EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 22.9.2016
COM(2016) 617 final
2016/0296(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de 70e en 71e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu bij de IMO met betrekking tot de goedkeuring en aanneming van wijzigingen van bijlage VI bij Marpol inzake de aanwijzing van de Oostzee en de Noordzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden
TOELICHTING
1.
ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
Dit voorstel van de Commissie betreft de vaststelling van het standpunt van de Unie op de 70e en 71e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu (MEPC) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) met betrekking tot de goedkeuring en aanneming van de wijzigingen van bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol) inzake de aanwijzing van de Oostzee en de Noordzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebied en de inwerkingtreding van dat besluit.
Om de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) door schepen te voorkomen, beperken en beheersen, biedt bijlage VI bij Marpol de mogelijkheid om, op verzoek van de partijen met een gemeenschappelijk belang in een bepaald zeegebied, dat zeegebied aan te wijzen als een stikstofoxide-emissiebeheersgebied. De aanvragen voor aanwijzing moeten worden ingediend bij de IMO, die de nodige wijzigingen van bijlage VI bij Marpol moet onderzoeken, goedkeuren en aannemen, zodat de voorgestelde aanwijzing van een bepaald zeegebied als stikstofoxide-emissiebeheersgebied van kracht kan worden en in werking kan treden. Alle EU-lidstaten, met uitzondering van Oostenrijk en Hongarije, hebben bijlage VI bij Marpol geratificeerd.
De aanwijzing van de eerste stikstofoxide-emissiebeheersgebieden in het Noord-Amerikaanse Zeegebied en het Noord-Amerikaanse Caribische Zeegebied trad op 1 januari 2016 in werking. Wanneer schepen die na die datum zijn gebouwd zich in deze zeegebieden bevinden, moeten de op het schip gemonteerde motoren in overeenstemming zijn met de in bijlage VI bij Marpol vastgestelde emissienormen van niveau III.
Tot de meest gangbare emissiereductietechnologieën die ervoor zorgen dat aan de emissienormen van niveau III kan worden voldaan, behoren uitlaatgasrecirculatie (EGR-systemen), selectieve katalytische reductie (SCR-systemen) of motoren die (gedeeltelijk) gebruikmaken van vloeibaar aardgas (LNG).
Met het oog op de aanzienlijke voordelen voor het milieu en de gezondheid en in navolging van Noord-Amerika hebben alle oeverstaten van de Oostzee en de Noordzee samen besloten bij de IMO het voorstel in te dienen om deze twee zeeën aan te wijzen als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden, teneinde de totale NOx-uitstoot van schepen mettertijd aanzienlijk te verminderen.
De NOx-uitstoot van schepen in de Oostzee en de Noordzee is vooral in de grote kuststeden een belangrijke bron van luchtverontreiniging omdat deze bijdraagt tot de vorming van fijnstof, ozon in de troposfeer en concentraties van stikstofdioxide (NO2), wat allemaal een negatieve invloed heeft op de gezondheid van de mens. De stikstoftoevoer naar het mariene en terrestrische milieu door atmosferische depositie draagt bovendien bij tot de eutrofiëring van zee en land.
Eutrofiëring is een groot probleem in de Oostzee. De NOx-uitstoot van schepen verhoogt de hoeveelheid stikstof die door atmosferische depositie in het mariene milieu terechtkomt, wat het probleem van eutrofiëring in de Oostzee in de hand werkt. Indien ten gevolge van de aanwijzing van de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebied de emissienormen van niveau III zouden worden toegepast, zou de eutrofiëring van verschillende Oostzeegebieden met 20 à 30 % kunnen afnemen.
Zonder beheersmaatregelen zal de NOx-uitstoot van schepen op de Noordzee tegen 2030 verantwoordelijk zijn voor 7 à 24 % van de gemiddelde jaarlijkse luchtconcentraties van NOx in de oeverstaten van de Noordzee. In deze oeverstaten is de scheepvaart verantwoordelijk voor 2 à 5 % van de stikstofdepositie. Door de aanwijzing van de Noordzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebied zou het aandeel van de uitstoot van schepen in de Noordzee met ongeveer een derde afnemen.
2.
ONTWIKKELINGEN TOT DUSVER
Aangezien de oeverstaten van de Oostzee en de Noordzee hebben aangegeven dat zij de voorkeur geven aan een parallelle, gesynchroniseerde procedure voor de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden, werd een stappenplan ontwikkeld voor een gelijktijdige aanwijzing van beide zeeën als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden en een gelijktijdige inwerkingtreding van de besluiten terzake.
Overeenkomstig dit stappenplan zouden beide aanwijzingsaanvragen in juli 2016 bij de IMO worden ingediend, zodat de MEPC deze tijdens haar 70e vergadering (oktober 2016) kan goedkeuren en tijdens haar 71e vergadering kan aannemen (voorjaar 2017). Voorgesteld wordt dat de besluiten om beide gebieden als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden aan te wijzen per 1 januari 2021 in werking treden, zodat de marktdeelnemers voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden en aan te passen.
Na uitvoerige voorbereidende werkzaamheden die de effecten en voordelen van de aanwijzing van beide gebieden als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden in kaart moesten brengen, werden de ontwerpaanwijzingsverzoeken in mei 2016 tijdens technische vergaderingen in Rusland en Denemarken besproken. De (uiteindelijke) ontwerpaanwijzingsverzoeken werden op 19 mei 2016 en 29 juni 2016 ook aan de Groep zeescheepvaart van de Raad toegezonden.
Overeenkomstig het stappenplan hebben de delegatiehoofden van Helcom tijdens hun 50e vergadering, die op 15-16 juni 2016 in Estland plaatsvond, ermee ingestemd dat de respectievelijke oeverstaten de aanwijzingsverzoeken op 1 juli 2016 bij de IMO zouden indienen. Nadat Helcom met de aanwijzingsverzoeken heeft ingestemd, kunnen de oeverstaten van de Noordzee overgaan tot de gelijktijdige indiening van hun aanwijzingsverzoek, zodat de IMO deze overeenkomstig het stappenplan tegelijkertijd kan goedkeuren en aannemen.
3.
WIJZIGINGEN VAN BIJLAGE VI BIJ MARPOL
Overeenkomstig de criteria en de procedure van voorschrift 13.6 en aanhangsel III bij bijlage VI bij Marpol voor de aanwijzing van zeegebieden als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden, moeten ten gevolge van het aanwijzingsverzoek van de oeverstaten van de Oostzee en de Noordzee een aantal wijzigingen aan de punten 5.1, 5.2 en 5.3 van voorschrift 13 worden aangebracht om de Noordzee en de Oostzee toe te voegen aan de lijst van de gebieden die als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden zijn aangewezen, met name het Noord-Amerikaanse Zeegebied en het Noord-Amerikaanse Caribische Zeegebied, waarbij moet worden aangegeven dat de Noordzee en de Oostzee vanaf 1 januari 2021 effectief stikstofoxide-emissiebeheersgebieden zullen zijn.
Nadat de oeverstaten van de Noordzee en de Oostzee op 1 juli 2016 de voorgestelde wijzigingen bij de IMO hebben ingediend, zullen deze normaliter tijdens de 70e vergadering van de MEPC (gepland voor de periode van 24 tot en met 28 oktober 2016) worden goedgekeurd en tijdens de 71e vergadering van de MEPC (gepland voor het voorjaar van 2017) ter aanneming worden voorgelegd.
Na goedkeuring en aanneming door het MEPC zullen de wijzigingen van voorschrift 13 van bijlage VI bij Marpol ter goedkeuring worden voorgelegd aan de verdragsluitende partijen bij bijlage VI bij Marpol.
4.
RELEVANTE EU-WETGEVING EN EU-BEVOEGDHEID
De aanwijzing van stikstofoxide-emissiebeheersgebieden in de EU-wateren zou aanzienlijk bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het beleid van de Unie inzake milieu dat gericht is op behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het mariene milieu en de bescherming van de gezondheid van de mens door het verbeteren van de luchtkwaliteit. In de effectbeoordeling van de Commissie bij het beleidspakket voor schone lucht uit 2013 werd opgemerkt dat hoewel er nood is aan afzonderlijke, meer specifieke analyses om eventuele besluiten over specifieke maatregelen van de Unie voor de beheersing van de NOx-uitstoot van de scheepvaart te motiveren, het overduidelijk is dat de scheepvaart op een kostenefficiënte manier zijn NOx-uitstoot kan verminderen en aldus bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit van het mariene milieu en de lucht.
De kaderrichtlijn mariene strategie verplicht de lidstaten om voor 2020 de nodige maatregelen te nemen om een goede milieutoestand in het mariene milieu te behalen of te behouden. Onder een "goede milieutoestand" wordt verstaan: de milieutoestand van de mariene wateren wanneer deze tot ecologisch verscheiden en dynamische oceanen en zeeën leiden die schoon, gezond en gelet op hun intrinsieke omstandigheden productief zijn, en wanneer het gebruik van het mariene milieu op een duurzaam niveau is, aldus het potentieel voor gebruik en activiteiten door de huidige en toekomstige generaties veilig stellend (artikel 3, lid 5, van de kaderrichtlijn mariene strategie). Een goede milieutoestand vereist onder meer dat door de mens teweeggebrachte eutrofiëring tot een minimum is beperkt, met name de schadelijke effecten ervan zoals verlies van de biodiversiteit, aantasting van het ecosysteem, schadelijke algenbloei en zuurstofgebrek in de bodemwateren (fenomenen die zich met name in de Oostzee op ruime schaal voordoen). Indien ten gevolge van de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden de emissienormen van niveau III zouden worden toegepast, zodat de aanvoer van stikstof afkomstig van zeevervoer zou verminderen, zou dit de EU-lidstaten die aan deze zeeën grenzen aanzienlijk helpen om een goede milieutoestand uit hoofde van de kaderrichtlijn mariene strategie te bereiken.
In de richtlijn luchtkwaliteit worden onder meer grenswaarden vastgesteld voor NO2, met het oog op het vermijden, voorkomen en verminderen van de schadelijke gevolgen van luchtvervuiling voor de menselijke gezondheid en/of het milieu. De grenswaarde voor de jaarlijkse gemiddelde NO2-concentratie is vastgesteld op 40 microgram/m³. Met name in de oeverstaten van de Noordzee wordt deze maximumconcentratie in verschillende regio’s en zones overschreden. De uitstoot van de scheepvaart speelt een belangrijke rol in de plaatselijke luchtkwaliteitsproblemen in Europa, vooral wanneer men bedenkt dat in de Noordzee 89 % van deze uitstoot binnen 50 zeemijl vanaf de kust wordt gegenereerd.
In de richtlijn luchtkwaliteit wordt erkend dat het met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn van bijzonder belang is dat de uitstoot van verontreinigende stoffen bij de bron wordt bestreden, met name door maatregelen die leiden tot een inperking van de uitlaatemissies van de motor in verschillende mobiele en stationaire bronnen door middel van kwaliteitsnormen voor motoren en brandstoffen.
De Unie heeft een keur van wetgeving vastgesteld die emissies reguleert door middel van normen voor de motoren van verschillende wegvervoermiddelen (auto’s, vrachtwagens en bestelwagens, zie Euronormen) en van niet voor de weg bestemde mobiele machines (binnenschepen en locomotieven, zie verordening inzake niet voor de weg bestemde mobiele machines). De zwaveluitstoot van het zeevervoer in de Europese wateren is geregeld door de richtlijn betreffende het zwavelgehalte van brandstoffen voor schepen. Deze richtlijn zet de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als beheersgebieden voor SOx-emissies overeenkomstig bijlage VI bij Marpol om in Unierecht. Sinds de normen betreffende een laag zwavelgehalte in brandstoffen op 1 januari 2015 van toepassing zijn in deze twee beheersgebieden voor SOx-emissies, is de concentratie van zwavel in de kustgebieden afgenomen.
Hoewel het Unierecht de NOx-uitstoot van de internationale zeevaart niet bij de bron reguleert, wordt erkend dat het zeevervoer verantwoordelijk is voor een groot deel van deze uitstoot en voor de concentratie en depositie in de Unie, en dat deze uitstoot dus moet worden teruggedrongen. Aangezien de aanwijzing van de Oostzee en de Noordzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden de uitstoot van de internationale scheepvaart zal doen afnemen, wat het doel is van het Unierecht, moeten de aanwijzingsverzoeken bij de IMO worden gesteund.
Gezien de samenhang tussen de wijzigingen van bijlage VI bij Marpol die zijn voorgesteld met het oog op de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden, en gelet op de doelstellingen en normen van de verschillende instrumenten van het Unierecht dat tot doel heeft bij te dragen tot het behoud, de bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het mariene milieu en de bescherming van de gezondheid van de mens door een betere luchtkwaliteit, kan de goedkeuring en aanneming van de wijzigingen van bijlage VI bij Marpol de verdere ontwikkeling van het Unierecht op dit gebied mee vorm geven.
5.
CONCLUSIE
De bepalingen van artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gelden ook wanneer de IMO wijzigingen bij bijlage VI bij Marpol aanneemt. Bijgevolg moet tijdens de 70e en 71e vergadering van de MEPC een besluit van de Raad betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt met betrekking tot de wijzigingen van bijlage VI bij Marpol met het oog op de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden worden goedgekeurd en aangenomen.
2016/0296 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de 70e en 71e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu bij de IMO met betrekking tot de goedkeuring en aanneming van wijzigingen van bijlage VI bij Marpol inzake de aanwijzing van de Oostzee en de Noordzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, juncto artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Om de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) door schepen te voorkomen, beperken en beheersen, biedt bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol) de mogelijkheid om, op verzoek van de partijen met een gemeenschappelijk belang in een bepaald zeegebied, dat zeegebied aan te wijzen als een stikstofoxide-emissiebeheersgebied.
(2)De Internationale Maritieme Organisatie (IMO) moet de nodige wijzigingen van bijlage VI bij Marpol onderzoeken, goedkeuren en aannemen, zodat de voorgestelde aanwijzing van een bepaald zeegebied als stikstofoxide-emissiebeheersgebied van kracht kan worden en in werking kan treden.
(3)De oeverstaten van de Noordzee en de Oostzee die partij zijn bij bijlage VI bij Marpol hebben samen besloten twee voorstellen in te dienen om de respectieve zeeën met ingang van 1 januari 2021 als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden aan te wijzen.
(4)Het verzoek om de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebied aan te wijzen werd voorbereid door de Commissie ter bescherming van het mariene milieu in het Oostzeegebied (ook Helsinki-Commissie of Helcom genaamd) in het kader van het Verdrag van Helsinki ter bescherming van het mariene milieu in het Oostzeegebied. De delegatiehoofden van Helcom zijn tijdens hun vergadering van 16 juni 2016 overeengekomen om het voorstel voor aanwijzing van de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebied tijdens de 70e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu (MEPC) van de IMO voor te leggen.
(5)Het verzoek om de Noordzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebied aan te wijzen werd door de oeverstaten van de Noordzee op ministerieel niveau voorbereid.
(6)De Groep zeescheepvaart van de Raad is op 19 mei 2016 en op 29 juni 2016 op de hoogte gebracht van de (definitieve) voorstellen voor de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden die tijdens de 70e vergadering van de MEPC aan de IMO zullen worden voorgelegd.
(7)Verwacht wordt dat de wijzigingen van bijlage VI bij Marpol met het oog op de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden tijdens de 70e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu (MEPC) zullen worden goedgekeurd en tijdens de 71e vergadering in mei 2017 zullen worden aangenomen.
(8)De goedkeuring en aanneming van de wijzigingen van bijlage VI bij Marpol die zijn voorgesteld door de MEPC van de IMO om de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden aan te wijzen, zouden rechtsgevolgen hebben in de zin van artikel 218, lid 9, VWEU.
(9)In het Zevende Milieuactieprogramma wordt de langetermijndoelstelling van de Unie voor het beleid inzake luchtkwaliteit bevestigd, te weten het bereiken van een luchtkwaliteit die niet leidt tot aanzienlijke nadelige effecten op en risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu, en wordt om die reden aangedrongen op de volledige naleving van de bestaande EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit, strategische doelstellingen en maatregelen voor na 2020, vergroting van de inspanningen in gebieden waar de bevolking en ecosystemen worden blootgesteld aan hoge niveaus van luchtverontreinigende stoffen en vermindering van de depositie en het niveau van luchtverontreiniging als gevolg van verzuring, eutrofiëring en ozon tot onder de kritische belastingwaarden en niveaus.
(10)In 2013 was er in 19 van de 28 lidstaten sprake van overschrijding van de jaarlijkse grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) zoals vastgesteld in Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad op één of meer meetstations. 9 % van de stedelijke bevolking van de EU-28 woont in gebieden waar in 2013 de jaarlijkse grenswaarde en de luchtkwaliteitsrichtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie voor NO2 werden overschreden.
(11)Emissies van schepen hebben een impact op de menselijke gezondheid, de ecosystemen en de luchtkwaliteit in de Unie doordat zij stoffen bevatten zoals stikstofoxiden (NOx), zwaveloxiden (SOx), methaan (CH4), fijnstof (PM) en zwarte koolstof (BC).
(12)Volgens de effectbeoordeling bij het beleidspakket voor schone lucht van december 2013 zal de uitstoot van zwavel in door zeevervoer drastisch worden verlaagd naar aanleiding van de herziening van de richtlijn betreffende het zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen, terwijl de PM- en NOx-uitstoot van scheepsmotoren de luchtkwaliteit in de Unie zal blijven aantasten. De NOx-emissies van internationaal zeevervoer in de Europese wateren zouden vanaf 2020 tot hetzelfde niveau kunnen worden teruggebracht als de emissies van landbronnen.
(13)De geleidelijke terugdringing van luchtverontreiniging in de Unie is het gevolg van de uitstootvermindering ten gevolge van stoffenspecifieke wetgeving die de luchtvervuiling aan de bron aanpakt en (NOx-)emissiegrenswaarden vaststelt, onder meer door middel van normen voor brandstoffen en motoren en voor verschillende stationaire en mobiele emissiebronnen.
(14)Terwijl de Unie normen heeft vastgesteld voor scheepsbrandstoffen en ervoor heeft gezorgd dat monitoring, rapportage en verificatie verplicht is om de kwaliteit van het milieu en de gezondheid van de mens te verbeteren en deze te beschermen tegen SOx- en CO2-emissies die door het zeevervoer in de lucht terechtkomen, is er momenteel geen specifieke Uniewetgeving die het probleem van NOx-uitstoot van de internationale zeevaart bij de bron aanpakt.
(15)In de mededeling van 2013 over het programma "Schone lucht voor Europa" wordt benadrukt dat de uitstoot van de scheepvaart van invloed zal blijven op de luchtkwaliteit aan land en dat een vermindering van de uitstoot in de scheepvaartsector kosteneffectief kan zijn. Er wordt ook op gewezen dat gezien het internationale karakter van de scheepvaart in beginsel de voorkeur moet worden gegeven aan de ontwikkeling van beleid op internationaal niveau, zoals de aanwijzing van stikstofoxide-emissiebeheersgebieden en de handhaving van de reeds door de IMO overeengekomen NOx-emissienormen. Volgens de begeleidende effectbeoordeling is het duidelijk dat de scheepvaart op een kostenefficiënte manier zijn NOx-uitstoot kan verminderen. De aanwijzing van stikstofoxide-emissiebeheersgebieden in de zeegebieden van de EU zou aanzienlijke voordelen voor het milieu en de gezondheid opleveren.
(16)Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad bepaalt dat de Commissie en eventueel de lidstaten, onverminderd artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bilaterale en multilaterale samenwerking met derde landen en relevante organisaties zoals de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) nastreven om aldus een betere basis te verkrijgen voor de reductie van emissies.
(17)Uit het bovenstaande blijkt dat de goedkeuring en aanneming van de wijzigingen van bijlage VI bij Marpol de verdere ontwikkeling van het Unierecht op dit gebied mee vorm kan geven.
(18)Er moet een op artikel 218, lid 9, VWEU gebaseerd besluit van de Raad worden vastgesteld om het standpunt van de Europese Unie ten aanzien van de aanneming van deze wijzigingen te bepalen.
(19)De lidstaten moeten de aanneming ondersteunen van de voorgestelde wijzigingen van bijlage VI bij Marpol tot aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden tijdens de 70e vergadering van de MEPC (oktober 2016) en de daaropvolgende goedkeuring tijdens de 71e vergadering van de MEPC (voorjaar 2017).
(20)De Unie is noch lid van de IMO, noch overeenkomstsluitende partij bij Marpol. Daarom moet de Raad de lidstaten machtigen om het standpunt van de Unie uit te drukken en te verklaren dat zij ermee instemmen door de genoemde wijzigingen gebonden te zijn,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1.Het standpunt van de Unie tijdens de 70e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie luidt dat de wijzigingen van bijlage VI bij Marpol met het oog op de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden worden goedgekeurd.
2.Dit standpunt geldt ook op andere bijeenkomsten van de MEPC van de IMO, in het geval dat de wijzigingen niet zouden worden goedgekeurd tijdens de 70e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het milieu.
Artikel 2
1.Het standpunt van de Unie tijdens de 71e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie luidt dat de wijzigingen van bijlage VI bij Marpol met het oog op de aanwijzing van de Noordzee en de Oostzee als stikstofoxide-emissiebeheersgebieden worden aangenomen.
2.Dit standpunt geldt ook op andere bijeenkomsten van de MEPC van de IMO, in het geval dat de wijzigingen niet zouden worden goedgekeurd tijdens de 71e vergadering van de Commissie voor de bescherming van het milieu.
Artikel 3
1.Het standpunt van de Unie als omschreven in de artikelen 1 en 2 wordt uitgedrukt door de lidstaten die lid zijn van de IMO en die gezamenlijk optreden in het belang van de Unie.
2.Kleine aanpassingen van de wijzigingen als bedoeld in de artikelen 1 en 2 kunnen worden gesteund en goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie zonder nader besluit van de Raad.
Artikel 4
De lidstaten worden hierbij gemachtigd om te verklaren dat zij ermee instemmen om in het belang van de Unie door de in de artikelen 1 en 2 genoemde wijzigingen gebonden te zijn.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter