Brussel, 23.5.2018

COM(2018) 401 final

Aanbeveling voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

over het nationale hervormingsprogramma 2018 van België

en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2018 van België


Aanbeveling voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

over het nationale hervormingsprogramma 2018 van België

en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2018 van België

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 121, lid 2, en 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid 1 , en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie 2 ,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement 3 ,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Op 22 november 2017 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees semester 2018 voor coördinatie van het economisch beleid. Daarin is ten volle rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 is geproclameerd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 22 maart 2018 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 22 november 2017 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij België niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 22 maart 2018 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 14 mei 2018 heeft de Raad de aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone („aanbeveling voor de eurozone”) vastgesteld.

(2)Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de Economische en Monetaire Unie, dient België ervoor te zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling over het economisch beleid voor de eurozone, die wordt weergegeven in de aanbevelingen 1 tot en met 3 hieronder.

(3)Op 7 maart 2018 is het landverslag 2018 voor België 4 gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die België bij de tenuitvoerlegging van de op 11 juli 2017 door de Raad vastgestelde landspecifieke aanbevelingen heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die België in de richting van zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)Op 27 april 2018 heeft België zijn nationale hervormingsprogramma 2018 en zijn stabiliteitsprogramma 2018 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma's rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering van de Europese structuur- en investeringsfondsen voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad 5 kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma's te herzien, en wijzigingen daarop voorstellen, indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de Europese structuur- en investeringsfondsen koppelen aan gezonde economische governance nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken 6 .

(6)België valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is onderworpen aan de schuldregel. In zijn stabiliteitsprogramma 2018 rekent de regering met een geleidelijke verbetering van het nominale saldo van een tekort van 1,0 % van het bbp in 2017 naar een overschot van 0,1 % van het bbp in 2021. De begrotingsdoelstelling op middellange termijn, vastgesteld als een structureel begrotingsevenwicht, wordt volgens de plannen uiterlijk in 2020 bereikt. Het herberekende structurele saldo 7 wijst echter nog op een tekort van 0,2 % in 2020. Na in 2014 te hebben gepiekt op bijna 107 % van het bbp en in 2017 te zijn gedaald tot ongeveer 103 % van het bbp, zal de overheidsschuldquote volgens het stabiliteitsprogramma 2018 naar verwachting uiterlijk in 2021 tot 94,6 % dalen. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, is plausibel. Tegelijk zijn de maatregelen die nodig zijn om vanaf 2019 de geplande tekortdoelstellingen te ondersteunen, niet gespecificeerd, wat ertoe bijdraagt dat het structurele saldo in 2019 bij ongewijzigd beleid volgens de voorjaarsprognoses 2018 van de Commissie zal verslechteren.

(7)Op 23 mei 2018 heeft de Commissie een verslag opgesteld op grond van artikel 126, lid 3, van het VWEU, omdat België in 2017 onvoldoende vooruitgang heeft geboekt in de richting van de inachtneming van de schuldreductiebenchmark. Na een beoordeling van alle relevante factoren, omdat er momenteel niet voldoende deugdelijk bewijs is om te concluderen dat er in 2017 en over 2016 en 2017 samen een significante afwijking in België bestaat, kon het verslag niet volledig concluderen of het schuldcriterium zoals dat in het Verdrag en in Verordening (EG) nr. 1467/1997 is omschreven, al dan niet was nageleefd. De Commissie zal de naleving opnieuw beoordelen op basis van de gegevens achteraf voor 2018, die in het voorjaar van 2019 moeten worden meegedeeld.

(8)In het stabiliteitsprogramma 2018 wordt aangegeven dat de gevolgen voor de begroting van de veiligheidsgerelateerde maatregelen in 2017 aanzienlijk zijn en er wordt afdoende bewijs geleverd voor de omvang en de aard van die extra kosten voor de begroting. Volgens de Commissie bedroegen de in aanmerking komende extra uitgaven in 2017 0,04 % van het bbp voor veiligheidsgerelateerde maatregelen. Op grond van de bepalingen van artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1466/97 kunnen deze extra uitgaven worden toegestaan, voor zover de ernst van de terreurdreiging een buitengewone gebeurtenis is, de gevolgen ervan voor de overheidsfinanciën van België aanzienlijk zijn en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën niet in gevaar zou worden gebracht wanneer een tijdelijke afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn wordt toegestaan. Daarom is de vereiste aanpassing in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn voor 2017 naar beneden bijgesteld om rekening te houden met deze extra kosten.

(9)Op 11 juli 2017 heeft de Raad België aanbevolen ervoor te zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven 8 in 2018 niet hoger ligt dan 1,6 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Tegelijk werd aangegeven dat de beoordeling van het ontwerpbegrotingsplan 2018 en de daaropvolgende beoordeling van de begrotingsresultaten 2018 terdege rekening zullen moeten houden met de doelstelling om een begrotingskoers te bereiken die bijdraagt aan zowel het versterken van het voortgaande herstel als aan het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Na de beoordeling door de Commissie van de kracht van het herstel in België en met inachtneming van de uitdagingen op het gebied van de houdbaarheid, die zij in het kader van haar advies over het ontwerpbegrotingsplan van België heeft verricht, hoeven in dat verband geen extra elementen in aanmerking te worden genomen. Op basis van de voorjaarsprognoses 2018 van de Commissie bestaat het risico op een significante afwijking van het aanbevolen aanpassingstraject in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn in 2018 en over 2017 en 2018 samen.

(10)Voor 2019 zou, aangezien de overheidsschuldquote van België meer dan 60 % van het bbp bedraagt en de verwachte output gap 0,4 %, de nominale groei van de netto primaire overheidsuitgaven op niet meer dan 1,8 % mogen uitkomen, in overeenstemming met de structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp die resulteert uit de matrix van vereisten in het kader van het stabiliteits- en groeipact. Bij ongewijzigd beleid bestaat het risico dat in 2019 en over 2018 en 2019 samen significant zal worden afgeweken van die voorwaarde. België zal volgens de voorlopige prognoses in 2018 en 2019 niet aan de schuldregel voldoen. Over het geheel genomen is de Raad van oordeel dat vanaf 2018 de nodige maatregelen moeten worden genomen om te voldoen aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact. Het zou voorzichtig zijn meevallers aan te wenden om de overheidsschuldquote verder terug te dringen.

(11)De houdbaarheid van de overheidsfinanciën blijft een uitdaging. De in 2015 doorgevoerde pensioenhervormingen waren een belangrijke stap om de risico's van de vergrijzing op lange termijn aan te pakken, maar uit het Vergrijzingsverslag 2018 blijkt dat de leeftijdsgerelateerde langetermijnuitgaven voor zowel pensioenen als langdurige zorg sterker zijn gestegen dan eerder werd verwacht. Verwacht wordt dat de pensioenuitgaven in 2070 met 2,9 ppt van het bbp zullen stijgen, tegen een stijging van 1,3 ppt in de vorige actualisering en een daling van gemiddeld 0,1 ppt van het bbp voor de eurozone. In dit verband zou de volledige implementatie van de routekaart voor hervormingen van de regering kunnen helpen om die risico's aan te pakken. Bovendien zullen de uitgaven voor langdurige zorg naar verwachting stijgen van een reeds boven het EU-gemiddelde liggend niveau van 2,3 % van het bbp tot 4,0 % van het bbp in 2070. De vermindering van de versnippering in het organisatorische landschap van de langdurige zorg als gevolg van de verdeling van de bevoegdheden over de verschillende administratieve niveaus kan de doelmatigheid van de uitgaven op dit gebied vergroten.

(12)Een doeltreffende begrotingscoördinatie is essentieel in een federale lidstaat als België, waar een groot deel van het bestedingsvermogen aan de subnationale overheden is overgedragen. Om de interne coördinatie te verbeteren en de begrotingscomponent van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie (het „begrotingspact”) om te zetten, hebben de federale regering en de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten in 2013 een samenwerkingsakkoord gesloten, met het oogmerk gezamenlijke en individuele meerjarige begrotingspaden vast te stellen, waarop toezicht moet worden gehouden door de Hoge Raad van Financiën. Er is een overeenkomst bereikt over de individuele begrotingsdoelstellingen die tegen 2020 moeten worden bereikt, wat een positieve stap is. Er is echter nog altijd geen formele overeenkomst over jaarlijkse begrotingsdoelstellingen op alle overheidsniveaus. Er is vooruitgang geboekt met het invoeren van voldoende waarborgen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de Hoge Raad van Financiën.

(13)In de begrotingsconsolidatie zou meer kunnen worden ingezet op uitgavenbeheersing. De totale overheidsuitgaven als percentage van het bbp liggen boven het gemiddelde van de eurozone. Ondanks het potentieel van openbare investeringen om groei op de lange termijn aan te zwengelen, staan ze op een laag niveau volgens Europese normen, vooral in verhouding tot de totale overheidsuitgaven. Niet alleen is de openbare kapitaalvoorraad laag, ook de kwaliteit van de openbare infrastructuur is achteruitgegaan. Uitgaventoetsing kan bijdragen tot een slimmere toewijzing van de uitgaven en een groeivriendelijke consolidatie ondersteunen. Alleen Vlaanderen is van plan om in zijn begrotingsproces op gewestelijk niveau een uitgaventoetsing in te voeren. Bovendien is momenteel geen enkel bestuursniveau in België gebonden aan nationale regelgeving op het gebied van uitgaven, met uitzondering van een plafond voor de uitgaven voor gezondheidszorg. Dit staat in schril contrast met de toenemende toepassing van dergelijke regels in de EU en verhindert een op de uitgaven gebaseerde begrotingsconsolidatie. Bovendien worden bijdragen aan het Belgische depositogarantiestelsel niet geïnvesteerd in een afzonderlijke portefeuille van activa met een laag risico.

(14)Bij de verdeling van schulden en activa over Belgische huishoudens zijn er een aantal zwakke punten, ondanks de over het algemeen gunstige vermogenspositie van huishoudens. Lange tijd zijn de prijzen van huizen sneller gestegen dan het besteedbaar inkomen van huishoudens, die hun financiële situatie hebben zien verslechteren door de vrijwel mechanische toename van hun schulden. Hoewel maatregelen zijn genomen om een toename van macroprudentieel risico op te vangen, kunnen risico’s voor de financiële stabiliteit door het ingewikkelde nationale macroprudentiële besluitvormingsproces onderbelicht blijven. Momenteel lijken de huizenprijzen lichtjes overgewaardeerd.

(15)Zoals in de aanbeveling voor de eurozone 2018 is aangegeven, is de strijd tegen agressieve fiscale planningsstrategieën van essentieel belang om concurrentieverstoringen tussen ondernemingen te voorkomen, voor een eerlijke behandeling van de belastingbetalers te zorgen en de overheidsfinanciën te vrijwaren. De overloopeffecten van agressieve fiscale planningsstrategieën van belastingbetalers tussen de lidstaten vereisen een gecoördineerd optreden van het nationale beleid ter aanvulling van de EU-wetgeving. De vroegere regeling inzake notionele intrestaftrek die gebaseerd was op de eigenvermogenspositie is vervangen door een incrementeel systeem. Het nieuwe systeem, dat dezelfde incrementele basis heeft als de aftrek voor groei en investeringen die in verband met de gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting wordt voorgesteld, zal worden beperkt tot het incrementeel eigen vermogen berekend op basis van een 5-jaarsgemiddelde. Met deze wijziging wordt beoogd bij te dragen tot de begrotingsneutraliteit van de hervorming van de vennootschapsbelasting en tegelijkertijd het potentiële gebruik van het systeem bij agressieve fiscale planning aan te pakken en het probleem van de ongelijke behandeling van vreemd en eigen vermogen te verminderen. Het ontbreken van bepaalde specifieke antimisbruikregels was een reden tot bezorgdheid, maar nu wordt een antimisbruikkader voorbereid. Dit is een positieve stap. Het zal van nabij worden gevolgd om te garanderen dat de nieuwe regels alle relevante vormen van misbruik aanpakken. De Commissie zal op basis van recente uitwisselingen haar constructieve dialoog voortzetten om agressieve planningsstrategieën van belastingbetalers te bestrijden.

(16)De recente economische groei heeft veel banen opgeleverd. De werkgelegenheidsgroei was robuust in 2017 en het werkloosheidspercentage ligt nu dicht bij het niveau van voor de crisis. Wat de arbeidsparticipatie van de bevolking tussen 20 en 64 jaar betreft (68,1 % in 2017), ligt België echter niet op schema om zijn Europa 2020-doelstelling van 73,2 % te halen. Er is beperkte vooruitgang geboekt wat betreft de arbeidsparticipatie van kansarme groepen, aangezien inactiviteit en werkloosheid grotendeels geconcentreerd zijn onder laaggeschoolden, mensen met een migrantenachtergrond en oudere werknemers, hetgeen erop wijst dat zowel structurele als groepsspecifieke factoren de integratie op de arbeidsmarkt belemmeren. Met name mensen met een migrantenachtergrond, die een groot deel van de bevolking in de werkende leeftijd uitmaken, hebben nog steeds te kampen met ongunstige arbeidsmarktresultaten en vertegenwoordigen zo een significant onaangeboord arbeidsmarktpotentieel. In 2016 bedroeg de arbeidsparticipatie van niet in de EU geboren personen 49,1 %, wat meer dan 20 ppt lager is dan die van in België geboren personen (de kloof was nog groter bij vrouwen). Er zijn aanwijzingen dat activeringsmaatregelen niet voor alle bevolkingsgroepen even doeltreffend zijn. Hoewel er een aantal maatregelen is genomen om nieuwkomers te helpen integreren en discriminatie aan te pakken, is er nog steeds een gebrek aan coördinatie tussen beleidsgebieden en politieke niveaus om de uitdaging aan te gaan van de integratie van mensen met een migrantenachtergrond in de arbeidsmarkt. Er bestaan nog steeds grote regionale verschillen in arbeidsmarktprestaties.

(17)Ondanks de inspanningen om de belastingwig op arbeid te verkleinen, zijn de negatieve prikkels om te werken nog steeds hoog voor sommige groepen, zoals eenpersoonshuishoudingen die het gemiddelde loon verdienen en tweede verdieners. Ondanks eerdere maatregelen bleef de belastingwig voor een eenpersoonshuishouding met een gemiddeld loon in 2016 tot de hoogste in de EU behoren. De werkloosheidsval voor de lage inkomens (67 % van het gemiddelde loon voor één enkel huishouden) is ook een van de hoogste in de EU. Er blijven hoge fiscale negatieve prikkels voor tweede verdieners - voornamelijk vrouwen - bestaan.

(18)Het vacaturepercentage is een van de hoogste in de EU, hetgeen wijst op grote mismatches in vaardigheden in verband met onder meer de geringe mobiliteit en de ontoereikende talenkennis in het Brussels Gewest. Deelname aan een leven lang leren is laag. Om mensen in staat te stellen de overstap naar een andere baan te maken, is het van belang dat zowel werkgevers als werknemers meer inzetten op een leven lang leren.

(19)Er is enige vooruitgang bereikt op het gebied van gelijke kansen op deelname aan onderwijs en beroepsopleiding van goede kwaliteit, nu de gemeenschappen onderwijshervormingen infaseren. Ondanks goede gemiddelde prestaties in vergelijking met de rest van de wereld, blijven de onderwijsverschillen echter al geruime tijd hoog. De onderwijsresultaten van 15-jarige leerlingen vertonen aanzienlijke verschillen in verband met de sociaaleconomische achtergrond en de migrantenstatus. De prestatieverschillen tussen gemeenschappen en de ondervertegenwoordiging van kansarme groepen onder de beste presteerders op het gebied van wetenschap, lezen en wiskunde geven aanleiding tot bezorgdheid. Grote prestatiegaps tussen scholen gaan hand in hand met ongelijke onderwijskansen. Hoewel het percentage afgestudeerden in het tertiair onderwijs hoog is, is er sprake van ongelijke toegang tot kwaliteitsonderwijs, een tekort aan vaardigheden en regionale verschillen. Het aandeel afgestudeerden in wetenschap, technologie en wiskunde behoort tot het laagste in de EU en tekorten op deze gebieden kunnen een ernstige belemmering vormen voor groei en innovatie. Het tekort aan leerkrachten geeft aanleiding tot bezorgdheid, maar de hervormingen van leerkrachten vorderen traag. De bij- en nascholing van leerkrachten moet worden aangepast. Zowel de Vlaamse als de Franse Gemeenschap hebben belangrijke hervormingen van hun onderwijsstelsels aangevat. De uitvoering ervan is gepland voor het volgende decennium en de jaren daarna. Eind 2017 is echter besloten om de inwerkingtreding van de belangrijkste maatregelen uit te stellen. De impact van de hervormingen en maatregelen zullen in hoge mate afhangen van de effectieve implementatie en monitoring ervan.

(20)Er zijn slechts beperkte hervormingen doorgevoerd om het restrictieve regelgevingskader in de dienstensector aan te pakken. Vlaanderen heeft de vestigingswet afgeschaft voor een geselecteerd aantal ambachtelijke beroepen. Toch blijven bepaalde professionele diensten in hoge mate gereguleerd. Als gevolg daarvan wordt de concurrentie in deze sectoren getemperd, die gekenmerkt wordt door een laag percentage starters. In de bouwsector worden horizontale vergunningsregelingen voor toegang tot de bouwmarkt opgelegd en blijven bouwvergunningen complex, ondanks de maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen. De percentages van marktverlaters/markttoetreders (churn) in de Belgische bouwsector zijn aanzienlijk lager dan het EU-gemiddelde, hetgeen erop kan wijzen dat de sector te kampen heeft met gebrekkige concurrentie. Dit heeft ook gevolgen voor de oplevering van belangrijke infrastructuurprojecten. Er zijn ook belangrijke restricties op het gebied van diensten voor spoor- en wegvervoer. De lage productiviteitsgroei van de Belgische economie wordt grotendeels aangejaagd door lage productiviteitsgroei in de dienstensector. Regelgevingrestricties hebben ook negatieve overloopeffecten op gebruikers van deze diensten, met name de secundaire sector. Diepgaandere structurele hervormingen van de sleuteldienstensectoren zouden ertoe bijdragen de productiviteitsgroei op te voeren, die van essentieel belang is voor de toekomstige groei en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.

(21)Er is ook beperkte vooruitgang geboekt met de verbetering van de werking van de detailhandel. Ondanks recente hervormingen wegen regelgevende beperkingen nog steeds op de prestaties van de sector en ontmoedigen zij investeringen. Voor tal van productcategorieën blijven de prijzen nog steeds hoger dan in de omringende landen. Er zijn meer inspanningen nodig om het ondernemingsklimaat concurrentie- en investeringvriendelijk te maken, zodat consumenten uit een ruimer assortiment producten kunnen kiezen en van lagere prijzen kunnen profiteren. In april heeft de Commissie beste praktijken voorgesteld als richtsnoer voor de hervormingen van de detailhandel in de lidstaten 9 .

(22)De prestaties op het gebied van ondernemerschap in België blijven laag, ondanks enkele hervormingen in de afgelopen jaren en recente maatregelen waarvan het effect nog moet worden beoordeeld. De bedrijfsdynamiek is laag, aangezien het bedrijfscreatiepercentage tot de laagste in Europa blijft behoren, veel lager dan het EU-gemiddelde, en vergezeld gaat van een laag bedrijfsvernietigingspercentage. Bovendien blijft de administratieve last voor bedrijven zwaar, en wordt deze gekenmerkt door complexe procedures en een lage mate van regelgevingszekerheid.

(23)België presteert gemiddeld in digitale overheidsdiensten. In tegenstelling tot zijn goede algemene positie op het gebied van de ontwikkeling van zijn digitale economie, neemt het slechts een gemiddelde plaats in binnen de digitale openbare diensten. De federale structuur van België stelt specifieke uitdagingen om coherente e-overheidsdiensten over het hele land aan te bieden. Uiteenlopende en niet noodzakelijk interoperabele systemen geven aanleiding tot wrijvingsverliezen. Er blijft ernstige bezorgdheid bestaan over justitie, met name met betrekking tot vertragingen in de werkzaamheden, digitalisering en de betrouwbaarheid, vergelijkbaarheid en eenvormigheid van de justitiële gegevens. De uitrol van initiatieven om bepaalde gerechtelijke diensten te digitaliseren voor alle rechterlijke instanties, zoals de e-box of de e-deposit, is achter op schema. Zolang dit eenvormige coderingssysteem niet in alle rechtbanken wordt toegepast, zullen de gegevens over de efficiëntie van gerechtelijke procedures echter weinig betrouwbaar en moeilijk vergelijkbaar blijven.

(24)Ondanks recente hervormingen blijft het Belgische belastingstelsel complex. De hervorming van de vennootschapsbelasting zal leiden tot lagere wettelijke tarieven en ertoe bijdragen het stelsel te vereenvoudigen. Toch blijven vele vrijstellingen en verstorende prikkels bestaan, zoals blijkt uit het stijgend aantal belastingkortingen. Er kan meer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om belastingen op meer groeivriendelijke grondslagen te baseren. Inkomsten uit milieugerelateerde belastingen behoren nog steeds tot de laagste in de EU. Er is immers een aanzienlijk potentieel voor een echte "groene" belastingverschuiving die onder meer betrekking heeft op de gunstige behandeling van bedrijfswagens, die bijdragen tot luchtverontreiniging, congestie en broeikasgasemissies.

(25)Er is beperkte vooruitgang geboekt bij de aanpak van verkeerscongestie. Onvoldoende openbare investeringen in infrastructuur, verstorende fiscale prikkels en het gebrek aan concurrentie bij vervoersdiensten bemoeilijken de mobiliteit, veroorzaken zware verkeerscongestie en fnuiken de groei van de productiviteit. De verkeerscongestie neemt van jaar tot jaar toe, waardoor buitenlandse investeringen worden ontmoedigd en hoge sociale, economische en milieukosten ontstaan. De meest urgente uitdagingen zijn de voltooiing en modernisering van de spoor- en wegvervoerinfrastructuur, met name rond en binnen Antwerpen en Brussel. Er zijn ook substantiële restricties op het gebied van diensten voor spoor- en wegvervoer. De autoriteiten kunnen een efficiënter gebruik van de bestaande infrastructuur en een modal shift van individueel vervoer naar meer collectieve alternatieven met weinig uitstoot aanmoedigen.

(26)In de context van het Europees Semester 2018 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van België verricht; deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2018. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2018 als het nationale hervormingsprogramma 2018 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot België zijn gericht. Daarbij heeft zij niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaaleconomisch beleid in België, maar is zij ook nagegaan of de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(27)In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2018 onderzocht en zijn advies daarover 10 is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven.

BEVEELT AAN dat België in 2018 en 2019 de volgende actie onderneemt:

1.Ervoor zorgen dat het nominale groeipercentage van de netto primaire overheidsuitgaven in 2019 niet hoger ligt dan 1,8 %, hetgeen neerkomt op een jaarlijkse structurele aanpassing van 0,6 % van het bbp. Meevallers gebruiken om de vermindering van de overheidsschuldquote te versnellen. De beoogde pensioenhervormingen voortzetten en de voorspelde stijging van de uitgaven voor langdurige zorg beheersen. De volledige implementatie van het samenwerkingsakkoord van 2013 tot coördinatie van het begrotingsbeleid van alle overheidsniveaus voortzetten. De efficiëntie en samenstelling van de overheidsuitgaven op alle overheidsniveaus verbeteren om ruimte te creëren voor openbare investeringen, met name door uitgaventoetsingen uit te voeren.

2.De hindernissen om te werken wegnemen en de doeltreffendheid van een actief arbeidsmarktbeleid versterken, met name voor laagopgeleiden, mensen met een migrantenachtergrond en oudere werknemers. De hervormingen op het gebied van onderwijs en opleiding voortzetten, onder meer door kansengelijkheid te bevorderen en het percentage afgestudeerden in de wetenschappen, technologie, ingenieurswetenschappen en wiskunde te verhogen.

3.De regelgevende en administratieve druk verminderen om ondernemerschap te stimuleren en de concurrentie in de dienstensector, met name de detailhandel, de bouw en de professionele diensten, te vergroten. De groeiende mobiliteitsuitdagingen aangaan, met name via investeringen in nieuwe of bestaande vervoersinfrastructuur en sterkere prikkels om gebruik te maken van collectief vervoer en vervoer met lage emissies.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.
(2)    COM(2018) 401 final.
(3)    P8_TA(2018)0077 en P8_TA(2018)0078.
(4)    SWD(2018) 200 final.
(5)    Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(6)    COM(2014) 494 final.
(7)    Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de gezamenlijk overeengekomen methode.
(8)    De netto primaire overheidsuitgaven bestaan uit de totale overheidsuitgaven exclusief rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma's van de Unie die volledig met inkomsten uit Uniefondsen worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen. Nationaal gefinancierde bruto-investeringen in vaste activa worden gespreid over een periode van vier jaar. Er wordt rekening gehouden met discretionaire inkomstenmaatregelen of bij wet verplicht gestelde inkomstenstijgingen. Eenmalige maatregelen aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde worden uitgevlakt.
(9)    COM(2018) 219 final.
(10)    Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad.