|
22.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 110/82 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)
(COM(2018) 380 final)
(2019/C 110/16)
|
Rapporteur: |
Vladimír NOVOTNÝ |
|
Corapporteur: |
Pierre GENDRE |
|
Raadpleging |
Europees Parlement, 11.6.2018 Raad, 22.6.2018 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikelen 175, lid 3, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegde afdeling |
Adviescommissie Industriële Reconversie (CCMI) |
|
Goedkeuring door de CCMI |
22.11.2018 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
12.12.2018 |
|
Zitting nr. |
539 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
201/1/3 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het EESC is ingenomen met het Commissievoorstel, waarmee de voortzetting van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) na 31 december 2020 mogelijk wordt gemaakt. Het beveelt aan dat de werkingssfeer van het EFG, die al eerder was uitgebreid zodat niet alleen de ontslagen die voortvloeien uit een ernstige economische ontwrichting eronder vallen, maar ook de ontslagen die voortvloeien uit een eventuele nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis, voortaan ook rekening houdt met de ingrijpende veranderingen op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld als gevolg van de digitalisering, kunstmatige intelligentie, de overgang naar een koolstofvrije economie en de mogelijke gevolgen van een krimp van de wereldhandel. Zo moet het EFG uitgroeien tot een permanent instrument om de negatieve gevolgen van de uitdagingen van de 21e eeuw op de arbeidsmarkt te temperen. |
|
1.2. |
Aangezien er enige verwarring bestaat over de rollen van de verschillende Europese fondsen, beveelt het Comité aan dat alle betrokken partijen duidelijke en eenvoudige informatie krijgen over de reikwijdte van de steunverlening van ieder fonds en waar de fondsen elkaar eventueel kunnen aanvullen. Het EESC herinnert eraan dat het EFG niet is bedoeld om nationale wettelijke bepalingen of collectieve overeenkomsten te vervangen, maar deze waar nodig wel kan aanvullen. |
|
1.3. |
Het EESC roept de regeringen van de lidstaten op om in samenwerking met de Commissie nationale mechanismen in het leven te roepen om de capaciteit van de administratieve structuren te versterken, zodat het voor kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker wordt aanvragen voor EFG-steun voor te bereiden, en de verlening van bijstand aan werknemers die hun baan zijn kwijtgeraakt, wordt gestroomlijnd. |
|
1.4. |
Het EESC dringt er nogmaals op aan dat de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties vanaf het begin van de aanvraagprocedure en tijdens alle fasen van de behandeling van EFG-steunaanvragen worden betrokken bij de aanvraagprocedure, zowel op bedrijfsniveau als op regionaal, nationaal en EU-niveau. |
|
1.5. |
Het EESC steunt het voorstel van de Commissie om ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, ongeacht de aard van hun arbeidsovereenkomst of -verhouding, op voet van gelijkheid toegang te geven tot het EFG. |
|
1.6. |
Het EESC verzoekt de lidstaten en de bij het EFG-besluitvormingsproces betrokken EU-instellingen alles in het werk te stellen om de voor de behandeling benodigde tijd te verkorten en de procedures te vereenvoudigen zodat de besluiten betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG probleemloos en snel kunnen worden goedgekeurd. |
|
1.7. |
Het EESC roept de lidstaten op bijzondere aandacht te besteden aan kansarme categorieën, onder wie jongere en oudere werklozen en mensen die risico lopen op armoede, aangezien deze groepen tegen specifieke problemen aanlopen wanneer zij weer een vaste baan trachten te vinden. |
|
1.8. |
Het EESC hamert erop dat de steun in het belang van de begunstigden zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld. |
2. Wat aan het advies is voorafgegaan, met inbegrip van het wetgevingsvoorstel in kwestie
2.1. Oorsprong en ontwikkeling van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering
|
2.1.1. |
Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) werd ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad (1) voor de programmeringsperiode 2007-2013, om werknemers in door een ernstige economische ontwrichting getroffen regio’s, bedrijfstakken, gebieden of arbeidsmarkten te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt. Het EFG biedt steun aan personen, maar is niet bedoeld om bedrijven die in moeilijkheden verkeren te ondersteunen. |
|
2.1.2. |
Tegen de achtergrond van de voortschrijdende economische en financiële crisis is de Commissie in 2008 overgegaan tot een herziening van het EFG om de werkingssfeer ervan uit te breiden van 1 mei 2009 tot 30 december 2011, en het medefinancieringspercentage te verhogen van 50 % tot 65 % zodat de lasten voor de lidstaten werden verminderd. |
|
2.1.3. |
In 2009 werd de werkingssfeer van het EFG uitgebreid om ook steun te kunnen verlenen aan werknemers die werkloos zijn geworden als rechtstreeks gevolg van de financiële en economische crisis. |
|
2.1.4. |
In het kader van het meerjarig financieel kader 2014-2020 is de werkingssfeer van het EFG opnieuw uitgebreid bij Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2). Deze uitbreiding heeft het mogelijk gemaakt om niet alleen ontslagen te dekken die het gevolg zijn van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, maar ook ontslagen die voortvloeien uit een eventuele nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis. |
|
2.1.5. |
Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd. De beginselen ervan zullen fungeren als overkoepelende leidraad voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering. |
2.2. Nieuw voorstel inzake het EFG na 2020
|
2.2.1. |
Het hoofddoel van het nieuwe voorstel is ervoor te zorgen dat het EFG, als een speciaal instrument dat buiten de maxima van het meerjarig financieel kader valt, wordt voortgezet na 31 december 2020, zonder beperkingen in de tijd. |
|
2.2.2. |
Het EFG kan ook steun verlenen bij onverwachte crises die tot een ernstige ontwrichting van de lokale, regionale of nationale economie leiden. Dergelijke onverwachte crises kunnen de vorm aannemen van een omvangrijke recessie bij belangrijke handelspartners of een ineenstorting van het financiële systeem. |
|
2.2.3. |
De steun uit het EFG is toegankelijk voor werknemers, ongeacht hun arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding. Dit maakt het mogelijk om niet alleen werknemers te steunen met arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, maar ook werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, uitzendkrachten, eigenaren/bedrijfsleiders van micro-ondernemingen en zelfstandigen. |
|
2.2.4. |
Een aanvraag voor steun uit het EFG voor werknemers kan worden ingediend wanneer het aantal gedwongen ontslagen een minimumdrempel bereikt. De drempel van 250 is lager dan die voor de programmeringsperiode 2014-2020. In veel lidstaten zijn de meeste werknemers in dienst van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s). |
|
2.2.5. |
De nadruk van het EFG ligt op actieve arbeidsmarktmaatregelen die erop gericht zijn ontslagen werknemers snel weer aan vast werk te helpen. Het EFG kan niet bijdragen aan de financiering van passieve maatregelen. Toelagen kunnen slechts worden toegekend wanneer zij zijn bedoeld als prikkels om de deelname van ontslagen werknemers aan actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen te bevorderen; binnen een gecoördineerd pakket van actieve arbeidsmarktmaatregelen is een bovengrens gesteld aan het aandeel van toelagen. |
|
2.2.6. |
De lidstaten kunnen enkel in het geval van werkelijke noodsituaties om steun vragen. Het EFG kan niet in de plaats komen van maatregelen die reeds gedekt zijn door in het meerjarig financieel kader opgenomen fondsen en programma’s van de Unie, of van nationale maatregelen of maatregelen waarvoor de bedrijven die de werknemers ontslaan, verantwoordelijk zijn op grond van het nationaal recht en collectieve overeenkomsten. |
|
2.2.7. |
Een aanvraag voor steun kan worden ingediend wanneer een grote herstructurering een zeer grote impact heeft op de lokale of regionale economie. |
|
2.2.8. |
Uiterlijk op 31 december 2021 moet een evaluatie achteraf van de bestaande verordening zijn uitgevoerd. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC is ingenomen met het Commissievoorstel, waarmee de voortzetting van het EFG na 31 december 2020 mogelijk wordt gemaakt. In het verleden heeft het Comité verschillende adviezen over het EFG uitgebracht, waarin het zijn steun uitsprak voor dit fonds. Deze adviezen hebben nog niets van hun geldigheid verloren (3) (4) (5) (6). |
|
3.2. |
Het Comité onderstreept het blijvende belang van de rol van het EFG als een flexibel fonds om werknemers die bij grootschalige herstructureringen hun baan verliezen, te ondersteunen en te helpen zo snel mogelijk een nieuwe baan te vinden. Het beveelt aan rekening te houden met de situatie van werknemers van wie de arbeidstijd permanent wordt ingekort zonder compensatie voor de vermindering van hun salaris. |
|
3.3. |
Volgens het Comité zou het nuttig zijn om meer gedetailleerde monitoringgegevens te verzamelen, met name over de categorieën werknemers, hun opleiding en beroepservaring, hun beroepsstatus en het soort werk dat zij hebben gevonden. Gezien de administratieve complexiteit van een dergelijke benadering en de daarmee gepaard gaande lasten steunt het Comité het alternatieve voorstel van de Commissie om dergelijke informatie te verzamelen via onlinevragenlijsten voor de begunstigden. |
|
3.4. |
Het EESC steunt het voorstel van de Commissie om ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, ongeacht de aard van hun arbeidsovereenkomst of -verhouding, op voet van gelijkheid toegang te geven tot het EFG. |
|
3.5. |
Het EESC is van mening dat de financiële bijdragen uit het EFG hoofdzakelijk moeten worden gebruikt voor actieve arbeidsmarktmaatregelen die tot doel hebben de begunstigden snel weer aan een duurzame baan te helpen. Ook de ondersteuning van de professionele en geografische mobiliteit van werknemers moet worden bevorderd om hun overplaatsing te vergemakkelijken. |
|
3.6. |
Het EESC stelt vast dat het maximumbedrag van het fonds is vastgesteld op 225 miljoen EUR per jaar voor de periode 2021-2027, en is van mening dat dit bedrag past bij de huidige economische situatie in de Unie. Wel wijst het erop dat dit bedrag in geval van een terugkeer naar een diepere crisis of een versnelling van de technologische veranderingen of de energietransformatie, ontoereikend zou kunnen blijken te zijn. |
|
3.7. |
Het Comité beveelt aan om halverwege de looptijd van het meerjarig financieel kader een evaluatie van het EFG uit te voeren, waarbij zowel wordt gekeken naar de uitvoering van de kredieten als naar de minimumdrempel van 250 ontslagen werknemers, en verzoekt de Commissie om in samenwerking met de begrotingsautoriteit van de EU een aanpassing van de EFG-financiering voor te bereiden. |
|
3.8. |
In het onderhavige geval moet de Commissie overwegen de desbetreffende financiële middelen te verhogen tot circa 1 miljard EUR. Aangezien het EFG is opgezet als een noodfonds, moet er tevens voor worden gezorgd dat de besluitvormingsprocedures voor een dergelijke verhoging van de middelen zo snel mogelijk worden uitgevoerd. |
|
3.9. |
Het EESC roept de lidstaten op bijzondere aandacht te besteden aan kansarme categorieën, onder wie jongere en oudere werklozen en mensen die risico lopen op armoede, aangezien deze groepen tegen specifieke problemen aanlopen wanneer zij weer een vaste baan trachten te vinden. |
|
3.10. |
De lidstaten en de bij het EFG-besluitvormingsproces betrokken instellingen van de Unie moeten alles in het werk stellen om de voor de behandeling benodigde tijd te verminderen en de procedures te vereenvoudigen zodat de besluiten betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG probleemloos en snel kunnen worden vastgesteld. Het EESC hamert erop dat de steun in het belang van de begunstigden zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld. |
|
3.11. |
Het EESC juicht het toe dat de Europese pijler van sociale rechten zal fungeren als overkoepelende leidraad voor het EFG, zodat de Unie de toepasselijke beginselen in geval van grote herstructureringen snel in de praktijk zal kunnen brengen. Aangezien het moeilijk is om een specifieke factor aan te wijzen die leidt tot ontslagen, beveelt het EESC aan om de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG in de toekomst vooral te baseren op het belang van de gevolgen van herstructureringen, die niet alleen verband houden met globaliseringsprocessen, maar vooral ook met andere belangrijke veranderingsprocessen zoals decarbonisatie, digitalisering, industrie 4.0 en technologische veranderingen en de daarmee samenhangende transformatieprocessen, alsook veranderingen die worden veroorzaakt door een breed scala van oorzaken die kunnen leiden tot grote bedrijfsverplaatsingen of ontslagen, of door een financiële of economische crisis. In dit verband is het EESC uitdrukkelijk ingenomen met de uitbreiding van de werkingssfeer van het EFG tot de risico’s op de arbeidsmarkt als gevolg van structurele veranderingen naar aanleiding van de digitalisering en de ontwikkelingen op het gebied van decarbonisatie. |
|
3.12. |
Het EESC is ervan overtuigd dat het EFG beter moet worden afgestemd op andere EU-beleidsterreinen en dat de modaliteiten van de gezamenlijke actie van het EFG met andere fondsen en programma’s (zoals het FEAD, het ESF, het EaSI en het EU-gezondheidsprogramma) en hun wisselwerking nader moeten worden uitgewerkt. |
|
3.13. |
Gezien de vorm van de huidige benaming van het fonds en de tegenstrijdige doelstellingen die eraan zijn toegekend, en rekening houdend met het feit dat het wenselijk is de afkorting „EFG” te behouden, stelt het EESC voor om de naam „Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering” te wijzigen in „Europees Fonds voor aanpassing en de globalisering”, of een andere soortgelijke naam die overeenkomt met de afkorting „EFG”. |
|
3.14. |
Het Comité is van mening dat het nuttig zal zijn om de werkingssfeer van het EFG uit te breiden tot programma’s die op nationaal niveau worden ontwikkeld, zoals de programma’s voor arbeidstijdverkorting van het type „Kurzarbeit” of „short time”. |
4. Kleine en middelgrote ondernemingen
|
4.1. |
Kleine en middelgrote ondernemingen zijn goed voor ongeveer 80 % van de werkgelegenheid in de EU en behoren tot de meest kwetsbare ondernemingen in tijden van crisis of transformatieprocessen. Het EESC roept de regeringen van de lidstaten dan ook op om in samenwerking met de Commissie nationale mechanismen in het leven te roepen en de capaciteit van de administratieve structuren te versterken, zodat het voor kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker wordt aanvragen voor EFG-steun voor te bereiden en de verlening van bijstand aan werknemers die hun baan zijn kwijtgeraakt, wordt gestroomlijnd. |
|
4.2. |
Het EESC steunt het voorstel om werknemers en zelfstandigen op voet van gelijkheid te behandelen (artikel 7), met dien verstande dat zij niet tegelijkertijd zelfstandige arbeid en arbeid in loondienst mogen verrichten en dat het gaat om stopzetting van de hoofdactiviteit. |
|
4.3. |
Het Comité is ingenomen met de bescherming van eigenaren van micro-ondernemingen die hun baan kunnen verliezen als gevolg van een economische of financiële crisis of technologische veranderingen, en met de mogelijkheid voor deze mensen om steun uit het EFG te krijgen. Dit mag niet betekenen dat een „zelfstandige” wordt gedefinieerd als „een persoon die niet meer dan 10 werknemers in dienst had”, zoals in artikel 4 van de door de Commissie voorgestelde verordening staat te lezen. Deze definitie zou uiteenlopende gevolgen hebben voor de Europese wetgevingsbesluiten, aangezien zij verschillende categorieën van beroeps- en economische activiteiten op identieke wijze zou kwalificeren. Wij verzoeken de Commissie een andere oplossing te vinden om eigenaren van micro-ondernemingen te beschermen, een doelstelling waarin het EESC zich overigens kan vinden. |
|
4.4. |
Het EESC stelt voor dat de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, de prestaties van het EFG verbetert door middel van een voorlichtingscampagne, ook voor kleine en middelgrote ondernemingen, om het voor hun werknemers gemakkelijker te maken om te profiteren van de steunmogelijkheden die het EFG biedt. |
|
4.5. |
Het EESC is ingenomen met de nieuwe configuratie van de criteria voor steunverlening (artikel 5), waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de situatie in kleine en middelgrote ondernemingen, die een groot deel van de arbeid in loondienst vertegenwoordigen. Ondanks de drempel van 250 werknemers is het met name van belang om rekening te houden met het begrip groep en/of territoriale eenheid indien meerdere dochterondernemingen van dezelfde groep die met banenverlies te kampen hebben, deze drempel niet afzonderlijk maar wel als groep bereiken. |
5. Specifieke opmerkingen
|
5.1. |
Het EESC beveelt aan om meer flexibiliteit te betrachten bij de berekening van de ontslagen en beëindiging van werkzaamheden (artikel 6), de in aanmerking komende begunstigden (artikel 7) en de subsidiabele maatregelen (artikel 8), zodat de steun zo snel mogelijk bij de betrokken werknemers terechtkomt. |
|
5.2. |
Ook beveelt het Comité aan de administratieve procedures voor het indienen van aanvragen (artikel 9) zo veel mogelijk te vereenvoudigen om zo het hele proces te versnellen. De vereenvoudiging van de gevraagde documenten en de invoering van een technische bijstand aan de lidstaten, waar nodig, zijn elementen die het bereik van de steunmaatregelen van het Fonds zullen uitbreiden. |
|
5.3. |
Het is van essentieel belang dat de administratieve maatregelen (punt 2 van de bijlage bij het voorstel voor een verordening) worden vereenvoudigd, met name de bepalingen inzake toezicht en verslaglegging, de beheers- en controlesystemen en de maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden. |
|
5.4. |
Het EESC stemt in met de in artikel 8, lid 2, onder b), vermelde beperking van de maatregelen die in aanmerking komen voor een financiële bijdrage uit het EFG. Hierin staat dat EFG-steun niet in de plaats kan komen van de verantwoordelijkheid van ondernemingen krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit mag er niet toe leiden dat marktmaatregelen op basis van collectieve arbeidsovereenkomsten algemeen worden uitgesloten van potentiële steun uit het EFG. |
|
5.5. |
Het EESC verwacht dat de Commissie in het kader van de geplande evaluatie achteraf van het EFG nauwlettend zal kijken naar de oorzaken van de verschillen in het gebruik van het EFG tussen de lidstaten van de EU, met name de oorzaken die ertoe hebben geleid dat het EFG in Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië, Cyprus, Letland, Luxemburg, Hongarije, Malta, Slowakije en het Verenigd Koninkrijk weinig of zelfs helemaal niet wordt gebruikt. |
|
5.6. |
Het EESC dringt er nogmaals op aan dat de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties vanaf het begin van de aanvraagprocedure en tijdens alle fasen van de behandeling van EFG-steunaanvragen worden betrokken bij de aanvraagprocedure, zowel op bedrijfsniveau als op regionaal, nationaal en EU-niveau. Gezien hun precieze kennis van de situatie en de specifieke lokale kenmerken kunnen ook regionale overheden en gemeenten een belangrijke rol spelen. |
|
5.7. |
Het EESC beveelt de Commissie aan in de verordening te preciseren dat het begrip „werknemers” ook coöperatieleden in loondienst omvat. |
Brussel, 12 december 2018.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Luca JAHIER
(1) PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855).
(3) PB C 318 van 23.12.2006, blz. 38.
(4) PB C 228 van 22.9.2009, blz. 141.