6.7.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 237/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over een sociaal duurzaam concept voor een hogere levensstandaard, meer groei en werkgelegenheid, en veiligheid voor de burgers in het digitale tijdperk

(verkennend advies op verzoek van het Bulgaarse voorzitterschap)

(2018/C 237/01)

Rapporteur:

Giulia BARBUCCI (IT-II)

Verzoek van het Bulgaarse voorzitterschap van de Raad

Brief van 5.9.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegd

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

23.2.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

15.3.2018

Zitting nr.

533

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

187/16/10

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Bij alle beleidsmaatregelen die door de Europese, nationale en lokale instellingen worden uitgevoerd, moet sociale duurzaamheid worden behandeld op voet van gelijkheid met economische en ecologische duurzaamheid. De recente voorstellen voor de sociale dimensie van Europa (1), om te beginnen met de discussienota van de Europese Commissie en de Europese pijler van sociale rechten, bieden een ongekende kans om de sociale duurzaamheid van Europese en nationale maatregelen op het gebied van werkgelegenheid en rechten te bevorderen. Het EESC beveelt aan dat de voorstellen die in het huidige werkprogramma van de Commissie zijn opgenomen — met inbegrip van het pakket voor sociale rechtvaardigheid (Social fairness package), het initiatief voor billijke belastingen in het digitale tijdperk en de EMU-hervormingen — gericht worden op het bevorderen van de duurzaamheid van het Europees sociaal model.

1.2

Het effect van sociale maatregelen ten aanzien van de sociale duurzaamheid ervan zou steeds nauwkeuriger beoordeeld moeten worden, voortbouwend op bestaande monitoringsystemen en indicatoren. Het EESC beveelt de instellingen aan om de bestaande en nieuwe instrumenten te evalueren (te beginnen met het bij de Pijler gevoegde scorebord) en na te gaan hoe goed zij de impact van het voorgestelde beleid op de burgers kunnen meten.

1.3

Het EESC neemt kennis van het standpunt dat het Europees Parlement verwoordde in zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten, namelijk dat de bestaande arbeids- en sociale normen geactualiseerd moeten worden; het EESC zal te zijner tijd een bijdrage leveren aan het pakket „Sociale rechtvaardigheid”, dat is opgenomen in het werkprogramma 2018 van de Commissie. Het EESC wijst er ook op dat randvoorwaarden voor de arbeidsmarkten nodig zijn om nieuwe en gevarieerdere loopbanen te ondersteunen en om de werkgelegenheid en de normen voor werknemers in heel Europa, ongeacht hun contractvoorwaarden, te verbeteren en om een grotere convergentie naar betere arbeids- en levensomstandigheden te bevorderen; dit zou ook bijdragen tot het wegwerken van regionale verschillen. Het EESC steunt de aanbeveling van het Europees Parlement aan de Commissie en de sociale partners om samen een voorstel in te dienen voor een kaderrichtlijn inzake fatsoenlijke arbeidsomstandigheden in alle vormen van werkgelegenheid, waarbij de bestaande minimumnormen worden uitgebreid tot nieuwe vormen van arbeidsbetrekkingen.

1.4

Het EESC ziet een duidelijk verband tussen concurrentievermogen, productiviteit en sociale duurzaamheid: alle actoren moeten zich inzetten voor inclusieve groei en tegelijkertijd gunstige voorwaarden scheppen voor het bedrijfsleven om steeds meer en betere banen te creëren. Arbeid blijft de belangrijkste factor in het creëren van rijkdom en welzijn; echter, het principe moet in ere hersteld worden dat gelijkwaardigere samenlevingen slechts mogelijk zijn op basis van meer inclusieve en duurzame groei en banen die waarborgen dat mensen onder fatsoenlijke omstandigheden werken, fatsoenlijk beloond worden, een passend pensioen ontvangen en hun rechten kunnen uitoefenen. Concurrentievermogen, productiviteit en arbeidsrechten zijn beginselen die opnieuw harmonieus moeten samengaan bij de vormgeving van het beleid inzake arbeidsregulering en sociale rechten.

1.5

Het Comité beseft dat de democratie gevaar kan lopen als mensen die nog steeds lijden onder de gevolgen van bezuinigingen, niet profiteren van de welvaart die door de groei en de productiviteit als gevolg van de digitalisering wordt gegenereerd.

1.6

Evenals in andere adviezen beveelt het EESC aan om verdere inspanningen te leveren om de regionale verschillen in levens- en arbeidsomstandigheden binnen de Europese Unie weg te werken. Opwaartse convergentie moet geen leuze zijn, maar een transversaal beginsel dat in alle beleidsvormen van de Unie in acht genomen en uitgevoerd moet worden, te beginnen op financieel en economisch gebied. Er kan geen sprake zijn van echte integratie zolang er tussen de Europese burgers zulke grote verschillen bestaan in lonen en in de feitelijke uitoefening van de sociale rechten. In dit verband spelen de structuurfondsen een sleutelrol, die in toenemende mate gericht moeten zijn op het opheffen van regionale verschillen.

1.7

Het EESC is ingenomen met initiatieven als de Jeugdgarantie, de bijscholingstrajecten en initiatieven ter bestrijding van langdurige werkloosheid, en roept de Europese en nationale instellingen op om passende middelen vrij te maken om transities op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en te versnellen en de continuïteit van het inkomen adequaat te waarborgen (2), met name voor de meest kansarme groepen. Het EESC beveelt voorts aan de juiste voorwaarden te scheppen om het concurrentievermogen, het scheppen van banen en de vlotte overstap tussen banen te waarborgen via een systeem van sociale vangnetten en andere begeleidende maatregelen die recht doen aan de behoeften van werknemers en bedrijven.

1.8

Het EESC beveelt de sociale partners aan om inclusieve collectieve onderhandelingen op alle niveaus te voeren en nieuwe maatregelen te overwegen (ook in het komende werkprogramma van de Europese sociale partners), gericht op een ruimere toegang voor vrouwen tot banen in de digitale sector om de loonkloof tussen mannen en vrouwen weg te werken, het moederschap met passende instrumenten krachtig te beschermen en gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt te creëren. Het EESC beveelt ook aan dat de instellingen op alle niveaus, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld gecoördineerd optreden om gelijke behandeling van mannen en vrouwen in alle geledingen van de samenleving te waarborgen.

1.9

Volgens het EESC is sociale duurzaamheid ook gebaseerd op eerlijke en doeltreffende mogelijkheden tot levenslang leren, vanaf de vroege jeugd, met name gezien de mogelijke uitsluiting van grote delen van de bevolking ten gevolge van digitale uitsluiting. Beleidsmakers zouden maatregelen moeten overwegen om het tekort aan vaardigheden op belangrijke gebieden van de digitale economie terug te dringen, omdat zij van essentieel belang zijn voor de kwaliteit en het Europese concurrentievermogen Het is ook essentieel om te zorgen voor trajecten voor digitale geletterdheid voor hen die wellicht uitgesloten worden van het genot van sociale rechten en diensten — vooral als het om fundamentele rechten en diensten gaat — vanwege het effect van digitalisering. Het EESC raadt de sociale partners en instellingen aan om hiertoe samen met maatschappelijke organisaties tijdig maatregelen te nemen. De overheid op elk niveau moet garanderen dat er een goede digitale infrastructuur beschikbaar is die de inclusie vergroot om mogelijke verschillen tussen regio’s en omgevingen te overbruggen.

2.   Sociale duurzaamheid in het tijdperk van digitalisering en mondialisering

2.1

Dit verkennend advies is bedoeld om sociale duurzaamheid vanuit een holistische invalshoek te analyseren, van de definitie ervan tot de gevolgen voor het beleid op sociaal, werkgelegenheids- en economisch gebied.

2.2

De gevolgen van de mondialisering, de zware nasleep van de economische crisis, het dalende geboortecijfer en de daaruit voortvloeiende vergrijzing van de Europese bevolking, de zwakke groei die kenmerkend is voor de economieën van de meeste lidstaten, zijn allemaal sleutelfactoren voor het vaststellen van de huidige sociale problemen.

2.3

Uit talrijke sociaaleconomische indicatoren blijkt duidelijk dat het gevoerde beleid, vooral op Europees en nationaal niveau, om uit de crisis te geraken, hoewel het erop was gericht de door mondiale factoren veroorzaakte instabiliteit te beteugelen, maar al te vaak juist tot meer en nieuwe ongelijkheden heeft geleid — ook vanuit geografisch oogpunt — tussen sociale klassen, geslachten en generaties. De instellingen moeten daarom op alle niveaus, samen met de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, met beleid komen om aan deze onevenwichtigheden en ongelijkheden een eind te maken, vooral aan de hand van meer werkgelegenheid op basis van duurzame en meer inclusieve groei.

2.4

Het begrip duurzaamheid omvat drie fundamentele elementen: ecologische, economische en sociale duurzaamheid. Deze drie componenten zijn verankerd in de Europese verdragen en komen op hun beurt tot uiting in het begrip duurzame ontwikkeling, waarop de 2030 Agenda for Sustainable Development van de VN en de 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling daarvan zijn gebaseerd. Eurostat stelt in zijn overzicht van 2017 van de vorderingen wat betreft de SDG's in de EU dat er in het algemeen weliswaar flinke vooruitgang is geboekt met de verwezenlijking van de SDG's op milieugebied (SDG 7 „betaalbare en schone energie”, SDG 12 „verantwoord consumeren en produceren”, SDG 15 „leven op het platteland”, SDG 11 „duurzame steden en gemeenschappen”), maar dat de verwezenlijking van de meer sociale SDG's slechts matig is geweest (SDG 4 „kwaliteitsonderwijs”, SDG 5, „gelijke kansen voor man en vrouw”, SDG 8 „fatsoenlijk werk en economische groei”, SDG 1 „geen armoede”, SDG 2 „geen honger” en SDG 10 „minder ongelijkheid”).

2.5

Hoewel over het algemeen de definitie van sociale duurzaamheid aanvaard wordt als „het vermogen om gelijkelijk over klasse en geslacht verdeelde voorwaarden voor het menselijk welzijn te garanderen (veiligheid, gezondheid, onderwijs, democratie, participatie, rechtvaardigheid)”, moet worden opgemerkt dat dit een concept is dat onderhevig is aan mogelijke variaties, afhankelijk van de context waarin het wordt gebruikt. Sociale duurzaamheid moet op dezelfde wijze als ecologische en economische duurzaamheid worden ingevoerd en vormgegeven om ongelijkheid terug te dringen.

2.6

Bij het vormgeven van het macro-economisch beleid in de afgelopen jaren stond de sociale duurzaamheid vaak ten onrechte tegenover economische en financiële duurzaamheid. Getuigen hiervan zijn de structurele hervormingen die door de Europese instellingen zijn bevorderd en door de nationale regeringen zijn uitgevoerd na de financiële en vervolgens economische crisis van 2007-2008. Instellingen noch sociale partners mogen concurrentievermogen tegenover duurzaamheid plaatsen. Zo blijkt dat qua duurzaamheid geavanceerdere bedrijven internationaal vaak concurrerender zijn. Bovendien zou de Europese Unie de mondialisering moeten richten op duurzame ontwikkeling ten voordele van bedrijven en werknemers.

2.7

Wat het bedrijfsleven betreft vervult vooral het mkb een cruciale rol bij het genereren van duurzame en inclusieve groei, die tegelijkertijd tot stand komt door het scheppen van fatsoenlijke banen en het versterken van het concurrentievermogen, waarbij rekening wordt gehouden met sociale duurzaamheid.

2.8

Met de mondiale agenda voor 2030 voor duurzame ontwikkeling en de 17 doelstellingen daarvan voor ogen zouden innovatie en duurzame ontwikkeling op elkaar moeten worden afgestemd door mondiale en nationale initiatieven aan elkaar te koppelen. Er wordt immers een duidelijk oordeel uitgesproken over de onhoudbaarheid van het huidige ontwikkelingsmodel vanuit ecologisch, economisch en sociaal oogpunt, waarmee afstand wordt genomen van het idee dat duurzaamheid slechts een milieukwestie is. Gepleit wordt voor een geïntegreerde visie op de verschillende aspecten van ontwikkeling. Uitvoering van de agenda vereist een sterke inbreng van alle geledingen van de samenleving: instellingen, maatschappelijke organisaties, onderzoekers en universiteiten, alsmede doeltreffende evaluatiemechanismen.

2.9

Het EESC heeft meermaals gesteld dat het financieel en macro-economisch beleid en de sociale rechten positief met elkaar verweven moeten worden, en daarbij de nadruk gelegd op tekortkomingen in de naleving van die rechten, die de ongelijkheden in de Unie vergroten. Met name moet sociale duurzaamheid expliciet aan de orde komen in lopende debat over de voorstellen voor de toekomstige structuur van de economische en monetaire unie (EMU) en de opzet van het meerjarig financieel kader (MFK). Uitgaande van de bestaande monitoringsystemen en indicatoren moet de beoordeling van het effect van sociale maatregelen op de sociale duurzaamheid steeds nauwkeuriger worden gemaakt.

2.10

Volgens het EESC dienen de instellingen ook de bestaande en nieuwe instrumenten te evalueren (zoals het bij de Europese Pijler gevoegde scorebord) en na te gaan of ze doeltreffend zijn om de impact van het voorgestelde beleid inzake sociale rechten op de burgers met een zekere nauwkeurigheid te kunnen meten.

2.11

Om de regionale verschillen binnen de Unie op te heffen, die in sommige gevallen nog worden verergerd door de gevolgen van de economische crisis, moeten er onder meer nieuwe en efficiëntere strategieën voor het gebruik van hulpbronnen worden bevorderd, met name door het mobiliseren van Europese structuur- en investeringsfondsen, die prioriteit moeten geven aan het bevorderen van duurzame groei en hoogwaardige banen. Het EESC heeft in zijn advies over De effecten van sociale investeringen op de werkgelegenheid en overheidsbegrotingen (3) al aangedrongen op een „Europees conjunctuur- en investeringsprogramma ter hoogte van 2 % van het bbp” en een grotere nadruk op sociale investeringen. Er moeten nieuwe financiële middelen worden bestemd voor dit investeringsplan, ter aanvulling van de bestaande Europese structuur- en investeringsfondsen.

3.   Het Europees sociaal model: duurzaamheid en verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden

3.1

Volgens het EESC is het Europees sociaal model een uniek onderdeel van de Europese identiteit, aangezien het via bestaande sociale voorzieningen een hoge mate van sociale bescherming en burgerrechten voor iedereen garandeert. Het EESC is dan ook van mening dat het niet ter discussie moet worden gesteld, maar moet worden uitgebreid. In dit opzicht is het essentieel dat het beleid van de Unie gericht is op voortdurende verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden van de Europese burgers op alle gebieden, zoals bepaald in de Verdragen sinds het prille begin van het Europese project.

3.2

Het huidige werkprogramma van de Europese Commissie omvat initiatieven zoals het pakket sociale rechtvaardigheid en het initiatief voor fiscale rechtvaardigheid in het digitale tijdperk; maatregelen voor de hervorming van de EMU staan ook op stapel. Het EESC zou graag zien dat deze voorstellen gericht worden op grotere duurzaamheid van het Europees sociaal model (4).

3.3

Het EESC is van oordeel dat er een billijk compromis moet worden gevonden tussen sociale en economische duurzaamheid bij de uitwerking van het arbeidsmarktbeleid. Het voorbije decennium zijn de verschillen en ongelijkheden tussen Europese burgers toegenomen: in de toegang tot sociale voorzieningen, de mogelijkheden om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt, de toename van atypische arbeidsvormen (zoals duidelijk uit de statistieken blijkt). Dit heeft bij de Europese burgers geleid tot meer onzekerheid ten aanzien van de mogelijkheid om de algemene levensomstandigheden te verbeteren. Vooral onder jongeren en vrouwen, en in alle lagen van de bevolking die meer risico lopen, heeft deze perceptie terrein gewonnen. Vanuit dit oogpunt acht het EESC het essentieel dat de integratie van migranten op de arbeidsmarkt wordt bevorderd, aangezien hun bijdrage aan de socialezekerheidsstelsels in veel gevallen doorslaggevend is voor de stabiliteit van de socialezekerheidsstelsels en sociale vangnetten.

3.4

Het EESC neemt kennis van het standpunt dat het Europees Parlement verwoordde in zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten, namelijk dat de bestaande arbeids- en sociale normen geactualiseerd moeten worden; het EESC zal te zijner tijd een bijdrage leveren aan het pakket „Sociale rechtvaardigheid”, dat is opgenomen in het werkprogramma 2018 van de Commissie. Het EESC wijst er ook op dat randvoorwaarden voor de arbeidsmarkten nodig zijn om nieuwe en gevarieerdere loopbanen te ondersteunen en om de werkgelegenheid en de normen voor werknemers in heel Europa, ongeacht hun contractvoorwaarden, te verbeteren en om een grotere convergentie naar betere arbeids- en levensomstandigheden te bevorderen; dit zou ook bijdragen tot het wegwerken van regionale verschillen. Het EESC steunt de aanbeveling van het Europees Parlement aan de Commissie en de sociale partners om samen een voorstel in te dienen voor een kaderrichtlijn inzake fatsoenlijke arbeidsomstandigheden in alle vormen van werkgelegenheid, waarbij de bestaande minimumnormen worden uitgebreid tot nieuwe vormen van arbeidsbetrekkingen.

3.5

Het EESC heeft zich in tal van adviezen gebogen over digitalisering en de gevolgen ervan voor de organisatie van werk en werkgelegenheid(5) We moeten digitalisering echter niet alleen in de context van werkgelegenheid en arbeidsmarkt beschouwen. Het toenemend gebruik van digitale apparatuur heeft ons dagelijks leven ingrijpend veranderd: in de persoonlijke en sociale aspecten en zelfs in de relatie met politiek, vrijwilligerswerk en het maatschappelijk leven. De EU moet acties voor voorschools onderwijs en levenslang leren bevorderen, met name wat betreft digitale vaardigheden, om de kloof tussen gewenste en aangeboden vaardigheden aan te pakken. De onderwijsstelsels — met inbegrip van hoger onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren — moeten streven naar uitmuntendheid, zodat leiderschap in onderzoek, innovatie en concurrentievermogen van Europese ideeën, goederen en diensten mogelijk wordt.

3.6

In diverse adviezen heeft het EESC benadrukt dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar de behoeften van sociaal kwetsbarerisicogroepen. Er moet worden gezorgd voor inclusieve socialebeschermingsstelsels die met name oog hebben voor de behoeften van kwetsbare personen en hun gezinnen, teneinde te zorgen voor fatsoenlijke levensomstandigheden, ondersteuning en het behoud van banen die zijn aangepast aan de behoeften van deze personen.

3.7

Mensen met een handicap staan centraal in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en in de Europese strategie inzake gehandicapten. Het EESC pleit ervoor dat alles in het werk wordt gesteld om wezenlijke vooruitgang te boeken op de acht prioritaire actieterreinen van het VN-Verdrag: toegankelijkheid, participatie, gelijkheid, werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, sociale bescherming, gezondheid en internationale bevordering van de rechten van personen met een handicap. In het licht van de voortschrijdende digitalisering in alle levenssferen verzoekt het EESC om bijzondere aandacht voor mensen met een handicap, die hoogstwaarschijnlijk door de digitale transformatie getroffen zullen worden. De Europese Unie zou de vele mogelijkheden moeten aangrijpen die er voor gehandicapten bestaan om hun inzetbaarheid en kansen op fatsoenlijk werk te vergroten, wat hen ook in staat zou stellen om bij te dragen aan de socialezekerheidsstelsels Het EESC beveelt daarom aan om de voorwaarden te scheppen voor een actiever gebruik van instrumenten voor levenslang leren en her- en bijscholing van gehandicapten in de nieuwe digitale beroepen.

3.8

Het EESC acht het van essentieel belang dat sociale duurzaamheid deel gaat uitmaken van het Europese beleid voor de jongere generaties en de toekomst van het Europese sociale model. De toenemende scepsis ten opzichte van de instellingen onder jongeren (meest verontrustende symptoom: het zeer hoge aantal niet-stemmers), het maatschappelijk middenveld, partijen, vakbonden, en de bijval voor eurosceptische en extreem-rechtse bewegingen zijn alleen te bestrijden als de Europese Unie meer aandacht besteedt aan de toekomst van het Europees sociaal model en de duurzaamheid ervan. Het EESC beveelt de Europese instellingen en de nationale regeringen aan alles in het werk te stellen om het aantal en de kwaliteit van banen voor jongeren te verhogen, de mobiliteit van jongeren te ondersteunen, het vooruitzicht op fatsoenlijke sociale voorzieningen te waarborgen en levenslang leren op alle niveaus te bevorderen. Initiatieven zoals Erasmus+, de Jongerengarantie en alle andere maatregelen in het kader van het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief moeten voldoende worden gefinancierd en uitgevoerd.

3.9

Het EESC acht het essentieel dat de sociale duurzaamheid van inkomens, met name voor mensen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, wordt gewaarborgd. Het is cruciaal dat de socialezekerheidsstelsels (6) fatsoenlijke levensomstandigheden garanderen en voorkomen dat mensen onder de armoedegrens terechtkomen. Het EESC heeft er in tal van adviezen al op gewezen dat de pensioenstelsels gebaseerd moeten worden op solidariteit tussen de generaties. Met inachtneming van de uiteenlopende nationale stelsels streeft het EESC er in de eerste plaats naar om de werkgelegenheid te vergroten, wat ertoe bijdraagt dat de socialezekerheidsstelsels op voldoende middelen kunnen rekenen. Iedereen die volgens een soort contractuele regeling werkt, met inbegrip van de zogenaamde nieuwe vormen van werk in verband met de digitalisering, moet toegang hebben en bijdragen tot de stelsels van sociale bescherming. (7)

3.10

In de meest recente initiatieven op het gebied van werkgelegenheid heeft de Europese Commissie veel aandacht besteed aan transities. Een van de zorgwekkendste trends in de afgelopen jaren was immers de toename van de tijd die verstrijkt tussen het einde van de opleiding en het moment waarop jongeren een eerste baan vinden, vooral als het gaat om de eerste vaste baan. Bovendien is de situatie verslechterd voor langdurig werklozen en mensen die dicht tegen hun pensioen aan zitten. Het EESC is ingenomen met initiatieven als de Jongerengarantie, de bijscholingstrajecten en de bevordering van het leerlingwezen als belangrijkste vorm van toegang tot werk via de Europese alliantie voor leerlingplaatsen en initiatieven ter bestrijding van langdurige werkloosheid. Het EESC dringt er daarom bij de Europese en nationale instellingen op aan om voor de juiste middelen te zorgen, zodat de transities en de vereiste opleiding gemakkelijker en sneller verlopen en de continuïteit van het inkomen gewaarborgd is, vooral voor de meest kansarme groepen en degenen die moeilijk omgeschoold kunnen worden om zo hun inzetbaarheid te vergroten. Het EESC beveelt voorts aan voor ondernemingen de juiste voorwaarden te scheppen met het oog op het concurrentievermogen, terwijl vlotte transities tussen banen worden gegarandeerd via een systeem van sociale vangnetten en andere maatregelen voor externe flexibiliteit die recht doen aan de behoeften van werknemers en bedrijven.

3.11

Volgens het EESC is volledige gendergelijkheid een van de hoekstenen van sociale duurzaamheid; het merkt echter tegelijkertijd op dat, zoals blijkt uit de gegevens van Eurostat en vele andere beschikbare indicatoren, ongelijkheden op dit gebied nog steeds onaanvaardbaar zijn en niet alleen een schending vormen van de in de Verdragen vermelde beginselen van gelijke behandeling, maar ook een volwaardige economische ontwikkeling van de Unie ernstig belemmeren. Het EESC is dan ook ingenomen met de recente initiatieven op dit gebied, om te beginnen met het pakket maatregelen van de Commissie om werk en gezin met elkaar te combineren. Het beveelt de sociale partners aan om inclusieve collectieve onderhandelingen op alle niveaus te voeren en nieuwe maatregelen te overwegen (ook in het komende werkprogramma van de Europese sociale partners) om de loonkloof tussen mannen en vrouwen weg te werken, het moederschap met passende instrumenten krachtig te beschermen en gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt te creëren. Het EESC beveelt ook aan dat de instellingen op alle niveaus, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld gecoördineerd optreden om gelijke behandeling van mannen en vrouwen in alle geledingen van de samenleving te waarborgen.

3.12

Veel studies en onderzoeken analyseren de nieuwe sociale risico's die verbonden zijn aan de gevolgen van mondialisering en digitalisering van de arbeidsmarkt. Het EESC deelt de bezorgdheid over de toenemende versnippering van werk, robotisering en automatisering, maar ziet deze processen tegelijk, mits goed beheerd, als een kans om de arbeidsomstandigheden te verbeteren, bepaalde lastige taken minder belastend te maken en bijzonder complexe taken te vereenvoudigen.

3.13

Consumentenbescherming speelt ook een belangrijke rol in verband met sociale duurzaamheid, aangezien de rol van consumenten ten gevolge van de digitalisering ook kan veranderen. Het Europese beleid in deze context moet altijd actueel zijn en borg staan voor instrumenten om consumentengerelateerde problemen doeltreffend op te lossen, en bijzondere aandacht besteden aan veranderingen ten gevolge van digitalisering in sectoren zoals vervoer, energie en financiële diensten.

3.14

De nieuwe ongelijkheden en sociale risico's in het digitale tijdperk kunnen ook voortvloeien uit digitale uitsluiting, ofwel uit het feit dat sommige groepen burgers al dan niet over de e-vaardigheden en digitale basiskennis beschikken die nodig zijn om toegang te krijgen tot soms essentiële informatie en diensten. Volgens het EESC is sociale duurzaamheid ook gebaseerd op eerlijke en doeltreffende mogelijkheden tot levenslang leren, vanaf de vroege jeugd. Dit is een eerste vereiste, met name voor mensen met een handicap, in het bijzonder voor de nieuwe beroepen in de digitale sector. Hierbij moet er rekening mee worden gehouden dat grote delen van de bevolking (met name ouderen, burgers in perifere en arme gebieden, migranten, mensen met te weinig kwalificaties, enz.) digitaal wellicht uitgesloten zijn. In het digitale tijdperk is het essentieel te zorgen voor toegang tot internet en trajecten voor digitale geletterdheid voor hen die werkloos dreigen te worden en hun in staat te stellen hun rechten uit te oefenen en sociale diensten te gebruiken — vooral als het om fundamentele rechten en diensten gaat. Het EESC raadt de sociale partners en instellingen aan om hiertoe samen met maatschappelijke organisaties tijdig maatregelen te nemen.

Brussel, 15 maart 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  PB C 81, 2.3.2018, blz. 145.

(2)  PB C 170, 5.6.2014, blz. 23.

(3)  PB C 226, 16.7.2014, blz. 21.

(4)  PB C 51 van 17.2.2011, blz. 20.

(5)  SOC/570 (zie bladzijde 8 van dit Publicatieblad); PB C 129, 11.4.2018, blz. 7; PB C 434, 15.12.2017, blz. 36; PB C 434, 15.12.2017, blz. 30; PB C 173, 31.5.2017, blz. 45; PB C 303, 19.8.2016, blz. 54; PB C 13, 15.1.2016, blz. 161; PB C 128, 18.5.2010, blz. 74.

(6)  PB C 13, 15.1.2016, blz. 40.

(7)  PB C 129 van 11.4.2018, blz. 7; PB C 84 van 17.3.2011, blz. 38., PB C 120, 16.5.2008, blz. 66.


Bijlage

De volgende wijzigingsvoorstellen, inzake de paragrafen 1.3 en 3.4, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden tijdens de beraadslaging verworpen:

Paragraaf 1.3:

Als volgt wijzigen:

 

1.3.

Het EESC neemt kennis van het standpunt dat het Europees Parlement verwoordde in zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten, namelijk dat de bestaande arbeids- en sociale normen geactualiseerd moeten worden; het EESC zal te zijner tijd een bijdrage leveren aan het pakket „Sociale rechtvaardigheid”, dat is opgenomen in het werkprogramma 2018 van de Commissie. Het EESC wijst er ook op dat randvoorwaarden voor de arbeidsmarkten nodig zijn om nieuwe en gevarieerdere loopbanen te ondersteunen en om de werkgelegenheid en de normen voor werknemers in heel Europa, ongeacht hun contractvoorwaarden, te verbeteren en om een grotere convergentie naar betere arbeids- en levensomstandigheden te bevorderen; dit zou ook bijdragen tot het wegwerken van regionale verschillen. Het EESC zal een advies uitbrengen over het voorstel voor een kaderrichtlijn inzake fatsoenlijke arbeidsomstandigheden in de Europese Unie.

Motivering

Wordt mondeling gegeven.

Stemuitslag

Voor

72

Tegen

121

Onthoudingen

9

Paragraaf 3.4:

Als volgt wijzigen:

 

3.4.

Het EESC neemt kennis van het standpunt dat het Europees Parlement verwoordde in zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten, namelijk dat de bestaande arbeids- en sociale normen geactualiseerd moeten worden; het EESC zal te zijner tijd een bijdrage leveren aan het pakket „Sociale rechtvaardigheid”, dat is opgenomen in het werkprogramma 2018 van de Commissie. Het EESC wijst er ook op dat randvoorwaarden voor de arbeidsmarkten nodig zijn om nieuwe en gevarieerdere loopbanen te ondersteunen en om de werkgelegenheid en de normen voor werknemers in heel Europa, ongeacht hun contractvoorwaarden, te verbeteren en om een grotere convergentie naar betere arbeids- en levensomstandigheden te bevorderen; dit zou ook bijdragen tot het wegwerken van regionale verschillen. Het EESC zal een advies uitbrengen over het voorstel voor een kaderrichtlijn inzake fatsoenlijke arbeidsomstandigheden in de Europese Unie.

Motivering

Wordt mondeling gegeven.

Stemuitslag

Voor

72

Tegen

121

Onthoudingen

9