Brussel, 22.2.2017

SWD(2017) 84 final

WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE

Landverslag Nederland 2017
met een diepgaande evaluatie betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden

bij

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, DE EUROPESE CENTRALE BANK EN DE EUROGROEP

Europees semester 2017: beoordeling van groei-uitdagingen, preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden en resultaten van diepgaande evaluaties ingevolge Verordening (EU) nr. 1176/2011

{COM(2017) 90 final}
{SWD(2017) 67 final - SWD(2017) 93 final}


Inhoud

Samenvatting1

1.Economische situatie en vooruitzichten5

1.1.Recente economische ontwikkelingen5

1.2.De economie in perspectief8

2.Vooruitgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen12

3.Samenvatting van de voornaamste bevindingen van de diepgaande evaluatie in het kader van PMO16

3.1.Onevenwichtigheden en de ernst ervan16

3.2.Evolutie, vooruitzichten en beleidsreacties17

3.3.Algehele beoordeling18

4.Hervormingsprioriteiten22

4.1.Overheidsfinanciën en belastingheffing22

4.2.Financiële sector26

4.3.Arbeidsmarkt, onderwijs en sociaal beleid32

4.4.Investeringen38

4.5.Sectoraal beleid45

4.6.Overheidsdiensten48

A.Overzichtstabel50

B.PMO-scorebord54

C.Standaardtabellen55

Referenties60

LIJST VAN TABELLEN

1.1.Belangrijke economische, financiële en sociale indicatoren11

2.1.Vooruitgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen (LSA's)14

3.1.PMO-beoordelingsmatrix (*) - Nederland19

B.1.PMO-scorebord voor Nederland54

C.1.Indicatoren financiële markten55

C.2.Arbeidsmarkt- en sociale indicatoren56

C.3.Arbeidsmarkt- en sociale indicatoren (vervolg)57

C.4.Indicatoren voor de prestatie van productmarkten en beleidsindicatoren58

C.5.Groene groei59

LIJST VAN GraFIEKEN

1.1.Bbp en bbp per hoofd van de bevolking (2007- derde kwartaal 2016)5

1.2.Bbp-groei en bijdragen5

1.3.HICP-inflatie6

1.4.Werkgelegenheid naar type (jaar-op-jaar mutatie)6

1.5.Overheidssaldi en -schuld7

1.6.Reëel bbp en beschikbaar inkomen per hoofd van de bevolking (index 1995=100)8

1.7.Bbp per hoofd van de bevolking en beschikbaar inkomen van huishoudens (2015)8

1.8.Verdeling van het netto beschikbaar inkomen per institutionele sector (2015)9

4.1.1.Verplichteafdrachtenwig van alleenstaande met een modaal loon (2015)22

4.1.2.Grensoverschrijdende rentebetalingen (2015)23

4.1.3.Schuldprofiel (2012-2027)24

4.2.1.Renteverschil tussen kleine en grote leningen (maandgegevens)26

4.2.2.Waardering van huizenprijzen28

4.2.3.Woningmarkt in Nederland (2015)28

4.2.4.Schuld van huishoudens29

4.2.5.Mutatie hypotheekschuld en huizenprijzen30

4.3.1.Voornaamste arbeidsmarktontwikkelingen32

4.3.2.Trends in de loonkosten en -componenten32

4.3.3.Langdurige werkloosheid naar leeftijdsgroep (2005 - derde kwartaal 2016)33

4.3.4.Werkgelegenheidskloof (2015)34

4.3.5.Toename flexibiliteit op de arbeidsmarkt35

4.3.6.Niet-gecorrigeerde loonkloof tussen werknemers met een vast en met een tijdelijk dienstverband (2014)35

4.4.1.Vorderingenoverschot/-tekort per sector39

4.4.2.Binnenlandse en buitenlandse investeringen39

4.4.3.Bruto-investeringen in vaste activa per sector40

4.4.4.Vorderingenoverschot van NFV´s in vergelijking met andere landen (gemiddelde 2010-2015)40

4.4.5.Ratio's netto uitgekeerde winst (gemiddelde 2012-2015)41

4.4.6.Nettobesparingen per soort vennootschap41

4.4.7.Besparingen van multinationals42

4.4.8.Besparingen van grote binnenlandse ondernemingen42

4.4.9.Activa van multinationals43

4.4.10.Activa van pensioenfondsen (tweede kwartaal 2016)43

4.4.11.Binnenlandse beleggingsfocus (2014)44

4.4.12.Uitsplitsing van de lopende rekening44

4.4.13.Nominale arbeidskosten (per eenheid per gewerkt uur)44

4.5.1.Bbp per gewerkt uur (constante prijzen, op jaarbasis)45

4.5.2.O&O-uitgaven per sector (2015)45

LIjST van kaders

2.1.Bijdrage van de EU-begroting aan structurele verandering in Nederland15

3.1.Overloopeffecten: impact van een binnenlandse vraagschok op de handelsbalans21

4.4.1.Investeringsuitdagingen en hervormingen in Nederland38

4.6.1.Uitgelicht: offshore windparken in Nederland49

Samenvatting

In het voorliggende verslag wordt de economie van Nederland beoordeeld in het licht van de jaarlijkse groeianalyse van de Europese Commissie van 16 november 2016. In die analyse roept de Commissie de lidstaten op om hun inspanningen te verdubbelen ten aanzien van de drie elementen van de "heilzame driehoek" van economisch beleid: de bevordering van investeringen, de voortzetting van structurele hervormingen en het voeren van een verantwoord begrotingsbeleid. Daarbij moeten de lidstaten de nadruk leggen op de bevordering van de sociale rechtvaardigheid zodat de groei een inclusiever karakter krijgt. Tegelijk heeft de Commissie het waarschuwingsmechanismeverslag (WMV) gepubliceerd, waarmee het startschot is gegeven voor de zesde ronde van de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden. De diepgaande evaluatie die volgens het WMV van 2017 nodig is voor de economie, wordt in het voorliggende verslag gepresenteerd.

Na een langere periode van een afnemende en betrekkelijk trage groei maakt de economie thans een gestage expansie door. In 2012 en 2013 vertoonde de particuliere consumptie tegelijk met de investeringen in vaste activa een teruggang, die werd verergerd door de forse inzinking op de huizenmarkt. Sinds 2014 verbetert de huizenmarkt. Dit heeft geleid tot een betrekkelijk scherpe stijging van de transacties en de prijzen, wat weer de investeringen van huishoudens heeft opgestuwd. In 2015 en 2016 is het economisch herstel in een hogere versnelling terechtgekomen dankzij de krachtige investeringsactiviteit en de steeds grotere bijdrage van de particuliere consumptie aan de economische groei.

Vooruitblikkend wordt een groei van bijna 2 % verwacht. Dit percentage ligt iets boven de geraamde potentiële groei. In de winterprognoses 2017 van de Europese Commissie wordt gerekend op een economische groei van 2,0 % in 2017 en 1,8 % in 2018, die te danken is aan een onverminderd krachtige groei van de binnenlandse economie, inclusief de werkgelegenheid en de lonen. Deze groei wordt volledig gestuwd door de binnenlandse vraag. De netto-uitvoer zal volgens de prognoses daarentegen een licht negatief effect op de bbp-groei sorteren. Dit komt door de toegenomen externe onzekerheden.

Met name de investeringen in huizen zijn de laatste paar jaar sterk opgeveerd. De zwakke investeringen over de gehele economische breedte lijken een sterk conjunctureel karakter te hebben en zijn mede bepaald door een scherpe inzinking van de investeringen op de huizenmarkt. Ook de publieke investeringen zijn teruggelopen als gevolg van een substantiële consolidatie van de begroting. Hoewel de investeringsbelemmeringen niet noemenswaardig lijken, kost het procedureel nogal veel tijd om een bouwvergunning te krijgen. De geringe investeringen in hernieuwbare energie hangen mogelijk samen met de marktdynamiek in het verleden, met marktonzekerheid en met regelgevingsfactoren, hoewel op energiegebied een aantal stappen zijn gezet om daar iets aan te doen.

De stijgende huizenprijzen stuwen de activa van huishoudens op, maar daardoor kunnen ook meer onevenwichtigheden ontstaan. Onder impuls van de lage rente is een opwaartse trend zichtbaar in de huizenprijzen, de transactievolumes en de investeringen in huizen. De stijgende huizenprijzen kunnen positieve vermogenseffecten sorteren voor de bestedingen en investeringen van huishoudens en zullen de betrokken huishoudens geleidelijk verlossen van de negatieve overwaarde van hun woning (hypotheken die "onder water" staan) en daarmee hun financiële verliezen beperken mocht het tot een gedwongen verkoop van de woning komen. Niettemin lopen de nominale schuldniveaus tegelijk met de toename van de transactievolumes en prijzen weer op. In dit licht heeft het Europees Comité voor systeemrisico's een officiële waarschuwing doen uitgaan, nu de huizenmarkt in het centrum van een aantal grote steden tekenen van oververhitting vertoont.

De situatie op de arbeidsmarkt is verbeterd, maar er zijn tekenen die wijzen op een segmentatie van de arbeidsmarkt. De werkgelegenheidsgroei is toegenomen en de werkloosheid vertoont een neerwaartse trend (daling tot 5,4 % in december 2016). Niettemin zijn er tekenen die wijzen op een segmentatie van de arbeidsmarkt omdat de banencreatie grotendeels op tijdelijke contracten berust. Het aantal vaste contracten is de laatste paar jaar slechts marginaal gestegen terwijl de loonpremie voor vaste contracten naar internationale maatstaven hoog is. Omdat de loongroei in 2015 is achtergebleven bij de bescheiden productiviteitswinst, zijn de nominale loonkosten per eenheid licht gedaald. Er wordt echter op korte termijn een robuuste loongroei verwacht die de loonkosten per eenheid op korte termijn zal opdrijven.

De overheidsfinanciën hebben de crisis goed doorstaan, maar er zijn nog uitdagingen. Nederland heeft zijn buitensporig overheidstekort in 2013 gecorrigeerd. Voor 2017 wordt gerekend op een gering overschot op de begroting. Er blijven echter nog een aantal uitdagingen bestaan. Met name de kwaliteit van de overheidsfinanciën vraagt om aandacht. De overheidsinvesteringen zijn in de periode 2009-2015 met bijna 1 procentpunt van het bbp teruggelopen en er is nog geen ommekeer voorzien. De publieke O&O-investeringen en uitgaven aan onderwijs zijn lager dan die van de best presterende landen. Ondanks heftige debatten zijn de plannen voor een ambitieuze hervorming van het belastingstelsel, afgezien van een substantiële belastingverlaging van de belastingwig op arbeid in 2016 (5 miljard EUR ofwel 0,7 % van het bbp), niet in daden omgezet. Sommige kenmerken van het stelsel van belastingheffing blijven gevoelig voor internationale initiatieven om belastingontwijking tegen te gaan. Tot slot wordt ondanks de recente hervorming van de langdurige zorg verwacht dat de publieke uitgaven in deze sector relatief snel blijven stijgen in vergelijking met andere EU-landen, wat wijst op een mogelijk houdbaarheidsprobleem voor de begroting.

Al met al heeft Nederland beperkte vooruitgang geboekt bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen (LSA's) van 2016. Met betrekking tot het begrotingsstructurele deel van LSA 1 is geen vooruitgang geboekt met de verhoging van de publieke en private O&O-uitgaven. Met betrekking tot LSA 2 heeft Nederland geen vooruitgang geboekt met de bevordering van de doorstroming naar vaste arbeidscontracten. Terwijl geen specifieke maatregelen zijn genomen om fiscale verstoringen die zelfstandigenbanen bevorderen, te beperken of de sociale bescherming van zelfstandigen te vergroten, is beperkte vooruitgang geboekt bij het verminderen van prikkels om gebruik te maken van zelfstandigen zonder personeel. Nederland heeft ook beperkte vooruitgang geboekt bij LSA 3. Het kabinet heeft de algemene ambitie aangekondigd om de tweede pijler van het pensioenstelsel te hervormen en er liggen momenteel verschillende hervormingstrajecten op tafel, maar het wordt aan het volgende kabinet overgelaten om tastbare maatregelen te nemen. Er zijn geen verdere maatregelen genomen om verstorende fiscale prikkels op de markt voor eigenwoningbezit sneller te beperken.

Wat betreft de vooruitgang die is geboekt richting de nationale streefcijfers die in het kader van de Europa 2020-strategie zijn vastgesteld (zie ook bijlage A), doet Nederland het goed op het gebied van de werkgelegenheid, het percentage tertiair opgeleiden, de energie-efficiëntie en de gewenste niveaus van het voortijdig schoolverlaten en de uitstoot van broeikasgassen, maar zijn meer inspanningen nodig op het gebied van O&O-investeringen, hernieuwbare energie en armoedebestrijding.

De voornaamste bevindingen van de in dit verslag vervatte diepgaande analyse en de daarmee gepaarde beleidsuitdagingen zijn de volgende:

De gevestigde huizenmarktpraktijk heeft de hoge schuldniveaus in de sector huishoudens in de hand gewerkt en er blijven bepaalde inefficiënties bestaan. Het eigenwoningbezit ligt op een hoog niveau en wordt gestimuleerd door de genereuze aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Vóór de crisis is de schuld van huishoudens door aflossingsvrije hypotheken en torenhoge loan-to-value ratio's opgedreven tot circa 120 % van het bbp in 2009. Hoewel de schuld van de huishoudens als percentage van het bbp inmiddels terugloopt, is deze nog tweemaal zo hoog als het eurozonegemiddelde. De hypotheekrenteaftrek wordt geleidelijk beperkt, maar de daadwerkelijke subsidie voor schuldgefinancierd eigenwoningbezit is nog substantieel. In combinatie met de aangescherpte richtsnoeren voor hypothecaire kredietverlening kunnen de hervormingen die sinds 2013 van kracht zijn, de opbouw van hypotheekschuld in een zich herstellende huizenmarkt niettemin afremmen. Bovendien is de socialewoning- en gereguleerde huursector betrekkelijk groot in vergelijking met andere EU-lidstaten. De gecombineerde problemen van sociale huurders met een inkomen boven de vastgestelde grens (de zogeheten scheefhuurders) en de schaarste aan sociale huisvesting veroorzaken lange wachtlijsten en worden slechts langzaam aangepakt. Bovendien is de financiële aantrekkelijkheid van eigenwoningbezit en sociale huisvesting deels de oorzaak van de onderontwikkelde particuliere huurmarkt.

De lopende rekening blijft een aanmerkelijk overschot vertonen. Nederland heeft al dertig jaar lang een overschot op de lopende rekening. De sector niet-financiële vennootschappen is grotendeels verantwoordelijk voor het hoge niveau ervan. Het betrekkelijk hoge spaaroverschot in de sector niet-financiële vennootschappen is terug te voeren op de relatief hoge inkomsten uit beleggingen en relatief lage dividenduitkeringen van multinationals. Na de crisis liep het overschot op de lopende rekening als gevolg van de schuldafbouw door de huishoudens in combinatie met de consolidatie van de begroting op tot een recordniveau van 10,3 % van het bbp in 2012. De recente daling tot 8,7 % in 2015 was grotendeels het gevolg van lagere ontvangsten uit buitenlandse vennootschapsbelangen. Volgens de najaarsprognoses zal het saldo op de lopende rekening geleidelijk verder dalen als gevolg van een robuuste groei van de binnenlandse vraag. Een extra stijging van de binnenlandse vraag zou het handelsoverschot doen afnemen en via bescheiden overloopeffecten doorwerken naar de eurozone omdat een derde van de invoer van Nederland uit andere eurolanden komt.

De omvangrijke tweede pijler van het pensioenstelsel drukt een stempel op de financiën van huishoudens, met name in combinatie met de hoge hypotheekschuld. Terwijl het pensioenstelsel goed presteert op kwaliteit en toereikendheid, heeft het minpunten in termen van intergenerationele billijkheid, transparantie en flexibiliteit. De pensioenpremies in de tweede pijler zijn hoog en fluctueren naargelang van de behaalde resultaten op de financiële markt en kunnen een procyclische invloed uitoefenen op de bestedingen van huishoudens. Bovendien lijken de risico's onevenredig zwaar te wegen op de jonge leeftijdsgroepen omdat een lagere indexatie en hogere pensioenpremies de primaire aanpassingsmethoden lijken. In dit verband is van belang dat huishoudens een substantieel vermogen in de vorm van een eigen huis en pensioen combineren met een hoge hypotheekschuld, maar de eerste categorie is uiterst illiquide en ongelijk verdeeld over de generaties. Daardoor zijn huishoudens kwetsbaar voor economische schokken en wordt de procyclische dynamiek van de financiën van huishoudens versterkt.

De pensioenfondsen houden het grootste deel van de besparingen van de huishoudens onder zich en beleggen voornamelijk in effecten en dan vooral in het buitenland. De totale activa van pensioenfondsen zijn de laatste tien jaar aanzienlijk gestegen: van 117 % van het bbp in 2005 tot 185 % van het bbp in 2015.

Andere belangrijke economische kwesties die in dit verslag aan de orde komen en bijzondere uitdagingen voor de Nederlandse economie meebrengen, zijn de volgende:

De totale fiscale en niet-fiscale druk op arbeid is hoog. Daardoor kan werken worden ontmoedigd. Dit geldt met name voor laaggeschoolden en tweede verdieners. De belastingwig is gemiddeld, maar verplichte niet-fiscale afdrachten als pensioen- en zorgpremies stuwen de totale druk op arbeid op. Deze substantiële collectieve herverdeling kan billijk zijn, maar ook aanleiding geven tot andere inefficiënties, met name met betrekking tot de bovengenoemde koppeling tussen verplichte pensioenpremies en de financiën van huishoudens.

De arbeidsmarkt vertoont verder herstel en doet het al met al goed, ook al blijven de langdurige werkloosheid en de potentiële segmentatie van de arbeidsmarkt een punt van zorg. De totale werkgelegenheid is gestaag toegenomen en de werkloosheid is in 2016 verder gedaald. Wel blijft de langdurige werkloosheid hoog onder oudere werknemers. De werkgelegenheidswinst zit grotendeels in tijdelijke contracten en zelfstandigenbanen. Een hoge vaste loonpremie in combinatie met een geringe doorstroming van tijdelijk naar vast werk duidt op potentieel gesegmenteerde arbeidsmarkten. Zelfstandigen zijn vaker onderverzekerd voor arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en de oudedagsvoorziening, wat ten koste kan gaan van de houdbaarheid van het socialezekerheidsstelsel op lange termijn. Mensen die buiten de EU zijn geboren, hebben het niet altijd gemakkelijk: het percentage werkenden in deze groep blijft achter bij dat van de personen die in Nederland zijn geboren.

De groeivriendelijke publieke uitgaven liggen lager dan in de landen die op dit gebied het best presteren. Daardoor wordt de ontwikkeling van een innovatie-intensievere economie belemmerd. Het onderwijs en de wetenschappelijke basis presteren goed in Nederland, dat als een "innovatieleider" wordt aangemerkt, en bieden een solide grondslag voor de bevordering van de innovatie- en groeicapaciteit via onderwijs en O&O-activiteiten. Niettemin liggen de uitgaven aan onderwijs substantieel onder het niveau van de best presterende landen, waaronder de noordse landen, en wordt uitgegaan van een daling van de publieke O&O-intensiteit. Hogere publieke uitgaven voor groeivriendelijke sectoren als O&O en onderwijs kunnen investeringen uitlokken in kenniskapitaal, waaronder private O&O, en leiden tot een verbetering van het groeipotentieel op lange termijn.

Nederland ligt op schema om zijn CO2-uitstoot terug te dringen, maar het productieaandeel van hernieuwbare energie is naar internationale maatstaven nog laag. Ondanks een lichte stijging en geslaagde aanbestedingen van windparken op zee (zie kader 4.5.1) heeft Nederland een relatief laag aandeel hernieuwbare energie van 5,5 % in 2014, waarmee het tussentijdse streefcijfer van 5,9 % niet is gehaald. Voorts wordt verwacht dat Nederland zijn nationale doelstelling van 14 % in 2020 evenmin zal halen, nu in de Nationale Energieverkenning 2016 het aandeel hernieuwbare energie in 2020 op slechts 12,5 % wordt geraamd. Pas voor 2020-2023 staan grootschalige investeringen in de sector op stapel.

1.    Economische situatie en vooruitzichten

1.1.    Recente economische ontwikkelingen

Bbp-groei

De economie maakt een periode van gestage groei door. Volgens de winterprognoses 2017 van de Europese Commissie is de economische groei versneld tot 2,1 % in 2016. Het economisch herstel in 2014 en 2015 leunde op een scherpe toename van de investeringsactiviteit, na een stijging van de huizenprijzen en de transactievolumes die leidde tot een dubbelcijferige jaarlijkse groei van de investeringen in huizen. Meer recent werd de economische activiteit breder en droeg ook de particuliere consumptie significant bij tot de economische groei. Eind 2016 lag het totale bbp-volume substantieel boven de piek van voor de crisis en lag het per hoofd van de bevolking ruwweg op de piek van voor de crisis (grafiek 1.1). In lijn met de verbeterde conjunctuur steeg de productiviteitsgroei (bbp per gewerkt uur) licht, vanaf een zeer laag niveau naar 1,5 % in 2015.

Grafiek 1.1:Bbp en bbp per hoofd van de bevolking (2007-2016Q3)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Naar verwachting wordt de particuliere consumptie de belangrijkste drijvende kracht achter de economische groei naarmate de conjunctuurcyclus vordert. Volgens de winterprognoses 2017 van de Europese Commissie stijgt het reële bbp gemiddeld met ruwweg 2 % per jaar tussen 2016 en 2018. In lijn met de huidige fase van de conjunctuurcyclus wordt ervan uitgegaan dat de binnenlandse vraag de belangrijkste drijvende kracht achter de economische groei wordt. Met name de particuliere consumptie zou moeten aantrekken naarmate de loongroei en de toename van de werkgelegenheid het beschikbaar inkomen van de huishoudens verbeteren. De bijdrage van de netto-uitvoer aan de groei blijft naar verwachting redelijk beperkt, gezien de betrekkelijk zwakke vooruitzichten voor de wereldmarkten en gezien de mondiale onzekerheden (grafiek 1.2).

Grafiek 1.2:Bbp-groei en bijdragen

Bron: Europese Commissie, winterprognoses 2017

Inflatie

De inflatie is substantieel gedaald in vergelijking met de jaren voor de crisis, maar trekt naar verwachting aan. De dalende energieprijzen hebben enkele jaren op rij een negatieve impact gehad op de inflatie. Gezien een betrekkelijk stabiel verschil van 0,5 procentpunt tussen de nominale en de kerninflatie zijn de tweederonde-effecten over het geheel genomen evenwel gering (grafiek 1.3). Voor de toekomst wordt op grond van hogere energieprijzen en positieve basiseffecten gerekend op een aantrekkende inflatie.

Grafiek 1.3:HICP-inflatie

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Arbeidsmarkt

De banencreatie heeft aan vaart gewonnen. Het recente herstel van de arbeidsmarkt komt tot uiting in een gestaag dalend werkloosheidspercentage (5,5 % in het vierde kwartaal van 2016, een daling met 1,2 procentpunt ten opzichte van het vierde kwartaal van 2015). Het aantal vaste contracten is weliswaar iets gestegen, maar de toename aan banen valt vooral toe te schrijven aan flexibele, tijdelijke contracten (grafiek 1.4). Het percentage mensen dat een baan heeft gevonden, vertoont sinds 2015 weer een stijgende lijn. Omdat het daarbij vooral ging om personen die nog geen 12 maanden werkloos waren, bleef de langdurige werkloosheid in 2015 betrekkelijk hoog, vooral onder oudere werknemers. Ook de jeugdwerkloosheid daalt, hoewel deze onder personen die niet in een EU-land zijn geboren, hoog blijft.

Grafiek 1.4:Werkgelegenheid naar type, jaar-op-jaar mutatie

Bron: CBS

Sociale ontwikkelingen

De inkomensongelijkheid is in vergelijking met het EU-gemiddelde betrekkelijk laag, maar de vermogensongelijkheid is hoog. De inkomensongelijkheid is volgens internationale normen (volgens de Gini-coëfficiënt of inkomensquintielverhouding van Eurostat ( 1 )) laag, maar de vermogensongelijkheid is betrekkelijk hoog. Het CBS raamt een Gini-coëfficiënt van bijna 0,9 in 2014 voor de verdeling van het vermogen van huishoudens (inclusief huizen), wat bijna drie keer de Gini-coëfficiënt voor de verdeling van het beschikbaar inkomen is. Ook internationaal gezien is het nettovermogen betrekkelijk ongelijk verdeeld in Nederland (Carrol, Slacalek en Tukuoka, 2014). De ongelijke verdeling van het vermogen lijkt vooral het gevolg te zijn van intergenerationele verschillen. In 2014 behoorde bijna 80 % van het gemeten vermogen van huishoudens (inclusief huizen) toe aan huishoudens waarvan de verdiener van het hoofdinkomen ouder is dan 50 jaar, 55 % van het totale vermogen aan 60+-huishoudens en meer dan 25 % van het totale vermogen van huishoudens aan de generatie 70+. De leeftijdsgroep 65-75 jaar heeft een gemiddeld nettovermogen van meer dan 250 000 EUR, wat grotendeels verband houdt met het bezit van een (bijna) schuldenvrij huis. Opgemerkt zij echter dat substantiële bestanddelen van het vermogen van huishoudens niet in de standaardstatistieken over het vermogen van huishoudens zijn opgenomen, zoals het pensioenvermogen of de kapitaalverzekering eigen woning. Volgens berekeningen van Caminada en Goudszwaard (2014) en van Kooiman en Lejour (2016) zou de Gini-coëfficiënt substantieel lager uitvallen als het pensioenvermogen wordt meegeteld in het vermogen van huishoudens, omdat pensioenrechten gelijker verdeeld zijn dan het financiële vermogen of het vermogen in de vorm van een eigen huis. Door de collectiviteit van het pensioenstelsel en de illiquiditeit van pensioenvermogen verschilt dit vermogen echter intrinsiek van individueel financieel vermogen (Van Bavel, 2014).

De generationele inkomensmobiliteit is gemiddeld in vergelijking met andere Europese landen. In de bovenstaande jaarlijkse statistische waarnemingen wordt geen rekening gehouden met mobiliteit, terwijl die doorgaans een verschil kan maken. In Nederland zijn ongelijkheden gemeten over de levensloop doorgaans lager dan ongelijkheid gemeten op enig moment in de tijd (Lever en Waaijers, 2012; De Beer, 2014). Om sociale ontwikkelingen beter te begrijpen, is het van belang om de inkomensverhouding tussen ouders en hun kinderen te beoordelen. Een lage intergenerationele loonelasticiteit impliceert dat het persoonlijke inkomen van persoonlijke capaciteiten afhangt; een hoge elasticiteit wijst op een grote invloed van het inkomen van de ouders. Volgens de ramingen van Van den Brakel en Moonen (2013) bedraagt de intergenerationele looncorrelatie voor Nederland 0,27, wat iets hoger is dan de beschikbare ramingen voor Scandinavische landen (minder dan 0,2, Corak, 2006), maar aanzienlijk lager dan de ramingen voor Angelsaksische landen (0,5 in het Verenigd Koninkrijk, ibid.).

Externe positie

Het zeer grote overschot op de lopende rekening neemt langzaam af. Als gevolg van de zwakke binnenlandse vraag en de sterke uitvoerresultaten piekte het overschot op de lopende rekening in 2013 tot meer dan 10 % van het bbp. Vooral door een dalende primaire inkomensrekening is het overschot op de lopende rekening in 2015 gedaald tot 8,7 % van het bbp. Het handelsoverschot zal naar verwachting ondanks de verwachte stijging van de binnenlandse vraag slechts licht dalen omdat ervan uit wordt gegaan dat de over het algemeen genomen positieve ontwikkelingen in het prijsconcurrentievermogen een dragende factor zullen blijven voor de groei van de uitvoer (zie punt 4.4).

Overheidsfinanciën

De overheidsfinanciën zijn solide. Gerekend wordt op een daling van het nominale overheidstekort van 1,9 % van het bbp in 2015 naar -0,1 % van het bbp in 2016 omdat sterke endogene stijgingen van de belastinginkomsten, met name de vennootschapsbelastingen, de lagere gasbaten en een fiscale stimuleringsmaatregel meer dan compenseren. Voor 2017 en 2018 wordt een klein begrotingsoverschot verwacht (grafiek 1.5). Door de duurzame verbetering van het nominale saldo en de stabiele bbp-groei zal de schuldquote volgens de prognoses dalen van 62,2 % van het bbp in 2016 tot 58,3 % in 2018. De schuldreductie hangt ook af van verdere stappen in de herprivatisering van financiële instellingen.

Grafiek 1.5:Overheidssaldi en -schuld

Bron: Europese Commissie, winterprognoses 2017

1.2.    De economie in perspectief

Het recente herstel van de binnenlandse vraag volgt op een lange periode van trage groei van de binnenlandse vraag en stagnerende inkomens van huishoudens (grafiek 1.6). Het bbp per hoofd van de bevolking steeg vlak voor de crisis sterk, maar dit leidde niet tot een even grote stijging in het inkomen van huishoudens (gecorrigeerd beschikbaar inkomen, dat ook overheidsoverdrachten in natura zoals onderwijs en gezondheidszorg omvat). Bij het begin van de crisis was de sector huishoudens echter beschermd tegen de onmiddellijke impact van de crisis. Het bbp per hoofd van de bevolking daalde sterk in 2009, maar het beschikbaar inkomen van huishoudens steeg licht omdat de onmiddellijke impact van de crisis door begrotingsbuffers werd opgevangen. In de nasleep van de recessie van 2009 daalde het beschikbaar inkomen van huishoudens in 2012 en 2013 sterk, terwijl het bbp per hoofd van de bevolking slechts marginaal daalde. Meer recent vertonen het bbp per hoofd van de bevolking en het beschikbaar inkomen weer een stijgende lijn.

Grafiek 1.6:Reëel bbp en beschikbaar inkomen per hoofd van de bevolking (index 1995=100)

Het gecorrigeerde beschikbaar inkomen omvat inkomen uit economische activiteit en uit vermogen, sociale uitkeringen in geld en sociale overdrachten in natura (goederen en diensten zoals gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting die kosteloos of tegen verminderde prijzen worden ontvangen). Het bbp wordt gedefleerd met de bbp-deflator en het beschikbaar inkomen wordt gedefleerd met de prijs van de werkelijke individuele consumptie (en in de dunne lijn met de bbp-deflator om de impact van relatieve prijsontwikkelingen te illustreren).

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Een groter aandeel van de sector vennootschappen, stijgende premies voor pensioenen en gezondheidszorg en verschillende prijsontwikkelingen verklaren waarom er een kloof bestaat tussen de groei van het bbp en die van het beschikbaar inkomen van huishoudens. Volgens de Nederlandsche Bank (DNB, 2013) zijn een toenemend inkomensaandeel van de sector vennootschappen en hogere premies voor pensioenen en gezondheidszorg de belangrijkste drijvende kracht achter de toenemende kloof tussen het bbp en het inkomen van huishoudens. Ook spelen verschillende prijsontwikkelingen een rol. De prijzen van gezondheidszorg en andere consumptiegoederen stijgen doorgaans sneller dan de prijs van investeringsgoederen, zoals ICT. De dunne lijn in grafiek 1.6 toont het inkomen van huishoudens gecorrigeerd voor prijsverschillen. ( 2 )

Grafiek 1.7:Bbp per hoofd van de bevolking en beschikbaar inkomen van huishoudens (2015)

Het gecorrigeerd beschikbaar bruto-inkomen omvat individuele overheidsuitgaven (zoals overheidsuitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs). De inkomenskloof is het nominale verschil tussen het bbp per hoofd van de bevolking en het gecorrigeerd inkomen van huishoudens per hoofd van de bevolking. Internationale vergelijking op basis van koopkrachtstandaarden (KKS).

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

De kloof tussen het bbp per hoofd van de bevolking en het beschikbaar inkomen van huishoudens is betrekkelijk groot. Er bestaat in veel landen een kloof tussen het beschikbaar inkomen van huishoudens en het bbp per hoofd van de bevolking, wat normaal is omdat de huishoudens slechts één sector in de economie vormen, naast de sector vennootschappen en de overheidssector. Grafiek 1.7 toont voor de EU-15-landen het verschil tussen het bbp en het inkomen van huishoudens per hoofd van de bevolking. In Nederland is dit verschil betrekkelijk groot. Het wijst op een groter aandeel in de nationale koek van andere institutionele sectoren en op een hoge belastingdruk en verplichte premies. De grafiek impliceert bovendien dat de materiële levensstandaard van huishoudens in West-Europese landen in koopkrachtstandaarden meer overeenkomt dan de cijfers van het bbp per hoofd van de bevolking doen vermoeden.

Het aandeel van het inkomen van huishoudens is naar verhouding laag. Een mogelijke verklaring van een betrekkelijk groot verschil tussen het bbp per hoofd van de bevolking en het beschikbaar inkomen is een betrekkelijk laag inkomensaandeel van huishoudens. In 2015 beliep het aan de huishoudens toegerekende aandeel van het netto nationaal inkomen ( 3 ) 72 %, terwijl dat in de eurozone 80 % is. Het verschil is nog groter wanneer naar de verdeling van het netto nationaal beschikbaar inkomen wordt gekeken. Het verschil tussen deze concepten ligt in de betaalde belastingen en de ontvangen voordelen; gecorrigeerd daarvoor ontvangen de huishoudens slechts 55 % van het nationaal inkomen, terwijl dat in de eurozone 71 % is (zie ook DNB, 2014). Dit aandeel is het laagste in de EU (grafiek 1.8).

Grafiek 1.8:Verdeling van het netto beschikbaar inkomen per institutionele sector (2015)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Daarentegen is het inkomensaandeel van de sector vennootschappen betrekkelijk groot, terwijl de collectief gefinancierde gezondheidszorg het inkomensaandeel van de overheidssector opstuwt. Met 10,8 % van het netto beschikbaar inkomen ligt het inkomensaandeel van de sector niet-financiële vennootschappen op bijna drie keer het gemiddelde van de eurozone. Dit verschil kan grotendeels worden verklaard door ingehouden winsten. Dit houdt ten dele verband met de aanwezigheid van hoofdkantoren van multinationals en gerelateerde financiële stromen uit het buitenland (zie punt 4.4), maar doorgaans ook met fiscale prikkels die ertoe leiden dat vennootschappen minder winst uitkeren. Daarnaast is het inkomensaandeel van de sector financiële vennootschappen betrekkelijk groot in Nederland, wat het gevolg is van de grote financiële sector, waaronder pensioenfondsen ( 4 ). Het aandeel van de overheidssector in het netto beschikbaar inkomen is 29 %, wat 5 procentpunten hoger is dan het gemiddelde van de eurozone. Dit grote aandeel valt toe te schrijven aan de collectieve regelingen die verhoudingsgewijs uitgebreid zijn, vooral de gezondheidszorg. Dit leidt tot een herverdeling binnen de sector huishoudens en kan sociale en inkomensongelijkheid terugdringen, maar kan ook een negatief effect sorteren op groei en welvaart doordat middelen suboptimaal worden gealloceerd. Specifiek hebben de huishoudens daardoor minder keuzemogelijkheden om schokken op te vangen en hun inkomen mettertijd en naar eigen voorkeur te verschuiven (Lukkezen en Elbourne, 2015). Daarenboven kunnen de hoge verplichte premies daadwerkelijk liquiditeitsbeperkingen voor de huishoudens meebrengen, vooral voor de huishoudens met een hoge hypotheekschuld en hoge uitgaven voor kinderen. De huidige regelingen leggen een significante last op de schouders van jongere generaties, die slechts in beperkte mate van de collectieve instellingen profiteren. Het lage inkomensaandeel van de huishoudens in combinatie met een ongelijke verdeling over de generaties kan wijzen op onevenwichtigheden in het overheidsbeleid met betrekking tot de balans van huishoudens  ( 5 ).

Een stagnerend beschikbaar inkomen kan de oorzaak zijn van de trage groei van de binnenlandse vraag, die pas sinds kort weer aantrekt. Terwijl de dynamiek van de huizenmarkt en vermogenseffecten de volatiliteit in de groei van de particuliere consumptie ten dele kunnen verklaren, is de al met al zwakke ontwikkeling van die consumptie mogelijk het gevolg van het betrekkelijk lage aandeel van de huishoudens in het netto nationaal beschikbaar inkomen en de trage groei van het beschikbaar inkomen. Het stagnerend beschikbaar inkomen van huishoudens zou in verband kunnen worden gebracht met een periode van betrekkelijk lage loongroei (zie punt 4.3) en hoge verplichte premies op arbeid (zie punt 4.1, de combinatie van belastingen en zorg- en pensioenpremies). Door deze ontwikkelingen is het spaaroverschot opgelopen omdat de productie slechts in beperkte mate door de binnenlandse vraag wordt geabsorbeerd, wat leidt tot een aanhoudend overschot op de lopende rekening. De keerzijde van dit grote overschot op de lopende rekening is een uitstroom van kapitaal. Doordat de hoge pensioengelden hoofdzakelijk in het buitenland worden belegd (punt 4.4) en de buitenlandse directe investeringen door in Nederland gevestigde vennootschappen zijn toegenomen, is Nederland een netto-exporteur van kapitaal naar andere landen. De omvang en het aanhouden van deze uitstroom in combinatie met de lage consumptiegroei kunnen samenhangen met een suboptimale allocatie van middelen. Vanaf 2014 trok de binnenlandse vraag weer aan met de stijging van het beschikbaar inkomen van huishoudens en enkele beleidsmaatregelen, zoals een pensioenhervorming waarbij de pensioenpremies werden verminderd (aanpassing van het zogenaamde Witteveenkader) en een verlaging van de inkomstenbelasting in 2016. Een grote herziening van het pensioenstelsel die de procyclische besparingen van huishoudens kan terugdringen en tot lagere pensioenpremies en een hoger beschikbaar inkomen kan leiden, ligt momenteel op tafel (punt 4.2 en kader 3.1).

Tabel 1.1:Belangrijke economische, financiële en sociale indicatoren

(1) Som van obligaties, overige beleggingen en reserveactiva.
(2,3) Binnenlandse bankgroepen en zelfstandige banken.

(4) Binnenlandse bankgroepen en zelfstandige banken en onder hen vallende buitenlandse dochterondernemingen (EU en niet-EU) en buitenlandse ®bijkantore
n (EU en niet-EU).
(*) Volgens BPM5 en/of ESR95.

Bron: Europese Commissie, ECB

2.    Vooruitgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen

De vooruitgang bij de uitvoering van de aanbevelingen die in 2016 aan Nederland zijn gedaan, moet worden bekeken vanuit het langeretermijnperspectief van de start van het Europees semester in 2011. Nederland heeft zijn buitensporig tekort tijdig en duurzaam kunnen corrigeren. Tussen 2012 en 2014 is het nominale overheidssaldo verbeterd van -3,9 % naar -2,4 % van het bbp en het structurele saldo van -2,3 % naar -0,6 % van het bbp. Sinds 2012 zijn de overheidsuitgaven voor onderwijs en O&O als percentage van het bbp min of meer stabiel gebleven. De totale steun voor O&O, met inbegrip van zowel directe als indirecte (begrotings)maatregelen, heeft zich in deze periode van begrotingsconsolidatie gestabiliseerd op ongeveer 0,9 % van het bbp, wat laag is in vergelijking met andere geavanceerde Europese landen. Uit de beschikbare begrotingsprojecties blijkt echter een risico van een substantiële daling in de komende jaren, met ingang van 2017.

Op het gebied van pensioenen en langdurige zorg zijn substantiële maatregelen genomen, terwijl wordt gesproken over hervormingen van de tweede pijler. De wettelijke pensioenleeftijd in de eerste pijler wordt geleidelijk verhoogd tot 67 jaar in 2021 en voor de jaren daarna gekoppeld aan de levensverwachting. Er is een consensus dat vergaande hervormingen nodig zijn, en momenteel liggen verschillende concepten voor de hervorming van het pensioenstelsel op tafel (zie punt 4.2.4). Op het gebied van de langdurige zorg is een ingrijpende hervorming doorgevoerd. Daarbij zijn omvangrijke taken overgenomen door de gemeenten en wordt meer nadruk gelegd op de rol van particulieren en familieleden in de langdurige zorg. Niettemin stijgen de uitgaven in deze sector volgens de projecties nog altijd relatief snel in vergelijking met het EU-gemiddelde.

Er zijn belangrijke hervormingen doorgevoerd in de markt voor eigenwoningbezit en de huurmarkt om de verstoringen ten gevolge van fiscale prikkels en huurregelgeving te beperken. De hypotheekrenteaftrek wordt geleidelijk afgebouwd tot 38 % tot 2041 en er moet op de hoofdsom van de hypotheek worden afgelost om voor de hypotheekrenteaftrek in aanmerking te komen. Sinds 2013 zijn geen verdere stappen gezet om de hypotheekrenteaftrek te beperken. In de huursector is beperkte vooruitgang geboekt met de invoering van een nieuw puntensysteem dat voorziet in marktgerichtere huren en in hogere huurstijgingen in de gereguleerde sector voor huurders met een inkomen boven de inkomensgrens. Met de invoering van kortlopende huurcontracten creëert het kabinet ruimte voor een flexibelere huurmarkt, maar het is te vroeg om de impact van deze hervormingen te beoordelen.

Al met al heeft Nederland beperkte ( 6 ) vooruitgang geboekt bij uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen (LSA's) van 2016. Met betrekking tot het begrotingsstructurele deel van LSA 1 zijn geen noemenswaardige maatregelen vastgesteld om de investeringen in O&O te verbeteren en lijkt er dus, afgaande op de beoordeling, geen sprake van vooruitgang. Met betrekking tot LSA 2 heeft Nederland door het gebrek aan speciale maatregelen geen vooruitgang geboekt om de doorstroming naar vaste arbeidscontracten te bevorderen. Er zijn geen specifieke maatregelen genomen om verstorende fiscale prikkels die tot een toename van het percentage zelfstandigenbanen leiden, af te bouwen of om zelfstandigen betere sociale bescherming te bieden. Er is beperkte vooruitgang geboekt bij het verminderen van de prikkels om gebruik te maken van zelfstandigen zonder personeel. De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA), bedoeld om het fenomeen van de schijnzelfstandigen terug te dringen, is goedgekeurd en wordt geleidelijk geïmplementeerd. De uitvoering van die wet is onlangs echter opgeschort tot ten minste begin 2018. Daarnaast heeft het kabinet aangekondigd dat het de dekking van het pensioenstelsel van de tweede pijler wil uitbreiden voor met name zelfstandigen en werknemers met een tijdelijk contract. Al bij al impliceert een en ander beperkte vooruitgang bij de uitvoering van LSA 2. Nederland heeft ook beperkte vooruitgang geboekt bij de uitvoering van LSA 3. Het kabinet heeft de algemene ambitie aangekondigd om de tweede pijler van het pensioenstelsel te hervormen, maar het wordt aan het volgende kabinet overgelaten om tastbare maatregelen te nemen. Er zijn geen verdere maatregelen genomen om de verstoringen op de woningmarkt en de bevoordeling van schulden van huishoudens terug te dringen.



Tabel 2.1:Vooruitgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen (LSA's)

(1) Omvat geen beoordeling van de vraag of het stabiliteits- en groeipact is nageleefd.

Bron: Europese Commissie

3.    Samenvatting van de voornaamste bevindingen van de diepgaande evaluatie in het kader van PMO

In het waarschuwingsmechanismeverslag 2017 is gepleit voor verder diepgaand onderzoek om de vooruitgang te monitoren die is geboekt bij de afbouw van de buitensporige onevenwichtigheden die in de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (PMO) voor 2016 aan het licht waren gekomen. In het voorjaar 2016 bleek Nederland macro-economische onevenwichtigheden te vertonen in de vorm van een hoog overschot op de lopende rekening, hetgeen tot uiting kwam in een onevenwichtigheid tussen besparingen en investeringen, en een hoge particuliere schuld, en met name de hypotheekschuld. Daarom is een nieuwe diepgaande analyse nodig om na te gaan hoe deze onevenwichtigheden zijn geëvolueerd.

De analyse in dit landenverslag is een diepteonderzoek naar de ontwikkeling van de vastgestelde onevenwichtigheden. Met name is in de volgende punten een diepgaande analyse gemaakt van het fiscale kader en het regelgevingskader in punt 4.1, de schuldenlast van de particuliere sector in punt 4.2, en de onevenwichtigheid tussen besparingen en investeringen in punt 4.4. Potentiële effecten van een binnenlandse vraagschok op de handelsbalans komen in tekstbox 3.1 aan bod.

3.1.    Onevenwichtigheden en de ernst ervan

Het zeer hoge en aanhoudende overschot op de lopende rekening wijst op een onevenwichtigheid tussen binnenlandse besparingen en investeringen. In 2015 bedroeg het driejaarsgemiddelde van het overschot op de lopende rekening 9,1 % van het bbp, hoger dan in enig ander land in de eurozone. Zo'n grote externe onevenwichtigheid kan wijzen op onderliggende oorzaken die leiden tot een suboptimale middelenallocatie, waardoor kansen voor hogere groei en welvaart onbenut blijven. De binnenlandse vraag blijft zwak in Nederland. Met name ligt de verhouding tussen de consumptie van de huishoudens en het bbp ver onder het gemiddelde voor de eurozone. Bepalend is hier de lage groei van reële inkomens door de relatief lage groei van de lonen en door de toenemende verplichteafdrachtenwig, bestaande uit een combinatie van belastingen, pensioen- en zorgpremies (zie punt 4.1.1). Tegelijk wordt het overschot op de lopende rekening tot op zekere hoogte aangejaagd door de hoge spaarquote van de sector vennootschappen, ten dele als gevolg van de internationale verknooptheid van het bedrijfsleven en de daarmee samenhangende kapitaalstromen. Meer bepaald keren multinationals met hoofdkantoor in Nederland, ondanks hun winstgevendheid in het buitenland, betrekkelijk weinig winst uit (zie punt 4.4.2). Een en ander heeft een statistisch opwaarts effect op het vorderingenoverschot ten aanzien van het buitenland. Bovendien worden de omvangrijke pensioenbesparingen via grote pensioenfondsen naar het buitenland gesluisd, waardoor het overschot verder oploopt (zie punt 4.2.4). Daardoor wordt het overschot op de lopende rekening tot op zekere hoogte aangejaagd door financiële en economische instellingen, zonder dat dit een afspiegeling is van onevenwichtigheden in de handel.

In mindere mate wordt het overschot beïnvloed door conjuncturele factoren. Na een zware recessie is het herstel nu in volle gang. Niettemin heeft de conjuncturele neergang een opwaarts effect gehad op de lopende rekening in de nasleep van de recessie. De begrotingsconsolidatie, die nodig was om een gezonde begrotingssituatie te herstellen, werkte als een tijdelijke rem op de binnenlandse vraag. Daarnaast heeft de scherpe daling van de huizenprijzen een negatief effect gehad op de particuliere consumptie via effecten op het vermogen van huishoudens, hetgeen de vraag laag hield en het overschot deed toenemen. Momenteel hebben volgens de ramingen de conjuncturele omstandigheden een grotendeels neutraal effect op het saldo van de lopende rekening.

Gezien het open karakter van de Nederlandse economie is Nederland een potentiële bron van overloopeffecten naar andere landen in de eurozone. De onevenwichtigheid waarvan sprake werkt in hoofdzaak negatief uit op de binnenlandse economie, maar ook op andere lidstaten, gelet op de sterke commerciële en financiële banden. Simulaties laten zien dat een stijging van de binnenlandse vraag bescheiden overloopeffecten zou hebben op de handelsbalans van de rest van de eurozone (zie tekstbox 3.1).

De schuldenlast van de particuliere sector blijft hoog, met 229 % van het bbp in 2015. Deze hoge schuldquote houdt verband met zowel de schulden in de sector niet-financiële vennootschappen (118 % van het bbp) als de schulden van huishoudens (111 % van het bbp). Terwijl de schuld in de vennootschapssector vooral afkomstig is van grote multinationals met hoofdkantoor in Nederland, die tegenover hun verplichtingen een voldoende groot eigen vermogen kunnen stellen, is de brutoschuld van huishoudens in termen van bbp bijna dubbel zo hoog als het EU-28-gemiddelde. Ook de verhouding brutoschuld / beschikbaar inkomen is uitzonderlijk hoog: 219 % tegenover 94 % voor het gemiddelde in de eurozone. De wet- en regelgeving en de fiscale prikkels hebben een belangrijke rol gespeeld bij de opbouw van hoge hypotheekschulden. Fiscale prikkels en het ontbreken van een goed functionerende vrije huurmarkt duwen huishoudens richting eigenwoningbezit.

Lange balansen maken huishoudens kwetsbaar voor financiële schokken. Naast hoge hypotheekschulden bouwen huishoudens tijdens hun werkzame leven ook een aanzienlijk pensioenvermogen op door de betrekkelijke hoge verplichte pensioenpremies. Zodoende wordt wel veel gespaard door huishoudens, maar omdat deze besparingen niet liquide zijn, kunnen ze niet worden gebruikt om de uitstaande schulden te verminderen (zie punt 4.2). De daaruit resulterende lange balansen maken huishoudens kwetsbaar voor financiële schokken.

3.2.    Evolutie, vooruitzichten en beleidsreacties

Nederland heeft al meer dan 30 jaar een overschot op de lopende rekening. Het overschot op de lopende rekening is de jongste jaren licht afgenomen en de verwachte toename van de binnenlandse vraag zal de komende jaren waarschijnlijk leiden tot een verdere geleidelijke daling van het overschot. De economie groeit weer dankzij robuuste binnenlandse groei. De particuliere consumptie trekt weer aan, ondersteund door stijgende werkgelegenheid en reële lonen, met een opwaarts effect op de invoer. In combinatie met een meer passieve schuldafbouw door huishoudens zal het overschot op de lopende rekening naar verwachting in een bescheiden tempo afnemen. Deze ontwikkeling wordt ondersteund door een gestaag afnemend saldo van het primaire inkomen, hetgeen het gevolg is van lagere inkomsten uit dochterondernemingen in het buitenland. De factoren die op het beschikbare inkomen van huishoudens wegen, beperken de ruimte voor particuliere schuldafbouw en voor een stijging van de binnenlandse vraag.

Het kabinet heeft maatregelen genomen die de binnenlandse vraag naar verwachting verder zullen doen stijgen. Om het beschikbare inkomen te doen stijgen, heeft het kabinet de pensioenpremies in 2015 verlaagd door een beperking van de maximale fiscale aftrek voor pensioenopbouw. In 2016 heeft een ruim pakket belastingverlagingen de belastingwig verminderd, met positieve effecten op werkgelegenheid, het beschikbare inkomen en dus de binnenlandse bestedingen. Daarnaast heeft het kabinet zijn voornemen aangekondigd om verstorende fiscale prikkels voor specifieke mkb-bedrijven af te schaffen, hetgeen kan leiden tot een daling van de ingehouden winst en de vennootschapsbesparingen (zie punt 4.1.1). Momenteel wordt overlegd over een hervorming van de tweede pensioenpijler (zie punt 4.2.2). Tekstbox 3.1 laat zien hoe een dergelijke hervorming kan leiden tot lagere pensioenpremies en een hogere binnenlandse vraag.

De particuliere schuldenlast blijft hoog. Sinds 2009 lag de particuliere schuldenlast steevast rond 230 % van het bbp. De schulden van huishoudens, die grotendeels terug te voeren zijn op hoge hypotheekschulden, bereikten in 2010 een piek met 118 %, maar zijn in 2015 gedaald tot 111 % van het bbp. Gezien het hoge schuldniveau blijft schuldafbouw voor particuliere huishoudens nog steeds een noodzaak. Niettemin heeft het lopende herstel van de woningmarkt, met een toenemend aantal transacties en stijgende prijzen tot gevolg, geleid tot een vertraging van de afbouw van de particuliere schuldenlast. De hypotheekschuld is opnieuw gaan stijgen in nominale termen, maar blijft in bbp-termen dalen. Deze passieve schuldafbouw door huishoudens leidt tot een verdere daling van de schuldratio's.

De toename van de hypotheekschuld is betrekkelijk gering, vergeleken met de sterke stijging van de huizenprijzen en het aantal transacties. Een en ander valt voor een deel toe te schrijven aan macroprudentiële maatregelen op de woningmarkt, maar ook aan een toename van vervroegde aflossingen. Huishoudens zien nu hun maximale hypotheek op basis van de woningwaarde (loan-to-value-ratio) dalen tot 100 % in 2018. De hypotheekrenteaftrek wordt geleidelijk beperkt en de criteria om voor de aftrek in aanmerking te komen, zijn gewijzigd . Huishoudens hebben nu een sterke prikkel om af te lossen op hun schuld. De infasering van deze maatregelen verloopt echter traag, met name in het licht van de algemene economische situatie, het aanhoudende herstel van de huizenmarkten en de lage rente.

3.3.    Algehele beoordeling

Nederland wordt geconfronteerd met onevenwichtigheden in de vorm van een hoog en aanhoudend overschot op de lopende rekening en in de vorm van een hoge schuldenlast van huishoudens. Het overschot op de lopende rekening wordt gestuwd door de lage binnenlandse vraag, en met name lage beschikbare inkomens voor huishoudens, door de aanwezigheid van grote kapitaalgedekte pensioenfondsen en door statistische effecten die verband houden met multinationals (zie punt 4.4.2). Voor zover het overschot een afspiegeling is van een bescheiden binnenlandse vraag, kan het wegwerken van die onevenwichtigheden ten goede komen aan de groei en welvaart in Nederland. Er is ruimte voor verdere ondersteuning van investeringen, en dus voor de versterking van het groeipotentieel van de economie, met name via sleutelsectoren zoals O&O (zie tekstbox 4.4.1). De binnenlandse vraag is in het verleden afgeremd door de particuliere schuldafbouw, met name door de herbalancering in de sector huishoudens in de nasleep van de neergang op de woningmarkt. Bovendien maken de lange balansen huishoudens kwetsbaar voor financiële schokken. Gezien het nog hoge niveau van de hypotheekschuld blijft particuliere schuldafbouw een noodzaak.

Recente beleidsmaatregelen verbeteren de balans van huishoudens en ondersteunen de binnenlandse vraag. De maatregelen om de balans van huishoudens te verbeteren, zijn veelbelovend, maar worden traag ingefaseerd, zeker in het licht van het herstel van de woningmarkt en de lage rente. De betrekkelijk royale hypotheekrenteaftrek blijft de schuld van huishoudens aanjagen, hetgeen ten koste gaat van de schokbestendigheid van huishoudens en van de economie. Het kabinet heeft ook maatregelen genomen om de binnenlandse vraag te ondersteunen. In 2016 is de belastingwig op arbeid verkleind, met positieve effecten op werkgelegenheid, het beschikbare inkomen en de binnenlandse vraag. Voorts kan de aangekondigde afschaffing van verstorende fiscale prikkels in 2017 de besparingen van niet-financiële vennootschappen terugdringen. Ten slotte trekt de begrotingskoers, nu de budgettaire aanpassing in Nederland minder restrictief is geworden, in mindere mate een wissel op de binnenlandse vraag dan in de directe nasleep van de crisis. Een en ander kan positieve gevolgen hebben voor de binnenlandse vraag en dus voor de herbalancering van de lopende rekening.

Tabel 3.1:PMO-beoordelingsmatrix (*) - Nederland

(vervolg op de volgende bladzijde)

Tabel (vervolg)

(*) In de eerste kolom wordt de omvang van de uitdaging geschetst en wordt aangegeven van welke orde van grootte de onevenwichtigheden zijn. In de tweede kolom worden de ontwikkelingen en vooruitzichten voor deze onevenwichtigheden geschetst. In de derde kolom worden recente en geplande relevante maatregelen vermeld die deze onevenwichtigheden moeten aanpakken. Voor elke oorzaak van onevenwichtigheden en voor elk aanpassingsvraagstuk worden bevindingen medegedeeld. In de laatste drie alinea's van de matrix wordt een samenvatting gegeven van de algehele uitdagingen en de omvang ervan, de ontwikkelingen en vooruitzichten en de beleidsreactie.

Bron: Europese Commissie.

4.    Hervormingsprioriteiten

4.1.    Overheidsfinanciën en belastingheffing

4.1.1.Belastingheffing* ( 7 )

Nederland kent een hoge gecombineerde fiscale en niet-fiscale druk op arbeid. Terwijl de overheidsinkomsten uit de inkomstenbelasting qua percentage van het bbp onder het EU-gemiddelde liggen, behoort Nederland tot de landen met de hoogste inkomsten uit sociale premies. Ook zijn de verplichte premies die huishoudens afdragen, het hoogst in de EU (als percentage van het bbp). Daarnaast zijn de niet-fiscale verplichte afdrachten op arbeid in Nederland aanzienlijk en hebben deze een min of meer soortgelijk effect op de belastingen. Grafiek 4.1.1 laat de gemiddelde verplichteafdrachtenwig zien voor een alleenstaande met een modaal loon ( 8 ). Inclusief de niet-fiscale verplichte afdrachten, die pensioenpremies en de verplichte zorgverzekeringspremies (die naar particulier beheerde fondsen gaan) omvatten, heeft Nederland een van de hoogste lasten op arbeid in de EU. Evenzo ligt de marginale verplichteafdrachtenwig van 61 % in 2015 substantieel boven die van andere Europese landen.

In 2016 is een fors pakket belastingverlagingen doorgevoerd met een totale budgettaire impact van 5 miljard EUR (0,7 % van het bbp). De maatregelen bestonden onder meer uit een verhoging van de arbeidskorting en een verlaging van de belastingtarieven voor de middeninkomens. Om de arbeidsparticipatie te stimuleren, is de kinderopvangtoeslag verhoogd. Daarnaast moet een met ingang van 2017 ingevoerde loonkostensubsidie voor laagbetaalden de werkgelegenheid onder laagopgeleiden bevorderen. Het kabinet heeft in 2017 extra maatregelen doorgevoerd met betrekking tot de belastingwig, maar deze zullen naar verwachting slechts een marginaal effect op de werkgelegenheid sorteren (zie Europese Commissie, 2016b).

Het belastingstelsel zet huishoudens door de genereuze aftrekbaarheid van de hypotheekrente aan tot het aangaan van hoge schulden voor de aankoop van een eigen woning. De fiscale prikkels hebben een belangrijke rol gespeeld bij de opbouw van de buitensporige schuld van huishoudens en er worden maatregelen genomen om deze prikkels gedeeltelijk te beperken (zie punt 4.2 voor een verdere bespreking).

Grafiek 4.1.1:Verplichteafdrachtenwig voor alleenstaande met een modaal loon (2015)

De OESO verstrekt geen gegevens over niet-fiscale afdrachten voor niet-leden.

Bron: OESO

De inkomsten uit milieuheffingen zijn in Nederland betrekkelijk hoog. Milieubelastingen worden minder schadelijk voor de groei geacht dan andere soorten belastingen (Europese Commissie, 2015a). In 2014 waren de milieubelastingen goed voor 9,0 % van de totale inkomsten uit belastingen en sociale premies (gemiddelde EU-28: 6,3 %). Daarmee staat Nederland in de top-7 van lidstaten met de hoogste inkomsten uit milieuheffingen.

Een aantal Nederlandse belastingvoorschriften zijn te gebruiken voor het opzetten van agressieve belastingconstructies ( 9 ). De afwezigheid van antimisbruikregels ( 10 ) en het ontbreken van een bronbelasting op rente en royalty's tegenover derde landen zijn kenmerken van het belastingstelsel die een agressieve fiscale planning in de hand kunnen werken. Wat dit betreft, doen de torenhoge inkomende en uitgaande buitenlandse directe investeringen (BDI's), het percentage van die BDI's dat in handen is van zogeheten special purpose entities (SPE's) ( 11 ), maar ook de hoge dividend-, rente- en royaltybetalingen (zie grafiek 4.1.2) als percentage van het bbp vermoeden dat bedrijven de nationale belastingregels gebruiken voor een agressieve fiscale planning ( 12 ). In dit verband zij opgemerkt dat EU-vennootschapsbelastinginitiatieven (bijvoorbeeld de wijzigingen in de moeder-dochterrichtlijn en de richtlijn bestrijding belastingontwijking) de antimisbruikkaders van de lidstaten versterken en de fiscale transparantie verhogen, bijvoorbeeld via de automatische uitwisseling van informatie over tax rulings of landenrapporten.

Grafiek 4.1.2:Grensoverschrijdende rentebetalingen (2015)

De meeste EU-lidstaten hebben rentebetalingen van 0 à 0,5 %. Omwille van de leesbaarheid zijn deze niet in de grafiek opgenomen.

Bron: Europese Commissie.

Nederland heeft stappen gezet om een aantal belastingregels die een agressieve fiscale planning in de hand werken, aan te passen. Nederland heeft de Innovatiebox-regeling met haar effectieve vennootschapsbelastingtarief van 5 % aangepast en in overeenstemming gebracht met actie 5 van het grondslaguithollings- en winstverschuivingsproject (zie OESO 2015b), zoals overgenomen in de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen. Ook heeft het specifieke renteaftrekbeperkingen gewijzigd om bepaalde kunstmatige bedrijfsstructuren aan te pakken.

Het Nederlandse belastingstelsel bevat prikkels om winst in te houden. Een voorbeeld is de directeur-grootaandeelhouder (DGA) ( 13 ) die zowel werknemer als grootaandeelhouder is in de eigen onderneming en dus te maken heeft met vennootschapsbelasting, belasting op arbeid en kapitaalbelasting. Volgens een CPB-studie (Bettendorf e. a., 2016) zijn DGA's zeer gevoelig voor fiscale prikkels en verdelen zij inkomen optimaal over de verschillende belastingschijven en schuiven zij inkomen in de tijd. DGA's keren relatief weinig winst uit in vergelijking met bedrijven zonder DGA en dragen daarmee bij aan het Nederlandse spaaroverschot ( 14 ). DGA's hoeven niet deel te nemen aan de tweede pijler van het pensioenstelsel en mogen in plaats daarvan pensioen opbouwen binnen hun eigen onderneming. Het kabinet wil deze mogelijkheid in 2017 afschaffen, onder meer via de tijdelijk fiscaal gefaciliteerde optie om dit reeds opgebouwde pensioen af te kopen. Dit kan leiden tot iets lagere besparingen in de vennootschapssector, wat weer gunstig kan uitpakken voor de binnenlandse vraag. Over de precieze uitvoering van het plan bestaat echter nog onzekerheid.

4.1.2.Houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn

De schuldquote blijft dalen. Verwacht wordt dat de overheidsschuld in Nederland, die in 2015 nog 65,1 % van het bbp bedroeg, in 2018 daalt tot onder de in het stabiliteits- en groeipact vastgelegde drempel van 60 % (namelijk tot 58,3 % van het bbp). Volgens de schuldhoudbaarheidsanalyse van de Commissie ( 15 ) loopt de schuld, bij ongewijzigd beleid, onder invloed van zowel de nominale bbp-groei als primaire overschotten verder terug tot 44,7 % van het bbp in 2027 (het laatste projectiejaar). Daarmee loopt Nederland volgens een integrale beoordeling op middellange termijn weinig risico. Ook in alternatieve schuldscenario's, bijvoorbeeld een scenario met een sterkere opwaartse renteschok (grafiek 4.1.3), loopt Nederland weinig risico. Er lijkt dus voldoende marge te bestaan ten opzichte van de drempel van 60 % aan het eind van de horizon.

Grafiek 4.1.3:Schuldprofiel (2012-2027)

Bron: Europese Commissie.

In de afgelopen paar jaar heeft Nederland substantiële hervormingen in de eerste pensioenpijler en in de langdurige zorg doorgevoerd. Om het houdbaarheidsrisico van de vergrijzing te ondervangen, is de aow-leeftijd geleidelijk opgetrokken tot 67 jaar in 2021 en is deze voor de jaren daarna aan de levensverwachting gekoppeld. Conform deze nieuwe wet en op grond van de meest recente bevolkingsprognoses van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft het kabinet in oktober 2016 aangekondigd dat de pensioenleeftijd wordt verhoogd tot 67 jaar en 3 maanden in 2022. Daarnaast is de langdurige zorg ingrijpend hervormd. De publieke uitgaven aan langdurige zorg zijn met 4,1 % van het bbp in 2013 het hoogst in de EU (Europese Commissie, 2015b). Dit komt grotendeels door het hoge percentage institutionele zorg (87 %) in Nederland. Die zorg is relatief duur. Om de verwachte sterke stijging van het aantal ontvangers van langdurige zorg in de komende decennia tegen te gaan, zijn substantiële hervormingen doorgevoerd. Daarbij zijn grote delen van de niet-residentiële langdurige zorg in 2015 verschoven naar de gemeenten en wordt meer nadruk gelegd op mantelzorg, waarin particulieren en familieleden een grotere rol spelen. De overgangsfase van het hervormingsproces is inmiddels met succes afgerond, inclusief de implementatie ervan op gemeentelijk niveau, maar het is nog te vroeg voor een beoordeling van de volledige impact van de hervormingen. Niettemin stijgen de uitgaven aan langdurige zorg als percentage van het bbp tussen 2013 en 2060 volgens de huidige projecties met 3,0 procentpunt, tegen een EU-gemiddelde van 1,1 procentpunt (Europese Commissie, 2015b), wat duidt op een mogelijk houdbaarheidsprobleem op middellange en lange termijn. In 2018 komt de Nederlandse overheid met een brede evaluatie van de hervorming.

4.1.3.Begrotingskader

Nederland beschikt over een goed opgezet begrotingskader dat als goede praktijk dient (Ayuso i Casals, 2012, en Europese Commissie, 2010). Het kader berust op het principe van trendmatig begrotingsbeleid en automatische stabilisatie. Bij de start van een kabinet zijn op basis van de onafhankelijke macro-economische projectie van het Centraal Planbureau (CPB) reële jaarlijkse uitgavenplafonds voor de voornaamste begrotingsgebieden in het coalitieakkoord vastgelegd om de begrotingsdoelstelling aan het eind van de kabinetsperiode te halen. Het kabinet moet deze in de Wet houdbare overheidsfinanciën (WetHOF) vastgelegde plafonds in acht nemen, terwijl de ontvangstenzijde van de begroting binnen bepaalde grenzen mag fluctueren. De Afdeling advisering van de Raad van State ziet toe op de naleving van de cijfermatige begrotingsvoorschriften.

Ook al heeft het nationale begrotingskader een goede staat van dienst, toch wordt thans onderzocht hoe het nog verder kan worden verbeterd. Een speciale adviesgroep van hoge ambtenaren heeft het kader voorafgaand aan de verkiezingen van 2017 doorgelicht. De adviesgroep (die algemeen advies uitbrengt over de begrotingskoers voor de volgende kabinetsperiode) heeft de mogelijkheden in kaart gebracht om het systeem van plafonds beter in lijn te brengen met het Europese kader en om de automatische stabilisatie aan de uitgavenzijde te versterken. In het bijzonder heeft de groep aanbevolen om de rente-uitgaven en aardgaswinning binnen het uitgavenkader te plaatsen, maar conjuncturele uitgaven, zoals de WW, buiten dat kader te plaatsen. Nochtans vallen de belastinguitgaven niet onder de plafonds en zijn deze derhalve niet aan hetzelfde scherpe toezicht onderworpen hoewel ze een groot deel van de begroting uitmaken. De aftrekbaarheid van de hypotheekrente en de aftrekbaarheid van de pensioenpremies waren in 2016 samen alleen al goed voor meer dan 21 miljard EUR, ofwel zo'n 3 % van het bbp.

4.1.4.Kwaliteit van de overheidsfinanciën

De publieke uitgaven op groeibevorderende terreinen liggen lager dan in vergelijkbare landen. Binnen de budgettaire ruimte is het van belang om de overheidsmiddelen op efficiënte wijze in te zetten voor de bevordering van langdurige groei en werkgelegenheid. Een aantal uitgavencategorieën wordt gezien als groeibevorderend, bijvoorbeeld publieke investeringen (bruto-investeringen in vaste activa), die in 2015 goed waren voor 3,5 % van het bbp en daarmee boven het EU-gemiddelde van 2,9 % lagen (EZ 2,7 % van het bbp). Bovendien gaf Nederland in 2014 5,4 % van het bbp uit aan onderwijs, minder dan de best presterende vergelijkbare landen op dit gebied, zoals Finland, Zweden of Denemarken (zie punt 4.3.3). Evenzo blijft de publieke O&O-intensiteit (0,9 % van het bbp) achter bij die in de meest innovatieve Europese economieën. Volgens de prognoses zal de rechtstreekse overheidssteun voor O&O tussen 2016 en 2020 teruglopen (zie punt 4.5.1).

4.2.    Financiële sector

4.2.1.Banksector

Relatief gezien zijn de banken de belangrijkste financiële intermediairs in Nederland. In augustus 2016 bedroegen de bancaire activa in Nederland 380 % van het bbp, ongeveer hetzelfde als in Denemarken, Ierland, Frankrijk en het VK. Er is sprake van een hoge marktconcentratie; het gezamenlijke marktaandeel van de top 5-spelers is een van de hoogste in de EU. De vijf grootste banken hebben een marktaandeel van 85 % in de totale activa van de sector (ECB, 2016a).

Het bankwezen is sinds de crisis solider geworden. Na de ineenstorting in 2008 tijdens de financiële crisis zijn de kapitaalratio's verdubbeld en de stresstest van de Europese Bankautoriteit (EBA) heeft uitgewezen dat de banken in staat zijn om behoorlijk ongunstige omstandigheden het hoofd te bieden. Sinds 2010 zijn het rendement op eigen vermogen en het rendement op activa positief en liggen deze boven het eurozonegemiddelde (geconsolideerde bankgegevens van de ECB). In juni 2016 bedroeg de ratio binnenlandse leningen/deposito's 126 %, tegen een eurozonegemiddelde van 100 %. Omdat het aflossen op de hypotheekschuld en te veel sparen bij banken wordt ontmoedigd door fiscale prikkels, moeten die banken een fors financieringsgat dichten door effecten met woninghypotheken als zekerheid uit te geven en door op zoek te gaan naar deposito's in het buitenland, en met name in Duitsland. Bijgevolg blijven de banken naar internationale maatstaven sterk afhankelijk van marktfinanciering, aangezien bij de banken betrekkelijk weinig spaargeld wordt ingelegd vanwege de verplichte hoge besparingen bij de pensioenfondsen (zie punt 4.4 over de besparingen van de huishoudens).

Ondanks de boom-bust-cyclus heeft de vastgoedmarkt in de afgelopen tien jaar nooit niet-presterende leningen van meer dan 3 % gezien. In juni 2016 bedroeg dit percentage 2,3 %, het op vier na laagste percentage in de EU. Door de nationale hypotheekgarantie (NHG) voor leningen van minder dan 245 000 EUR, door een zeer crediteurenvriendelijk insolventieregime, maar ook door loan-to-incomeplafonds van viermaal het bruto jaarinkomen (exclusief hypotheekrenteaftrek) zijn hoge wanbetalingspercentages voorkomen.

4.2.2.Toegang tot financiering

De toeslag op leningen aan kleine bedrijven is in Nederland vrij hoog. Leningen van minder dan 1 miljoen EUR zijn in Nederland duurder dan gemiddeld in de eurozone, terwijl leningen boven die drempel juist goedkoper zijn dan in vergelijkbare landen. De toeslag op kleine leningen is tijdens de financiële crisis fors opgelopen en is sindsdien niet meer teruggevallen tot de niveaus van voor de crisis (zoals te zien is in grafiek 4.2.1). Dit kan te maken hebben met de sterke concentratie van het bankwezen in Nederland en met het gedrag van kleine en middelgrote bedrijven (mkb'ers) die zeer huiverig zijn om naar een andere bank over te stappen (zie ACM, 2015).

Grafiek 4.2.1:Renteverschil tussen kleine en grote leningen (maandgegevens)

Renteverschil in ppt. tussen leningen van maximaal 1 miljoen EUR en leningen van meer dan 1 miljoen EUR, variabele rente en initiële vaste rente tot 1 jaar

Bron: Europese Centrale Bank.

Na een langdurige periode van dalingen neemt de vraag naar leningen, en met name kleine leningen, weer langzaam toe. Uit de enquête bancaire kredietverlening (ECB, 2016b) blijkt dat de mkb-vraag naar leningen tussen 2008 en medio 2015 is teruggelopen. Daarna is de vraag weer langzaam aangetrokken en volgens de enquête zet deze trend waarschijnlijk door tot in 2017 (DNB, 2016a).

Er zijn maatregelen genomen om de toegang van het mkb tot financiering te vergemakkelijken. Onder meer is gezorgd voor een betere verstrekking van algemene informatie over financieringsbronnen ( 16 ) en voor het mkb-financieringsplatform Financieringslink (Fink). Deze initiatieven zijn ook gericht op een terugdringing van de informatieasymmetrie, die als een groot probleem wordt gezien op de mkb-financieringsmarkten. Met name kan de huidige niet-gestandaardiseerde deling van kredietinformatie leiden tot averechtse selectie en tot hogere kosten voor de beoordeling van kredietaanvragen vanuit het perspectief van de kredietverstrekker (zie IMF, 2014) Het doel van Fink is te zorgen voor een betere, gestandaardiseerde toegang tot informatie over de kredietwaardigheid van mkb'ers ( 17 ). Een bijbehorende routekaart voorziet in de invoering, in de eerste helft van 2017, van open standaarden en van een openbaar register van financiers die aan bepaalde basistransparantievereisten voldoen. Medio 2017 volgt een voortgangsrapportage.

Nederland werkt aan de verdere ontwikkeling van het financieringslandschap via een nationaal dakfonds ( 18 ) en door institutionele beleggers in deze activiteiten te betrekken, maar de alternatieve financieringsbronnen blijven schaars. Tot dusver houden pensioenfondsen en verzekeraars zich grotendeels afzijdig van de durfkapitaalmarkt en mkb-financiering. De Nederlandse Investeringsinstelling (NLII) is bedoeld om institutionele beleggers aan te trekken door fondsen op te richten die de financieringsbehoefte van kleinere bedrijven bundelen. NLII richt zich op financieringsoplossingen binnen uiteenlopende investeringscategorieën, waaronder de kredietverstrekking aan het mkb. Zij heeft het Bedrijfsleningen Fonds en het Achtergestelde Leningen Fonds opgezet. Andere financieringsbronnen (crowdfunding, FinTech) zijn nog schaars, maar kunnen een alternatief bieden voor traditionele leningen aan met name mkb'ers met een hoog risicoprofiel.

4.2.3.Ontwikkelingen op de woningmarkt en schuld van de huishoudens*

Het herstel op de huizenmarkt zet door, maar de snelheid van dit herstel loopt van regio tot regio uiteen. De financiële crisis heeft in Nederland een ernstige negatieve prijsschok op de huizenmarkt teweeggebracht. Sinds 2013 vertonen de prijzen herstel, maar de snelheid van dit herstel loopt van regio tot regio sterk uiteen (zie Europese Commissie, 2016a). De hoogste groei wordt genoteerd in grote steden als Amsterdam, waar de prijzen al ruim boven het niveau van voor de crisis liggen. Over de gehele economie bezien wijzen modelramingen erop dat de huizenprijzen ruwweg rond de ramingen van de fundamentele waarden liggen, hoewel de prijs/inkomen- en de prijs/huur-ratio nog onder de langetermijngemiddelden liggen (grafiek 4.2.2).

Grafiek 4.2.2:Waardering van huizenprijzen

Waarderingsgap, geraamd op basis van prijs/inkomen, prijs/huur en het fundamentele model. De langetermijnwaarden voor de prijs/inkomen- en de prijs/huur-ratio zijn berekend over de periode 1995-2015. Voor de modelgebaseerde waarderingsgaps is een vectorfoutcorrectiemodel geraamd voor een panel van 21 EU-landen op basis van een systeem van vijf fundamentele variabelen: de relatieve huizenprijzen, de totale bevolking, de werkelijke investeringen in woningen, het reële beschikbare inkomen per hoofd van de bevolking en de reële langetermijnrente.

Bron: Europese Commissie.

De particuliere huurmarkt is nog niet goed van de grond gekomen. Nieuwe woningen worden meestal gebouwd voor de gesubsidieerde segmenten van de woningmarkt. De markt voor eigenwoningbezit profiteert van de betrekkelijk royale hypotheekrenteaftrek (HRA), terwijl de huren in de sociale sector indirect worden gesubsidieerd. Alleen de particuliere huursector krijgt geen impliciete of rechtstreekse subsidies (zoals de HRA). Dit verklaart waarom deze markt onderontwikkeld is. Hoewel een groot aanbod aan sociale woningen voordelen heeft qua betaalbaarheid, hebben verdringingseffecten op andere segmenten van de huurmarkt hun weerslag op de werking van de woningmarkt als geheel. Door het ontbreken van een sterk middensegment op de huurmarkt worden de middeninkomens voortijdig de markt voor eigenwoningbezit opgedreven en dat verhoogt de financiële kwetsbaarheid (zie Europese Commissie 2016a). Dit geldt name voor de jonge middeninkomens, met als gevolg een betrekkelijk lage gemiddelde leeftijd van bezitters van een eigen woning en betrekkelijk hoge schuld/inkomen-ratio's. Het percentage eigenwoningbezitters met een schuld die hoger is dan de huidige waarde van hun woning (hypotheken die onder water staan) bedraagt 17,6 % (derde kwartaal 2016, gegevens DNB) en in deze categorie zijn de jongere leeftijdsgroepen zwaar oververtegenwoordigd. Andere minpunten zijn de inefficiënte toewijzingsmechanismen voor sociale woningen, wat in de steden lange wachtlijsten veroorzaakt, en het fenomeen van personen die ondanks een inkomen dat boven de relevante drempels ligt, in een sociale woning wonen (de zogeheten scheefhuurders). Wel is het aantal scheefhuurders volgens de overheid teruggelopen van 28 % in 2009 naar 18 % in 2015 (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2016, blz. 58 e.v.).

Grafiek 4.2.3:Woningmarkt in Nederland (2015)

Bron: CBS

Vanaf 2013 zijn beleidsmaatregelen genomen om de werking van de markt voor eigenwoningbezit te verbeteren. Het huidige kabinet heeft een aantal maatregelen genomen om de schuld van huishoudens terug te dringen en de werking van de woningmarkt te verbeteren. De loan-to-value- en de loan-to-incomeratio zijn aangescherpt en de fiscale subsidie voor het bezit van een eigen woning wordt geleidelijk beperkt ( 19 ). Aangezien de HRA in een nogal traag tempo wordt afgebouwd, lijkt het beleid een redelijk beperkt effect te sorteren (zie Europese Commissie 2016a). De onafhankelijke Studiegroep duurzame groei heeft voor de volgende kabinetsperiode een versnelling voorgesteld (zie Rijksoverheid, 2016a, blz. 32).

Onduidelijk is nog welk effect de recente beleidsmaatregelen op de algehele werking van de huurmarkt sorteren. De recente maatregelen om de werking van de huurmarkt te verbeteren, zijn onder meer: i) sterkere huurverhogingen voor scheefhuurders, ii) een vereenvoudiging van de methode om de maandelijkse huur te bepalen, iii) een (juridische of boekhoudkundige) opsplitsing van sociale woningcorporaties in diensten van algemeen belang en overige diensten, en iv) (juridische) maatregelen die ruimte bieden voor meer kortlopende huurcontracten. Hoewel maatregelen als de sterkere huurverhogingen voor scheefhuurders veelbelovend zijn, zijn de gevolgen van het totale beleidspakket nog grotendeels onbekend omdat het in de huidige periode wordt doorgevoerd. Zo moet de formele opsplitsing van de woningcorporaties in diensten van algemeen belang en overige diensten uiterlijk op 1 januari 2017 zijn geïmplementeerd.

Zoals besproken in de PMO-matrix, ligt de schuld van zowel de sector niet-financiële vennootschappen als de huishoudens substantieel boven de gemiddelden van de EU-28 en de scorebordbenchmark. In 2015 stond de (geconsolideerde) schuldquote van de particuliere sector op 229 % van het bbp, met 118 % van het bbp voor de sector niet-financiële vennootschappen en 111 % van het bbp voor de sector huishoudens. De schuld van de vennootschapssector is in Nederland betrekkelijk laag ten opzichte van zijn activa en inkomstenstromen (zie Europese Commissie, 2015c, blz. 22-23). Hoewel de verhouding tussen de brutoschuld van huishoudens en de activa van huishoudens niet veel verschilt van die van andere, vergelijkbare landen, is deze schuld wel hoog als percentage van het bbp (bijna tweemaal zo hoog als het gemiddelde van de EU-28) en als percentage van het beschikbare inkomen (232 %). Ook heeft het Europees Comité voor systeemrisico's Nederland gewaarschuwd voor de stijgende huizenprijzen en schuldniveaus (ESRB 2016).

De actieve schuldafbouw door de huishoudens is omgeslagen in een passieve schuldafbouw. Terwijl de nominale schuldniveaus tussen 2012 en 2014 nog daalden, vertoont de hypotheekschuld sinds eind 2014 weer een nominale stijging, zij het in een bescheiden tempo. Omdat het nominale bbp echter sneller stijgt, blijft de hypotheekschuld als percentage van het bbp toch dalen (passieve schuldafbouw).

Grafiek 4.2.4:Schuld van huishoudens

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Nieuwe regelgeving en vrijwillige aflossingen kunnen de koppeling tussen de ontwikkelingen op de huizenmarkt enerzijds en de ontwikkeling van de schuld anderzijds verzwakken, maar het herstel op de huizenmarkt en de lage rente bieden de kans om beleidsdistorsies verder af te bouwen. In de laatste paar jaar is de groei van de schuld van de huishoudens ruim onder de scherpe stijging van de prijzen op de huizenmarkt en van de transacties gebleven. Ook beperken de aanhoudende vrijwillige aflossingen de groei van de hypotheekschuld. Volgens enquêtes en gegevens van de Nederlandsche Bank lossen de huishoudens in toenemende mate af op hun uitstaande hypotheek om gebruik te maken van rentearbitragemogelijkheden (zie DNB, 2015b). Het aanhoudende herstel van de economie en de huizenmarkt kan worden aangegrepen om huishoudens schokbestendiger te maken. De maatregelen waarover in Nederland wordt gesproken, zijn onder meer een versnelling van de in januari 2014 ingevoerde afbouw van het fiscale hypotheekrentevoordeel en een verdere verlaging van de maximale loan-to-value-ratio na 2018 ( 20 ).

Grafiek 4.2.5:Mutatie hypotheekschuld en huizenprijzen

Bron: CBS

4.2.4.Pensioenen*

Hoewel het driepijlerpensioenstelsel effectief is in de zin van budgettaire houdbaarheid en toereikendheid van de pensioenen, heeft het minpunten op het gebied van dekking, transparantie en flexibiliteit gedurende de levenscyclus. De hoge pensioenpremies voor de tweede pijler van het pensioenstelsel wegen op het beschikbare inkomen. Bovendien beperkt de financiering van het stelsel de mogelijkheid tot consumptiespreiding over de levensloop. De druk op het beschikbare inkomen voor mensen in de eerste jaren van hun werkzame leven komt van twee kanten: ten eerste van de huizenmarkt, waar zij worden aangezet tot de aankoop van een eigen huis, waarbij een hoge hypotheek wordt aangegaan en op de hoofdsom wordt afgelost, en ten tweede van de hoge pensioenpremies. Heel anders is het perspectief voor ouderen, die gemiddeld hoge pensioeninkomsten en weinig of geen uitgaven voor wonen en kinderen hebben.

De laatste paar jaar zijn de kwetsbare plekken van het bestaande pensioenstelsel bloot komen te liggen. Op dit moment liggen zijn er nog knelpunten in de tweede pijler, waar contracten op basis van gegarandeerde pensioenen (defined benefits) nog de regel zijn (voor meer dan 90 % van alle deelnemers). Deze knelpunten zijn vooral het gevolg van de lage rente en de vergrijzing. De lage rente in combinatie met gegarandeerde pensioenen leidt tot hogere toekomstige verplichtingen, met als gevolg onderdekking bij veel pensioenfondsen.

Ad-hocaanpassingen leiden tot procyclische macro-economische schokken en brengen het gevaar mee van een onbedoelde intergenerationele overdracht die ten koste gaat van de jongere generaties. Het pensioenstelsel heeft een procyclisch karakter: in crisistijden moeten de premies worden verhoogd om de gegarandeerde pensioenen te kunnen uitkeren. Omdat verlaging van de pensioenuitkeringen een laatste redmiddel is, worden risico's per saldo verschoven naar de actieve, jongere generaties. Ontegenzeglijk is het vertrouwen in het stelsel in de laatste paar jaar afgenomen, niet alleen vanwege de daadwerkelijk getroffen maatregelen, maar ook vanwege de potentiële nieuwe maatregelen die nodig kunnen zijn om de dekkingsgraden te verbeteren.

Sommige bedrijfspensioenfondsen met kapitaaldekking zijn de laatste paar jaar overgestapt van een regeling met gegarandeerde pensioenen naar een regeling op basis van premiepensioen (defined contribution). Stelsels met volledige kapitaaldekking berusten van nature op premiepensioen: er worden premies ingelegd, er wordt een rendement behaald en het overeenkomstige pensioen wordt achteraf berekend. Tal van bedrijfspensioenregelingen in Nederland zijn echter defined-benefit. Deze combinatie ligt aan de basis van de discretionaire aanpassingen van de premies, indexaties of, als laatste redmiddel, een verlaging van uitkeringen. Door deze ad-hocaanpassingen is het pensioenstelsel in de praktijk eigenlijk niet defined-benefit in enge zin. De jongere leeftijdsgroepen kunnen vandaag worden geconfronteerd met een premieverhoging zonder dat daar morgen een gegarandeerd hogere uitkering tegenover staat. Hoewel premiepensioenstelsels voor de deelnemers minder voorspelbaar zijn dan stelsels met gegarandeerde pensioenen, zijn ze in feite wel transparanter en beperken ze het risico van significante overdrachten tussen de verschillende generaties. Voorts zijn premiepensioenstelsels doorgaans in actuarieel opzicht billijk. Dit houdt in dat premies dezelfde pensioenrechten opleveren ongeacht het moment in het leven van de werknemer waarop ze worden ingelegd. De Nederlandsche Bank heeft gepleit voor een fundamentele aanpassing van het pensioenstelsel, inclusief een hervorming van de doorsneesystematiek, de invoering van een op het individu toegesneden pensioenopbouw en een leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid (zie DNB, 2016b).

Op 8 juli 2016 heeft het kabinet een routekaart gepresenteerd voor een ingrijpende herziening van de tweede pijler van het pensioenstelsel in 2020. De beoogde hervorming is gericht op vier thema's:

1. dekking: een toereikend pensioen voor alle werkenden, inclusief zelfstandigen;

2. actuariële billijkheid: een actuarieel billijker stelsel van opbouw van pensioenrechten;

3. transparantie: een transparanter en eenvoudiger pensioen;

4. flexibiliteit: meer ruimte voor maatwerk en keuzemogelijkheden (meer nadruk op een op de persoonlijke situatie afgestemde verplichte pensioenopbouw).

Deze "hoofdlijnen" bieden veelbelovende mogelijkheden om tot lagere, stabielere pensioenpremies te komen met behoud van de toereikendheid van de pensioenen. In het bijzonder kan een en ander leiden tot een stabielere ontwikkeling van de binnenlandse vraag omdat de risico's in de tweede pensioenpijler per saldo generationeel billijker worden gespreid. Met de verkiezingen in het voorjaar van 2017 in het verschiet worden substantiële hervormingen echter overgelaten aan een toekomstig kabinet.

4.3.    Arbeidsmarkt, onderwijs en sociaal beleid

4.3.1.Recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt

De situatie op de arbeidsmarkt verbetert gestaag. De werkloosheid is gedaald tot 5,4 % in december 2016 en de arbeidsmarktparticipatie (81,7 % in het derde kwartaal van 2016) en het percentage werkenden (77,4 % in het tweede kwartaal van 2016) zijn verder toegenomen (grafiek 4.3.1). De nominale lonen zijn in 2015 met een bescheiden 0,4 % gestegen, wat minder is dan mag worden verwacht op basis van fundamentele economische factoren zoals de ontwikkeling van de prijzen, werkloosheid en productiviteit ( 21 ). Omdat de loongroei is achtergebleven bij de bescheiden productiviteitswinst, zijn de nominale loonkosten per eenheid in 2015 gedaald met 0,6 % (grafiek 4.3.2). Er wordt echter van uitgegaan dat de loonkosten per eenheid vanaf 2016 door de nominale loongroei worden opgestuwd tot bijna 2 % (zie ook grafiek 4.4.13).

Grafiek 4.3.1:Voornaamste arbeidsmarktontwikkelingen

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Grafiek 4.3.2:Trends in de loonkosten en -componenten

Bron: Europese Commissie.

De algehele participatiegraad is zeer hoog, maar sommige groepen doen het op dit gebied minder goed; met name de situatie van degenen die buiten de EU zijn geboren, blijft een belangrijk aandachtspunt. De werkgelegenheid onder niet in de EU geboren migranten bedroeg 58,5 % in 2015, 20 procentpunt lager dan bij personen die in Nederland zijn geboren. De kloof is met name groot bij niet in de EU geboren vrouwen (25 procentpunt lager dan vrouwen die in Nederland zijn geboren). Daarnaast is de werkloosheid onder niet in de EU geboren migranten (13,3 %) hoger dan onder degenen die in Nederland zijn geboren (6,2 %). Met name onder jongeren (15-25 jaar) was de werkloosheid hoger; deze bedroeg in 2015 23,4 % en lag daarmee 12,8 procentpunt hoger dan onder in Nederland geboren jongeren. De verschillen in arbeidsmarktprestaties van niet in de EU geboren migranten zijn deels te verklaren door verschillen in leeftijd en opleiding, maar ook gecorrigeerd voor deze elementen blijft de werkgelegenheidskloof voor meer dan 83 % onverklaarbaar ( 22 ). Dit duidt erop dat andere factoren, bijvoorbeeld de formele of informele erkenning van kwalificaties, taalvaardigheden of discriminatie, een rol kunnen spelen. Voorts zijn de arbeidsmarktprestaties van migranten van de tweede generatie ook nog wisselend. Jongeren (15-24 jaar) met een migrantenachtergrond zijn vaker werkloos, met name wanneer beide ouders in het buitenland zijn geboren (26 % in 2013 tegen 7,6 % bij jongeren van wie beide ouders in Nederland zijn geboren).

Een hoge activiteitsgraad van oudere werknemers gaat hand in hand met een betrekkelijk hoge langdurige werkloosheid. De langdurige werkloosheid onder oudere werknemers (50-74 jaar oud) is tussen 2009 en 2015 opgelopen en blijft hoog, ondanks recente verbeteringen (grafiek 4.3.3). Dit verschil kan deels worden toegeschreven aan de hoge activiteitsgraad van oudere werknemers in Nederland (52,4 %) in vergelijking met andere EU-landen (gemiddeld 47,5 %), maar kan ook samenhangen met de hoge financiële kosten waarmee werkgevers worden geconfronteerd wanneer zij een oudere werknemer in dienst nemen (zie Europese Commissie, 2016a, blz. 47). Het kabinet heeft in samenwerking met de sociale partners een in 2017 en 2018 te implementeren integraal actieplan ingediend om de positie van oudere werknemers (50+) op de arbeidsmarkt te verbeteren (zie Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2016a).

Grafiek 4.3.3:Langdurige werkloosheid naar leeftijdsgroep (2005 - derde kwartaal 2016)

Bron: Europese Commissie (Eurostat). Niet-seizoensgecorrigeerde gegevens.

Hoewel vrouwen actief participeren op de arbeidsmarkt, werkt twee derde van hen parttime. De kloof tussen het percentage werkende mannen en vrouwen is de afgelopen zes jaar steeds kleiner geworden en ligt op het EU-gemiddelde (11 procentpunt in 2015). Omgerekend in fulltime-equivalent is deze kloof echter een van de grootste in de EU (27 procentpunt in 2015, grafiek 4.3.4). Het geringere aantal uren dat vrouwen werken, is grotendeels het gevolg van vrijwillige keuzes in het vinden van een balans tussen werk en privéleven, maar kan ook te maken hebben met institutionele en beleidsprikkels.

Grafiek 4.3.4:Werkgelegenheidskloof (2015)

FTER is het verschil tussen het percentage werkende mannen en werkende vrouwen, omgerekend in fte. De ER-kloof is het verschil tussen het percentage werkende mannen en werkende vrouwen.

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

De verantwoordelijkheid voor de arbeidsmarktintegratie is in 2015 overgeheveld naar de gemeenten. Met de inwerkingtreding van de Participatiewet in 2015 ligt de verantwoordelijkheid voor de groepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt in de eerste plaats bij de gemeenten. De gemeenten bieden brede ondersteuning om belemmeringen voor het betreden van de arbeidsmarkt weg te nemen, zoals talencursussen, kinderopvang en adequate woonvoorzieningen. Er zijn slechts voorbeoordelingen van de effectiviteit van het geïmplementeerde arbeidsmarktbeleid beschikbaar. Volgens twee rapporten uit 2016 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sorteert de Participatiewet slechts een beperkt effect. De stijging van het aantal bijstandsgerechtigden is deels toe te schrijven aan nieuwe groepen, namelijk jongere mensen met een handicap en de grotere instroom van vluchtelingen. In oktober 2016 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangekondigd dat de gemeenten kunnen experimenteren met de Participatiewet: ze mogen twee jaar lang de bijstandsregels op een afwijkende, op hun lokale situatie afgestemde wijze toepassen.

De armoedecijfers blijven ondanks een recente toename laag. Het armoederisicopercentage is opgelopen van 10,4 % in 2013 (16,7 % voor EU-28) naar 11,6 % in 2015 (17,3 % voor EU-28). Het aantal huishoudens met een laag inkomen is licht gestegen, van 10,3 % in 2013 naar 10,4 % in 2014 (zie CBS, 2015b). Het aantal huishoudens dat in langdurige armoede verkeert, is opgelopen van 2,9 % in 2013 naar 3,3 % in 2014 ( 23 ). Het percentage personen dat deel uitmaakt van een huishouden met een lage werkintensiteit, vertoont een stijging van 9,3 % (in 2013) naar 10,2 % (in 2015). Volgens ramingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau daalt de armoede de komende jaren onder alle groepen. In het sociaal beleid van Nederland wordt werk als de voornaamste remedie tegen armoede gezien. Het kabinet heeft in 2016 besloten om vanaf 2017 jaarlijks structureel 100 miljoen EUR extra beschikbaar te stellen om armoede onder kinderen tegen te gaan. Dit budget is alleen bedoeld voor kinderen die deel uitmaken van een huishouden met een laag inkomen. Om er zeker van te zijn dat dit extra geld bij de kinderen terechtkomt, wordt het in natura beschikbaar gesteld in de vorm van goederen en diensten.

4.3.2.Segmentatie van de arbeidsmarkt

Het aandeel flexwerkers op de arbeidsmarkt is relatief groot en neemt nog steeds toe. Zowel het percentage tijdelijke werknemers als het percentage zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers) is de afgelopen tien jaar fors opgelopen in Nederland (grafiek 4.3.6). Dit valt terug te voeren op macro-economische en institutionele factoren, waaronder een gunstige fiscale behandeling (van zzp'ers) en grote verschillen in ontslagbeschermingswetgeving tussen vaste en tijdelijke contracten (zie Europese Commissie, 2016a, blz. 46-49).

Grafiek 4.3.5:Toename flexibiliteit op de arbeidsmarkt

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

Arbeidsmarktindicatoren wijzen op het gevaar van segmentatie op de arbeidsmarkt. De recente stijging van de werkgelegenheid is grotendeels toe te schrijven aan tijdelijk werk. Daarnaast blijft het aandeel tijdelijk werk (dat al een van de hoogste is in de EU) in Nederland stijgen, terwijl de doorstroming van tijdelijk naar vast werk de laatste jaren redelijk constant is gebleven. Er is sprake van een substantieel verschil tussen het modale loon van een werknemer met een vast contract en een werknemer met een tijdelijk contract. In 2014 bedroeg de niet-gecorrigeerde loonkloof 32 % en was daarmee een van de hoogste in de EU (grafiek 4.3.6). Dit komt deels door verschillen in individuele en baankenmerken, maar ook gecorrigeerd voor deze elementen blijft de loonkloof 16 % ( 24 ). Voorts is het percentage onvrijwillig tijdelijk werk opgelopen van 33,9 % in 2010 naar 54,6 % in 2015. Deze ontwikkelingen wijzen op het gevaar van arbeidsmarktsegmentatie en toenemende baanonzekerheid.

Grafiek 4.3.6:Niet-gecorrigeerde loonkloof tussen werknemers met een vast en met een tijdelijk dienstverband (2014)

Bron: Europese Commissie (Eurostat).

In 2015 is een grote hervorming doorgevoerd om de verschillen tussen tijdelijke en vaste contracten te verkleinen ( 25 ), maar omdat de hervorming geleidelijk wordt geïmplementeerd, is het nog te vroeg voor een evaluatie ervan. Voor de vaste contracten zijn de ontslagregels en -procedures vereenvoudigd en zijn de ontslagvergoedingen verlaagd. Daarnaast zijn met het oog op een verkleining van de verschillen tussen vaste en tijdelijke contracten de rechten van flexwerkers versterkt: het aantal tijdelijke contracten is beperkt tot drie, met een maximale duur van in totaal twee jaar. De tussenpoos voor vernieuwing van een tijdelijk contract na in totaal drie contracten of twee jaar werk is opgetrokken van drie naar zes maanden. Volgens enkele voorevaluaties (zie Bennaars e.a., 2016, Houweling e.a., 2016) lijken de hervormingen wisselende resultaten te hebben opgeleverd. Ondanks de door de wetgever beoogde daling van de ontslagvergoedingen moeten werkgevers naar eigen zeggen langere en lastigere afvloeiingsprocedures volgen die met meer onzekerheid zijn omgeven. Over de vraag of de doorstroming van een tijdelijk naar een vast dienstverband toeneemt dankzij de Wet werk en zekerheid, is nog geen betrouwbare wetenschappelijke informatie beschikbaar.

Het aantal zelfstandigen, en met name het aantal zzp'ers, is in 2015 verder toegenomen, maar lijkt zich in 2016 te hebben gestabiliseerd. Zzp'ers maakten in 2015 11,5 % van het totale percentage werkenden uit. Dit is 4 procentpunt meer dan in 2005 (zie Europese Commissie, 2016a, blz. 47, grafiek 3.2.7). De groep zelfstandigen is uiterst heterogeen. Veranderingen in de industriële productie met verschuivingen van werkgelegenheid naar sectoren die zich naar hun aard meer lenen voor zelfstandig ondernemerschap, bieden slechts een beperkte verklaring voor de recente verschuiving naar zelfstandig ondernemerschap zonder personeel. Daarentegen blijken bepaalde institutionele factoren die verband houden met het verschil in fiscale behandeling en behandeling op het gebied van sociale zekerheid, evenals de toepasselijke arbeids- en ontslagbeschermingsregelgeving aan de basis te liggen van de snelle stijging van het aantal zzp'ers. Volgens een overheidsstudie (Ministerie van Financiën, 2015) leiden fiscale prikkels voor zelfstandigen niet tot substantieel meer banen en zijn de meeste zelfstandigen niet of slechts deels verzekerd voor ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en de oudedagsvoorziening ( 26 ). De studie wijst ook uit dat er geen correlatie tussen zelfstandigenbanen en innovatie bestaat. Laatstgenoemde factoren wijzen op rigiditeiten in de formele werkgelegenheidssector. Daarnaast ontstaan door de gunstige fiscale behandeling van zzp'ers en door de mogelijkheid om minder (of geen) sociale premies af te dragen, extra risico's en uitdagingen voor met name zelfstandigen met een laag inkomen (zie Europese Commissie, 2016a, blz. 47-48). Met de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) heeft Nederland een mechanisme voorgesteld om de prikkels voor werkgevers om werknemers te vervangen door schijnzelfstandigen, te verminderen. De uitvoering van die wet is onlangs echter opgeschort tot ten minste begin 2018.

4.3.3.Onderwijs

Over het geheel genomen wordt goed gepresteerd, maar de basisvaardigheden nemen af en de kansenongelijkheid in het onderwijs neemt toe. De gemiddelde PISA-scores voor natuurwetenschappen, wiskunde en leesvaardigheid waren in 2015 lager dan in de vorige ronde van 2012. Het percentage uitblinkers in wiskunde en natuurwetenschappen is licht gedaald, maar is gestegen bij leesvaardigheid. Het percentage zwakke leerlingen ligt in Nederland volgens PISA 2015 onder het EU-gemiddelde, maar is wel op alle gebieden gestegen. De sociaaleconomische achtergrond is van relatief grote invloed op de prestaties. Ook de onderwijsinspectie heeft een toename van de kansenongelijkheid in het onderwijs gesignaleerd. In een steekproef uit leerlingen met gemiddelde cognitieve prestaties behaalde 55 % van de leerlingen met hoogopgeleide ouders een diploma hoger onderwijs, tegen 26 % van de leerlingen met laagopgeleide ouders (Inspectie van het Onderwijs 2016a).

De overheidsuitgaven aan onderwijs als percentage van het bbp liggen boven het EU-gemiddelde, maar onder die van de best presterende landen. In 2014 gaf Nederland 5,4 % van het bbp uit aan onderwijs. Dat is minder dan Finland, Zweden en Denemarken met respectievelijk 6,4 %, 6,6 % en 7,2 % van het bbp. Er blijkt een sterke correlatie te bestaan tussen de kwaliteit van leraren en de onderwijsresultaten (Europese Commissie, 2012, OESO 2016f). In aansluiting op de Lerarenagenda 2013-2020 heeft het Ministerie van Onderwijs maatregelen getroffen om de kwaliteit van het onderwijs, lerarenopleidingen en het carrièreperspectief te verbeteren (Europese Commissie, 2015e). De maatregelen om de kwaliteit van de lerarenopleidingen en het carrièreperspectief te verbeteren, hebben nog niet geleid tot meer aanmeldingen bij de lerarenopleidingen (Ministerie van Onderwijs 2016a).

De instroom van asielzoekers in 2015, onder wie minderjarigen, heeft het onderwijs voor diverse uitdagingen geplaatst. Tot 2013 kregen per jaar gemiddeld zo'n 2 400 nieuwe leerplichtige asielzoekers een plek in het onderwijs. Daarna steeg het aantal fors, tot 4 900 in 2014 en 12 700 in 2015 (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016b). De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het onderwijs aan asielzoekers en zoeken in overleg met de scholen naar passende oplossingen. Een probleem voor mensen met een migrantenachtergrond, onder wie vluchtelingen, die zich willen inschrijven voor het beroepsonderwijs of hoger onderwijs, is de erkenning van hun kwalificaties. Het kan twee jaar duren om te slagen voor het Staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2), dat nodig is om toegang te krijgen tot het hoger onderwijs. Het Ministerie van Onderwijs werkt thans aan gecombineerde trajecten waarin asielzoekers beroepsonderwijs en het integratieproces kunnen combineren. Daarmee moet het voor houders van een verblijfvergunning mogelijk worden om een opleiding te gaan volgen voordat zij het integratieproces hebben afgerond. Voorts werkt het ministerie aan een verbetering van de communicatie, een versnelling van de asielprocedure en een koppeling van leren en werken.

4.4. Investeringen

4.4.1.De onevenwichtige verhouding tussen besparingen en investeringen*

Nederland houdt een vorderingenoverschot op de rest van de wereld, wat blijkt uit het omvangrijke overschot op de lopende rekening. Het vijfjarig gemiddelde van het vorderingenoverschot bedroeg 7,9 % van het bbp in 2015. Zoals te zien is in grafiek 4.4.1, komt het hoge vorderingenoverschot sinds 2001 grotendeels voor rekening van het bedrijfsleven en in het bijzonder van de niet-financiële vennootschappen (NFV’s). De afname van het vorderingenoverschot van NFV´s in de periode 2010-2013 meer dan gecompenseerd door de schuldafbouw van de huishoudens en de begrotingsconsolidatie door de overheid. Nu de schuldafbouw van de huishoudens echter is vertraagd en het vorderingenoverschot van de vennootschapssector naar beneden blijft gaan, neemt het totale vorderingenoverschot op de rest van de wereld volgens de huidige projecties de komende jaren langzaam af ( 27 ).

Grafiek 4.4.1:Vorderingenoverschot/-tekort per sector

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Het hoge vorderingenoverschot is het gevolg van een overschot van de binnenlandse besparingen die niet worden geabsorbeerd door binnenlandse investeringen. De totale binnenlandse besparingen, te weten de totale binnenlandse en buitenlandse investeringen, zijn uitgedrukt in percentage van het bbp relatief stabiel (zie grafiek 4.4.2), maar het percentage aan binnenlandse investeringen ten opzichte van de totale besparingen is afgenomen (Rojas-Romagosa en van der Horst, 2015).

Grafiek 4.4.2:Binnenlandse en buitenlandse investeringen

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

De recente investeringsdynamiek is toe te schrijven aan investeringen in de woningbouw. In overeenstemming met het aanhoudende herstel op de huizenmarkt stijgen de investeringen van de huishoudens nu voor het tweede achtereenvolgende jaar als percentage van het bbp (zie grafiek 4.4.3). De veerkracht van de bedrijfsinvesteringen kan voor een deel worden verklaard door de iets gunstigere kredietvoorwaarden voor vennootschappen met kredietbehoeften, vooral voor grotere vennootschappen en multinationals.

Grafiek 4.4.3:Bruto-investeringen in vaste activa per sector

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Niet-financiële vennootschappen (NFV´s) hebben een aanhoudend hoge spaarquote en een betrekkelijk lage investeringsquote. De besparingen van NFV´s kwamen tussen 2010 en 2015 gemiddeld neer op 18 % van het bbp, terwijl de investeringen gemiddeld 10 % van het bbp bedroegen. In vergelijking met het EU-gemiddelde (12 % van het bbp) zijn de besparingen van NFV´s uitzonderlijk omvangrijk (zie grafiek 4.4.4). Hetzelfde geldt bij een vergelijking met het eurozonegemiddelde of meer in het bijzonder met Duitsland, dat ook een overschotland is. Daarentegen ligt de investeringsquote slechts iets onder het EU-gemiddelde (11 % van het bbp). Als gevolg hiervan is het vorderingenoverschot van NFV´s als percentage van het bbp zes keer zo hoog als het EU-gemiddelde en drie keer zo hoog als dat van Duitsland.

Grafiek 4.4.4:Vorderingenoverschot van NFV´s in vergelijking met andere landen (gemiddelde 2010-2015)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

In vergelijking met andere Europese lidstaten keren NFV´s in Nederland een betrekkelijk gering deel van de winst uit. De ratio netto uitgekeerde winst van NFV´s als percentage van de bruto toegevoegde waarde ligt onder het EU-gemiddelde en is aanzienlijk lager dan het Duitse gemiddelde (zie grafiek 4.4.5). Een nadere blik op de winst- en verliesrekening van NFV´s leert dat het verschil in het vorderingenoverschot tussen NFV´s in Duitsland en Nederland volledig toe te schrijven is aan de verschillen in de ratio netto uitgekeerde winst en in het bijzonder de dividenduitkeringen (zie Europese Commissie 2016a, blz. 16). Het vorderingenoverschot van vennootschappen in 2015 zou 5,7 procentpunten van het bbp lager zijn wanneer de NFV´s nettowinst uitkeerden ter hoogte van het gewogen gemiddelde van de eurozone van 52 % van het netto-exploitatieoverschot. Het overeenkomstige effect op de lopende rekening zou kleiner (bijna 3 % van het bbp), maar nog altijd aanzienlijk zijn geweest ( 28 ). In een studie van de Nederlandsche Bank werd dezelfde conclusie getrokken (zie Eggelte e.a., 2014). Een geringe winstuitkering hangt tot op zekere hoogte samen met fiscale prikkels voor directeuren-grootaandeelhouders (DGA´s) om winst in te houden (zie punt 4.1.), maar vooral ook met het relatief hoge aantal multinationals met een hoofdkantoor in Nederland.

Grafiek 4.4.5:Ratio's netto uitgekeerde winst (gemiddelde 2012-2015)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Multinationals en daarmee verband houdende kapitaalstromen zijn de bepalende factor voor het spaaroverschot. Multinationals zijn prominent aanwezig in de wereld van het bedrijfsleven. Hoewel slechts 2 % van alle in Nederland actieve bedrijven een multinational is, zijn zij goed voor 40 % van de werkgelegenheid in de particuliere sector en voor twee derde van de omzet in deze sector (CBS, 2015a). Uit een analyse van de grootte en de grensoverschrijdende activiteiten van NFV´s blijkt hoe belangrijk multinationals voor de economie zijn. Grafiek 4.4.6 brengt de bedrijfsbesparingen in kaart als percentage van het bbp voor drie soorten NFV´s: grote multinationals, grote binnenlandse vennootschappen en kleine vennootschappen ( 29 ). De besparingen van NFV´s worden grotendeels door multinationals bepaald. In 2015 bedroeg het tienjarig gemiddelde van de besparingen van multinationals 5,9 % van het bbp, goed voor meer dan de helft van de totale besparingen van NFV´s. De besparingen van multinationals in Nederland verklaren dus ruwweg het verschil in besparingen van NFV´s in vergelijking met het EU-gemiddelde (zie grafiek 4.4.5) ( 30 ). De gemiddelde besparingen van grote binnenlandse vennootschappen (1,5 % van het bbp) en kleine vennootschappen (3,0 % van het bbp) zijn betrekkelijk laag en veel stabieler.

Grafiek 4.4.6:Nettobesparingen per soort vennootschap

Bron: CBS op basis van Jansen en Ligthart (2014)

De winst van buitenlandse dochterondernemingen is van invloed op het vorderingenoverschot in Nederland. Een blik op de inkomsten van vennootschappen per soort vennootschap laat duidelijke verschillen zien tussen multinationals en binnenlandse bedrijven. De hoge besparingen van multinationals in termen van bruto toegevoegde waarde worden vooral verklaard door het hoge winstaandeel van buitenlandse dochterondernemingen (zie grafiek 4.4.7). Daaronder vallen ook de in het buitenland ingehouden winsten. Als de winst binnen een dochteronderneming wordt ingehouden, wordt deze ingehouden winst toegewezen aan de moederonderneming, d.w.z. het hoofdkantoor van de multinational in Nederland ( 31 ). Hoewel dit ook geldt voor Europese hoofdkantoren in Nederland die uiteindelijk onder zeggenschap staan van buitenlandse entiteiten, is het netto-effect op het vorderingenoverschot positief en substantieel. In tegenstelling tot de winst uit het buitenland is de exploitatiewinst van binnenlandse activiteiten van multinationals relatief stabiel en zelfs iets lager dan de winst van grote binnenlandse bedrijven in termen van bruto toegevoegde waarde.

Grafiek 4.4.7:Besparingen van multinationals

Bron: CBS op basis van Jansen en Ligthart (2014)

Grafiek 4.4.8:Besparingen van grote binnenlandse ondernemingen

Bron: CBS op basis van Jansen en Ligthart (2014)

De vennootschapsbelastingdruk kan voor multinationals lager zijn dan voor binnenlandse bedrijven. Hoewel het hoogste wettelijke tarief van de vennootschapsbelasting van 25 % gemiddeld is in vergelijking met de eurozone, kan het door multinationals betaalde effectieve tarief van de vennootschapsbelasting lager zijn door een nogal royale toepassing van de deelnemingsvrijstelling (Europese Commissie, 2016e), op grond waarvan dividenden en vermogenswinsten van buitenlandse dochterondernemingen kunnen worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

Multinationals gebruiken hun besparingen voornamelijk om hun deelnemingen in het buitenland te verhogen. In vergelijking met de relatief volatiele inkomsten van dochterondernemingen zijn de winstuitkeringen door multinationals aan aandeelhouders stabieler, zij het op een lager niveau. Dit komt overeen met het standvastige dividendbeleid dat door veel multinationals wordt gevolgd en overheersend is in de bedrijfssector. In de afgelopen jaren zijn spaaroverschotten aangewend voor de inkoop van eigen aandelen en de verwerving van activa in de vorm van aandelen (zie ook Europese Commissie, 2016a). Dit is zichtbaar in grafiek 4.4.9, waarin de trends in de balansactiva van multinationals sinds 2000 in kaart worden gebracht. Tussen 2005 en 2015 verhoogden multinationals hun deelnemingen in het buitenland met bijna 50 procentpunten van het bbp. Dit komt overeen met een stijging van 26 % tot 43 % van de totale activa. De neiging van multinationals om winsten eerder in te houden dan uit te keren is een duidelijke verklaring voor de hoge vorderingenoverschot van vennootschappen in Nederland.

Grafiek 4.4.9:Activa van multinationals

Bron: CBS

4.4.2.Investeringen van pensioenfondsen*

De pensioenfondsen houden het grootste deel van de besparingen van de huishoudens onder zich en investeren voornamelijk in effecten en vooral in het buitenland. De totale activa van pensioenfondsen zijn de laatste 10 jaar aanzienlijk gestegen: van 117 % van het bbp in 2005 tot 185 % van het bbp in 2015. De meeste pensioengelden worden geïnvesteerd in aandelen, en eigenvermogensinstrumenten en andere effecten dan aandelen. Grafiek 4.4.10 toont een uitsplitsing van de activa van de pensioenfondsen. Het grootste deel van de totale activa wordt gevormd door directe investeringen in binnenlandse beleggingsfondsen (45 %). Wanneer rekening wordt gehouden met de beleggingsportefeuilles van deze beleggingsfondsen (d.w.z. wanneer een “doorkijkbenadering” wordt gehanteerd), wordt duidelijk dat uiteindelijk een aanzienlijk groter deel van de pensioengelden naar het buitenland stroomt (79 %).

Grafiek 4.4.10: Activa van pensioenfondsen (tweede kwartaal 2016)

Bron: DNB, Europese Commissie

De sterk internationale diversificatie van de pensioenbesparingsportefeuille is een belangrijke factor in de verklaring van het hoge spaaroverschot. In vergelijking met andere beleggers in de eurozone hebben beleggers in Nederland een relatief laag aandeel van de binnenlandse activa (Boermans en Vermeulen, 2016). Slechts 38 % van hun obligatieportefeuilles wordt in het binnenland belegd. In de eurozone is het gemiddelde aandeel in obligaties van het thuisland 59 %. Als het gaat om beleggingen in aandelen is het verschil zelfs nog groter (8 % voor investeerders in Nederland en 43 % in de eurozone). Daarnaast hebben pensioenfondsen over beide activaklassen een hoger binnenlands aandeel dan andere soorten beleggers in de eurozone. Het spaaroverschot is als zodanig ook het resultaat van minder gediversifieerde portefeuilles van buitenlandse beleggers, die relatief weinig in Nederland beleggen, terwijl binnenlandse beleggers een hoge mate van internationale risicodiversificatie vertonen. Over het algemeen verplaatsen pensioenfondsen relatief grote bedragen aan kapitaal naar andere landen, wat zowel kansen als risico´s voor de crediteur- en debiteurlanden met zich meebrengt en de binnenlandse investeringsbasis verlaagt. Een recent kabinetsinitiatief is erop gericht de investeringskansen voor pensioenfondsen en verzekeraars in de binnenlandse economie te verhogen (zie punt 4.2 over de toegang tot financiering).

Grafiek 4.4.11: Binnenlandse beleggingsfocus (2014)

Bron: Gebaseerd op Boermans en Vermeulen (2016), statistische gegevens van het ESCB betreffende aangehouden effecten

4.4.3.Lopende rekening vanuit handelsperspectief*

Het grote en positieve handelsoverschot in goederen is de belangrijkste drijvende kracht achter het huidige overschot op de lopende rekening vanuit het oogpunt van de nettohandel. De aanzienlijke handelsstromen in en uit Nederland hangen samen met de gunstige geografische ligging en de grote haven van Rotterdam. Bij ongeveer de helft van alle inkomende goederen gaat het ofwel om doorvoerhandel ofwel om wederuitvoer. Laatstgenoemde is goed voor ruwweg 45 % van de totale uitvoer van goederen. Chemicaliën en vervaardigde goederen hebben een groot aandeel in de positieve handelsbalans: de uitvoer ervan is sinds 2000 verdubbeld. De verminderde productie en dus ook verminderde uitvoer van gas heeft de groei van de handelsbalans vertraagd, maar niet voor een algehele trendwijziging gezorgd.

De netto-uitvoer van diensten is negatief. Dit is toe te schrijven aan een nettotekort in de dienstenhandel buiten de eurozone. Binnen de eurozone is de nettodienstenhandelsbalans positief.

Het exportmarktaandeel blijft dalen, net als in andere Europese vergelijkbare landen. In 2015 verloor Nederland marktaandeel in de handel binnen de EU, maar het bleef constant op de markten buiten de EU. Vanuit het oogpunt van de industrie komt de daling in het exportmarktaandeel door een verlies in de handel in goederen, terwijl de bijdrage van diensten sinds 2013 weliswaar klein, maar positief is.

Grafiek 4.4.12: Uitsplitsing van de lopende rekening

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Grafiek 4.4.13: Nominale arbeidskosten (per eenheid per gewerkt uur)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Het kostenconcurrentievermogen verbetert gestaag. Sinds 2013 zijn de loonkosten per eenheid product in de open sectoren afgenomen, wat het prijsconcurrentievermogen van de export ondersteunt. De reële effectieve wisselkoers bleef ruim boven het gemiddelde van de EU, wat wijst op een comparatief voordeel in prijs ten opzichte van andere EU-lidstaten.

4.5. SectoraAl beleid

4.5.1.Productiviteitsontwikkelingen en drijvende krachten daarachter

De productiviteit in Nederland is over het algemeen hoog, maar de productiviteitsgroei blijft onder de gemiddelden van vóór de crisis. De totale arbeidsproductiviteit in Nederland lag in 2015 bijna 27 % boven het EU-gemiddelde, maar de groeipercentages blijven een dalende trend vertonen. Kleine schommelingen daargelaten bleef de jaarlijkse groei van het bbp per gewerkt uur met 1,5 % in 2015 relatief laag (zie grafiek 4.5.1). Er zijn verschillende mogelijke verklaringen voor de trage groei, zoals de lage investeringen in O&O of de beperkte kennisverspreiding. Omdat het arbeidsaanbod maar in beperkte mate aan de productiegroei bijdraagt, worden arbeidsproductiviteit en vaardigheden steeds belangrijker voor de economische groei als geheel.

Grafiek 4.5.1:Bbp per gewerkt uur (constante prijzen, op jaarbasis)

Bron: Europese Commissie (Ameco)

De publieke en private O&O-investeringen zijn relatief laag in Nederland, wat het groeipotentieel van de economie beperkt. Nederland is momenteel weliswaar een “innovatieleider” (Europese Commissie 2016c), maar de totale O&O-intensiteit van 2,01 % van het bbp in 2015 ligt nog altijd aanzienlijk onder het Europa 2020-streefcijfer van 2,5 %. De private O&O-intensiteit (1,12 % van het bbp) blijft in vergelijking met andere innovatieleiders laag( 32 ). Ook de publieke O&O-intensiteit van 0,90 % in 2015 is lager dan in de meest innovatieve Europese economieën. Verder zal de totale publieke O&O-steun, met inbegrip van zowel directe als indirecte begrotingsinstrumenten, naar verwachting dalen van 0,94 % van het bbp in 2016 tot 0,82 % van het bbp in 2021 (Vennekens en van Steen, 2017). Instellingen voor toegepast onderzoek zien zich genoodzaakt deze dalende overheidsfinanciering met meer private financiering te compenseren. En hoewel een nauwere band tussen openbaar onderzoek en het bedrijfsleven belangrijk is, is een doorgaans hoge kwaliteit van openbaar onderzoek niettemin een eerste vereiste voor publiek-private samenwerking.

Grafiek 4.5.2:O&O-uitgaven per sector (2015)

Bron: Europese Commissie (Eurostat)

Er zijn mogelijkheden om de hoogkwalitatieve wetenschapsbasis van Nederland om te zetten in een innovatie-intensievere economie, met meer investeringen in op kennis gebaseerd kapitaal. De wetenschapsbasis is een van de beste van de wereld: 14,5 % van de wetenschappelijke publicaties behoren tot de 10 % meest geciteerde ter wereld en daarmee wordt de beste prestatie in de EU geleverd. De openheid en aantrekkelijkheid van het wetenschappelijke systeem in Nederland blijkt met name uit het grote aantal internationale wetenschappelijke publicaties en buitenlandse promovendi, en de intensieve publiek-private samenwerking (Europese Commissie, 2016c).

Arbeidsmarktinstanties hebben daarnaast mogelijk negatieve effecten op de productiviteitsgroei en innovatieprestaties. Degelijke randvoorwaarden, zoals hoogkwalitatief onderwijs en goed functionerende product- en arbeidsmarkten, zijn van essentieel belang voor de productiviteitsgroei. De vrij strikte ontslagbeschermingswetgeving voor vaste werknemers kan de productiviteitsgroei belemmeren doordat deze wetgeving gevolgen heeft voor het personeelsverloop. Andrews, Criscuolo en Gal (2015) tonen aan dat de potentiële arbeidsproductiviteit in Nederland aanmerkelijk zou kunnen worden verhoogd door de ontslagbescherming minder strikt te maken.

Nederland heeft een sterke en hoogopgeleide beroepsbevolking om te innoveren, maar heeft het niet altijd gemakkelijk om te reageren op nieuwe behoeften van de arbeidsmarkt. Het aantal mensen met een tertiair opleidingsniveau is hoog in vergelijking met het EU-gemiddelde, maar het aantal afgestudeerden in de wetenschap, technologie, techniek en wiskunde (STEM) is met 14,7 % laag( 33 ), met name omdat vrouwen hierin ondervertegenwoordigd zijn. Slechts 25 % van deze afgestudeerden is vrouw en dat is een van de laagste percentages in de EU. Het Techniekpact 2020, dat op alle onderwijsniveaus is gericht, is recent geactualiseerd voor de periode 2016-2020 en de human capital agenda's voor de topsectoren zijn zodanig opgesteld om het aantal gekwalificeerde werknemers te verhogen ( 34 ).

Nederland blijft daarnaast doeltreffende beleidsmaatregelen ontwikkelen om hoogopgeleide werknemers uit het buitenland aan te trekken. Het sinds 2014 ingevoerde programma voor de instroom van kennis is het belangrijkste middel geworden om arbeidsmigratie van buiten de EU naar Nederland te leiden en het programma is geliefd bij werkgevers (OESO, 2016a). Het zorgt ervoor dat jaarlijks ongeveer 12 000 hoogopgeleide migranten worden geworven. Met ingang van oktober 2015 is de administratieve procedure om een verblijfsvergunning te verkrijgen, gestroomlijnd voor onderzoekers, studenten en gekwalificeerde migranten (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016).

4.5.2.Concurrentie op de producten- en dienstenmarkten

Wat de dienstenmarkten, retail en gereglementeerde beroepen betreft, kent Nederland nog altijd de geringste regelgevingsbelemmeringen van de EU, met uitzondering van de bouwsector. Dit geldt met name voor juridische, accountants-, ingenieurs- en bouwkundige beroepen (Europese Commissie, 2017). Ondanks deze beperkte regelgevingsbelemmeringen stelde het kabinet in zijn nationaal actieplan gereglementeerde beroepen nadere noodzakelijke maatregelen vast. Dit plan is in december 2015 bij de Europese Commissie ingediend (Rijksoverheid, 2015). In het actieplan wordt in het bijzonder de ontwikkeling van een nieuw instrument voorgesteld om de proportionaliteit te beoordelen van iedere nieuwe, op aanvullende beroepsreglementering gerichte rechtshandeling.

4.5.3.Energie en duurzaamheid

Nederland heeft zijn tussentijdse streefcijfer voor het aandeel aan hernieuwbare energie niet gehaald en ligt evenmin op koers om het streefcijfer voor energie uit hernieuwbare bronnen in 2020 te halen, hoewel zich recent wel positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan. Nederland had in 2014 een aandeel van hernieuwbare energie van 5,5 % en voldeed daarmee niet aan zijn tussentijdse streefcijfer. De verwachting is bovendien dat Nederland zijn doelstelling van 14 % in 2020 evenmin zal halen, nu de Nationale Energieverkenning 2016 het aandeel hernieuwbare energie in 2020 op slechts 12,5 % raamt. Er zijn echter ook positieve ontwikkelingen op het gebied van hernieuwbare energie. Nederland organiseerde een succesvolle aanbesteding van windmolens op zee (zie kader 4.6.1) en dit windmolenpark zal waarschijnlijk aan de productie van hernieuwbare energie bijdragen. Daarnaast is SDE+, de belangrijkste steunregeling voor het inzetten van hernieuwbare energie, aangescherpt, is een nieuwe steunregeling voor hernieuwbarewarmteprojecten in het leven geroepen en een langetermijnvisie op energie ontwikkeld om voor continuïteit te zorgen. Nederland heeft verder het nationale Energieakkoord geëvalueerd en een aantal extra instrumenten voorgesteld om de inzet van hernieuwbare energie de komende jaren te versnellen. In juni 2016 heeft Nederland de politieke verklaring over energiesamenwerking tussen de Noordzeelanden ondertekend, om zo de kostenefficiënte inzet van hernieuwbare energie op zee te vergemakkelijken en de integratie van de markt via betere onderlinge verbindingen te bevorderen.

Er is ook goede vooruitgang geboekt ten aanzien van de nationale doelstellingen inzake broeikasgasreductie en energie-efficiëntie. In het kader van de EU 2020-strategie heeft Nederland zich verplicht tot een broeikasgasemissiestreefcijfer buiten het emissiehandelssysteem van 16 % minder emissies in 2020 in vergelijking met de niveaus van 2005. Volgens nationale projecties zal Nederland de niet-ETS-emissies in 2020 met 25 % hebben verminderd in vergelijking met 2005, wat zou betekenen dat het op schema ligt om zijn doelstellingen voor het terugdringen van broeikasgassen te halen. Nederland ligt ook op koers om zijn 2020-doelstelling inzake energie-efficiëntie te bereiken. Het eindenergieverbruik wordt geraamd op 47,4 miljoen ton olie-equivalent (Mtoe) in 2020, wat onder het streefcijfer van 52,2 Mtoe ligt (Energieonderzoek Centrum Nederland, 2016). Nederland heeft niettemin in het kader van het “nationale Energieakkoord voor duurzame groei” een aantal extra maatregelen genomen om de energie-efficiëntie nog verder te verbeteren. Een deel van de afgesproken maatregelen is in wetgeving omgezet, maar andere maatregelen zijn niet-bindend, wat inhoudt dat hun bijdrage aan het bereiken van de doelstelling niet gegarandeerd is.

De afhankelijkheid van de invoer van energie is momenteel relatief gering, maar zal naar verwachting toenemen. Met een netto-invoer van 33,8 % van de binnenlandse vraag is Nederland in het algemeen maar in beperkte mate afhankelijk van de invoer van energie. Dat neemt niet weg dat Nederland in hoge mate afhankelijk is van de invoer van ruwe aardolie, aardgascondensaten en steenkool die het van een afnemend aantal leveranciers ontvangt. De gaswinning is aan het afnemen en zal de komende jaren blijven dalen als gevolg van de productieplafonds die (vanwege de aardbevingen) voor het Groningenveld zijn vastgesteld, en de lagere productieniveaus in andere kleine gasvelden. Het Internationaal Energieagentschap gaat ervan uit dat Nederland in 2025 een netto-importeur van gas is geworden.

Nederland is een van de eerste Europese landen met een langetermijnstrategie voor een meer circulaire economie. Het was een van de eerste EU-landen met een programma inzake circulaire economie (2014), dat in 2016 een vervolg kreeg met een langetermijnstrategie tot 2050 (Rijksoverheid, 2016b). De voortrekkersrol van Nederland wordt geïllustreerd aan de hand van het feit dat het binnen de EU tot de besten behoort als het gaat om hulpbronnenproductiviteit (d.w.z. hoe efficiënt de economie materiële hulpbronnen gebruikt om welvaart te creëren), met 3,44 EUR/kg in 2015 (EU-gemiddelde: 2,0).

4.6. OVERHEIDSDIENSTEN

De kwaliteit en de doeltreffendheid van de overheidsdiensten zijn zeer goed en het ondernemersklimaat is in het algemeen gunstig, zowel naar EU- als internationale maatstaven (Europese Commissie, 2016a). De tevredenheidscijfers over de kwaliteit van de vervoersinfrastructuur behoren tot de hoogste in de EU (OESO, 2016c). Volgens het Wereld Economisch Forum (2016) is Nederland een van de meest concurrerende economieën in de EU geworden en de op vier na meest concurrerende economie ter wereld. Diezelfde bron rangschikt Nederland in de top 10 landen ter wereld op het gebied van concurrentievermogen in infrastructuur, gezondheid en basisonderwijs, hoger onderwijs en opleidingen, efficiëntie van de goederenmarkt, technologische flexibiliteit, verfijndheid van ondernemingen en innovatie. Wat wetenschappelijk onderzoek en samenwerking tussen universiteiten en de particuliere sector betreft, hoort Nederland bij de top vijf.

Met betrekking tot overheidsopdrachten laat het aantal volgens EU-regels door Nederland gepubliceerde aanbestedingen voor het derde opeenvolgende jaar een verbetering zien, terwijl in de EU als geheel juist sprake was van een afnemend percentage overheidsopdrachten. Hoewel het percentage overheidsopdrachten relatief laag is in vergelijking met andere lidstaten, nam het toe tot 10,4 % van de totale overheidsuitgaven in 2015 (2,0 % van het bbp), tegen 8,8 % (1,8 % van het bbp) het jaar ervoor. De stijging van het percentage op EU-niveau gepubliceerde aanbestedingscontracten, met inbegrip van opdrachten voor nutsvoorzieningen en defensieopdrachten, was nog aanzienlijker en kwam uit op 20 % in 2015. Ondanks deze verbeteringen bleef het percentage overheidsopdrachten met name laag in bepaalde sectoren zoals de gezondheidszorg (met slechts 0,5 % van de totale overheidsuitgaven).

Strategische overheidsopdrachten hebben tot doel de toegang van het mkb tot de aanbestedingsmarkten te vergemakkelijken, maar de deelname van het mkb aan overheidsopdrachten blijft betrekkelijk gering (Europese Commissie, 2016c). Uit de eerste evaluaties van de nieuwe wet inzake het plaatsen van overheidsopdrachten van 2013 blijkt dat er sprake is van grote tevredenheid bij het mkb over de maatregelen om de toegang van het mkb tot de markten voor overheidsopdrachten te verbeteren. Uit de evaluatiestudies blijkt verder dat kleine bedrijven evenveel kans hebben om een overheidscontract toegekend te krijgen, zij het gemiddeld tegen een veel lagere waarde. Het percentage van het mkb dat deelnam aan openbare aanbestedingen daalde echter verder tot 17 %, in vergelijking met 21 % vorig jaar.

Bijlage A

Overzichtstabel

Toezeggingen

Samenvattende beoordeling ( 35 )

Landspecifieke aanbevelingen (LSA's) van 2016

LSA 1:

De afwijking van de budgettaire middellangetermijndoelstelling in 2016 beperken en een jaarlijkse budgettaire aanpassing met 0,6 % van het bbp in 2017 bereiken.

Overheidsuitgaven prioritair richten op de ondersteuning van meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling.

Nederland heeft geen vooruitgang geboekt bij het invullen van het fiscaal-structurele deel van LSA 1( 36 ).

Er is geen vooruitgang geboekt bij het prioritair richten van overheidsuitgaven op de ondersteuning van meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling.

LSA 2:

Resterende belemmeringen voor het inhuren van personeel op basis van vaste overeenkomsten aanpakken en de doorstroming van tijdelijke naar vaste overeenkomsten bevorderen.

De sterke stijging van het aantal zelfstandigen zonder personeel aanpakken, mede door fiscale verstoringen die zelfstandige arbeid stimuleren, te beperken zonder het ondernemerschap te schaden, en door de toegang van de zelfstandigen tot betaalbare sociale bescherming te bevorderen.

Nederland heeft beperkte vooruitgang geboekt bij het invullen van LSA 2:

Er is geen (verdere) vooruitgang geboekt bij het aanpakken van de resterende belemmeringen voor het inhuren van personeel of bij het bevorderen van de doorstroming van tijdelijke naar vaste overeenkomsten.

Er is geen vooruitgang geboekt bij het beperken van fiscale verstoringen die zelfstandige arbeid stimuleren of bij het verhogen van de sociale bescherming van zelfstandigen.

Er is beperkte vooruitgang geboekt bij het aanpakken van de stijging van het aantal zelfstandigen zonder personeel. Met de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) heeft Nederland een mechanisme ingesteld dat de stimulansen voor werkgevers vermindert om werknemers te vervangen door schijnzelfstandigen. De uitvoering van die wet is onlangs echter uitgesteld tot ten minste begin 2018.

In haar Perspectiefnota heeft de overheid een visie ontwikkeld voor een mogelijke hervorming van het pensioenstelsel waarbij ook zelfstandigen op vrijwillige basis in de tweede pijler van het pensioenstelsel een pensioen zouden kunnen opbouwen.

LSA 3:

Maatregelen nemen om de tweede pijler van het pensioenstelsel transparanter, eerlijker voor alle generaties en schokbestendiger te maken.

Maatregelen nemen om de resterende verstoringen op de woningmarkt en de bevoordeling van schulden van huishoudens terug te dringen, met name door de hypotheekrenteaftrek te beperken.

Nederland heeft beperkte vooruitgang geboekt bij het invullen van LSA 3:

Beperkte vooruitgang: met de Perspectiefnota heeft de overheid haar ambitie kenbaar gemaakt om de tweede pijler van het pensioenstelsel te hervormen, maar de ontwikkeling en de uitvoering van een hervorming worden aan het volgende kabinet overgelaten. Dit wijst op beperkte vooruitgang.

Er is geen vooruitgang geboekt met betrekking tot de verstoringen op de woningmarkt, omdat geen bijkomende hervormingen zijn doorgevoerd en de hypotheekrenteaftrek niet verder is beperkt.

Europa 2020 (nationale doelen en vooruitgang)

Doelstelling werkgelegenheidsgraad vastgesteld in het NHP 2016: 80 %.

De arbeidsmarktparticipatie bedroeg 81,7 % in het tweede kwartaal van 2016 en het percentage werkenden 77 % in datzelfde kwartaal. De doelstelling is haalbaar.

O&O-doel vastgesteld in het NHP 2016: 2,5 % van het bbp.

In 2015 bedroegen de totale O&O-uitgaven 2,01 % van het bbp. Het gemiddelde jaarlijkse groeicijfer van 1,4 % sinds 2011 zou aanzienlijk moeten stijgen om het doel in 2020 te bereiken.

De overheidsuitgaven voor O&O bedroegen in 2015 0,9 % van het bbp, wat minder is dan in de meest innovatieve Europese economieën.

Nationale doelstelling broeikasgasemissies:

-16 % in 2020 ten opzichte van 2005 (in sectoren die niet onder de EU-emissiehandelsregeling vallen);

niet-ETS-doelstelling voor 2015: -7 %.

Doelstelling voor 2020: volgens de meest recente nationale prognoses en rekening houdend met de bestaande maatregelen, zullen de niet-ETS-emissies tussen 2005 en 2020 met 20,5 % dalen. Naar verwachting zal de doelstelling dus worden gehaald met een marge van 4,5 procentpunt.

Niet-ETS-doelstelling voor 2015: op basis van proxy-gegevens zijn de niet-ETS-broeikasgasemissies tussen 2005 en 2015 met 20 % gedaald. Met andere woorden: zij zijn tot 13 procentpunt lager dan de doelstelling voor 2015 die in de beschikking inzake de verdeling van de inspanningen is vastgesteld.

2020-doelstelling hernieuwbare energie:

aandeel energie uit hernieuwbare energiebronnen bedraagt 14 % van het bruto-eindverbruik van energie in 2020;

tussentijdse doelstelling voor 2013-2014 is 5,9 %.

Met 5,5 % van het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen heeft Nederland zijn tussentijdse doelstelling niet gehaald en ligt het niet op koers om de 2020-doelstelling te halen (de Nationale Energieverkenning 2016 raamt het aandeel hernieuwbare energie in 2020 op slechts 12,5 %). Recent hebben zich wel positieve ontwikkelingen voorgedaan.

Doelstelling inzake energie-efficiëntie:

primair energieverbruik van 60,7 Mtoe;

eindverbruik van energie van 52,2 Mtoe.

Het primaire energieverbruik in Nederland is met 2,7 % gestegen, van 62,66 Mtoe in 2014 naar 64,33 Mtoe in 2015. Het eindverbruik van energie is met 3 % gestegen, van 47,28 Mtoe in 2014 naar 48,49 Mtoe in 2015.

Nederland moet zijn inspanningen opvoeren om het primaire energieverbruik verder te verminderen om zijn indicatieve 2020-doelstelling inzake primair energieverbruik (60,7 Mtoe) te halen en zijn huidige eindverbruik van energie onder de 2020-doelstelling inzake eindverbruik van energie (52,2 Mtoe) te houden.

Doelstelling inzake voortijdige schoolverlaters: <8.0 %.

Het aantal voortijdige schoolverlaters vertoont al jaren een dalende lijn en met 8,2 % in 2015 bevindt Nederland zich erg dicht bij de nationale doelstelling.

Doelstelling inzake tertiair onderwijs: >40 %.

Het aandeel is in 2015 gestegen tot 46,3 %; dit is ruim boven de doelstelling.

Doelstelling inzake de terugdringing van het aantal mensen dat deel uitmaakt van huishoudens met een zeer geringe arbeidsintensiteit: -100 000 (leeftijdsgroep 0-64).

Het aantal mensen dat tot deze groep behoort, bedroeg in 2010 1 595 000; dit aantal is in 2015 gestegen tot 1 653 000 en in 2016 stabiel gebleven. De doelstelling lijkt dus niet gehaald te worden.

Bijlage B

PMO-scorebord

Tabel B.1:PMO-scorebord voor Nederland

Aantekeningen: b: breuk in tijdreeks. p: voorlopig.

Bron: Europese Commissie, Eurostat en directoraat-generaal Economische en Financiële zaken (reële effectieve wisselkoers) en Internationaal Monetair Fonds

Bijlage C

Standaardtabellen

Tabel C.1:Indicatoren financiële markten

1) Laatste gegevens tweede kwartaal 2016.
2) Kwartaalwaarden
worden niet geannualiseerd.
* Uitgedrukt in basispunten.

Bron: Europese Commissie (rentetarieven op lange termijn); Wereldbank (externe brutoschuld); Eurostat (particuliere schuld); ECB (alle andere indicatoren).

Tabel C.2:Arbeidsmarkt- en sociale indicatoren

1 Werklozen zijn alle personen die geen werk hebben, actief naar werk zoeken en bereid zijn onmiddellijk of binnen een termijn van twee weken aan het werk te gaan.                

2 Langdurig werklozen zijn personen die gedurende ten minste 12 maanden werkloos zijn.        

3 Not in education employment or training (jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen).    

4 Gemiddelde eerste drie kwartalen 2016. Gegevens totale werkloosheid en jeugdwerkloosheidscijfers zijn seizoensgecorrigeerd.                        

Bron: Europese Commissie (EU-arbeidskrachtenenquête).

Tabel C.3:Arbeidsmarkt- en sociale indicatoren (vervolg)

1 Personen die een armoede- of uitsluitingsrisico lopen: personen die een armoederisico lopen en/of die met ernstige materiële deprivatie kampen en/of die deel uitmaken van een huishouden met een werkintensiteit die nul of bijzonder laag is.

2 Armoederisicopercentage: percentage van de bevolking met een gestandaardiseerd beschikbaar inkomen dat minder bedraagt dan 60 % van het nationale gestandaardiseerde mediaan inkomen.                

3 Percentage van de bevolking dat kampt met ten minste vier van de volgende vormen van deprivatie: zij kunnen het zich niet veroorloven i) de huur- of energierekeningen te betalen; ii) hun woning voldoende te verwarmen; iii) onverwachte uitgaven te doen; iv) om de twee dagen vlees, vis of even proteïnerijk voedsel te eten; v) één keer per jaar een week met vakantie te gaan; of een vi) auto; vii) een wasmachine; viii) een kleurentelevisie, ix) een telefoon aan te schaffen.    

4 Personen in huishoudens met zeer lage werkintensiteit: percentage van de 0-59-jarigen dat deel uitmaakt van de huishoudens waar de volwassenen (met uitzondering van afhankelijke kinderen) de voorbije 12 maanden minder dan 20 % van hun totale potentiële arbeidstijd hebben gewerkt.

5 Voor EE, CY, MT, SI en SK, drempels in nominale waarde in EUR; geharmoniseerd indexcijfer van de consumptieprijzen = 100 in 2006 (onderzoek van 2007 heeft betrekking op inkomens van 2006).

Bron: ESSPROS voor de uitgaven voor socialezekerheidsuitkeringen; EU-SILC voor sociale inclusie.

Tabel C.4:Indicatoren voor de prestatie van productmarkten en beleidsindicatoren

1 De methodologie, met inbegrip van de aannames, voor de opstelling van deze indicator wordt in detail beschreven op de website http://www.doingbusiness.org/methodology  

2 Gemiddelde antwoorden op vraag Q7B_a. "[Bankkrediet]: Indien u een aanvraag hebt ingediend voor en hebt proberen te onderhandelen voor dit soort financiering in de laatste zes maanden, wat was dan de uitkomst?" De antwoorden waren als volgt gecodeerd: 0 indien alles ontvangen, 1 indien meeste ontvangen, 2 indien alleen beperkt deel ontvangen, 3 indien geweigerd of verworpen en behandeld als ontbrekende waarde indien de aanvraag nog hangende is of de uitkomst niet bekend is.    

3 Aandeel bevolking 15-64 jaar dat hoger onderwijs met succes heeft doorlopen.

4 Aandeel bevolking 20-24 jaar dat ten minste tweede fase middelbaar heeft afgesloten.

5 Index: 0 = niet gereguleerd; 6 = het sterkst gereguleerd. De bij de opstelling van de OESO-indicatoren voor de productmarktregulering gevolgde werkwijzen worden in detail beschreven op de website http://www.oecd.org/competition/reform/indicatorsofproductmarketregulationhomepage.htm  

6 Geaggregeerde OESO-indicatoren inzake regulering op gebied van energie, vervoer en communicatie.    

Bron: Europese Commissie; Wereldbank — Doing Business (voor het afdwingen van contracten en de benodigde tijd om een bedrijf te starten); OESO (voor indicatoren productmarktregulering); SAFE (voor de uitkomst van aanvragen van het mkb voor bankkredieten).

Tabel C.5:Groene groei

Alle macro-intensiteitsindicatoren zijn uitgedrukt als een verhouding van een fysieke hoeveelheid tot het bbp (in prijzen van 2005)    
Energie-intensiteit: bruto binnenlands energieverbruik (in kgoe) gedeeld door bbp (in EUR)
   
Koolstofintensiteit: broeikasgasemissies (in kg CO2-equivalenten) gedeeld door bbp (in EUR)
   
Hulpbronnenintensiteit: binnenland
s verbruik grondstoffen (in kg) gedeeld door bbp (in EUR)    
Afvalintensiteit: afval (in kg) gedeeld door het bbp (in EUR)
   
Energiehandelsbalans: verhouding tussen export en import energie, uitgedrukt als percentage van het bbp.
   
Weging energie i
n HICP: aandeel "energie"-items in consumptiemandje gebruikt voor berekening HICP.
Verschil tussen verandering energieprijzen en inflatie: energiecomponent HICP, en totale HICP-inflatie (jaarlijkse verandering in %).
   
Reële energiekosten per eenheid: reële
energiekosten als percentage totale toegevoegde waarde voor de economie.
Milieuheffingen en belastingen op arbeid: uit de database "Taxation trends in the European Union" van de Europese Commissie.

Energie-intensiteit industrie: finale energieconsumptie v
an de industrie (in kgoe) gedeeld door de bruto toegevoegde waarde van de industrie (in EUR 2005).
Reële energiekosten per eenheid voor be- en verwerkende industrie exclusief raffinage: reële kosten als percentage totale toegevoegde waarde voor sectoren b
e- en verwerkende industrie.    
Aandeel energie-intensieve industrieën in de economie: aandeel bruto toegevoegde waarde van energie-intensieve industrieën in bbp.

Elektriciteits- en gasprijzen voor middelgrote industriële verbruikers: verbruikcategorie 500–2
0 000 MWh en 10 000–100 000 GJ; gegevens excl. btw.    
Recyclingpercentage huishoudelijk afval: verhouding gerecycled en gecomposteerd huishoudelijk afval - totaal huishoudelijk afval.
   
Overheidsuitgaven O&O voor energie of voor milieu: overheidsuitgaven voo
r O&O voor deze categorieën als percentage van het bbp.
Aandeel broeikasgasemissies dat onder EU-emissiehandelsregeling (ETS) valt (exclusief luchtvaart): gebaseerd op door lidstaten aan Europees Milieuagentschap gemelde broeikasgasemissies (excl. landgebr
uik, verandering in landgebruik en bosbouw).
Energie-intensiteit vervoer: finaal energieverbruik vervoer (in kgoe) gedeeld door bruto toegevoegde waarde vervoersindustrie (in EUR 2005).

Koolstofintensiteit vervoer: broeikasgasemissies in vervoer gedeeld do
or bruto toegevoegde waarde sector vervoer.    
Afhankelijkheid van invoer energie: netto-invoer energie gedeeld door bruto binnenlands energieverbruik incl. door internationale bunkers.

Geaggregeerde concentratie-index leveranciers: omvat olie, gas en kolen.
Kleinere waarden wijzen op grotere diversificatie en dus lager risico.
Diversificatie energiemix: Herfindahl-index voor aardgas, totaal petroleumproducten, nucleaire warmte, hernieuwbare energie en vaste brandstoffen.

* Europese Commissie en Europees Mili
euagentschap.

Bron: Europese Commissie (Eurostat) tenzij anders aangegeven.

Referenties

Andrews, D., C. Criscuolo en P. Gal (2015). "Frontier firms, technology diffusion and public policy: micro-evidence from OECD countries", OECD future of productivity main background papers nr. 2, OECD Publishing, Parijs.

Arpaia, A. en A. Kiss (2015). "Benchmarks for the assessment of wage developments", Short Analytical Web Note 2/2015, Europese Commissie, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2015, http://publications.europa.eu/s/b4YC .

ACM (2015). Concurrentie op de markt voor MKB-financiering, Autoriteit Consument & Markt, Monitor Financiële Sector, Den Haag.

Ayuso i Casals, J. (2012). "National Expenditure Rules: Why, How and When", European Economy Economic Papers 473, Europese Commissie, Directoraat-generaal Economische en Financiële zaken, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Bennaars, J.H., M. Diepenbach, R. Knegt en E. Verhulp (2016). Evaluatie ontslaggronden WWZ. Rapport, Hugo Sinzheimer Instituut, Amsterdam.

Bettendorf, L., A. Lejour en M. van't Riet (2015). "Beschrijvende statistiek DGA's", CPB Achtergronddocument, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Bettendorf, L., A. Lejour en M. van't Riet (2016). "Tax bunching by owners of small corporations", CPB Discussion Paper nr. 326, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Boermans, M. en R. Vermeulen (2016). "International investment positions revisited: Investor heterogeneity and individual security characteristics", De Nederlandsche Bank Working Paper nr. 531, De Nederlandsche Bank, Onderzoek, Amsterdam.

Carroll, C. D., J. Slacalek en K. Tokuoka (2014). "The Distribution of Wealth and the MPC: Implications of New European Data", American Economic Review, 104(5), 107-11,

CBS (2015a). Internationaliseringsmonitor 2015, derde kwartaal, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

CBS (2015b). Armoede en sociale uitsluiting, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.

CPB (2016). "Afschaffing doorsneesystematiek. Mogelijke transitiepaden", CPB Notitie 15 juli 2016, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Commissie inkomstenbelasting en toeslagen (2013). Naar een activerender belastingstelsel, Eindrapport Commissie inkomstenbelasting en toeslagen, Den Haag.

Corak, M. (2006). "Do poor children become poor adults? Lessons from a cross-country comparison of generational earnings mobility", IZA Discussion paper nr. 1993, Institute for the Study of Labor, Bonn.

Eggelte, J., R. Hillebrand, T. Kooiman en G. Schotten (2014). "Het nationale spaaroverschot ontleed", DNB Occasional Studies, Vol. 12 - 6, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

DNB (2013). "Minder geld in de huishoudportemonnee", DNBulletin 23 juli 2013, De Nederlandsche Bank, Amsterdam, 2013, https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2013/dnb294300.jsp .

DNB (2014). "Het verborgen inkomen van huishoudens", DNBulletin 30 oktober 2014, De Nederlandsche Bank, Amsterdam, 2014, https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2014/dnb314277.jsp .

DNB (2015a). Visie op de structuur van de Nederlandse bankensector, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

DNB (2015b). "Dutch mortgages in the DNB loan level data", DNB Occasional Studies, Vol. 13 - 4, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

DNB (2015c). Parlevliet, J. en T. Kooiman, "De vermogensopbouw van huishoudens: is het beleid in balans?", DNB Occasional Studies, Vol. 13 - 1, De Nederlandsche Bank, Amsterdam.

DNB (2015d). "Extern vermogen van Nederland gedaald", Statistisch Nieuwsbericht 23 september 2015, De Nederlandsche Bank, Amsterdam, https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/statistisch-nieuws-2015/dnb326498.jsp .

DNB (2016a). Binnenlands bankbedrijf (monetair), De Nederlandsche Bank, Amsterdam, http://www.dnb.nl/statistiek/statistieken-dnb/financiele-instellingen/banken/binnenlands-bankbedrijf-monetair/index.jsp (geraadpleegd op 4.1.2017).

DNB (2016b). "DNB: Nederlands pensioenstelsel gebaat bij fundamentele veranderingen", DNBulletin 21 juni 2016, De Nederlandsche Bank, Amsterdam, https://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2016/dnb342808.jsp (geraadpleegd op 4.1.2017).

Energieonderzoek Centrum Nederland (2016). Nationale Energieverkenning 2016, ECN, Amsterdam.

Europese Centrale Bank (2016a). Report on financial structures, Frankfurt.

Europese Centrale Bank (2016b). The euro area bank lending survey. Third quarter of 2016, Frankfurt.

Europese Commissie (2010). "Public finances in EMU – 2010", Part II, Chapter 3, National Fiscal Framework, Europese Commissie, Directoraat-generaal Economische en Financiële zaken, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2012). "Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten", COM(2012) 669 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2015a). "Tax Reforms in EU Member States 2015. Tax policy challenges for economic growth and fiscal sustainability", Institutional Paper 008, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2015b). "The 2015 Ageing Report. Economic and budgetary projections for the 28 EU Member States (2013-2060)", European Economy 3/2015, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2015c). "Landverslag Nederland", Werkdocument van de diensten van de Commissie COM(2015) 85 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2015d). "Challenges to Member States' Investment Environments", Werkdocument van de diensten van de Commissie COM(2015) 400 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2015e). Onderwijs- en opleidingenmonitor 2015: Nederland, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, http://ec.europa.eu/education/tools/et-monitor_nl.htm .

Europese Commissie (2016a). "Landverslag Nederland", Werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2016) 87 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2016b). "Analyse van de ontwerpbegrotingsplannen van Nederland", Werkdocument van de diensten van de Commissie COM(2016) 514 final, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2016c). Europees innovatiescorebord 2016, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2016d). "European Economic Forecast - Autumn 2016", Institutional Paper 038, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europese Commissie (2017). Mededeling inzake aanbevelingen voor hervorming van de reglementering van professionele dienstverlening, COM(2016)820, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) (2016). Vulnerabilities in the EU residential real estate sector / November 2016, ESRB, Frankfurt.

Financieel Stabiliteitscomité (2015). Aanbeveling van het Financieel Stabiliteitscomité over de LTV-limiet na 2018, Rijksoverheid, Den Haag, http://www.financieelstabiliteitscomite.nl/media/58/29/272341/29/aanbeveling_van_het_financieel_stabiliteitscomit_over_de_ltv-limiet_na_2018.pdf (geraadpleegd op 12.1.2017).

Houweling, A., M. Keulaerds en P. Kruit (2016). VAAN-VvA Evaluatieonderzoek WWZ, Boom juridisch, Den Haag.

IMF (2014). "IMF Country Report No. 14/328", Selected issues paper December 2014, Internationaal Monetair Fonds, Washington D.C.

Inspectie van het Onderwijs (2016). De Staat van het Onderwijs 2014/2015, Onderwijsverslag, Inspectie van het Onderwijs, Utrecht.

Jansen, C. en M. Ligthart (2014). "Spaaroverschot niet-financiële bedrijven: ontwikkeling, oorzaken en gevolgen", CPB Achtergronddocument, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Kooiman, T. en A. Lejour (2016). "Vermogensongelijkheid in Nederland, 2006-2013", CPB Achtergronddocument, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Lukkezen, J. en A. Elbourne (2015). "De Nederlandse consumptie. Goede tijden, slechte tijden", CPB Policy Brief, 2015/3, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Ministerie van Economische Zaken (2016). Monitor techniekpact 2016, Rijksoverheid, Den Haag.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2016a). Onderwijs in Cijfers 2016, Lerarenopleidingen, Den Haag, http://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/sectoroverstijgend/personeel/lerarenopleiding .

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2016b). Nadere informatie over asielzoekerskinderen in het onderwijs, Rijksoverheid, Den Haag, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/05/20/kamerbrief-met-nadere-informatie-over-asielzoekerskinderen-in-het-onderwijs .

Ministerie van Financiën (2015). IBO Zelfstandigen zonder personeel, Rijksoverheid, Den Haag.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2016a). Kamerbrief "Perspectief voor vijftigplussers" - Een actieplan om de arbeidsmarktpositie van vijftigplussers te verbeteren, Rijksoverheid, Den Haag.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2016b). Kamerbrief "Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel", Den Haag.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2016). Wonen in beweging. De resultaten van het WoonOnderzoek Nederland 2015, Rijksoverheid, Den Haag.

OESO (2015a). International Migration Outlook 2015, OECD Publishing, Parijs.

OESO (2015b). Countering Harmful Tax Practices More Effectively, Taking into Account Transparency and Substance, Action 5 - 2015 Final Report, OECD Publishing, Parijs.

OESO (2016a). "Recruiting Immigrant Workers: The Netherlands 2016", Recruiting Immigrant Workers, OECD Publishing, Parijs.

OESO (2016b). Infrastructure investment indicators, OECD Publishing, Parijs.

OESO (2016c). "Productive Regions for Inclusive Societies - Country Notes: Netherlands", OECD Regional Outlook 2016, OECD Publishing, Parijs.

OESO (2016d), Ribarsky, J., C. Kang en E. Bolton. "The drivers of differences between growth in GDP and household adjusted disposable income in OECD countries", OECD Statistics Working Papers 2016/06, OECD Publishing, Parijs.

OESO (2016e). "PISA 2015 Results (Volume I)", Excellence and Equity in Education, PISA, OECD Publishing, Parijs, http://dx.doi.org/10.1787/9789264266490-en .

OESO (2016f). Education at a glance 2016. OECD Indicators, OECD Publishing, Parijs, http://dx.doi.org/10.1787/eag-2016-en .

Ramboll Management Consulting en Corit Advisory (2016). "Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators", European Commission Taxation Paper nr. 61, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg.

Rijksoverheid (2015). Nationaal actieplan gereglementeerde beroepen, Den Haag.

Rijksoverheid (2016a). "Kiezen voor duurzame groei", Rapport Studiegroep Duurzame Groei, Den Haag.

Rijksoverheid (2016b). Nederland circulair in 2050, Den Haag.

Rojas-Romagosa, H. en A. van der Horst (2015). "Oorzaken en beleidsgevolgen van het overschot op de Nederlandse lopende rekening", CPB Policy Brief 2015/05, CPB, Centraal Planbureau, Den Haag.

Vennekens, A. en J. van Steen (2017). Voorpublicatie Totale investeringen in Wetenschap en INnovatie (TWIN) 2015-2021, Rathenau Instituut, Den Haag, https://www.rathenau.nl/nl/page/voorpublicatie-totale-investeringen-wetenschap-en-innovatie-twin-2015%E2%80%932021.

Wereld Economisch Forum (2016). Global Competitiveness Report 2016-2017, Genève.

(1) ()De Gini-coëfficiënt is een indicator voor de ongelijkheid van een inkomensverdeling. Voor inkomens ligt de coëfficiënt tussen 0 (geen ongelijkheid) en 1 (maximale ongelijkheid), voor het vermogen kan de coëfficiënt een waarde boven 1 hebben omdat huishoudens een negatief nettovermogen kunnen hebben. De inkomensquintielverhouding meet de inkomens van de rijkste 20 % van de bevolking in vergelijking met de inkomens van de armste 20 %. Voor Nederland bedroeg de Gini-coëfficiënt voor het gestandaardiseerd beschikbaar inkomen in 2015 0,267 (0,310 voor het EU-gemiddelde), terwijl de inkomensquintielverhouding in 2015 3,8 bedroeg (5,0 voor het EU-gemiddelde).
(2) ()Een recente OESO-studie plaatst deze ontwikkelingen in een internationaal perspectief en concludeert dat de verschillen tussen de groei van het bbp en die van het beschikbaar inkomen van huishoudens verband zouden kunnen houden met het feit dat producenten met andere prijsontwikkelingen te maken hebben dan consumenten, en met het feit dat een groter deel van de nationale koek bij vennootschappen terechtkomt (OESO 2016d).
(3) ()Het netto nationaal inkomen is gelijk aan het bbp plus het saldo primaire inkomens, na afschrijving van vaste activa.
(4) ()Door de betrekkelijk hoge verplichte pensioenpremies wordt inkomen van de huishoudens verschoven naar de pensioenfondsen.
(5) ()Zie ook DNB 2015c en het rapport van de onafhankelijke Studiegroep Duurzame Groei (Rijksoverheid, 2016a).
(6) ().In de overzichtstabel van de bijlage is informatie te vinden over de mate van vooruitgang en over de maatregelen die zijn genomen om gevolg te geven aan het beleidsadvies in elk onderdeel van LSA. Deze integrale beoordeling heeft niet betrekking op de vraag of het stabiliteits- en groeipact is nageleefd.
(7) ()Een asterisk (*) geeft aan dat de analyse in het hoofdstuk van invloed is op de diepgaande evaluatie in het kader van de PMO (zie hoofdstuk 3 voor een algeheel overzicht van de voornaamste bevindingen).
(8) ()De belastingwig op arbeid is gelijk aan het verschil tussen de totale loonkosten voor het in dienst hebben van een werknemer en het nettoloon van de werknemer. Deze wig is gedefinieerd als de inkomstenbelasting plus de sociale werkgevers- en werknemerspremies (exclusief gezinstoeslagen), als percentage van de totale loonkosten (het loon en de sociale werkgeverspremies).
(9) ()Agressieve fiscale planning houdt in dat wordt geprofiteerd van de technische details van een belastingsysteem of van incongruenties tussen twee of meer belastingsystemen om de verschuldigdheid van belasting te verminderen (bron: Aanbeveling van de Commissie van 6 december 2012 over agressieve fiscale planning (2012/772/EU)). Zie Ramboll Management Consulting and Corit Advisory (2016) voor een overzicht van de meest gebruikelijke agressieve belastingconstructies en de bepalingen (of het ontbreken daarvan) die nodig zijn voor het welslagen van deze constructies. Opgemerkt zij dat de landspecifieke informatie in de studie de situatie in mei/juni 2015 weergeeft.
(10) ()Zie Europese Commissie (2016a) voor nadere informatie.
(11) ()Een special purpose entity (SPE) is een juridische entiteit met weinig of geen werknemers, activiteiten of fysieke aanwezigheid in het rechtsgebied waarin zij is gevestigd. Een dergelijke entiteit is verbonden met een andere onderneming, vaak als een dochteronderneming, en bevindt zich doorgaans in een ander rechtsgebied.
(12) ()In 2015 bedroegen de inkomende en uitgaande BDI's respectievelijk 535 % en 636 % van het bbp. Rond de 80 % van de inkomende en uitgaande BDI's is in handen van SPE's. De uitgekeerde en ontvangen dividenden bedroegen 14,8 % en 19,9 % van het bbp en de uitgekeerde en ontvangen royalty's 5,6 % en 6,6 % van het bbp.
(13) ()Een DGA is en zelfstandige met een belang van ten minste 5 % in de onderneming. Zie Bettendorf e.a., 2015.
(14) ()Uit een diepgaande analyse over 2010 blijkt dat DGA's in dat jaar 13,5 miljard EUR aan belastbare winst hebben aangegeven (2,1 % van het bbp), maar dat daarvan slechts 27 % ofwel 3,7 miljard EUR (0,6 % van het bbp) als dividend is uitgekeerd. Dit is substantieel lager dan bij andere niet-financiële vennootschappen. Indien DGA-bedrijven dezelfde uitkeringsratio hadden, zouden hun besparingen 0,5 % van het bbp lager uitvallen. Zie Commissie inkomstenbelasting en toeslagen (2013).
(15) ()Dit is een mechanische projectie op basis van het huidige primaire overschot en aannames voor de nominale groei en de rente. Vervolgens kunnen een schulden- en een rentedienst op evenwichtsniveau worden berekend.
(16) ()In het bijzonder het onlineplatform Nationale Financieringswijzer en de hotline Financieringsdesk van de Kamer van Koophandel.
(17) ()Daarmee worden goede praktijken overgenomen uit het VK (doorverwijzingsverplichtingen waaraan banken moeten voldoen die een krediet weigeren), Spanje (rechten van mkb'ers op specifieke juridische informatie) en Frankrijk en Italië (mkb-financieringsplatforms die vergelijkbaar zijn met Fink).
(18) ()Dutch Venture Initiative (DVI-II), beheerd door het EIF en de Participatiemaatschappij Oost Nederland (PPM Oost) en gesteund door het Ministerie van Economische Zaken.
(19) ()Huishoudens moeten verplicht aflossen op de hoofdsom om voor de HRA in aanmerking te komen, en het maximumpercentage van de HRA wordt geleidelijk verlaagd (met 0,5 procentpunt per jaar, van 52 % naar 38 % in 2041).
(20) ()Zie het advies van respectievelijk de onafhankelijke Studiegroep duurzame groei (Rijksoverheid, 2016a) en het Financieel Stabiliteitscomité (Financieel Stabiliteitscomité, 2015).
(21) ()Op basis van de methodiek van Arpaia en Kiss (2015).
(22) ()Berekeningen van de Commissie op basis van de microgegevens uit de EU-arbeidskrachtenenquête 2014. In de analyse is de werkgelegenheidskloof uitgesplitst aan de hand van een Blind-Oaxaca-decompositie, waarin wordt gecorrigeerd voor verschillen in leeftijd, geslacht en onderwijsniveau tussen autochtonen en niet in de EU geboren burgers. De OESO (2015a) constateert ook een substantiële gecorrigeerde werkloosheidskloof tussen allochtonen en autochtonen.
(23) ()Onder "langdurig" wordt verstaan een periode van vier achtereenvolgende jaren.
(24) ()Op basis van het gemiddelde uurloonverschil tussen vaste en tijdelijke werknemers die overeenkomen qua leeftijd, geslacht, beroep, onderwijsniveau, sector en soort werk (fulltime versus parttime).
(25) ()De Wet werk en zekerheid volgde op het sociaal akkoord van 11 april 2013 met de sociale partners.
(26) ()Zo was in 2013 slechts 33,2 % van de zzp'ers verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid.
(27) ()De scherpe daling van het vorderingenoverschot van vennootschappen in 2015 hangt samen met een eenmalige instroom van intellectuele-eigendomsrechten in Nederland van 32 miljard EUR, die gepaard ging met inkomende buitenlandse directe investeringsstromen.
(28) ()Dit is gebaseerd op de veronderstelling dat multinationals goed zijn voor twee derde van het netto-exploitatieoverschot en dat driekwart van hun dividenden bij buitenlandse aandeelhouders terechtkomt. Volgens een DNB-studie is 75 % van de aandelen van Nederlandse multinationals in handen van buitenlanders; Zie Eggelte e.a. (2014).
(29) ()Multinationals en grote binnenlandse NFV´s worden gekenmerkt door een balans van minimaal 40 miljoen EUR, en multinationals hebben daarnaast buitenlandse dochterondernemingen. Onder kleine vennootschappen worden alle vennootschappen verstaan met een balans onder de 40 miljoen EUR.
(30) ()Opgemerkt zij dat de onderliggende gegevens in grafiek 4.4.6 uit vennootschapsrekeningen komen en niet volledig in overeenstemming zijn met de definities van de nationale rekeningen.
(31) ()Dit geldt alleen bij een BDI-belang van meer dan 10 % van de aandelen in de dochterondernemingen. Anders wordt het beschouwd als belegging en worden de ingehouden winsten niet toegewezen aan de aandeelhouder.
(32) ()Hiertoe behoren Denemarken (1,87 % van het bbp), Duitsland (1,95 % van het bbp), Finland (2,94 % van het bbp) en Zweden (2,27 % van het bbp).
(33) ()Gebaseerd op Eurostat-gegevens, tertiaire opleidingsniveaus voor wetenschap, wiskunde en informatica, en techniek, industriële wetenschappen en bouwkunde.
(34) ()Het Techniekpact richt zich in het algemeen op alle “technische” beroepen. Zie het Ministerie van Economische Zaken (2016) voor uitgebreide gegevens.
(35) ()Voor de beoordeling van de vooruitgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen (LSA) 2016 worden de volgende categorieën gebruikt:
Geen vooruitgang: de lidstaat heeft niet op geloofwaardige wijze maatregelen aangekondigd of maatregelen vastgesteld om gevolg te geven aan de LSA. Hieronder volgen een aantal niet-uitputtende typische situaties die hieronder kunnen vallen en die van geval tot geval moeten worden beoordeeld, rekening houdend met landspecifieke omstandigheden:• er zijn geen wettelijke, administratieve of budgettaire maatregelen aangekondigd in het nationale hervormingsprogramma of in een andere officiële mededeling aan het nationaal parlement, de bevoegde parlementaire commissies of de Europese Commissie, of openbaar aangekondigd (bv. in een persbericht of een mededeling op de website van de overheid); • er zijn geen niet-wetgevingshandelingen ingediend door de regering of een wetgevende instantie; • de lidstaat heeft de eerste stappen gezet om gevolg te geven aan de LSA, bijvoorbeeld door opdracht te geven voor nader onderzoek of een studiegroep op te richten om mogelijk nodige maatregelen te analyseren (tenzij in de LSA uitdrukkelijk richtsnoeren of verkennende acties worden gevraagd), maar er zijn geen duidelijk omschreven maatregelen voorgesteld om gevolg te geven aan de LSA.Beperkte vooruitgang: de lidstaat heeft:• een aantal maatregelen aangekondigd, maar hiermee wordt slechts in beperkte mate gevolg gegeven aan de LSA; en/of• in de regering of wetgevende instanties wetgevingshandelingen voorgesteld, maar deze zijn nog niet aangenomen en er zijn nog aanzienlijke niet-wetgevende werkzaamheden nodig voordat de LSA zal zijn uitgevoerd; • niet-wetgevingshandelingen ingediend, maar zonder verdere follow-up met betrekking tot de uitvoering ervan die nodig is om gevolg te geven aan de LSA.Enige vooruitgang: de lidstaat heeft maatregelen vastgesteld waarmee gedeeltelijk gevolg wordt gegeven aan de LSA en/of de lidstaat heeft maatregelen vastgesteld om gevolg te geven aan de LSA, maar er is nog tamelijk veel werk nodig om volledig gevolg te geven aan de LSA aangezien slechts enkele van de vastgestelde maatregelen zijn uitgevoerd. Bijvoorbeeld: goedgekeurd door het nationale parlement, bij ministerieel besluit, maar er zijn geen uitvoeringsbesluiten genomen.Aanzienlijke vooruitgang: de lidstaat heeft maatregelen vastgesteld waarmee in grote mate gevolg wordt gegeven aan de LSA, en de meeste daarvan zijn uitgevoerd.Volledige uitvoering: de lidstaat heeft alle maatregelen uitgevoerd die nodig zijn om op passende wijze gevolg te geven aan de LSA.
(36) ()Bij deze algemene beoordeling van LSA 1 wordt niet nagegaan of het stabiliteits- en groeipact is nageleefd.