15.2.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 62/56


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over a) het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken

(COM(2018) 378 final — 2018/203 (COD))

en over b) het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (betekening en kennisgeving van stukken)

(COM(2018) 379 final — 2018/204 (COD))

(2019/C 62/09)

Rapporteur:

Bernardo HERNÁNDEZ BATALLER

Raadpleging

a)

Europees Parlement, 10.9.2018

b)

Europees Parlement, 10.9.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

2.10.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

17.10.2018

Zitting nr.

538

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

184/0/9

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) neemt kennis van de voorstellen van de Commissie tot wijziging van de verordening inzake de bewijsverkrijging en de verordening inzake de betekening en kennisgeving van stukken.

1.2.

Het EESC zou graag zien dat de Commissie de opmerkingen over haar voorstellen in dit advies ter harte neemt, en dan met name de opmerkingen in de paragrafen 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.9, 5.10, 6.3, 6.4. en 6.6, want zonder een echte justitiële ruimte kunnen de vrijheden van de interne markt niet ten volle worden benut.

2.   Achtergrond

2.1.

Met het doel om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie (EU) te creëren zijn in artikel 81 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de grondslagen vastgelegd voor de ontwikkeling van de zogenaamde „justitiële samenwerking in burgerlijke zaken” voor aangelegenheden met grensoverschrijdende gevolgen, door de EU bevoegdheden te geven die haar machtigen om maatregelen te nemen inzake de onderlinge aanpassing van de wet- en regelgeving van de lidstaten.

2.2.

Wanneer dit nodig is voor de goede werking van de interne markt, is als wettelijke bepaling vastgesteld om maatregelen te nemen om de wederzijdse erkenning — tussen de lidstaten — te waarborgen van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in buitengerechtelijke zaken, de tenuitvoerlegging daarvan en de samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen.

2.3.

Om de justitiële bijstand tussen de lidstaten te regelen heeft de EU de in de Verdragen van Den Haag genoemde systemen vervangen door de goedkeuring van de volgende rechtsinstrumenten:

2.3.1.

Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad (1) betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, goedgekeurd op initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland (hierna „verordening inzake de bewijsverkrijging” genoemd), van toepassing in alle lidstaten behalve Denemarken.

2.3.2.

Deze verordening voorziet voor de hele EU in een rechtstreeks en snel systeem voor het verzenden en uitvoeren van verzoeken voor het verkrijgen van bewijs tussen de gerechten, en bevat precieze voorschriften ten aanzien van de vorm en de inhoud van dergelijke verzoeken. Er is hiermee een systeem van rechtstreeks bilateraal contact tussen de gerechten in het leven geroepen dat het vorige vervangt, volgens hetwelk aanvragen werden verzonden van een gerecht van een lidstaat naar het centrale orgaan van de andere lidstaat.

2.3.3.

Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad (2) inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (hierna „verordening inzake de betekening en kennisgeving van stukken” genoemd), van toepassing in alle lidstaten (3).

2.3.4.

Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en in handelszaken, waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar. Deze verordening is echter niet van toepassing in fiscale, douane- en/of administratieve zaken of in het geval van aansprakelijkheid van de staat voor handelingen of omissies bij de uitoefening van het overheidsgezag (acta iure imperii).

2.4.

Het EESC is altijd voorstander geweest van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in de EU, die onder meer inhoudt dat er maatregelen worden genomen die op het gebied van justitiële samenwerking en burgerzaken nodig zijn zodat burgers en bedrijven niet vanwege de incompatibiliteit of complexiteit van de rechtsstelsels van de lidstaten worden belet of ontmoedigd om hun rechten uit te oefenen.

2.5.

Om de Europese justitiële ruimte tot stand te brengen is het in ieder geval absoluut noodzakelijk de samenwerking tussen de rechtbanken te verbeteren en derhalve de procedures voor het opheffen van storingen en vertragingen te vereenvoudigen en te versnellen.

3.   De voorstellen van de Commissie

3.1.

De voorstellen van de Commissie zijn bedoeld om de twee bestaande verordeningen betreffende de bewijsverkrijging en de betekening en kennisgeving van stukken te wijzigen.

3.2.   Het voorstel tot wijziging van de verordening inzake de bewijsverkrijging

3.2.1.

Met het voorstel wordt beoogd de werking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en de interne markt te verbeteren door de grensoverschrijdende bewijsverkrijging te verbeteren en te versnellen.

3.2.2.

Het voorstel heeft tot doel de verordening aan te passen aan technische ontwikkelingen door de voordelen van digitalisering te benutten, door te verplichten dat de communicatie en uitwisseling van documenten standaard middels elektronische hulpmiddelen tot stand worden gebracht en met respect voor gegevensbescherming en privacy, zonder dat dit ten nadele gaat van de procedurele rechten van de partijen. Met het oog hierop moet het systeem een gedecentraliseerde structuur bevatten die rechtstreekse communicatie tussen de eindpunten mogelijk maakt.

3.2.3.

In het voorstel wordt het gebruik van moderne middelen van bewijsverkrijging bevorderd, zoals videoconferenties ingeval een persoon uit een andere lidstaat dient te worden verhoord. Het voorstel heeft tot doel ervoor te zorgen dat beter, frequenter en sneller een beroep wordt gedaan op de rechtstreekse bewijsverkrijging bij het verhoren van getuigen, partijen of deskundigen die in een andere lidstaat wonen.

3.2.4.

Het voorstel heeft tot doel juridische belemmeringen weg te nemen voor de aanvaarding van elektronisch (digitaal) bewijsmateriaal. Het voorziet in de wederzijdse erkenning van digitaal bewijs. Dit leidt tot een beperking van de lasten voor burgers en bedrijven in geval van procedures, en van het aantal gevallen waarin elektronisch bewijsmateriaal wordt afgewezen.

3.2.5.

Met het voorstel wordt beoogd de uiteenlopende interpretaties aan te pakken van het begrip „gerecht”, dat momenteel niet is gedefinieerd in de verordening inzake de bewijsverkrijging. Zo wordt geprobeerd de onzekerheid in dit opzicht weg te nemen.

3.2.6.

Het voorstel is verenigbaar met bestaande instrumenten van de Unie op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, en vormt geen belemmering voor de uitwisseling van informatie die door de autoriteiten kan worden uitgevoerd op het gebied van erkenning en tenuitvoerlegging in huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid (4) noch op het gebied van onderhoudsverplichtingen (5), zelfs als dergelijke informatie bewijskracht heeft, zodat de verzoekende autoriteit vrij is om de meest geschikte methode te kiezen.

3.2.7.

In het voorstel wordt de mogelijkheid geregeld van bewijsverkrijging door diplomatieke of consulaire ambtenaren van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat en in het gebied waar zij hun functies uitoefenen zonder dat een voorafgaand verzoek aan het centrale orgaan of de bevoegde autoriteit van die lidstaat nodig is.

3.2.8.

Om de wederzijdse erkenning van digitaal bewijs te waarborgen, mag digitaal bewijs dat in een lidstaat is verkregen overeenkomstig het recht van die lidstaat zijn hoedanigheid van bewijs niet verliezen in andere lidstaten door het enkele feit dat het digitaal van aard is.

3.2.9.

Om de in de bijlagen opgenomen modelformulieren bij te werken of aan te passen is er in het voorstel in voorzien dat de bevoegdheden hiervoor overeenkomstig artikel 290 van het VWEU gedelegeerd worden aan de Commissie.

3.3.   De verordening inzake de betekening en kennisgeving van stukken

3.3.1.

De regels van de verordening zijn in hoofdzaak gericht op de vaststelling van uniforme kanalen voor de verzending van stukken van de ene naar de andere lidstaat met het oog op de betekening of kennisgeving daarvan in die andere lidstaat. De ervaring met de toepassing van de huidige verordening en de jurisprudentie die het Hof van Justitie van de Europese Unie (HJEU) hierover heeft uitgesproken, is zeer nuttig gebleken.

3.3.1.1.

Het toepassingsgebied is gewijzigd, hoewel de huidige formulering van de bepaling inzake buitengerechtelijke stukken ongewijzigd blijft. Anderzijds is de verordening met betrekking tot gerechtelijke stukken van toepassing in alle situaties waarin degene voor wie het stuk is bestemd in een andere lidstaat woonachtig is.

3.3.1.2.

Deze norm, op grond waarvan alle fasen van de betekening of kennisgeving van stukken dwingend binnen de werkingssfeer vallen wanneer degene voor wie het stuk is bestemd in een andere lidstaat woonachtig is, is alleen van toepassing op de betekening of kennisgeving van de stukken waarmee de procedure wordt ingeleid. Voor de gevallen van betekening of kennisgeving die zich vervolgens gedurende een gerechtelijke procedure voordoen, is extra bescherming minder relevant.

3.4.

De communicatie en uitwisseling van stukken tussen verzendende en ontvangende instanties moet elektronisch plaatsvinden, via een gedecentraliseerd IT-systeem, dat is samengesteld uit nationale IT-systemen die onderling zijn verbonden door een veilige en betrouwbare communicatie-infrastructuur, hoewel de mogelijkheid bestaat om alternatieve (traditionele) communicatiemethoden te gebruiken in geval van onvoorziene en uitzonderlijke verstoring van het IT-systeem.

3.5.

Bepaald wordt dat de lidstaten hulp moeten bieden bij het achterhalen van de verblijfplaats van een ontvanger in een andere lidstaat, waarvoor drie alternatieve opties worden voorgesteld:

het bieden van rechtshulp via door de lidstaten aangewezen autoriteiten;

het bieden van toegang tot bevolkingsregisters via het Europees e-justitieportaal;

het bieden van gedetailleerde informatie via het e-justitieportaal over de instrumenten die beschikbaar zijn om personen op het grondgebied van de betreffende lidstaat te lokaliseren.

3.6.

Buitenlandse partijen kunnen bij een procedure verplicht worden een vertegenwoordiger aan te wijzen voor betekening of kennisgeving aan hen van stukken in de lidstaat van de procedure.

3.7.

Er is een verbetering in de procedure inzake het recht van degene voor wie het stuk bestemd is om te weigeren dit in ontvangst te nemen wanneer het niet in een passende taal is gesteld of vertaald.

3.8.

In het voorstel worden de aanbieders van postdiensten verplicht om gebruik te maken van een specifiek retourdocument (ontvangstbevestiging) bij de betekening of kennisgeving per post krachtens de verordening. Er wordt tevens een minimumnorm ingevoerd wat betreft personen die geacht moeten worden om in aanmerking te komen als vervangende ontvangers wanneer de aanbieder van de postdienst het document niet persoonlijk kan overhandigen aan degene voor wie het is bestemd.

3.9.

Met het voorstel wordt de elektronische betekening of kennisgeving van stukken ingevoerd als een extra alternatieve wijze van betekening of kennisgeving krachtens de verordening.

3.10.

In geval van niet-verschenen verweerder worden twee belangrijke nieuwe maatregelen ingevoerd:

a)

De rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt wordt ertoe verplicht om een waarschuwing over de inleiding van de procedure of over het verstekvonnis te verzenden naar de beschikbare gebruikersaccount van de niet verschenen verweerder;

b)

Er wordt een gemeenschappelijke periode van twee jaar vastgesteld, te rekenen vanaf de dag waarop het verstekvonnis is uitgesproken, om een buitengewone nieuwe termijn voor te stellen voor het aanwenden van een rechtsmiddel in het kader van een betwisting van de erkenning en de tenuitvoerlegging van die beslissing in een andere lidstaat.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het EESC is ingenomen met de voorstellen van de Commissie tot wijziging van de verordening inzake de bewijsverkrijging en de verordening inzake de betekening en kennisgeving van stukken, omdat deze de justitiële integratie in de lidstaten vergemakkelijken door uniforme kanalen op hun respectieve toepassingsgebieden tot stand te brengen.

4.2.

Beide voorstellen dragen bij tot de verbetering van de justitiële samenwerking in de EU op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen (artikel 81 van het VWEU), ter versterking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (artikel 3, lid 2, en artikel 67 van het VWEU) en ter vaststelling van de interne markt (artikel 26 van het VWEU).

4.3.

Kortom, de goedkeuring en toepassing van het door de Commissie voorgestelde regelgevingskader moet objectief bijdragen aan het wegnemen van verschillende onzichtbare obstakels die rechtstreeks van invloed zijn op het leven van alle burgers — zowel onderdanen van de lidstaten als personen die in de EU verblijven — en het handelsverkeer van de bedrijven die actief zijn in de EU.

4.4.

Om toegang tot de rechter en een eerlijk proces te garanderen, is het essentieel dat de bepalingen van deze twee voorstellen worden toegepast in rechtszaken met grensoverschrijdende gevolgen en op passende wijze worden onderbouwd.

4.5.

De voorstellen zijn ook in overeenstemming met de strategie voor de digitale markt op het gebied van e-overheid, met name wat betreft de noodzaak om maatregelen te nemen om het overheidsapparaat te moderniseren en grensoverschrijdende interoperabiliteit te bereiken, hetgeen de interactie met de burgers bevordert.

4.6.

De initiatieven vergroten de rechtszekerheid en dragen aldus bij tot het voorkomen van vertragingen en onnodige kosten voor burgers, bedrijven en overheidsdiensten, en pakken tekortkomingen in de bescherming van de procedurele rechten van partijen aan, aangezien er wordt geprobeerd rechteloosheid te voorkomen volgens het zogenaamde „beginsel van procedurele gelijkheid”.

4.7.

Opgemerkt moet worden dat de bepaling over gedelegeerde handelingen om de bijlage bij de twee voorgestelde verordeningen bij te werken en aan te passen, niet strookt met het standpunt van het EESC (6) in dit verband, aangezien in het voorstel wordt voorzien in een delegatie van onbepaalde duur, ondanks het vereiste dat de uitoefening van de goedkeuring van gedelegeerde handelingen tijdig moet worden vastgesteld.

4.8.

Kortom, het EESC is van mening dat, zonder een echte justitiële ruimte, de vrijheden van de interne markt niet ten volle kunnen worden benut.

5.   Algemene opmerkingen over de verordening inzake de bewijsverkrijging

5.1.

De voorgestelde wijziging van de verordening inzake de bewijsverkrijging is bedoeld om aan de elektronische communicatie tussen de betrokken bevoegde organen de voorkeur te geven boven het gebruik van papier, dat duurder en tijdrovender is, en om videoconferenties te gebruiken om verklaringen af te leggen in een andere lidstaat, zonder dat dit ten nadele gaat van de procedurele rechten van de partijen.

5.2.

Hoewel dit voorstel een zorgvuldig en efficiënt gedrag van de betrokken rechtsinstanties en een strikte naleving van de beginselen van loyale samenwerking en wederzijdse erkenning veronderstelt — dit laatste uitdrukkelijk aangevoerd om te voorkomen dat digitaal bewijs wordt verworpen (vierde overweging en artikel 18 bis van het voorstel) — bevat het geen bepaling voor het geval dat het aangezochte gerecht zich weigerachtig opstelt wegens:

onnodige vertraging;

geen onderbouwing

onvoldoende onderbouwing.

In de praktijk betekenen deze gevallen dat men geen toegang kan krijgen tot een doeltreffende rechtsbescherming, en er moet dan ook voor worden gezorgd dat zij zich niet voordoen.

5.2.1.

Deze omstandigheid is relevant bij de huidige stand van het Europees recht, waarbij de loutere weigering van een rechtbank om een prejudicieel verzoek in te dienen bij het HvJ-EU over een kwestie waarvoor zij bevoegd is kan worden beschouwd als een ernstige schending door de staat van de verplichtingen die voortvloeien uit de EU-wetgeving (7).

5.2.2.

Er zijn talloze situaties waarin het aangezochte gerecht de rechten van justitiabelen ernstig kan schaden indien het niet zorgvuldig meewerkt, met name op het gebied van tussentijdse bescherming, door een voorbehoud te maken om redenen van nationale soevereiniteit, nationale veiligheid, openbare orde enz. (zie artikel 4, lid 2, VEU) of in het geval van afwijkingen die voortvloeien uit de verschillende procedurele praktijken in de lidstaten.

5.2.3.

Deze laatste situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij de pre-trial discovery, aangezien artikel 23 van het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken, de staten die partij zijn toestaat een voorbehoud van soevereiniteit in te voeren om rogatoire commissies af te wijzen die zijn ontstaan in de voorbereidende fase van het proces (na het indienen van het geding maar vóór aanvang van het proces).

5.2.4.

Hoewel in de huidige Verordening (EG) nr. 1206/2001 deze kwestie niet uitdrukkelijk wordt behandeld, wordt deze buiten het toepassingsgebied gehouden, zoals blijkt uit verklaring 54/01 van de Raad van 4 juli 2001 (doc. 10571/01, blz. 1).

5.2.5.

Soms kan onnodig uitstel te wijten zijn aan onvoldoende technische kwalificatie van de tenuitvoerleggende instanties of aan een storing in de technologische infrastructuur. Om deze situaties zo veel mogelijk te voorkomen en uit te bannen, moet het voorstel een soort bepaling bevatten die de lidstaten ertoe verplicht de digitale actualisering van hun rechterlijke instanties en de toereikendheid van de technologische infrastructuur te waarborgen.

5.3.

Bovendien moeten bepaalde bepalingen van het voorstel worden gespecificeerd. In artikel 1, lid 4, wordt bijvoorbeeld een „rechterlijke instantie” bijvoorbeeld restrictief gedefinieerd als „elke gerechtelijke autoriteit in een lidstaat […] die bevoegd is om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten overeenkomstig deze verordening”.

5.3.1.

Hoewel deze definitie ook openbare ambtenaren kan omvatten (bijvoorbeeld notarissen), zijn arbitrale instanties van particuliere aard uitgesloten, ongeacht of het gaat om investeringsarbitrage, commerciële arbitrage, arbitrage in consumentenzaken of om het even welke arbitrage-instantie die een andere zaak oplost.

5.3.2.

Het grote belang van arbitrage-instanties in het handels- en economische verkeer van de lidstaten en van derde landen wordt zo dus miskend.

5.3.3.

Wat dit laatste betreft kunnen situaties van aanhangigheid ontstaan, of problemen met betrekking tot de uitvoering van besluiten door de tenuitvoerleggende instanties van de lidstaten (bijvoorbeeld een anti-suit injunction) die rechtsonzekerheid zouden kunnen veroorzaken.

5.3.4.

Deze beperkende definitie van „rechterlijke instantie” is zonder twijfel in overeenstemming met de jurisprudentie van het HJEU, die arbitrage-instanties van particuliere aard de status van „rechterlijke instantie” gewoonlijk ontzegt (8).

5.3.5.

Naar de mening van het EESC zou het automatisch toepassen van de jurisprudentie van het HJEU op het betreffende terrein kunnen leiden tot gebrek aan erkenning van de beslissingen van arbitragetribunalen of weigering tot medewerking van het aangezochte gerecht, wat er in sommige gevallen toe zou kunnen leiden dat de belanghebbende partijen weerloos zijn.

5.3.6.

Arbitragebedingen tussen de investeerder en de staat waarnaar in de bilaterale investeringsverdragen wordt verwezen, moeten echter van deze beoordeling worden uitgesloten, omdat ze onverenigbaar zijn met de EU-wetgeving en geen rechtsgevolgen hebben voor zover ze illegaal zijn omdat ze overlappen met de regels van de interne markt en discrimineren tussen investeerders in de EU, overeenkomstig de jurisprudentie van het HJEU in het „Achmea”-arrest (9).

5.4.

In artikel 17 ter wordt erkend dat de diplomatieke of consulaire ambtenaren van een lidstaat de mogelijkheid hebben om zonder voorafgaand verzoek getuigenissen af te nemen op het grondgebied van een andere lidstaat waar zij zijn erkend. Deze bevoegdheid is beperkt tot vrijwillige getuigenissen of ondervragingen van onderdanen van de lidstaat die zij vertegenwoordigen in het kader van een rechtszaak waarvan een rechterlijke instantie van die lidstaat bevoegd is.

5.5.

Het zou van belang zijn dat de taken voor rechtshulp van deze ambtenaren, die in het voorstel zijn voorzien, kunnen worden uitgebreid om ze aan te passen aan de huidige realiteit van de EU, met name in het kader van het vrije verkeer en verblijf van onderdanen van de lidstaten en van de vrijheid van vestiging van hun ondernemingen. Bijgevolg zou de handeling van gerechtelijke stappen door deze functionarissen kunnen worden uitgebreid tot buitenlanders zonder hiervoor de voorafgaande toestemming te hoeven vragen, of tot de onderdanen zelf van de ontvangende staat, indien toegestaan door die staat.

5.6.

Het EESC is het ermee eens dat het noodzakelijk is de verplichting vast te stellen om de verzendende lidstaat bij te staan bij het zoeken naar de verblijfplaats van de persoon aan wie het gerechtelijke of buitengerechtelijke document in een andere ontvangende lidstaat moet worden bekendgemaakt of overgedragen wanneer de verblijfplaats onbekend is.

5.7.

Anderzijds is er, in de context van het onderhavige voorstel, de EU-agenda voor justitie voor 2020, waarmee wordt beoogd de grondrechten te versterken, inclusief procedurele rechten in burgerlijke zaken.

5.8.

In dit verband wordt bij de digitaliseringsmaatregelen van het voorstel rekening gehouden met de gegevensbeschermings- en privacyvereisten in het systeem voor elektronische uitwisselingen tussen de betrokken rechterlijke instanties, zoals de vaststelling van een vooraf gedefinieerde reeks gebruikers van het systeem (alleen de rechterlijke instanties en de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten).

5.9.

Hoewel echter wordt verwacht dat er in de toekomst meer aanvallen zullen plaatsvinden op deze elektronische infrastructuren — een risico dat kan toenemen door de koppeling van de computersystemen in kwestie — wordt niet bepaald hoe de toerekening van aansprakelijkheid zou worden opgelost als cyberaanvallen, of storingen en crashes van het computersysteem, erin slagen om gevoelige informatie te verspreiden of zelfs bewijsmateriaal van een proces te vernietigen.

5.10.

Bijgevolg kunnen de rechten van justitiabelen ernstig worden geschonden zonder dat er een voorzienbare manier is om de aansprakelijkheid te eisen van degenen die verantwoordelijk zijn; het kan zelfs gebeuren dat de justitiabelen hier zelf voor moeten opdraaien indien de verantwoordelijken zich beroepen op overmacht.

6.   Algemene opmerkingen over het voorstel voor de verordening inzake de betekening en kennisgeving van stukken

6.1.

Het EESC is van mening dat het voorstel voor de verordening inzake de betekening en kennisgeving van stukken de justitiële processen zal verbeteren en bespoedigen, aangezien het de samenwerkingsmechanismen voor de betekening en de kennisgeving van stukken zal vereenvoudigen en versoepelen. Dit zal de rechtsbedeling in grensoverschrijdende aangelegenheden verbeteren, de procedurele rechten van de burger versterken en het wederzijds vertrouwen van de EU-lidstaten in elkaars rechtsstelsels vergroten.

6.2.

Met dit voorstel wordt getracht de problemen van traagheid en veelvuldige schending van de vastgestelde termijnen weg te werken — situaties die zich voordoen omdat de stukken door de bevoegde instanties worden overgedragen — door als verplichting in te voeren dat stukken elektronisch worden overgedragen. Het versterkt ook de rechten van verdediging van de ontvanger door middel van verschillende specifieke maatregelen van de bevoegde organen wanneer er geen zekerheid is als gevolg van de niet-aanvaarding van een stuk of in het geval van vonnissen die bij verstek zijn uitgesproken.

6.3.

Vermeldenswaard is ook het brede scala aan subjectieve en materiële toepassingen van dit voorstel, aangezien het alle personen omvat, zowel natuurlijke als rechtspersonen, met inbegrip van alle handelaars, dat wil zeggen ook micro-ondernemingen, en alleen de uitzonderingen worden erkend die uitdrukkelijk zijn vastgesteld (artikel 1, paragrafen 1 en 3).

Uit alle talenversies moet duidelijk blijken dat het voorstel voor een verordening niet alleen betrekking heeft op het document dat de procedure inleidt, maar op alle gerechtelijke documenten in de procedure.

6.4.

Het EESC stemt in met de garanties en waarborgen die zijn vastgesteld om door te gaan met de „weigering van ontvangst van een stuk” door de ontvanger en de verplichting van de ontvangende instantie om erover te informeren. Om de rechten van de partijen bij het proces in evenwicht te brengen, is het echter noodzakelijk dat de gedaagde volledige kennis heeft van het stuk dat aanleiding geeft tot het proces. Het lijkt daarom relevant dat het taalgebruik een taal omvat die door de geadresseerde wordt begrepen of een van de officiële talen van de plaats van kennisgeving of betekening.

6.5.

De verschaffing van aanvullende middelen voor betekening of kennisgeving van stukken die via de post zijn voorzien, de kennisgeving rechtstreeks door middel van gerechtsdeurwaarders, functionarissen of andere bevoegde personen van de aangezochte lidstaat, en de elektronische betekening of kennisgeving, lijkt adequaat.

6.6.

In elk geval is het belangrijk om de integriteit en het doel van het document te beschermen en waarborgen, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk.

Brussel, 17 oktober 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1393/2007 van 13 november 2007 tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79).

(3)  In het kader van de zogenaamde „parallelle overeenkomst” met Denemarken (PB L 300 van 17.11.2005, blz. 55). Van hun kant hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland, in overeenstemming met artikel 3 van protocol nr. 21 van het Verdrag, vooraf kennis gegeven van de wens om deel te nemen aan de goedkeuring en toepassing van beide verordeningen.

(4)  Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 (PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1).

(6)  PB C 288 van 31.8.2017, blz. 29; PB C 345 van 13.10.2017, blz. 67.

(7)  Zie de conclusie van advocaat-generaal Wathelet in zaak C-416/17, Europese Commissie tegen Franse Republiek, punten 95-103.

(8)  Bijvoorbeeld in de volgende zaken: zaak Nordsee 102/81(1982), paragrafen 10-13; zaak Eco Swiss C-126/97(1999), paragraaf 34; zaak Denuit en Cordier C-125/04(2005), paragraaf 13; zaak Gazprom C-536/13(2015), paragraaf 36; zaak Achmea C-284/16(2018), paragrafen 45-49 enz.

(9)  „Achmea”-arrest, zaak C-284/16, van 6 maart 2018 (ECLI:EU:C:2018:158).