|
18.10.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 353/17 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over belastingheffing in de digitale economie
(initiatiefadvies)
(2019/C 353/04)
Rapporteur: Krister ANDERSSON
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 32, lid 2, van het reglement van orde Initiatiefadvies |
|
Besluit van de voltallige vergadering |
15.2.2018 |
|
Bevoegde afdeling |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Goedkeuring door de afdeling |
2.7.2019 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
17.7.2019 |
|
Zitting nr. |
545 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
167/7/7 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC beschouwt de digitalisering van de economie als een grote kans en de digitale agenda van de EU als een van de belangrijkste beleidslijnen van de Unie. Aangezien digitalisering een belangrijke factor achter mondiale economische groei blijft, gelooft het EESC dat het beleid met betrekking tot belasting van de gedigitaliseerde economie erop gericht moet zijn economische groei en grensoverschrijdende handel en investeringen te bevorderen, en niet te belemmeren. |
|
1.2. |
Het EESC onderstreept het belang van belastingstelsels die rekening houden met nieuwe bedrijfsmodellen. De beginselen van een eerlijk belastingstelsel — consistentie, voorspelbaarheid, neutraliteit — zijn nog altijd even relevant voor overheidsinstellingen, ondernemingen en consumenten. |
|
1.3. |
Het EESC deelt dan ook de ambitie van de Commissie om agressieve fiscale planning van de zijde van ondernemingen en ondoorzichtige afspraken met lidstaten te blijven voorkomen, teneinde gelijke behandeling van bedrijven te waarborgen en het Europese concurrentievermogen te bevorderen. |
|
1.4. |
In de context van de digitalisering van de economie is het EESC er vast van overtuigd dat wijzigingen in de regels voor de verdeling van de rechten op winstbelastingheffing tussen landen op mondiaal niveau gecoördineerd moeten worden, om uiteindelijk, op basis van goede mondiale governance en mondiale regels, de voordelen van de globalisering beter te benutten. Het EESC verwelkomt daarom de nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de OESO/G20 om de ontwikkeling van een internationale oplossing, die de risico’s op internationale dubbele belasting beperkt, te ondersteunen. Als men echter geen internationale oplossing overeen kan komen, moet de EU overwegen om in haar eentje verder te gaan. |
|
1.5. |
Het EESC stelt voor dat lidstaten die specifieke nationale systemen opzetten, zorgvuldig tot de meest efficiënte oplossingen proberen te komen om extra complicaties en kosten voor zowel belastingdiensten als ondernemingen te voorkomen. |
|
1.6. |
Het EESC spoort de Commissie en de lidstaten aan zorgvuldig alle mogelijkheden te overwegen om, ongeacht waar de onderneming is gevestigd, alle vormen van te lage belasting van digitale diensten uit te bannen voor alle verkoop die in een lidstaat terechtkomt. Door platforms geboden diensten die worden gebruikt door Europese consumenten, moeten volledig worden opgenomen in het btw-stelsel; dit is van essentieel belang om de belastingproblematiek goed te kunnen aanpakken. Er zij op gewezen dat klanten van bedrijven voor digitale communicatie, zoals Facebook enz., ogenschijnlijk gratis toegang hebben tot deze diensten, waarmee de vraag rijst hoe er redelijkerwijs btw kan worden geheven. |
|
1.7. |
De verdeelsleutel die wordt voorgesteld voor de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) en die bestaat uit drie factoren, kan als uitgangspunt worden gebruikt en toegepast voor de toerekening van restwinst, indien dit de methode is die is overeengekomen door de OESO. Het EESC ondersteunt een dergelijke benadering. |
|
1.8. |
Het EESC meent echter dat de hulpmiddelen die worden besteed aan O&O van belang zijn voor de ontwikkeling van immateriële activa en dat het land waarin dergelijke activiteiten plaatsvinden, daarvoor moet worden beloond. Het EESC stelt dan ook voor om de restwinst toe te rekenen aan de hand van een formule die bestaat uit vier factoren in plaats van de drie die zijn opgenomen in de CCCTB-formule. Het EESC erkent ten volle hoe ingewikkeld het is om internationale heffingsrechten te berekenen. Tegelijkertijd is een aanvaardbare en eerlijke verdeling van de heffingsrechten tussen landen noodzakelijk. |
|
1.9. |
Voor zover herverdeling van internationale heffingsrechten niet haalbaar is binnen het bestaande kader van verrekenprijzen, is het EESC er voorstander van om restwinsten op immateriële producten toe te wijzen aan de hand van een uit vier factoren bestaande formule. |
|
1.10. |
Gelet op de toenemende omvang van de markten buiten Europa, met name in landen als China, India en Brazilië, zou het toekennen van het recht op belastingheffing op de gehele heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, of zelfs op de gehele restwinst, leiden tot een substantieel verlies aan opbrengsten in tal van lidstaten. Dit kan resulteren in problemen bij het behalen van de sociale doelstellingen van Europese landen. |
|
1.11. |
Het EESC is van oordeel dat er een redelijk evenwicht moet worden gevonden ten aanzien van de herschikking van de vennootschapsbelasting tussen landen met een export- en landen met een importoverschot. Dit mag de mogelijkheden van landen om hun sociale en milieudoelstellingen te behalen niet in gevaar brengen. |
|
1.12. |
Overeengekomen wijzigingen in de internationale regels voor de verdeling van heffingsrechten tussen landen zouden alle lidstaten en de eengemaakte markt ten goede moeten komen. |
2. Achtergrond
|
2.1. |
De huidige stelsels voor vennootschapsbelasting in de wereld en de inspanningen op het gebied van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) gaan uit van een beoordeling van de bedrijfswinst in het land waar uit economische activiteiten winst wordt gegenereerd en waar de waarde wordt gecreëerd. De digitalisering van de economieën heeft er echter toe geleid dat het moeilijker is geworden vast te stellen waar winsten worden gegenereerd en hoe ze uitgekeerd worden. Digitale diensten, in brede zin, kunnen worden geleverd op afstand, zonder dat er een fysieke aanwezigheid nodig is op de plaats waar de dienst wordt gebruikt. |
|
2.2. |
Als gevolg van het BEPS-project ondergaat het internationale fiscale stelsel reeds een aanmerkelijke transformatie. Dit resulteert in tal van wijzigingen in de manier waarop bedrijven worden belast (1). Het BEPS-project is opgezet om activiteiten op het gebied van grondslaguitholling en winstverschuiving tegen te gaan, en niet om de bestaande internationale standaarden inzake de verdeling van de rechten op belastingheffing op grensoverschrijdende inkomsten tussen landen te wijzigen (2). |
|
2.3. |
Actie 1 van BEPS betrof de uitdagingen met betrekking tot de digitale economie (3). Omdat er geen consensus werd bereikt ten aanzien van de manier waarop deze nieuwe bedrijfsmodellen moeten worden belast, werd er in 2018 door OESO/G20 Inclusive Framework on BEPS (4) een tussentijds rapport opgesteld. In dit rapport wordt de overeengekomen richting voor de werkzaamheden van het Inclusive Framework ten aanzien van digitalisering en de internationale fiscale regels tot en met 2020 uiteengezet. Er wordt in beschreven hoe digitalisering tevens doorwerkt op andere vlakken van het belastingstelsel. Belastingautoriteiten krijgen nieuwe hulpmiddelen aangereikt die kunnen leiden tot verbeteringen van de diensten aan belastingbetalers, zodat de efficiëntie van de belastinginning en het opsporen van belastingontduiking worden verbeterd. |
|
2.4. |
Op 13 februari 2019 heeft de OESO een document voor openbare raadpleging gepubliceerd, getiteld „Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy” (5). Hierin worden herziene regels voor winsttoerekening en nexusregels uiteengezet, evenals een voorstel voor mondiale bestrijding van grondslaguitholling. |
|
2.5. |
Het eindrapport van OESO/Inclusive Framework wordt in 2020 verwacht. De ministers van Financiën van de VS en Frankrijk hebben echter aangegeven dat zij de gesprekken in OESO-verband willen versnellen en reeds in 2019 een oplossing willen zien te vinden (6). De VS hebben een voorstel ingediend dat bedoeld is om marktjurisdicties de mogelijkheid te geven winsten op immateriële producten die binnen die jurisdictie worden gebruikt, te belasten, zelfs wanneer de investering in de ontwikkeling van die producten in een ander land heeft plaatsgevonden. Er ligt tevens een Frans-Duits voorstel op tafel voor een minimumtarief voor vennootschapsbelasting. Dit advies van het EESC kan worden gezien als inbreng voor het lopende debat. |
|
2.6. |
De Commissie heeft al in 2014 een verslag gepubliceerd over belastingheffing in de digitale economie (7). De deskundigengroep op hoog niveau over belastingheffing in de digitale economie heeft geconcludeerd dat digitale technologie grote mogelijkheden voor Europa biedt. De EU kan haar vooruitzichten voor groei en werkgelegenheid een impuls geven als zij de digitale eengemaakte markt tot stand brengt en gebruikmaakt van het digitale potentieel van de eengemaakte Europese markt. De deskundigengroep heeft uitvoerig gesproken over de grondbeginselen van internationale belastingheffing. |
|
2.7. |
Deze grondbeginselen zijn ook van belang voor dit advies. De deskundigengroep kwam tot de conclusie dat er geen apart belastingregime voor digitale ondernemingen moet komen. De algemene regels moeten eerder zodanig worden toegepast of aangepast dat „digitale” ondernemingen op dezelfde manier worden behandeld als andere bedrijven. |
|
2.8. |
Met haar mededeling getiteld „Tijd om een moderne, eerlijke en efficiënte standaard voor de belastingheffing van de digitale economie vast te stellen”, gepubliceerd op 21 maart 2018, presenteerde de Commissie haar wetgevingspakket voor een geharmoniseerde hervorming van de Europese regels inzake vennootschapsbelasting voor digitale bedrijvigheid. Het pakket bevatte twee richtlijnen van de Raad, vergezeld van een aanbeveling voor zachte wetgeving betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid. |
|
2.9. |
Het EESC heeft in juli 2018 een advies uitgebracht over de voorstellen van de Commissie: Belasting op winsten van multinationals in de digitale economie (8). Daarin wees het op de nadelige gevolgen van omzetbelastingen en op de noodzaak om een internationale consensus te bereiken. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC beschouwt de digitalisering van de economie als een grote kans en de digitale agenda van de EU als een van de belangrijkste beleidslijnen van de Europese Unie. Aangezien digitalisering een belangrijke factor achter mondiale economische groei blijft, gelooft het EESC dat het beleid met betrekking tot belasting van de gedigitaliseerde economie erop gericht moet zijn economische groei en grensoverschrijdende handel en investeringen te bevorderen, en niet te belemmeren. |
|
3.2. |
Door het internet kunnen bedrijven hun activiteiten opschalen naar mondiale markten zonder dat er een aanmerkelijke fysieke aanwezigheid in die markten nodig is. Dit helpt met name kleine bedrijven om in ongekende mate te exporteren. Digitalisering gaat vaak vergezeld van een toenemend belang van de immateriële activa, zoals intellectuele eigendom en gegevens. |
|
3.3. |
Het EESC onderstreept het belang van belastingstelsels die rekening houden met nieuwe bedrijfsmodellen. De beginselen van een eerlijk belastingstelsel — consistentie, voorspelbaarheid, neutraliteit — zijn nog altijd even relevant voor overheidsinstellingen, ondernemingen en consumenten. |
|
3.4. |
Het EESC is van oordeel dat een gelijk speelveld op het gebied van winstbelasting van groot belang is. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat bepaalde bedrijven in sommige lidstaten gebruik hebben kunnen maken van specifieke belastingregelingen, waardoor hun daadwerkelijke belastingdruk tot bijna nul is gedaald. Het gebrek aan transparantie heeft daartoe bijgedragen. Bij sommige gevallen waren multinationals betrokken die actief zijn op het gebied van digitale diensten. |
|
3.5. |
Het EESC deelt dan ook de ambitie van de Commissie om agressieve fiscale planning van de zijde van ondernemingen, zowel digitale als fysieke, en ondoorzichtige afspraken met sommige lidstaten te blijven aanpakken, teneinde gelijke behandeling van bedrijven te waarborgen en het Europese concurrentievermogen te bevorderen. |
|
3.6. |
Het EESC is er vast van overtuigd dat wijzigingen in de regels voor de verdeling van de rechten op winstbelastingheffing tussen landen mondiaal moeten zijn, om uiteindelijk, op basis van goede mondiale governance en mondiale regels, de voordelen van de globalisering beter te benutten. Het EESC is daarom ingenomen met de nauwe samenwerking tussen de Commissie, de lidstaten en de OESO/G20 om de ontwikkeling van een internationale oplossing te ondersteunen. Als men echter geen internationale oplossing overeen kan komen, moet de EU overwegen om in haar eentje verder te gaan. |
|
3.7. |
Het EESC stelt voor dat lidstaten die specifieke nationale systemen opzetten, zorgvuldig tot de meest efficiënte oplossingen proberen te komen om extra complicaties en kosten voor zowel belastingdiensten als ondernemingen te voorkomen. |
|
3.8. |
Het EESC merkt op dat digitale technologieën mogelijk ook werkzaamheden op het vlak van naleving en fiscaal onderzoek ingrijpend kunnen veranderen. De OESO heeft in haar rapport van 2018 (9) laten zien hoe digitalisering reeds drie positieve gevolgen heeft voor de fiscus: verbetering van de doeltreffendheid van de fiscale naleving, verbetering van de dienstverlening aan de belastingbetaler en vermindering van de fiscale nalevingslasten. |
|
3.9. |
Als belastingdiensten kunnen beschikken over meer gegevens van derden, kan een groter gedeelte van de verslaglegging worden geautomatiseerd. Dit scheelt aan beide zijden tijd en geld. Bovendien kunnen de gegevens worden gebruikt om te weinig aangeven, belastingontduiking en belastingfraude tegen te gaan. Diverse belastingdiensten beschikken reeds over software voor gegevensvastlegging die de verkoopgegevens op het moment van de transactie vastlegt. Deze gegevens kunnen direct bij de belastingdiensten worden ingediend. Dit heeft voor een aantal landen de btw-opbrengsten al aanzienlijk vergroot. |
|
3.10. |
Bij het beoordelen van het daadwerkelijke belastingniveau in de digitale sector dient rekening te worden gehouden met de wijzigingen in de belastingwetgevingen als gevolg van de lopende toepassing van de BEPS-regels, aanzien dit er in feite toe kan leiden dat meer inkomsten in de EU worden belast. |
4. Een mogelijke weg voorwaarts?
|
4.1. |
Niet alle landen ter wereld heffen btw. In de EU doen alle landen dat echter wel. In principe zijn alle diensten en goederen onderhevig aan btw, tenzij ze specifiek uitgesloten zijn van de heffingsgrondslag. De btw-opbrengsten vertegenwoordigen een eigen inkomstenbron binnen de EU-begroting en het EESC vindt het belangrijk digitale diensten op te nemen in de heffingsgrondslag. |
|
4.2. |
Het EESC spoort de Commissie en de lidstaten aan zorgvuldig alle mogelijkheden te overwegen om, ongeacht waar de onderneming is gevestigd, alle vormen van te lage belasting van digitale diensten uit te bannen voor alle verkoop die in een lidstaat terechtkomt. Door platforms geboden diensten die worden gebruikt door Europese klanten, moeten volledig worden opgenomen in het btw-stelsel. Er zij op gewezen dat klanten van bedrijven voor digitale communicatie, zoals Facebook enz., ogenschijnlijk gratis toegang hebben tot deze diensten, waarmee de vraag rijst hoe er redelijkerwijs btw kan worden geheven. |
|
4.3. |
Het EESC merkt op dat de huidige vennootschapsbelastingstelsels in de wereld zijn gebaseerd op het beoordelen van de bedrijfswinst die kan worden toegerekend aan elk relevant rechtsgebied. Belasting moet daar worden geheven waar de waarde wordt gecreëerd. Omdat het moeilijk is om te bepalen waar in de waardeketen winst wordt gegenereerd, moeten er universele beginselen worden opgesteld om te bepalen waar waarde wordt gecreëerd. De OESO heeft zich hier uitvoerig over gebogen en regels opgesteld waarin op basis van belastingbeginselen en definities wordt aangegeven hoe de prijzen van goederen en diensten voor ondernemingen binnen een groep moeten worden bepaald (regels voor verrekenprijzen). |
|
4.4. |
De internationale belastingregels zouden van tijd tot tijd moeten worden herzien naarmate bedrijfsmodellen evolueren. De huidige regels zijn zeer recentelijk herzien in verband met de overeenkomst betreffende grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) (10). De nieuwe regels en definities worden momenteel ten uitvoer gelegd. Verwacht wordt dat ze de mogelijkheden voor agressieve fiscale planning en erosie van de belastinggrondslag aanzienlijk zullen beperken. |
|
4.5. |
Een restwinst (of restverlies) kan met name optreden als immateriële marketingactiva of immateriële producten niet-routinematige winsten opleveren. Het gebruik van klantenlijsten of verzamelde gegevens kan bijvoorbeeld aanleiding geven tot een restwinst. Het concept is allesbehalve nieuw en kan niet alleen worden gebruikt voor het verdelen van de winst tussen gerelateerde partijen, maar ook voor de verdeling van heffingsrechten tussen landen. Het vereist daarentegen wel enig innovatief denken en onderzoek naar de mogelijkheid van het toerekenen van heffingsrechten overeenkomstig waardecreatie, zelfs als er geen fysieke permanente vestiging in het betreffende land is. Dit is onderdeel van de beraadslagingen van de OESO. |
|
4.6. |
Het EESC merkt op dat de discussie met betrekking tot de belasting van zogenaamde digitale bedrijven niet primair betrekking heeft op grondslaguitholling en winstverschuiving van de kant van bedrijven, maar op de verdeling van de heffingsrechten tussen landen. |
|
4.7. |
Een restwinst (of restverlies) kan worden omschreven als dat deel van de winst (of het verlies) dat wordt vastgelegd zodra elke partij is beloond voor diens routinematige bijdrage overeenkomstig het zakelijkheidsbeginsel („arm’s length-beginsel”) (11). Hiervoor moet eerst een adequate marktwaardering worden verricht van de gelopen risico’s, de waarde die wordt gecreëerd door de productiefactoren en de verrichte functies. |
|
4.8. |
Verkoop is doorgaans geen bepalende factor voor de toerekening van winsten aan de bedrijven die bij een transactie zijn betrokken. Als echter de bestaande internationale regels worden gebruikt — toerekening van de winst aan elk bedrijf op basis van de OESO-richtsnoeren voor verrekenprijzen — zou de restwinst kunnen worden toegerekend aan de landen waar functies zijn verricht. Een dergelijke functie zou „verkoop” kunnen zijn. |
|
4.9. |
De verdeelsleutel die wordt voorgesteld voor de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), en die bestaat uit drie factoren (12), kan worden gebruikt en toegepast voor de toerekening van restwinst (13). |
|
4.10. |
Er kan echter ook worden gesteld dat de hulpmiddelen die worden besteed aan O&O van belang zijn voor de ontwikkeling van immateriële activa en dat het land waarin dergelijke activiteiten plaatsvinden, daarvoor moet worden beloond (14). Dat zou vragen om een formule die bestaat uit vier factoren in plaats van de drie die zijn opgenomen in de CCCTB-formule. |
|
4.11. |
Voor zover herverdeling van internationale heffingsrechten niet haalbaar is binnen het bestaande kader van verrekenprijzen, is het EESC er voorstander van om restwinsten op immateriële producten toe te wijzen aan de hand van een uit vier factoren bestaande formule. |
|
4.12. |
Als de restwinst 30 is (van een totale winst van de groep van 100) en als de productie qua waardecreatie gelijk wordt verdeeld tussen land A en land B, zou elk van deze landen 35 kunnen belasten (15). Omdat het product ook voor een gelijk bedrag wordt verkocht in land C, zou de restwinst tussen de landen A, B en C verdeeld worden. De landen A en B zouden een aanvullende belastinggrondslag van 13 3/4 krijgen, terwijl land C recht zou hebben om 2 1/2 te belasten (16). |
|
4.13. |
Het EESC erkent ten volle hoe ingewikkeld het is om de internationale heffingsrechten voor de verschillende landen te berekenen. De omvang van de restwinst zou berekend moeten worden en de lidstaten zouden hierover overeenstemming moeten bereiken. Ook zou de grootte van elk van de vier factoren in de verdeelsleutel bekend moet zijn. Het gebruik van een gewijzigde CCCTB-formule kan worden gezien als een stap in de richting van het verkrijgen van acceptatie voor CCCTB. |
|
4.14. |
De CCCTB-formule zou rechten voor het heffen van vennootschapsbelasting toekennen aan landen waar geen innovatie, productie, risico’s en functies plaatsvinden. Enkel het feit dat de verkoop in een land plaatsvindt, zonder enige overige activiteit in dat land, zou dan een heffingsgrondslag inhouden. Dit zou een aanzienlijke wijziging ten opzichte van de bestaande regels betekenen. Als de CCCTB-formule daarentegen alleen op de restwinst wordt toegepast, en niet op het gehele winst, wordt het legitieme recht van exporterende landen om een deel van de heffingsbevoegdheid te behouden, erkend. De waarde die wordt gecreëerd uit ondernemerschap en innovatie kan belastingvoordelen hebben opgeleverd wanneer er O&O-kosten zijn gemaakt en als de onderneming winstgevend wordt, zou hetzelfde land belastingopbrengsten ontvangen. |
|
4.15. |
Als er binnen de OESO geen overeenstemming wordt bereikt, beveelt het EESC de nieuwe Commissie aan met een nieuw voorstel te komen om de betrokken ondernemingen in de EU te belasten op basis van reeds beschikbare gegevens, bijvoorbeeld de totale reclametijd gedurende de tijd waarin de klant verbonden is enz. |
|
4.16. |
Gelet op de toenemende omvang van de markten buiten Europa, met name in landen als China, India en Brazilië, zou het toekennen van het recht op belastingheffing op de gehele heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, of zelfs op de gehele restwinst (17), leiden tot een substantieel verlies aan opbrengsten in tal van lidstaten. Dit kan resulteren in problemen bij het behalen van de sociale doelstellingen van Europese landen. |
|
4.17. |
Volgens een studie van Copenhagen Economics kunnen landen die netto exporteren, aanzienlijke opbrengsten uit vennootschapsbelasting mislopen indien een deel van de winst wordt belast in het land waar de goederen en diensten worden verkocht (18). Op basis van een behoudende schatting was in 201 718 à 21 % van de huidige grondslag voor vennootschapsbelasting in de Noord-Europese landen afkomstig uit buitenlandse restwinsten. Voor Duitsland wordt dit deel geschat op 17 %. Als de benadering op basis van immateriële marketingactiva wordt geïntroduceerd, zou het merendeel van deze inkomsten uit de vennootschapsbelasting worden toegerekend aan andere landen. |
|
4.18. |
Het EESC is van oordeel dat er een redelijk evenwicht moet worden gevonden ten aanzien van de herschikking van de vennootschapsbelasting tussen landen met een export- en landen met een importoverschot. |
|
4.19. |
Als Europese landen primair worden belast waar zij hun producten verkopen, zetten zij hun bedrijfsactiviteiten mogelijk ook zodanig op dat de kosten worden opgelopen in hetzelfde land als waar de verkoop plaatsvindt. Dit proces kan resulteren in een verschuiving van investeringen en banen naar landen met een grote consumptie, zoals China en India, hetgeen zou leiden tot nog groter verlies van inkomsten in de lidstaten. Een dergelijke ontwikkeling moet worden vermeden door de Europese concurrentiepositie te waarborgen. |
|
4.20. |
Het EESC onderstreept dat er voor een nieuw stelsel of nieuwe regels met betrekking tot de manier waarop heffingsrechten verdeeld worden tussen landen, een mondiale overeenkomst gesloten en uitgevoerd moet worden. Gebeurt dit niet, dan zijn dubbele belastingheffing en daardoor minder investeringen en banen het gevolg. |
Brussel, 17 juli 2019.
De voorzitter
van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) OESO, eindverslagen BEPS 2015.
(2) De Commissie heeft berekend dat er in de EU met de grondslaguitholling en winstverschuiving door bedrijven een bedrag van 50-70 miljard EUR gemoeid is, wat overeenkomt met minder dan 0,4 % van het bbp van de EU; SWD(2018) 81 final.
(3) OESO, BEPS Addressing the Tax Challenges of the Digital Economy, Action 1: 2014 Deliverable.
(4) OESO, Tax Challenges Arising from Digitalisation: Interim Report 2018 — Inclusive Framework on BEPS, OECD/G20 BEPS Project (OECD Publishing, 16 maart 2018).
(5) Document voor openbare raadpleging, getiteld „Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy”, OESO.
(6) „US and France accelerate plans to make global tech groups pay tax. Finance ministers agree on need for international minimum corporation tax level”, Financial Times, 28 februari 2019.
(7) Deskundigengroep van de Commissie over belastingheffing in de digitale economie, 28 mei 2014. De groep werd voorgezeten door Vítor Gaspar, voormalig minister van Financiën van Portugal, en bevatte verder zes deskundigen uit heel Europa met verschillende achtergronden en expertise met betrekking tot het thema.
(8) Zie het advies van het EESC over belastingheffing over de winsten van multinationals in de digitale economie, PB C 367 van 10.10.2018, blz. 73.
(9) Tax Challenges Arising from Digitalisation — Interim Report 2018.
(10) OESO 2015.
(11) Zie voor de definitie: Transfer pricing in the EU context.
(12) Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (COM(2016) 685 final — C8-0472/2016-2016/0337(CNS)). De keuze van de drie factoren komt voort uit de behoefte om recht te doen aan zowel de staat van productie (aanbodzijde, gemeten op basis van activa en/of arbeidsloon) als de staat van de vraag (verkoop aan bestemming) om de economische activiteit zo goed mogelijk te omschrijven. Verkoop wordt gewogen als één derde deel, loon als één zesde, het aantal medewerkers eveneens als één zesde en de activa als één derde. De som van deze wegingen is gelijk aan één, zodat 100 % van de CCCTB tussen de lidstaten wordt verdeeld. De lidstaten kunnen vervolgens hun landelijke vennootschapsbelastingtarieven op hun respectieve deel van de belastinggrondslag toepassen; SWD(2016) 341 final.
(13) Er zij op gewezen dat ondernemingen met sociale doelstellingen, zoals bepaalde coöperaties die banden hebben met de lokale gemeenschap, de gecreëerde waarde op directere wijze verdelen en dat de verdeelsleutel dus mogelijk niet rechtstreeks op hen van toepassing is.
(14) Als landen die een goede infrastructuur en ruime O&O-stimulansen bieden, geen billijk aandeel in de opbrengsten uit de vennootschapsbelasting krijgen, zouden zij minder of helemaal geen reden meer zien om een gunstig investeringsklimaat te scheppen.
(15) De „normale” winst zou 70 bedragen.
(16) Na beloning overeenkomstig het zakelijkheidsbeginsel blijft er 30 over. Wordt een O&O-factor (R) aan de in het kader van de CCCTB voorgestelde formule toegevoegd, dan zouden de factoren in de verdeelsleutel K, L, S en R zijn. Deze worden gelijk gewogen (1/4 elk). Bij drie landen zijn er twaalf componenten waarmee rekening gehouden moet worden. Land C heeft echter slechts één component (S). De resterende elf componenten worden gelijk verdeeld tussen de landen A en B, d.w.z. 5 1/2 elk (5,5/12 * 30 = 13 3/4). De heffingsgrondslag van land C is (1/12 * 30) = 2 1/2. Voor de landen A en B bestaat de aanvullende heffingsgrondslag van 13 3/4 uit 3 3/4 voor K, 3 3/4 voor L en 3 3/4 voor R (totaal van 7 1/2 voor K, 7 1/2 voor L en 7 1/2 voor R), en 2 1/2 elk voor S. Het totaal dat wordt toegerekend voor S bedraagt eveneens 7 1/2.
(17) Als de gehele heffingsgrondslag alleen gebaseerd zou zijn op verkoop dan zou land C in voornoemd voorbeeld een grondslag krijgen toegerekend van 25. Als alleen de restwinst zou worden toegerekend op basis van de verkoopcomponent, zou de overeenkomende heffingsgrondslag voor land C 7,5 bedragen.
(18) Sigurd Næss-Schmidt, Palle Sørensen, Benjamin Barner Christiansen, Vincenzo Zurzolo, Charlotta Zienau, Jonas Juul Henriksen en Joshua Brown, „Future Taxation of Company profits — What to do with Intangibles?”, Copenhagen Economics, 19 februari 2019.