|
Samenvatting
|
|
Effectbeoordeling van een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een EU-certificeringssysteem voor apparatuur voor beveiligingsonderzoeken in de luchtvaart
|
|
A. Noodzakelijkheid van de maatregelen
|
|
Wat is het probleem en waarom is het een probleem op EU-niveau?
|
|
Momenteel ontbreekt het aan een interne markt voor apparatuur voor beveiligingsonderzoeken in de luchtvaart. Deze situatie leidt tot inefficiëntie en belemmert het concurrentievermogen van Europese fabrikanten van dergelijke apparatuur. Dit initiatief beoogt hierin verandering te brengen.
Zonder een beleidsinitiatief ter ondersteuning van het concurrentievermogen van de Europese fabrikanten zal hun mondiale marktaandeel beslist krimpen.
|
|
Wat moet er gebeuren?
|
|
Er moet voor worden gezorgd dat de interne markt van de EU voor apparatuur voor beveiligingsonderzoeken in de luchtvaart naar behoren werkt en dat het mondiale concurrentievermogen van bedrijven uit de EU toeneemt.
|
|
Wat is de meerwaarde van maatregelen op EU-niveau (subsidiariteitstoets)?
|
|
De lidstaten hebben dit probleem samen met de Commissie deels aangepakt door middel van een niet-bindende samenwerkingsovereenkomst inzake de ontwikkeling van gemeenschappelijke testmethoden. Uit hoofde van deze overeenkomst worden echter geen certificaten afgegeven. Er zijn geen aanwijzingen dat lidstaten van plan zijn onderling een wettelijk bindend certificeringssysteem overeen te komen. Daarom is EU-optreden geboden. De meerwaarde van een EU-optreden bestaat erin dat fabrikanten zouden kunnen profiteren van de interne markt en hun mondiale concurrentievermogen kunnen verbeteren.
|
|
B. Oplossingen
|
|
Wat zijn de verschillende opties om de doelstellingen te bereiken? Heeft een bepaalde optie de voorkeur? Zo nee, waarom niet?
|
|
Er zijn vijf beleidsopties ontwikkeld:
1. Het basisscenario, waarbij de Commissie zich afzijdig houdt. 2. Een aanbeveling voor de lidstaten. 3. Wetgeving – een wetgevingsvoorstel op grond waarvan producenten hun producten in de hele Unie zouden kunnen afzetten en verkopen wanneer zij eenmaal in één lidstaat zijn gecertificeerd. 3.1. De oude aanpak. 3.2. De nieuwe aanpak. 3.3. De gecentraliseerde aanpak.
Optie 3.1 heeft de voorkeur. De oude aanpak heeft namelijk significante positieve effecten en kan op brede steun rekenen van alle belanghebbenden.
|
|
Hoe denken de verschillende belanghebbenden er over? Wie steunt welke optie?
|
|
De groepen belanghebbenden waren geen voorstander van de opties 1 en 2. Wat betreft de derde optie hadden de meeste belanghebbenden een lichte voorkeur voor optie 3.3. De groepen belanghebbenden waren het over deze vragen in grote lijnen eens.
|
|
C. Gevolgen van de voorkeursoptie
|
|
Wat zijn de voordelen van de voorkeursoptie (enkel de belangrijkste)?
|
|
Apparatuur zou nog maar in één lidstaat hoeven te worden gecertificeerd. De voorgestelde beleidsactie moet de EU-markt efficiënter maken, het vrije verkeer van goederen bevorderen, de keuzevrijheid van de klanten vergroten, de administratieve lasten beperken, de marktintroductietijd verkorten en het concurrentievermogen van Europese fabrikanten verbeteren. Dit zou ertoe moeten leiden dat fabrikanten uit de EU hun afzet in derde landen over de hele linie vergroten en dat de totale werkgelegenheid in de sector aantrekt.
|
|
Wat zijn de kosten van de voorkeursoptie (enkel de belangrijkste)?
|
|
Als het niet meer nodig is een bepaald apparaat of type apparatuur meerdere keren te testen, hoeven de afzonderlijke laboratoria jaarlijks minder tests te verrichten. De laboratoria zullen hun inkomsten hierdoor zien teruglopen, maar deze afname is geringer dan de kostenbesparingen voor de producenten.
|
|
Wat zijn de gevolgen voor kmo's en het concurrentievermogen?
|
|
Het huidige certificeringssysteem zorgt voor rechtsonzekerheid, waardoor apparatuur voor beveiligingsonderzoeken in de luchtvaart hogere ontwikkelingskosten en een langere markintroductietijd vereist. Dit probleem is verhoudingsgewijs groter voor een kmo dan voor een grotere onderneming, gelet op de beperkte middelen waarover een kmo kan beschikken. Derhalve zijn ook de positieve effecten van optie 3.1 naar verwachting groter voor kmo's.
|
|
Zijn er significante gevolgen voor de nationale begrotingen en overheden?
|
|
Nee.
|
|
Zijn er nog andere significante gevolgen?
|
|
Nee.
|
|
D. Follow-up
|
|
Wanneer wordt dit beleid geëvalueerd?
|
|
Om de vijf jaar.
|