdstuk overeenkomen, daarbij rekening houdend met de glossaria en definities die zijn opgesteld door relevante internationale organisaties, zoals de Codex Alimentarius Commissie (hierna de "Codex Alimentarius" genoemd), de Wereldorganisatie voor diergezondheid (hierna de "OIE" genoemd) en de relevante internationale organisaties die werkzaam zijn in het kader van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (hierna het "IPPC" genoemd). In geval van strijdigheid tussen de door het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen overeengekomen definities en de definities van de SPS-Overeenkomst hebben laatstbedoelde definities voorrang.


ARTIKEL 6.4

Verhouding tot WTO-overeenkomst

De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen in verband met sanitaire en fytosanitaire maatregelen in het kader van de SPS-Overeenkomst. Dit hoofdstuk laat de rechten en verplichtingen van elke partij uit hoofde van de SPS-Overeenkomst onverlet.

ARTIKEL 6.5

Bevoegde autoriteiten en contactpunten

1.    Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst verstrekt elke partij de andere partij een beschrijving van de ter zake van de uitvoering van dit hoofdstuk bevoegde autoriteiten en wijst zij een contactpunt aan dat is belast met de communicatie over alle aangelegenheden waarop dit hoofdstuk betrekking heeft.

2.    Elke partij stelt de andere partij in kennis van alle belangrijke wijzigingen in de structuur, de organisatie en de taakverdeling van haar bevoegde autoriteiten en ziet erop toe dat de informatie over de contactpunten wordt geactualiseerd.


ARTIKEL 6.6

Risicobeoordeling

De partijen waarborgen dat hun sanitaire en fytosanitaire maatregelen worden gebaseerd op een risicobeoordeling in overeenstemming met artikel 5 en andere relevante bepalingen van de SPS-Overeenkomst.

ARTIKEL 6.7

Invoervoorwaarden, invoerprocedures en handelsbevordering

1.    De partij van invoer stelt met het oog op het bereiken van het passende niveau van bescherming invoervoorwaarden vast, waar nodig onder voorbehoud van en met inaanmerkingneming van overleg tussen de partijen.

2.    Onverminderd de rechten en verplichtingen van elke partij uit hoofde van de SPS-Overeenkomst moet de partij van invoer de invoervoorwaarden voor producten op verzoek van de partij van uitvoer op consistente wijze ten aanzien van het gehele grondgebied van de partij van uitvoer toepassen.

3.    De leden 1 en 2 laten de op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst tussen de partijen bestaande invoervoorwaarden onverlet. De partijen nemen elk verzoek om herziening van die invoervoorwaarden in overweging.


4.    Elke partij ziet er wat betreft de invoerprocedures om de naleving van sanitaire of fytosanitaire maatregelen te controleren en te waarborgen, daaronder begrepen de goedkeurings- en douaneafhandelingsprocedures, op toe dat:

a)    dergelijke procedures vereenvoudigde en versnelde procedures zijn die zonder onnodige vertraging worden voltooid, in overeenstemming met de SPS-Overeenkomst;

b)    dergelijke procedures niet worden toegepast op een wijze die willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie jegens de andere partij vormt;

c)    de normale duur van elke procedure wordt bekendgemaakt of dat, op verzoek van de betrokkene, de verwachte duur van de procedure wordt meegedeeld, en

d)    slechts inlichtingen worden gevraagd voor zover die nodig zijn voor passende controle-, inspectie- en goedkeuringsprocedures, daaronder begrepen procedures voor de goedkeuring van het gebruik van additieven in voedingsmiddelen, drank of diervoeder of voor de vaststelling van toleranties voor contaminanten daarin.

5.    Met inachtneming van de toepasselijke normen die zijn opgesteld in het kader van het IPPC, houden de partijen adequate informatie bij over hun status inzake plaagorganismen alsmede over hun programma's voor de bewaking, uitroeiing en indamming en de resultaten ervan, ter ondersteuning van de categorisering van plaagorganismen en ter rechtvaardiging van fytosanitaire invoervoorwaarden.


6.    Elke partij stelt lijsten van gereglementeerde plaagorganismen op voor goederen 20 waarvoor een fytosanitair belang bestaat. De lijsten bevatten, voor zover van toepassing:

a)    quarantaineorganismen waarvan niet bekend is dat zij in enig deel van haar grondgebied voorkomen;

b)    quarantaineorganismen waarvan bekend is dat zij in enig deel van haar grondgebied voorkomen, maar die er niet wijdverbreid zijn en die onder officieel toezicht staan, en

c)    alle andere gereglementeerde plaagorganismen waarvoor fytosanitaire maatregelen kunnen worden genomen.

Voor goederen waarvoor een fytosanitair belang bestaat, worden de invoervoorwaarden beperkt tot maatregelen van de partij van invoer waarmee de afwezigheid van gereglementeerde plaagorganismen wordt gewaarborgd. De partij van invoer zorgt ervoor dat haar lijsten van gereglementeerde goederen en de fytosanitaire invoervoorschriften voor alle gereglementeerde goederen beschikbaar zijn. Deze informatie omvat in voorkomend geval ook de door de partij van invoer voorgeschreven verklaringen inzake specifieke quarantaineorganismen en aanvullende verklaringen op fytosanitaire certificaten.


7.    Wanneer op verzoek van de partij van uitvoer invoervoorwaarden moeten worden vastgesteld:

a)    onderneemt de partij van invoer alle nodige stappen om de invoer van de betrokken producten zonder onnodige vertraging mogelijk te maken;

b)    verstrekt de partij van uitvoer:

i)    alle ter zake dienende informatie waarom door de partij van invoer wordt verzocht, en

ii)    verleent zij de partij van invoer redelijke toegang voor audit en andere relevante procedures.

8.    Wanneer een reeks alternatieve sanitaire of fytosanitaire maatregelen beschikbaar is om het passende beschermingsniveau van de partij van invoer te bereiken, overwegen de partijen, op verzoek van de partij van uitvoer, de keuze van een praktischere oplossing die het handelsverkeer minder sterk belemmert.

9.    Wanneer voor sanitaire of fytosanitaire doeleinden een door de partij van uitvoer opgesteld certificaat wordt vereist, komen de partijen het formaat en de inhoud van het certificaat overeen, daarbij rekening houdend met internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen van de Codex Alimentarius, de OIE of het IPPC.


10.    Elke partij bevordert de implementatie van elektronische certificering en andere technologieën om de handel te vergemakkelijken.

11.    De door functionarissen van de partij van invoer op het grondgebied van de partij van uitvoer verrichte controles hebben tot doel nieuw handelsverkeer te vergemakkelijken. Die controles mogen geen permanente maatregel worden. Wanneer de partij van uitvoer hierom verzoekt en de partij van invoer zonder onnodige vertraging hiermee instemt, wordt een bestaande controlemaatregel door de partij van invoer vervangen door een alternatieve maatregel aan de hand waarvan wordt nagegaan of de overeengekomen voorschriften voor fytosanitaire maatregelen door de partij van uitvoer worden nageleefd.

12.    Zendingen van gereglementeerde goederen worden aanvaard op de grondslag van toereikende waarborgen van de partij van uitvoer, zonder specifieke invoervergunningen in de vorm van een licentie of goedkeuring, tenzij officiële toestemming voor de invoer nodig is, in overeenstemming met de desbetreffende normen, richtsnoeren en aanbevelingen van het IPPC.

13.    De fytosanitaire risicoanalyse begint zo spoedig mogelijk en wordt zonder onnodige vertraging afgesloten.

14.    Overeenkomstig bijlage C, punt 1, onder f), bij de SPS-Overeenkomst moeten eventuele retributies voor de procedures voor uit de partij van uitvoer ingevoerde producten billijk zijn in vergelijking met eventuele retributies die in rekening worden gebracht voor soortgelijke interne producten, met dien verstande dat deze retributies niet hoger mogen zijn dan de werkelijke kosten van de verleende dienst.


ARTIKEL 6.8

Audit

1.    Om vertrouwen in de daadwerkelijke toepassing van dit hoofdstuk te verkrijgen en te bewaren, verlenen de partijen elkaar bijstand bij de uitvoering van audits met betrekking tot:

a)    het volledige inspectie- en certificeringssysteem van de partij van uitvoer of een deel daarvan, en

b)    de resultaten van de in het kader van het inspectie- en certificeringssysteem van de partij van uitvoer verrichte controles.

De partijen voeren die audits uit in overeenstemming met de bepalingen van de SPS-Overeenkomst, daarbij rekening houdend met de toepasselijke internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex Alimentarius, het OIE of het IPPC.

2.    De partij van invoer kan audits uitvoeren door de partij van uitvoer om inlichtingen te verzoeken of door auditbezoeken in de partij van uitvoer af te leggen.

3.    Een auditbezoek wordt uitgevoerd onder de voorwaarden die de partijen vooraf zijn overeengekomen.


4.    De partij van invoer stelt de partij van uitvoer in de gelegenheid schriftelijke opmerkingen over de bevindingen van de audit te maken. De partij van invoer neemt deze opmerkingen in aanmerking alvorens gevolgtrekkingen te maken en eventuele maatregelen te treffen. De partij van invoer doet de partij van uitvoer zonder onnodige vertraging een schriftelijk verslag met haar gevolgtrekkingen toekomen.

5.    De kosten van een auditbezoek komen ten laste van de partij van invoer, tenzij de partijen anders overeenkomen.

ARTIKEL 6.9

Procedure voor opstellen van lijsten van inrichtingen of voorzieningen

1.    Wanneer de partij van invoer dit verlangt, dragen de bevoegde autoriteiten van de partij van uitvoer er zorg voor dat lijsten van inrichtingen of voorzieningen die aan de invoervoorwaarden van de partij van invoer voldoen, worden opgesteld, worden bijgewerkt en aan de partij van invoer worden meegedeeld.

2.    De partij van invoer kan de partij van uitvoer verzoeken om informatie die nodig is voor de beoordeling van de lijsten als bedoeld in lid 1. Tenzij aanvullende informatie is vereist om de vermeldingen op de lijsten te controleren, neemt de partij van invoer alle maatregelen die nodig zijn om de invoer afkomstig van de in de lijst opgenomen inrichtingen of voorzieningen zonder onnodige vertraging mogelijk te maken. Onverminderd het bepaalde in artikel 6.13 omvatten dergelijke maatregelen geen voorafgaande inspectie, tenzij die inspectie is vereist op grond van de wet- en regelgeving van elke partij of anderszins door de partijen wordt overeengekomen.


3.    De partij van invoer kan in overeenstemming met artikel 6.8 audits uitvoeren.

4.    De partij van invoer maakt de in lid 1 bedoelde lijsten, voor zover dienstig, openbaar.

5.    Een partij stelt de andere partij in kennis van haar voornemen tot invoering van nieuwe wet- en regelgeving die binnen het toepassingsgebied van dit artikel valt en stelt de andere partij in de gelegenheid daaromtrent opmerkingen te maken.

ARTIKEL 6.10

Aanpassing aan regionale omstandigheden

1.    De partijen erkennen met betrekking tot dieren, dierlijke producten en dierlijke bijproducten het in de Gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE en in de Gezondheidscode voor waterdieren (Aquatic Animal Health Code) van de OIE neergelegde concept van zone en compartiment.

2.    Wanneer de partij van invoer op verzoek van de partij van uitvoer sanitaire invoervoorwaarden vaststelt of handhaaft, erkent zij de door de partij van uitvoer vastgestelde zones of compartimenten als grondslag voor haar beraad over de beslissing of zij de invoer toestaat of handhaaft.


3.    De partij van uitvoer wijst haar zones of compartimenten als bedoeld in lid 2 aan en verstrekt de partij van invoer desgevraagd een uitgebreide toelichting en ondersteunende gegevens op basis van de Gezondheidscode voor landdieren van de OIE of de Gezondheidscode voor waterdieren van de OIE of op een andere wijze die de partijen dienstig achten op basis van de kennis en ervaring van de bevoegde autoriteiten van de partij van uitvoer.

4.    Elke partij ziet erop toe dat de in de leden 2 en 3 vastgestelde procedures en verplichtingen zonder onnodige vertraging worden uitgevoerd respectievelijk nagekomen.

5.    Tenzij zij anders overeenkomen, wisselen de partijen via het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen informatie uit over de wijze van vaststelling en handhaving van de wederzijdse erkenning van de gezondheidsstatus op basis van de Gezondheidscode voor landdieren van de OIE en de door de OIE vastgestelde aanbevelingen.

6.    Elke partij kan zones of compartimenten als bedoeld in lid 2 vaststellen voor ziekten die niet door de Gezondheidscode voor landdieren van de OIE of door de Gezondheidscode voor waterdieren van de OIE worden bestreken, en kan met de andere partij overeenkomen dergelijke zones of compartimenten in het onderlinge handelsverkeer toe te passen.

7.    De partijen erkennen met betrekking tot planten en plantaardige producten de concepten van plaagorganismevrije gebieden, plaagorganismevrije productieplaatsen, plaagorganismevrije productieterreinen en gebieden met een lage plaagorganismeprevalentie die zijn neergelegd in de in het kader van het IPPC opgestelde internationale normen voor fytosanitaire maatregelen, alsmede het concept van beschermde zones, en komen overeen deze concepten in hun onderlinge handelsverkeer toe te passen.


8.    Wanneer de partij van invoer op verzoek van de partij van uitvoer fytosanitaire invoervoorwaarden vaststelt of handhaaft, erkent zij de door de partij van uitvoer vastgestelde plaagorganismevrije gebieden, plaagorganismevrije productieplaatsen, plaagorganismevrije productieterreinen, gebieden met een lage plaagorganismeprevalentie en beschermde zones als grondslag voor haar beraad over de beslissing of zij de invoer toestaat of handhaaft.

9.    De partij van uitvoer wijst haar plaagorganismevrije gebieden, plaagorganismevrije productieplaatsen, plaagorganismevrije productieterreinen, gebieden met een lage plaagorganismeprevalentie of beschermde zones aan. De partij van uitvoer verstrekt de partij van invoer desgevraagd een uitgebreide toelichting en ondersteunende gegevens op basis van de toepasselijke, in het kader van het IPPC opgestelde internationale normen voor fytosanitaire maatregelen of op een andere wijze die de partijen dienstig achten op basis van de kennis en ervaring van de bevoegde fytosanitaire autoriteiten van de partij van uitvoer.

10.    Bij de uitvoering van de leden 7 tot en met 9 kan technisch overleg plaatsvinden en kunnen audits worden uitgevoerd. Het technisch overleg vindt plaats overeenkomstig artikel 6.12. De audits worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 6.8, daarbij rekening houdend met de biologische kenmerken van het plaagorganisme en het betrokken goed.

11.    Elke partij ziet erop toe dat de in de leden 8 tot en met 10 vastgestelde procedures en verplichtingen zonder onnodige vertraging worden uitgevoerd respectievelijk nagekomen.


12.    Wanneer in een beschermde zone een quarantaineorganisme wordt aangetroffen, stelt de partij van uitvoer de partij van invoer hiervan onmiddellijk in kennis en staakt zij, op verzoek van de partij van invoer, onmiddellijk de desbetreffende uitvoer. De partij van uitvoer kan de uitvoer hervatten, op voorwaarde dat de partij van invoer genoegen neemt met de door haar geboden waarborgen.

ARTIKEL 6.11

Transparantie en uitwisseling van informatie

1.    Overeenkomstig artikel 7 van de SPS-Overeenkomst en de bijlagen B en C bij de SPS-Overeenkomst:

a)    verzekert elke partij transparantie met betrekking tot:

i)    de sanitaire en fytosanitaire maatregelen, daaronder begrepen de invoervoorwaarden, en

ii)    de controle-, inspectie- en goedkeuringsprocedures, daaronder begrepen de volledige nadere gegevens over de verplichte administratieve stappen, de verwachte tijdschema's en de autoriteiten waar de invoeraanvragen binnenkomen en worden verwerkt;


b)    zorgt elke partij voor een beter wederzijds begrip van de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de partijen en de toepassing ervan, en

c)    verstrekt elke partij, op redelijk verzoek van de andere partij en zo spoedig mogelijk, informatie over haar sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de toepassing ervan, onder meer over:

i)    de invoervoorwaarden die van toepassing zijn op de invoer van specifieke producten;

ii)    de voortgang inzake vergunningaanvragen voor specifieke producten ;

iii)    de frequentie van invoercontroles op producten uit de andere partij, en

iv)    aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling en toepassing van haar sanitaire en fytosanitaire maatregelen, daaronder begrepen de voortgang inzake nieuw beschikbaar wetenschappelijk bewijs, die het handelsverkeer tussen de partijen beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, teneinde de negatieve gevolgen ervan zoveel mogelijk te beperken.

2.    Wanneer de informatie als bedoeld in lid 1, onder a) en c), beschikbaar is gesteld door middel van kennisgeving aan een partij uit hoofde van de SPS-Overeenkomst of plaatsing op een officiële, algemeen en gratis toegankelijke website van die partij, wordt die informatie geacht te zijn verstrekt.


ARTIKEL 6.12

Technisch overleg

1.    Een partij die aanzienlijke punten van zorg heeft met betrekking tot het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, of door de andere partij voorgestelde of uitgevoerde maatregelen, kan verzoeken om technisch overleg.

2.    De andere partij reageert zonder onnodige vertraging op dit verzoek en neemt deel aan het technisch overleg om deze punten van zorg te bespreken.

3.    Elke partij streeft ernaar de informatie te verstrekken die noodzakelijk is om verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen of tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

4.    Wanneer de partijen reeds andere mechanismen dan die bedoeld in dit artikel hebben ingesteld om de punten van zorg te bespreken, maken zij daarvan zo veel als mogelijk gebruik om onnodige overlapping te voorkomen.

5.    Elke partij tracht eventuele punten van zorg met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de andere partij als bedoeld in lid 1 door middel van technisch overleg op grond van dit artikel weg te nemen alvorens een procedure voor geschillenbeslechting in het kader van deze overeenkomst in te leiden.


6.    Elke partij kan het technisch overleg beëindigen door de andere partij op enig moment, maar niet eerder dan negentig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de reactie van de andere partij als bedoeld in lid 2 of binnen een andere door de partijen overeengekomen periode schriftelijk hiervan in kennis te stellen.

ARTIKEL 6.13

Noodmaatregelen

1.    Een partij kan noodmaatregelen treffen die nodig zijn om het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen. De bevoegde autoriteit van die partij die dergelijke noodmaatregelen treft:

a)    stelt de bevoegde autoriteiten van de andere partij onmiddellijk van die noodmaatregelen in kennis;

b)    stelt de andere partij in de gelegenheid schriftelijke opmerkingen in te dienen;

c)    neemt zo nodig deel aan het technisch overleg als bedoeld in artikel 6.12, en

d)    neemt de opmerkingen als bedoeld in punt b) en de resultaten van het technisch overleg als bedoeld in punt c) in aanmerking.


2.    Teneinde onnodige verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen, houdt de partij van invoer bij het nemen van besluiten met betrekking tot zendingen die ten tijde van de vaststelling van de noodmaatregelen tussen de partijen worden vervoerd, rekening met de door de partij van uitvoer tijdig verstrekte informatie.

3.    De partij van invoer ziet erop toe dat noodmaatregelen als bedoeld in lid 1 niet zonder wetenschappelijk bewijs worden gehandhaafd. Wanneer het wetenschappelijk bewijs niet toereikend is, kan de partij van invoer voorlopig noodmaatregelen treffen op grond van de beschikbare relevante gegevens, waaronder gegevens van de betrokken internationale organisatie. De partij van invoer evalueert de noodmaatregel teneinde de negatieve gevolgen ervan voor het handelsverkeer zoveel mogelijk te beperken door die maatregel hetzij in te trekken hetzij door een permanente maatregel te vervangen.

ARTIKEL 6.14

Gelijkwaardigheid

1.    De partij van invoer erkent sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de partij van uitvoer als gelijkwaardig indien de partij van uitvoer op objectieve wijze ten genoege van de partij van invoer aantoont dat haar maatregelen het door de partij van invoer vastgestelde adequate niveau van bescherming bieden. Hiertoe wordt aan de partij van invoer desgevraagd redelijke toegang verleend voor inspectie, proeven en andere relevante procedures.


2.    De partijen treden op verzoek van een van de partijen met elkaar in overleg met het oog op regelingen tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van bepaalde sanitaire en fytosanitaire maatregelen.

3.    Bij de vaststelling van de gelijkwaardigheid van sanitaire en fytosanitaire maatregelen houden de partijen rekening met de toepasselijke richtsnoeren van het WTO-Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, met name met het besluit van dat comité over de tenuitvoerlegging van artikel 4 van de Overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen 21 , alsmede met de internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen van de Codex Alimentarius, de OIE of het IPPC.

4.    In gevallen waarin de gelijkwaardigheid is vastgesteld, kunnen de partijen alternatieve invoervoorwaarden en vereenvoudigde certificaten overeenkomen, daarbij rekening houdend met de internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen van de Codex Alimentarius, de OIE of het IPPC.

ARTIKEL 6.15

Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke toepassing en werking van dit hoofdstuk.


2.    De doelstellingen van het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen zijn:

a)    zorgen voor een betere toepassing van dit hoofdstuk door elke partij;

b)    bespreken van sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden van wederzijds belang, en

c)    verbeteren van de communicatie en samenwerking inzake sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden van wederzijds belang.

3.    Het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen:

a)    biedt de partijen een forum voor een beter inzicht in sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden die verband houden met de uitvoering van de SPS-Overeenkomst;

b)    biedt de partijen een forum voor meer wederzijds begrip voor hun sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de daarmee samenhangende regelgevingsprocessen;

c)    houdt toezicht op, evalueert en wisselt informatie uit over de toepassing en werking van dit hoofdstuk;


d)    dient als forum voor het bespreken van de punten van zorg als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, teneinde wederzijds aanvaardbare oplossingen te vinden, op voorwaarde dat de partijen eerst hebben getracht die punten van zorg te bespreken door middel van het technisch overleg op grond van artikel 6.12, alsmede voor het bespreken van andere door de partijen overeengekomen onderwerpen;

e)    bepaalt welke middelen, daaronder begrepen ad-hocwerkgroepen, geschikt zijn voor het verrichten van specifieke taken in verband met de functies van het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen;

f)    kan projecten voor technische samenwerking tussen de partijen met betrekking tot de ontwikkeling, uitvoering en toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen inventariseren en bestuderen, en

g)    kan beraadslagen over aangelegenheden en standpunten voor de vergaderingen van het WTO-Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen en vergaderingen onder auspiciën van de Codex Alimentarius, de OIE en het IPPC.

4.    Het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen die over de relevante deskundigheid ter zake van sanitaire en fytosanitaire maatregelen beschikken.

5.    Het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen stelt zijn reglement van orde vast en kan dit zo nodig herzien.


6.    Het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen houdt zijn eerste vergadering binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

ARTIKEL 6.16

Beslechting van geschillen

1.    Artikel 6.6, artikel 6.7, lid 4, onder b) tot en met d), en artikel 6.14, leden 1 en 2, kunnen geen voorwerp zijn van geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21.

2.    Tenzij de partijen anders besluiten, wint een panel in het kader van een onder het onderhavige hoofdstuk vallend geschil over wetenschappelijke of technische kwesties advies in bij deskundigen die het kiest in overleg met de partijen. Daartoe stelt het panel op verzoek van een partij een adviesgroep van technische deskundigen in of raadpleegt het de betrokken internationale organisaties.


HOOFDSTUK 7

TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN

ARTIKEL 7.1

Doelstellingen

Dit hoofdstuk heeft tot doel de handel in goederen tussen de partijen te vergemakkelijken en uit te breiden door:

a)    te waarborgen dat technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures de handel niet onnodig belemmeren;

b)    de samenwerking tussen de partijen, onder meer wat de uitvoering van de TBT-Overeenkomst betreft, te bevorderen, en

c)    te zoeken naar passende manieren om de onnodige negatieve gevolgen voor het handelsverkeer van onder dit hoofdstuk vallende maatregelen te beperken.


ARTIKEL 7.2

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op de opstelling, vaststelling en toepassing door organen van de centrale overheid van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de TBT-Overeenkomst, die de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.

2.    Elke partij neemt alle redelijke binnen haar bereik liggende maatregelen teneinde de rechtstreeks onder de centrale overheid ressorterende lokale overheidsorganen op haar grondgebied die belast zijn met de opstelling, vaststelling en toepassing van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, aan te sporen tot naleving van de artikelen 7.5 tot en met 7.11.

3.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a)    aankoopspecificaties die door overheidsorganen zijn opgesteld om in hun eigen productie- of verbruiksbehoeften te voorzien, of

b)    sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de SPS-Overeenkomst.


ARTIKEL 7.3

Opneming van enkele bepalingen van TBT-Overeenkomst

1.    De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de TBT-Overeenkomst.

2.    De artikelen 2 tot en met 9 van de TBT-Overeenkomst en de bijlagen 1 en 3 bij de TBT-Overeenkomst worden mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maken integrerend deel hiervan uit.

3.    Voor een geschil dat ontstaat in verband met een specifieke maatregel van een partij die naar het oordeel van de andere partij uitsluitend in strijd is met de bepalingen van de TBT-Overeenkomst als bedoeld in lid 2, doet laatstbedoelde partij, onverminderd het bepaalde in artikel 21.27, lid 1, een beroep op het mechanisme voor geschillenbeslechting in het kader van de WTO-Overeenkomst.

ARTIKEL 7.4

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de termen en definities van bijlage 1 bij de TBT-Overeenkomst.


ARTIKEL 7.5

Technische voorschriften

1.    De partijen erkennen het belang van goede regelgevingspraktijken met betrekking tot de opstelling, vaststelling en toepassing van technische voorschriften, met name van de werkzaamheden van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen op het gebied van goede regelgevingspraktijken. In deze context verbindt elke partij zich ertoe:

a)    bij het formuleren van een technisch voorschrift:

i)    in overeenstemming met haar wet- en regelgeving of administratieve richtsnoeren de beschikbare regelgevende of niet-regelgevende alternatieven voor het voorgestelde technisch voorschrift waarmee haar legitieme doelstelling kan worden bereikt te beoordelen, teneinde te waarborgen dat het voorgestelde technisch voorschrift de handel niet meer beperkt dan voor het bereiken van haar legitieme doelstelling noodzakelijk is, in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van de TBT-Overeenkomst; deze bepaling laat het recht van elke partij om zonder vertraging maatregelen op te stellen, vast te stellen en toe te passen wanneer zich dringende problemen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen, onverlet;

ii)    ernaar te streven om systematisch effectbeoordelingen te verrichten voor technische voorschriften met aanzienlijke gevolgen voor het handelsverkeer, met inbegrip van een beoordeling van het effect ervan op het handelsverkeer, en


iii)    waar passend, de op productvereisten gebaseerde technische voorschriften niet aan de hand van het ontwerp of de beschrijving van het product, maar aan de hand van de prestaties ervan te formuleren, en

b)    onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 3, van de TBT-Overeenkomst, vastgestelde technische voorschriften regelmatig en ten minste om de vijf jaar te evalueren, met name teneinde de convergentie ervan met de toepasselijke internationale normen te verbeteren. Bij deze evaluatie houdt elke partij onder meer rekening met eventuele nieuwe ontwikkelingen bij de toepasselijke internationale normen en met de vraag of de omstandigheden op grond waarvan haar technische voorschriften afwijken van een toepasselijke internationale norm, nog steeds bestaan. Het resultaat van deze evaluatie wordt de andere partij desgevraagd meegedeeld en uitgelegd.

2.    Een partij die van oordeel is dat haar technische voorschrift gelijkwaardig is aan een technisch voorschrift van de andere partij waarmee dezelfde doelstellingen worden nagestreefd en dat op dezelfde producten van toepassing is, kan de andere partij schriftelijk en omstandig gemotiveerd verzoeken die technische voorschriften als gelijkwaardig te erkennen. De aangezochte partij neemt de aanvaarding van de gelijkwaardigheid van die technische voorschriften welwillend in overweging, zelfs al verschillen deze van elkaar, indien zij de overtuiging is toegedaan dat het technische voorschrift van de verzoekende partij in voldoende mate aan de doelstellingen van haar eigen technische voorschrift beantwoordt. Wanneer de aangezochte partij de gelijkwaardigheid van een technisch voorschrift van de verzoekende partij niet aanvaardt, licht zij de verzoekende partij desgevraagd de redenen voor haar besluit toe.


3.    Een partij die overweegt een technisch voorschrift te formuleren dat soortgelijk is aan een technisch voorschrift van de andere partij, ontvangt desgevraagd van die andere partij, voor zover mogelijk, alle relevante informatie, met inbegrip van studies of documenten, maar met uitzondering van vertrouwelijke informatie, waarop deze zich bij het formuleren van haar technische voorschrift heeft gebaseerd.

4.    Elke partij past de vereisten met betrekking tot het in de handel brengen van producten die zijn vastgelegd in technische voorschriften die op haar hele grondgebied van toepassing zijn, op eenvormige en samenhangende wijze toe. Wanneer een partij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een of meer van deze vereisten op het grondgebied van de andere partij niet op eenvormige en samenhangende wijze worden toegepast en dat deze situatie aanzienlijke gevolgen voor de bilaterale handel meebrengt, kan zij de andere partij van die gegronde redenen in kennis stellen teneinde de kwestie op te helderen en, in voorkomend geval, tijdig voor te leggen aan het contactpunt als bedoeld in artikel 7.14 of aan andere bij deze overeenkomst ingestelde geëigende instanties.


ARTIKEL 7.6

Internationale normen

1.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de TBT-Overeenkomst worden de normen die zijn uitgevaardigd door internationale organisaties zoals de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO), de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC), de Internationale Unie voor Telecommunicatie (ITU), de Codex Alimentarius Commissie, de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), het Wereldforum voor de harmonisatie van reglementen voor voertuigen (WP.29) in het kader van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN-ECE), het VN-subcomité van deskundigen inzake het mondiaal geharmoniseerd classificatie- en etiketteringssysteem voor chemische stoffen (United Nations Sub-Committee of Experts on het Globally Harmonised System of Classification and Labelling of Chemicals, UNSCEGHS) en de Internationale Raad voor de harmonisatie van de technische voorschriften voor de registratie van geneesmiddelen voor menselijk gebruik (ICH) beschouwd als toepasselijke internationale normen als bedoeld in dit hoofdstuk, de artikelen 2 en 5 van de TBT-Overeenkomst en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst, voor zover bij het formuleren ervan de beginselen en procedures vastgesteld in het besluit van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst 22 zijn gevolgd, tenzij die normen of de relevante onderdelen ervan ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn om de nagestreefde legitieme doelstellingen te bereiken.


2.    Teneinde de normen op een zo breed mogelijke grondslag te harmoniseren, sporen de partijen regionale of nationale normalisatie-instellingen op hun respectieve grondgebied aan:

a)    binnen hun mogelijkheden volledig mee te werken aan de opstelling van internationale normen door de bevoegde internationale normalisatie-instellingen;

b)    de toepasselijke internationale normen te gebruiken als grondslag voor de normen die zij formuleren, behalve wanneer dergelijke internationale normen ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn, bijvoorbeeld omdat zij onvoldoende bescherming bieden of wegens fundamentele klimatologische of geografische omstandigheden of fundamentele technologische problemen;

c)    doublures of overlappingen met de werkzaamheden van de internationale normalisatie-instellingen te voorkomen, en

d)    hun niet op de toepasselijke internationale normen gebaseerde normen regelmatig en ten minste om de vijf jaar te evalueren, teneinde de convergentie ervan met de toepasselijke internationale normen te verbeteren.


3.    Bij het formuleren van technische voorschriften of het opzetten van conformiteitsbeoordelingsprocedures:

a)    baseert elke partij, in de mate als bepaald in artikel 2, lid 4, en artikel 5, lid 4, van de TBT-Overeenkomst, haar technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures op de toepasselijke internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, of de relevante onderdelen ervan, en voorkomt zij dat wordt afgeweken van de toepasselijke internationale normen of aanvullende eisen in vergelijking met die normen, tenzij de partij die het technische voorschrift formuleert of de conformiteitsbeoordelingsprocedure opzet, op basis van relevante informatie, daaronder begrepen het beschikbare wetenschappelijk of technisch bewijsmateriaal, kan aantonen dat die internationale normen ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn om de nagestreefde legitieme doelstellingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, en artikel 5, lid 4, van de TBT-Overeenkomst te bereiken, en

b)    licht een partij, wanneer zij haar technische voorschriften of conformiteitsbeoordelingsprocedures niet op de in lid 1 bedoelde toepasselijke internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, of de relevante onderdelen ervan, baseert, op verzoek van de andere partij, de redenen toe waarom zij die internationale normen ondoeltreffend of ongeschikt acht om de nagestreefde legitieme doelstellingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, en artikel 5, lid 4, van de TBT-Overeenkomst te bereiken, en verstrekt zij de relevante informatie, daaronder begrepen het beschikbare wetenschappelijke of technische bewijsmateriaal waarop deze beoordeling is gebaseerd, en geeft zij aan welke onderdelen van het betrokken technische voorschrift of de betrokken conformiteitsbeoordelingsprocedure inhoudelijk van de toepasselijke internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen afwijken.


4.    Elke partij spoort haar regionale of nationale normalisatie-instellingen op haar grondgebied aan samen te werken met de desbetreffende normalisatie-instellingen van de andere partij bij internationale normalisatiewerkzaamheden. Deze samenwerking kan plaatsvinden in het kader van internationale normalisatieorganisaties waarbij beide partijen of de normalisatie-instellingen van beide partijen zijn aangesloten. Dergelijke bilaterale samenwerking zou onder meer gericht kunnen zijn op het bevorderen van het formuleren van internationale normen, het vergemakkelijken van het formuleren van gemeenschappelijke normen voor beide partijen op gebieden van wederzijds belang waarop geen internationale normen bestaan, met name wat nieuwe producten of technologieën betreft, of het verder intensiveren van de informatie-uitwisseling tussen de normalisatie-instellingen van de partijen.

ARTIKEL 7.7

Normen

1.    De partijen bevestigen dat zij ingevolge artikel 4, lid 1, van de TBT-Overeenkomst dienen te waarborgen dat de regionale of nationale normalisatie-instellingen op hun respectieve grondgebied de in bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst opgenomen praktijkrichtlijn voor het opstellen, het aannemen en de toepassing van normen aanvaarden en naleven.


2.    De partijen herinneren eraan dat op grond van de definitie van "norm" in bijlage 1 bij de TBT-Overeenkomst de naleving van normen niet verplicht is. Wanneer een partij de naleving van een norm voorschrijft door opneming van of verwijzing naar die norm in een technisch voorschrift of conformiteitsbeoordelingsprocedure, moet zij bij het formuleren van het ontwerp van het technisch voorschrift of bij het opzetten van de ontwerpconformiteitsbeoordelingsprocedure voldoen aan de transparantieverplichtingen uit hoofde van artikel 2, lid 9, of artikel 5, lid 6, van de TBT-Overeenkomst, en van artikel 7.9.

3.    Met inachtneming van haar wet- en regelgeving spoort elke partij haar regionale of nationale normalisatie-instellingen aan ervoor te zorgen dat belanghebbenden op haar grondgebied op passende wijze bij het normalisatieproces worden betrokken, en belanghebbenden van de andere partij in staat te stellen deel te nemen aan overlegprocedures die voor het publiek openstaan, onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke zij aan haar eigen belanghebbenden biedt.

4.    De partijen verbinden zich ertoe informatie uit te wisselen over:

a)    het gebruik dat elke partij maakt van normen teneinde de naleving van technische voorschriften aan te tonen of te vergemakkelijken;

b)    hun normalisatieprocessen, met name de wijze waarop en de mate waarin internationale of regionale normen als grondslag voor hun regionale of nationale normen worden gebruikt, en


c)    samenwerkingsovereenkomsten of -regelingen met derden of internationale organisaties op het gebied van normalisatie.

ARTIKEL 7.8

Conformiteitsbeoordelingsprocedures

1.    Met betrekking tot de opstelling, vaststelling en toepassing van technische voorschriften is artikel 7.5, lid 1, onder a), i) en ii), en lid 1, onder b), mutatis mutandis eveneens van toepassing op conformiteitsbeoordelingsprocedures.

2.    In overeenstemming met artikel 5, lid 1.2, van de TBT-Overeenkomst ziet elke partij erop toe dat conformiteitsbeoordelingsprocedures niet strikter zijn, noch strikter worden toegepast dan noodzakelijk is om de partij van invoer in staat te stellen zich ervan te overtuigen dat de betrokken producten aan de toepasselijke technische voorschriften of normen beantwoorden, rekening houdend met de risico's in verband met deze producten, daaronder begrepen de aan niet-conformiteit van deze producten verbonden risico's.


3.    De partijen erkennen dat er een brede verscheidenheid aan mechanismen bestaat die ervoor zorgen dat de resultaten van conformiteitsbeoordelingen gemakkelijker worden aanvaard. Bij deze mechanismen kan het gaan om:

a)    overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen die specifieke technische voorschriften betreffen en worden verricht door op het grondgebied van de andere partij gevestigde instanties;

b)    vrijwillige regelingen voor samenwerking tussen de conformiteitsbeoordelingsinstanties op het respectieve grondgebied van de partijen;

c)    plurilaterale en multilaterale overeenkomsten of regelingen inzake erkenning waarbij beide partijen zijn aangesloten;

d)    gebruik van accreditatie voor de kwalificatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties;

e)    aanwijzing van overheidswege van conformiteitsbeoordelingsinstanties, met inbegrip van in de andere partij gevestigde conformiteitsbeoordelingsinstanties;

f)    erkenning door een partij van de resultaten van op het grondgebied van de andere partij verrichte conformiteitsbeoordelingen, en

g)    conformiteitsverklaring van de fabrikant of de leverancier.


4.    De partijen wisselen informatie uit met betrekking tot de mechanismen waarop lid 3 van toepassing is. Een partij verstrekt de andere partij desgevraagd informatie over:

a)    de mechanismen als bedoeld in lid 3 en soortgelijke mechanismen, teneinde ervoor zorgen dat de resultaten van conformiteitsbeoordelingen gemakkelijker worden aanvaard;

b)    de factoren waarmee bij de keuze van passende conformiteitsbeoordelingsprocedures voor specifieke producten rekening wordt gehouden, onder meer risicobeoordeling en risicomanagement, en

c)    het accreditatiebeleid, daaronder begrepen internationale accreditatienormen en internationale overeenkomsten en regelingen op het gebied van accreditatie, onder meer die van de International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) en het International Accreditation Forum (IAF), voor zover mogelijk en voor zover zij door een partij op een bepaald gebied worden gebruikt.

5.    Met betrekking tot die mechanismen:

a)    maakt elke partij, indien mogelijk en in overeenstemming met haar wet- en regelgeving, gebruik van een conformiteitsverklaring van de leverancier als bevestiging van de conformiteit met de toepasselijke technische voorschriften;


b)    maakt elke partij gebruik van accreditaties die, naar gelang het geval, met machtiging van de overheid dan wel door de overheid zijn verleend, ten bewijze van de technische bekwaamheid voor de kwalificatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties;

c)    ziet elke partij erop toe dat, wanneer accreditatie bij wet is voorgeschreven als noodzakelijke afzonderlijke stap voor de kwalificatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties, de accreditatiewerkzaamheden losstaan van de conformiteitsbeoordelingswerkzaamheden en dat er geen belangenconflicten zijn tussen de accreditatie-instanties en de conformiteitsbeoordelingsinstanties die zij accrediteren; de partijen kunnen aan deze verplichting voldoen door de conformiteitsbeoordelingsinstanties en de accreditatie-instanties van elkaar te scheiden 23 ;

d)    overweegt elke partij toe te treden tot of, voor zover van toepassing, test-, inspectie- en certificeringsinstanties niet te verbieden toe te treden tot internationale overeenkomsten of regelingen voor de vergemakkelijking van de aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen, en

e)    verbiedt een partij marktdeelnemers niet, wanneer twee of meer conformiteitsbeoordelingsinstanties door een partij zijn gemachtigd om de conformiteitsbeoordelingsprocedures uit te voeren die nodig zijn om het product in de handel te brengen, een keuze tussen deze instanties te maken.


6.    De partijen werken samen op het gebied van de wederzijdse erkenning in overeenstemming met de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Japan, gedaan te Brussel op 4 april 2001. De partijen kunnen in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van die overeenkomst eveneens besluiten tot uitbreiding van de werkingssfeer wat de producten, de toepasselijke regelgevingsvoorschriften en de erkende conformiteitsbeoordelingsinstanties betreft.

ARTIKEL 7.9

Transparantie

1.    Bij het formuleren van een technisch voorschrift dat of het opzetten van een conformiteitsbeoordelingsprocedure die aanzienlijke gevolgen voor het handelsverkeer kan hebben:

a)    voert elke partij, met inachtneming van haar wet- en regelgeving, overlegprocedures uit die voor het publiek openstaan en maakt zij de resultaten van die overlegprocedures en eventuele effectbeoordelingen openbaar;

b)    stelt elke partij belanghebbenden van de andere partij in staat deel te nemen aan overlegprocedures die voor het publiek openstaan, onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke zij aan haar eigen belanghebbenden biedt;


c)    neemt elke partij bij het uitvoeren van overlegprocedures die voor het publiek openstaan de standpunten van de andere partij in aanmerking en antwoordt zij op verzoek van de andere partij tijdig en schriftelijk op de door die partij gemaakte opmerkingen;

d)    maakt elke partij in aanvulling op artikel 7.5, lid 1, onder a, ii), de resultaten van de eventuele effectbeoordeling voor een voorgesteld technisch voorschrift of een voorgestelde conformiteitsbeoordelingsprocedure, daaronder begrepen de beoordeling van de gevolgen voor het handelsverkeer, openbaar, en

e)    streeft elke partij ernaar, op verzoek van de andere partij, een samenvatting in het Engels van de effectbeoordeling als bedoeld in punt d) te verstrekken.

2.    Bij het verrichten van kennisgevingen overeenkomstig artikel 2, lid 9.2, of artikel 5, lid 6.2, van de TBT-Overeenkomst:

a)    staat elke partij de andere partij in beginsel een termijn van ten minste zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving toe voor het indienen van schriftelijke opmerkingen over het voorstel, tenzij zich dringende problemen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen, en neemt zij, voor zover mogelijk, redelijke verzoeken tot verlenging van de termijn waarbinnen opmerkingen kunnen worden ingediend, in overweging;


b)    verstrekt elke partij samen met de kennisgeving de elektronische versie van de volledige tekst waarvan kennisgeving wordt gedaan;

c)    verstrekt elke partij, wanneer de tekst waarvan kennisgeving wordt gedaan niet in een van de officiële talen van de WTO is gesteld, een gedetailleerde en uitvoerige beschrijving van de inhoud van de maatregel in het kennisgevingsformat, alsmede, indien reeds beschikbaar, een vertaling van de tekst waarvan kennisgeving wordt gedaan in een van de officiële talen van de WTO;

d)    antwoordt elke partij uiterlijk op de dag van bekendmaking van het definitieve technische voorschrift of de definitieve conformiteitsbeoordelingsprocedure schriftelijk op de schriftelijke opmerkingen van de andere partij over het voorstel;

e)    verstrekt elke partij in de vorm van een addendum bij de oorspronkelijke kennisgeving informatie over de aangenomen definitieve tekst;

f)    ruimt elke partij voor de marktdeelnemers van de andere partij een redelijke termijn 24 voor aanpassing in tussen de bekendmaking van technische voorschriften en de inwerkingtreding ervan, en


g)    ziet elke partij erop toe dat de in overeenstemming met artikel 10 van de TBT-Overeenkomst opgerichte informatiepunten in een van de officiële talen van de WTO informatie verstrekken en redelijke verzoeken om inlichtingen van de andere partij of van belanghebbenden van de andere partij betreffende vastgestelde technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures beantwoorden.

3.    Elke partij verstrekt de andere partij desgevraagd informatie over het doel en de motivering van een technisch voorschrift dat of een conformiteitsbeoordelingsprocedure die zij heeft vastgesteld of voornemens is vast te stellen.

4.    Elke partij ziet erop toe dat alle vastgestelde technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures op officiële websites openbaar en vrij beschikbaar zijn, en, indien reeds beschikbaar, in het Engels toegankelijk zijn.

ARTIKEL 7.10

Markttoezicht

1.    Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "markttoezicht" verstaan een overheidstaak die losstaat van de conformiteitsbeoordelingsprocedures en wordt verricht na afloop hiervan, en die activiteiten en maatregelen omvat die de overheidsinstanties van een partij op de grondslag van procedures van deze partij uitvoeren respectievelijk treffen om te kunnen controleren of nagaan of producten aan de vereisten van de wet- en regelgeving van deze partij voldoen.


2.    Het is aan elke partij om onder meer:

a)    met de andere partij informatie uit te wisselen over markttoezicht- en handhavingsactiviteiten, bijvoorbeeld over de met het markttoezicht en de handhaving belaste overheidsinstanties of over maatregelen tegen gevaarlijke producten;

b)    te waarborgen dat de markttoezichttaken losstaan van de conformiteitsbeoordelingstaken teneinde belangenconflicten te voorkomen 25 , en

c)    erop toe te zien dat er geen sprake is van belangenconflicten tussen de markttoezichtautoriteiten en de betrokken personen die aan controle of aan toezicht worden onderworpen, waaronder fabrikanten, importeurs en distributeurs.


ARTIKEL 7.11

Merking en etikettering

1.    De partijen nemen er nota van dat een technisch voorschrift geheel of ten dele betrekking kan hebben op merkings- of etiketteringsvereisten. Wanneer een partij merkings- of etiketteringsvereisten in de vorm van een technisch voorschrift formuleert, waarborgt zij derhalve dat dergelijke vereisten niet worden opgesteld, vastgesteld of toegepast met het oogmerk of gevolg dat er onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan, en de handel niet meer beperken dan voor het bereiken van de legitieme doelstellingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, van de TBT-Overeenkomst noodzakelijk is.

2.    Wanneer een partij de merking of etikettering van producten in de vorm van een technisch voorschrift verplicht stelt, komen de partijen met name overeen dat:

a)    de voor dergelijke merking of etikettering van producten vereiste informatie wordt beperkt tot de informatie die voor de betrokken personen, daaronder begrepen consumenten, gebruikers van het product of overheidsinstanties, van belang is om aan te geven dat het product aan de regelgevingsvoorschriften voldoet;

b)    een partij geen voorafgaande goedkeuring, registratie of certificering van merktekens of etiketten van producten verlangt als voorwaarde voor het in de handel brengen van producten die anderszins in overeenstemming zijn met haar verplichte technische voorschriften, tenzij zulks noodzakelijk is om haar legitieme doelstelling te bereiken;


c)    deze partij, zo zij verlangt dat voor de merking of etikettering van producten een uniek identificatienummer wordt gebruikt, de betrokken personen, daaronder begrepen fabrikanten, importeurs en distributeurs, een dergelijk nummer zonder onnodige vertraging en op niet-discriminerende grondslag toekent;

d)    tenzij dit misleidend, tegenstrijdig of verwarrend is of haar legitieme doelstellingen in gevaar worden gebracht, de partij met betrekking tot de in het land van bestemming van de goederen te verstrekken informatie toestaat dat:

i)    informatie in meer talen dan alleen de taal die in het land van bestemming van de goederen is voorgeschreven, wordt verstrekt;

ii)    internationale nomenclaturen, pictogrammen, symbolen of grafieken worden gebruikt, en

iii)    meer informatie dan die welke in het land van bestemming van de goederen is voorgeschreven, wordt verstrekt;

e)    de partij aanvaardt dat etikettering en correcties op de etikettering plaatsvinden in douane-entrepots op het punt van invoer als alternatief voor etikettering in de partij van uitvoer, tenzij die etikettering om redenen van openbare gezondheid of veiligheid moet worden aangebracht door daartoe gemachtigde personen, en


f)    de partij ernaar streeft om, tenzij zij meent dat legitieme doelstellingen in de zin van de TBT-Overeenkomst hierdoor in gevaar komen, niet-permanente of verwijderbare etiketten dan wel merktekens of etiketten in de begeleidende documentatie in plaats van op of aan het product zelf aangebracht, te aanvaarden.

ARTIKEL 7.12

Samenwerking

1.    De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectieve systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectieve markten te vergemakkelijken. De partijen erkennen dat de bestaande dialogen over samenwerking op regelgevingsgebied belangrijke middelen zijn om deze samenwerking te versterken.

2.    De partijen streven ernaar om handelsbevorderende initiatieven van wederzijds belang in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen.

3.    De in lid 2 bedoelde initiatieven kunnen het volgende omvatten:

a)    het verbeteren van de kwaliteit en de doeltreffendheid van hun respectieve technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en het bevorderen van goede regelgevingspraktijken door middel van samenwerking op regelgevingsgebied tussen de partijen, daaronder begrepen de uitwisseling van informatie, ervaringen en gegevens;


b)    in voorkomend geval, het vereenvoudigen van hun respectieve technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures;

c)    het versterken van de convergentie van hun respectieve technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures met de toepasselijke internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen;

d)    het verzekeren van doeltreffende interactie en samenwerking van hun respectieve regelgevende instanties op internationaal, regionaal of nationaal niveau;

e)    het bevorderen of versterken van de samenwerking tussen de organisaties van de partijen die bevoegd zijn ter zake van normalisatie, accreditatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en

f)    voor zover mogelijk, het uitwisselen van informatie over internationale overeenkomsten en regelingen betreffende technische handelsbelemmeringen waarbij één of beide partijen partij zijn dan wel zijn aangesloten.

ARTIKEL 7.13

Comité voor technische handelsbelemmeringen

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor technische handelsbelemmeringen is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke toepassing en werking van dit hoofdstuk.


2.    Het Comité voor technische handelsbelemmeringen heeft de volgende taken:

a)    de toepassing en werking van dit hoofdstuk evalueren;

b)    de samenwerking bij het formuleren en verbeteren van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures als bedoeld in artikel 7.12 evalueren;

c)    dit hoofdstuk evalueren in het licht van eventuele ontwikkelingen die verband houden met de bij artikel 13 van de TBT-Overeenkomst ingestelde WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen en, indien nodig, aanbevelingen tot wijziging van dit hoofdstuk formuleren;

d)    alle maatregelen treffen die de partijen huns inziens van nut kunnen zijn bij de toepassing van dit hoofdstuk en van de TBT-Overeenkomst en bij het vergemakkelijken van de handel tussen de partijen;

e)    op verzoek van een partij, alle onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden bespreken;

f)    onverwijld een onderzoek instellen naar alle door een partij voorgelegde kwesties in verband met het opstellen, vaststellen of toepassen van technische voorschriften, normen of conformiteitsbeoordelingsprocedures van de andere partij in het kader van dit hoofdstuk en de TBT-overeenkomst;

g)    voor zover nodig om de doelstellingen van dit hoofdstuk te verwezenlijken, technische ad-hocwerkgroepen voor specifieke kwesties of sectoren instellen met het oog op het vinden van een oplossing;


h)    informatie uitwisselen over de werkzaamheden bij regionale en multilaterale fora die zich bezighouden met activiteiten met betrekking tot technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures alsmede over de toepassing en werking van dit hoofdstuk;

i)    andere taken verrichten die door het Gemengd Comité ingevolge artikel 22.1, lid 5, onder b), kunnen worden gedelegeerd, en

j)    voor zover het dit passend acht, verslag uitbrengen aan het Gemengd Comité over de toepassing en werking van dit hoofdstuk.

3.    Het Comité voor technische handelsbelemmeringen en eventuele technische ad-hocwerkgroepen onder zijn auspiciën worden gecoördineerd door:

a)    wat de Europese Unie betreft, de Europese Commissie, en

b)    wat Japan betreft, het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4.    De in lid 3 bedoelde autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de coördinatie met de bevoegde instellingen en personen op hun respectieve grondgebied, en dienen erop toe te zien dat deze instellingen en personen zo nodig worden uitgenodigd voor de vergaderingen van het Comité voor technische handelsbelemmeringen.


5.    Op verzoek van een partij houden het Comité voor technische handelsbelemmeringen en eventuele technische ad-hocwerkgroepen onder zijn auspiciën vergaderingen op door de vertegenwoordigers van de partijen overeen te komen tijdstippen en plaatsen. De vergaderingen kunnen plaatsvinden via videoconferentie of met andere middelen.

ARTIKEL 7.14

Contactpunten

1.    Elke partij wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst een contactpunt voor de toepassing van dit hoofdstuk aan en deelt de andere partij de gegevens over het contactpunt mee, met inbegrip van informatie met betrekking tot de betrokken functionarissen. De partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van alle wijzigingen van die gegevens over het contactpunt.

2.    Het contactpunt heeft onder meer de volgende taken:

a)    informatie over technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures van elke partij of over alle overige onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden uitwisselen;

b)    alle door een partij ingevolge dit hoofdstuk gevraagde informatie of toelichtingen verstrekken, op papier of elektronisch, binnen een tussen de partijen overeengekomen redelijke termijn en, zo mogelijk, binnen zestig dagen na de datum van ontvangst van het verzoek, en


c)    zo mogelijk onverwijld opheldering verschaffen over en een onderzoek instellen naar alle door een partij voorgelegde kwesties in verband met het opstellen, vaststellen of toepassen van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures in het kader van dit hoofdstuk en de TBT-Overeenkomst.

HOOFDSTUK 8

HANDEL IN DIENSTEN, LIBERALISERING VAN INVESTERINGEN
EN ELEKTRONISCHE HANDEL

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 8.1

Toepassingsgebied

1.    De partijen bevestigen hun respectieve verbintenissen uit hoofde van de WTO-overeenkomst en hun streven om een beter investeringsklimaat te scheppen voor de ontwikkeling van de handel en investeringen tussen de partijen, en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast voor de geleidelijke wederzijdse liberalisering van de handel in diensten en investeringen en voor samenwerking op het gebied van elektronische handel.


2.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk bevestigen de partijen bij de overeenkomst hun recht om op hun respectieve grondgebied de noodzakelijke regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals bescherming van de volksgezondheid, de veiligheid, het milieu of de openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, of bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid.

3.    Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen van een partij die toegang tot de arbeidsmarkt van een andere partij zoeken, noch op maatregelen inzake nationaliteit of staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

4.    Dit hoofdstuk belet een partij niet maatregelen toe te passen tot regeling van de toegang van natuurlijke personen tot of hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied, daarbij inbegrepen de maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die de andere partij op grond van dit hoofdstuk toekomen, worden tenietgedaan of uitgehold. Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen geen visum vereist is, wordt niet geacht voordelen die zijn verworven uit hoofde van dit hoofdstuk teniet te doen of uit te hollen.


ARTIKEL 8.2

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

a)    wordt onder "reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld" verstaan: alle werkzaamheden aan een uit de dienst genomen vliegtuig of een onderdeel daarvan, met uitzondering van het zogenaamde lijnonderhoud;

b)    wordt onder "diensten met geautomatiseerde boekingssystemen (CRS)" verstaan: dienstverlening door middel van computersystemen die informatie bevatten over dienstregeling, beschikbaarheid, tarieven en regels daarvoor, met behulp waarvan boekingen kunnen worden gedaan of vervoerbewijzen uitgegeven;

c)    wordt onder "onder deze overeenkomst vallende onderneming" verstaan: een onderneming die overeenkomstig het bepaalde onder i) rechtstreeks of onrechtstreeks op het grondgebied van een partij is gevestigd door een ondernemer van de andere partij die op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst reeds bestond of nadien is opgericht, overeenkomstig het toepasselijke recht;


d)    wordt onder "grensoverschrijdende handel in diensten" verstaan: het verlenen van een dienst:

i)    vanaf het grondgebied van een partij op het grondgebied van de andere partij, of

ii)    op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst van de andere partij;

e)    omvatten "directe belastingen" alle belastingen op het totale inkomen, het totale kapitaal, of onderdelen van inkomen of kapitaal, waaronder belastingen op winsten uit overdracht van eigendom, belastingen op onroerend goed, erfenissen en schenkingen, of belastingen op het totale bedrag aan door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsook belastingen op waardevermeerdering van kapitaal;

f)    wordt onder "economische activiteit" verstaan: elke dienst of activiteit van industriële, commerciële of professionele aard en elke activiteit van ambachtslieden, behalve bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en verrichte activiteiten;

g)    wordt onder "onderneming" verstaan: een rechtspersoon of filiaal of vertegenwoordiging;

h)    wordt onder "ondernemer van een partij" verstaan: een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een partij die een onderneming wil vestigen, vestigt of heeft gevestigd overeenkomstig het bepaalde onder i), op het grondgebied van de andere partij;


i)    wordt onder "vestiging" verstaan: het opzetten of verwerven van een rechtspersoon, ook door middel van deelneming in het kapitaal, of het opzetten van een filiaal of vertegenwoordiging, respectievelijk in de Europese Unie of in Japan, met het oog op de totstandbrenging of handhaving van duurzame economische banden 26 ;

j)    wordt onder "bestaand" verstaan: van kracht zijnde op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst;

k)    wordt onder "grondafhandelingsdiensten" verstaan: de verlening op een luchthaven, op basis van een vast tarief of een contract, van de volgende diensten: vertegenwoordiging van, beheer van en toezicht op de luchtvaartmaatschappij; passagiersafhandeling; bagageafhandeling; platformdiensten; catering, met uitzondering van de bereiding van de levensmiddelen; luchtvracht- en -postafhandeling; brandstofvoorziening van luchtvaartuigen; onderhoud en schoonmaak van luchtvaartuigen; vervoer op de grond; vluchtuitvoeringen, bemanningsadministratie en vluchtplanning. Grondafhandelingsdiensten omvatten niet de volgende diensten: zelfafhandeling; veiligheid; lijnonderhoud; reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen, of het beheer of de exploitatie van essentiële gecentraliseerde luchthaveninfrastructuur, zoals ontijzingsinstallaties, brandstofdistributiesystemen, bagageafhandelingssystemen of vaste interne luchthaventransportsystemen;

l)    wordt onder "rechtspersoon" verstaan: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;


m)     een rechtspersoon:

i)    is "eigendom" van natuurlijke of rechtspersonen van een partij indien meer dan 50 % van het aandelenkapitaal in handen is van natuurlijke of rechtspersonen van die partij die volledig over hun aandeel kunnen beschikken, en

ii)    staat onder "zeggenschap" van natuurlijke of rechtspersonen van een partij indien deze personen bevoegd zijn een meerderheid van de bestuurders te benoemen of anderszins de handelingen van de rechtspersoon rechtens te sturen;

n)    wordt onder "rechtspersoon van een partij" verstaan:

i)    voor de Europese Unie: een rechtspersoon die is opgericht of georganiseerd overeenkomstig de wet- en regelgeving van de Europese Unie of van één van haar lidstaten en die daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten uitoefent 27 op het grondgebied van de Europese Unie, en


ii)    voor Japan: een rechtspersoon die is opgericht of georganiseerd overeenkomstig de wet- en regelgeving van Japan en die daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten uitoefent op het grondgebied van Japan;

Onverminderd het onder i) en ii) bepaalde, vallen buiten de Europese Unie of Japan gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk Japan zeggenschap hebben, ook onder de bepalingen van dit hoofdstuk indien hun schepen overeenkomstig hun respectieve wetgeving in een lidstaat van de Europese Unie of in Japan zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van Japan voeren;

o)    wordt onder "maatregelen van een partij" verstaan: maatregelen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd door:

i)    centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten, en

ii)    niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;

p)    wordt onder "exploitatie" verstaan: de uitbating, het beheer, het aanhouden, het gebruik, het genot en het verkopen of een andere vorm van beschikken over een onderneming;


q)    wordt onder "verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten" verstaan: de mogelijkheid voor de betrokken luchtvaartmaatschappij om haar luchtvervoerdiensten vrij te verkopen en op de markt te brengen, met inbegrip van alle marketingaspecten zoals marktonderzoek, reclame en distributie; de tarifering van luchtvervoerdiensten en de daarop van toepassing zijnde voorwaarden vallen niet onder deze activiteiten;

r)    wordt onder "diensten" verstaan: alle diensten in enige sector, behalve diensten die worden verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag;

s)    wordt onder "bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en verrichte activiteiten" verstaan: elke dienst of activiteit die noch op commerciële basis, noch in mededinging met een of meer marktdeelnemers wordt verleend of verricht;

t)    wordt onder "dienstverlener" verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon die een dienst aanbiedt of verleent, en

u)    wordt onder "dienstverlener van een partij" verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon van een partij die een dienst verleent of wenst te verlenen;


ARTIKEL 8.3

Algemene uitzonderingen

1.    Voor de toepassing van afdeling B is artikel XX van de GATT 1994 mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen en maakt daarvan deel uit 28 .

2.    Onverminderd de eis dat dergelijke maatregelen niet worden toegepast op een wijze die een arbitraire of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen waar soortgelijke omstandigheden gelden, of een verholen beperking van vestiging of de handel in diensten zou inhouden, mag niets in de afdelingen B tot en met F worden uitgelegd als een beletsel voor het vaststellen of toepassen door een partij van maatregelen die:

a)    noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde 29 ;


b)    noodzakelijk zijn ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant 30 ;

c)    noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- en regelgeving die niet strijdig is met de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van die welke betrekking heeft op:

i)    het voorkomen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren;

ii)    het beschermen van de privacy van personen met betrekking tot de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en het beschermen van de vertrouwelijkheid van individuele dossiers en rekeningen, of

iii)    de veiligheid, of


d)    strijdig zijn met artikel 8.8, lid 1, en artikel 8.16, lid 1, mits het verschil in behandeling bedoeld is om directe belastingen op billijke of doeltreffende 31 wijze te kunnen opleggen of innen ten aanzien van economische activiteiten, ondernemers, diensten of dienstverleners van de andere partij.


ARTIKEL 8.4

Comité voor de handel in diensten, liberalisering van investeringen en elektronische handel

1.    Het Comité voor de handel in diensten, liberalisering van investeringen en elektronische handel dat is opgericht overeenkomstig artikel 22.3 (hierna in dit hoofdstuk "het Comité" genoemd) is verantwoordelijk voor de doeltreffende uitvoering en werking van de bepalingen van dit hoofdstuk.

2.    Het Comité zal de volgende functies vervullen:

a)    evaluatie van en toezicht op de uitvoering en werking van dit hoofdstuk en de nietconforme maatregelen die zijn vastgelegd in de lijsten van beide partijen in de bijlagen I tot en met IV bij bijlage 8B;

b)    uitwisseling van informatie over eventuele kwesties die verband houden met dit hoofdstuk;

c)    onderzoeken van mogelijke verbeteringen van dit hoofdstuk;

d)    bespreken van eventuele kwesties die verband houden met dit hoofdstuk indien de vertegenwoordigers van de partijen onderling zulks overeenkomen, en

e)    verrichten van andere taken die overeenkomstig artikel 22.1, lid 5, onder b), door het Gemengd Comité kunnen worden gedelegeerd.


3.    Het Comité wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen, met inbegrip van ambtenaren van ministeries of bureaus die bevoegd zijn voor op te lossen kwesties. Het Comité kan vertegenwoordigers van andere bevoegde entiteiten dan de regeringen van de partijen met de nodige kennis van de op te lossen kwesties uitnodigen.

ARTIKEL 8.5

Evaluatie

1.    Elke partij streeft ernaar om, waar nodig, de niet -conforme maatregelen die zijn vastgelegd in haar respectieve lijsten in de bijlagen I tot en met IV bij bijlage 8B te verminderen of te elimineren.

2.    Met het oog op de invoering van mogelijke verbeteringen van de bepalingen van dit hoofdstuk, en in overeenstemming met hun uit internationale overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen, evalueren de partijen hun rechtskader met betrekking tot de handel in diensten, de liberalisering van investeringen, de elektronische handel en het investeringsklimaat, waaronder deze overeenkomst, overeenkomstig artikel 23.1.


AFDELING B

Liberalisering van investeringen

ARTIKEL 8.6

Toepassingsgebied

1.    Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een partij met betrekking tot het opzetten of de exploitatie van economische activiteiten door:

a)    ondernemers van de andere partij;

b)    onder deze overeenkomst vallende ondernemingen, en

c)    voor de toepassing van artikel 8.11, enige onderneming op het grondgebied van de partij die de maatregel vaststelt of handhaaft.


2.    Deze afdeling is niet van toepassing op:

a)    cabotage in zeevervoerdiensten 32 ;

b)    luchtdiensten of daarmee verband houdende diensten ter ondersteuning van luchtvervoerdiensten 33 , andere dan:

i)    reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;


ii)    verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten,

iii)    diensten met geautomatiseerde boekingssystemen (CRS), en

iv)    grondafhandelingsdiensten, en

c)    audiovisuele diensten.

ARTIKEL 8.7

Markttoegang

Een partij mag, met betrekking tot markttoegang door middel van vestiging of exploitatie door een ondernemer van de andere partij of door een onder deze overeenkomst vallende onderneming, hetzij op basis van een territoriale onderverdeling, hetzij op basis van haar gehele grondgebied, geen maatregelen handhaven of vaststellen die:

a)    beperkingen opleggen ten aanzien van 34 :

i)    het aantal ondernemingen, ongeacht of dit geschiedt in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve rechten of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;


ii)    de totale waarde van transacties of activa in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

iii)    het totale aantal transacties of het totale volume van de productie, uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

iv)    de deelneming van buitenlands kapitaal, uitgedrukt als een maximumpercentage voor buitenlands aandeelhouderschap of als totale waarde van individuele of totale buitenlandse investeringen, of

v)    het totale aantal natuurlijke personen dat in een bepaalde sector mag zijn tewerkgesteld of dat een onderneming in dienst mag hebben, en dat nodig is voor en zich rechtstreeks bezighoudt met het uitvoeren van de economische activiteit, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, of

b)    specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke een ondernemer van de andere partij een economische activiteit kan uitoefenen, vereisen of ten aanzien van die entiteiten of joint ventures beperkingen opleggen.


ARTIKEL 8.8

Nationale behandeling

1.    Elke partij behandelt ondernemers van de andere partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan haar eigen ondernemers en hun ondernemingen in vergelijkbare situaties, wat vestiging op haar grondgebied betreft.

2.    Elke partij behandelt ondernemers van de andere partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan haar eigen ondernemers en hun ondernemingen in vergelijkbare situaties, wat exploitatie op haar grondgebied betreft.

3.    Voor alle duidelijkheid: de leden 1 en 2 mogen niet worden uitgelegd als een beletsel voor een partij om statistische formaliteiten of informatievereisten voor te schrijven in verband met de onder deze overeenkomst vallende ondernemingen, op voorwaarde dat deze formaliteiten of vereisten geen middel zijn om de verplichtingen van die partij op grond van dit artikel te ontwijken.


ARTIKEL 8.9

Meestbegunstigingsbehandeling

1.    Elke partij behandelt ondernemers van de andere partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemers uit derde landen en hun ondernemingen in vergelijkbare situaties, wat vestiging op haar grondgebied betreft.

2.    Elke partij behandelt ondernemers van de andere partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen niet minder gunstig dan ondernemers uit derde landen en hun ondernemingen in vergelijkbare situaties, wat exploitatie op haar grondgebied betreft.

3.    De leden 1 en 2 kunnen niet worden uitgelegd als een verplichting voor een partij om het voordeel van een behandeling uit te breiden tot ondernemers van de andere partij en onder deze overeenkomst vallende ondernemingen, indien dit voordeel het resultaat is van:

a)    een internationale overeenkomst ter vermijding van dubbele belastingheffing of een andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing, of

b)    bestaande of toekomstige maatregelen met betrekking tot de erkenning van kwalificaties, vergunningen of prudentiële maatregelen zoals bedoeld in artikel VII van de GATS of lid 3 van de bijlage betreffende financiële diensten daarbij.


4.    Voor alle duidelijkheid: de in de leden 1 en 2 genoemde behandeling heeft geen betrekking op beslechtingsprocedures voor geschillen tussen investeerders en staten.

5.    Materiële bepalingen in andere internationale overeenkomsten die door een partij met een derde land zijn gesloten 35 , vormen als zodanig geen behandeling in de zin van dit artikel. Voor alle duidelijkheid: het handelen of niet-handelen van een partij met betrekking tot deze bepalingen kan een behandeling 36 vormen, en kan aldus leiden tot een inbreuk op dit artikel voor zover de constatering van de inbreuk niet alleen op de genoemde bepalingen is gebaseerd.


ARTIKEL 8.10

Hoger management en raden van bestuur

Een partij mag een onder de overeenkomst vallende onderneming niet verplichten personen van een bepaalde nationaliteit te benoemen als leidinggevenden, managers of leden van de raad van bestuur.

ARTIKEL 8.11

Verbod op prestatie-eisen

1.    Een partij onthoudt zich ervan de volgende eisen te stellen of te handhaven, of een verbintenis of toezegging te handhaven, in verband met de vestiging of exploitatie van een onderneming op haar grondgebied 37 :

a)    dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten wordt geëxporteerd;


b)    dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten uit interne goederen of diensten bestaat;

c)    dat op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten worden gekocht of gebruikt of dat die goederen of diensten de voorkeur krijgen, of dat goederen of diensten worden gekocht bij natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied;

d)    dat de omvang of de waarde van de invoer op een of andere manier wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die onderneming;

e)    dat de verkoop van goederen of diensten op haar grondgebied die door deze onderneming worden geproduceerd of geleverd, wordt beperkt door die verkoop op een of andere manier te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen;

f)    dat de uitvoer of de verkoop voor uitvoer wordt beperkt;

g)    dat technologie, een productieproces of andere bedrijfsspecifieke knowhow wordt overgedragen aan natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied;

h)    dat het hoofdkantoor van deze onderneming voor een specifieke regio of de wereldmarkt wordt gevestigd op haar grondgebied;


i)    dat een bepaald aantal of percentage onderdanen van die lidstaat wordt ingehuurd;

j)    dat een bepaald percentage of een bepaalde waarde van onderzoek en ontwikkeling op haar grondgebied wordt verricht;

k)    dat één of meer van de door de onderneming geproduceerde goederen of verleende diensten uitsluitend vanaf haar eigen grondgebied worden geleverd aan een specifieke regio of op de wereldmarkt, of

l)    dat vaststelling moet plaatsvinden van:

i)    een percentage of bedrag van royalty’s onder een bepaald niveau, of

ii)    een bepaalde duur van de looptijd van een licentieovereenkomst 38 ;

met betrekking tot een licentieovereenkomst die bestaat op het tijdstip waarop de verplichting wordt opgelegd of gehandhaafd, of eender welke verbintenis of toezegging wordt gehandhaafd, of met betrekking tot een toekomstige licentieovereenkomst die vrijelijk is gesloten tussen de onderneming en een natuurlijke of rechtspersoon of een andere instantie op haar grondgebied, indien de verplichting wordt opgelegd of gehandhaafd, of de verbintenis of toezegging wordt gehandhaafd, op een wijze die een rechtstreekse aantasting van deze licentieovereenkomst vormt door uitoefening van niet-rechtsprekend overheidsgezag van een partij 39 .


2.    Een partij stelt het genot of het voortgezette genot van een voordeel in verband met de vestiging of exploitatie van een onderneming op haar grondgebied niet afhankelijk van de voorwaarde dat een van de volgende eisen wordt vervuld:

a)    dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage goederen of diensten uit interne goederen of diensten bestaat;

b)    dat op haar grondgebied geproduceerde goederen of verleende diensten worden gekocht of gebruikt of dat die goederen of diensten de voorkeur krijgen, of dat goederen of diensten worden gekocht bij natuurlijke personen of ondernemingen op haar grondgebied;

c)    dat de omvang of de waarde van de invoer op een of andere manier wordt gekoppeld aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen in verband met die onderneming;

d)    dat de verkoop van goederen of diensten op haar grondgebied die door deze onderneming worden geproduceerd of geleverd, wordt beperkt door die verkoop op een of andere manier te koppelen aan de omvang of de waarde van de uitvoer of aan de hoeveelheid binnengekomen deviezen, of

e)    dat de uitvoer of de verkoop voor uitvoer wordt beperkt.


3.    Lid 2 wordt niet aldus uitgelegd dat dit een partij belet om het genot of het voortgezette genot van een voordeel in verband met de vestiging of exploitatie van een onderneming op haar grondgebied afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de productie naar haar grondgebied wordt verplaatst of dat aldaar diensten worden verleend, werknemers worden opgeleid of in dienst worden genomen, bepaalde installaties worden gebouwd of uitgebreid, of onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten worden verricht.

4.    Het in lid 1, onder a), b), en c), en in lid 2, onder a) en b), bepaalde is niet van toepassing op de kwalificatievereisten voor goederen of diensten met betrekking tot programma’s voor uitvoerbevordering en buitenlandse hulp.

5.    Het in lid 1, onder g) en l), bepaalde is niet van toepassing wanneer:

a)    de eis wordt gesteld of gehandhaafd, of de verbintenis of toezegging wordt gehandhaafd door een gerecht, een administratief gerecht of een mededingingsautoriteit om een einde te maken aan een inbreuk op het mededingingsrecht, of

b)    een partij toestemming verleent voor het gebruik van een intellectuele-eigendomsrecht overeenkomstig artikel 31 of 31 bis van de TRIPS-overeenkomst, of in geval van maatregelen op grond waarvan de openbaarmaking van gegevens of informatie inzake eigendomsrechten wordt verlangd die binnen de werkingssfeer vallen van en in overeenstemming zijn met artikel 39, lid 3, van de TRIPS-overeenkomst.


6.    Het in lid 1, onder l), bepaalde is niet van toepassing wanneer de eis wordt gesteld of wordt toegepast, of de verbintenis of toezegging wordt gehandhaafd door een gerecht bij wijze van billijke vergoeding krachtens de auteursrechtwetgeving van die partij.

7.    Het in lid 2, onder a) en b), bepaalde is niet van toepassing op de eisen die worden gesteld of gehandhaafd door een partij van invoer met betrekking tot het volume van goederen dat nodig is om in aanmerking te komen voor preferentiële tarieven of preferentiële contingenten.

8.    Dit artikel doet geen afbreuk aan de verplichtingen van een partij uit hoofde van de WTO-overeenkomst.

ARTIKEL 8.12

Niet-conforme maatregelen en uitzonderingen

1.    De artikelen 8.7 tot en met 8.11 zijn niet van toepassing op:

a)    bestaande niet-conforme maatregelen die door een partij worden gehandhaafd op het niveau van:

i)    voor de Europese Unie:

A)    de Europese Unie, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B;


B)    de centrale overheid van een lidstaat van de Europese Unie, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B;

C)    een regionale overheid van een lidstaat van de Europese Unie, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B, of

D)    een plaatselijke overheid, anders dan bedoeld onder C), en

ii)    voor Japan:

A)    de centrale overheid, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B;

B)    een prefectuur, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B, of

C)    een andere lokale overheid dan een prefectuur;

b)    de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a), of


c)    een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a) en b), op voorwaarde dat de wijziging geen afbreuk doet aan de overeenstemming van de maatregel met de artikelen 8.7 tot en met 8.11 zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestond.

2.    De artikelen 8.7 tot en met 8.11 zijn niet van toepassing op maatregelen van een partij voor sectoren, subsectoren of activiteiten zoals opgenomen in haar lijst in bijlage II bij bijlage 8-B.

3.    Een partij verlangt niet, in het kader van eender welke maatregel die na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst is vastgesteld en die onder haar lijst in bijlage II bij bijlage 8B valt, van een ondernemer van de andere partij op grond van zijn nationaliteit dat deze een onderneming die bestaat op het moment waarop de maatregel van kracht wordt, verkoopt of anderszins vervreemdt.

4.    De artikelen 8.8 en 8.9 zijn niet van toepassing op maatregelen die een uitzondering op of een afwijking van artikel 3 of 4 van de TRIPs-overeenkomst vormen, als specifiek bepaald in de artikelen 3, 4 en 5 van de TRIPs-overeenkomst.

5.    De artikelen 8.7 tot en met 8.11 zijn niet van toepassing op maatregelen van een partij met betrekking tot overheidsopdrachten.

6.    De artikelen 8.7 tot en met 8.10 zijn niet van toepassing op door de partijen verleende subsidies.


ARTIKEL 8.13

Weigering toekenning voordelen

Een partij mag weigeren de voordelen van dit hoofdstuk toe te kennen aan een ondernemer van de andere partij die een rechtspersoon van de andere partij is, en aan zijn onder deze overeenkomst vallende onderneming, indien die rechtspersoon eigendom is of onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een derde land en de weigerende partij maatregelen vaststelt of handhaaft met betrekking tot het derde land, die:

a)    betrekking hebben op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de mensenrechten, en

b)    een verbod inhouden op transacties met die rechtspersoon of onder deze overeenkomst vallende onderneming, of die overtreden of omzeild zouden worden indien de voordelen van deze afdeling aan hen zouden worden verleend.


AFDELING C

Grensoverschrijdende handel in diensten

ARTIKEL 8.14

Toepassingsgebied

1.    Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor grensoverschrijdende handel in diensten door dienstverleners van de andere partij. Die maatregelen omvatten onder meer maatregelen die van invloed zijn op:

a)    de productie, distributie, marketing, verkoop of levering van een dienst;

b)    de aankoop of het gebruik van, of de betaling voor een dienst, en

c)    de toegang tot en het gebruik van diensten die in het algemeen aan het publiek worden aangeboden in het kader van de levering van een dienst.


2.    Deze afdeling is niet van toepassing op:

a)    cabotage in zeevervoerdiensten 40 ;

b)    luchtdiensten of daarmee verband houdende diensten ter ondersteuning van luchtvervoerdiensten 41 , andere dan:

i)    reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;


ii)    verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

iii)    diensten met geautomatiseerde boekingssystemen (CRS), en

iv)    grondafhandelingsdiensten,

c)    overheidsopdrachten;

d)    audiovisuele diensten, en

e)    subsidies, zoals gedefinieerd in hoofdstuk 12.


ARTIKEL 8.15

Markttoegang

Een partij onthoudt zich van het treffen of handhaven, hetzij op basis van een regionale onderverdeling, hetzij op basis van zijn gehele grondgebied, van maatregelen die:

a)    beperkingen opleggen ten aanzien van:

i)    het aantal dienstverleners, ongeacht of dit geschiedt in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of de eisen van een onderzoek naar de economische behoefte 42 ;

ii)    de totale waarde van dienstentransacties of activa, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, of

iii)    het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de output aan diensten uitgedrukt in bepaalde numerieke eenheden, in de vorm van quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte 43 , of


b)    specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke dienstverlener een dienst kan verlenen, vereisen of in dit verband beperkingen opleggen.

ARTIKEL 8.16

Nationale behandeling

1.    Elke partij behandelt de dienstverleners en diensten van de andere partij niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners.

2.    Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners van de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.

3.    Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners van de betrokken partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners van de andere partij.

4.    Niets in dit artikel wordt zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van mededingingsnadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.


ARTIKEL 8.17

Meestbegunstigingsbehandeling

1.    Elke partij behandelt de diensten en dienstverleners van de andere partij niet minder gunstig dan de diensten en dienstverleners uit een derde land.

2.    Lid 1 mag niet worden uitgelegd als een verplichting voor een partij om het voordeel van een behandeling uit te breiden tot diensten en dienstverleners van de andere partij indien dit voordeel het resultaat is van:

a)    een internationale overeenkomst ter vermijding van dubbele belastingheffing of een andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing, of

b)    bestaande of toekomstige maatregelen met betrekking tot de erkenning van kwalificaties, vergunningen of prudentiële maatregelen zoals bedoeld in artikel VII van de GATS of lid 3 van de bijlage betreffende financiële diensten daarbij.


ARTIKEL 8.18

Niet-conforme maatregelen

1.    De artikelen 8.15, 8.16 en 8.17 zijn niet van toepassing op:

a)    bestaande niet-conforme maatregelen die door een partij worden gehandhaafd op het niveau van:

i)    voor de Europese Unie:

A)    de Europese Unie, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B;

B)    de centrale regering van een lidstaat van de Europese Unie, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B;

C)    een regionale overheid van een lidstaat van de Europese Unie, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B, of

D)    een plaatselijke overheid, anders dan bedoeld onder C), en


ii)    voor Japan:

A)    de centrale overheid, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B;

B)    een prefectuur, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8B, of

C)    een andere lokale overheid dan een prefectuur;

b)    de handhaving of onverwijlde verlenging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a), of

c)    een wijziging van niet-conforme maatregelen als bedoeld onder a) en b), op voorwaarde dat de wijziging geen afbreuk doet aan de overeenstemming van de maatregel met de artikelen 8.15, 8.16 en 8.17 zoals deze onmiddellijk voor de wijziging bestond.

2.    De artikelen 8.15, 8.16 en 8.17 zijn niet van toepassing op maatregelen van een partij voor sectoren, subsectoren of activiteiten zoals opgenomen in haar lijst in bijlage II bij bijlage 8B.


ARTIKEL 8.19

Weigering toekenning voordelen

Een partij kan weigeren de voordelen van dit hoofdstuk toe te kennen aan een dienstverlener van de andere partij die een rechtspersoon van de andere partij is, en aan diensten van die dienstverlener, indien die rechtspersoon eigendom is of onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een derde land en de weigerende partij maatregelen vaststelt of handhaaft met betrekking tot het derde land, die:

a)    betrekking hebben op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de mensenrechten, en

b)    transacties met de dienstverlener verbieden, of die overtreden of omzeild zouden worden indien de voordelen van dit hoofdstuk zouden worden verleend aan de dienstverlener of zijn diensten.


AFDELING D

Toegang en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen

ARTIKEL 8.20

Algemene bepalingen en toepassingsgebied

1.    Deze afdeling weerspiegelt de aangehaalde handelsbetrekkingen tussen de partijen, en de wens van de partijen om de toegang en het tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden te vergemakkelijken op basis van wederkerigheid, en om de transparantie van het proces te waarborgen.

2.    Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor de toegang tot die partij van natuurlijke personen van de andere partij, die bestaan uit zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, binnen de onderneming overgeplaatste personen, investeerders, contractuele dienstverleners, beoefenaren van een vrij beroep en zakelijke bezoekers voor een kort verblijf, en op maatregelen die van invloed zijn op hun zakelijke activiteiten tijdens hun tijdelijke verblijf in de eerstgenoemde partij.

3.    Voor zover in deze afdeling geen verbintenissen worden aangegaan, blijven alle in de wet- en regelgeving van een partij vastgestelde vereisten betreffende toegang en tijdelijk verblijf van toepassing, met inbegrip van de voorschriften inzake de verblijfsduur.


4.    Onverminderd de bepalingen van deze afdeling blijven alle voorschriften in de wet- en regelgeving van een partij met betrekking tot arbeid en sociale zekerheid van toepassing, met inbegrip van de voorschriften inzake minimumlonen en collectieve arbeidsovereenkomsten.

5.    Verbintenissen inzake toegang en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden zijn niet van toepassing in gevallen waarin het de bedoeling of het gevolg van hun tijdelijke aanwezigheid is in te grijpen in, of op andere wijze invloed uit te oefenen op het resultaat van arbeids- of managementgeschillen of -onderhandelingen, of de indienstneming van natuurlijke personen die bij dat geschil betrokken zijn.

ARTIKEL 8.21

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling:

a)    wordt onder "zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden" verstaan: natuurlijke personen van een partij met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een onderneming, geen diensten aanbieden, geen andere economische activiteit verrichten dan vereist is voor het opzetten van een vestiging en geen vergoeding ontvangen vanuit de andere partij;


b)    wordt onder "dienstverleners op contractbasis" verstaan:

i)    met betrekking tot toegang en tijdelijk verblijf in de Europese Unie: natuurlijke personen in dienst bij een rechtspersoon van Japan, welke rechtspersoon zelf geen bureau voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening is en welke evenmin via een dergelijk bureau optreedt, die geen vestiging op het grondgebied van de Europese Unie heeft en die een bonafide contract voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in de Europese Unie heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in de Europese Unie vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract 44 ;

ii)    met betrekking tot toegang en tijdelijk verblijf in Japan: natuurlijke personen uit de Europese Unie die werknemer zijn van een rechtspersoon van de Europese Unie die niet in Japan gevestigd is, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

A)    er is een dienstcontract gesloten tussen een rechtspersoon van Japan en een rechtspersoon van de Europese Unie die niet in Japan is gevestigd;

B)    een bevoegde vreemdelingendienst van Japan stelt vast, in het kader van het onder A) bedoelde dienstverleningscontract, dat een arbeidsovereenkomst tussen de natuurlijke persoon van de Europese Unie en de rechtspersoon van Japan is gesloten, en


C)    het onder A) bedoelde dienstencontract valt niet onder de strekking van het dienstencontract voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening (CPC872), en de arbeidsovereenkomst als bedoeld onder B) is in overeenstemming met de relevante wet- en regelgeving van Japan;

c)    wordt onder "beoefenaren van een vrij beroep" verstaan:

i)    met betrekking tot toegang en tijdelijk verblijf in de Europese Unie: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van Japan zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de Europese Unie hebben en een bonafide contract (anders dan via een bureau voor arbeidsbemiddeling en personeelsvoorziening) voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in de Europese Unie hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid op het grondgebied van de Europese Unie vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract 45 , en

ii)    met betrekking tot toegang en tijdelijk verblijf in Japan: natuurlijke personen uit de Europese Unie die zakelijke activiteiten verrichten die bestaan uit het verlenen van diensten tijdens hun tijdelijke verblijf in Japan op basis van een persoonlijke overeenkomst met een rechtspersoon van Japan;


d)    wordt onder "binnen de onderneming overgeplaatste personen" verstaan: natuurlijke personen die ten minste gedurende het jaar dat onmiddellijk aan de datum van indiening van de aanvraag voor toegang en tijdelijk verblijf in de andere partij voorafging, werknemer of partner van een rechtspersoon van een partij zijn, en die tijdelijk worden overgeplaatst naar een onderneming op het grondgebied van de andere partij, welke onderneming deel uitmaakt van dezelfde groep als de eerstgenoemde rechtspersoon, met inbegrip van haar vertegenwoordiging, dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)    de betrokken natuurlijke persoon moet tot een van de volgende categorieën behoren:

A)    leidinggevenden: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de onderneming, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder ten minste personen die:

1)    leiding geven aan de onderneming of een afdeling daarvan;

2)    toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, hooggespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze controleren, of

3)    persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen, of


B)    specialisten: personen die beschikken over gespecialiseerde kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden, de processen, de procedures of het management van de onderneming, en

ii)    voor de Europese Unie: voor de beoordeling van de onder i), B), bedoelde kennis wordt niet alleen specifiek met de onderneming verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep, en

e)    wordt onder "investeerders" verstaan: natuurlijke personen die een onderneming vestigen en belast zijn met de beheer van die onderneming in de andere partij, in een toezichthoudende of uitvoerende hoedanigheid, en ten aanzien waarvan deze persoon of de rechtspersoon die deze persoon tewerkstelt, een aanzienlijk bedrag aan kapitaal heeft toegezegd of aan het toezeggen is.


ARTIKEL 8.22

Algemene verplichtingen

1.    Een partij verleent toegang en tijdelijk verblijf aan natuurlijke personen van de andere partij voor zakelijke doeleinden overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, en de bijlagen III en IV bij bijlage 8B, op voorwaarde dat deze personen voldoen aan de immigratiewet- en -regelgeving van de eerstgenoemde partij die van toepassing is op de toegang en het tijdelijk verblijf.

2.    Elke partij past haar maatregelen met betrekking tot de bepalingen van deze afdeling in overeenstemming met de wil van de partijen als vastgelegd in artikel 8.20, lid 1, toe, en met name past zij die maatregelen zodanig toe dat onnodige belemmering of vertraging van de handel in goederen of diensten, of van vestiging of exploitatie in het kader van deze overeenkomst wordt voorkomen.

3.    De maatregelen die elke partij neemt ter vergemakkelijking en bespoediging van de procedures in verband met de toegang en het tijdelijk verblijf van natuurlijke personen van de andere partij voor zakelijke doeleinden, moeten in overeenstemming zijn met bijlage 8C.


ARTIKEL 8.23

Transparantie

1.    Een partij maakt informatie over toegang en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen van de andere partij, als bedoeld in artikel 8.20, lid 2, openbaar.

2.    De in lid 1 bedoelde informatie bevat, voor zover van toepassing, de volgende gegevens:

a)    categorieën van visa, verblijfstitels of soortgelijke vergunningen voor toegang en tijdelijk verblijf;

b)    vereiste documentatie en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan;

c)    wijze van indiening van een aanvraag en mogelijkheden om deze in te dienen, zoals consulaten of online;

d)    kosten om een aanvraag in te dienen en indicatief tijdschema voor de behandeling van een aanvraag;

e)    maximale verblijfsduur in het kader van elke soort vergunning als omschreven onder a);


f)    voorwaarden voor eventuele verlenging of vernieuwing;

g)    voorschriften over begeleidende personen ten laste;

h)    beschikbare toetsings- of beroepsprocedures, en

i)    relevante wetgeving van algemene strekking met betrekking tot toegang en tijdelijk verblijf van natuurlijke personen.

3.    Wat de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie betreft, streeft elke partij ernaar de andere partij onmiddellijk in kennis te stellen van de invoering van nieuwe vereisten en procedures, of van wijzigingen van vereisten en procedures, die van invloed zijn op de effectieve toepassing van het verlenen van toegang tot, tijdelijk verblijf in en, indien van toepassing, toestemming om te werken in de eerstgenoemde partij.

ARTIKEL 8.24

Verplichtingen in andere afdelingen

1.    Deze overeenkomst legt geen verplichting aan partijen op met betrekking tot haar immigratiemaatregelen, tenzij in deze afdeling specifiek anders is bepaald.


2.    Onverminderd een eventuele beslissing om een natuurlijke persoon van de andere partij toegang te verlenen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, met inbegrip van de toegestane verblijfsduur op grond van deze verlening van toegang:

a)    worden de verplichtingen van de artikelen 8.7 tot en met 8.11 met inachtneming van:

i)    artikel 8.6, en

ii)    artikel 8.12, voor zover de maatregel van invloed is op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden,

hierbij opgenomen in en maken zij deel uit van deze afdeling en zijn zij van toepassing op de maatregelen die van invloed zijn op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich bevinden op het grondgebied van de andere partijen en die vallen onder de categorieën van zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, binnen de onderneming overgeplaatste personen en investeerders, zoals omschreven in artikel 8.21;


b)    worden de verplichtingen van de artikelen 8.15 tot en met 8.16 met inachtneming van:

i)    artikel 8.14, en

ii)    artikel 8.18, voor zover de maatregel van invloed is op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden,

hierbij opgenomen in en maken zij deel uit van deze afdeling en zijn zij van toepassing op de maatregelen die van invloed zijn op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich bevinden op het grondgebied van de andere partijen en die vallen onder de categorieën:

i)    dienstverleners op contractbasis en beoefenaren van een vrij beroep, zoals omschreven in artikel 8.21, voor alle sectoren vermeld in bijlage IV bij bijlage 8B, en

ii)    zakelijke bezoekers voor een kort verblijf, zoals bedoeld in artikel 8.27, in overeenstemming met bijlage III bij bijlage 8B, en


c)    wordt de verplichting van artikel 8.17 met inachtneming van:

i)    artikel 8.14, en

ii)    artikel 8.18, voor zover de maatregel van invloed is op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich op het grondgebied van de andere partij bevinden,

hierbij opgenomen in en maakt zij deel uit van deze afdeling en is zij van toepassing op de maatregelen die van invloed zijn op de behandeling van natuurlijke personen voor zakelijke doeleinden die zich bevinden op het grondgebied van de andere partij, die vallen onder de categorieën:

i)    dienstverleners op contractbasis en beoefenaren van een vrij beroep, zoals omschreven in artikel 8.21, en

ii)    zakelijke bezoekers voor een kort verblijf, bedoeld in artikel 8.27.

3.    Voor alle duidelijkheid: de in lid 2 bedoelde verplichtingen zijn niet van toepassing op maatregelen het verlenen van toegang tot een partij voor natuurlijke personen van die partij of van een derde land.


ARTIKEL 8.25

Zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, binnen onderneming overgeplaatste personen en investeerders

1.    Elke partij verleent toegang en tijdelijk verblijf aan zakelijke bezoekers voor vestigingsdoeleinden, binnen de onderneming overgeplaatste personen en investeerders van de andere partij, in overeenstemming met bijlage III bij bijlage 8B.

2.    Een partij mag geen beperkingen vaststellen of handhaven ten aanzien van het totale aantal natuurlijke personen aan wie toegang wordt verleend in overeenstemming met lid 1, in een specifieke sector of subsector, in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, noch op basis van een territoriale onderverdeling, noch op basis van het gehele grondgebied.

ARTIKEL 8.26

Dienstverleners op contractbasis en beoefenaren van vrij beroep

1.    Elke partij verleent toegang en tijdelijk verblijf aan dienstverleners op contractbasis en beoefenaren van een vrij beroep, in overeenstemming met bijlage IV bij bijlage 8B.


2.    Tenzij anders aangegeven in bijlage IV bij bijlage 8B, onthoudt elke partij zich ervan om ten aanzien van het totale aantal dienstverleners op contractbasis en beoefenaren van een vrij beroep van de andere partij aan wie toegang wordt verleend, beperkingen vast te stellen of te handhaven in de vorm van numerieke quota of de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.

ARTIKEL 8.27

Zakelijke bezoekers voor kort verblijf

1.    Elke partij verleent toegang en tijdelijk verblijf aan zakelijke bezoekers voor een kort verblijf van de andere partij, in overeenstemming met bijlage III bij bijlage 8B, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)    de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf verkopen geen goederen en verlenen geen diensten aan het grote publiek;

b)    de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf ontvangen niet op eigen naam een beloning uit een bron binnen de partij waar zij tijdelijk verblijven, en

c)    de zakelijke bezoekers voor een kort verblijf zijn niet betrokken bij de verlening van een dienst in het kader van een contract dat is gesloten tussen een rechtspersoon die niet is gevestigd op het grondgebied van de partij waar zij tijdelijk verblijven, en een daar gevestigde consument, tenzij zoals voorzien in bijlage III bij bijlage 8B.


2.    Tenzij anders bepaald in bijlage III bij bijlage 8B, verleent elke partij toegang aan zakelijke bezoekers voor een kort verblijf zonder dat hiervoor een werkvergunning, een onderzoek naar de economische behoefte of andere soortgelijke procedures voor het verkrijgen van voorafgaande toestemming verplicht worden gesteld.

ARTIKEL 8.28

Contactpunten

Elke partij wijst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst een contactpunt aan met het oog op een doeltreffende uitvoering en werking van deze afdeling en stelt de andere partij in kennis van de contactgegevens, inclusief informatie met betrekking tot de betrokken ambtenaren. De partijen stellen elkaar onmiddellijk in kennis van wijzigingen van deze contactgegevens.


AFDELING E

Regelgevingskader

ONDERAFDELING 1

Nationale regelgeving

ARTIKEL 8.29

Toepassingsgebied en definities

1.    Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een partij die betrekking hebben op vergunningsvereisten en -procedures alsmede kwalificatievereisten en -procedures en technische normen 46 die van invloed zijn op:

a)    grensoverschrijdende handel in diensten zoals omschreven in artikel 8, lid 2, onder d);

b)    vestiging zoals omschreven in artikel 8.2, onder i), of exploitatie zoals omschreven in artikel 8.2, onder p), of


c)    dienstverlening door een natuurlijke persoon die overeenkomstig artikel 8.24 van dit hoofdstuk op het grondgebied van de andere partij verblijft.

2.    Deze onderafdeling is niet van toepassing op vergunningsvereisten en -procedures, kwalificatievereisten en -procedures en technische normen:

a)    op grond van een maatregel die niet in overeenstemming is met artikel 8.7 of 8.8 en waarnaar wordt verwezen in artikel 8.12, lid 1, onder a), b) en c), of met artikel 8.15 of 8.16 en waarnaar wordt verwezen in artikel 8.18, lid 1, onder a), b) en c), of

b)    op grond van een maatregel waarnaar wordt verwezen in artikel 8.12, lid 2, of artikel 8.18, lid 2.

3.    Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder "bevoegde autoriteit" verstaan: een centrale, regionale of lokale overheid of autoriteit, of een niet-gouvernementele entiteit die door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden uitoefent, een besluit mag nemen over de afgifte van een vergunning voor het verlenen van een dienst, ook als dat vestiging inhoudt, of over de afgifte van een vergunning om een onderneming te vestigen teneinde een andere economische activiteit dan dienstverlening uit te oefenen.


ARTIKEL 8.30

Voorwaarden voor het verlenen van vergunningen en kwalificaties

Maatregelen inzake vergunningsvereisten en -procedures en kwalificatievereisten en -procedures van elke partij worden gebaseerd op de volgende criteria:

a)    duidelijkheid;

b)    objectiviteit;

c)    transparantie;

d)    openbaarheid vooraf, en

e)    toegankelijkheid.


ARTIKEL 8.31

Vergunnings- en kwalificatieprocedures

1.    Vergunnings- en kwalificatieprocedures zijn duidelijk, worden vooraf bekendgemaakt en waarborgen dat de aanvragen op objectieve en onpartijdige wijze wordt behandeld.

2.    Vergunnings- en kwalificatieprocedures zijn zo eenvoudig mogelijk en mogen op zichzelf geen beperking voor het verlenen van een dienst of het verrichten van andere economische activiteiten vormen. Voor de vergunning verschuldigde vergoedingen 47 die de aanvragers in verband met hun aanvraag moeten betalen, zijn redelijk en transparant en vormen op zichzelf geen beperking op het verlenen van een dienst of het verrichten van andere economische activiteiten.

3.    De procedures die de bevoegde autoriteit volgt bij het verlenen van vergunningen, en haar besluiten, zijn onpartijdig ten aanzien van alle aanvragers. De bevoegde autoriteit moet bij haar besluitvorming onafhankelijk zijn en zij mag geen verantwoording verschuldigd zijn aan de verleners van diensten of de personen die andere economische activiteiten uitoefenen waarvoor de vergunning vereist is.


4.    Indien een specifieke termijn voor het indienen van aanvragen bestaat, staat de bevoegde autoriteit de verzoeker een redelijke termijn toe voor het indienen van een aanvraag. De bevoegde autoriteit behandelt een aanvraag zonder onnodige vertraging. Waar mogelijk aanvaardt de bevoegde autoriteit een aanvraag in elektronisch formaat onder dezelfde voorwaarden inzake echtheid als een aanvraag op papier.

5.    De bevoegde autoriteit voltooit de behandeling van een aanvraag, inclusief het definitieve besluit, binnen een redelijke termijn na de indiening van een volledige aanvraag. Elke partij streeft ernaar een indicatief tijdschema vast te stellen voor de behandeling van aanvragen en maakt dat tijdschema openbaar zodra het is vastgesteld.

6.    De bevoegde autoriteit stelt binnen een redelijke termijn na ontvangst van een aanvraag die haars inziens onvolledig is, de aanvrager daarvan in kennis, vermeldt, voor zover dit haalbaar is, welke aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te vervolledigen en biedt de mogelijkheid om tekortkomingen te corrigeren.

7.    De bevoegde autoriteit aanvaardt, waar mogelijk, gewaarmerkte kopieën in plaats van originele documenten.


8.    Indien de bevoegde autoriteit een aanvraag afwijst, stelt zij de aanvrager daarvan in beginsel schriftelijk en zonder onnodige vertraging in kennis. Zij stelt de aanvrager desgevraagd ook in kennis van de redenen voor de afwijzing van de aanvraag en van de termijn waarbinnen tegen het besluit beroep kan worden ingesteld.

9.    De bevoegde autoriteit verleent een vergunning zodra naar aanleiding van een deugdelijk onderzoek is vastgesteld dat de aanvrager aan de voorwaarden voor verkrijging ervan voldoet.

10.    De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat zodra een vergunning is verleend, deze overeenkomstig de daarin gestelde voorwaarden zonder onnodige vertraging in werking treedt.

ARTIKEL 8.32

Technische normen

Elke partij moedigt haar bevoegde autoriteiten aan om bij de vaststelling van technische normen technische normen vast te stellen die via open en transparante procedures zijn ontwikkeld, en moedigt elke instantie die is aangewezen om technische normen ontwikkelen, aan om open en transparante procedures te gebruiken.


ONDERAFDELING 2

Algemeen toepasselijke bepalingen

ARTIKEL 8.33

Uitvoering van maatregelen van algemene strekking

1.    Elke partij ziet erop toe dat alle maatregelen van algemene strekking die de handel in diensten betreffen, op een redelijke, objectieve en onpartijdige wijze worden toegepast.

2.    Lid 1 is niet van toepassing op:

a)    de aspecten van een maatregel die niet in overeenstemming zijn met artikel 8.7 of 8.8 en waarnaar wordt verwezen in artikel 8.12, lid 1, onder a), b) en c), of met artikel 8.15 of 8.16 en waarnaar wordt verwezen in artikel 8.18, lid 1, onder a), b) en c), of

b)    een maatregel als bedoeld in artikel 8.12, lid 2, of artikel 8.18, lid 2.


ARTIKEL 8.34

Toetsingsprocedures voor administratieve besluiten

1.    Elke partij houdt gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve gerechten of procedures in stand, waar of waarmee op verzoek van een betrokken ondernemer of dienstverlener van de andere partij kan worden voorzien in onverwijlde toetsing van en, indien gerechtvaardigd, passende maatregelen met betrekking tot administratieve besluiten die van invloed zijn op:

a)    grensoverschrijdende handel in diensten zoals omschreven in artikel 8.2, onder d);

b)    vestiging zoals omschreven in artikel 8.2, onder i), of exploitatie zoals omschreven in artikel 8.2, onder p), of

c)    dienstverlening door een natuurlijke persoon die overeenkomstig artikel 8.24 van dit hoofdstuk op het grondgebied van de andere partij verblijft.

2.    Wanneer de in lid 1 bedoelde procedures niet onafhankelijk zijn van de instantie die bevoegd is om het betrokken administratieve besluit te nemen, zien de partijen erop toe dat de procedures daadwerkelijk voorzien in een objectieve en onpartijdige toetsing.


ARTIKEL 8.35

Wederzijdse erkenning

1.    Niets in deze afdeling belet een partij te eisen dat natuurlijke personen de kwalificaties en/of de beroepservaring hebben die op het grondgebied waar de dienst wordt verleend, voor de betrokken sector van activiteit zijn voorgeschreven.

2.    Elke partij moedigt de desbetreffende beroepsorganisaties op haar grondgebied aan om gezamenlijke aanbevelingen over wederzijdse erkenning aan het Comité voor te leggen, opdat ondernemers en dienstverleners volledig of gedeeltelijk voldoen aan de door die partij toegepaste criteria voor het verlenen van vergunningen aan ondernemers en dienstverleners en voor de werkzaamheden en de certificering van dezen, en in het bijzonder in de sector van de vrije beroepen.

3.    Wanneer het comité een aanbeveling als bedoeld in lid 2 ontvangt, onderzoekt het deze binnen een redelijke termijn om vast te stellen of zij met deze overeenkomst in overeenstemming is, en op basis van de daarin vervatte informatie beoordeelt het met name:

a)    de mate waarin de normen en de criteria die elke partij hanteert voor het verlenen van vergunningen en voor de werkzaamheden en de certificering als bedoeld in lid 2 met elkaar verenigbaar zijn, en


b)    de potentiële economische waarde van een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning voor het verlenen van vergunningen en voor de werkzaamheden en de certificering als bedoeld in lid 2.

4.    Wanneer aan deze vereisten is voldaan, neemt het Comité de nodige stappen om tot onderhandelingen te komen. Vervolgens onderhandelen de partijen via hun bevoegde autoriteiten over een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning voor het verlenen van vergunningen en voor de werkzaamheden en certificering als bedoeld in lid 2.

5.    Een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning die de partijen kunnen sluiten, is in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de WTO-Overeenkomst, in het bijzonder met artikel VII van de GATS.

ONDERAFDELING 3

Post- en koeriersdiensten

ARTIKEL 8.36

Toepassingsgebied en definities

1.    Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor de levering van post- en koeriersdiensten, en is van toepassing op maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor de handel in post- en koeriersdiensten.


2.    Voor de toepassing van deze onderafdeling:

a)    wordt onder "vergunning" verstaan: een toelating die een onafhankelijke regelgevende autoriteit van een partij in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de partij van een individuele leverancier kan verlangen als voorwaarde om post- en koeriersdiensten te mogen aanbieden, en

b)    wordt onder "universele dienst" verstaan: het overal op het grondgebied van een partij permanent aanbieden van een postdienst van een gespecificeerde kwaliteit tegen prijzen die voor alle gebruikers betaalbaar zijn.

ARTIKEL 8.37

Universele dienst

1.    Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij wenst te handhaven. Deze verplichting wordt niet per se mededingingbeperkend geacht, mits zij op een transparante, niet-discriminerende en uit mededingingsoogpunt neutrale wijze wordt uitgevoerd en voor de door de partij vastgestelde soort universele dienst geen grotere last vormt dan nodig is, met betrekking tot alle aanbieders die onder de verplichting vallen.


2.    Binnen het kader van haar wetgeving inzake postdiensten of op een andere gebruikelijke wijze omschrijft elke partij de reikwijdte van de universeledienstverplichting, ten volle rekening houdend met de gebruikersbehoeften en de nationale omstandigheden, waaronder de marktwerking, van die partij.

3.    Elke partij draagt er zorg voor dat een leverancier van post- en koeriersdiensten op haar grondgebied waaraan een universeledienstverplichting is opgelegd uit hoofde van haar wet- en regelgeving, zich niet bezighoudt met de volgende praktijken:

a)    het uitsluiten van de zakelijke activiteiten van andere ondernemingen door kruissubsidiëring, met inkomsten uit de levering van de universele dienst, de levering van koeriersdiensten 48 of eender welke niet-universele dienst op een wijze die leidt tot een particulier monopolie, in strijd met artikel 3 van de Wet inzake het verbod op particuliere monopolies en de handhaving van eerlijke handelspraktijken (wet nr. 54 van 1947) van Japan, of die misbruik van een dominante marktpositie inhoudt, in strijd met het mededingingsrecht van de Europese Unie 49 , of


b)    onrechtmatig differentiëren tussen consumenten, zoals aanbieders van grote partijen post of tussenpersonen bij soortgelijke omstandigheden, met betrekking tot tarieven en de bepalingen over ontvangst, aflevering, doorsturen, retourneren en het vereiste aantal dagen voor de levering van een dienst waarvoor een universele dienstverplichting geldt.

ARTIKEL 8.38

Grensprocedures

1.    De grensprocedures voor internationale postdiensten en internationale koeriersdiensten 50 worden toegepast in overeenstemming met de desbetreffende internationale overeenkomsten en de wet- en regelgeving van elke partij.


2.    Onverminderd het bepaalde in lid 1onthoudt elke partij zich ervan om aan internationale koeriersdiensten ongerechtvaardigd een minder gunstige behandeling toe te kennen dan aan internationale postdiensten wat grensprocedures betreft.

ARTIKEL 8.39

Vergunningen

1.    Elke partij mag een vergunning voorschrijven voor het verlenen van een dienst als bedoeld in deze onderafdeling.

2.    Indien een partij een vergunning voorschrijft, maakt zij de volgende informatie openbaar:

a)    alle vergunningscriteria en de periode die normaliter nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen, en

b)    de voorwaarden voor de betrokken vergunningen.


3.    Indien de bevoegde autoriteit een aanvraag voor een vergunning afwijst, stelt zij de aanvrager op diens verzoek in kennis van de redenen voor de afwijzing van de vergunning. Elke partij legt een procedure vast voor het instellen van beroep bij een onafhankelijke instantie die ter beschikking staat voor de aanvragers aan wie een vergunning werd geweigerd. Die procedures zijn transparant, niet-discriminatoir en gebaseerd op objectieve criteria.

ARTIKEL 8.40

Onafhankelijkheid van regelgevende instantie

Elke partij ziet erop toe dat:

a)    de regelgevende instantie 51 voor de diensten als bedoeld in deze onderafdeling juridisch gescheiden is van, en geen verantwoording verschuldigd is aan een verlener van die diensten, en

b)    onverminderd de wet- en regelgeving van elke partij, de besluiten van haar regelgevende instantie en de door die instantie gehanteerde procedures onpartijdig zijn.


ONDERAFDELING 4

Telecommunicatiediensten

ARTIKEL 8.41

Toepassingsgebied

1.    Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle telecommunicatiediensten en is van toepassing op maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor de handel in telecommunicatiediensten, die bestaan in het overbrengen van signalen, met inbegrip van, onder meer, de transmissie van video- en audiosignalen (ongeacht het type protocollen en technieken) via openbare telecommunicatienetwerken.

2.    Deze onderafdeling is niet van toepassing op de maatregelen die van invloed zijn op:

a)    omroepdiensten zoals omschreven in de wet- en regelgeving van elke partij, en

b)    diensten die met behulp van telecommunicatienetwerken en -diensten doorgezonden inhoud aanbieden of ten aanzien van die inhoud redactionele controle uitoefenen.


3.    Onverminderd lid 2, onder a), wordt een leverancier van omroepdiensten beschouwd als een aanbieder van openbare telecommunicatiediensten, en zijn netwerken als openbare telecommunicatienetwerken, wanneer en voor zover dergelijke netwerken ook worden gebruikt voor het verlenen van openbare telecommunicatiediensten.

4.    Niets in deze onderafdeling wordt zodanig uitgelegd dat van een partij wordt verlangd:

a)    toe te staan dat een dienstverlener van de andere partij telecommunicatienetwerken of diensten instelt, ontwikkelt, verwerft, huurt, exploiteert of levert op andere wijze dan in deze overeenkomst wordt bepaald, of

b)    telecommunicatienetwerken of -diensten die niet aan het algemene publiek worden aangeboden, in te stellen, te ontwikkelen, te verwerven, te huren, te exploiteren of te leveren, dan wel een dienstverlener die onder haar rechtsmacht valt hiertoe te verplichten.


ARTIKEL 8.42

Definities

Voor de toepassing van deze onderafdeling:

a)    wordt onder "bijbehorende faciliteiten" verstaan: diensten en infrastructuur in verband met openbare telecommunicatienetwerken of -diensten die nodig zijn voor het verlenen van diensten via deze netwerken of diensten, zoals gebouwen (met inbegrip van toegangen ertoe en bekabeling ervan), kabelgoten en kasten, alsmede masten en antennes;

b)    wordt onder "kostengeoriënteerd" verstaan: gebaseerd op de kosten, waarbij een redelijke winstmarge kan zijn inbegrepen, en er voor verschillende faciliteiten of diensten verschillende kostenberekeningsmethoden kunnen worden gehanteerd;

c)    wordt onder "eindgebruiker" verstaan: een consument of abonnee van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst, met inbegrip van andere dienstverleners dan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten;


d)    wordt onder "essentiële faciliteiten" verstaan: faciliteiten in het kader van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst die:

i)    uitsluitend of voornamelijk worden aangeboden door één of een beperkt aantal leveranciers, en

ii)    bij het verlenen van een dienst niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen;

e)    wordt onder "interconnectie": verstaan: de koppeling 52 van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten van verschillende aanbieders zodat de gebruikers van een leverancier kunnen communiceren met de gebruikers van een andere leverancier of toegang krijgen tot diensten verleend door eender welke leverancier die toegang tot het netwerk heeft;

f)    wordt onder "internationale mobiele roamingdienst" verstaan: een commerciële mobiele dienst op basis van een commerciële overeenkomst tussen aanbieders van openbare telecommunicatiediensten die een eindgebruiker in staat stelt om zijn eigen mobiele telefoon of een ander toestel voor spraak-, data- of berichtendiensten te gebruiken buiten het grondgebied waar het openbaar telecommunicatienetwerk waarvan de eindgebruiker oorspronkelijk gebruik maakt, is gevestigd;


g)    wordt onder "huurlijnen" verstaan: telecommunicatiefaciliteiten tussen twee of meer bepaalde aansluitpunten die zijn gereserveerd voor het specifieke gebruik door of beschikbaarheid voor een bepaalde gebruiker, ongeacht welke technologie wordt gebruikt;

h)    wordt onder "grote aanbieder" verstaan: een leverancier die, wat prijs en aanbod betreft, de voorwaarden voor deelname op de relevante markt voor openbare telecommunicatienetwerken of -diensten wezenlijk kan beïnvloeden ten gevolge van:

i)    controle over essentiële faciliteiten, of

ii)    de wijze waarop hij van zijn marktpositie gebruik maakt;

i)    wordt onder "niet-discriminerend" verstaan: een behandeling die niet minder gunstig is dan die welke onder soortgelijke omstandigheden aan andere dienstverleners en gebruikers van soortgelijke openbare telecommunicatienetwerken of -diensten wordt toegekend;

j)    wordt onder "nummerportabiliteit" verstaan: de mogelijkheid voor een eindgebruiker van openbare telecommunicatiediensten om op dezelfde locatie dezelfde telefoonnummers te houden zonder dat de kwaliteit of de betrouwbaarheid eronder leidt wanneer binnen dezelfde categorie aanbieders van soortgelijke openbare telecommunicatiediensten van leverancier wordt veranderd;


k)    wordt onder "openbaar telecommunicatienetwerk" verstaan: openbare telecommunicatie-infrastructuur waardoor telecommunicatie tussen bepaalde eindpunten van een netwerk mogelijk wordt gemaakt;

l)    wordt onder "openbare telecommunicatiedienst" verstaan: elke telecommunicatiedienst die aan het algemene publiek wordt aangeboden, zoals telegraaf-, telefoon-, telex- en datatransmissiediensten, die gekenmerkt worden door de real-time transmissie van door de klant tussen twee of meer punten verzonden informatie, zonder dat de vorm of inhoud van de informatie van de klant van beginpunt tot eindpunt wordt gewijzigd;

m)    wordt onder "regelgevende autoriteit" verstaan: de instantie(s) van een partij die verantwoordelijk is/zijn voor de regelgeving inzake telecommunicatie;

n)    wordt onder "telecommunicatie" verstaan: de transmissie en ontvangst van signalen via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen, en

o)    wordt onder "gebruikers" verstaan: eindgebruikers of aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten die consumenten of abonnees zijn van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst.


ARTIKEL 8.43

Benaderingen van regelgeving

1.    De partijen erkennen het belang van concurrerende markten om een ruime keuze bij de levering van telecommunicatiediensten te bieden en om het welzijn van de consument te verbeteren, en dat economische regelgeving wellicht niet nodig is wanneer er sprake is van daadwerkelijke mededinging. De partijen erkennen dan ook dat de behoefte aan regelgeving en de benaderingswijzen per markt verschillen, en dat een partij mag bepalen hoe zij haar verplichtingen uit hoofde van deze onderafdeling nakomt.

2.    In dit verband erkennen de partijen dat een partij:

a)    rechtstreeks regelgeving mag vaststellen, hetzij anticiperend op een kwestie die naar verwachting van de partij kan ontstaan, hetzij om een reeds bestaande kwestie in de markt op te lossen, of

b)    mag vertrouwen op de marktwerking, met name voor marktsegmenten waar veel mededinging is of die lage toetredingsdrempels hebben, zoals diensten van verleners van telecommunicatiediensten die geen eigen netwerk hebben.

3.    Voor alle duidelijkheid: een partij die overeenkomstig lid 2, onder b), afziet van regelgeven, blijft onderworpen aan de verplichtingen uit hoofde van deze onderafdeling. Niets in dit artikel belet een partij om regelgeving toe te passen op telecommunicatiediensten.


ARTIKEL 8.44

Toegang en gebruik

1.    Elke partij ziet erop toe dat dienstverleners van de andere partij toegang krijgen tot, en gebruik mogen maken van, openbare telecommunicatienetwerken en -diensten tegen voorwaarden die redelijk en niet-discriminerend zijn en die niet minder gunstig zijn dan die welke de leverancier van die openbare telecommunicatienetwerken en -diensten voor zijn eigen soortgelijke diensten onder soortgelijke omstandigheden biedt. Deze verplichting wordt, onder meer, door toepassing van de leden 2 tot en met 6 ten uitvoer gelegd.

2.    Elke partij ziet erop toe dat dienstverleners van de andere partij toegang hebben tot, en gebruik kunnen maken van, alle binnen of buiten de grenzen van eerstgenoemde partij aangeboden openbare telecommunicatienetwerken en -diensten, particuliere huurlijnen inbegrepen, en ziet er daartoe overeenkomstig de leden 5 en 6 op toe dat het die dienstverleners is toegestaan:

a)    eind- of andere apparatuur die met het openbare telecommunicatienetwerk verbonden is en die nodig is om hun diensten te verlenen, te kopen of huren, en aan dat netwerk te koppelen;

b)    particuliere huurlijnen of lijnen in particuliere eigendom te verbinden met openbare telecommunicatienetwerken en -diensten of met lijnen die gehuurd zijn door of eigendom zijn van andere dienstverleners, en


c)    exploitatieprotocollen van hun keuze te gebruiken voor de verlening van alle diensten, andere dan die welke noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat telecommunicatienetwerken en -diensten voor het algemene publiek beschikbaar zijn.

3.    Elke partij ziet erop toe dat dienstverleners van de andere partij openbare telecommunicatienetwerken en -diensten kunnen gebruiken voor het informatieverkeer op het grondgebied en over de grenzen van eerstgenoemde partij, daarbij inbegrepen de interne bedrijfscommunicatie van deze dienstverleners, en voor toegang tot informatie in gegevensbestanden of tot informatie die op andere wijze in machine-leesbare vorm is opgeslagen op het grondgebied van een der partijen of van eender welk ander WTO-lid.

4.    In afwijking van lid 3 kan een partij de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en vertrouwelijkheid van berichten, mits deze maatregelen niet op zodanige wijze worden toegepast dat zij een arbitraire of ongerechtvaardigde discriminatie dan wel een verkapte beperking van de handel in diensten vormen.

5.    Elke partij ziet erop toe dat voor de toegang tot en het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten uitsluitend voorwaarden worden gesteld die noodzakelijk zijn ter:

a)    waarborging van de openbare-dienstverantwoordelijkheden van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten, en met name hun vermogen om hun netwerken of diensten aan het algemene publiek ter beschikking te stellen, en


b)    bescherming van de technische integriteit van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten.

6.    Mits de voorwaarden voor toegang tot en het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten aan de in lid 5 genoemde criteria voldoen, mogen zij het volgende omvatten:

a)    beperkingen ter zake van wederverkoop en medegebruik van die diensten;

b)    een eis om gespecificeerde technische interfaces te gebruiken, daarbij inbegrepen interface-protocollen, voor koppeling met openbare telecommunicatienetwerken en -diensten;

c)    indien nodig, eisen voor de interoperabiliteit van openbare telecommunicatiediensten en om aan te sporen tot het bereiken van de doelstellingen van artikel 8.55;

d)    type-goedkeuring van eind- of andere apparatuur die gekoppeld wordt aan openbare telecommunicatienetwerken en technische eisen voor de koppeling van die apparatuur aan die netwerken;

e)    beperkingen ter zake van de interconnectie van particuliere huurlijnen of lijnen in particuliere eigendom met openbare telecommunicatienetwerken en -diensten of met lijnen die gehuurd zijn door of eigendom zijn van andere dienstverleners, of

f)    aanmelding, toelating, registratie en verlening van vergunningen.


ARTIKEL 8.45

Nummerportabiliteit

Elke partij ziet erop toe dat, voor zover dat technisch haalbaar is, aanbieders van openbare telecommunicatiediensten op haar grondgebied voor door die partij aangewezen mobiele diensten en alle andere diensten op redelijke voorwaarden nummerportabiliteit aanbieden.

ARTIKEL 8.46

Wederverkoop

Indien een partij verlangt dat een aanbieder van openbare telecommunicatiediensten zijn openbare telecommunicatiediensten voor wederverkoop aanbiedt, waarborgt die partij dat deze aanbieder geen onredelijke of discriminerende voorwaarden of beperkingen betreffende de wederverkoop van deze openbare telecommunicatiediensten oplegt.


ARTIKEL 8.47

Gebruik van netwerkfaciliteiten en interconnectie mogelijk maken

1.    De partijen erkennen dat over het mogelijk maken van gebruik van netwerkfaciliteiten 53 en interconnectie in beginsel afspraken moeten worden gemaakt op basis van commerciële onderhandelingen tussen de betrokken aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of diensten.

2.    Elke partij ziet erop toe dat iedere aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of diensten op haar grondgebied het recht heeft en, indien hij hierom door een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of diensten van de andere partij wordt verzocht, een verplichting heeft om te onderhandelen over interconnectie met het oog op het leveren van openbare telecommunicatienetwerken of diensten. Elke partij verleent haar regelgevende autoriteit de bevoegdheid om, indien noodzakelijk, te eisen dat een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of diensten interconnectie met aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of diensten van de andere partij aanbiedt.


3.    Een partij onthoudt zich van het vaststellen of handhaven van maatregelen die aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of diensten die het gebruik van netwerkfaciliteiten of het aanbieden van interconnectie mogelijk maken, verplichten om verschillende voorwaarden aan verschillende aanbieders voor soortgelijke diensten op te leggen, of die verplichtingen opleggen die geen verband houden met de aangeboden diensten.

ARTIKEL 8.48

Verplichtingen ten aanzien van grote aanbieders

1.    Elke partij neemt of handhaaft passende maatregelen om te voorkomen dat aanbieders die alleen of met anderen gezamenlijk een grote aanbieder zijn, mededingingbeperkende praktijken toepassen of blijven toepassen. In dit verband wordt onder mededingingbeperkende praktijken met name het volgende verstaan:

a)    het op mededingingbeperkende wijze toepassen van kruissubsidiëring;

b)    het op mededingingbeperkende wijze gebruiken van informatie van concurrenten, en

c)    het niet tijdig aan andere dienstverleners beschikbaar stellen van technische informatie over essentiële faciliteiten en van commercieel relevante informatie die deze aanbieders voor het verlenen van hun diensten nodig hebben.


2.    Elke partij verleent haar regelgevende autoriteit de bevoegdheid om, in voorkomend geval, te verlangen dat grote aanbieders op haar grondgebied aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of diensten van de andere partij een behandeling toekennen die niet minder gunstig is dan die welke door de betrokken aanbieder in soortgelijke omstandigheden wordt toegekend aan haar dochterondernemingen of filialen ervan, met betrekking tot:

a)    de beschikbaarheid, kwaliteit, tarieven of soortgelijke telecommunicatiediensten, en

b)    de beschikbaarheid van technische interfaces voor interconnectie.

3.    Elke partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied interconnectie verschaffen met aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of diensten van de andere partij op elk technisch haalbaar punt in het netwerk van de desbetreffende grote aanbieder, en dat de desbetreffende grote aanbieder deze interconnectie verschaft:

a)    onder voorwaarden (waaronder technische normen en specificaties, kwaliteit, onderhoud) en tegen tarieven die niet-discriminerend zijn en niet minder gunstig zijn dan die welke worden geboden voor de eigen soortgelijke diensten onder soortgelijke omstandigheden, en van een kwaliteit die niet lager is dan die welke wordt geboden voor de eigen soortgelijke diensten, voor soortgelijke diensten van niet-verbonden dienstverleners of voor hun dochterondernemingen of andere verbonden ondernemingen;


b)    binnen een redelijke termijn, op voorwaarden (waaronder technische normen, specificaties, kwaliteit en onderhoud) en tegen op de kosten gebaseerde tarieven die transparant, economisch redelijk en voldoende gescheiden zijn, zodat de aanbieders niet hoeven te betalen voor netwerkonderdelen of -faciliteiten die zij voor de te verlenen dienst niet nodig hebben, en

c)    op verzoek via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten.

4.    Elke partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten van de andere partij de gelegenheid bieden tot interconnectie van hun faciliteiten en apparatuur met die van een grote aanbieder door middel van:

a)    een referentie-interconnectieaanbieding of een andere standaard-interconnectieaanbieding met de tarieven en voorwaarden die de grote aanbieder in het algemeen aanbiedt aan aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten, of

b)    de voorwaarden van een van kracht zijnde interconnectieovereenkomst.

5.    Elke partij ziet erop toe dat de toepasselijke procedures voor interconnectie met grote aanbieders op haar grondgebied openbaar worden gemaakt.


6.    Elke partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied hun interconnectieovereenkomsten of hun referentieoffertes voor interconnectie openbaar maken.

7.    Elke partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied die tijdens onderhandelingen over, en als gevolg van het gebruik van netwerkfaciliteiten- of interconnectieregelingen informatie van een andere leverancier van openbare telecommunicatienetwerken of diensten ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die werd verstrekt, en dat zij de vertrouwelijkheid van de verstrekte of opgeslagen informatie te allen tijde respecteren.

8.    Elke partij ziet erop toe dat grote aanbieders op haar grondgebied het gebruik van netwerkfaciliteiten, die netwerkelementen en bijbehorende faciliteiten kunnen omvatten, mogelijk maken voor aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of diensten van de andere partij op voorwaarden (inclusief technische normen, specificaties, tarieven, kwaliteit en onderhoud) die transparant, redelijk, en niet-discriminerend (ook qua tijdigheid) zijn en die niet minder gunstig zijn dan die welke zij hanteren voor hun eigen soortgelijke diensten onder soortgelijke omstandigheden 54 .


ARTIKEL 8.49

Regelgevende autoriteit

1.    Elke partij ziet erop toe dat haar regelgevende autoriteit juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk 55 is van enige aanbieder van telecommunicatiediensten, telecommunicatienetwerken of telecommunicatienetwerkapparatuur.

2.    Een partij die de eigendom van of de zeggenschap over aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of diensten heeft, zorgt voor een daadwerkelijke structurele scheiding tussen de regelgevende taken op telecommunicatiegebied en de met eigendom of zeggenschap verband houdende activiteiten.

3.    Elke partij verleent haar regelgevende autoriteit de bevoegdheid om regelgeving voor de telecommunicatiesector op te stellen en de haar opgedragen taak te vervullen, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de maatregelen in verband met de verplichtingen uit hoofde van deze onderafdeling. De taken van de regelgevende autoriteit worden openbaar gemaakt in een gemakkelijk toegankelijke en duidelijke vorm.


4.    Elke partij ziet erop toe dat de besluiten die de regelgevende autoriteit neemt en de procedures die zij toepast, voor alle marktdeelnemers gelijk zijn.

5.    Elke partij ziet erop toe dat de regelgevende autoriteit haar taken op transparante wijze, en zo mogelijk zonder onnodige vertraging, vervult.

6.    Elke partij verleent haar regelgevende autoriteit de bevoegdheid om van aanbieders van telecommunicatienetwerken en -diensten alle informatie te vragen, met inbegrip van financiële informatie, die noodzakelijk is om de taken van de autoriteit overeenkomstig deze onderafdeling te vervullen. De regelgevende autoriteit vraagt niet meer informatie dan nodig is om haar taken uit te voeren en behandelt de van deze aanbieders verkregen informatie overeenkomstig de wet- en regelgeving van die partij inzake vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie.

ARTIKEL 8.50

Universele dienst

1.    Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij wenst te handhaven. Die verplichtingen worden niet per se mededingingbeperkend geacht, mits zij op een transparante, objectieve, niet-discriminerende en uit mededingingsoogpunt neutrale wijze worden uitgevoerd en voor de door de partij vastgestelde soort universele dienst geen grotere last vormen dan noodzakelijk is.


2.    Alle aanbieders van telecommunicatiediensten komen in aanmerking om een universele dienst te verlenen. De aanbieders van de universele dienst worden aangewezen door middel van een transparant, niet-discriminerend en niet onnodig zwaar mechanisme.

3.    De regelgevende autoriteit van een partij kan bepalen of er een mechanisme nodig is om de nettokosten van de voor het verlenen van de universele dienst aangewezen leveranciers te compenseren, rekening houdend met eventuele marktvoordelen voor deze leveranciers, of om de nettokosten van de universeledienstverplichtingen te delen.

ARTIKEL 8.51

Vergunning voor verlenen van telecommunicatienetwerken en -diensten

1.    Elke partij verleent toestemming voor de verstrekking van telecommunicatienetwerken of -diensten, in de mate van het mogelijke, naar aanleiding van een eenvoudige kennisgeving of registratie, zonder een voorafgaand uitdrukkelijk besluit van de regelgevende autoriteit te eisen. De rechten en plichten die uit een dergelijke toestemming voortvloeien, worden in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt.

2.    Indien nodig kan een partij een vergunning voorschrijven voor het recht om gebruik te maken van radiofrequenties en nummers, met name teneinde:

a)    schadelijke interferentie te vermijden;


b)    de technische kwaliteit van de dienst te garanderen, en

c)    een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen.

3.    Indien een partij een vergunning voorschrijft, maakt zij de volgende informatie openbaar:

a)    alle vergunningscriteria en een redelijke periode die normaliter nodig is om een beslissing over een vergunning te nemen, en

b)    de voorwaarden voor individuele vergunningen.

4.    Elke partij stelt de verzoeker zonder onnodige vertraging in kennis van het resultaat van zijn aanvraag nadat een besluit over de vergunning wordt genomen. Indien wordt besloten om een vergunning te weigeren of in te trekken, maakt elke partij aan de aanvrager op diens verzoek, in beginsel schriftelijk, de redenen voor de weigering of intrekking bekend. In dat geval moet de aanvrager de mogelijkheid hebben om een beroep in te stellen bij een beroepsorgaan als bedoeld in artikel 8.54.

5.    Elke partij ziet erop toe dat alle administratieve vergoedingen die worden opgelegd aan aanbieders van telecommunicatienetwerken of -diensten objectief, transparant en evenredig met de administratieve kosten van de regelgevende autoriteit zijn. Die administratieve vergoedingen omvatten geen betalingen voor het gebruik van schaarse hulpbronnen en verplichte bijdragen voor de verlening van universele diensten.


ARTIKEL 8.52

Toewijzing en gebruik van schaarse middelen

1.    Elke partij voert alle procedures uit voor de toewijzing en het gebruik van schaarse middelen in verband met telecommunicatie, waaronder frequenties, nummers en doorgangsrechten, op een open, objectieve, tijdige, transparante, niet-discriminerende en niet onnodig belastende manier.

2.    Elke partij maakt de actuele stand van de toegewezen frequentiebanden openbaar, maar is niet verplicht gedetailleerde informatie te verstrekken over frequenties die zijn toegewezen voor specifiek gebruik door de overheid.

3.    Maatregelen van een partij voor de toewijzing en toekenning van spectra en voor het beheer van de frequenties, zijn niet per definitie in strijd met de artikelen 8.7 en 8.15. Daarom behoudt elke partij het recht om haar beleid inzake spectrum- en frequentiebeheer vast te stellen en toe te passen, hetgeen het aantal aanbieders van openbare telecommunicatiediensten kan beperken, mits de partij dit doet op een manier die overeenstemt met de overige bepalingen van deze overeenkomst. Dit recht omvat de mogelijkheid om frequentiebanden toe te wijzen, rekening houdend met bestaande en toekomstige behoeften en spectrumbeschikbaarheid.


ARTIKEL 8.53

Transparantie

Elke partij ziet erop toe dat haar maatregelen met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten openbaar worden gemaakt, met inbegrip van maatregelen in verband met:

a)    tarieven en andere dienstvoorwaarden;

b)    specificaties van technische interfaces;

c)    instanties die verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding, wijziging en goedkeuring van normen voor toegang en gebruik;

d)    voorwaarden die van toepassing zijn op het koppelen van eind- of andere apparatuur aan de openbare telecommunicatienetwerken, en

e)    vereisten op het gebied van aanmelding, toestemming, registratie of vergunningverlening, indien van toepassing.


ARTIKEL 8.54

Beslechting van telecommunicatiegeschillen

1.    Elke partij ziet er in overeenstemming met haar wet- en regelgeving op toe dat de aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten van de andere partij tijdig een beroep kunnen doen op de regelgevende autoriteit van de eerstgenoemde partij om geschillen te beslechten met betrekking tot de rechten en plichten van deze aanbieders uit hoofde van deze onderafdeling. In dergelijke gevallen streeft de regelgevende autoriteit ernaar een bindend besluit te nemen, voor zover van toepassing, om het geschil zonder onnodige vertraging op te lossen.

2.    Indien de regelgevende autoriteit weigert om een procedure in te leiden naar aanleiding van een verzoek om een geschil te beslechten, geeft zij op verzoek en binnen een redelijke termijn een schriftelijke motivering voor haar besluit.

3.    De regelgevende autoriteit maakt het besluit waarmee het geschil wordt beslecht openbaar overeenkomstig de wet- en regelgeving van de partij, met inachtneming van de vereisten inzake vertrouwelijke bedrijfsgegevens.

4.    Elke partij ziet erop toe dat aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken of diensten die worden benadeeld door een vaststelling of besluit van haar regelgevende autoriteit kunnen verzoeken om een toetsing van deze vaststelling of dit besluit door de regelgevende autoriteit of een onafhankelijk beroepsorgaan dat al dan niet een rechterlijke instantie is.


5.    Elke partij ziet erop toe dat een aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken of diensten die geraakt wordt door een besluit van de regelgevende autoriteit of onafhankelijk beroepsorgaan, indien laatstgenoemde geen rechterlijke instantie is, een verdere toetsing van het besluit door een onafhankelijke rechterlijke instantie kunnen verkrijgen, behalve indien de aanbieder een procedure heeft aanvaard waarbij de regelgevende autoriteit of onafhankelijke beroepsinstantie een definitieve uitspraak doet, in overeenstemming met de wet- en regelgeving van de partij.

6.    Een partij mag niet toestaan dat een verzoek om toetsing door een beroepsinstantie of een rechterlijke instantie een motief voor niet-naleving van de vaststelling of het besluit van de regelgevende autoriteit vormt, tenzij de desbetreffende beroepsinstantie of rechterlijke instantie een dergelijke vaststelling of een dergelijk besluit nietig verklaart, schorst of intrekt.

7.    De procedure van de leden 1, 2 en 3 laat het recht van elk van de betrokken partijen om bij de rechterlijke instanties een procedure in te leiden, onverlet.


ARTIKEL 8.55

Verhouding tot internationale organisaties

De partijen erkennen het belang van internationale normen voor de wereldwijde compatibiliteit en interoperabiliteit van telecommunicatienetwerken en -diensten, en verbinden zich tot bevordering van deze normen via de werkzaamheden van de betrokken internationale organen, daarbij inbegrepen de Internationale Telecommunicatie-unie en de Internationale Organisatie voor normalisatie.

ARTIKEL 8.56

Vertrouwelijkheid van inlichtingen

Elke partij ziet toe op de vertrouwelijkheid van telecommunicatie en het daarmee verband houdende dataverkeer dat via een openbaar telecommunicatienetwerk en via openbare telecommunicatiediensten plaatsvindt, zonder de handel in diensten onnodig te beperken.

 


ARTIKEL 8.57

Internationale mobiele roaming 56

1.    Elke partij spant zich in om samen te werken aan de bevordering van transparante en redelijke tarieven voor internationale mobiele roamingdiensten teneinde de groei van de handel tussen de partijen te bevorderen en het welzijn van de consumenten te vergroten.

2.    Elke partij kan kiezen om stappen te ondernemen ter verbetering van de transparantie en de mededinging op het gebied van internationale mobiele roamingkosten en technologische alternatieven voor roamingdiensten, zoals:

a)    waarborgen dat informatie over retailtarieven gemakkelijk toegankelijk is voor de consumenten, en

b)    verminderen van de belemmeringen voor het gebruik van technologische alternatieven voor roaming, waarbij consumenten die het grondgebied van een partij bezoeken vanaf het grondgebied van de andere partij, toegang hebben tot telecommunicatiediensten met gebruikmaking van het apparaat van hun keuze.


3.    Elke partij moedigt aanbieders van openbare telecommunicatiediensten op haar grondgebied aan tot het openbaar maken van informatie over de retailtarieven voor internationale mobiele roamingdiensten voor spraak-, data- en sms-verkeer die worden aangeboden aan hun eindgebruikers wanneer zij het grondgebied van de andere partij bezoeken.

4.    Niets in dit artikel vereist dat een partij prijzen of voorwaarden voor internationale mobiele roamingdiensten reguleert.

ONDERAFDELING 5

Financiële diensten

ARTIKEL 8.58

Toepassingsgebied

1.    Deze onderafdeling is van toepassing op maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor de handel in financiële diensten.


2.    Voor de toepassing van artikel 8.2, onder r), van deze onderafdeling wordt verstaan onder "bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en verrichte activiteiten":

a)    activiteiten van een centrale bank, monetaire autoriteit of enige andere openbare instantie om monetair of wisselkoersbeleid uit te voeren;

b)    activiteiten in het kader van een wettelijk stelsel van sociale zekerheid of een wettelijke pensioenregeling, en

c)    andere activiteiten die door een openbare instantie worden verricht voor rekening of met de garantie of met gebruikmaking van de financiële middelen van een partij of haar openbare instanties.

3.    Wanneer een lid toestaat dat een in lid 2, onder b) of c), genoemde activiteit door zijn verleners van financiële diensten in mededinging met een openbare instantie of verlener van financiële diensten wordt verricht, valt deze activiteit onder "diensten" in de zin van artikel 8.2, onder r).

4.    Het bepaalde in artikel 8.2, onder s), is niet van toepassing op diensten die onder deze onderafdeling vallen.


ARTIKEL 8.59

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

a)    wordt onder "financiële dienst" verstaan: elke dienst van financiële aard, aangeboden door een verlener van financiële diensten van een partij; financiële diensten omvatten alle verzekeringen en aanverwante diensten en bank- en overige financiële diensten (behalve verzekeringen); financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:

i)    verzekeringen en aanverwante diensten:

A)    directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):

1)    levensverzekering, en

2)    schadeverzekering;

B)    herverzekering en retrocessie;

C)    verzekeringsbemiddeling, zoals diensten van makelaars en agenten, en


D)    hulpdiensten in de verzekeringssector, zoals adviesverstrekking, actuariaat, risicobeoordeling en regeling van schadeclaims, en

ii)    bankdiensten en overige financiële diensten (behalve verzekeringen):

A)    aanvaarding van deposito’s en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;

B)    alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;

C)    financiële leasing;

D)    alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder krediet-, betaal- en debetkaarten, reischeques en bankwissels;

E)    garanties en toezeggingen;

F)    transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten op de beurs, de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:

1)    geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten);


2)    deviezen;

3)    afgeleide producten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot termijnen en opties;

4)    wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en forward rate agreements;

5)    verhandelbare effecten, en

6)    andere verhandelbare stukken en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver;

G)    deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van diensten in verband met deze uitgiften;

H)    financiële bemiddeling;

I)    beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;


J)    betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, met inbegrip van effecten, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;

K)    verstrekking en doorgifte van financiële informatie, verwerking van financiële gegevens en bijbehorende software door verleners van andere financiële diensten, en

L)    advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder A) tot en met K) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnames, bedrijfsreorganisaties en -strategieën;

b)    wordt onder "verlener van financiële diensten" verstaan: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon van een partij die financiële diensten wenst te verlenen of verleent, met uitzondering van openbare instanties;

c)    wordt onder "nieuwe financiële dienst" verstaan: een dienst van financiële aard, met inbegrip van diensten in verband met bestaande of nieuwe producten of de wijze waarop een product wordt geleverd, die niet wordt verleend door verleners van financiële diensten op het grondgebied van een partij, doch die op het grondgebied van de andere partij wordt verleend;

d)    wordt onder "postale verzekeringsentiteit" verstaan: een entiteit die verzekeringen afsluit en verkoopt aan het publiek en die direct of indirect eigendom is of onder zeggenschap staat van een postentiteit van een partij;


e)    wordt onder "openbare instantie" verstaan:

i)    een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een partij, of een instantie die eigendom is van een partij of onder zeggenschap staat van een partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van instanties die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis, of

ii)    een particuliere instantie, wanneer deze taken vervult die normalerwijze door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld, en

f)    wordt onder "zelfregulerende organisatie" verstaan: een niet-gouvernementeel orgaan, met inbegrip van een effecten- of termijnbeurs of -markt, een verrekenkantoor of een andere organisatie of vereniging, dat in opdracht van een partij ten aanzien van verleners van financiële diensten of financiële instellingen regelgevende of toezichthoudende bevoegdheden uitoefent.

ARTIKEL 8.60

Financiële diensten die nieuw zijn op grondgebied van een partij

1.    Een partij staat op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten van de andere partij toe om op haar grondgebied nieuwe financiële diensten aan te bieden.


2.    In afwijking van artikel 8.7, onder b), kan een partij de rechtsvorm vaststellen waarin de nieuwe financiële dienst kan worden verleend en kan zij de verlening daarvan aan een vergunningsplicht onderwerpen. Indien een partij een vergunning voorschrijft, mag zij de vergunning weigeren om prudentiële redenen, maar niet om de enkele reden dat de dienst niet wordt verleend door verleners van financiële diensten op haar grondgebied.

ARTIKEL 8.61

Betalings- en clearingsystemen

Onder voorwaarden van nationale behandeling verschaft elke partij aan op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten van de andere partij toegang tot betalings–en clearingsystemen van openbare instanties, alsmede tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel beoogt niet toegang te verschaffen tot de kredietfaciliteiten in laatste instantie van de partij.


ARTIKEL 8.62

Zelfregulerende organisaties

Indien een partij het lidmaatschap van of deelneming in, dan wel de toegang tot een zelfregulerende organisatie vereist zodat verleners van financiële diensten van de andere partij financiële diensten verlenen op dezelfde basis als verleners van financiële diensten van die partij, of indien die partij aan de zelfregulerende organisatie direct of indirect voorrechten of voordelen bij het verlenen van financiële diensten verleent, waarborgt die partij dat de zelfregulerende organisatie zich aan de verplichtingen van artikel 8.8 houdt.

ARTIKEL 8.63

Overdracht en verwerking van informatie

1.    Geen partij neemt maatregelen die overdrachten of verwerking van financiële informatie, met inbegrip van overdrachten van gegevens via elektronische middelen, beletten of die, met inachtneming van met internationale overeenkomsten verenigbare invoerregels, overdrachten van apparatuur beletten, indien die overdrachten van informatie, verwerking van financiële informatie of overdrachten van apparatuur noodzakelijk zijn voor de normale bedrijfsvoering van een velener van financiële diensten.


2.    Niets in lid 1 perkt het recht van een partij in om persoonlijke gegevens, de persoonlijke levenssfeer en de vertrouwelijkheid van persoonlijke dossiers en rekeningen te beschermen, zo lang dit recht niet wordt gebruikt om de bepalingen van de afdelingen B, C en D en deze onderafdeling te omzeilen.

ARTIKEL 8.64

Doeltreffende en transparante regelgeving

1.    Indien een partij een vergunning voor de verlening van een financiële dienst voorschrijft, maakt zij de voorschriften en procedures voor een dergelijke vergunning openbaar.

2.    Indien de autoriteit aanvullende informatie van de aanvrager verlangt om de aanvraag te kunnen behandelen, stelt zij deze daarvan onverwijld in kennis.

3.    Een partij streeft ernaar te waarborgen dat de regels van algemene toepassing die worden vastgesteld of gehandhaafd door zelfregulerende organisaties op het grondgebied van die partij, onverwijld worden bekendgemaakt of anderszins beschikbaar worden gesteld, zodat belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen.


ARTIKEL 8.65

Prudentiële uitzonderingsbepaling

1.    Niets in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat een van beide partijen prudentiële maatregelen vaststelt of handhaaft, waaronder voor:

a)    de bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen aan wie een verlener van financiële diensten een fiduciair recht verschuldigd is, of

b)    het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële stelsel van de partij.

2.    In gevallen waarin dergelijke maatregelen niet in overeenstemming met deze overeenkomst zijn, mogen zij niet worden gebruikt als middel om de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van een partij te ontwijken.

3.    Niets in deze overeenkomst mag zodanig worden geïnterpreteerd dat een partij verplicht is tot het verstrekken van informatie over de zaken en de boekhouding van individuele cliënten, of van vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit is van overheidsinstanties.


ARTIKEL 8.66

Verlening van verzekeringsdiensten door postale verzekeringsentiteiten

1.    Dit artikel stelt voorschriften vast die van toepassing zijn wanneer een partij toestaat dat haar postale verzekeringsentiteit diensten in verband met directe verzekeringen verleent aan het publiek. De onder dit artikel vallende diensten omvatten niet het verlenen van verzekeringsdiensten in verband met het inzamelen, het vervoer en de bezorging van brieven of pakketten door een postale verzekeringsentiteit van een partij.

2.    Een partij stelt geen maatregel vast of handhaaft geen maatregel die mededingingsvoorwaarden schept die gunstiger zijn voor een postale verzekeringsentiteit met betrekking tot het verlenen van verzekeringsdiensten in de zin van lid 1, dan voor een particuliere aanbieder van soortgelijke verzekeringsdiensten op haar markt, onder meer door:

a)    strengere voorwaarden te verbinden aan een vergunning voor een particuliere aanbieder om verzekeringsdiensten te verlenen dan de voorwaarden die de partij oplegt aan een postale verzekeringsentiteit om soortgelijke diensten te verlenen, of

b)    een distributiekanaal voor de verkoop van verzekeringen beschikbaar te stellen aan een postale verzekeringsentiteit tegen voorwaarden die gunstiger zijn dan die voor particuliere aanbieders van soortgelijke diensten.


3.    Met betrekking tot het verlenen van verzekeringsdiensten als bedoeld in lid 1 door een postale verzekeringsentiteit past een partij dezelfde voorschriften en handhavingsactiviteiten toe als die welke zij toepast ten aanzien van het verlenen van soortgelijke verzekeringsdiensten door particuliere aanbieders.

4.    Bij de uitvoering van haar verplichtingen uit hoofde van lid 3 verlangt een partij dat een postale verzekeringsentiteit die verzekeringsdiensten als bedoeld in lid 1 verleent, een jaarrekening met betrekking tot de verlening van die diensten publiceert. De jaarrekening biedt de mate van gedetailleerdheid en voldoet aan de controlenormen die vereist zijn overeenkomstig algemeen aanvaarde beginselen voor financiële verslaglegging en accountantscontrole of gelijkwaardige regels die op het grondgebied van de partij worden toegepast ten aanzien van beursgenoteerde particuliere ondernemingen die soortgelijke diensten verlenen.

5.    De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op een postale verzekeringsentiteit op het grondgebied van een partij:

a)    die noch direct of indirect eigendom is, noch direct of indirect onder zeggenschap staat van de partij zolang deze geen voordeel in stand houdt dat de mededingingsvoorwaarden bij het verstrekken van verzekeringsdiensten ten gunste van de postale verzekeringsentiteit, in vergelijking met een particuliere aanbieder van soortgelijke verzekeringsdiensten op haar markt, verandert, of

b)    indien de verkoop van directe levens- en schadeverzekeringen die worden afgesloten door de postale verzekeringsentiteit, niet meer vertegenwoordigt dan tien procent van de totale jaarlijkse inkomsten uit premies voor respectievelijk directe levens- en schadeverzekeringen op de markt van die partij.


ARTIKEL 8.67

Samenwerking op regelgevingsgebied inzake financiële regelgeving

De partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van regelgeving inzake financiële regelgeving overeenkomstig bijlage 8A.

ONDERAFDELING 6

Internationale zeevervoerdiensten

ARTIKEL 8.68

Toepassingsgebied en definities

1.    Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor de verlening van internationale zeevervoerdiensten overeenkomstig de afdelingen B, C en D van dit hoofdstuk, en is van toepassing op maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor handel in internationale zeevervoerdiensten.


2.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

a)    wordt onder "diensten in verband met de opslag van containers" verstaan: de opslag van containers op haventerreinen of verder landinwaarts, om deze te laden of te lossen, te repareren en gereed te maken voor verscheping;

b)    wordt onder "in- en uitklaring" verstaan: de afhandeling van douaneformaliteiten namens een derde met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of deze dienst de hoofdactiviteit van de dienstverlener is of een gebruikelijke aanvulling op diens hoofdactiviteit;

c)    wordt onder "vervoer van deur tot deur of multimodaal vervoer" verstaan: het vervoer van vracht met behulp van meer dan één wijze van vervoer en dat een internationaal traject over zee omvat, met een enkel vervoersdocument;

d)    wordt onder "expediteursdiensten" verstaan: de activiteiten waarbij namens een verzender verzendactiviteiten worden georganiseerd en gevolgd, door vervoerdiensten en aanverwante diensten te contracteren, documenten op te stellen en bedrijfsinformatie te verschaffen;


e)    wordt onder "internationale zeevervoerdiensten" verstaan: het vervoer van passagiers of van vracht door zeeschepen tussen een haven van de ene partij en een haven van de andere partij of van een derde land, met inbegrip van het rechtstreeks contracten sluiten met verleners van andere vervoerdiensten ter waarborging van vervoer van deur tot deur of van multimodaal vervoer met een enkel vervoersdocument, maar niet met inbegrip van het recht om dergelijke andere vervoerdiensten te verlenen;

f)    wordt onder "diensten van scheepsagenten" verstaan: activiteiten waarbij de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent worden behartigd voor de volgende doeleinden:

i)    marketing en verkoop van zeevervoer- en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, alsmede het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het kopen en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie, en

ii)    het optreden namens de maatschappijen, het organiseren van de afroep van aanvragen om scheepsruimte of, indien nodig, het overnemen van vracht;

g)    wordt onder "hulpdiensten voor zeevervoer" verstaan: behandeling van zeevracht, opslag, in- en uitklaring, diensten in verband met de opslag van containers, diensten van scheepsagenten, maritieme expediteursdiensten;


h)    wordt onder "behandeling van zeevracht" verstaan: activiteiten van stuwadoorsbedrijven en terminalexploitanten, maar zonder de directe activiteiten van dokwerkers, wanneer dezen niet door de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zelf in dienst zijn genomen. De hier bedoelde activiteiten omvatten de organisatie van en het toezicht op:

i)    het laden of lossen van schepen;

ii)    het sjorren of losmaken van vracht, en

iii)    het in ontvangst nemen of afleveren en bewaken van vracht vóór verscheping of na lossing, en

i)    wordt onder "opslag" verstaan: opslag van diepgevroren of gekoelde goederen en bulkopslag van vloeistoffen of gassen, en opslag van andere goederen, met inbegrip van katoen, graan, wol, tabak, andere landbouwproducten en andere huishoudelijke artikelen.


ARTIKEL 8.69

Verplichtingen

Onverminderd niet-conforme maatregelen of andere maatregelen als bedoeld in de artikelen 8.12 en 8.18,

a)    eerbiedigt elke partij het beginsel van onbeperkte toegang tot de markten voor internationaal zeevervoer en de internationale zeehandel op commerciële en niet-discriminerende grondslag;

b)    kent elke partij aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere partij of worden geëxploiteerd door dienstverleners van de andere partij, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke zij aan haar eigen vaartuigen toekent met betrekking tot onder meer de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en havendiensten, het gebruik van hulpdiensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanediensten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties 57 ;


c)    staat elke partij toe dat verleners van diensten voor internationaal zeevervoer van de andere partij op haar grondgebied een onderneming vestigen en exploiteren onder voorwaarden van vestiging en exploitatie die niet minder gunstig zijn dan die welke zij aan haar eigen dienstverleners toekent, en

d)    staat elke partij verleners van diensten voor internationaal zeevervoer van de andere partij op redelijke en niet-discriminatoire voorwaarden toe gebruik te maken van de volgende havendiensten: loodsen, hulp van duw- en sleepboten, bevoorrading, brandstof- en waterlevering, ophalen en verwerking van afval, kapiteinsdiensten, navigatiehulp, faciliteiten voor noodreparaties, verankering en aan- en afmeren, diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water- en elektriciteitsvoorzieningen.

AFDELING F

Elektronische handel

ARTIKEL 8.70

Doel en algemene bepalingen

1.    De partijen erkennen dat de elektronische handel bijdraagt tot economische groei en de handelsmogelijkheden in veel sectoren verruimt. De partijen erkennen tevens het belang van het bevorderen van de gebruikmaking en de ontwikkeling van de elektronische handel.


2.    Het doel van deze afdeling is bij te dragen aan het scheppen van een klimaat van vertrouwen in de gebruikmaking van elektronische handel, en de elektronische handel tussen de partijen te bevorderen.

3.    De partijen erkennen het belang van het beginsel van technologische neutraliteit in de elektronische handel.

4.    Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van een partij die gevolgen hebben voor het handelsverkeer langs elektronische weg.

5.    Deze afdeling is niet van toepassing op gok- en weddiensten, omroepdiensten, audiovisuele diensten, diensten van notarissen of vergelijkbare beroepen, en rechtskundige vertegenwoordiging.

6.    In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze afdeling en de andere bepalingen van deze overeenkomst, hebben die andere bepalingen voorrang voor zover het de strijdige punten betreft.


ARTIKEL 8.71

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling:

a)    wordt onder "elektronische authenticatie" verstaan: het proces of de handeling voor het controleren van de identiteit van een partij bij een elektronische communicatie of transactie of voor het waarborgen van de integriteit van een elektronische communicatie, en

b)    wordt onder "elektronische handtekening" verstaan: gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere elektronische gegevens en die aan de volgende eisen voldoen:

i)    dat deze worden gebruikt door een persoon om te bevestigen dat de desbetreffende elektronische gegevens overeenkomstig de wet- en regelgeving van elke partij zijn gecreëerd of ondertekend door die persoon, en

ii)    dat deze bevestigen dat de informatie in de elektronische gegevens geen wijzigingen heeft ondergaan.


ARTIKEL 8.72

Douanerechten

De partijen heffen geen douanerechten op elektronische transmissies.

ARTIKEL 8.73

Broncode

1.    Een partij mag geen overdracht van of toegang tot de broncode van software eisen, die eigendom is van een persoon van de andere partij 58 . Niets in dit lid belet de opname of uitvoering van bepalingen en voorwaarden met betrekking tot de overdracht van of het verlenen van toegang tot de broncode in commercieel overeengekomen contracten, of de vrijwillige overdracht van of het verlenen van toegang tot de broncode, bijvoorbeeld in het kader van overheidsopdrachten.

2.    Niets in dit artikel kan afbreuk doen aan:

a)    uitspraken van een gerechtelijke instantie, een administratief gerecht of een mededingingsautoriteit om een einde te maken aan een inbreuk op het mededingingsrecht;


b)    uitspraken van een gerechtelijke instantie, een administratief gerecht of een administratieve autoriteit met betrekking tot de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten voor zover de broncodes door deze rechten worden beschermd, en

c)    het recht van een partij om maatregelen te nemen overeenkomstig artikel III van de GPA (Overeenkomst inzake overheidsopdrachten).

3.    Voor alle duidelijkheid: niets in dit artikel belet een partij om overeenkomstig de artikelen 1.5, 8.3 en 8.65 maatregelen 59 te nemen of te handhaven die strijdig zijn met lid 1.

ARTIKEL 8.74

Nationale regelgeving

Elke partij ziet erop toe dat alle algemeen toepasselijke maatregelen die elektronische handel betreffen, op een redelijke, objectieve en onpartijdige wijze worden toegepast.


ARTIKEL 8.75

Beginsel van geen voorafgaande vergunning

1.    De partijen streven ernaar om geen voorafgaande vergunning of een ander vereiste met gelijke werking als voorwaarde te stellen voor het verlenen van diensten langs elektronische weg.

2.    Lid 1 doet geen afbreuk aan vergunningstelsels die niet specifiek en uitsluitend betrekking hebben op langs elektronische weg verleende diensten, en aan regels op het gebied van de telecommunicatie.

ARTIKEL 8.76

Sluiten van contracten langs elektronische weg

Tenzij anders is bepaald in haar wet- en regelgeving, stelt een partij geen maatregelen vast en handhaaft zij evenmin maatregelen ter regulering van elektronische transacties die:

a)    de rechtsgevolgen, de geldigheid of uitvoerbaarheid van een contract ontzeggen, louter op grond van het feit dat het langs elektronische weg is gesloten, of


b)    op andere wijze belemmeringen vormen voor het gebruik van langs elektronische weg gesloten contracten.

ARTIKEL 8.77

Elektronische authenticatie en elektronische handtekeningen

1.    Tenzij anders is bepaald in haar wet- en regelgeving, ontzegt een partij niet de wettelijke geldigheid van een handtekening louter op grond van het feit dat de handtekening elektronisch is.

2.    Een partij stelt geen maatregelen vast en handhaaft geen maatregelen ter regeling van elektronische authenticatie en elektronische handtekeningen die:

a)    partijen bij een elektronische transactie verbieden om onderling de meest geschikte elektronische authenticatiemethode voor hun transactie te bepalen, of

b)    partijen bij een elektronische transactie de mogelijkheid ontzeggen om door gerechtelijke of administratieve autoriteiten te laten vaststellen dat hun elektronische transacties voldoen aan eventuele wettelijke vereisten met betrekking tot elektronische authenticatie en elektronische handtekeningen.


3.    Onverminderd het bepaalde in lid 2 kan elke partij vereisen dat voor een bepaalde categorie transacties de wijze van authenticatie voldoet aan bepaalde prestatienormen of is gecertificeerd door een instantie die overeenkomstig haar wet- en regelgeving is geaccrediteerd.

ARTIKEL 8.78

Consumentenbescherming

1.    De partijen erkennen het belang van het vaststellen en handhaven van transparante en doeltreffende maatregelen ter bescherming van de consument die van toepassing zijn op de elektronische handel, alsmede maatregelen die bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van het vertrouwen van de consument in de elektronische handel.

2.    De partijen erkennen het belang van samenwerking tussen hun respectieve bevoegde autoriteiten die belast zijn met de bescherming van de consument bij activiteiten in verband met elektronische handel, teneinde de consumentenbescherming te verbeteren.

3.    De partijen erkennen het belang van het vaststellen of handhaven van maatregelen, overeenkomstig hun respectieve wet- en regelgeving, ter bescherming van de persoonsgegevens van gebruikers van elektronische handel .


ARTIKEL 8.79

Ongevraagde commerciële elektronische berichten

1.    Elke partij stelt met betrekking tot ongevraagde commerciële elektronische berichten maatregelen vast of handhaaft maatregelen die:

a)    aanbieders van ongevraagde commerciële elektronische berichten verplichten de ontvangers in staat te stellen verdere ontvangst van deze berichten stop te zetten, en

b)    van ontvangers voorafgaande toestemming vereisen, zoals bepaald door haar wet- en regelgeving, vooar het ontvangen van commerciële elektronische berichten.

2.    Elke partij ziet erop toe dat commerciële elektronische berichten als zodanig duidelijk herkenbaar zijn, duidelijk vermelden namens wie zij worden verstuurd, en de nodige informatie bevatten aan de hand waarvan de ontvanger op elk moment gratis kan vragen om beëindiging.

3.    Elke partij voorziet in rechtsmiddelen tegen aanbieders van ongevraagde commerciële elektronische berichten die niet voldoen aan de maatregelen die uit hoofde van de leden 1 en 2 zijn vastgesteld of worden gehandhaafd.


ARTIKEL 8.80

Samenwerking op gebied van elektronische handel

1.    De partijen werken waar passend samen en nemen actief deel aan multilaterale fora voor het bevorderen van de ontwikkeling van elektronische handel.

2.    De partijen komen overeen om in voorkomend geval een dialoog te onderhouden over regelgevingskwesties in verband met de elektronische handel, met het oog op de uitwisseling van informatie en ervaring, met inbegrip van wet- en regelgeving en de uitvoering ervan, en beste praktijken in verband met de elektronische handel, onder meer met betrekking tot:

a)    consumentenbescherming;

b)    cyberveiligheid;

c)    bestrijding van ongevraagde commerciële elektronische berichten;

d)    erkenning van certificaten van elektronische handtekeningen die worden verstrekt aan het publiek;


e)    uitdagingen voor het midden- en kleinbedrijf bij gebruikmaking van elektronische handel;

f)    de bevordering van grensoverschrijdende certificeringsdiensten;

g)    intellectuele eigendom, en

h)    elektronische overheid.

ARTIKEL 8.81

Vrij verkeer van gegevens

De partijen beoordelen binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst of het noodzakelijk is om bepalingen over het vrije verkeer van gegevens in deze overeenkomst op te nemen.


HOOFDSTUK 9

KAPITAALBEWEGINGEN, BETALINGEN EN OVERDRACHTEN
EN TIJDELIJKE VRIJWARINGSMAATREGELEN

ARTIKEL 9.1

Lopende rekening

Onverminderd de andere bepalingen van deze overeenkomst staat elke partij alle betalingen en overdrachten in verband met transacties op de lopende rekening van de betalingsbalans toe die onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst vallen, in een vrij converteerbare valuta 60 en overeenkomstig de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds, voor zover toepassing.


ARTIKEL 9.2

Kapitaalverkeer

1.    Onverminderd de overige bepalingen van deze overeenkomst stemt elke partij met betrekking tot de verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans, in met het vrije verkeer van kapitaal met het oog op de liberalisering van investeringen en andere transacties als bedoeld in hoofdstuk 8.

2.    De partijen plegen overleg teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken om handel en investeringen te bevorderen.

ARTIKEL 9.3

Toepassing van wet- en regelgeving met betrekking tot kapitaalbewegingen, betalingen of overdrachten

1.    De artikelen 9.1 en 9.2 kunnen niet aldus worden uitgelegd dat zij een partij beletten om haar wet- en regelgeving toe te passen met betrekking tot:

a)    faillissement, insolventie of crediteurenbescherming;


b)    de uitgifte van, de handel in of de verhandeling van effecten, of futures, opties en andere derivaten;

c)    de financiële verslaglegging of registratie van kapitaalbewegingen, betalingen of overdrachten, indien noodzakelijk ter ondersteuning van de met de rechtshandhaving of financiële regelgeving belaste instanties;

d)    overtredingen of misdrijven, of misleidende of frauduleuze praktijken;

e)    het waarborgen dat wordt voldaan aan beschikkingen of uitspraken in arbitrageprocedures, of

f)    socialezekerheidsregelingen, wettelijke pensioenregelingen of verplichte spaarregelingen.

2.    De wet- en regelgeving als bedoeld in lid 1 mag niet worden toegepast op een ongelijke, willekeurige of discriminerende wijze, noch anderszins een verkapte beperking van het kapitaalverkeer, betalingen of overdrachten vormen.


ARTIKEL 9.4

Tijdelijke vrijwaringsmaatregelen

1.    In uitzonderlijke omstandigheden bij ernstige moeilijkheden, of dreigende ernstige moeilijkheden, voor de werking van de Europese Economische en Monetaire Unie, kan de Europese Unie voor een periode van ten hoogste zes maanden vrijwaringsmaatregelen vaststellen of handhaven met betrekking tot kapitaalbewegingen, betalingen of overdrachten. Deze maatregelen worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is, en vormen geen middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen Japan en een derde land in vergelijkbare situaties.

2.    Een partij kan beperkende maatregelen vaststellen of handhaven met betrekking tot kapitaalbewegingen, betalingen of overdrachten 61 :

a)    in het geval van ernstige betalingsbalans- of externe financiële moeilijkheden, of dreiging daarvan 62 , of


b)    indien in uitzonderlijke omstandigheden kapitaalbewegingen, betalingen of overdrachten ernstige macro-economische problemen in verband met monetair en wisselkoersbeleid veroorzaken of dreigen te veroorzaken.

3.    De in lid 2 bedoelde maatregelen:

a)    zijn in overeenstemming met de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds, in voorkomend geval;

b)    gaan niet verder dan noodzakelijk is om de in lid 2 beschreven situaties aan te pakken;

c)    zijn tijdelijk en worden geleidelijk opgeheven naarmate de in lid 2 omschreven situatie verbetert;

d)    brengen geen onnodig nadeel toe aan de commerciële, economische en financiële belangen van de andere partij, en

e)    zijn niet-discriminerend ten opzichte van derde landen in vergelijkbare situaties.

4.    Ten aanzien van de handel in goederen kan elke partij beperkende maatregelen vaststellen op grond van artikel 2.20 om de betalingsbalans te beschermen.


5.    Ten aanzien van de handel in diensten kan elke partij beperkende maatregelen vaststellen om haar buitenlandse financiële positie of betalingsbalans te beschermen. Die maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de voorwaarden van artikel XII van de GATS.

6.    Wanneer een partij maatregelen als bedoeld in de leden 1, 2 en 3 handhaaft of vaststelt, stelt zij de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis.

7.    Indien beperkingen worden vastgesteld of gehandhaafd uit hoofde van dit artikel, plegen de partijen onverwijld overleg in het Comité voor de handel in diensten, investeringen en elektronische handel dat overeenkomstig artikel 22.3 is opgericht, tenzij in andere fora wordt overlegd. Tijdens het overleg worden de problemen op het gebied van de betalingsbalans of externe financiële problemen of andere macro-economische problemen die tot de respectievelijke maatregelen hebben geleid, beoordeeld, rekening houdend met onder meer de volgende factoren:

a)    de aard en de omvang van de problemen;

b)    de economische positie en de handelssituatie ten opzichte van het buitenland, en

c)    andere corrigerende maatregelen die genomen kunnen worden.


8.    Het overleg ingevolge lid 7 heeft betrekking op de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met de leden 1, 2 en 3. Dit overleg wordt gebaseerd op alle beschikbare relevante bevindingen van statistische of feitelijke aard die van het IMF afkomstig zijn, en bij de conclusies wordt rekening gehouden met het oordeel van het IMF over de betalingsbalans en de externe financiële positie of andere macro-economische problemen van de betrokken partij.

HOOFDSTUK 10

OVERHEIDSOPDRACHTEN

ARTIKEL 10.1

Opname van GPA

De GPA wordt mutatis mutandis opgenomen in en maakt deel uit van dit hoofdstuk.


ARTIKEL 10.2

Extra toepassingsgebied

De voorschriften en procedures die zijn vastgesteld in de in bijlage 10, deel 1, genoemde bepalingen van de GPA zijn mutatis mutandis van toepassing op opdrachten die vallen onder bijlage 10, deel 2.

ARTIKEL 10.3

Aanvullende regels

Elke partij past de artikelen 10.4 tot en met 10.12 toe op de opdrachten die vallen onder haar bijlagen bij aanhangsel I van de GPA en op de opdrachten die vallen onder bijlage 10, deel 2.

ARTIKEL 10.4

Bekendmaking van aankondigingen

Aankondigingen van voorgenomen of geplande aanbestedingen overeenkomstig artikel VII van de GPA zijn direct langs elektronische weg kosteloos beschikbaar via één toegangspunt op internet.


ARTIKEL 10.5

Voorwaarden voor deelname

1.    Overeenkomstig artikel VIII van de GPA sluit een aanbestedende dienst van een partij een in de andere partij gevestigde aanbieder niet van deelname aan een aanbestedingsprocedure uit op grond van een wettelijk vereiste dat de aanbieder:

a)    een natuurlijk persoon, of

b)    een rechtspersoon moet zijn.

Deze bepaling is niet van toepassing op opdrachten die binnen de werkingssfeer van de Japanse wet inzake het initiatief ter bevordering van particuliere financiering (wet nr. 117 van 1999) vallen.

2.    Hoewel een aanbestedende dienst van een partij bij het bepalen van de voorwaarden voor deelname overeenkomstig artikel VIII, lid 2, onder b), van de GPA eerdere werkervaring mag verlangen wanneer deze van wezenlijk belang is om aan de eisen van de opdracht te kunnen voldoen, stelt hij niet als voorwaarde dat die eerdere werkervaring is opgedaan op het grondgebied van die partij.


ARTIKEL 10.6

Erkenning van aanbieders

1.    Indien een partij een systeem voor de registratie van aanbieders bijhoudt waarin belangstellende aanbieders zich moeten laten inschrijven en ten behoeve waarvan zij bepaalde informatie moeten verstrekken, kunnen die aanbieders te allen tijde om registratie verzoeken. Een aanbestedende dienst deelt die aanbieders binnen een redelijk korte tijdspanne mee of hun registratie is aanvaard.

2.    Wanneer een in de Europese Unie gevestigde aanbieder, om te mogen inschrijven op een aanbesteding voor bouwwerkzaamheden in Japan, een zakelijke beoordeling (Keieijikoshinsa) (ook bekend als Keishin) op grond van de Japanse wet inzake bouwondernemingen (wet nr. 100 van 1949) moet ondergaan, zorgt Japan ervoor dat zijn autoriteiten bij de uitvoering van die beoordeling:

a)    buiten Japan tot stand gekomen indicatoren van de aanbieder op niet-discriminerende wijze beoordelen en in voorkomend geval als gelijkwaardig met de Japanse erkennen; deze kunnen bestaan uit:

i)    het aantal technische medewerkers;

ii)    de arbeidsomstandigheden;


iii)    het aantal jaren van activiteit in de bouwsector;

iv)    de boekhoudingsomstandigheden in de bouwsector;

v)    de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling;

vi)    het verkrijgen van ISO9001- of ISO14001-certificatie;

vii)    de tewerkstelling en opleiding van jonge ingenieurs en geschoolde arbeidskrachten;

viii)    het bedrag waartegen afgewerkte bouwprojecten zijn verkocht, en

ix)    het bedrag waartegen als hoofdaannemer afgewerkte bouwprojecten zijn verkocht, en

b)    naar behoren rekening houden met buiten Japan tot stand gekomen indicatoren van de aanbieder, die kunnen bestaan uit:

i)    de omvang van het aandelenkapitaal;

ii)    de inkomsten vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (ebitda);


iii)    de verhouding tussen de netto-rentelasten en de verkopen;

iv)    de periode waarbinnen passiva opeisbaar zijn;

v)    de verhouding tussen de brutowinst op de verkoop en het brutokapitaal;

vi)    de verhouding tussen de recurrente winst en de verkopen;

vii)    de verhouding tussen het aandelenkapitaal en de vaste activa;

viii)    het eigenvermogensaandeel;

ix)    het bedrag van de kasstromen uit operationele activiteiten, en

x)    het bedrag van de gecumuleerde winst.


ARTIKEL 10.7

Aanbesteding met voorafgaande selectie

1.    Indien een aanbestedende dienst overeenkomstig artikel IX, leden 4 en 5, van de GPA het aantal aanbieders voor een bepaalde opdracht beperkt, moet het aantal aanbieders dat mag inschrijven voldoende zijn om concurrentie te verzekeren zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de operationele efficiëntie van het systeem voor overheidsopdrachten.

2.    Voor Japan is dit artikel slechts van toepassing op de centrale overheid.

ARTIKEL 10.8

Technische specificaties

Indien een aanbestedende dienst milieuvriendelijke technische specificaties voor milieukeuren of als omschreven in de toepasselijke wet- en regelgeving van de Europese Unie of Japan hanteert, ziet elke partij erop toe dat die specificaties:

a)    geschikt zijn voor de omschrijving van de kenmerken van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft;


b)    gebaseerd zijn op objectief controleerbare en niet-discriminerende criteria, en

c)    toegankelijk zijn voor alle belanghebbenden.

ARTIKEL 10.9

Testrapporten

1.    Elke partij, inclusief haar aanbestedende diensten, kan verlangen dat belangstellende aanbieders een door een conformiteitsbeoordelingsinstantie afgegeven testrapport of een door een dergelijke instantie afgegeven certificaat overleggen als bewijs van conformiteit met de voorschriften of criteria die zijn neergelegd in de technische specificaties, de evaluatiecriteria of andere voorwaarden.

2.    Wanneer een partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, de overlegging van een testrapport of een door een conformiteitsbeoordelingsinstantie afgegeven certificaat verlangt,

a)    aanvaardt zij de resultaten van conformiteitsbeoordelingsprocedures die zijn uitgevoerd door de geregistreerde conformiteitsbeoordelingsinstanties van de andere partij overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Japan, gedaan te Brussel op 4 april 2001, en


b)    houdt zij naar behoren rekening met een eventuele toekomstige uitbreiding van het toepassingsgebied van de onder a) bedoelde overeenkomst of met een eventuele nieuwe overeenkomst tussen de partijen tot wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordelingsprocedures, zodra zij in werking is getreden.

ARTIKEL 10.10

Milieuvoorwaarden

De aanbestedende dienst kan milieuvoorwaarden verbinden aan de uitvoering van een opdracht, mits deze verenigbaar zijn met de voorschriften van dit hoofdstuk en vermeld zijn in het bericht van aanbesteding of een ander bericht dat als bericht van aanbesteding wordt gebruikt of in het aanbestedingsdossier.


ARTIKEL 10.11

Behandeling van inschrijvingen en gunning van opdrachten

1.    Overeenkomstig artikel XV, lid 5, van de GPA en in overeenstemming met de voorwaarden in de wet- en regelgeving van de partijen, ziet elke partij erop toe dat haar aanbestedende diensten mogen kiezen tussen de twee criteria in artikel XV, lid 5, onder a) en b), van de GPA, en dat zij zich bewust zijn van de respectieve merites van die criteria.

2.    Overeenkomstig artikel XV, lid 6, van de GPA kan een aanbestedende dienst die een inschrijving ontvangt met een prijs die in verhouding tot de andere inschrijvingen abnormaal laag is, bij de inschrijver inlichtingen inwinnen om zich ervan te vergewissen of de prijs het gevolg is van de toekenning van subsidies.


ARTIKEL 10.12

Interne toetsingsprocedures

1.    Wanneer door een partij krachtens artikel XVIII, lid 4, van de GPA een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit is aangewezen, zorgt die partij ervoor dat:

a)    de leden van de aangewezen autoriteit onafhankelijk en onpartijdig zijn en tijdens hun ambtstermijn vrij zijn van externe invloed;

b)    de leden van de aangewezen autoriteit tijdens hun ambtstermijn niet tegen hun wil van hun ambt worden ontheven, tenzij de bepalingen betreffende de aangewezen autoriteit die ontheffing vereisen, en

c)    wat de aanbestedende diensten betreft die vallen onder de bijlagen 1 en 3 van elke partij bij aanhangsel I van de GPA, alsmede de centrale overheidsinstanties en alle andere instanties dan de niet-centrale overheidsinstanties die vallen onder bijlage 10, deel 2, de voorzitter of ten minste één ander lid van de aangewezen autoriteit juridische en professionele kwalificaties heeft die gelijkwaardig zijn aan die welke vereist zijn voor rechters, advocaten en andere juridische deskundigen die overeenkomstig de wet- en regelgeving van de partijen daartoe gekwalificeerd zijn.


2.    Elke partij stelt procedures in, of handhaaft deze, die voorzien in snelle voorlopige maatregelen die de mogelijkheid van de aanbieder om aan de aanbesteding deel te nemen in stand houden. Dergelijke voorlopige maatregelen, bedoeld in artikel XVIII, lid 7, onder a), van de GPA, kunnen aanleiding geven tot opschorting van de aanbestedingsprocedure of, indien de aanbestedende dienst een overeenkomst heeft gesloten en een partij hierin voorziet, tot opschorting van de uitvoering van de overeenkomst. Er kan worden bepaald dat bij het nemen van de beslissing over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening mag worden gehouden met doorslaggevende negatieve gevolgen voor de belangen die op het spel staan, waaronder het algemeen belang. Een beslissing om niet op te treden wordt schriftelijk gemotiveerd.

3.    Indien een belangstellende of deelnemende aanbieder bij de in lid 1 bedoelde autoriteit een bezwaar heeft ingediend, draagt elke partij er in beginsel zorg voor dat een aanbestedende dienst de overeenkomst pas sluit nadat die autoriteit overeenkomstig haar regels, voorschriften en procedures aangaande het bezwaar een beslissing of aanbeveling heeft vastgesteld met betrekking tot voorlopige maatregelen, corrigerende maatregelen of compensatie voor het geleden verlies of de geleden schade als bedoeld in de leden 2, 5 en 6. Elke partij kan bepalen dat de overeenkomst in onvermijdelijke en gerechtvaardigde omstandigheden toch kan worden gesloten.

4.    Elke partij kan voorzien in

a)    een status-quoperiode tussen het gunningsbesluit en de sluiting van een overeenkomst, zodat de niet-gegunde aanbieders voldoende tijd hebben om te beoordelen of het nuttig is een toetsingsprocedure in te leiden, of


b)    een voldoende lange periode waarin een belangstellende aanbieder een bezwaar kan indienen dat een grond kan zijn voor de opschorting van de uitvoering van een overeenkomst.

5.    Corrigerende maatregelen in de zin van artikel XVIII, lid 7, onder b), van de GPA kunnen een of meer van de volgende maatregelen omvatten:

a)    het verwijderen van discriminerende technische, economische of financiële specificaties in de uitnodiging tot inschrijving, het bestek dan wel in enig ander stuk dat verband houdt met de aanbestedingsprocedure, en het uitschrijven van een nieuwe aanbesteding;

b)    de herhaling van de aanbestedingsprocedure zonder wijziging van de voorwaarden;

c)    de nietigverklaring van het gunningsbesluit en de vaststelling van een nieuw gunningsbesluit;

d)    de beëindiging van een overeenkomst of de verklaring dat een overeenkomst onverbindend is, of

e)    de vaststelling van andere maatregelen om een inbreuk op dit hoofdstuk te beëindigen, bijvoorbeeld een veroordeling tot betaling van een dwangsom tot de inbreuk daadwerkelijk is beëindigd.


6.    Overeenkomstig artikel XVIII, lid 7, onder b), van de GPA kan elke partij voorzien in de toekenning van compensatie voor het geleden verlies of de geleden schade. In dat verband kan een aanbieder, wanneer de beroepsinstantie van de partij geen rechterlijke instantie is en de aanbieder meent dat er sprake is van een schending van de interne wet- en regelgeving tot uitvoering van de verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk, de zaak overeenkomstig de gerechtelijke procedures van de partij, mede met het oog op compensatie, aanhangig maken bij een rechterlijke instantie.

7.    Elke partij stelt de nodige procedures vast of handhaaft deze opdat de besluiten of aanbevelingen van beroepsinstanties daadwerkelijk worden uitgevoerd, of de uitspraken van rechterlijke beroepsinstanties daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd.

ARTIKEL 10.13

Verzameling van en verslaglegging inzake statistieken

Elke partij deelt de andere partij de beschikbare en vergelijkbare statistische gegevens met betrekking tot de onder bijlage 10, deel 2, vallende opdrachten mee.


ARTIKEL 10.14

Wijziging en rectificatie van toepassingsgebied

1.    Een partij kan haar verbintenissen uit hoofde van bijlage 10, deel 2, wijzigen of rectificeren.

2.    Indien een wijziging of een rectificatie van de bijlagen van een partij bij aanhangsel I van de GPA overeenkomstig artikel XIX van de GPA in werking treedt, wordt zij automatisch van kracht voor de toepassing van deze overeenkomst.

3.    Wanneer een partij voornemens is haar verbintenissen uit hoofde van bijlage 10, deel 2, te wijzigen,

a)    stelt zij de andere partij daarvan schriftelijk in kennis, en

b)    doet zij in die kennisgeving een voorstel voor passende compenserende aanpassingen voor de andere partij om het toepassingsgebied op een niveau te houden dat vergelijkbaar is met dat van vóór de wijziging.

4.    Onverminderd lid 3, onder b), hoeft een partij geen compenserende aanpassingen aan te bieden indien de wijziging betrekking heeft op een aanbestedende dienst op wiens aanbestedingen de partij haar zeggenschap of invloed daadwerkelijk heeft beëindigd.


5.    Indien het bij artikel XXI van de GPA ingestelde Comité voor overheidsopdrachten criteria vaststelt op grond van artikel XIX, lid 8, onder b) en c), van de GPA, zijn die criteria ook van toepassing in het kader van dit artikel.

6.    Als de andere partij het bezwaar aanvoert dat

a)    een overeenkomstig lid 3, onder b), voorgestelde aanpassing onvoldoende is om het overeengekomen toepassingsgebied op een vergelijkbaar niveau te houden, of

b)    de in lid 4 bedoelde voorgenomen wijziging betrekking heeft op een aanbestedende dienst op wiens aanbestedingen de partij haar zeggenschap of invloed niet daadwerkelijk heeft beëindigd,

dient zij binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de in lid 3, onder a), bedoelde kennisgeving een schriftelijk bezwaar in bij de partij die voornemens is haar verplichtingen te wijzigen; bij gebreke daarvan wordt zij geacht te hebben ingestemd met de aanpassing of wijziging.

7.    De volgende veranderingen van de verbintenissen van een partij uit hoofde van bijlage 10, deel 2, worden als een rectificatie beschouwd:

a)    een verandering van de naam van een aanbestedende dienst;

b)    een fusie van twee of meer aanbestedende diensten die zijn opgenomen in hetzelfde punt van bijlage 10, deel 2;


c)    de splitsing van een in bijlage 10, deel 2, opgenomen aanbestedende dienst in twee of meer aanbestedende diensten die worden toegevoegd aan de lijst van aanbestedende diensten in hetzelfde punt van dat deel, en

d)    bijwerkingen van indicatieve lijsten zoals die in bijlage 10, deel 2, afdeling A, punt 3, bijlage 10, deel 2, afdeling B, punt 1, onder b), of in de bijlagen 2 en 3 van de Europese Unie bij aanhangsel I van de GPA.

8.    In het geval van voorgenomen rectificaties stelt de partij de andere partij na de inwerkingtreding van deze overeenkomst om de twee jaar overeenkomstig de kennisgevingscyclus waarin wordt voorzien door het besluit van het Comité voor overheidsopdrachten van 30 maart 2012 inzake kennisgevingsvereisten uit hoofde van de artikelen XIX en XXII van de Overeenkomst (doc. GPA/113) daarvan schriftelijk in kennis.

9.    De andere partij kan binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving uit hoofde van lid 8 een schriftelijk bezwaar indienen bij de partij die voornemens is haar verbintenissen te rectificeren. De partij die een bezwaar indient, vermeldt de redenen waarom de voorgenomen rectificatie geen wijziging is in de zin van lid 7 en beschrijft welk effect de voorgenomen rectificatie zou hebben op het in deze overeenkomst overeengekomen toepassingsgebied. Indien geen schriftelijk bezwaar is ingediend binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving, wordt de voorgenomen rectificatie geacht te zijn aanvaard.


10.    Indien de partij bezwaar maakt tegen de voorgenomen wijziging of rectificatie of tegen de voorgestelde compenserende aanpassing, trachten de partijen de kwestie door overleg op te lossen. Indien de partijen binnen 150 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van het bezwaar geen overeenstemming bereiken, kan de partij die voornemens is haar verbintenissen te wijzigen of te rectificeren een beroep doen op geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21 teneinde te bepalen of het bezwaar gerechtvaardigd is. Een voorgenomen wijziging of rectificatie ten aanzien waarvan een bezwaar is ingediend, wordt alleen geacht te zijn aanvaard indien daarmee na overleg wordt ingestemd of indien daartoe wordt besloten door het krachtens artikel 21.7 ingestelde panel.

ARTIKEL 10.15

Samenwerking

De partijen spannen zich in om samen te werken met het oog op een beter begrip van hun respectieve markten voor overheidsopdrachten. De partijen erkennen eveneens dat de betrokkenheid van de desbetreffende bedrijfstakken van de partijen, door middel van bijvoorbeeld dialogen, daarvoor van belang is.


ARTIKEL 10.16

Comité voor overheidsopdrachten

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor overheidsopdrachten (hierna in dit artikel "het Comité" genoemd) is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke toepassing en werking van dit hoofdstuk.

2.    Het Comité vervult de volgende functies:

a)    het opstellen van aanbevelingen aan het Gemengd Comité voor het vaststellen van besluiten tot wijziging van bijlage 10, deel 2, die krachtens artikel 10.14 aanvaarde wijzigingen of rectificaties dan wel overeengekomen compenserende aanpassingen weergeven;

b)    het vaststellen van modaliteiten voor de mededeling van statistische gegevens op grond van artikel 10.13, indien dat nodig wordt geacht;

c)    het onderzoeken van kwesties met betrekking tot overheidsopdrachten die door een partij aan het Comité worden voorgelegd, en

d)    het uitwisselen van informatie betreffende mogelijkheden voor deelname aan overheidsopdrachten, met inbegrip van die op subcentraal niveau, in elke partij.


ARTIKEL 10.17

Contactpunten

Elke partij wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst een contactpunt voor de uitvoering van dit hoofdstuk aan en stelt de andere partij in kennis van de contactgegevens, inclusief informatie met betrekking tot de betrokken ambtenaren. De partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.

HOOFDSTUK 11

MEDEDINGINGSBELEID

ARTIKEL 11.1

Beginselen

De partijen erkennen het belang van een billijke en vrije mededinging voor hun handels- en investeringsbetrekkingen. De partijen erkennen dat mededingingverstorende praktijken de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van de handel en investeringen kunnen ondergraven.


ARTIKEL 11.2

Mededingingverstorende praktijken

Teneinde de doelstellingen van deze overeenkomst te verwezenlijken, neemt elke partij overeenkomstig haar wet- en regelgeving de maatregelen die zij passend acht om mededingingverstorende praktijken tegen te gaan.

ARTIKEL 11.3

Wet- en regelgevend kader

1.    Elke partij handhaaft haar mededingingsrecht dat geldt voor alle ondernemingen in alle sectoren van de economie, en dat op een doeltreffende wijze de volgende mededingingverstorende praktijken aanpakt:

a)    voor de Europese Unie:

i)    overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst;

ii)    misbruik van een machtspositie door een of meer ondernemingen, alsmede


iii)    fusies of concentraties van ondernemingen die een doeltreffende mededinging aanzienlijk zouden belemmeren, en

b)    voor Japan:

i)    particuliere monopolies;

ii)    onredelijke handelsbeperkingen;

iii)    oneerlijke handelspraktijken, alsmede

iv)    fusies of overnames die de concurrentie in een bepaalde handelssector aanzienlijk zouden beperken.

2.    Elke partij past haar mededingingsrecht toe op alle particuliere of openbare ondernemingen die een economische activiteit uitoefenen. Dit belet een partij niet om vrijstellingen van haar mededingingsrechtelijke bepalingen te verlenen, mits die vrijstellingen transparant zijn en beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor het algemeen belang. Die vrijstellingen mogen niet verder gaan dan wat strikt noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van algemeen belang die door die partij zijn gedefinieerd.

3.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "economische activiteiten" verstaan activiteiten die betrekking hebben op het aanbieden van goederen en diensten op een markt.


ARTIKEL 11.4

Operationele onafhankelijkheid

Elke partij houdt een operationeel onafhankelijke autoriteit in stand die verantwoordelijk en bevoegd is voor de doeltreffende handhaving van haar mededingingsrecht.

ARTIKEL 11.5

Niet-discriminatie

Bij de toepassing van het mededingingsrecht neemt elke partij het beginsel van niet-discriminatie ten aanzien van alle ondernemingen in acht, ongeacht de nationaliteit en het soort eigendom van de ondernemingen.

ARTIKEL 11.6

Procedurele billijkheid

Bij de toepassing van het mededingingsrecht neemt elke partij het beginsel van procedurele billijkheid voor alle ondernemingen in acht, ongeacht de nationaliteit en het eigendomstype van de ondernemingen.


ARTIKEL 11.7

Transparantie

Elke partij past haar mededingingsrecht op transparante wijze toe. Elke partij bevordert transparantie in haar mededingingsbeleid.

ARTIKEL 11.8

Samenwerking op gebied van handhaving

1.    Ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en teneinde bij te dragen tot een doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht van elke partij, erkennen de partijen dat het in hun gemeenschappelijke belang is de samenwerking en de coördinatie tussen de mededingingsautoriteiten met betrekking tot ontwikkelingen in het mededingingsbeleid en het handhavend optreden te bevorderen in het kader van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Japan betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten, gedaan te Brussel op 10 juli 2003 (hierna in dit hoofdstuk de "Overeenkomst betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten" genoemd).

2.    Om de in lid 1 bedoelde samenwerking en coördinatie te vergemakkelijken kunnen de mededingingsautoriteiten van de partijen informatie uitwisselen of anderszins meedelen in het kader van de Overeenkomst betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten.


ARTIKEL 11.9

Beslechting van geschillen

De bepalingen van dit hoofdstuk komen niet in aanmerking voor geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21.

HOOFDSTUK 12

SUBSIDIES

ARTIKEL 12.1

Beginselen

De partijen erkennen dat een partij subsidies kan verlenen indien dat nodig is voor het bereiken van doelstellingen van het overheidsbeleid. Sommige subsidies kunnen evenwel de goede werking van de markten verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer en van de investeringen ondergraven. Een partij mag in beginsel geen subsidies verlenen wanneer zij tot de bevinding komt dat die een aanzienlijk negatief effect op de handel of de investeringen tussen de partijen hebben of kunnen hebben.


ARTIKEL 12.2

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    "economische activiteiten": activiteiten die betrekking hebben op het aanbieden van goederen en diensten op een markt;

b)    "subsidie": een maatregel die mutatis mutandis voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.1 van de SCM-overeenkomst, ongeacht of de ontvangers van de subsidie handelen in goederen of diensten, en

c)    "specifieke subsidie": een subsidie waarvan is vastgesteld dat zij mutatis mutandis specifiek is in de zin van artikel 2 van de SCM-overeenkomst.

ARTIKEL 12.3

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op specifieke subsidies voor zover zij verband houden met economische activiteiten 63 .


2.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op subsidies aan ondernemingen die door de overheid zijn belast met het verlenen van diensten aan het grote publiek teneinde doelstellingen van het overheidsbeleid te bereiken. Dergelijke uitzonderingen op de regels inzake subsidies moeten transparant zijn en mogen niet verder gaan dan nodig is om de beoogde doelstellingen van het overheidsbeleid te bereiken.

3.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op subsidies ter compensatie van schade die is veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen.

4.    De artikelen 12.5 en 12.6 zijn niet van toepassing op subsidies waarvan de gecumuleerde bedragen of budgetten in een periode van drie opeenvolgende jaren minder bedragen dan 450 000 bijzondere trekkingsrechten (hierna "SDR" genoemd) per begunstigde.

5.    De artikelen 12.6 en 12.7 zijn niet van toepassing op subsidies met betrekking tot de handel in goederen die vallen onder bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw en op subsidies in verband met de handel in vis en visproducten.

6.    Artikel 12.7 is niet van toepassing op subsidies die tijdelijk worden verleend als antwoord op een nationale of mondiale economische urgentie 64 . Die subsidies zijn gericht, economisch, doeltreffend en efficiënt om een einde te maken aan de vastgestelde tijdelijke nationale of mondiale economische noodsituatie.


7.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op audiovisuele diensten.

8.    Artikel 12.7 is niet van toepassing op subsidies die worden verleend door subcentrale bestuursniveaus van een partij. Bij de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk treft elke partij alle redelijke maatregelen die tot haar beschikking staan om de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk door subcentrale bestuursniveaus van die partij te waarborgen.

ARTIKEL 12.4

Verhouding tot WTO-overeenkomst

Niets in dit hoofdstuk doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van de SCM-overeenkomst, artikel XVI van de GATT 1994 of artikel XV van de GATS.


ARTIKEL 12.5

Kennisgeving

1.    Elke partij geeft de andere partij om de twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst in het Engels kennis van de rechtsgrondslag, de vorm, het bedrag of het budget, en, waar mogelijk, de naam van de ontvanger van een specifieke subsidie die door de kennisgevende partij wordt verleend of in stand gehouden 65 . De eerste kennisgeving vindt echter uiterlijk binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaats.

2.    Indien een partij de in lid 1 bedoelde informatie openbaar maakt op een officiële website, wordt de kennisgeving overeenkomstig lid 1 geacht te zijn verricht. Indien een partij overeenkomstig artikel 25.2 van de SCM-overeenkomst kennis geeft van subsidies, wordt zij met betrekking tot die subsidies geacht te hebben voldaan aan het vereiste van lid 1.


3.    Wat subsidies in verband met diensten betreft, geldt dit artikel enkel voor de volgende sectoren: diensten van architecten en ingenieurs, bankdiensten, computerdiensten, diensten in verband met de bouw, energiediensten, milieudiensten, expresdiensten, verzekeringsdiensten, telecommunicatiediensten en vervoerdiensten.

ARTIKEL 12.6

Overleg

1.    Indien een partij meent dat een subsidie van de andere partij een aanzienlijk negatief effect heeft of kan hebben op haar handels- of investeringsbelangen uit hoofde van dit hoofdstuk, kan de eerste partij schriftelijk om overleg verzoeken. De partijen treden in overleg teneinde de kwestie op te lossen, mits in het verzoek wordt toegelicht hoe de subsidie een aanzienlijk negatief effect heeft of kan hebben op de handel of de investeringen tussen de partijen.

2.    Tijdens het overleg neemt de partij die het verzoek om overleg ontvangt, op verzoek van de andere partij in overweging om informatie over de subsidie te verschaffen, zoals:

a)    de rechtsgrondslag en de beleidsdoelstelling of het oogmerk van de subsidie;


b)    de vorm van de subsidie, zoals een toelage, lening, garantie, terugbetaalbaar voorschot, kapitaalinjectie of belastingvoordeel;

c)    het tijdstip en de duur van de subsidie en alle andere daarvoor geldende termijnen;

d)    de subsidiabiliteitsvoorwaarden;

e)    het totale bedrag of het jaarlijkse bedrag dat voor de subsidie is begroot en de mogelijkheid om de subsidie te beperken;

f)    waar mogelijk, de ontvanger van de subsidie, en

g)    enige andere informatie, inclusief statistische gegevens, aan de hand waarvan de gevolgen van de subsidie voor de handel of de investeringen kunnen worden beoordeeld.

3.    Om het overleg te vergemakkelijken verstrekt de aangezochte partij uiterlijk 90 dagen na ontvangst van het in lid 1 bedoelde verzoek schriftelijk relevante informatie over de betrokken subsidie.

4.    Indien de aangezochte partij een van de in lid 2 bedoelde gegevens niet verstrekt, geeft die partij in haar schriftelijk antwoord een verklaring voor het ontbreken daarvan.


5.    Indien de verzoekende partij na het overleg nog steeds van mening is dat de subsidie een aanzienlijk negatief effect op haar handels- of investeringsbelangen uit hoofde van dit hoofdstuk heeft of kan hebben, besteedt de aangezochte partij welwillende aandacht aan de bezwaren van de verzoekende partij. Elke oplossing moet door de aangezochte partij haalbaar en aanvaardbaar worden geacht.

ARTIKEL 12.7

Verboden subsidies

De volgende subsidies van een partij die een aanzienlijk negatief effect op de handel of de investeringen tussen de partijen hebben of kunnen hebben, zijn verboden:

a)    wettelijke of andere regelingen waarbij een overheid of een openbaar lichaam, zonder enige beperking wat het bedrag en de duur betreft, verantwoordelijk is voor schulden of verplichtingen van een onderneming, en


b)    subsidies voor de herstructurering van een noodlijdende of insolvente onderneming zonder dat de onderneming een geloofwaardig herstructureringsplan heeft opgesteld. Een dergelijk herstructureringsplan wordt opgesteld binnen een redelijke termijn nadat de onderneming tijdelijke liquiditeitssteun heeft ontvangen 66 . Het herstructureringsplan is gebaseerd op realistische veronderstellingen, teneinde de levensvatbaarheid op lange termijn van de noodlijdende of insolvente onderneming binnen een redelijke termijn te herstellen. De onderneming zelf of haar eigenaren leveren een significante bijdrage of activa aan de kosten van de herstructurering.

ARTIKEL 12.8

Gebruik van subsidies

Elke partij ziet erop toe dat ondernemingen subsidies alleen gebruiken voor het specifieke doel waarvoor zij werden verleend.


ARTIKEL 12.9

Algemene uitzonderingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden artikel XX van de GATT 1994 en artikel XIV van de GATS mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel hiervan uit.

ARTIKEL 12.10

Beslechting van geschillen

Artikel 12.6, lid 5, komt niet in aanmerking voor geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21.


HOOFDSTUK 13

OVERHEIDSONDERNEMINGEN, ONDERNEMINGEN WAARAAN BIJZONDERE RECHTEN OF VOORRECHTEN ZIJN TOEGEKEND EN AANGEWEZEN MONOPOLIES

ARTIKEL 13.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    "Regeling": de Regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten, die is ontwikkeld in het kader van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna "OESO" genoemd), of een opvolger daarvan, ongeacht of die is ontwikkeld in het kader van de OESO, die is aanvaard door ten minste 12 oorspronkelijke leden van de WTO die op 1 januari 1979 deelnamen aan de Regeling;


b)    "commerciële activiteiten": activiteiten die een onderneming verricht met een winstoogmerk 67 en die resulteert in de productie van een goed of de verlening van een dienst die zullen worden verkocht aan een consument op de relevante markt in hoeveelheden en tegen prijzen die worden bepaald door de onderneming;

c)    "commerciële overwegingen": overwegingen inzake prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere voorwaarden van aankoop of verkoop, of andere factoren waarmee normaal rekening zou worden gehouden bij de commerciële beslissingen van een particuliere onderneming die in de relevante sector of industrie werkt volgens de beginselen van de markteconomie;

d)    "een monopolie aanwijzen": een monopolie instellen of toestaan, of de werkingssfeer van een monopolie uitbreiden teneinde een nieuw goed of een nieuwe dienst daaronder te laten vallen;

e)    "aangewezen monopolie": een entiteit, met inbegrip van een consortium of een overheidsorgaan, die op de relevante markt op het grondgebied van een partij is aangewezen als enige aanbieder of enige koper van een goed of dienst; een entiteit waaraan exclusieve intellectuele-eigendomsrechten zijn verleend, valt echter niet onder dat begrip om de enkele reden dat haar dergelijke rechten zijn verleend;


f)    "onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend": een publieke of particuliere onderneming, met inbegrip van haar dochterondernemingen, waaraan een partij bijzondere rechten of voorrechten heeft toegekend; bijzondere rechten of voorrechten worden door een partij toegekend wanneer zij een beperkt aantal ondernemingen aanwijst die een goed mogen leveren of een dienst mogen verlenen, anders dan op objectieve, evenredige en niet-discriminatoire criteria, en daardoor de mogelijkheid van een andere onderneming om in hetzelfde geografische gebied en onder substantieel dezelfde voorwaarden hetzelfde goed te leveren of dezelfde dienst te verlenen, ernstig beperkt;

g)    "dienst die wordt verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag": een dienst die wordt verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag zoals gedefinieerd in de GATS en, in voorkomend geval, in de bijlage betreffende financiële diensten bij de GATS, en

h)    "overheidsonderneming"; een onderneming die commerciële activiteiten verricht en met betrekking tot welke een partij:

i)    rechtstreeks meer dan 50 procent van het aandelenkapitaal in handen heeft;

ii)    rechtstreeks of indirect door eigendomsbelangen zeggenschap uitoefent over meer dan 50 procent van de stemrechten;


iii)    bevoegd is om de meerderheid van de leden van de raad van bestuur of een gelijkwaardig bestuursorgaan aan te wijzen, of

iv)    bevoegd is om de handelingen van de onderneming rechtens te sturen of overeenkomstig haar wet- en regelgeving anderszins een gelijkwaardig niveau van zeggenschap heeft.

ARTIKEL 13.2

Toepassingsgebied

1.    Dit hoofdstuk is van toepassing op overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies die commerciële activiteiten verrichten. Indien zij zowel commerciële als niet-commerciële activiteiten verrichten, vallen alleen de commerciële activiteiten onder dit hoofdstuk.

2.    Dit hoofdstuk is van toepassing op overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies op alle bestuursniveaus.


3.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op situaties waarin overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of aangewezen monopolies optreden als aanbestedende diensten die vallen onder de bijlagen van een partij bij aanhangsel I van de GPA of onder bijlage 10, deel 2, en opdrachten gunnen voor overheidsdoeleinden en niet met het oog op commerciële wederverkoop of met het oog op gebruik bij de vervaardiging van een goed of de verlening van een dienst voor commerciële verkoop.

4.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op enige dienst die wordt verleend in het kader van de uitoefening van overheidsgezag.

5.    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie, indien in een van de voorgaande drie opeenvolgende belastingjaren de jaarlijkse inkomsten uit de commerciële activiteiten van de onderneming of het monopolie minder dan 200 miljoen SDR bedroegen.

6.    Artikel 13.5 is niet van toepassing op de financiële diensten die een overheidsonderneming verleent in opdracht van de overheid, indien die verlening van financiële diensten:

a)    de uitvoer of invoer ondersteunt, mits die diensten:

i)    niet beogen commerciële financiering te vervangen, of

ii)    worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt;


b)    particuliere investeringen buiten het grondgebied van de partij ondersteunt, mits die diensten:

i)    niet beogen commerciële financiering te vervangen, of

ii)    worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt, of

c)    wordt aangeboden tegen voorwaarden die stroken met de Regeling, mits zij valt binnen het toepassingsgebied van de Regeling.

7.    Artikel 13.5 is niet van toepassing op de sectoren die zijn vermeld in artikel 8.6, lid 2.

8.    Artikel 13.5 is niet van toepassing voor zover een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie van een partij goederen of diensten koopt en verkoopt op grond van:

a)    een bestaande niet-conforme maatregel overeenkomstig artikel 8.12, lid 1, en artikel 8.18, lid 1, die de partij in stand houdt, handhaaft, hernieuwt of wijzigt, en die is opgenomen in haar lijst in bijlage I bij bijlage 8-B, of

b)    een niet-conforme maatregel van een partij overeenkomstig artikel 8.12, lid 2, en artikel 8.18, lid 2, met betrekking tot sectoren, subsectoren of activiteiten, zoals opgenomen in haar lijst in bijlage II bij bijlage 8-B.


ARTIKEL 13.3

Verhouding tot WTO-overeenkomst

De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen op grond van artikel XVII, leden 1 tot en met 3, van de GATT 1994, het Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994, en artikel VIII, leden 1, 2 en 5, van de GATS.

ARTIKEL 13.4

Algemene bepalingen

1.    Onverminderd de rechten en verplichtingen van elke partij uit hoofde van dit hoofdstuk, belet niets in dit hoofdstuk dat een partij een overheidsonderneming opricht of in stand houdt, een onderneming bijzondere rechten of voorrechten toekent of een monopolie aanwijst.

2.    Geen der partijen verplicht of spoort een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie aan te handelen op een wijze die niet strookt met dit hoofdstuk.


ARTIKEL 13.5

Niet-discriminerende behandeling en commerciële overwegingen

1.    Elke partij zorgt ervoor dat haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies bij het verrichten van commerciële activiteiten:

a)    handelen overeenkomstig commerciële overwegingen wanneer zij goederen of diensten aankopen of verkopen, behalve wanneer zij moeten voldoen aan voorwaarden van hun openbare-dienstopdracht die niet in overeenstemming zijn met het bepaalde onder b) of c);

b)    bij het aankopen van goederen of diensten:

i)    aan goederen of diensten die worden aangeboden door een onderneming van de andere partij, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan soortgelijke goederen of diensten die worden aangeboden door ondernemingen van de partij, en

ii)    aan goederen of diensten die worden aangeboden door een onder de overeenkomst vallende onderneming als omschreven in artikel 8.2, onder c), een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan soortgelijke goederen of diensten die worden aangeboden door ondernemingen of ondernemers van de partij op de desbetreffende markt van de partij, en


c)    bij het verkopen van goederen of diensten:

i)    aan een onderneming van de andere partij een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan ondernemingen van de partij, en

ii)    aan een onder de overeenkomst vallende onderneming als omschreven in artikel 8.2, onder c), een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan ondernemingen of ondernemers van de partij op de relevante markt van de partij 68 .

2.    Lid 1, onder b) en c), belet een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of een aangewezen monopolie, niet om:

a)    goederen of diensten te kopen of te verkopen op verschillende voorwaarden, ook wat betreft prijs, mits die verschillende voorwaarden berusten op commerciële overwegingen, of

b)    te weigeren goederen of diensten te kopen of te verkopen, mits die weigering berust op commerciële overwegingen.


ARTIKEL 13.6

Regelgevingskader

1.    De partijen eerbiedigen de desbetreffende internationale normen, waaronder de richtsnoeren van de OESO betreffende corporate governance in overheidsondernemingen, en maken daar optimaal gebruik van.

2.    Elke partij zorgt ervoor dat regelgevende instanties of andere instanties met een regelgevende functie die zij opricht of in stand houdt onafhankelijk zijn van en geen verantwoording verschuldigd zijn aan enige onderneming die onder de regelgeving van die instantie valt, en in soortgelijke omstandigheden onpartijdig 69 optreden jegens alle ondernemingen die onder haar regelgeving vallen, met inbegrip van overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies 70 .

3.    Elke partij past haar wet- en regelgeving inzake overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies toe op een samenhangende en niet-discriminerende wijze.


ARTIKEL 13.7

Uitwisseling van informatie

1.    Een partij die redenen heeft om aan te nemen dat haar belangen uit hoofde van dit hoofdstuk worden aangetast door de commerciële activiteiten van een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie (hierna in dit artikel "de entiteit" genoemd) van de andere partij kan de andere partij schriftelijk verzoeken overeenkomstig lid 2 informatie te verstrekken over de commerciële activiteiten van de entiteit in verband met de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.

2.    De aangezochte partij verstrekt de volgende informatie, mits in het verzoek wordt toegelicht hoe de activiteiten van de entiteit de belangen van de verzoekende partij uit hoofde van dit hoofdstuk kunnen aantasten en wordt vermeld welke van de volgende gegevens zouden moeten worden verstrekt:

a)    de organisatiestructuur van de entiteit en de samenstelling van de raad van bestuur of van een ander gelijkwaardig bestuursorgaan;


b)    het percentage van de aandelen van de entiteit dat de aangezochte partij, haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of aangewezen monopolies samen bezitten, en het percentage van de stemrechten dat zij daarvan samen in handen hebben;

c)    een beschrijving van de eventuele bijzondere aandelen of bijzondere stemrechten of andere rechten waarover de aangezochte partij, haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of aangewezen monopolies beschikken, wanneer die rechten verschillen van de rechten die verbonden zijn aan de gewone aandelen van de entiteit;

d)    een beschrijving van de ministeries of overheidsinstanties die belast zijn met de reglementering van de entiteit, een beschrijving van de rapportagevereisten die haar door die ministeries of overheidsinstanties worden opgelegd, en, waar mogelijk, de rechten en praktijken van die ministeries of overheidsinstanties met betrekking tot de benoeming, het ontslag of de bezoldiging van het leidinggevend personeel en de leden van de raad van bestuur of een ander gelijkwaardig bestuursorgaan;

e)    de jaarlijkse inkomsten en de totale activa van de entiteit gedurende de meest recente periode van drie jaar waarvoor informatie beschikbaar is;


f)    eventuele vrijstellingen, immuniteiten en daarmee samenhangende maatregelen waaruit de entiteit op grond van de wet- en regelgeving van de aangezochte partij voordeel trekt, en

g)    elke aanvullende informatie over de entiteit die publiekelijk beschikbaar is, met inbegrip van de jaarlijkse financiële verslagen en audits door een derde.

ARTIKEL 13.8

Algemene uitzonderingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden artikel XX van de GATT 1994 en artikel XIV van de GATS mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel hiervan uit.


HOOFDSTUK 14

INTELLECTUELE EIGENDOM

AFDELING A

Algemene bepalingen

ARTIKEL 14.1

Inleidende bepalingen

1.    Teneinde de productie en commercialisering van innovatieve en creatieve producten en het verlenen van diensten tussen de partijen te vergemakkelijken en de voordelen van handel en investeringen te vergroten, verlenen en verzekeren de partijen adequate, doeltreffende en niet-discriminerende bescherming van intellectuele eigendom en voorzien zij in maatregelen voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en de bestrijding van inbreuken, met inbegrip van namaak en piraterij, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk en van de internationale overeenkomsten waarbij beide partijen partij zijn.


2.    Een partij kan in haar wetgeving voorzien in een verdergaande bescherming of handhaving van intellectuele-eigendomsrechten dan dit hoofdstuk vereist, mits die bescherming of handhaving niet indruist tegen de bepalingen van dit hoofdstuk; zij is daartoe echter niet verplicht.

3.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder "intellectuele eigendom" verstaan alle categorieën intellectuele eigendom die vallen onder de artikelen 14.8 tot en met 14.39 van dit hoofdstuk of deel II, titels 1 tot en met 7, van de TRIPS-Overeenkomst. De bescherming van intellectuele eigendom omvat ook de bescherming tegen oneerlijke mededinging zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, gedaan te Parijs op 20 maart 1883 (hierna "het Verdrag van Parijs" genoemd) 71 .

4.    De in deel I van de TRIPS-Overeenkomst, en met name in de artikelen 7 en 8, uiteengezette doelstellingen en beginselen zijn van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.

ARTIKEL 14.2

Overeengekomen beginselen

Gelet op de aan de interne stelsels ten grondslag liggende doelstellingen van het overheidsbeleid, erkennen de partijen de noodzaak om:

a)    innovatie en creativiteit te bevorderen;


b)    de verspreiding van informatie, kennis, technologie, kunst en cultuur te vergemakkelijken, en

c)    de mededinging en open en goed functionerende markten te bevorderen,

door hun respectieve systemen voor intellectuele eigendom, met inachtneming van de beginselen van onder meer transparantie en non-discriminatie, en rekening houdend met de belangen van belanghebbenden, waaronder houders van rechten en gebruikers.

ARTIKEL 14.3

Internationale overeenkomsten

1.    Dit hoofdstuk is een aanvulling op de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten op het gebied van intellectuele eigendom waarbij beide partijen partij zijn.

2.    De partijen bevestigen hun vaste wil om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van de internationale overeenkomsten inzake intellectuele eigendom waarbij beide partijen partij zijn 72 op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst, waaronder:

a)    de TRIPS-Overeenkomst;


b)    het Verdrag van Parijs;

c)    het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties, gedaan te Rome op 26 oktober 1961 (hierna "het Verdrag van Rome" genoemd);

d)    de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, gedaan te Bern op 9 september 1886 (hierna "de Berner Conventie" genoemd) 73 ;

e)    het WIPO-verdrag inzake auteursrecht, aangenomen te Genève op 20 december 1996;

f)    het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen, aangenomen te Genève op 20 december 1996;

g)    het Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening, gedaan te Boedapest op 28 april 1977;

h)    het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten, gedaan te Parijs op 2 december 1961 (hierna "het UPOV-Verdrag van 1991" genoemd) 74 ;


i)    het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, aangenomen te Madrid op 27 juni 1989, en

j)    het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, gedaan te Washington op 19 juni 1970.

3.    Elke partij stelt alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk om de volgende multilaterale overeenkomsten te ratificeren of daartoe toe te treden, indien zij op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst nog geen partij is bij die overeenkomst 75 :

a)    het Verdrag inzake octrooirecht, aangenomen te Genève op 1 juni 2000;

b)    het Verdrag inzake het merkenrecht, aangenomen te Genève op 27 oktober 1994;

c)    het Verdrag van Singapore inzake het merkenrecht, aangenomen te Singapore op 27 maart 2006;

d)    de Akte van Genève bij de Overeenkomst van 's-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid, aangenomen te Genève op 2 juli 1999;


e)    het Verdrag van Peking inzake audiovisuele uitvoeringen, aangenomen te Peking op 24 juni 2012, en

f)    het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, aangenomen te Marrakesh op 27 juni 2013.

ARTIKEL 14.4

Nationale behandeling

1.    Onverminderd de uitzonderingen waarin reeds wordt voorzien door het Verdrag van Parijs, de Berner Conventie, het Verdrag van Rome en het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen, aangenomen te Washington op 26 mei 1989, behandelt elke partij voor alle onder dit hoofdstuk vallende categorieën intellectuele eigendom onderdanen 76 van de andere partij niet minder gunstig dan haar eigen onderdanen wat de bescherming 77 van intellectuele eigendom betreft. Wat uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties betreft, geldt deze verplichting slechts met betrekking tot de in deze overeenkomst bepaalde rechten.


2.    Op de verplichtingen krachtens lid 1 zijn ook de uitzonderingen van artikel 5 van de TRIPS-Overeenkomst van toepassing.

ARTIKEL 14.5

Meestbegunstigingsbehandeling

Onverminderd de uitzonderingen in de artikelen 4 en 5 van de TRIPS-Overeenkomst behandelt elke partij, wat de bescherming van de intellectuele eigendom betreft, de onderdanen van de andere partij onmiddellijk en onvoorwaardelijk niet minder gunstig dan de onderdanen van een derde land.

ARTIKEL 14.6

Procedurele kwesties en transparantie

1.    Elke partij stelt alles in het werk wat redelijkerwijs mogelijk is om efficiëntie en transparantie bij het beheer van haar systeem van intellectuele eigendom te bevorderen.


2.    Met het oog op een efficiënt beheer van haar systeem van intellectuele eigendom neemt elke partij passende maatregelen om de efficiëntie van haar administratieve procedures inzake intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstig de internationale normen te verbeteren.

3.    Teneinde de transparantie van het beheer van haar systeem van intellectuele eigendom nog te verbeteren, stelt elke partij alles in het werk wat redelijkerwijs mogelijk is om passende ter beschikking staande maatregelen te nemen om:

a)    informatie te publiceren over en aan het publiek ter beschikking te stellen de informatie in de dossiers betreffende:

i)    aanvragen en toekenning van octrooien;

ii)    inschrijvingen van tekeningen of modellen van nijverheid;

iii)    inschrijvingen van merken en aanvragen daartoe;

iv)    inschrijvingen van kweekproducten, en

v)    registraties van geografische aanduidingen;

b)    het publiek informatie ter beschikking te stellen over maatregelen die de bevoegde autoriteiten als maatregelen aan de grens in de zin van artikel 14.51 hebben genomen tot schorsing van de vrijgave van goederen die inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten;


c)    het publiek informatie ter beschikking te stellen over haar inspanningen om te zorgen voor een effectieve handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, alsmede andere informatie met betrekking tot haar systeem van intellectuele eigendom, en

d)    het publiek informatie ter beschikking te stellen over relevante wet- en regelgeving, definitieve gerechtelijke uitspraken en algemeen toepasselijke bestuursrechtelijke uitspraken inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.

ARTIKEL 14.7

Bevordering van bewustzijn inzake bescherming van intellectuele eigendom

Elke partij neemt de nodige maatregelen om het bewustzijn inzake de bescherming van de intellectuele eigendom te blijven bevorderen, met inbegrip van educatieve en verspreidingsprojecten inzake het gebruik van intellectuele eigendom en de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.


AFDELING B

Normen betreffende intellectuele eigendom

ONDERAFDELING 1

Auteursrecht en naburige rechten

ARTIKEL 14.8

Auteurs

Elke partij voorziet voor auteurs in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)    de directe of indirecte reproductie van hun werken, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;


b)    elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins; elke partij kan bepalen onder welke voorwaarden de uitputting van het in deze bepaling bedoelde recht van toepassing is na de eerste verkoop of andere overdracht van eigendom van het origineel of van een kopie van het werk met toestemming van de auteur, en

c)    de mededeling van hun werken aan het publiek, via kabel of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken aan het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk kunnen zijn.

ARTIKEL 14.9

Uitvoerend kunstenaars

Elke partij voorziet voor uitvoerend kunstenaars in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)    de vastlegging van hun uitvoeringen;

b)    de directe of indirecte reproductie van vastleggingen van hun uitvoeringen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;


c)    de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitvoeringen in fonogrammen, door verkoop of anderszins; elke partij kan bepalen onder welke voorwaarden de uitputting van het in deze bepaling bedoelde recht van toepassing is na de eerste verkoop of andere overdracht van eigendom van het origineel of van een kopie van de vastgelegde uitvoering met toestemming van de uitvoerend kunstenaar;

d)    het openbaar maken van vastleggingen van hun uitvoeringen via kabel of draadloos, op zodanige manier dat leden van het publiek hiertoe toegang kunnen hebben op een door hen individueel gekozen plaats, en

e)    de draadloze uitzending en mededeling van hun uitvoeringen aan het publiek, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of op basis van een vastlegging is gemaakt.

ARTIKEL 14.10

Producenten van fonogrammen

Elke partij voorziet voor producenten van fonogrammen in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)    de directe of indirecte reproductie van hun fonogrammen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;


b)    hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën daarvan, ter beschikking te stellen van het publiek, door verkoop of anderszins; elke partij kan bepalen onder welke voorwaarden de uitputting van het in deze bepaling bedoelde recht van toepassing is na de eerste verkoop of andere overdracht van eigendom van het origineel of van een kopie van het fonogram met toestemming van de producent van het fonogram, en

c)    het openbaar maken van hun fonogrammen via kabel of draadloos, op zodanige manier dat leden van het publiek hiertoe toegang kunnen hebben op een door hen individueel gekozen plaats.

ARTIKEL 14.11

Omroeporganisaties

Elke partij verleent omroeporganisaties het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a)    de vastlegging van hun uitzendingen;

b)    de reproductie van vastleggingen van hun uitzendingen;


c)    het aanbieden aan het publiek 78 van hun uitzendingen, via kabel of draadloos, in reactie op een verzoek van een lid van het publiek 79 ;

d)    de draadloze heruitzending van hun uitzendingen, en

e)    de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn; elke partij kan bepalen onder welke voorwaarden dat exclusieve recht kan worden uitgeoefend.

ARTIKEL 14.12

Gebruik van fonogrammen

De partijen komen overeen de besprekingen over adequate bescherming voor het gebruik van fonogrammen wat alle mededelingen aan het publiek betreft voort te zetten, en daarbij terdege rekening te houden met het belang van internationale normen op het gebied van bescherming voor het gebruik van fonogrammen.


ARTIKEL 14.13

Duur van bescherming

1.    Het auteursrecht op werken van letterkunde en kunst in de zin van artikel 2 van de Berner Conventie geldt gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na het overlijden van de auteur, ongeacht op welk tijdstip het werk op geoorloofde wijze ter beschikking van het publiek is gesteld. Indien de duur van de bescherming van dat recht wordt berekend op een andere grondslag dan het leven van een natuurlijke persoon, is die beschermingsduur niet korter dan 70 jaar nadat het werk op geoorloofde wijze ter beschikking van het publiek is gesteld. Indien een werk niet binnen 70 jaar na de creatie ervan ter beschikking van het publiek wordt gesteld, is de beschermingsduur niet korter dan 70 jaar na de creatie van het werk.

2.    De duur van de bescherming van de rechten van uitvoerende kunstenaars is niet korter dan 50 jaar na de uitvoering.

3.    De duur van de bescherming van de rechten van producenten van fonogrammen is niet korter dan 70 jaar na de publicatie van het fonogram. Indien een fonogram niet binnen 50 jaar na de vastlegging ervan wordt gepubliceerd, is de beschermingsduur niet korter dan 50 jaar na de vastlegging 80 .


4.    De duur van de bescherming van rechten op programma's bedraagt niet minder dan 50 jaar na de eerste uitzending van het programma.

5.    De in dit artikel gestelde termijnen worden gerekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin het feit dat de termijn doet ingaan zich voordoet.

ARTIKEL 14.14

Beperkingen en uitzonderingen

Elke partij kan alleen in beperkingen of uitzonderingen op de in de artikelen 14.8 tot en met 14.12 bedoelde rechten voorzien in bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van het beschermde materiaal en die de legitieme belangen van de houders van rechten niet op onredelijke wijze schaden, overeenkomstig de internationale verdragen en overeenkomsten waarbij zij partij is.

ARTIKEL 14.15

Volgrecht van kunstenaars

De partijen komen overeen standpunten en informatie uit te wisselen over kwesties in verband met het recht op een belang in de wederverkoop van een origineel kunstwerk en de situatie op dit gebied in de Europese Unie en in Japan.


ARTIKEL 14.16

Collectief beheer

De partijen

a)    erkennen het belang van de bevordering van de samenwerking tussen hun respectieve organisaties voor collectief beheer;

b)    komen overeen te streven naar meer transparantie van organisaties voor collectief beheer, en

c)    streven ernaar de niet-discriminerende behandeling door organisaties voor collectief beheer van rechthebbenden die zij rechtstreeks of via een andere organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigen te vergemakkelijken.

ARTIKEL 14.17

Bescherming van bestaande onderwerpen

1.    Elke partij past artikel 18 van de Berner Conventie en artikel 14, lid 6, van de TRIPS-Overeenkomst mutatis mutandis toe op werken, uitvoeringen en fonogrammen, en de rechten op en bescherming verleend aan die onderwerpen zoals vereist uit hoofde van deze onderafdeling.


2.    Een partij is niet verplicht om opnieuw bescherming te verlenen aan onderwerpen die op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst op haar grondgebied tot het publiek domein zijn gaan behoren.

ONDERAFDELING 2

Merken

ARTIKEL 14.18

Aan merk verbonden rechten

Elke partij ziet erop toe dat de houder van een ingeschreven merk het exclusieve recht heeft alle derden die daartoe niet zijn toestemming hebben verkregen, te beletten om in het handelsverkeer identieke of soortgelijke tekens te gebruiken 81 voor waren of diensten die identiek zijn met of soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven, wanneer dat gebruik vermoedelijk zou leiden tot verwarring. In het geval van het gebruik van een identiek teken voor identieke waren of diensten wordt het vermoeden van verwarring verondersteld. De hierboven beschreven rechten laten bestaande eerdere rechten onverlet en zijn evenmin van invloed op de mogelijkheid waarover een partij beschikt om rechten te verlenen op grond van het gebruik.


ARTIKEL 14.19

Uitzonderingen

Elke partij voorziet in beperkte uitzonderingen op de aan een merk verbonden rechten, zoals het eerlijk gebruik van beschrijvende termen 82 , en kan voorzien in andere beperkte uitzonderingen, mits bij die uitzonderingen rekening wordt gehouden met het legitieme belang van de houder van het merk en van derden.

ARTIKEL 14.20

Als inbreuk beschouwde voorbereidende handelingen

Met betrekking tot etiketten en verpakkingen zorgt elke partij ervoor dat ten minste elk van de volgende voorbereidende handelingen wordt beschouwd als een inbreuk op een ingeschreven merk indien de handeling is verricht zonder toestemming van de houder van het ingeschreven merk:

a)    de vervaardiging;

b)    de invoer, en


c)    het aanbieden 83

van etiketten of verpakkingen die zijn voorzien van 84 een teken dat identiek is met of soortgelijk aan het ingeschreven merk, met het oog op het gebruiken of doen gebruiken van dat teken in het handelsverkeer voor waren of diensten die identiek zijn met of soortgelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven.

ARTIKEL 14.21

Algemeen bekende merken

Om uitvoering te geven aan de bescherming van algemeen bekende merken, als bedoeld in artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs en artikel 16, leden 2 en 3, van de TRIPS-Overeenkomst, bevestigen de partijen het belang van de gezamenlijke aanbeveling betreffende bepalingen inzake de bescherming van bekende handelsmerken van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en de algemene vergadering van de WIPO tijdens de 34e reeks bijeenkomsten van de vergaderingen van de WIPO-lidstaten in 1999.


ONDERAFDELING 3

Geografische aanduidingen

ARTIKEL 14.22

Toepassingsgebied

1.    Deze onderafdeling is van toepassing op de erkenning en bescherming van geografische aanduidingen voor wijnen, gedistilleerde dranken en andere alcoholhoudende dranken 85 en landbouwproducten 86 die van oorsprong zijn uit de partijen.

2.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder "geografische aanduidingen" verstaan aanduidingen die aangeven dat waren van oorsprong zijn uit het grondgebied van een partij, of uit een regio of plaats op dat grondgebied van de partij, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de waren hoofdzakelijk valt toe te schrijven aan de geografische oorsprong ervan.


3.    De in bijlage 14-B opgenomen geografische aanduidingen van een partij worden door de andere partij uit hoofde van deze overeenkomst beschermd indien zij behoren tot de soorten waren die de andere partij beschermt overeenkomstig haar in bijlage 14-A vermelde wet- en regelgeving.

ARTIKEL 14.23

Systeem voor bescherming van geografische aanduidingen

1.    Elke partij stelt een systeem voor de registratie 87 en bescherming van geografische aanduidingen op haar grondgebied in of houdt dat in stand.

2.    Het in lid 1 bedoelde systeem bevat ten minste de volgende elementen:

a)    een officieel middel om de lijst van geregistreerde geografische aanduidingen toegankelijk te maken voor het publiek;


b)    een administratieve procedure om na te gaan of een geografische aanduiding die moet worden ingeschreven als bedoeld onder a), aangeeft dat waren hun oorsprong hebben op het grondgebied van een partij, of een regio of plaats op dat grondgebied, waarbij een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van de waren in wezen valt toe te schrijven aan de geografische oorsprong ervan;

c)    een bezwaarprocedure om de legitieme belangen van derden in aanmerking te kunnen nemen, en

d)    een procedure tot annulering 88 van de bescherming van een geografische aanduiding, rekening houdend met de legitieme belangen van derden en de gebruikers van de desbetreffende geregistreerde geografische aanduidingen 89 .


ARTIKEL 14.24

Lijsten van geografische aanduidingen

1.    Na afloop van een bezwaarprocedure en van een onderzoek van de in bijlage 14-B, deel 1, afdeling A, en deel 2, afdeling A, genoemde geografische aanduidingen van de Europese Unie erkent Japan dat die aanduidingen geografische aanduidingen zijn in de zin van artikel 22, lid 1, van de TRIPS-Overeenkomst en dat zij door de Europese Unie zijn geregistreerd overeenkomstig het in artikel 14.23 bedoelde systeem. Japan beschermt die geografische aanduidingen overeenkomstig deze onderafdeling.

2.    Na afloop van een bezwaarprocedure en van een onderzoek van de in bijlage 14-B, deel 1, afdeling B, en deel 2, afdeling B, genoemde geografische aanduidingen van Japan erkent de Europese Unie dat die aanduidingen geografische aanduidingen zijn in de zin van artikel 22, lid 1, van de TRIPS-Overeenkomst en dat zij door Japan zijn geregistreerd overeenkomstig het in artikel 14.23 bedoelde systeem. De Europese Unie beschermt die geografische aanduidingen overeenkomstig deze onderafdeling.


ARTIKEL 14.25

Reikwijdte van bescherming van geografische aanduidingen

1.    Onverminderd artikel 14.29 verschaft elke partij met betrekking tot in bijlage 14-B genoemde geografische aanduidingen van de andere partij belanghebbenden de wettelijke middelen om op haar grondgebied te voorkomen 90 :

a)    dat een geografische aanduiding waarmee waren worden aangeduid wordt gebruikt voor soortgelijke waren 91 die niet voldoen aan de toepasselijke eisen of specificaties van de geografische aanduiding, zelfs indien:

i)    de werkelijke oorsprong van de waren is aangegeven;


ii)    een vertaling van de geografische aanduiding wordt gebruikt 92 , dan wel een transliteratie 93 , of

iii)    de geografische aanduiding vergezeld gaat van uitdrukkingen als "genre", "type", "stijl", "imitatie" en dergelijke;

b)    het gebruik te voorkomen van middelen in de benaming of voorstelling van waren waarmee wordt aangegeven of gesuggereerd dat de waren in kwestie hun oorsprong hebben in een ander geografisch gebied dan de werkelijke plaats van oorsprong op een wijze die het publiek misleidt ten aanzien van de geografische oorsprong of de aard van de waren, en

c)    elk ander gebruik dat een daad van oneerlijke mededinging vormt in de zin van artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs.

2.    Elke partij kan de praktische voorwaarden vaststellen waaronder gelijkluidende geografische aanduidingen op haar grondgebied van elkaar zullen worden onderscheiden, met inachtneming van de noodzaak een billijke behandeling van de betrokken producenten te waarborgen en de consumenten niet te misleiden.


3.    Indien een partij voornemens is, krachtens een internationale overeenkomst bescherming te verlenen aan een geografische aanduiding van een derde land die gelijkluidend is aan een geografische aanduiding van de andere partij die op grond van deze overeenkomst beschermd is, stelt de eerste partij de andere partij uiterlijk op de datum van de publicatie met het oog op bezwaren in de gelegenheid opmerkingen te maken, mits die bezwaarprocedure voor de betrokken te beschermen geografische aanduiding van het derde land wordt ingeleid na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.

4.    Tijdens de bezwaarprocedure en het onderzoek, bedoeld in artikel 14.24, kan elke partij rekening houden met de volgende gronden waarop van die partij niet wordt verlangd dat zij een naam in bijlage 14-B beschermt als geografische aanduiding:

a)    die naam conflicteert met de naam van een planten- of dierenras en de consument zou daardoor kunnen worden misleid met betrekking tot de werkelijke oorsprong van de waren, en

b)    die naam is in de omgangstaal de gangbare naam voor de betrokken waren.


5.    Onverminderd de specificaties van in lid 1, onder a), bedoelde geografische aanduidingen belet de bij deze onderafdeling verleende bescherming van een bepaalde geografische aanduiding van de Europese Unie zoals vermeld in bijlage 14-B gedurende een periode van zeven jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst niet dat, wat met die geografische aanduiding geïdentificeerde waren betreft, handelingen zoals raspen, snijden en verpakken, inclusief in porties snijden en verpakken in binnenverpakkingen, kunnen worden verricht op het grondgebied van Japan, mits die waren bestemd zijn voor de Japanse markt en niet voor wederuitvoer.

6.    Uiterlijk drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst evalueren de partijen de uitvoering van lid 5, teneinde voor het einde van de in dat lid bedoelde periode van zeven jaar tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.

ARTIKEL 14.26

Reikwijdte van gebruik van geografische aanduidingen

1.    Eenieder kan een krachtens deze onderafdeling beschermde geografische aanduiding gebruiken, mits dat gebruik verband houdt met de door die geografische aanduiding geïdentificeerde waren en strookt met de reikwijdte van de bescherming ingevolge deze overeenkomst.


2.    Wanneer een geografische aanduiding van een partij krachtens deze overeenkomst in de andere partij is beschermd, vereist het rechtmatige gebruik van die beschermde naam in de andere partij geen registratie van de gebruikers of andere verplichtingen.

ARTIKEL 14.27

Verband met merken

1.    Indien een geografische aanduiding beschermd is uit hoofde van deze onderafdeling, weigert elke partij de inschrijving van een merk waarvan het gebruik misleidend zou zijn wat de kwaliteit van de waren betreft, mits een aanvraag tot inschrijving van het merk wordt ingediend na de datum voor bescherming van de geografische aanduiding op het betrokken grondgebied 94 als bedoeld in de leden 2 en 3. Merken die in strijd met dit lid zijn ingeschreven, worden ongeldig verklaard.

2.    Voor de in artikel 14.24 bedoelde geografische aanduidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn opgenomen in bijlage 14-B geldt de bescherming vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst.


3.    Voor de in artikel 14.30 bedoelde geografische aanduidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst niet zijn opgenomen in bijlage 14-B geldt de bescherming vanaf de datum van inwerkingtreding van de wijziging van bijlage 14-B.

4.    De partijen erkennen dat het bestaan van een ouder conflicterend merk in een partij niet volledig in de weg staat aan de uit hoofde van deze overeenkomst verleende bescherming van een latere geografische aanduiding voor soortgelijke waren in die partij 95 .

5.    Wanneer in een partij een merk te goeder trouw is aangevraagd of ingeschreven, of wanneer vóór die datum in die partij door gebruik te goeder trouw rechten op een merk zijn verworven alvorens een geografische aanduiding in die partij uit hoofde van deze overeenkomst wordt beschermd, vormen de voor de toepassing van deze onderafdeling genomen maatregelen geen beletsel voor de vatbaarheid voor inschrijving van het merk, voor de geldigheid van de inschrijving van het merk of voor het recht het merk te gebruiken, op grond dat het merk identiek is met of soortgelijk is aan de geografische aanduiding.


ARTIKEL 14.28

Handhaving van bescherming

Elke partij machtigt haar bevoegde autoriteiten om ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende overeenkomstig haar wet- en regelgeving passende maatregelen te nemen ter bescherming van de in bijlage 14-B vermelde geografische aanduidingen.

ARTIKEL 14.29

Uitzonderingen

1.    Onverminderd artikel 14.25, lid 1, belet een partij dat op haar grondgebied het eerdere gebruik van een bepaalde in bijlage 14-B opgenomen geografische aanduiding van de andere partij die een landbouwproduct identificeert, na een overgangsperiode van maximaal zeven jaar vanaf de datum waarop de betrokken geografische aanduiding door de eerstgenoemde partij wordt beschermd, wordt gehandhaafd voor een soortgelijke waar in verband met waren of diensten. In de eerstgenoemde partij geproduceerde waren waarop een dergelijk gebruik betrekking heeft, worden voorzien van een duidelijke en zichtbare aanduiding van de echte geografische oorsprong.


2.    Onverminderd artikel 14.25, lid 1, belet een partij, tenzij wanneer artikel 24, lid 4, van de TRIPS-Overeenkomst van toepassing is, dat op haar grondgebied het eerdere gebruik van een bepaalde in bijlage 14-B opgenomen geografische aanduiding van de andere partij die wijn, gedistilleerde dranken of andere alcoholhoudende dranken identificeert, na een overgangsperiode van maximaal vijf jaar vanaf de datum waarop de betrokken geografische aanduiding door de eerstgenoemde partij wordt beschermd, wordt gehandhaafd voor een soortgelijke waar in verband met waren of diensten. In de eerstgenoemde partij geproduceerde waren waarop een dergelijk gebruik betrekking heeft, worden voorzien van een duidelijke en zichtbare aanduiding van de echte geografische oorsprong.

3.    Elke partij kan de praktische voorwaarden bepalen waaronder het in de leden 1 en 2 bedoelde gebruik op haar grondgebied zal worden onderscheiden van de geografische aanduiding, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak ervoor te zorgen dat de consument niet wordt misleid.

4.    De in lid 1 bedoelde overgangsperiode is niet van toepassing indien het gebruik van de geografische aanduiding van de betrokken waren die worden geproduceerd op het grondgebied van de andere partij als bedoeld in lid 1 niet voldoet aan de in bijlage 14-A vermelde wet- en regelgeving die van toepassing is op het grondgebied van die partij.

5.    Niets in deze onderafdeling doet afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer deze naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat het publiek daardoor wordt misleid.


ARTIKEL 14.30

Wijziging van lijsten van geografische aanduidingen

1.    De partijen komen overeen dat de lijsten van geografische aanduidingen in bijlage 14-B overeenkomstig artikel 14.53, leden 3 en 4, kunnen worden gewijzigd nadat de bezwaarprocedure is afgerond en zij de in artikel 14.24 bedoelde geografische aanduidingen tot tevredenheid van beide partijen hebben onderzocht.

2.    Artikel 14.25, lid 4, is van toepassing op de toevoeging van een als geografische aanduiding te beschermen naam aan bijlage 14-B.

3.    Niets in deze onderafdeling verplicht een partij ertoe een geografische aanduiding van de andere partij te beschermen die niet of niet langer wordt beschermd volgens de wet- en regelgeving van de andere partij. De partijen stellen elkaar ervan in kennis wanneer een geografische aanduiding op het grondgebied van de partij van oorsprong niet langer wordt beschermd.

4.    Op verzoek van een partij plegen de partijen overleg met het oog op de wijziging van bijlage 14-B wat betreft alle aangelegenheden die van invloed zijn op de verdere bescherming van de geografische aanduidingen in die bijlage, teneinde tot een wederzijds aanvaardbare oplossing te komen.


ONDERAFDELING 4

Tekeningen en modellen van nijverheid 96

ARTIKEL 14.31

Tekeningen en modellen van nijverheid

1.    Elke partij voorziet in de bescherming van onafhankelijk vervaardigde tekeningen en modellen van nijverheid die nieuw en oorspronkelijk zijn, met inbegrip van tekeningen en modellen van een onderdeel van een voortbrengsel 97 , ongeacht of het onderdeel van het voortbrengsel kan worden gescheiden. Deze bescherming wordt verleend door registratie en geeft de houder een exclusief recht overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.


2.    Een tekening die of model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt in de volgende omstandigheden 98 geacht nieuw en oorspronkelijk te zijn:

a)    voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik 99 van dit laatste zichtbaar blijft, en

b)    voor zover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en oorspronkelijkheid voldoen.

3.    Elke partij kan voorzien in beperkte uitzonderingen op de bescherming van tekeningen en modellen van nijverheid die stroken met artikel 26, lid 2, van de TRIPS-Overeenkomst.

4.    Dit artikel doet geen afbreuk aan de bepalingen van dit hoofdstuk of van de wet- en regelgeving van elke partij betreffende andere intellectuele-eigendomsrechten, inclusief niet-geregistreerde verschijningsvormen van producten, merken of andere onderscheidende tekens en octrooien.


5.    Elke partij zorgt ervoor dat een eigenaar van een beschermde tekening of een beschermd model van nijverheid ten minste het recht heeft derden die daartoe niet zijn toestemming hebben te beletten artikelen te vervaardigen, te verkopen, in te voeren of uit te voeren die hetzelfde uiterlijk vertonen of waarin een tekening of model is belichaamd dat identiek is aan of gelijkt op de beschermde tekening of het beschermde model, wanneer die handelingen voor handelsdoeleinden worden verricht.

6.    Elke partij bepaalt dat een indiener van een verzoek tot inschrijving van een tekening of model van nijverheid de bevoegde autoriteit kan verzoeken de tekening of het model niet te publiceren gedurende een door hem vastgestelde periode die niet langer is dan de periode waarin haar wet- en regelgeving voorziet.

7.    Elke partij ziet erop toe dat de totale beschermingsduur voor tekeningen of modellen van nijverheid minimaal 20 jaar bedraagt.


ONDERAFDELING 5

Niet-geregistreerde verschijningsvorm van producten

ARTIKEL 14.32

Niet-geregistreerde verschijningsvorm van producten

1.    De partijen erkennen dat de verschijningsvorm van producten kan worden beschermd door middel van tekeningen en modellen van nijverheid, auteursrechten of wetgeving ter voorkoming van oneerlijke mededinging.

2.    Elke partij voorziet binnen de perken van haar wet- en regelgeving in wettelijke middelen om het gebruik van de niet-geregistreerde verschijningsvorm van een product te voorkomen indien dit gebruik voortvloeit uit het kopiëren van de niet-geregistreerde verschijningsvorm van het product. Dergelijk gebruik bestrijkt ten minste het te koop aanbieden, in de handel brengen, invoeren of uitvoeren van het product 100 .

3.    De beschermingsduur voor niet-geregistreerde verschijningsvormen van een product bedraagt ten minste drie jaar overeenkomstig de respectieve wet- en regelgeving van de partijen.


ONDERAFDELING 6

Octrooien

ARTIKEL 14.33

Octrooien

1.    Elke partij ziet erop toe dat een octrooi de houder ervan het exclusieve recht verleent om:

a)    wanneer het octrooi betrekking heeft op een product, derden te verbieden om zonder zijn toestemming dat product te vervaardigen, te gebruiken, ter verkoop aan te bieden 101 , te verkopen of voor deze doeleinden in te voeren, en

b)    wanneer het octrooi betrekking heeft op een procedé, derden te verbieden om zonder zijn toestemming dat procedé te gebruiken en om althans het rechtstreeks via dat procedé vervaardigde product te gebruiken, ter verkoop aan te bieden, te verkopen of voor deze doeleinden in te voeren.


2.    Elke partij kan voorzien in beperkte uitzonderingen op de door een octrooi verleende exclusieve rechten, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van het octrooi en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de houder van het octrooi schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.

3.    De partijen erkennen het belang van een regeling voor eenheidsoctrooibescherming op hun respectieve grondgebied, inclusief een unitair stelsel van gerechten.

4.    De partijen blijven samenwerken met het oog op meer harmonisering van het internationale materiële octrooirecht, onder meer aangaande de respijtperiode, de rechten van de eerdere gebruiker en de publicatie van aanhangige octrooiaanvragen.

5.    De partijen streven naar samenwerking voor een veelvuldiger wederzijds gebruik van de resultaten van nieuwheidsonderzoeken en beoordelingen, zoals dat op basis van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien en elk ander gebruik 102 , zodat aanvragers op efficiënte wijze snel een octrooi kunnen krijgen, onverminderd hun respectieve inhoudelijke onderzoek inzake octrooien.


ARTIKEL 14.34

Octrooien en volksgezondheid

1.    De partijen erkennen het belang van de Verklaring van Doha inzake de TRIPS-Overeenkomst en de volksgezondheid, op 14 november 2001 aangenomen door de Ministeriële Conferentie van de WTO. Voor de interpretatie en uitvoering van de rechten en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk waarborgen de partijen de consistentie met deze verklaring.

2.    De partijen eerbiedigen het Besluit van de Algemene Raad van de WTO van 30 augustus 2003 over de uitvoering van punt 6 van de Verklaring van de Doha inzake de TRIPS-Overeenkomst en de volksgezondheid en dragen bij aan de uitvoering daarvan.


ARTIKEL 14.35

Verlenging van beschermingsduur verleend door octrooi op farmaceutische producten 103  
en chemische producten voor landbouw
104

Met betrekking tot octrooien die worden verleend voor uitvindingen inzake farmaceutische producten of chemische producten voor de landbouw voorziet elke partij, met inachtneming van de bepalingen en voorwaarden van haar toepasselijke wet- en regelgeving, in een compenserende beschermingsduur voor de tijdsspanne waarin een geoctrooieerde uitvinding niet kan worden toegepast wegens het proces ter verkrijging van de goedkeuring voor het in de handel brengen. Met ingang van de datum van ondertekening van deze overeenkomst wordt de maximale compenserende beschermingsduur door de toepasselijke wet- en regelgeving van elke partij vastgesteld op vijf jaar 105 .


ONDERAFDELING 7

Bedrijfsgeheimen en niet-openbaar gemaakte tests of andere gegevens

ARTIKEL 14.36

Reikwijdte van bescherming van bedrijfsgeheimen

1.    Elke partij ziet erop toe dat haar wet- en regelgeving voorziet in een passende en doeltreffende bescherming van bedrijfsgeheimen overeenkomstig artikel 39, lid 2, van de TRIPS-Overeenkomst.

2.    Voor de toepassing van dit artikel en van afdeling C, onderafdeling 3:

a)    wordt onder "bedrijfsgeheim" verstaan: informatie die:

i)    geheim is in de zin dat zij, in haar geheel dan wel in de precieze samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;

ii)    handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en


iii)    door de persoon die rechtmatig daarover beschikt, onderworpen is aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden, en

b)    wordt onder "houder van het bedrijfsgeheim" verstaan: iedere persoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt.

3.    Voor de toepassing van dit artikel en van afdeling C, onderafdeling 3, bepaalt elke partij overeenkomstig haar wet- en regelgeving dat ten minste de volgende gedragingen worden beschouwd als strijdig met de eerlijke handelsgebruiken:

a)    het verkrijgen van een bedrijfsgeheim zonder de instemming van de houder ervan, wanneer dit geschiedt met onrechtmatige middelen of door ongeoorloofde toegang tot, toe-eigening van, of vermenigvuldiging van documenten, voorwerpen, materialen, stoffen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid;

b)    het gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt, zonder de instemming van de houder van het bedrijfsgeheim, door een persoon die blijkt te voldoen aan een van de volgende voorwaarden:

i)    het bedrijfsgeheim te hebben verworven op een manier als bedoeld onder a);


ii)    inbreuk te plegen op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim, met de bedoeling onrechtmatige winst te behalen of de houder van het bedrijfsgeheim schade te berokkenen, of

iii)    inbreuk te plegen op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim, met de bedoeling onrechtmatige winst te behalen of de houder van het bedrijfsgeheim schade te berokkenen, en

c)    het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt door een persoon die op het ogenblik van het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken ervan wist, of gezien de omstandigheden, had moeten weten 106 dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een persoon die het bedrijfsgeheim op een onder b) genoemde wijze openbaar maakte, ook indien deze persoon een andere persoon ertoe heeft gebracht om de onder b) genoemde handelingen te verrichten.

4.    Niets in deze onderafdeling verplicht een partij ertoe enige van de volgende gedragingen als strijdig met de eerlijke handelsgebruiken te beschouwen of op die gedragingen de in afdeling C, onderafdeling 3, bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen toe te passen:

a)    de ontdekking of creatie op onafhankelijke wijze van de relevante informatie door een persoon;


b)    het nabouwen van een product door een persoon die er rechtmatig in het bezit van is en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting de verkrijging van de relevante informatie te beperken;

c)    het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van informatie die is vereist of toegestaan door haar wet- en regelgeving;

d)    het gebruik door werknemers van ervaringen en vaardigheden die zij op eerlijke wijze tijdens de normale uitoefening van hun functie hebben opgedaan, of

e)    de openbaarmaking van informatie bij de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie.


ARTIKEL 14.37

Behandeling van testgegevens in procedure ter goedkeuring van in de handel brengen

1.    Elke partij belet aanvragers van een vergunning voor het in de handel brengen van farmaceutische producten 107 die nieuwe werkzame farmaceutische bestanddelen bevatten, zich te beroepen op of te verwijzen naar niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens die aan haar bevoegde autoriteit zijn verstrekt door de eerste aanvrager, en wel gedurende een bepaalde periode gerekend vanaf de datum van goedkeuring van die aanvraag. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst wordt die periode door de toepasselijke wet- en regelgeving van elke partij vastgesteld op niet minder dan zes jaar.


2.    Indien een partij als voorwaarde voor de goedkeuring van het in de handel brengen van chemische producten voor de landbouw 108 die nieuwe chemische eenheden bevatten, de overlegging van niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens vereist waarvan de opstelling een aanmerkelijke inspanning vergt, ziet zij erop toe dat overeenkomstig haar relevante wet- en regelgeving de aanvragers van een vergunning voor het in de handel brengen:

a)    zich niet kunnen beroepen op of verwijzen naar die gegevens die aan haar bevoegde autoriteit zijn verstrekt door de eerste aanvrager, en wel gedurende een periode van ten minste 10 jaar te rekenen vanaf de datum van goedkeuring van die aanvraag, of

b)    in het algemeen verplicht zijn om een volledige reeks testgegevens over te leggen, zelfs in gevallen waarin voor hetzelfde product een eerdere aanvraag is ingediend, en wel gedurende een periode van ten minste 10 jaar te rekenen vanaf de datum van goedkeuring van een eerdere aanvraag.


ONDERAFDELING 8

Kweekproducten

ARTIKEL 14.38

Kweekproducten

Elke partij voorziet in de bescherming van kweekproducten van alle plantengeslachten en plantensoorten in overeenstemming met haar rechten en verplichtingen krachtens het UPOV-Verdrag van 1991.


ONDERAFDELING 9

Oneerlijke mededinging

ARTIKEL 14.39

Oneerlijke mededinging

1.    Elke partij zorgt voor een daadwerkelijke bescherming tegen daden van oneerlijke mededinging overeenkomstig het Verdrag van Parijs 109 .


2.    In verband met de systemen van de Europese Unie en Japan voor het beheer van domeinnamen 110 van hun landcodetopniveaudomein (ccTLD) zijn overeenkomstig hun respectieve wet- en regelgeving passende rechtsmiddelen 111 beschikbaar, ten minste in gevallen waarin een persoon te kwader trouw met een winstoogmerk een domeinnaam registreert of houdt die identiek is aan of een verwarrende gelijkenis vertoont met een merk.

3.    Elke partij zorgt voor een daadwerkelijke bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van merken door de uitvoering van artikel 6 septies, lid 2, van het Verdrag van Parijs.


AFDELING C

Handhaving

ONDERAFDELING 1

Algemene bepalingen

ARTIKEL 14.40

Handhaving — algemeen

1.    De partijen bevestigen hun verbintenissen in het kader van de TRIPS-Overeenkomst, in het bijzonder deel III daarvan. Elke partij voorziet in de volgende aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen 112 die nodig zijn om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn eerlijk en billijk, niet onnodig ingewikkeld of duur, of met onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen.


2.    De in lid 1 bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend 113 ; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.

3.    Eelke partij stelt alles in het werk wat redelijkerwijs mogelijk is om:

a)    de oprichting aan te moedigen van openbare of particuliere adviesgroepen teneinde ten minste kwesties van namaak en piraterij aan te pakken, en

b)    te zorgen voor interne coördinatie tussen en gezamenlijke acties te vergemakkelijken van haar bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, afhankelijk van de beschikbare middelen.

ARTIKEL 14.41

Gerechtigde aanvragers

Elke partij erkent als personen die gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

a)    houders van intellectuele-eigendomsrechten in overeenstemming met haar wet- en regelgeving;


b)    in artikel 14.36 bedoelde houders van bedrijfsgeheimen, en

c)    alle andere personen en entiteiten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met haar wet- en regelgeving.

ONDERAFDELING 2

Handhaving — civiele rechtsmiddelen 114   115

ARTIKEL 14.42

Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal

1.    De rechterlijke instanties van elke partij hebben de bevoegdheid om onmiddellijke en doeltreffende voorlopige maatregelen te gelasten ter bescherming van bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk, overeenkomstig procedures die in voorkomend geval zorgen voor de bescherming van vertrouwelijke informatie.


2.    De rechterlijke instanties van elke partij hebben de bevoegdheid om, wanneer passend, voorlopige maatregelen te treffen zonder de wederpartij te hebben gehoord, met name wanneer uitstel vermoedelijk onherstelbare schade voor de houder van het recht zal veroorzaken of wanneer er een aantoonbaar risico is dat bewijsmateriaal zal worden vernietigd.

3.    Elke partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties in gevallen van inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten in civiele gerechtelijke procedures de bevoegdheid hebben de inbeslagneming of het anderszins in bewaring nemen te gelasten van verdachte goederen, van met de inbreuk verband houdende materialen en werktuigen en van met de inbreuk verband houdende schriftelijke bewijsstukken, ongeacht of dit originelen of kopieën daarvan betreft.


ARTIKEL 14.43

Recht op informatie

Onverminderd haar wetgeving inzake verschoningsrechten, de bescherming van vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens bepaalt elke partij dat haar rechterlijke instanties in civiele procedures betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten de bevoegdheid hebben op een gerechtvaardigd verzoek van de houder van het recht te gelasten dat de inbreukmaker of de vermeende inbreukmaker relevante informatie die hij in zijn bezit heeft of waarover hij kan beschikken, ten minste met het oog op de bewijsgaring, in overeenstemming met haar toepasselijke wet- en regelgeving aan de houder van het recht of de rechterlijke instanties verstrekt. Die informatie kan informatie omvatten met betrekking tot personen die op enigerlei wijze zijn betrokken bij de inbreuk of vermeende inbreuk en met betrekking tot de productiemiddelen of de distributiekanalen voor de inbreuk makende of vermeende inbreuk makende goederen of diensten, met inbegrip van het in kaart brengen van derden van wie wordt gesteld dat zij bij de productie en de distributie van die goederen of diensten zijn betrokken, en van de betrokken distributiekanalen.


ARTIKEL 14.44

Voorlopige en conservatoire maatregelen

1.    Elke partij ziet erop toe dat haar rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, tegen de vermeende inbreukmaker een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien haar wet- en regelgeving hierin voorziet op straffe van een dwangsom, voorlopig voortzetting van de vermeende inbreuk op dat recht te verbieden, dan wel om aan deze voortzetting de voorwaarde te verbinden dat voor schadeloosstelling van de houder van het recht zekerheid wordt gesteld. In voorkomend geval kan onder dezelfde voorwaarden ook een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een derde 116 jegens wie de betrokken rechterlijke instantie rechtsmacht heeft en wiens diensten worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.

2.    Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagname of afgifte te gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.


3.    Elke partij ziet erop toe dat, in geval van vermeende inbreuk op commerciële schaal en indien de indiener van het verzoek omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, haar rechterlijke instanties conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden.

ARTIKEL 14.45

Corrigerende maatregelen

1.    Elke partij ziet erop toe dat haar rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding, op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer of, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, de vernietiging kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken, zonder schadeloosstelling van welke aard ook. In voorkomend geval kunnen de rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van hoofdzakelijk voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen gebruikte materialen en werktuigen.

2.    De rechterlijke instanties van elke partij kunnen gelasten dat deze maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.


ARTIKEL 14.46

Rechterlijke bevelen

Elke partij draagt er zorg voor dat, wanneer bij rechterlijke uitspraak een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt vastgesteld, haar rechterlijke instanties een bevel tot staking van de inbreuk kunnen uitvaardigen tegen de inbreukmaker en in voorkomend geval een derde 117 jegens wie de desbetreffende rechtelijke instantie rechtsmacht heeft en wiens diensten worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.

ARTIKEL 14.47

Schadevergoeding

1.    Elke partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties in civiele gerechtelijke procedures de bevoegdheid hebben een inbreukmaker die wist of redelijkerwijs kon weten dat hij handelde in strijd met intellectuele-eigendomsrechten, te gelasten een toereikende schadevergoeding te betalen ter compensatie van de schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden.


2.    De rechterlijke instanties van elke partij kunnen bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding wegens inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten onder meer alle door de houder van het recht aangevoerde legitieme waardebepalingen, met inbegrip van gederfde winst, in aanmerking nemen.

3.    Een partij kan in haar wet- en regelgeving vermoedens 118 voor de vaststelling van het bedrag van de in lid 1 bedoelde schade opnemen.


ARTIKEL 14.48

Kosten

Elke partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties in voorkomend geval de bevoegdheid hebben aan het einde van civiele gerechtelijke procedures betreffende inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten te gelasten dat de verliezende partij jegens de in het gelijk gestelde partij wordt veroordeeld tot betaling van de griffiekosten of rechten en passende advocatenkosten, of van andere kosten waarin haar wet- en regelgeving voorziet.

ARTIKEL 14.49

Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten

1.    Elke partij ziet erop toe dat het voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst, om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, volstaat dat zijn naam op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd.


2.    Een partij kan lid 1 mutatis mutandis toepassen op houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.

ONDERAFDELING 3

Handhaving van bescherming tegen diefstal van bedrijfsgeheimen

ARTIKEL 14.50

Civiele procedures en rechtsmiddelen

1.    Elke partij voorziet in passende civielrechtelijke procedures en maatregelen zodat een houder van een bedrijfsgeheim het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt in strijd met eerlijke handelsgebruiken, kan voorkomen en er schadeloosstelling voor kan krijgen.


2.    Elke partij zorgt er overeenkomstig haar wet- en regelgeving voor dat haar rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben om te gelasten dat partijen, hun advocaten en andere bij de desbetreffende civielrechtelijke procedures betrokken personen bedrijfsgeheimen of vermeende bedrijfsgeheimen die de rechterlijke instanties als vertrouwelijk hebben aangemerkt 119 niet mogen gebruiken of openbaar maken, na een naar behoren met redenen omkleed verzoek van een belanghebbende waarvan die partijen, advocaten en andere personen zich bewust zijn geworden als gevolg van hun deelname aan die civielrechtelijke procedures.

3.    Elke partij bepaalt dat haar rechterlijke instanties in de desbetreffende civielrechtelijke procedures ten minste bevoegd zijn om:

a)    dwangmiddelen in te stellen om het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, te voorkomen;

b)    aan eenieder die wist of had moeten weten 120 dat hij doende was een bedrijfsgeheim te verkrijgen, te gebruiken of openbaar te maken op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, een schadevergoeding op te leggen, te betalen aan de houder van het bedrijfsgeheim, die passend is voor de werkelijke schade die deze wegens het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim heeft geleden;


c)    specifieke maatregelen te treffen om de vertrouwelijkheid te garanderen van elk bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim dat in een civielrechtelijke procedure in verband met het vermeende verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, wordt overgelegd. Die specifieke maatregelen kunnen overeenkomstig haar wet- en regelgeving onder meer de mogelijkheid omvatten om de toegang tot bepaalde documenten geheel of gedeeltelijk te beperken, de toegang tot hoorzittingen en de opnamen of transcripties daarvan te beperken, en om een niet-vertrouwelijke versie ter beschikking te stellen van een rechterlijke uitspraak waarin de passages die bedrijfsgeheimen bevatten zijn verwijderd of aangepast, en

d)    aan de partijen, hun advocaten en andere bij de civielrechtelijke procedures betrokken personen sancties op te leggen wegens overtreding van een in lid 2 bedoeld rechterlijk bevel betreffende de bescherming van een in die procedure overgelegd bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim.

4.    Van een partij wordt niet vereist dat zij instaat voor de civielrechtelijke procedures en maatregelen als bedoeld in lid 1, indien een activiteit in strijd met de eerlijke handelsgebruiken overeenkomstig haar wet- en regelgeving geschiedt met de bedoeling een fout, wangedrag of illegale activiteiten te onthullen of om een rechtmatig belang te beschermen dat door de wet is erkend.


ONDERAFDELING 4

Handhaving — maatregelen aan grens

ARTIKEL 14.51

Handhaving — maatregelen aan grens

1.    Met betrekking tot ingevoerde of uitgevoerde goederen 121 worden door elke partij procedures vastgesteld of gehandhaafd volgens welke de houder van een recht bij haar douaneautoriteiten een aanvraag kan indienen tot schorsing van de vrijgave van of tot vasthouding van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een merk, op auteursrechten en naburige rechten, geografische aanduidingen 122 , octrooien, gebruiksmodellen, tekeningen en modellen van nijverheid, en kwekersrechten (hierna in dit artikel "verdachte goederen" genoemd) in haar douanegebied.


2.    Elke partij beschikt over elektronische systemen voor het beheer door haar douaneautoriteiten van de in lid 1 bedoelde aanvragen zodra zij zijn afgegeven of geregistreerd.

3.    De douane van elke partij beslist over de afgifte of de registratie van de in lid 1 bedoelde aanvragen binnen een redelijke termijn vanaf de indiening van de aanvragen.

4.    Elke partij zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde aanvragen van toepassing zijn op meervoudige zendingen.

5.    Met betrekking tot ingevoerde of uitgevoerde goederen is de douane van elke partij bevoegd om op eigen initiatief de vrijgave van verdachte goederen te schorsen of verdachte goederen vast te houden in het douanegebied van die partij 123 .


6.    Artikel 4.9 bestrijkt de ontdekking van verdachte goederen als bedoeld in dit artikel.

7.    Onverminderd haar wet- en regelgeving betreffende de persoonlijke levenssfeer of de vertrouwelijkheid van informatie kan een partij haar douaneautoriteiten toestaan om een houder van een recht informatie te verstrekken over goederen waarvan de vrijgave is geschorst of die worden vastgehouden, met inbegrip van de beschrijving en de hoeveelheid daarvan en, indien bekend, de naam en het adres van de verzender, de importeur, de exporteur of de geadresseerde, en het land van oorsprong van de goederen.

8.    Een partij kan procedures vaststellen of handhaven krachtens welke haar bevoegde autoriteiten binnen een redelijke termijn na de inleiding van de procedures van de leden 1 en 5 kunnen bepalen of de verdachte goederen inbreuk maken. In dat geval hebben de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid om, nadat is vastgesteld dat de goederen inbreuk maken, de vernietiging van de goederen te gelasten. Een partij kan beschikken over procedures voor de vernietiging van verdachte goederen zonder formele vaststelling van een inbreuk, voor zover de betrokken personen instemmen met of zich niet verzetten tegen de vernietiging.

9.    Indien een partij de houders van een recht verzoekt om de kosten te dragen die daadwerkelijk zijn gemaakt voor de opslag of de vernietiging van de goederen waarvan de vrijgave is geschorst of die worden vastgehouden overeenkomstig de leden 1 en 5, komen die kosten overeen met de diensten die zijn verleend voor de opslag of vernietiging van de goederen.


10.    Er is geen verplichting om dit artikel toe te passen op de invoer van goederen die in een ander land in de handel zijn gebracht door of met toestemming van de houder van het recht. Een partij kan kleine hoeveelheden goederen van niet-commerciële aard in de persoonlijke bagage van reizigers uitsluiten van de toepassing van dit artikel.

11.    Het in artikel 4.3, lid 4, bedoelde overleg behandelt eveneens de maatregelen aan de grens door de douane van elke partij op grond van dit artikel.

12.    De douaneautoriteiten van de partijen kunnen samenwerken met betrekking tot onder deze onderafdeling vallende maatregelen aan de grens tegen inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten.

13.    Onverminderd de verantwoordelijkheden van het in artikel 14.53 bedoelde Comité voor intellectuele eigendom, kan het in artikel 4.14 bedoelde Comité voor oorsprongsregels en douanegerelateerde aangelegenheden een mogelijke samenwerking in overweging nemen op de volgende punten:

a)    de uitwisseling van algemene informatie over inbeslagnames van inbreukmakende goederen of verdachte goederen, en

b)    het voeren van een dialoog over specifieke onderwerpen van gemeenschappelijk belang inzake:

i)    algemene informatie in verband met het gebruik van risicobeheersystemen bij de opsporing van verdachte goederen, en


ii)    algemene informatie over risicoanalyse in de strijd tegen inbreukmakende goederen.

AFDELING D

Samenwerking en institutionele regelingen

ARTIKEL 14.52

Samenwerking

1.    De partijen, die het groeiende belang van de bescherming van intellectuele eigendom voor de verdere bevordering van hun onderlinge handel en investeringen erkennen, werken samen op het gebied van intellectuele eigendom, mede door de uitwisseling van informatie over de betrekkingen van een partij met derde landen op het gebied van de intellectuele eigendom, overeenkomstig hun respectieve wet- en regelgeving en afhankelijk van de beschikbare middelen.

2.    Voor de toepassing van lid 1 kan samenwerking onder meer bestaan uit de uitwisseling van informatie, het delen van ervaringen en vaardigheden, of enige andere vorm van samenwerking of activiteiten waarover de partijen het eens zijn. Die samenwerking kan onder meer de volgende gebieden bestrijken:

a)    de ontwikkelingen in het interne en het internationale beleid inzake intellectuele eigendom;


b)    systemen voor het beheer en de registratie van intellectuele eigendom;

c)    onderwijs en bewustmaking met betrekking tot intellectuele eigendom;

d)    kwesties betreffende intellectuele eigendom die van belang zijn voor:

i)    kleine en middelgrote ondernemingen;

ii)    activiteiten inzake wetenschap, technologie en innovatie, en

iii)    de ontwikkeling, overdracht en verspreiding van technologie;

e)    beleidsmaatregelen die betrekking hebben op het gebruik van intellectuele eigendom voor activiteiten op het gebied van onderzoek, innovatie en economische groei;

f)    de tenuitvoerlegging van multilaterale overeenkomsten inzake intellectuele eigendom, zoals die welke zijn gesloten of worden beheerd onder auspiciën van de WIPO;

g)    technische bijstand aan ontwikkelingslanden;

h)    beste praktijken, projecten en programma's die verband houden met de bestrijding van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, en


i)    verkenning van de mogelijkheid voor verdere gemeenschappelijke inspanningen tegen inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten wereldwijd.

3.    De partijen streven naar samenwerking met betrekking tot de verbetering van het internationale regelgevingskader inzake intellectuele eigendom, onder meer door de bekrachtiging van bestaande internationale overeenkomsten aan te moedigen en de internationale harmonisatie, het internationale beheer en de internationale handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te bevorderen, en met betrekking tot activiteiten in internationale organisaties, waaronder de WTO en de WIPO.

ARTIKEL 14.53

Comité voor intellectuele eigendom

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor intellectuele eigendom (hierna in dit artikel "het Comité" genoemd) is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke toepassing en werking van dit hoofdstuk.

2.    Het Comité heeft de volgende taken:

a)    evalueren van en toezicht houden op de toepassing en werking van dit hoofdstuk;


b)    uitwisselen van informatie over ontwikkelingen op wetgevings- en beleidsgebied inzake geografische aanduidingen en over alle andere aangelegenheden van wederzijds belang op het gebied van geografische aanduidingen, met inbegrip van kwesties in verband met de toepassing van de voorschriften van de specificaties van in bijlage 14-B opgenomen geografische aanduidingen met betrekking tot hun bescherming uit hoofde van deze overeenkomst;

c)    bespreken van kwesties in verband met intellectuele eigendom met het oog op een betere bescherming van intellectuele eigendom en de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en het bevorderen van een doeltreffend en transparant beheer van systemen van intellectuele eigendom;

d)    rapporteren van zijn bevindingen en de resultaten van zijn besprekingen aan het Gemengd Comité, en

e)    verrichten van andere taken die overeenkomstig artikel 22.1, lid 5, onder b), door het Gemengd Comité kunnen worden gedelegeerd.

3.    Het Comité doet op verzoek van een partij aanbevelingen aan het Gemengd Comité met betrekking tot wijzigingen van bijlage 14-A en bijlage 14-B.

4.    Elke partij onderzoekt elk verzoek van de andere partij tot wijziging van bijlage 14-B, overeenkomstig artikel 14.30.

5.    Het Comité kan vertegenwoordigers van andere bevoegde entiteiten dan de partijen, ook uit de particuliere sector, met de nodige kennis van de te bespreken kwesties uitnodigen.


ARTIKEL 14.54

Uitzonderingen op grond van veiligheidsoverwegingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 73 van de TRIPS-Overeenkomst mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst opgenomen en maakt het integrerend deel hiervan uit.

ARTIKEL 14.55

Beslechting van geschillen

Artikel 14.52 komt niet in aanmerking voor geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21.

HOOFDSTUK 15

CORPORATE GOVERNANCE

ARTIKEL 15.1

Doelstellingen

1.    De partijen erkennen dat een doeltreffend corporategovernancekader belangrijk is om economische groei te realiseren door middel van goed functionerende markten en gezonde financiële systemen die zijn gebaseerd op transparantie, efficiëntie, vertrouwen en integriteit.


2.    Elke partij neemt passende maatregelen voor de ontwikkeling van een doeltreffend corporategovernancekader op haar grondgebied, in het besef dat die maatregelen investeringen zullen aantrekken en aanmoedigen door het vertrouwen van investeerders te vergroten en het concurrentievermogen te verbeteren, zodat de mogelijkheden die worden geboden door hun respectieve verbintenissen inzake markttoegang optimaal kunnen worden benut.

3.    Onverminderd de bevoegdheid van elke partij om haar eigen juridisch, institutioneel en regelgevend kader met betrekking tot de corporate governance van beursgenoteerde vennootschappen te ontwikkelen, verbinden de partijen zich ertoe zich te houden aan de beginselen en bepalingen van dit hoofdstuk, voor zover die de in deze overeenkomst geregelde toegang tot elkaars markten vergemakkelijken.

4.    De partijen werken samen bij aangelegenheden met betrekking tot de ontwikkeling van een doeltreffend corporategovernancekader die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen.

ARTIKEL 15.2

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)    "raad van bestuur": het bestuursorgaan van een beursgenoteerde vennootschap met een beslissingsbevoegdheid inzake het toezicht op de werkzaamheden van de vennootschap, waarvan de leden (bestuurders) worden gekozen, normaliter door de aandeelhouders van de vennootschap, om de vennootschap te besturen;


b)    "corporate governance": het geheel van verhoudingen tussen de directie van een vennootschap, haar raad van bestuur, haar aandeelhouders en andere belanghebbenden; dit biedt ook de structuur voor het beheer van en het toezicht op een vennootschap, met name door aan te geven hoe de doelstellingen van de vennootschap worden vastgesteld en met welke middelen die kunnen worden bereikt, en door toezicht te houden op de prestaties;

c)    "corporategovernancekader" van een partij: de beginselen en voorschriften van bindende of niet-bindende aard betreffende de corporate governance van beursgenoteerde vennootschappen, zoals die van toepassing zijn volgens de bevoegdheden en de wetgeving van die partij, en

d)    "beursgenoteerde vennootschap": een rechtspersoon waarvan de aandelen voor openbare verhandeling zijn genoteerd op een aandelenbeurs of een gereglementeerde markt van een partij, zoals omschreven in de wetgeving van die partij.

ARTIKEL 15.3

Algemene beginselen

1.    De partijen erkennen het belang van de rol van het corporategovernancekader voor het verstrekken van tijdige en nauwkeurige informatie over alle materiële aspecten van beursgenoteerde vennootschappen in hun respectieve rechtsgebieden, waaronder de financiële situatie, de prestaties, het eigenaarschap en de governance van die vennootschappen.


2.    De partijen erkennen eveneens het belang van de rol van het corporategovernancekader voor een passende verantwoordingsplicht van het management en de raad van bestuur jegens de aandeelhouders, voor een verantwoordelijke besluitvorming van de raad van bestuur op basis van een onafhankelijke en objectieve zienswijze, en voor de gelijke behandeling van aandeelhouders van dezelfde categorie.

3.    Voor alle duidelijkheid: de bepalingen inzake het in de artikelen 15.4 en 15.5 bedoelde corporategovernancekader van een partij kunnen ten uitvoer worden gelegd door middel van juridisch bindende mechanismen of via niet-bindende middelen, zoals op een "pas toe of leg uit"-basis.

4.    Een partij kan bepalen dat sommige corporategovernancebeginselen of -voorschriften niet gelden voor bepaalde vennootschappen 124 in gevallen die zijn gerechtvaardigd door objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals de vroege fase van ontwikkeling of de grootte van de vennootschap.


ARTIKEL 15.4

Rechten van aandeelhouders en eigendomsfuncties

1.    Het corporategovernancekader van elke partij omvat bepalingen ter bescherming en bevordering van de doeltreffende uitoefening van de rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen. Die rechten omvatten in voorkomend geval de deelneming aan en het stemrecht in de algemene vergadering en de verkiezing en het ontslag van leden van de raad van bestuur overeenkomstig de corporategovernancestructuur van de vennootschap teneinde de aandeelhouders in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de handelingen van de raad van bestuur 125 en deel te nemen aan belangrijke besluitvormingsprocessen van de vennootschap.

2.    Het corporategovernancekader van elke partij bevat bepalingen die gericht zijn op het aanmoedigen van de bekendmaking van informatie met betrekking tot de zeggenschap over een vennootschap die nuttig en waardevol kan zijn voor investeerders. Die informatie omvat bijvoorbeeld de kapitaalstructuur, in voorkomend geval met een vermelding van de verschillende categorieën aandelen, directe en indirecte deelnemingen die als belangrijk worden beschouwd en bijzondere zeggenschapsrechten.


ARTIKEL 15.5

Taken van raad van bestuur

Het corporategovernancekader van elke partij omvat bepalingen die gericht zijn op het volgende, zodat het kader een verantwoorde besluitvorming binnen de raad van bestuur bevordert:

a)    de doeltreffende monitoring van het management van de raad van bestuur vanuit een onafhankelijk en objectief oogpunt, hetgeen bijvoorbeeld kan worden bereikt door het doeltreffend gebruik van een voldoende aantal onafhankelijke bestuurders 126 ;

b)    waarborgen dat de raad van bestuur verantwoording aflegt aan de aandeelhouders, en

c)    zorgen voor voldoende bekendmaking van informatie die relevant is voor investeerders, bijvoorbeeld met betrekking tot de samenstelling van de raad van bestuur, binnen de raad van bestuur ingestelde comités, en de onafhankelijkheid van bestuurders.


ARTIKEL 15.6

Overnames

Elke partij voorziet in regels en procedures inzake overnames van beursgenoteerde vennootschappen. Die regels en procedures strekken ertoe die overnames mogelijk te maken tegen transparante prijzen en onder eerlijke voorwaarden.

ARTIKEL 15.7

Beslechting van geschillen

De bepalingen van dit hoofdstuk komen niet in aanmerking voor geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21.


HOOFDSTUK 16

HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

ARTIKEL 16.1

Context en doelstellingen

1.    De partijen erkennen het belang van de bevordering van de ontwikkeling van de internationale handel op een wijze die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, voor het welzijn van de huidige en toekomstige generaties, daarbij rekening houdend met Agenda 21, goedgekeurd door de Conferentie van de Verenigde Naties over Milieu en Ontwikkeling op 14 juni 1992, de Verklaring van de IAO over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk en de follow-up daarvan, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie op 18 juni 1998, het uitvoeringsplan dat is goedgekeurd door de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling op 4 september 2002, de ministeriële verklaring "Het scheppen van een nationaal en internationaal klimaat dat bevorderlijk is voor het genereren van volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen, en de gevolgen daarvan voor duurzame ontwikkeling", goedgekeurd door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties op 5 juli 2006, de Verklaring van de IAO over sociale gerechtigheid voor een eerlijke mondialisering, aangenomen op 10 juni 2008 door de Internationale Arbeidsconferentie, het slotdocument van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling met de titel "De toekomst die wij wensen", goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 27 juli 2012, en het slotdocument van de VN-top voor de vaststelling van de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 met de titel "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling", aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 25 september 2015.


2.    De partijen erkennen dat deze overeenkomst bijdraagt aan de bevordering van duurzame ontwikkeling, waarvan economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming de elkaar versterkende componenten zijn. De partijen erkennen verder dat dit hoofdstuk strekt tot versterking van de handelsbetrekkingen en de samenwerking tussen de partijen op een wijze die duurzame ontwikkeling bevordert, en niet tot harmonisatie van de milieu- of arbeidsnormen van de partijen.

ARTIKEL 16.2

Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus

1.    De partijen erkennen het recht van elke partij om haar eigen beleid en prioriteiten voor duurzame ontwikkeling en haar eigen niveaus van interne milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen, en dienovereenkomstig haar wet- en regelgeving ter zake vast te stellen of te wijzigen, in overeenstemming met haar verbintenissen op grond van internationaal erkende normen en internationale overeenkomsten waarbij zij partij is, en zij streven ernaar dat hun wet- en regelgeving en daarmee samenhangend beleid voorzien in hoge beschermingsniveaus voor milieu en werknemers, en zij streven naar een voortdurende verbetering van hun wet- en regelgeving en de onderliggende beschermingsniveaus.


2.    De partijen moedigen handel of investeringen niet aan door middel van een versoepeling of verlaging van het niveau van bescherming dat wordt geboden door hun respectieve milieu- of arbeidswetgeving. Te dien einde verlenen de partijen geen vrijstelling van of wijken zij niet anderszins af van die wet- en regelgeving en laten zij niet na die daadwerkelijk te handhaven door een aanhoudende of terugkerende handelswijze of verzuim op een wijze die de handel of de investeringen tussen de partijen beïnvloedt.

3.    De partijen gebruiken hun respectieve milieu- en arbeidswetgeving niet op een wijze die een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie van de andere partij dan wel een verkapte beperking van de internationale handel oplevert.

ARTIKEL 16.3

Internationale arbeidsnormen en -overeenkomsten

1.    De partijen erkennen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen cruciale elementen zijn om te reageren op uitdagingen op economisch, sociaal en arbeidsgebied. De partijen erkennen verder dat het van belang is de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze tot volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen leidt. In die context wisselen de partijen standpunten en informatie op het gebied van handelsgerelateerde arbeidsvraagstukken van wederzijds belang uit tijdens de vergaderingen van het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling dat is ingesteld bij artikel 22.3, en in voorkomend geval in andere fora.


2.    De partijen herbevestigen hun verplichtingen uit hoofde van hun lidmaatschap van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna "IAO" genoemd) 127 . Verder herbevestigen de partijen hun respectieve verplichtingen in verband met de Verklaring van de IAO over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk en de follow-up daarvan. De partijen eerbiedigen, bevorderen en verwezenlijken in hun wet- en regelgeving en praktijken dan ook de internationaal erkende beginselen inzake de fundamentele rechten met betrekking tot werk, te weten:

a)    de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve onderhandelingen;

b)    de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;

c)    de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid, en

d)    de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.

3.    Elke partij spant zich op eigen initiatief onafgebroken in voor de ratificatie van de fundamentele verdragen van de IAO en andere IAO-verdragen die elke partij voor ratificatie geschikt acht.


4.    De partijen wisselen informatie uit over hun respectieve stand van ratificatie van IAO-verdragen en -protocollen, met inbegrip van de fundamentele IAO-verdragen.

5.    Elke partij herbevestigt haar verbintenis om in haar wet- en regelgeving en praktijken daadwerkelijk uitvoering te geven aan de IAO-verdragen die door Japan, respectievelijk de lidstaten van de Europese Unie zijn geratificeerd.

6.    De partijen erkennen dat de schending van de in lid 2 genoemde internationaal erkende beginselen inzake de fundamentele rechten met betrekking tot werk niet als legitiem relatief voordeel mag worden ingeroepen of op andere wijze als zodanig mag worden gebruikt, en dat de arbeidsnormen niet voor protectionistische handelsdoeleinden mogen worden gebruikt.


ARTIKEL 16.4

Multilaterale milieuovereenkomsten

1.    De partijen benadrukken het belang van multilaterale milieuovereenkomsten, in het bijzonder die waarbij beide partijen partij zijn, als middel van multilaterale governance op milieugebied waarmee de internationale gemeenschap mondiale of regionale milieuproblemen kan aanpakken. De partijen benadrukken voorts dat het van belang is tot een wederzijdse ondersteuning van handel en milieu te komen. In die context wisselen de partijen standpunten en informatie op het gebied van handelsgerelateerde milieuvraagstukken van wederzijds belang uit tijdens de vergaderingen van het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling, en in voorkomend geval in andere fora.

2.    Elke partij herbevestigt haar verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij is, in haar wet- en regelgeving en praktijken op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen.

3.    Elke partij wisselt met de andere partij informatie uit over haar respectieve situatie en voortgang met betrekking tot de ratificatie, aanvaarding of goedkeuring van, of toetreding tot multilaterale milieuovereenkomsten, met inbegrip van de wijzigingen daarvan, die elke partij geschikt acht om daardoor te worden gebonden, alsmede over de uitvoering van die overeenkomsten.


4.    De partijen erkennen dat het belangrijk is dat de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gedaan te New York op 9 mei 1992 (hierna "UNFCCC" genoemd), wordt bereikt om de dringende dreiging van klimaatverandering aan te pakken, en erkennen de rol die handel daarbij speelt. De partijen herbevestigen hun verbintenis om daadwerkelijk uitvoering te geven aan het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs, gedaan te Parijs op 12 december 2015 door de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC. De partijen werken samen om de positieve bijdrage van de handel aan de omschakeling naar lage broeikasgasemissies en klimaatbestendige ontwikkeling te bevorderen. De partijen verbinden zich ertoe samen te werken aan maatregelen tegen klimaatverandering, teneinde de uiteindelijke doelstelling van het UNFCCC en de Overeenkomst van Parijs te bereiken.

5.    Niets in deze overeenkomst staat eraan in de weg dat een partij maatregelen vaststelt of handhaaft ter tenuitvoerlegging van de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij is, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen niet worden toegepast op een manier die een willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie van de andere partij of een verkapte beperking van het handelsverkeer zou betekenen.


ARTIKEL 16.5

Handel en investeringen ten behoeve van duurzame ontwikkeling

De partijen erkennen het belang van de versterking van de bijdrage van handel en investeringen aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht. Dienovereenkomstig:

a)    erkennen de partijen het belang van de beginselen inzake de fundamentele rechten met betrekking tot werk, fatsoenlijk werk voor allen, en de fundamentele waarden van vrijheid, menselijke waardigheid, sociale rechtvaardigheid, veiligheid en non-discriminatie voor duurzame economische en sociale ontwikkeling en efficiëntie, alsook het belang van het zoeken naar een betere integratie van die beginselen in het handels- en investeringsbeleid;

b)    streven de partijen ernaar de handel en de investeringen in milieugoederen en -diensten te vergemakkelijken op een wijze die strookt met deze overeenkomst;

c)    streven de partijen ernaar de handel en investeringen in goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de matiging van de klimaatverandering, zoals goederen en diensten in verband met duurzame hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, te vergemakkelijken op een wijze die strookt met deze overeenkomst;


d)    streven de partijen ernaar de handel en investeringen in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijke praktijken, waaronder goederen waarvoor keurmerksystemen bestaan, te bevorderen, en erkennen zij de bijdrage van andere vrijwillige initiatieven, ook particuliere, aan duurzaamheid, en

e)    moedigen de partijen maatschappelijk verantwoord ondernemen aan en wisselen zij standpunten en informatie dienaangaande uit via het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling, en in voorkomend geval via andere fora. In dit verband erkennen de partijen het belang van de internationaal erkende beginselen en richtsnoeren ter zake, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen die deel uitmaken van de OESO-verklaring inzake internationale investeringen en multinationale ondernemingen, door de OESO goedgekeurd op 21 juni 1976, en de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, goedgekeurd door de raad van bestuur van het Internationaal Arbeidsbureau in november 1977.


ARTIKEL 16.6

Biologische diversiteit

1.    Elke partij erkent het belang en de rol van handel en investeringen bij de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit, overeenkomstig de desbetreffende internationale overeenkomsten waarbij zij partij is, en met name het Verdrag inzake biologische diversiteit, gedaan te Rio de Janeiro op 5 juni 1992, en de bijbehorende protocollen, en de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, gedaan te Washington D.C. op 3 maart 1973 (hierna "CITES" genoemd).

2.    In die context

a)    moedigt elke partij het gebruik aan van producten die zijn verkregen door een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en die bijdragen aan de instandhouding en het duurzame gebruik van de biodiversiteit, onder meer met behulp van keurmerksystemen, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van de handel in die producten;

b)    neemt elke partij doeltreffende maatregelen, zoals toezichts- en handhavingsmaatregelen, en voert zij bewustmakingsacties ter bestrijding van de illegale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in CITES, en in voorkomend geval in andere bedreigde soorten;


c)    past elke partij in voorkomend geval de besluiten toe die zijn genomen in het kader van de in lid 1 bedoelde internationale overeenkomsten, onder meer door wet- en regelgeving, strategieën, plannen en programma's, en

d)    wisselt elke partij met de andere partij informatie uit en pleegt zij overleg op bilateraal en multilateraal niveau over aangelegenheden die van belang zijn voor dit artikel, met inbegrip van de handel in in het wild levende dieren en planten en op natuurlijke hulpbronnen gebaseerde producten, de waardering, het in kaart brengen en beoordelen van ecosystemen en de bijbehorende diensten, en de toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan.

ARTIKEL 16.7

Duurzaam bosbeheer en handel in hout en houtproducten

1.    De partijen erkennen het belang en de rol van handel en investeringen voor het waarborgen van de instandhouding en het duurzame beheer van bossen.

2.    In die context

a)    moedigen de partijen de instandhouding en het duurzame beheer van bossen aan, alsmede de handel in hout en houtproducten gekapt in overeenstemming met de wet- en regelgeving van het land waar het hout is gekapt;


b)    dragen de partijen bij aan de bestrijding van illegale houtkap en de daarmee samenhangende handel, in voorkomend geval met inbegrip van de handel met derde landen, en

c)    wisselen de partijen op bilateraal en multilateraal niveau informatie en ervaringen uit met het oog op de bevordering van de instandhouding en het duurzame beheer van bossen en van de handel in legaal gekapt hout en producten daarvan, en op de bestrijding van illegale houtkap.

ARTIKEL 16.8

Handel in en duurzaam gebruik van visbestanden en duurzame aquacultuur

1.    De partijen erkennen het belang en de rol van handel en investeringen voor het waarborgen van de instandhouding en het duurzame beheer van visbestanden, het behoud van mariene ecosystemen en de bevordering van een verantwoorde en duurzame aquacultuur.


2.    In die context

a)    eerbiedigen de partijen het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, de Overeenkomst om te bevorderen dat vissersvaartuigen op de volle zee de internationale maatregelen voor instandhouding en beheer van de visbestanden naleven, gedaan te Rome op 24 november 1993, en de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, gedaan te New York op 4 augustus 1995, nemen zij maatregelen voor het bereiken van de doelstellingen en beginselen van de Gedragscode voor een verantwoorde visserij, aangenomen door de Vergadering van de Voedsel- en Landbouworganisatie op 31 oktober 1995, moedigen zij zowel op mondiaal als regionaal niveau de toepassing van havenstaatmaatregelen aan, en moedigen zij in voorkomend geval derde landen aan de desbetreffende internationale overeenkomsten waarbij beide partijen partij zijn te ratificeren, te aanvaarden, goed te keuren of daartoe toe treden;

b)    bevorderen de partijen de instandhouding en het duurzame gebruik van visbestanden door internationale organisaties of organen waaraan beide partijen deelnemen, waaronder regionale organisaties voor visserijbeheer (hierna "ROVB's" genoemd), in voorkomend geval door middel van doeltreffende monitoring, controle of handhaving van de resoluties, aanbevelingen of maatregelen van de ROVB's, en door de tenuitvoerlegging van hun vangstdocumentatie- of certificeringsregelingen;


c)    zorgen de partijen voor de vaststelling en uitvoering van hun respectieve doeltreffende instrumenten voor de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (hierna "IOO-visserij" genoemd), onder meer door juridische instrumenten en in voorkomend geval controle, monitoring en handhaving, en maatregelen tot beheer van de capaciteit, in het besef dat de vrijwillige uitwisseling van informatie over IOO-visserij de doeltreffendheid van deze instrumenten in de strijd tegen IOO-visserij zal vergroten, en de nadruk leggende op de cruciale rol van de leden van ROVB's met grote visserijmarkten om bij te dragen tot een duurzaam gebruik van de visbestanden, en

d)    bevorderen de partijen de ontwikkeling van een duurzame en verantwoorde aquacultuur, waarbij rekening wordt gehouden met de economische, sociale en milieuaspecten ervan.

ARTIKEL 16.9

Wetenschappelijke informatie

Bij de opstelling en tenuitvoerlegging van op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, houden de partijen rekening met de beschikbare wetenschappelijke en technische informatie alsmede in voorkomend geval met de relevante internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, en met de voorzorgsbenadering.


ARTIKEL 16.10

Transparantie

Elke partij ziet erop toe dat elke maatregel van algemene strekking waarmee de doelstellingen van dit hoofdstuk worden nagestreefd, overeenkomstig haar wet- en regelgeving en hoofdstuk 17 op transparante wijze wordt toegepast, mede door het publiek redelijke kansen en voldoende tijd te geven om opmerkingen in te dienen, en door de publicatie van dergelijke maatregelen.

ARTIKEL 16.11

Evaluatie van effecten op duurzaamheid

De partijen erkennen het belang van de gezamenlijke of individuele evaluatie van, controle op en beoordeling van het effect van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst op de duurzame ontwikkeling via hun bestaande processen en instellingen en die welke in het kader van deze overeenkomst in het leven zijn geroepen.


ARTIKEL 16.12

Samenwerking

In het besef van het belang van samenwerking bij handelsgerelateerde en investeringsgerelateerde aspecten van het arbeids- en milieubeleid voor het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst kunnen de partijen onder meer:

a)    op bilateraal of multilateraal niveau samenwerken op het gebied van milieubescherming en arbeid, onder meer via desbetreffende internationale organisaties of organen waaraan beide partijen deelnemen;

b)    samenwerken bij de beoordeling van de wederzijdse impact van handel en milieu en handel en arbeid, en bij het in kaart brengen van manieren om die impact te versterken, te voorkomen of te verzachten, daarbij rekening houdend met de resultaten van de monitoring en de evaluatie door de partijen, bijvoorbeeld duurzaamheidseffectbeoordelingen wat de Europese Unie betreft;

c)    samenwerken om de handel en de investeringen in milieugoederen en -diensten te vergemakkelijken op een wijze die strookt met deze overeenkomst, mede door de uitwisseling van informatie;

d)    samenwerken inzake keurmerksystemen, mede door de uitwisseling van informatie over milieukeuren en over andere maatregelen en initiatieven die bijdragen aan duurzaamheid, in voorkomend geval met inbegrip van regelingen voor eerlijke en ethische handel;


e)    samenwerken om maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, met name via de uitwisseling van informatie en beste praktijken, onder meer over de naleving, uitvoering, follow-up en verspreiding van internationaal erkende richtsnoeren en beginselen;

f)    samenwerken inzake handelsgerelateerde aspecten van de IAO-agenda voor fatsoenlijk werk;

g)    samenwerken inzake handelsgerelateerde aspecten van multilaterale milieuovereenkomsten, mede door de uitwisseling van standpunten en informatie inzake de tenuitvoerlegging van CITES en via technische en douanesamenwerking;

h)    samenwerken inzake handelsgerelateerde aspecten van de internationale regeling in verband met klimaatverandering, mede met betrekking tot middelen om koolstofarme technologieën, andere klimaatvriendelijke technologieën en energie-efficiëntie te bevorderen;

i)    samenwerken om de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit te bevorderen, mede door de illegale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten te bestrijden;

j)    samenwerken om het behoud en het duurzaam beheer van bossen en de handel in legaal gekapt hout en producten daarvan te bevorderen, en om illegale houtkap te bestrijden, en


k)    bilateraal of via desbetreffende internationale organisaties of organen waaraan beide partijen deelnemen, samenwerken om duurzame visserij en aquacultuur en de handel in legaal verkregen visbestanden te bevorderen en IOO-visserij te bestrijden.

ARTIKEL 16.13

Comité voor handel en duurzame ontwikkeling

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor handel en duurzame ontwikkeling (hierna in dit hoofdstuk "het Comité" genoemd) is verantwoordelijk voor de effectieve tenuitvoerlegging en werking van dit hoofdstuk.

2.    Het Comité heeft de volgende taken:

a)    de evaluatie van en het toezicht op de uitvoering en werking van dit hoofdstuk en, zo nodig, het aan het Gemengd Comité in overweging geven van passende aanbevelingen in verband met artikel 22.1, lid 5, onder d);

b)    de behandeling van alle andere aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk waarover de partijen het eens zijn;


c)    het voeren van overleg met het maatschappelijk middenveld 128 over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk;

d)    het verrichten van andere taken die door het Gemengd Comité ingevolge artikel 22.1, lid 5, onder b), kunnen worden gedelegeerd, en

e)    het zoeken van oplossingen voor geschillen tussen de partijen betreffende de interpretatie of toepassing van dit hoofdstuk, mede door de procedures overeenkomstig artikel 16.17, lid 5 129 .

3.    Het Comité komt binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen. Onverminderd de in artikel 16.17, lid 5, bedoelde procedures komt het Comité daarna bijeen overeenkomstig artikel 22.3, lid 3, onder a).

4.    Het Comité zal streven naar samenhang en samenwerking tussen zijn werkzaamheden en de activiteiten van de IAO en van multilaterale milieuorganisaties of -instanties ter zake.


ARTIKEL 16.14

Contactpunten

Elke partij wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst een contactpunt aan om de communicatie tussen de partijen over alle aangelegenheden in verband met dit hoofdstuk te vergemakkelijken en stelt de andere partij in kennis van de contactgegevens, inclusief informatie met betrekking tot de betrokken ambtenaren. De partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.

ARTIKEL 16.15

Interne adviesgroep

1.    Elke partij belegt vergaderingen van haar eigen nieuwe dan wel bestaande nationale adviesgroep of -groepen inzake economische, sociale en milieukwesties die verband houden met dit hoofdstuk en raadpleegt de groep of groepen overeenkomstig haar wet- en regelgeving en praktijken.


2.    Elke partij is verantwoordelijk voor een evenwichtige vertegenwoordiging van onafhankelijke belanghebbenden op economisch, sociaal en milieugebied in de adviesgroep of -groepen, inclusief werkgevers- en werknemersorganisaties en milieugroepen.

3.    De adviesgroep of -groepen van elke partij kan of kunnen op eigen initiatief bijeenkomen en haar of hun mening over de uitvoering van dit hoofdstuk onafhankelijk van de partij formuleren en die mening aan die partij ter kennis brengen.

ARTIKEL 16.16

Gezamenlijke Dialoog met maatschappelijk middenveld

1.    De partijen organiseren de Gezamenlijke Dialoog met op hun grondgebied gevestigde organisaties van het maatschappelijk middenveld (hierna in dit hoofdstuk "Gezamenlijke Dialoog" genoemd), waaronder leden van hun interne adviesgroepen als bedoeld in artikel 16.15, om een dialoog over dit hoofdstuk te voeren.

2.    De partijen bevorderen een evenwichtige vertegenwoordiging van relevante belanghebbenden in de Gezamenlijke Dialoog, met inbegrip van onafhankelijke organisaties die representatief zijn voor de belangen op economisch, sociaal en milieugebied en in voorkomend geval andere relevante organisaties.


3.    De Gezamenlijke Dialoog wordt uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeengeroepen. De Gezamenlijke Dialoog wordt vervolgens regelmatig bijeengeroepen, tenzij de partijen anders overeenkomen. De partijen bereiken vóór de eerste vergadering van de Gezamenlijke Dialoog overeenstemming over de werking van de Gezamenlijke Dialoog. Deelname aan de Gezamenlijke Dialoog kan plaatsvinden via alle geschikte communicatiemiddelen waarover de partijen het eens zijn.

4.    De partijen verstrekken de Gezamenlijke Dialoog informatie over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk. De standpunten en meningen van de Gezamenlijke Dialoog kunnen aan het Comité worden voorgelegd en openbaar worden gemaakt.

ARTIKEL 16.17

Overleg op regeringsniveau

1.    In geval van onenigheid tussen de partijen over enige kwestie betreffende de interpretatie of toepassing van dit hoofdstuk, maken de partijen enkel gebruik van de procedures bedoeld in dit artikel en artikel 16.18. De bepalingen van dit hoofdstuk komen niet in aanmerking voor geschillenbeslechting uit hoofde van hoofdstuk 21.


2.    Een partij kan schriftelijk verzoeken om overleg met de andere partij over kwesties betreffende de interpretatie en de toepassing van dit hoofdstuk. De partij die om overleg verzoekt vermeldt de redenen voor het verzoek, met inbegrip van een omschrijving van de aangelegenheid en een vermelding van de feitelijke en de rechtsgrondslag, met vermelding van de desbetreffende bepalingen van dit hoofdstuk.

3.    Wanneer een partij ingevolge lid 2 om overleg verzoekt, antwoordt de andere partij onverwijld en treedt zij in overleg om tot een wederzijds bevredigende oplossing van de kwestie te komen.

4.    Tijdens het overleg verstrekt elke partij voldoende informatie om een volledig onderzoek van de kwestie mogelijk te maken. De partijen houden rekening met de activiteiten van de IAO en andere relevante internationale organisaties of organen waaraan beide partijen deelnemen en kunnen, indien door de partijen vereist op een ad-hocbasis, advies inwinnen van die internationale organisaties of organen, of van andere deskundigen. De partijen plegen overleg over passende maatregelen die ten uitvoer moeten worden gelegd, waarbij rekening wordt gehouden met dat advies.

5.    Indien in het overeenkomstig de leden 2 tot en met 4 gevoerde overleg geen oplossing wordt bereikt, wordt het Comité op verzoek van een partij onverwijld bijeengeroepen om de betrokken kwestie te bespreken.

6.    De partijen zien erop toe dat de oplossingen die worden gevonden via het overleg in het kader van dit artikel gezamenlijk openbaar worden gemaakt, tenzij de partijen anders overeenkomen.


ARTIKEL 16.18

Deskundigenpanel

1.    Indien de partijen uiterlijk 75 dagen na de datum van het verzoek van een partij op grond van artikel 16.17, lid 5, om het Comité bijeen te roepen geen wederzijds bevredigende oplossing vinden voor de kwestie betreffende de interpretatie of toepassing van de betrokken artikelen van dit hoofdstuk, kan een partij erom verzoeken dat een deskundigenpanel wordt ingesteld om die kwestie overeenkomstig het in lid 2 bedoelde mandaat te onderzoeken. Dat verzoek wordt schriftelijk gedaan via het in artikel 16.14 bedoelde contactpunt van de andere partij; het vermeldt de redenen voor het verzoek, met inbegrip van een omschrijving van de op te lossen kwestie en een vermelding van de feitelijke en de rechtsgrondslag daarvan.


2.    Het Comité stelt binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst het reglement van orde en het mandaat van het deskundigenpanel vast. Het reglement van orde bepaalt de procedures voor het vinden van de desbetreffende informatie. Het panel legt de desbetreffende artikelen van dit hoofdstuk uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke zijn neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, gedaan te Wenen op 23 mei 1969. In afwachting van de vaststelling van het reglement van orde en het mandaat is het in artikel 21.30 bedoelde reglement van orde mutatis mutandis van toepassing en luidt het mandaat, tenzij de partijen uiterlijk vijf dagen na de datum van instelling van het panel anders overeenkomen:

"In het licht van de desbetreffende artikelen van hoofdstuk 16 de kwestie onderzoeken die is beschreven in het verzoek om instelling van het deskundigenpanel, en overeenkomstig artikel 16.18, lid 5, een verslag met aanbevelingen voor de oplossing van de kwestie voorleggen".

3.    Het deskundigenpanel kan inlichtingen inwinnen bij alle bronnen die het nuttig acht. Voor kwesties in verband met IAO-instrumenten of multilaterale milieuovereenkomsten moet het informatie en advies inwinnen bij de bevoegde internationale organisaties of organen. Alle overeenkomstig dit lid verkregen inlichtingen worden aan de partijen voorgelegd voor commentaar.


4.    Het panel bestaat uit drie deskundigen. Zij worden gekozen overeenkomstig het bepaalde onder a) tot en met e).

a)    De deskundigen beschikken over relevante technische of juridische expertise in de aangelegenheden waarop dit hoofdstuk betrekking heeft. Zij zijn onafhankelijk van, hebben geen banden met en ontvangen geen instructies van een van de partijen. Zij fungeren op persoonlijke titel, zij nemen geen instructies aan van enige organisatie of regering, en zijn in welke hoedanigheid ook niet bij de betrokken kwestie betrokken.

b)    Elke partij wijst uiterlijk 45 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om het panel in te stellen, één deskundige aan die onderdaan van die partij kan zijn, en stelt ten hoogste drie kandidaten voor om als voorzitter van het panel te fungeren. De voorzitter is geen onderdaan van een van de partijen. De partijen worden het eens over de voorzitter en benoemen hem uit de voorgestelde kandidaten uiterlijk 15 dagen na het verstrijken van de periode van 45 dagen.

c)    Indien een partij heeft nagelaten een deskundige aan te wijzen of indien de partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de voorzitter en hem niet hebben benoemd overeenkomstig punt b), worden de nog niet aangewezen deskundigen of de voorzitter uiterlijk 15 dagen na het verstrijken van de onder b) bedoelde termijn van 15 dagen door loting gekozen uit de overeenkomstig punt d) voorgestelde kandidaten.


d)    Het Comité stelt binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst een lijst op van ten minste tien personen die bereid en in staat zijn om als deskundigen op te treden in het kader van dit artikel, en die de onder a) bedoelde kwalificaties hebben. Die lijst bestaat uit drie sublijsten: één voor elke partij en één voor personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die als voorzitter van het panel fungeren. Elke partij draagt ten minste drie personen voor die voor haar eigen sublijst als deskundigen kunnen fungeren. Tenzij de partijen anders overeenkomen, kiezen zij gezamenlijk vier personen voor de sublijst van voorzitters. Het Comité ziet erop toe dat het aantal personen op de lijst te allen tijde gehandhaafd wordt op het door dit lid vereiste aantal.

e)    De datum van instelling van een panel is die waarop de voorzitter wordt benoemd.


5.    Het deskundigenpanel dient bij de partijen een tussentijds verslag en een eindverslag in met een uiteenzetting van de feiten, inzake de interpretatie of de toepasbaarheid van de desbetreffende artikelen en de beweegredenen voor de bevindingen en suggesties. Uiterlijk 45 dagen na de datum van ontvangst van het tussentijds verslag, dat uiterlijk 90 dagen na de datum van instelling van het panel wordt uitgebracht, kunnen de partijen schriftelijke opmerkingen over dat verslag indienen. Het deskundigenpanel kan het verslag naar aanleiding van deze schriftelijke opmerkingen wijzigen en, wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken. Het eindverslag wordt uiterlijk 180 dagen na de datum van instelling van het panel uitgebracht, tenzij de voorzitter van het panel de partijen schriftelijk meedeelt dat de termijn niet kan worden gerespecteerd. In dat geval wordt het eindverslag uiterlijk 200 dagen na de datum van instelling van het panel uitgebracht, tenzij de partijen anders overeenkomen. Het eindverslag wordt openbaar gemaakt. De partijen waarborgen de bescherming van vertrouwelijke informatie.

6.    De partijen bespreken acties of maatregelen om de betrokken kwestie op te lossen, rekening houdend met het eindverslag van het panel en de daarin vervatte suggesties. Elke partij stelt de andere partij en haar eigen interne adviesgroep of -groepen uiterlijk drie maanden na de datum van indiening van het eindrapport in kennis van eventuele vervolgacties of -maatregelen. De vervolgacties of -maatregelen worden door het Comité gemonitord. De interne adviesgroep of -groepen en de gezamenlijke dialoog kunnen bij het Comité hun opmerkingen dienaangaande indienen.


ARTIKEL 16.19

Evaluatie

1.    Het Comité wisselt zo nodig van gedachten over de tenuitvoerlegging en de werking van de institutionele bepalingen en de bepalingen inzake overleg in de artikelen 16.13, 16.17 en 16.18, onder meer rekening houdend met de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging en de werking van dit hoofdstuk en de ontwikkeling van het desbetreffende beleid van elke partij. Dergelijke gedachtewisselingen kunnen betrekking hebben op mogelijke wijzigingen van die artikelen.

2.    Gelet op het resultaat van de in lid 1 bedoelde gedachtewisselingen kan het Comité overeenkomstig artikel 16.13, lid 2, onder a), aan het Gemengd Comité aanbevelingen doen voor wijzigingen van de in lid 1 bedoelde artikelen.



HOOFDSTUK 17

TRANSPARANTIE

ARTIKEL 17.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder "maatregel van algemene strekking" verstaan: elke wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, elk voorschrift, elke administratieve of rechterlijke beslissing of administratieve of gerechtelijke procedure, van algemene strekking met betrekking tot onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden.

ARTIKEL 17.2

Transparant regelgevingskader

In het besef van de impact die haar regelgevingskader kan hebben op de handel en investeringen tussen de partijen voorziet elke partij in een transparant regelgevingskader, dat doeltreffend en voorspelbaar is voor personen waaronder marktdeelnemers, met name kleine en middelgrote ondernemingen.


ARTIKEL 17.3

Publicatie

Bij de invoering of wijziging van maatregelen van algemene strekking

a)    publiceert elke partij onverwijld die maatregelen van algemene strekking of maakt zij die anderszins openbaar, samen met een toelichting op het doel en de motivering ervan, en waar mogelijk langs elektronische weg, bijvoorbeeld via een website in het Engels, en

b)    tracht elke partij te zorgen voor een redelijke termijn tussen het tijdstip waarop die maatregelen van algemene strekking gepubliceerd of openbaar gemaakt worden en het tijdstip waarop zij in werking treden, behalve in terdege gerechtvaardigde gevallen.

ARTIKEL 17.4

Verzoeken om informatie

1.    Elke partij antwoordt op verzoek van de andere partij binnen een redelijke termijn op specifieke vragen van de andere partij en verstrekt die partij informatie over haar maatregelen van algemene strekking.


2.    Elke partij maakt de namen en adressen van de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor haar maatregelen van algemene strekking gemakkelijk toegankelijk voor het publiek.

3.    Elke partij voert passende mechanismen in, of handhaaft deze, om verzoeken van een persoon om informatie over haar maatregelen van algemene strekking te beantwoorden.

4.    De partijen erkennen dat de antwoorden op de in lid 3 bedoelde verzoeken om informatie niet altijd definitief en juridisch bindend zijn, maar alleen ter informatie worden gegeven, tenzij in de wet- en regelgeving van elke partij anders wordt bepaald.

ARTIKEL 17.5

Uitvoering van maatregelen van algemene strekking

1.    Elke partij voert al haar maatregelen van algemene strekking consistent, objectief, onpartijdig en op redelijke wijze uit.


2.    Bij de toepassing van maatregelen van algemene strekking in administratieve procedures ten aanzien van bepaalde personen, goederen of diensten van de andere partij in specifieke gevallen, verstrekt elke partij overeenkomstig haar wet- en regelgeving personen die rechtstreeks door die administratieve procedure geraakt worden:

a)    een redelijke mededeling betreffende het tijdstip van inleiding van de procedure, met inbegrip van de rechtsgrondslag en een beschrijving van de aard van de procedure, van de feiten en van de vraagstukken in kwestie, en

b)    een redelijke mogelijkheid om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten kenbaar te maken alvorens een definitieve administratieve beslissing wordt genomen, behalve om redenen van urgentie.

ARTIKEL 17.6

Toetsing en beroep

1.    Elke partij stelt rechterlijke, scheidsrechterlijke of administratieve instanties of procedures in voor de onverwijlde toetsing van of het onverwijlde beroep tegen en, indien gerechtvaardigd, de correctie van administratieve handelingen of, zoals voorzien in haar wet- en regelgeving, van een verzuim om te handelen met betrekking tot onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden. Die instanties of procedures zijn onpartijdig en onafhankelijk van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving van die handelingen en hebben geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.


2.    Elke partij ziet erop toe dat de partijen die verschijnen voor de instanties of die betrokken zijn bij de procedures bedoeld in lid 1 recht hebben op:

a)    een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te ondersteunen of te verdedigen, en

b)    een beslissing die is gebaseerd op bewijsmateriaal en ingediende stukken.

3.    Elke partij ziet erop toe dat, behoudens verdere toetsing of beroep overeenkomstig haar wet- en regelgeving, de in lid 2, onder b), bedoelde beslissing door de ter zake bevoegde diensten of autoriteiten wordt uitgevoerd ten aanzien van de administratieve handeling in kwestie.


ARTIKEL 17.7

Samenwerking ter bevordering van meer transparantie

De partijen werken waar passend samen in bilaterale, regionale en multilaterale fora inzake methoden voor het bevorderen van transparantie ten aanzien van de internationale handel en investeringen.

ARTIKEL 17.8

Verhouding tot andere hoofdstukken

Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd specifieke regels in andere hoofdstukken van deze overeenkomst.



HOOFDSTUK 18

GOEDE REGELGEVINGSPRAKTIJKEN EN SAMENWERKING OP REGELGEVINGSGEBIED

AFDELING A

Goede regelgevingspraktijken en samenwerking op regelgevingsgebied

ONDERAFDELING 1

Algemene bepalingen

ARTIKEL 18.1

Doelstellingen en algemene beginselen

1.    Deze afdeling heeft tot doel goede regelgevingspraktijken en samenwerking op regelgevingsgebied tussen de partijen te bevorderen teneinde de bilaterale handel en investeringen te vermeerderen door:

a)    de bevordering van een effectief, transparant en voorspelbaar regelgevingskader;

b)    de bevordering van met elkaar verenigbare reguleringsbenaderingen en de vermindering van onnodig belastende, overlappende of uiteenlopende regelgevingsvereisten;


c)    het bediscussiëren van regelgevingsmaatregelen, -praktijken of -benaderingen van een partij, met inbegrip van de vraag hoe zij efficiënter kunnen worden toegepast, en

d)    de versterking van de bilaterale samenwerking tussen de partijen in internationale fora.

2.    Niets in deze afdeling doet afbreuk aan het recht van een partij om haar eigen niveaus van bescherming vast te stellen of te reguleren bij het nastreven of bevorderen van haar beleidsdoelstellingen op gebieden zoals:

a)    volksgezondheid;

b)    het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten;

c)    gezondheid en veiligheid op het werk;

d)    arbeidsomstandigheden;

e)    het milieu, inclusief klimaatverandering;

f)    consumenten;

g)    sociale bescherming en sociale zekerheid;

h)    persoonsgegevens en cyberbeveiliging;

i)    culturele diversiteit;


j)    financiële stabiliteit, en

k)    continuïteit van de energievoorziening.

3.    Niets in deze afdeling mag worden uitgelegd als een beletsel voor een partij om:

a)    overeenkomstig haar rechtskader, beginselen 130 en termijnen regelgevingsmaatregelen vast te stellen, te handhaven en toe te passen ter verwezenlijking van haar beleidsdoelstellingen op het niveau van bescherming dat zij juist acht, en

b)    diensten van algemeen belang te verlenen en te ondersteunen, zoals die welke verband houden met watervoorziening, gezondheidszorg, onderwijs of sociale diensten.

4.    Regelgevingsmaatregelen mogen geen verkapte handelsbelemmering opleveren.

5.    Niets in deze afdeling mag zodanig worden uitgelegd dat het een partij verplicht een specifiek resultaat inzake regelgeving te bereiken.


ARTIKEL 18.2

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)    "regelgevende instantie":

i)    de Europese Commissie voor de Europese Unie, en

ii)    de regering van Japan voor Japan, en

b)    "regelgevingsmaatregelen": maatregelen die algemeen van toepassing zijn, namelijk:

i)    voor de Europese Unie:

A)    verordeningen en richtlijnen, zoals bedoeld in artikel 288 VWEU, en

B)    uitvoerings- en gedelegeerde handelingen, zoals bedoeld in de artikelen 290 en 291 VWEU, en


ii)    voor Japan:

A)    wetten;

B)    besluiten van de regering, en

C)    ministeriële besluiten.

ARTIKEL 18.3

Toepassingsgebied

1.    Deze afdeling is van toepassing op regelgevingsmaatregelen van de regelgevende instantie van een partij met betrekking tot onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden.

2.    De onderafdelingen 3 en 4 zijn van toepassing op andere maatregelen van algemene strekking die zijn uitgevaardigd door de regelgevende instantie van een partij en die relevant zijn voor de samenwerking op regelgevingsgebied, zoals richtsnoeren, beleidsdocumenten of aanbevelingen, andere dan de in lid 1 bedoelde regelgevingsmaatregelen.


ONDERAFDELING 2

Goede regelgevingspraktijken

ARTIKEL 18.4

Interne coördinatie

Elke partij handhaaft interne coördinatieprocedures of -mechanismen ter bevordering van goede regelgevingspraktijken, inclusief die waarin deze afdeling voorziet.

ARTIKEL 18.5

Regelgevingsprocedures en -mechanismen

Elke partij maakt beschrijvingen openbaar van de procedures en mechanismen volgens welke haar regelgevende instantie haar regelgevingsmaatregelen voorbereidt, beoordeelt en herziet. Die beschrijvingen verwijzen naar de desbetreffende richtsnoeren, regels of procedures, inclusief die betreffende de mogelijkheid voor het publiek om opmerkingen in te dienen.


ARTIKEL 18.6

Vroegtijdige informatie over geplande regelgevingsmaatregelen

De regelgevende instantie van elke partij maakt ten minste eenmaal per jaar een lijst van haar geplande belangrijke 131 regelgevingsmaatregelen openbaar, samen met een korte beschrijving van hun toepassingsgebied en doelstellingen, met inbegrip van het tijdschema voor de vaststelling ervan indien dat beschikbaar is. Indien de regelgevende instantie van een partij geen dergelijke lijst openbaar maakt, deelt die partij het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied jaarlijks en zo spoedig mogelijk de lijst en de korte beschrijving mee. Die lijst kan samen met de korte beschrijving, met uitzondering van als vertrouwelijk aangemerkte informatie, door de regelgevende instantie van elke partij openbaar worden gemaakt.


ARTIKEL 18.7

Openbare raadplegingen

1.    Bij de voorbereiding van belangrijke regelgevingsmaatregelen handelt de regelgevende instantie van elke partij in voorkomend geval, overeenkomstig de desbetreffende regels of procedures als volgt:

a)    zij publiceert de ontwerp-regelgevingsmaatregelen of raadplegingsdocumenten met voldoende details over de regelgevingsmaatregelen die worden voorbereid, zodat elke persoon kan beoordelen of en hoe zijn belangen aanmerkelijk geraakt kunnen worden;

b)    zij biedt elke persoon op een niet-discriminerende basis redelijke kansen om opmerkingen in te dienen, en

c)    zij neemt de ontvangen opmerkingen in overweging.

2.    De regelgevende instantie van elke partij zou gebruik moeten maken van elektronische communicatiemiddelen en ernaar moeten streven om één enkel speciaal webportaal te hebben voor de verstrekking van informatie en de ontvangst van opmerkingen met betrekking tot openbare raadplegingen.


3.    De regelgevende instantie van elke partij maakt de ontvangen opmerkingen of een samenvatting van de resultaten van de raadplegingen openbaar. Deze verplichting geldt niet voor zover zulks nodig is voor de bescherming van vertrouwelijke informatie, voor het achterhouden van persoonsgegevens of ongepaste inhoud of indien er sprake is van andere gegronde redenen, zoals het risico op schade aan de belangen van een derde.

ARTIKEL 18.8

Effectbeoordeling

1.    De regelgevende instantie van elke partij tracht overeenkomstig de geldende regels en procedures stelselmatig een effectbeoordeling te verrichten van de belangrijkste regelgevingsmaatregelen die worden voorbereid.

2.    Bij de uitvoering van een effectbeoordeling stelt de regelgevende instantie van elke partij procedures en mechanismen vast en handhaaft die, waarbij de volgende factoren in aanmerking worden genomen:

a)    de behoefte aan de regelgevingsmaatregel, inclusief de aard en de ernst van het probleem dat de regelgevingsmaatregel beoogt aan te pakken;

b)    haalbare en passende regelgevings- of andere alternatieven om de doelstellingen van het overheidsbeleid van de partij te bereiken, inclusief, indien dat mogelijk is, de optie om niet te reguleren;


c)    voor zover mogelijk en relevant, de eventuele sociale, economische en milieugevolgen van die alternatieven, inclusief de gevolgen voor de handel en de kleine en middelgrote ondernemingen, en

d)    in voorkomend geval, de verhouding van de in overweging genomen opties tot de desbetreffende internationale normen, inclusief de reden voor eventuele afwijkingen daarvan.

3.    De regelgevende instantie van elke partij publiceert de resultaten van haar effectbeoordelingen uiterlijk bij de publicatie van de desbetreffende voorgestelde of definitieve maatregel.

ARTIKEL 18.9

Evaluatie achteraf

1.    De regelgevende instantie van elke partij houdt procedures of mechanismen in stand voor de periodieke evaluatie achteraf van geldende regelgevingsmaatregelen.

2.    De regelgevende instantie van elke partij maakt haar plannen voor en de resultaten van dergelijke evaluaties achteraf bekend voor zover dat strookt met de geldende regels en procedures.


ARTIKEL 18.10

Mogelijkheid om opmerkingen in te dienen

Zonder afbreuk te doen aan het nastreven van de doelstellingen van openbaar beleid van elke partij, biedt de regelgevende instantie van elke partij elke persoon de gelegenheid om opmerkingen in te dienen ter verbetering van geldende regelgevingsmaatregelen, inclusief suggesties voor vereenvoudiging of vermindering van onnodige lasten.

ARTIKEL 18.11

Uitwisseling van informatie over goede regelgevingspraktijken

De regelgevende instanties streven ernaar, onder meer in het Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied informatie uit te wisselen over hun goede regelgevingspraktijken als bedoeld in deze onderafdeling, zoals praktijken met betrekking tot effectbeoordelingen, inclusief de beoordeling van de effecten op handel en investeringen, of met betrekking tot evaluaties achteraf.


ONDERAFDELING 3

Samenwerking op regelgevingsgebied

ARTIKEL 18.12

Samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied

1.    Elke partij kan aan de andere partij een samenwerkingsactiviteit op regelgevingsgebied voorstellen. Zij legt dat voorstel voor via het contactpunt dat is aangewezen overeenkomstig artikel 18.15.

2.    De andere partij onderzoekt het voorstel te gelegener tijd en deelt de voorstellende partij mee of zij de voorgestelde activiteit geschikt acht voor samenwerking op regelgevingsgebied.

3.    Op verzoek van een partij bespreekt het Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied een voorstel voor een samenwerkingsactiviteit op regelgevingsgebied als bedoeld in lid 1.

4.    Teneinde voor samenwerking op regelgevingsgebied geschikte activiteiten in kaart te brengen, neemt elke partij het volgende in overweging:

a)    de in artikel 18.6 bedoelde lijst, en


b)    voorstellen voor samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied die zijn ingediend door een persoon van een partij en die zijn onderbouwd en vergezeld gaan van relevante informatie.

5.    Indien de partijen besluiten tot een samenwerkingsactiviteit op regelgevingsgebied, handelt de regelgevende instantie van elke partij als volgt:

a)    zij stelt de regelgevende instantie van de andere partij in kennis van de ontwikkeling van nieuwe of de herziening van bestaande maatregelen die relevant zijn voor de samenwerkingsactiviteit op regelgevingsgebied;

b)    op verzoek verstrekt zij informatie en wisselt zij van gedachten over maatregelen die relevant zijn voor de samenwerkingsactiviteit op regelgevingsgebied, en

c)    bij de ontwikkeling van nieuwe of de herziening van bestaande regelgevings- of andere maatregelen betrekt zij voor zover haalbaar een eventuele regelgevingsaanpak van de andere partij ten aanzien van dezelfde of een verwante materie in haar overwegingen.

6.    De partijen kunnen op vrijwillige basis samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied ondernemen. Een partij kan weigeren samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied te ondernemen of kan zich daaruit terugtrekken. Een partij die weigert samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied te ondernemen of zich daaruit terugtrekt, deelt de andere partij de redenen voor haar besluit mee.

7.    In voorkomend geval kunnen de regulerende instanties de uitvoering van een samenwerkingsactiviteit op regelgevingsgebied met wederzijdse toestemming toevertrouwen aan de betrokken organen van de partijen.


ARTIKEL 18.13

Goede praktijken ter bevordering van compatibiliteit van regelgevingen

Teneinde de onderlinge verenigbaarheid van regelgevingen te bevorderen, betrekt de regelgevende instantie van elke partij onder meer het volgende in haar overwegingen:

a)    de bevordering van gemeenschappelijke beginselen, richtsnoeren, gedragscodes, wederzijdse erkenning van gelijkwaardigheid en uitvoeringsinstrumenten, om onnodige duplicatie van regelgevingsvereisten, zoals tests, kwalificaties, audits of inspecties, te vermijden, en

b)    bilaterale samenwerking en samenwerking met derde landen in de desbetreffende internationale fora, waar dat mogelijk is, mede door gezamenlijke initiatieven en voorstellen, met het oog op de ontwikkeling en de bevordering van de goedkeuring en uitvoering van internationale regelgevingsnormen, richtsnoeren of andere benaderingen.


ONDERAFDELING 4

Institutionele bepalingen

ARTIKEL 18.14

Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied

1.    Het bij artikel 22.3 ingestelde Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied verbetert en bevordert goede regelgevingspraktijken en de samenwerking op regelgevingsgebied tussen de partijen overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling.

2.    Het Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied kan belanghebbenden uitnodigen om aan zijn vergaderingen deel te nemen.

3.    Het Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied kan met name:

a)    voorstellen voor samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied bespreken;

b)    informatie uitwisselen over goede regelgevingspraktijken en die praktijken bevorderen;


c)    aanbevelingen doen voor samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied inzake kwesties die voor de partijen van gemeenschappelijk belang zijn, met inbegrip van activiteiten inzake onderzoek dat aan de regelgeving voorafgaat;

d)    bilaterale samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied bevorderen teneinde met elkaar verenigbare resultaten inzake regelgeving in elke partij te vergemakkelijken, met name op gebieden waar geen regelgevingsmaatregelen bestaan of waar die zich nog in een vroege ontwikkelingsfase bevinden;

e)    de ontwikkeling van praktische mechanismen, uitvoeringsinstrumenten en beste praktijken ondersteunen om goede regelgevingspraktijken en samenwerking op regelgevingsgebied te bevorderen;

f)    samenwerking op regelgevingsgebied en coördinatie in internationale fora, inclusief periodieke bilaterale uitwisselingen van informatie over relevante lopende of geplande activiteiten, bevorderen;

g)    periodiek prioritaire gebieden voor samenwerking op regelgevingsgebied in kaart brengen en goedkeuren;

h)    zo nodig richtsnoeren uitvaardigen om de samenwerking op regelgevingsgebied van andere in artikel 22.3 bedoelde comités en van andere bilaterale fora voor samenwerking op regelgevingsgebied te helpen stroomlijnen;

i)    het in artikel 18.16, lid 8, bedoelde verslag over de uitkomst van het overleg in overweging nemen en in voorkomend geval de voortgang beoordelen van de tenuitvoerlegging van de in artikel 18.16, lid 6, bedoelde bevredigende oplossing, en


j)    zo nodig ad-hocwerkgroepen voor specifieke samenwerkingsactiviteiten op regelgevingsgebied instellen, die rapporteren aan het Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied.

4.    Het Comité voor samenwerking op regelgevingsgebied:

a)    komt binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen en vervolgens ten minste eenmaal per jaar, tenzij de vertegenwoordigers van de partijen anders besluiten, en

b)    stelt tijdens zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van deze overeenkomst zijn reglement van orde vast.

ARTIKEL 18.15

Contactpunten

Bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst wijst elke partij een contactpunt aan voor de uitvoering van deze afdeling en voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 18.16, en deelt zij de andere partij de contactgegevens daarvan mee, inclusief informatie met betrekking tot de betrokken ambtenaren. De partijen stellen elkaar onverwijld in kennis van wijzigingen van die contactgegevens.


ARTIKEL 18.16

Uitwisseling van informatie over geplande of bestaande regelgevingsmaatregelen

1.    Een partij kan de andere partij verzoeken om inlichtingen en verduidelijkingen met betrekking tot geplande of bestaande regelgevingsmaatregelen van de andere partij. De partij waaraan het verzoek is gericht streeft ernaar snel te reageren.

2.    Een partij kan de andere partij verzoeken om haar bezwaren betreffende geplande of bestaande regelgevingsmaatregelen van de andere partij in overweging te nemen. In haar verzoek vermeldt de verzoekende partij de litigieuze regelgevingsmaatregel, beschrijft zij haar bezwaren en stelt zij in voorkomend geval vragen.

3.    De partij waaraan het verzoek is gericht dient zo snel mogelijk, maar, tenzij daarvoor een rechtvaardiging is, uiterlijk 60 dagen na ontvangst van het verzoek, schriftelijke opmerkingen in betreffende de bezwaren die de verzoekende partij overeenkomstig lid 2 heeft geformuleerd. Die opmerkingen omvatten voor zover mogelijk onder meer de beleidsdoelstelling en de motivering van de regelgevingsmaatregel en, in voorkomend geval, een toelichting over het ontbreken van een maatregel die de handel of de investeringen minder belemmert en waarmee dezelfde beleidsdoelstelling even efficiënt kan worden bereikt. De partij waaraan het verzoek is gericht antwoordt op elke vraag om verduidelijking van de verzoekende partij.


4.    De verzoekende partij kan de partij waaraan het verzoek is gericht om overleg verzoeken: