2.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 81/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het potentieel van kleine familie- en traditionele bedrijven om de ontwikkeling en economische groei in de regio’s te stimuleren

(initiatiefadvies)

(2018/C 081/01)

Rapporteur:

Dimitris DIMITRIADIS

Besluit van de voltallige vergadering

26.1.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

 

 

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

7.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

18.10.2017

Zitting nr.

529

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

199/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) heeft in diverse adviezen steeds een positieve houding ingenomen ten aanzien van EU-beleid ter ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) (1). De kmo’s echter vormen een uiterst heterogene categorie, zodat speciale inspanningen nodig zijn om het beleid goed af te stemmen op de verschillende subgroepen en met name kleine familie- en traditionele bedrijven.

1.2.

Het belang van deze subgroep ligt in het feit dat de overgrote meerderheid van de banen in de EU-regio’s wordt geleverd door dit soort ondernemingen. Hoewel het EESC zijn eerdere conclusies opnieuw bevestigt en herinnert aan de aanbevelingen in eerdere adviezen (2), wil het de uitdagingen waar kleine familie- en traditionele bedrijven mee worden geconfronteerd onder de loep nemen en analyseren. Het wil hiermee de deur openzetten naar constructief beleid, zowel op EU- als op nationaal en regionaal niveau.

1.3.

Het EESC verzoekt de Europese Commissie na te denken over manieren om kleine familie- en traditionele bedrijven te ondersteunen en te bevorderen, aangezien deze ondernemingen essentieel zijn voor het creëren van nieuwe activiteiten en het genereren van inkomen in gebieden met beperkte middelen. Ze zijn van meerwaarde voor de regionale ontwikkeling, met name in minder ontwikkelde regio’s, omdat ze diep geworteld zijn de in lokale economie, waarin ze investeren en voor werkgelegenheid zorgen.

1.4.

Het EESC meent dat er een groot ontwikkelingspotentieel is in veel regio’s die nog achteroplopen en dat dit onderbenutte potentieel met behulp van lokale kleine familie- en traditionele bedrijven kan worden ontgonnen. Deze uitdaging zou niet alleen door de Commissie moeten worden aangegaan, maar ook andere spelers zouden er intensief bij moeten worden betrokken, waaronder lokale overheden en lokale intermediaire actoren zoals bedrijfsorganisaties en financiële instellingen.

1.5.

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om aandacht te besteden aan het feit dat de kleine familie- en traditionele bedrijven negatief zijn beïnvloed door recente economische en industriële ontwikkelingen en tendensen. Ze hebben aan concurrentievermogen ingeboet en ondervinden steeds meer moeilijkheden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden.

1.6.

Het EESC vreest dat de ondersteunende beleidsinstrumenten niet zijn gericht op de kleine familie- en traditionele bedrijven en het niet waarschijnlijk is dat ze er veel baat bij zullen hebben. In het algemeen is de steun aan kmo’s gericht op het bevorderen van onderzoek en innovatie in de kmo’s en op startende bedrijven. Zonder te tornen aan het belang van deze beleidsinstrumenten wil het EESC benadrukken dat slechts een zeer klein deel van alle kmo’s hiervan zal profiteren en dat kleine familie- en traditionele bedrijven daar doorgaans niet tot behoren. Het EESC is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de definitie van een kleine en middelgrote onderneming te herzien, hetgeen in gang is gezet door DG GROW en voorlopig is gepland voor begin 2019 (3).

1.6.1.

De huidige definitie van een kleine en middelgrote onderneming is al achterhaald en daarom is het EESC van mening dat de geplande herziening nuttig kan zijn om meer inzicht te krijgen in de aard van kmo’s en om beter beleid voor deze bedrijven te ontwikkelen. Het verzoekt de Commissie om in het raadplegingsproces een beoordeling te geven van de wijze waarop de huidige definitie wordt toegepast bij de tenuitvoerlegging van de beleidsmaatregelen voor kmo’s op EU-, nationaal en regionaal niveau, met speciale aandacht voor de kleine familie- en traditionele bedrijven.

1.6.2.

Volgens het EESC moet de herziening van de definitie in elk geval:

het criterium van het aantal werkzame personen schrappen (4) als het belangrijkste criterium en kmo’s de flexibiliteit bieden om te kiezen aan welke twee van de drie criteria wordt voldaan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de meest recente aanpak zoals beschreven in Richtlijn 2013/34/EU (5);

een grondige analyse uitvoeren van de in artikel 2 van de aanbeveling vermelde drempelwaarden en deze indien nodig aanpassen, onder andere door ze af te stemmen op de drempelwaarden in Richtlijn 2013/34/EU;

de in artikel 3 van de bijlage bij de aanbeveling vervatte beperkingen herzien en opnieuw beoordelen.

1.7.

Volgens het EESC is het van belang dat kleine familie- en traditionele bedrijven worden erkend als een specifieke subgroep omdat juist zij het meest te lijden hebben onder marktfalen. Daarom adviseert het om op maat gesneden ondersteunend beleid te ontwikkelen dat specifiek op deze bedrijven gericht is. Om de meest urgente problemen aan te pakken, moeten dergelijke beleidsmaatregelen in elk geval gericht zijn op:

bijstand bij het aantrekken en opleiden van arbeidskrachten;

bijscholing en omscholing van managers/eigenaren;

het verschaffen van toegang tot advies- en consultancydiensten;

de verbetering van de toegang tot financiële middelen;

het verschaffen van meer informatie en betere opleiding voor personeel in lokale werkgeversorganisaties en lokale bankkantoren;

het verlenen van éénloketdiensten;

de herziening van administratieve lasten op EU- en lokaal niveau;

meer en betere toegang tot informatie over de reglementaire vereisten, het lokale ondernemingsklimaat en de marktmogelijkheden.

2.   Kleine familie- en traditionele bedrijven — achtergrond en belang

2.1.

Een aantal actuele industriële ontwikkelingen en tendensen — digitalisering, Industrie 4.0, snel veranderende bedrijfsmodellen, globalisatie, de deeleconomie en meer innovatieve bronnen van concurrentievoordeel — staan momenteel centraal in de EU-beleidsvormingsprocessen. Tegelijkertijd moet worden erkend dat mensen overal in Europa moeten kunnen leven, ook in veel regio’s waar Industrie 4.0 moeilijk voet aan de grond zal krijgen.

2.2.

Het belang van deze nieuwe tendensen mag niet worden ondergraven en tegelijk moeten de politieke inspanningen ter bevordering ervan worden ondersteund, maar we mogen evenwel niet uit het oog verliezen dat het merendeel van de banen in de EU-regio’s momenteel wordt geleverd door zeer traditionele kmo’s (6) en kleine familiebedrijven (7), die meestal een lange geschiedenis hebben alsook hun eigen tradities, ervaringen en vele succesverhalen uit het verleden. Deze groep bedrijven omvat gewoonlijk de volgende subgroepen:

kleine, micro- en mono-ondernemingen;

zeer traditionele kmo’s, werkzaam in historisch en traditioneel bepaalde gebieden;

kmo’s in afgelegen gebieden — zoals kleine gemeenten en dorpen, berggebieden, eilanden enz.;

kleine familiebedrijven;

ambachtelijke bedrijven;

zelfstandigen.

2.3.

Zoals reeds aangegeven door het EESC vormen kleine familie- en traditionele bedrijven de ruggengraat van vele economieën in de wereld en worden ze gekenmerkt door een indrukwekkende groei. Ze spelen een grote rol in de regionale en lokale ontwikkeling en doen in het bijzonder een duit in het zakje bij de opbouw van lokale gemeenschappen. Familiebedrijven zijn beter in staat om moeilijke perioden van recessie en stagnatie te doorstaan. Deze bedrijven worden gekenmerkt door een uniek leiderschap, aangezien hun eigenaren veel belang hechten aan de langetermijnvooruitzichten van het bedrijf, met name omdat het vermogen, de reputatie en de toekomst van de familie op het spel staan. Dit leiderschap manifesteert zich doorgaans in de vorm van een buitengewone toewijding om het voortbestaan van het bedrijf te garanderen, waardoor ze hun werknemers meer koesteren en hechtere banden smeden met hun klanten om het bedrijf in stand te houden. Het EESC heeft de Commissie eerder verzocht om een actieve strategie toe te passen ter bevordering van beste praktijken in familiebedrijven tussen de lidstaten (8).

2.4.

In de afgelopen jaren hebben veel kleine familie- en traditionele bedrijven steeds meer moeilijkheden ondervonden bij het uitoefenen van hun activiteiten, omdat:

ze niet goed zijn uitgerust om in te spelen op en zich aan te passen aan het snel veranderende ondernemingsklimaat;

hun traditionele manier van zaken doen niet meer zo concurrentiekrachtig is als vroeger, als gevolg van veranderende bedrijfsmodellen — bijv. digitalisering, doeltreffendere manieren om ondernemingen te besturen, de ontwikkeling van nieuwe technologieën;

ze beperkte toegang hebben tot middelen — bijv. financieringsmiddelen, informatie, menselijk kapitaal, marktuitbreidingspotentieel enz.;

ze kampen met organisatorische beperkingen, zoals een gebrek aan tijd en kwalitatief en toekomstgericht eigenaarschap en management, en met inertie ten aanzien van gedragsveranderingen;

ze beperkte mogelijkheden hebben om de externe omgeving vorm te geven en over minder onderhandelingsmacht beschikken, maar daar sterker van afhankelijk zijn (9).

2.5.

Er zijn bijna 23 miljoen kmo’s in de EU, met een groter aandeel van kmo’s in verhouding tot het totale aantal ondernemingen in de zuidelijke landen van de EU (10). De kmo’s vertegenwoordigen niet alleen 99,8 % van het totale aantal bedrijven in de niet-financiële bedrijfssector in de EU (11), maar ze bieden ook werkgelegenheid aan bijna 67 % van het totale aantal werknemers en zijn verantwoordelijk voor bijna 58 % van de totale toegevoegde waarde in de niet-financiële bedrijfssector (12). Micro-ondernemingen, waaronder eenmansbedrijven, zijn verreweg het sterkst vertegenwoordigd wat betreft het aantal ondernemingen.

3.   Beleidslijnen en -prioriteiten op EU-niveau

3.1.

In het algemeen is de steun voor kmo’s vooral gericht op de bevordering van onderzoek en innovatie in kmo’s en de ontwikkeling van kmo’s (13). Hoewel de innovatiecapaciteit en de capaciteit om wereldwijd te opereren worden erkend als de twee belangrijkste motoren voor groei, vertonen kmo’s vaak zwakheden op beide gebieden (14). De helft van de geïdentificeerde soorten instrumenten in de laatste financieringsperiode streeft bijna uitsluitend doelstellingen in termen van innovatie na. Het zijn instrumenten ter ondersteuning van technologische en niet-technologische innovatie, eco-innovatie, de creatie van innovatieve bedrijven, O&O-projecten, kennis- en technologieoverdracht.

3.2.

Gedurende de periode 2007-2013 (15) bedroeg de EFRO-steun aan kmo’s ongeveer 47,5 miljard euro (76,5 % voor bedrijfsondersteuning en 16 % van de totale EFRO-toewijzing voor deze periode). Ongeveer 246 000 begunstigde kmo’s werden geselecteerd uit 18,5 miljoen ondernemingen. De vergelijking tussen het aantal begunstigden en het totale aantal ondernemingen geeft duidelijk aan dat dit bedrag absoluut ontoereikend is en bewijst dat de EU er niet in is geslaagd deze zeer belangrijke categorie van bedrijven te ondersteunen. De Commissie gaat voorbij aan deze belangrijke kwestie vanwege een tekort aan middelen en de grote diversiteit wat betreft de kenmerken van deze bedrijven.

3.3.

In dezelfde periode werd een relatief groot aantal beleidsinstrumenten toegepast met een hoge mate van variabiliteit, variërend van 1 tot 8 000-9 000 begunstigden. Het creëren van instrumenten die van toepassing zijn op een zeer klein aantal begunstigden is duidelijk inefficiënt. De vraag dringt zich op of het de moeite waard is om zo’n groot aantal instrumenten te ontwikkelen. Ook moet hun efficiëntie en effectiviteit ter discussie worden gesteld, door de financiële en personele middelen die betrokken zijn bij het ontwerp en de bereikte effecten (indien van toepassing) tegen elkaar af te wegen. Tegelijkertijd wordt in casestudy’s gewezen op een proces van zelfselectie of „soft targeting”, waarbij een specifieke groep begunstigden (over het algemeen gekenmerkt door een grotere absorptiecapaciteit) vanzelf de doelgroep is geworden door de manier waarop een bepaald beleidsinstrument werd opgezet.

3.4.

Uit een uitgebreide beoordeling (16) van in totaal 670 beleidsinstrumenten voor de 50 operationele programma’s die tijdens de programmeringsperiode werden geïmplementeerd, blijkt dat de verdeling tussen de verschillende beleidslijnen tamelijk ongelijk is. Er komt naar voren dat minder dan 30 % van alle beleidsinstrumenten zich richtte op de behoeften van traditionele bedrijven. Het EESC heeft al zijn steun uitgesproken voor innovatieve en snelgroeiende ondernemingen (17). Het betreurt echter dat de beleidsinstrumenten op onevenredige wijze en hoofdzakelijk zijn afgestemd op innovatiedoelstellingen voor kmo’s, aangezien het merendeel van de Europese kmo’s nu en in de nabije toekomst geen enkel innovatief potentieel heeft en hun kernactiviteiten zo’n potentieel niet vereisen. Het is waar dat innovatieve producten ontwikkeld kunnen worden tegen zeer lage kosten en een hoog groeipotentieel kunnen hebben, maar dit soort groei is duidelijk de uitzondering en niet de regel voor familie- en traditionele bedrijven, die met een totaal andere filosofie werken. Een zekere mate van innovatie is mogelijk en verstandig en nieuwe generaties gaan innoveren omdat ze openstaan voor nieuwe ideeën. Maar de innovatie is in de meeste gevallen versnipperd en maakt geen deel uit van de kernactiviteiten van deze bedrijven (18).

3.5.

Kleine familie- en traditionele bedrijven komen haast niet voor op de radar van ondersteunende beleidsinstrumenten, zoals blijkt uit het feit dat een minderheid van de beleidsinstrumenten (slechts 7 % van de totale overheidsbijdragen) is afgestemd op kmo’s die werkzaam zijn in bepaalde sectoren, en dan voornamelijk in de toerismesector. Dit blijkt ook uit het feit dat ongeveer 54 % van de begunstigde kmo’s werkzaam is in de productiesector en ICT-sector (10 %), met slechts 16 % in de groothandel en detailhandel en 6 % in de sector accommodatie en maaltijden — die worden beschouwd als traditionele sectoren. Daar komt nog bij dat tijdens de laatste programmeringsperiode de steun voor kmo’s werd opgezet in het licht van de diepe economische crisis, rekening houdend met de noodzaak van een verschuiving van de middelen van innovatie naar een meer generieke groei.

3.6.

Tegelijkertijd blijkt uit de gegevens dat gedurende de vijf jaar na het begin van de crisis in 2008 het aantal kmo’s toenam, terwijl de toegevoegde waarde en het aantal werknemers afnam (19). Dergelijke statistieken suggereren dat gedurende deze periode het „ondernemerschap uit noodzaak” prevaleerde boven het „vrijwillig ondernemerschap”. Vanzelfsprekend zochten mensen naar een manier om de crisis door te komen en bedrijven probeerden het hoofd boven water te houden, maar de steun was niet toereikend of adequaat (20).

3.7.

Veel recente studies hebben overduidelijk aangetoond dat er significante verschillen bestaan tussen de behoeften van kmo’s in Noord- en Zuid-Europa, met aanzienlijke verschillen op nationaal niveau. Dit wordt volledig geschraagd door het Jaarverslag van de Europese Commissie over Europese kmo’s 2014/2015, waarin wordt opgemerkt dat de slechtst scorende landen zich in het zuiden bevinden. Deze landen rapporteren tevens een zeer laag slagingspercentage voor projecten, waaronder de kmo-component van Horizon 2020.

3.8.

Een bijkomende serieuze uitdaging voor doeltreffende steun aan kleine familie- en traditionele bedrijven is het feit dat het bevorderingsbeleid grotendeels is gebaseerd op de omvang van bedrijven en niet op relevantere kenmerken die meer impact hebben op hun activiteiten. Deze aanpak is mogelijk achterhaald en te breed opgezet en houdt geen rekening met de verschillende behoeften van de verschillende groepen, zoals de kleine familie- en traditionele bedrijven. Het EESC heeft in zijn adviezen daarom voortdurend aangedrongen op een gerichter beleid voor kmo’s in Europa en de actualisering van de definitie van kmo’s om meer recht te doen aan hun variëteit (21).

3.9.

Het EESC maakt zich zorgen over het feit dat slechts een klein gedeelte van de EFRO-steun vooralsnog tot zichtbare effecten heeft geleid (22) die aantonen dat deze steun de economie echt beïnvloedt. Dit roept vragen op over de werkelijke impact van de geïnvesteerde middelen ter ondersteuning van kmo’s en het EESC dringt erop aan dat een echte effectbeoordeling wordt uitgevoerd, met inbegrip van een analyse van de aan kleine familie- en traditionele bedrijven verleende steun.

3.10.

Het EFRO is niet de enige bron van steun voor kleine familie- en traditionele bedrijven. Kmo’s kunnen ook steun krijgen uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) (23), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (24) en het Europees Sociaal Fonds (ESF) (25), waarvan afzonderlijk of via de territoriale instrumenten (vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI)) gebruik kan worden gemaakt. Maar deze fondsen richten zich niet specifiek op kleine familie- en traditionele bedrijven, waar slechts een fractie van de financiering naartoe gaat. Volgens hun vertegenwoordigers worden de behoeften van deze bedrijven niet goed begrepen en wordt daar onvoldoende op ingespeeld.

3.10.1.

Dit kan worden verklaard door het feit dat bij de ontwikkeling van de ondersteunende beleidsinstrumenten de Europese, nationale en lokale beleidsmakers en overheden in sommige opzichten te streng zijn geweest en geen rekening hebben gehouden met de standpunten van het bedrijfsleven en de sociale partners, om de werkelijke behoeften van kleine en zeer kleine bedrijven te begrijpen.

3.10.2.

Uiteraard moet niet alle schuld bij de overheden worden gelegd, maar ook bij de intermediaire organisaties, omdat zij hebben verzuimd om de werkelijke behoeften van de kmo’s effectief te communiceren. Een goed voorbeeld hiervan is dat kmo’s duidelijk de voorkeur lijken te geven aan subsidies, wat haaks staat op de groeiende nadruk in het beleidsdebat op eigenvermogensfinanciering, terugvorderbare steun en indirecte steun.

3.10.3.

Partnerschappen tussen ondernemingen en onderzoekscentra en de hulp van intermediaire actoren bij de ondersteuning van kmo’s lijken ook minder ontwikkeld te zijn dan verwacht, ondanks het feit dat hiervoor veel aandacht is. Er wordt aangevoerd dat deze mismatch gedeeltelijk kan worden verklaard door de crisis, maar tijdens de economische recessie hadden de beleidsmakers kunnen kiezen voor meer „traditionele” beleidsinstrumenten om de lokale economieën te steunen in een kritieke periode.

3.10.4.

Het is vrijwel onmogelijk voor kleine familie- en traditionele bedrijven om verschillende specifieke financiële instrumenten te gebruiken, vanwege de moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging daarvan en het gebrek aan ervaring en kennis.

4.   De heterogeniteit van kmo’s verdient aandacht

4.1.

Kleine ondernemingen hebben doorgaans een lagere export als percentage van de omzet dan middelgrote en grote ondernemingen, zodat er een verband lijkt te bestaan tussen de bedrijfsgrootte en het exportvermogen.

4.2.

Toegang tot financiering is een ernstig probleem voor kmo’s en start-ups. Het EESC heeft er in een informatief rapport op gewezen dat tekortschietende financiering kmo’s sinds 2008 in hun activiteiten beperkt (26). Hoewel de situatie recent aan het verbeteren is, verloopt de vooruitgang trager bij kleine ondernemingen, hetgeen nogmaals de betekenis onderstreept van de bedrijfsgrootte voor de behoeften en prestaties van bedrijven. Verder zijn kmo’s voor hun financiering vooral aangewezen op bankleningen, maar het bankenstelsel is niet goed op hen, en met name niet op kleine familie- en traditionele bedrijven, toegesneden.

4.3.

De afgelopen tijd was de financiële steun voornamelijk gericht op startende bedrijven — die een zeer klein deel uitmaken van de kmo’s in de EU — maar er is nog altijd onvoldoende aandacht voor de dringende kapitaalbehoefte van opschalende bedrijven en voor de behoefte van het merendeel van de traditionele ondernemingen aan financiering voor hun reguliere werkzaamheden, die onder de recente crisis geleden hebben. Er zijn berichten over bankfaillissementen waardoor sommige kleine ondernemingen door eenvoudige cashflowproblemen werden gedwongen om te sluiten.

4.4.

Een andere moeilijkheid die de kmo’s ervaren — vergeleken met grote bedrijven — heeft betrekking op de toegang tot informatie en nieuwe markten. Het is bovendien lastiger voor deze bedrijven om hooggekwalificeerde werknemers in dienst te nemen en te houden en om te voldoen aan de toenemende reglementaire en bureaucratische eisen. Deze nadelige situatie is nog erger voor kmo’s in de minder ontwikkelde EU-regio’s, die te kampen hebben met een gebrek aan mogelijkheden om samen te werken met grotere bedrijven als deel van hun waardeketen, minder mogelijkheden om deel uit te maken van concurrerende clusters, een tekort aan collectieve goederen, minder toegang tot voorzieningen en ondersteunende instellingen, en ook vaak met een afname van het aantal klanten. Al deze factoren kunnen ook leiden tot hogere kosten om hun goederen op de markt te brengen.

4.5.

Voor traditionele kmo’s en kmo’s die gevestigd zijn in de minder ontwikkelde EU-gebieden zijn beleidsinstrumenten die gericht zijn op de bevordering van innovatie, toegang tot nieuwe markten, internalisering, toegang tot kapitaalmarkten enz., daarom niet van wezenlijk belang. Ze zijn eerder gebaat bij instrumenten die kmo’s helpen hun kernactiviteiten te verbeteren en beter te presteren — zoals instrumenten die leiden tot betere toegang tot gemeenschappelijke bankfinanciering, informatie, hooggekwalificeerde werknemers en directe zakelijke kansen (verbetering van de dagelijkse activiteiten). Het initiëren van gedragsveranderingen heeft voor deze bedrijven geen zin op korte termijn, omdat eerst de algehele context waarin zij werken moet veranderen.

4.6.

Hoewel in sommige landen starterscentra soepel opereren, zijn de positieve effecten ervan in andere landen tamelijk beperkt. De voornaamste factor voor succes is een cultuur van het delen van organisatorische middelen en ondersteunende netwerken, die in beginsel weinig ontwikkeld is in de minder ontwikkelde EU-regio’s.

4.7.

Het toenemend belang van kennisproductie als concurrentievoordeel vergroot verder de heterogeniteit van de kmo’s, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen snelgroeiende en andere kmo’s, waarvan de ontwikkeling wordt gehinderd door obstakels die traditioneel verband houden met hun kleine omvang, hun locatie en klantenbestand.

4.8.

Het EESC verzoekt de Commissie om de „handel eerst klein”-benadering te omarmen en om speciale aandacht te schenken aan de kleine familie- en traditionele bedrijven bij het ontwerpen van beleidsinstrumenten.

4.9.

Zo’n 30 à 40 jaar geleden waren er veel achterstandsgebieden in Europa, regio’s die zich geografisch of functioneel op afstand bevonden van de economische groeimotors. Sommige van die gebieden zijn inmiddels welvarend, wat te danken is aan open, verantwoordelijke en niet-corrupte lokale besturen, efficiënt werkende bedrijfsorganisaties en de oprichting van lokale, goed functionerende bedrijfsnetwerken.

5.   Uitdagingen en de aanpak daarvan om de ontwikkeling van kleine familie- en traditionele bedrijven beter te bevorderen

5.1.

Toegang tot financiering is een bekend probleem. Vergeleken met grotere bedrijven worden kleine familie- en traditionele bedrijven gekenmerkt door grotere verschillen wat betreft winstgevendheid, voortbestaan en groei — die de oorzaak zijn van de specifieke problemen waar zij mee worden geconfronteerd met betrekking tot financiering. De kmo’s krijgen doorgaans te maken met hogere rentepercentages alsook kredietrantsoenering door een tekort aan zekerheden. De problemen op het gebied van financiering verschillen sterk tussen de bedrijven die langzaam groeien en de bedrijven die snel groeien.

5.2.

De expansie van durfkapitaalfondsen, private-equitymarkten — met inbegrip van informele markten en business angels — en crowdfunding en de ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie in het algemeen hebben geleid tot verbeterde toegang tot durfkapitaal voor bepaalde categorieën kmo’s, maar het is onwaarschijnlijk dat de kleine familie- en traditionele bedrijven erg profiteren van deze ontwikkelingen — zij zullen grotendeels afhankelijk blijven van traditionele bankleningen. Zelfs voor innovatieve bedrijven, startende bedrijven en middelgrote bedrijven zijn deze instrumenten niet altijd eenvoudig toe te passen en er blijven aanzienlijke verschillen bestaan tussen landen vanwege het niveau van de ontwikkeling van lokale kapitaalmarkten en een gebrek aan goede wetgeving.

5.3.

Het beleid van de Commissie om de toegang tot financiering te vergemakkelijken door het verstrekken van garanties, wordt gunstig onthaald. De gekozen regeling lijkt echter verstoringen op de garantiemarkt te veroorzaken en heeft zo uiteindelijk onbedoelde gevolgen voor de activiteiten van waarborgfondsen. Er is empirisch bewijs beschikbaar (in dit geval over Spanje) dat commerciële banken hun bestaande kredietnemers expliciet voorstellen een garantie te vragen — die rechtstreeks aan hen wordt verstrekt vanuit de EU in de vorm van een garantstelling — zodat de bank de huidige risico’s kan dekken via de garantie zonder hun risicoklasse te hoeven verhogen. „Achtergestelde kmo’s” (d.w.z. die geen krediet kunnen verkrijgen) vallen buiten de boot. De inzet van meer overheidsgeld, via tegengaranties, leidt tot een efficiëntere benutting van overheidsgeld en een groter hefboomeffect op de markt en in de bredere economie.

5.4.

Europese en lokale regelgevingslasten blijven een groot obstakel voor kleine familie- en traditionele bedrijven, die vaak slecht zijn uitgerust om de problemen als gevolg van buitensporige regulering het hoofd te bieden. Dit vereist eenvoudige toegang tot informatie over regelgeving en betere voorlichting over technische en milieunormen. Beleidsmakers moeten erop toezien dat nalevingsprocedures niet onnodig duur, complex of tijdrovend zijn. Er moet ook systematisch en zorgvuldig toezicht worden gehouden op nieuwe regelgeving en de tenuitvoerlegging ervan door de relevante lokale bedrijfsverenigingen.

5.5.

Toegang tot betere informatie is nodig, niet alleen met betrekking tot reglementaire vereisten. Informatie over het lokale ondernemingsklimaat en over de marktmogelijkheden op regionaal niveau is ook van vitaal belang voor de familie- en traditionele bedrijven. De moderne technologieën bieden grote mogelijkheden om de informatiekloof te verkleinen als ze op een gebruiksvriendelijke manier zijn ontwikkeld. Het zou erg nuttig zijn om één loket op te zetten, dus één plek waar alle noodzakelijke informatie die van invloed is op ondernemingsstrategieën en -besluiten beschikbaar wordt gesteld, hetgeen reeds in een aantal landen bestaat. Maatregelen ter bevordering van informatienetwerken moeten zijn gericht op de afstemming van databases op gebruikers en moeten een overvloed aan informatie voorkomen.

5.6.

Recente maatregelen om de toegang tot de markten te vergemakkelijken, waren voornamelijk gericht op de internationale markten. Het beleid op dit gebied is bedoeld om de door de kmo’s ondervonden nadelen aan te pakken die verband houden met hun gebrek aan toegang tot personele middelen, externe markten en technologie. Maar zoals hierboven uiteengezet is dit voor kleine familie- en traditionele bedrijven vaak weinig relevant. Daarom moeten de inspanningen zijn gericht op betere coördinatie op regionaal niveau tussen de organisatoren van handelsmissies en op het bieden van betere ondersteuning bij het vinden van betrouwbare bedrijfspartners. Een andere mogelijkheid in dit verband is om meer inspanningen te leveren teneinde het „aandeel” te verhogen dat kleine bedrijven krijgen in overheidscontracten in het kader van openbare aanbestedingen.

5.7.

Een zeer specifiek probleem waar kleine familie- en traditionele bedrijven recent mee werden geconfronteerd betreft de toegang tot gekwalificeerde arbeidskrachten. De demografische situatie verslechtert in afgelegen gebieden en in veel regio’s met een ontwikkelingsachterstand en als gevolg daarvan kampen veel plaatsen met een aanzienlijk tekort aan geschoolde arbeidskrachten. Deze ondernemingen hebben zodoende hulp nodig bij het identificeren en aantrekken van personele middelen alsook bij het opleiden van personeel. Opleidingsprogramma’s moeten ook buiten het seizoen beschikbaar en op maat gesneden zijn. Er moet ook een systeem zijn om deze programma’s regelmatig aan te bieden, aangezien kleine bedrijven mogelijk een groter verloop kennen.

5.8.

In familiebedrijven is het gebruikelijk dat kinderen al dan niet uit dezelfde familie voor het bedrijf werken. Dit is een traditioneel aspect en gunstig voor de onderneming, omdat het de vlotte overgang van het bedrijf van de ene generatie op de andere faciliteert en kinderen vertrouwd maakt met hun toekomstige baan. In dergelijke gevallen moeten de eigenaren/managers altijd in gedachten houden dat de arbeidsomstandigheden in overeenstemming moeten zijn met IAO-verdragen nrs. 182 en 138 inzake kinderarbeid.

5.9.

Opleiding is nodig, maar niet alleen voor de werknemers van kleine familie- en traditionele bedrijven. In landelijke en afgelegen gebieden hebben bankmedewerkers en werkgeversorganisaties vaak geen enkele kennis van de verschillende programma’s en mogelijkheden die de Commissie biedt en de bijbehorende documenten en procedures. Zo’n netwerk van intermediaire actoren is van essentieel belang om de steun aan kleine familie- en traditionele bedrijven doeltreffender te maken. Voorlichtingsprogramma’s en de uitwisseling van beste praktijken tussen deze intermediaire actoren moeten worden bevorderd. Er moet tevens één contactpunt voor alle vormen van financiering en programma’s worden opgezet.

5.10.

Het verhogen van de „kwaliteit” van eigenaren/managers van kleine familie- en traditionele bedrijven moet een belangrijke beleidsmaatregel zijn, aangezien alles in deze bedrijven rechtstreeks samenhangt met deze factor. Dit kan worden bereikt door opleiding aan te moedigen en/of door eenvoudige toegang te bieden tot advies- en consultancydiensten. Levenslang leren moet worden gestimuleerd — onlineleermiddelen op het gebied van bedrijfsplanning, productienormen, consumentenwetgeving of andere regelgeving zouden een stap in de goede richting kunnen zijn.

5.11.

Een andere maatregel is het aanmoedigen van kleine familie- en traditionele bedrijven om hun winsten te herinvesteren. Als ze daartoe worden gestimuleerd, zullen ze stabieler, minder afhankelijk van bankleningen en minder kwetsbaar voor crises worden.

5.12.

Het zou zeer nuttig zijn om voor de lidstaten een overzicht te maken van goede praktijkvoorbeelden uit verschillende landen en sectoren waarin veel kleine familie- en traditionele bedrijven actief zijn, zoals toerisme, landbouw en visserij.

Brussel, 18 oktober 2017.

Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  Zie de EESC-adviezen: Beleidsmaatregelen voor kmo’s, PB C 27 van 3.2.2009, blz. 7; Internationale aanbestedingen, PB C 224 van 30.8.2008, blz. 32; Small Business Act, PB C 182 van 4.8.2009, blz. 30; Otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters, PB C 54 van 19.2.2011, blz. 44; Toegang tot financiering voor kmo’s (EESC-2014-06006-00-00-RI-TRA).

(2)  Zie de EESC-adviezen: Familiebedrijven, PB C 13 van 15.1.2016, blz. 8; Evaluatie van de Small Business Act, PB C 376 van 22.12.2011, blz. 51; Diversiteit van ondernemingsvormen, PB C 318 van 23.12.2009, blz. 22.

(3)  Aanvangseffectbeoordeling (2017)2868537 van 8 juni 2017.

(4)  Artikel 4 van de bijlage, Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie.

(5)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.

(6)  Kleine traditionele bedrijven die gedurende een lange periode gebruik hebben gemaakt van hetzelfde bedrijfsmodel en relatief kleine gemeenschappen dienen — bijv. kleine restaurants en cafetaria’s, onafhankelijke benzinestations, bakkerijen, familiehotels, kleine vervoers- en handelsondernemingen enz.

(7)  Er bestaat geen enkele definitie voor „familiebedrijf”, maar er zijn desondanks meerdere werkdefinities ontstaan die in de loop der jaren zijn geëvolueerd. Hierin wordt benadrukt dat familiebedrijven in belangrijke mate door een familie worden geleid, waarbij de familie eigenaar is van het bedrijf en er managementfuncties inneemt. (Sciascia en Mazzola, Family Business Review, vol. 21, nr. 4, 2008). Familiebedrijven maken in totaal meer dan 85 % van alle bedrijven in de OESO-landen uit. Een deel hiervan bestaat uit zeer grote bedrijven, maar het onderhavige advies concentreert zich op kleine familiebedrijven.

(8)  Zie het EESC-advies over Familiebedrijven, PB C 13 van 15.1.2016, blz. 8.

(9)  Diverse studies (bijv. Europees Parlement, 2011; CSES, 2012; EC, 2008; OESO, 1998).

(10)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie geeft een definitie van kmo’s, die in drie categorieën worden onderverdeeld: kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, op basis van het aantal werkzame mensen en de omzet. De belangrijkste statistische bronnen verstrekken geen gegevens over ondernemingen die als kmo’s zijn gedefinieerd, door de strikte toepassing van bovengenoemde definitie van kmo’s. De beschikbare gegevens zijn gebaseerd op het criterium van de werkgelegenheidsomvang. De in dit advies verstrekte statistieken zijn derhalve gebaseerd op deze definitie. Hierbij moet worden opgemerkt dat, hoewel de criteria inzake omzet en/of totale activa geen al te grote invloed mogen hebben op de statistieken, de toepassing van de regels over de autonomie van bedrijven de resultaten behoorlijk kan beïnvloeden; in een onderzoek uitgevoerd in Duitsland heeft de toepassing van deze regel het totaal aantal „kmo’s” verminderd met 9 % (CSES, 2012).

(11)  De niet-financiële bedrijfssector bestaat uit alle sectoren van de economieën van de EU-28 of de lidstaten, met uitzondering van financiële diensten, overheidsdiensten, onderwijs, gezondheidszorg, kunst en cultuur, landbouw, bosbouw en visserij.

(12)  Jaarverslag over Europese kmo’s 2014/2015, Europese Commissie.

(13)  Final Report, Work Package 2, ex post evaluation of Cohesion Policy programmes 2007-2013, focusing on the European Regional Development Fund (ERDF) and the Cohesion Fund (CF), Contract: 2014CE16BAT002, http://ec.europa.eu/regional_policy/en/policy/evaluations/ec/2007-2013/

(14)  Support to SMEs — Increasing Research and Innovation in SMEs and SME Development, Work Package 2, First Intermediate Report, Volume I: Synthesis Report, ex post evaluation of Cohesion Policy programmes, 2007-2013, focusing on the European Regional Development Fund (ERDF) and the Cohesion Fund (CF), contract: 2014CE16BAT002, juli 2015.

(15)  Dezelfde bron als voor voetnoot 13.

(16)  Dezelfde bron als voor voetnoot 14.

(17)  Zie het EESC-advies over de bevordering van innovatieve en snelgroeiende ondernemingen, PB C 75 van 10.3.2017, blz. 6.

(18)  Een goed voorbeeld is plattelandstoerisme, dat voor de marketing tegenwoordig sterk afhankelijk is van digitale platforms.

(19)  Europese Commissie, SME Performance Review Dataset (editie 2014).

(20)  Een „ondernemer uit noodzaak” is een persoon die een ondernemer werd omdat er geen betere optie beschikbaar was. Een „vrijwillige ondernemer” is een persoon die er actief voor gekozen heeft om een nieuw bedrijf te starten, gebaseerd op het besef dat er een onbenutte of onderbenutte zakelijke mogelijkheid bestaat. Er zijn aanwijzingen dat het effect op de economisch groei en ontwikkeling sterk verschilt tussen noodzakelijk en vrijwillig ondernemerschap. Over het algemeen heeft „ondernemerschap uit noodzaak” geen effect op de economische ontwikkeling, terwijl „vrijwillig ondernemerschap” een positief en significant effect heeft.

(21)  PB C 383 van 17.11.2015, blz. 64.

(22)  Volgens de beschikbare informatie van het monitoringsysteem en de bijkomende bronnen (bijv. ad-hocbeoordeling), biedt slechts 12 % van alle beleidsinstrumenten overtuigend bewijs van positieve resultaten. Beleidsinstrumenten die als ondoeltreffend kunnen worden beoordeeld, maken tot 5 % van het totaal uit.

(23)  https://ec.europa.eu/fisheries/cfp/emff_nl

(24)  https://ec.europa.eu/agriculture/cap-funding_nl

(25)  http://ec.europa.eu/esf/home.jsp

(26)  Zie het informatief rapport van het EESC over de toegang tot financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen en midcapbedrijven in de periode 2014-2020: kansen en uitdagingen.