EUROPESE COMMISSIE
Straatsburg, 5.7.2016
COM(2016) 446 final
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE REKENKAMER
Jaarlijks beheers- en prestatieverslag over de EU-begroting 2015
EUROPESE COMMISSIE
Straatsburg, 5.7.2016
COM(2016) 446 final
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE REKENKAMER
Jaarlijks beheers- en prestatieverslag over de EU-begroting 2015
Inhoudsopgave
Inleiding
Deel 1 Prestaties en resultaten
1.1 Commissie-Juncker focust op resultaat
1.2 Samenvatting van vooruitgang
1.3 Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid (rubriek 1A)
1.3.1 Uitvoering van de programma's voor 2014-2020
1.3.2 Resultaten van de programma's die uit hoofde van het MFK 2007-2013 werden uitgevoerd
1.4 Economische, sociale en territoriale samenhang (rubriek 1B van de begroting)
1.4.1 Uitvoering van de programma's voor 2014-2020
1.4.2 Resultaten van de programma's voor 2007-2013
1.5 Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen (rubriek 2 van de begroting)
1.5.1 Informatie over uitvoering van de programma's voor 2014-2020
1.5.2 Resultaten van de programma's voor 2007-2013
1.6 Veiligheid en burgerschap (rubriek 3 van de begroting)
1.6.1 Uitvoering van programma's in het MFK 2014-2020
1.6.2 Resultaten van programma's in het MFK 2007-2013
1.7 Europa als wereldspeler (rubriek 4 van de begroting)
1.7.1 Uitvoering van programma's in het MFK 2014-2020
1.7.2 Resultaten van de programma's in 2007-2013
Conclusies over prestatie en resultaten
Deel 2 Beheersresultaten
2.1 Verwezenlijking van interne-controledoelstellingen
2.1.1 Beheersing van risico's in verband met wettigheid en regelmatigheid: risicobedrag bij sluiting
2.1.2. Kosteneffectiviteit van controles en vereenvoudiging
2.1.3 Fraudebestrijdingsstrategieën
2.2 Betrouwbaarheidsverklaring
2.3 Zekerheid op basis van de werkzaamheden van de dienst Interne audit
2.4 Uitvoering van kwijtingsaanbevelingen en aanbevelingen van externe auditor
Conclusie over beheersresultaten
Inleiding
De EU-begroting stelt Europeanen in staat om gezamenlijk gemeenschappelijke uitdagingen aan te gaan, zowel op Europees als internationaal niveau. De EU-begroting, die ongeveer 1% van het bruto nationaal product van de EU en 2% van de totale overheidsuitgaven in de Unie vertegenwoordigt, wordt samen met de nationale begrotingen en andere beleids- en regelgevingsinstrumenten op Europees niveau gebruikt voor het bereiken van de strategische doelen van de EU. Zij draagt met name bij aan het verwezenlijken van de door Commissievoorzitter Juncker gestelde politieke prioriteiten. Deze prioriteiten vormen een afspiegeling van de belangrijkste uitdagingen waarvoor de Europese economie en samenleving zich gesteld zien en dienen voor de Europese Commissie als referentiepunt voor al haar activiteiten. 1 Zij zijn in hoge mate complementair aan de doelstellingen van de in 2010 gelanceerde Europa 2020-strategie voor banen en groei, waarvoor een reeks kerndoelen op het gebied van werkgelegenheid, onderzoek en ontwikkeling, klimaatverandering en energie, onderwijs en bestrijding van armoede en uitsluiting is vastgesteld die vóór 2020 moeten worden bereikt 2 . Deze gemeenschappelijke doelen verschaffen een routekaart voor actie op zowel Europees als nationaal niveau en worden in het kader van de procedure van het Europees semester vertaald in oriëntaties voor de lidstaten.
Het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2014-2020 en de daaraan gerelateerde financieringsprogramma's zijn zo opgezet dat zij de doelen van de Europa 2020-strategie ondersteunen. Teneinde de relatie tussen uitgaven en politieke doelstellingen te versterken, is in het MFK 2014-2020 een uitgebreide reeks prestatie-indicatoren opgenomen. Aan de hand van deze indicatoren kan voor elk programma de geboekte vooruitgang in termen van output worden gemeten, alsmede de bijdrage van het programma aan economische groei en het welzijn van Europese burgers.
In het Jaarverslag over het beheer en de resultaten van de EU-begroting voor 2015 zijn twee eerdere verslagen samengevoegd: het evaluatieverslag over de financiën van de Unie dat overeenkomstig artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) werd opgesteld, en het syntheseverslag als bedoeld in artikel 66, lid 9, van het Financieel Reglement 3 . Door de informatie over de resultaten en het beheer van de EU-begroting in een enkel verslag samen te brengen, wordt een alomvattend overzicht gegeven van de wijze waarop de EU-begroting de politieke prioriteiten van de Unie ondersteunt en van de rol van de Commissie bij het bevorderen van een prestatiecultuur en bij het realiseren en bevorderen van de hoogste standaarden van begrotingsbeheer. Het onderhavige verslag vermeldt de bevindingen van zowel nalevings- als resultaatbeoordelingen en vormt zodoende een belangrijk onderdeel van de bijdrage van de Commissie aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure voor de begroting.
De EU-begroting in 2015 –- Bijdragen aan beleidsuitvoering en crisisrespons
De Commissie heeft in 2015 aanzienlijke vooruitgang geboekt ten aanzien van de tien politieke prioriteiten die in de politieke richtsnoeren van Commissievoorzitter Juncker worden genoemd. 4 Het Investeringsplan voor Europa ter waarde van 315 miljard EUR geeft een hoognodige impuls aan investeringen in werkgelegenheid en groei. Daarnaast hebben cruciale strategische voorstellen op terreinen als de energie-unie, de kapitaalmarktenunie en de digitale eengemaakte markt het pad geëffend voor een diepere en meer open interne markt en een grotere economische dynamiek.
2015 was ook het jaar waarin de Commissie snel en via een alomvattende benadering reageerde op een reeks grote uitdagingen voor de Europese economie en samenleving: de aanhoudende vluchtelingencrisis, de terreuracties en instabiliteit in de buurlanden van Europa, de hoge werkloosheid en het trage economische herstel, de financiële instabiliteit in Griekenland en de economische gevolgen van het Russische invoerverbod voor landbouwproducten en verwerkte voedingsmiddelen. Deze uitdagende context bepaalde hoe de EU-begroting in 2015 werd uitgevoerd.
De aanpak van deze immense uitdagingen vroeg om een combinatie van politiek leiderschap en strategisch gebruik van de EU-begroting. Overeenkomstig de politieke prioriteiten lag bij de uitvoering van de EU-begroting het zwaartepunt op het maximaliseren van de EU-bijdrage aan werkgelegenheid, groei en investeringen. De succesvolle uitvoering van Horizon 2020-programma's, de vervroegde terbeschikkingstelling van middelen voor de financiering van financieringsinstrumenten voor kmo's, het versneld verrichten van betalingen ten behoeve van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, de mobilisering van middelen voor Erasmus+, de instelling van het Europees Fonds voor strategische investeringen en het “Solidariteitspakket” voor het verbeteren van de situatie van landbouwers, zijn voorbeelden van het snel en effectief mobiliseren van middelen voor het ondersteunen van politieke prioriteiten.
De vluchtelingencrisis stelt de EU voor ongekende uitdagingen. Hoewel duidelijk is dat het toewijzen van aanvullende financiële middelen alleen de crisis niet zal oplossen en dat de EU in ieder geval maar marginaal zal kunnen voorzien in de mondiale financiële behoeften op dit terrein, is een strategische aanpak voor financiering absoluut noodzakelijk wanneer financiering wordt gecombineerd met de andere beleidsinstrumenten die de EU tot haar beschikking heeft. De EU-reactie op de vluchtelingencrisis is een duidelijk voorbeeld van het gebruik van de EU-begroting als onderdeel van een veelzijdige reactie op een zeer ernstige uitdaging.
In 2015 presenteerde de Commissie de Europese Migratieagenda 5 , waarin een alomvattend plan wordt beschreven voor het verminderen van de prikkels voor onregelmatige migratie, het redden van mensenlevens en het beschermen van de buitengrenzen van de EU. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een krachtig gemeenschappelijk asielbeleid en een nieuw beleid inzake legale migratie. De Commissie presenteerde ook de Europese Veiligheidsagenda, als basis voor samenwerking en gezamenlijk optreden door de Unie op het gebied van veiligheid in de komende vijf jaar, met het oog op de ontwikkeling van een echte ruimte van interne veiligheid in de EU 6 .
De financiële middelen voor de aanpak van de vluchtelingencrisis werden met 50% verhoogd, tot 3,7 miljard EUR in 2015 en meer dan 10 miljard EUR voor 2015-2016. Deze aanvullende financiering werd gebruikt ter versterking van de Triton- en Poseidon-operaties in de Middellandse Zee en het vergroten van de capaciteit van Frontex, EASO en Europol. Zij omvat ook noodmaatregelen binnen de Unie en ondersteunt de oprichting van een mechanisme voor de herplaatsing van vluchtelingen vanuit de lidstaten in de voorste linie. Door het verdrievoudigen van de financiering voor marinepatrouilles op de migratieroutes in het centrale en oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied, heeft de EU bijgedragen aan het redden van meer dan 252 000 mensenlevens in 2015 en nog eens 100 000 tot medio 2016. Ook voerde de EU haar inspanningen op voor de bestrijding van mensensmokkelaars en het ontmantelen van criminele groepen die zich met mensenhandel bezighouden.
Behalve voor acties voor het beheersen van de inkomende migratiestroom, werd de EU-begroting ook gebruikt voor het aanpakken van de diepere oorzaken van migratie, door het financieren van onmiddellijke humanitaire hulp voor Syrië, Irak en andere buurlanden (Turkije, Libanon, Jordanië), en de oprichting van twee nieuwe trustfondsen en een financieringsfaciliteit voor de uitvoering van acties ter plaatse. Het Regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis, dat werd ondersteund met 570 miljoen EUR uit de EU-begroting, verschaft het kader voor een samenhangende en versterkte hulprespons op de Syrische crisis op regionaal niveau. Hiermee wordt beantwoord aan behoeften op het gebied van weerbaarheid en vroegtijdig herstel van zowel de Syrische vluchtelingen die in buurlanden verblijven, als van de gastgemeenschappen en -overheden. Evenzo heeft de Commissie het Noodtrustfonds voor stabiliteit gelanceerd, waarmee de diepere oorzaken van onregelmatige migratie en ontheemding in Afrika worden aangepakt. Dit trustfonds bestaat uit 1,8 miljard EUR uit de EU-begroting en het Europees Ontwikkelingsfonds, aangevuld met bijdragen van de EU-lidstaten en andere donoren. Voor het ondersteunen van vluchtelingen in Turkije en de gastgemeenschappen werd de EU-Faciliteit voor vluchtelingen ingesteld, waarmee een bedrag van in totaal 3 miljard EUR wordt gecoördineerd. Daarvan wordt 1 miljard EUR uit de EU-begroting gefinancierd. Vanaf 1 januari 2016 worden via deze faciliteit subsidies en andere financiële steun verstrekt.
Dankzij een strenge bewaking van de uitvoering, aanzienlijke herschikkingsinspanningen en positieve ontwikkelingen aan de inkomstenzijde was het ondanks de extra uitgaven die in 2015 werden gedaan, niet nodig om de lidstaten te verzoeken om extra eigen middelen. De begroting voor 2015 werd volledig uitgevoerd en door het geleidelijk wegwerken van de achterstand in onbetaalde rekeningen uit de vorige programmeringsperiode, overeenkomstig het betalingsplan dat met het Europees Parlement en de Raad was overeengekomen, weer duurzaam gemaakt. Omdat een steeds groter beroep op de EU-begroting wordt gedaan, is het echter absoluut noodzakelijk dat ervoor wordt gezorgd dat de komende jaren voldoende financiering beschikbaar is voor het ondersteunen van de politieke prioriteiten en dat de begroting voldoende flexibel is om op onvoorziene gebeurtenissen te kunnen reageren.
Opzet van het Jaarverslag over het beheer en de resultaten van de EU-begroting
In deel 1 van dit verslag wordt een samenvatting gegeven van de resultaten van de EU-begroting, op basis van de meest recente beschikbare informatie over de resultaten die tot 2015 met de middelen uit de EU-begroting zijn bereikt. Voor dit verslag is gebruik gemaakt van de jaarlijkse activiteitenverslagen van de afdelingen van de Commissie, de "Programme Statements" die deel uitmaken van het begrotingsvoorstel voor 2017, en andere bronnen, zoals evaluatie- en uitvoeringsverslagen betreffende EU-programma's. In dit verslag wordt een samenvatting van de relevante gegevens verstrekt. Meer uitvoerige rapportagegegevens betreffende de doelstellingen van het programma en de vooruitgang die ten aanzien van relevante indicatoren is geboekt, vergeleken met referentie- en streefcijfers, zijn te vinden in de jaarlijkse activiteitenverslagen en "Programme Statements". Voor dit verslag is gebruik gemaakt van de meest recente beschikbare gegevens, wat betekent dat soms gegevens moesten worden gebruikt die op voorgaande verslagjaren betrekking hebben.
Voor elk van de begrotingsrubrieken wordt informatie verstrekt over de voortgang van de programma's die uit hoofde van het MFK 2014-2020 worden uitgevoerd, alsook de meest recente beschikbare informatie over de resultaten van de programma's die uit hoofde van het MFK 2007-2013 werden uitgevoerd. Op verzoek van het Europees Parlement en de Europese Rekenkamer wordt in dit verslag ook ingegaan op de relatie met de Europa 2020-strategie en worden concrete voorbeelden gegeven van de meerwaarde van EU-financiering. Ook worden voorbeelden gegeven van andere soorten begrotingsneutrale beleidsinstrumenten die samen met uitgavenprogramma's worden gebruikt ter ondersteuning van de algemene prioriteiten van de Unie.
In deel 1 wordt ook ingegaan op de lopende werkzaamheden van de Commissie voor een "resultaatgerichte EU-begroting", een breed initiatief om ervoor te zorgen dat EU-middelen doeltreffend en ten behoeve van de EU-burgers worden gebruikt.
In deel 2 wordt beschreven hoe de Commissie in 2015 uitvoering heeft gegeven aan het beheer van de EU-begroting. De rapportage over de beheersprestaties is gebaseerd op de jaarlijkse activiteitenverslagen van de afdelingen van de Commissie, waarin de interne-controleomgeving en daarmee verband houdende kwesties uitvoerig worden beschreven. Wanneer zich in de loop van het jaar problemen voordeden, wordt in het verslag beschreven hoe de afdelingen van de Commissie daarmee omgingen. In dit deel wordt een samenvatting gegeven van de beschikbare informatie over de verwezenlijking van de interne-controledoelstellingen, de beheersing van risico's in verband met wettigheid en regelmatigheid, de kosteneffectiviteit van controles en fraudebestrijdingsstrategieën.
De conclusie aan het einde van dit deel, die is gebaseerd op de betrouwbaarheidsverklaringen van de verschillende afdelingen en de via interne-controlewerkzaamheden verkregen zekerheid, stelt de Commissie in staat om door het goedkeuren van dit verslag de algehele politieke verantwoordelijkheid voor het beheer van de EU-begroting 2015 op zich te nemen.
Deel 1
Prestaties en resultaten
1.1 Commissie-Juncker focust op resultaat
In de context van de begrotingsdiscipline en concurrerende claims op de EU-begroting is het absoluut noodzakelijk dat sterk de nadruk wordt gelegd op prestaties en het bereiken van resultaten ter plaatse. Daartoe moest in de loop van 2015 maximaal gebruik worden gemaakt van de flexibiliteit die het MFK biedt, onder meer door het verrichten van aanzienlijke herschikkingen, zodat de beschikbare middelen konden worden toegewezen aan de meest urgente prioriteiten, terwijl de functie van het MFK als stabiel kader voor langetermijninvesteringen gehandhaafd moest blijven.
Voorzitter Juncker zette aan het begin van zijn mandaat de toon: “Het is niet genoeg om geld verstandig te besteden. We moeten meer doen met minder. We moeten het meeste uit de begroting halen en geld slim besteden.” “De mensen willen resultaten zien. Ook willen ze weten hoe we hun belastinggeld besteden.” 7
Het EU-initiatief "Resultaatgerichte EU-begroting", dat in 2015 door vicevoorzitter Georgieva werd gelanceerd, is opgezet om deze verbintenis gestand te doen. Hiermee wordt voortgebouwd op het bestaande op resultaten gebaseerde begrotingskader voor het bevorderen van een nieuw evenwicht tussen naleving en prestaties, bestedingspercentage en programmaresultaten. Focus, snelheid en resultaten zijn de leidende beginselen van een aantal initiatieven op een viertal terreinen:
vaststellen van de terreinen waarop de middelen van de EU-begroting moeten worden geïnvesteerd om kernprioriteiten en meerdere doelstellingen tegelijk te ondersteunen, met de noodzakelijke alertheid en flexibiliteit;
verbeteren van de wijze waarop de middelen van de EU-begroting worden geïnvesteerd, teneinde via een groter gebruik van financieringsinstrumenten, vereenvoudiging en evenredige, kosteneffectieve controles, de hefboomwerking van de middelen zo groot mogelijk te maken;
nadenken over de wijze waarop de uitvoering en resultaten van de EU-begroting moeten worden beoordeeld, met het oog op de invoering van een gestroomlijnd en realistisch prestatiekader, waaronder begrepen het rapporteren over wettigheid en regelmatigheid en resultaten;
zorgen voor een effectieve communicatie van de met EU-middelen bereikte resultaten, door het verstrekken van gemakkelijk toegankelijke en begrijpelijke informatie hierover, zowel voor het informeren van het grote publiek als voor het bevorderen van een productieve dialoog tussen belanghebbenden, waaronder begrepen gesprekken tussen deskundigen en politici over resultaatgerichte budgettering en een jaarlijkse conferentie over "resultaatgerichte EU-begroting".
Een van de voorbeelden van het beter communiceren van de resultaten van de EU-begroting is de webtool "EU Results", die in september 2015 tijdens de jaarlijkse conferentie over "resultaatgerichte EU-begroting" door vicevoorzitter Georgieva werd gelanceerd. Via "EU Results" wordt aan de hand van voorbeelden getoond hoe de EU-begroting wordt besteed en wat de praktische effecten van door de EU gefinancierde projecten zijn, zowel binnen als buiten Europa, waarbij verschillende uitgaventerreinen worden bestreken. 8
Hoewel de agenda voor een "resultaatgerichte EU-begroting" is gebaseerd op voortdurende vooruitgang, werden in 2015 al specifieke verbeteringen ingevoerd, namelijk in de strategische plannings- en programmeringscyclus van de Commissie en in de begrotingsprocedure. Die verbeteringen leiden zowel voor de activiteiten van de Commissie als voor alle uitgavenprogramma's tot een betere resultaatplanning, voortgangsbewaking en verslaglegging.
Op dit moment loopt een evaluatie van de prestatie-indicatoren voor programma's die uit de EU-begroting worden gefinancierd. Op basis daarvan zullen de meest geschikte indicatoren worden geselecteerd, waaraan betrouwbare gegevens ten grondslag liggen, voor het meten van de vooruitgang die ten aanzien van gestelde doelen is bereikt en voor het verwerven van duidelijkere en uitgebreidere prestatie-informatie voor het opstellen van de jaarlijkse EU-begroting.
Andere verbeteringen zullen pas in de verslagen voor 2016 zichtbaar worden. Een voorbeeld is de invoering van een meerjarig strategisch plan voor elke afdeling van de Commissie, dat is gebaseerd op gemeenschappelijke algemene doelstellingen die de tien politieke prioriteiten van de Commissie-Juncker bestrijken en die de Europa 2020-doelstellingen en de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen ondersteunen. 9
Op het terrein van gezond financieel beheer werd vooruitgang geboekt bij het meten van indicatoren voor het beoordelen van de kosteneffectiviteit van controles en het vaststellen van de risicobedragen per beleidsterrein.
Hierbij maakt de Commissie ook gebruik van het werk en de aanbevelingen van de dienst Interne audit. Overeenkomstig de door de dienst gehanteerde methode en in overeenstemming met de beste praktijk is hij de prestatiebeoordeling op een indirecte wijze aangegaan door na te gaan of en hoe het management controlesystemen heeft opgezet voor het meten van de prestatie (doelmatigheid en doeltreffendheid) van haar activiteiten. Teneinde de Commissie te helpen met de toepassing van zijn methode en beste praktijk, heeft de dienst in 2015 een aantal prestatie-audits verricht waarbij is nagegaan hoe de afdelingen de voortgang ten aanzien van specifieke doelstellingen waaraan zij kunnen bijdragen, beheren, bewaken en rapporteren en hoe zij de uitvoering van EU-beleid beheren en bewaken en verslag doen over de resultaten van dit beleid. (Zie bijlage 3 voor aanvullende elementen in verband met de prestatie-audits van de dienst Interne audit).
---
Dit nieuwe Jaarverslag over het beheer en de resultaten van de EU-begroting weerspiegelt de nieuwe aanpak van de Commissie voor de verslaglegging over resultaten. Het is ook een voorbeeld van het streven van de Commissie om te komen tot een gestroomlijnde verslaglegging over de begrotingsresultaten. Dit verslag is onderdeel van een integraal verslagleggingspakket ten behoeve van de kwijtingsprocedure. 10 De navolgende delen van het verslag bevatten de meest recente beschikbare informatie over de resultaten die met de middelen uit de EU-begroting zijn bereikt. Het deel begint met een samenvatting van de vooruitgang die ten aanzien van de Europa 2020-doelstellingen is geboekt, waarna zowel de uitvoering van de programma's voor 2014-2020 als de resultaten van de programma's voor 2007-2013 worden behandeld.
1.2 Samenvatting van vooruitgang
De Europa 2020-strategie steunt op vijf kerndoelen op het gebied van werkgelegenheid, onderzoek en ontwikkeling, klimaat en energie, onderwijs en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Het doel is om zo te zorgen voor slimme, duurzame en inclusieve groei in Europa. Deze kerndoelen worden door elke lidstaat in nationale doelen vertaald. Terwijl de lidstaten primair verantwoordelijk zijn voor het boeken van vooruitgang bij de verwezenlijking van deze doelen op nationaal niveau, worden de middelen uit de EU-begroting gebruikt voor het ondersteunen van deze doelen op EU-niveau.
De geboekte vooruitgang ten aanzien van de kerndoelen van de Europa 2020-strategie wordt door de Commissie gemonitord aan de hand van negen indicatoren. De aldus verkregen gegevens worden gepubliceerd op de website 11 van Eurostat en regelmatig geactualiseerd. Het volgende diagram toont de meest recente beschikbare gegevens 12 voor de negen indicatoren. Het diagram laat zien welke vooruitgang sinds 2008 is geboekt en hoe groot de afstand is tot de kerndoelen van de Europa 2020-strategie. De indicatoren die verband houden met milieu- en onderwijsdoelen laten een duidelijke vooruitgang in de richting van de kerndoelen zien. Ten aanzien van de doelstellingen voor respectievelijk arbeidsparticipatie, onderzoek en ontwikkeling, en het aantal mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, zijn daarentegen nog aanvullende inspanningen nodig.
Diagram 1: Kerndoelen van de Europa 2020-strategie
De EU-begroting is ook een belangrijk instrument voor het verwezenlijken van sectoroverschrijdende beleidsdoelstellingen zoals klimaatactie en biodiversiteit. In reactie op uitdagingen en investeringsbehoeften in verband met klimaatverandering, heeft de Commissie besloten om ten minste 20% van de begroting voor 2014-2020 te besteden aan klimaatacties, wat neerkomt op 180 miljard EUR over de gehele periode. Daartoe worden acties gericht op klimaatmitigatie en -adaptatie geïntegreerd in alle belangrijke uitgavenprogramma's van de EU, in het bijzonder programma's voor de uitvoering van het cohesiebeleid, het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het ontwikkelingsbeleid van de EU en op de terreinen regionale ontwikkeling, energie, vervoer en onderzoek & innovatie. Vanaf de ontwerpbegroting voor 2014 worden de ramingen voor klimaatgerelateerde uitgaven jaarlijks gemonitord volgens een op de “Rio-indicatoren” gebaseerde methode. In 2015 werd de totale bijdrage aan de mainstreaming van klimaatactie geraamd op ongeveer 17% en voor 2016 wordt een percentage van 22% verwacht.
Volgens dezelfde methode voor het traceren van uitgaven als die welke voor het traceren van klimaatgerelateerde uitgaven was gebruikt, werd voor de begrotingen voor 2015 en 2016 geraamd dat respectievelijk 7% en 9% van de middelen zal worden toegewezen aan acties voor het beperken en terugdraaien van de afname van de biodiversiteit in de EU, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de Europa 2020-doelstellingen voor duurzame groei. 13
In de navolgende delen wordt beschreven hoe de doelstellingen van de uit hoofde van het MFK 2014-2020 uitgevoerde programma's zijn gerelateerd aan de Europa 2020-strategie. Voor de begrotingsrubrieken waarvan de relatie met de Europa 2020-strategie het meest direct is (1A, 1B en 2), is de verslaglegging over de resultaten van de uit hoofde van het MFK 2007-2013 uitgevoerde programma's eveneens rond de prioriteiten van de Europa 2020-strategie gestructureerd, waarbij, voor zover mogelijk, de bijdrage van de EU-begroting aan het verwezenlijken van de Europa 2020-doelstellingen wordt getoond. 14
Diagram 2: EU-begroting 2015 per rubriek
De EU-begroting bedroeg 162 273 miljard EUR in 2015. Ongeveer de helft daarvan (48% of 78 miljard EUR) werd toegewezen aan rubriek 1 "Slimme en inclusieve groei", verdeeld tussen rubriek 1A "Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid" (10,8%) en rubriek 1B "Economische, sociale en territoriale cohesie" (37,2%). Rubriek 2 “Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen" was goed voor 39,4% 15 en daarmee het op een na grootste begrotingsterrein.
1.3 Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid (rubriek 1A)
In 2015 werd aan de programma's in de rubriek "Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid" 17,55 miljard EUR toegewezen (vastleggingen in rubriek 1A). Dit komt overeen met 10,8% van de totale jaarlijkse begrotingsuitgaven.
De belangrijkste programma's in de rubriek "Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid" zijn:
het Horizon 2020-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie;
grote infrastructuurprojecten (Galileo, ITER (Internationale Thermonucleaire Experimentele Reactor), Copernicus);
Erasmus+, in het kader waarvan onderwijs-, opleidings-, jeugd- en sportactiviteiten worden gefinancierd;
de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), voor de financiering van interconnecties op trans-Europese vervoers-, energie- en ICT-netwerken;
het nieuwe Europese Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat onderdeel is van het investeringsplan voor Europa. 16
Prioriteiten van de Commissie
De programma's onder deze rubriek dragen hoofdzakelijk bij aan de door de Commissie-Juncker vastgestelde prioriteiten “werkgelegenheid, groei en investeringen”, “digitale eengemaakte markt”, “energie-unie en klimaat” en een “diepere en eerlijkere economische en monetaire unie”. Ook dragen zij bij aan de Europa 2020-prioriteiten “slimme en duurzame groei” en “inclusieve groei”, hoofdzakelijk door het scheppen van banen en het vergroten van inzetbaarheid in het kader van de programma's Horizon 2020 (opvolger van het zevende kaderprogramma voor onderzoek (KP7) en Erasmus+.
Diagram 3: Links: Aandeel voor rubriek 1A in de totale begroting voor 2015 / Rechts: Belangrijkste programma's die in 2015 uit hoofde van rubriek 1A worden gefinancierd – Begroting voor 2015 / Onder "Andere programma's" vallen onder meer het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EASI) en de programma's Douane en Fiscalis. Onder "Grote infrastructuurprojecten" vallen onder meer Galileo, European Geostationary Navigation Overlay Service (EGNOS), Copernicus en ITER. Alle cijfers zijn in miljoen EUR.
1.3.1 Uitvoering van de programma's voor 2014-2020
Sinds de start van het nieuwe MFK worden veel van de uitvoeringstaken voor de programma's onder rubriek 1A uitgevoerd via agentschappen (uitvoerend of nationaal, en in sommige gevallen gedecentraliseerd), gemeenschappelijke ondernemingen 17 , artikel 185-initiatieven 18 , of de Europese Investeringsbank (financieringsinstrumenten).
Horizon 2020, kaderprogramma voor onderzoek en innovatie
Het Horizon 2020-werkprogramma voor 2014-2015 werd volledig uitgevoerd. Eind 2015 waren 198 oproepen tot het indienen van voorstellen gepubliceerd, naar aanleiding waarvan 78 268 subsidiabele voorstellen waren ingediend. Daarvan werden er 10 658 op de hoofd- of reservelijst geplaatst. Het gemiddelde succespercentage voor voorstellen bedroeg 14%, wat betekent dat nog steeds sprake is van een hoge mate van overintekening en laat zien hoe hoog de vraag is naar EU-financiering op dit terrein.
Galileo, European Geostationary Navigation Overlay Service (EGNOS), Copernicus
In 2015 werd de stationering van de Galileo-satellieten versneld: er vonden drie succesvolle lanceringen plaats en nog eens zes satellieten werden in een baan om de aarde gebracht. In december 2015 waren in totaal twaalf satellieten gelanceerd, waarvan er negen operationeel waren, wat in de wereld van de satellietnavigatie een tamelijk hoog stationeringstempo is. Het aantal luchthavens met EGNOS-capaciteit is toegenomen van 150 (2014) tot 174 (2015). De uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst met Oekraïne is voortgezet, waarbij via het Europees nabuurschapsinstrument 5 miljoen EUR beschikbaar is gemaakt voor de ontwikkeling van EGNOS in dat land. In 2015 ontwikkelde Copernicus zich verder in de richting van een volledig operationeel programma voor aardobservatie: op 22 juni 2015 vond de succesvolle lancering plaats van de Sentinel-2A, waarmee het systeem nu ook over optische-beeldverwerkingscapaciteit beschikt. Satellietgegevens van Copernicus waarschuwden bijvoorbeeld vroegtijdig voor overstromingen in het Verenigd Koninkrijk en Ierland en hielpen om de gevolgen van de aardbeving in Afghanistan in kaart te brengen.
Internationale Thermonucleaire Experimentele Reactor (ITER) 19
Van de 139 regelingen voor het plaatsen van opdrachten die voor de verschillende werkpakketten voor de bouw van de ITER-reactor zijn opgesteld, heeft de ITER-organisatie er in totaal 104 ondertekend. Dit is goed voor 90,5% van de totale tegenwaarde van het project. Dat betekent dat een significant deel van het ITER-project nu in handen is van de partners die de ITER-componenten gaan leveren. De Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER (F4E), die verantwoordelijk is voor het leveren van de EU-bijdrage aan de ITER-organisatie, heeft nu de meeste van de opdrachten waarmee een bedrag van meer dan 100 miljoen EUR is gemoeid, gegund. Op 31 december 2015 had F4E 766 operationele contracten en 145 subsidieovereenkomsten ondertekend, voor een bedrag van in totaal ongeveer 2,8 miljard EUR (waarde van 2008). Het project ziet zich echter gesteld voor een aantal uitdagingen, met name wat vertragingen, het risico van kostenoverschrijding en het algehele beheer betreft. Veel van deze uitdagingen zijn inherent aan de aard van het project – dat verder gaat dan de huidige state-of-the-art-technologie van kernfusie – en aan de ingewikkelde beheerstructuur. In maart 2015 gaf de raad van bestuur van F4E zijn goedkeuring aan een actieplan voor verbetering, waarmee ook tegemoet wordt gekomen aan de opmerkingen die het Europees Parlement en de Rekenkamer in hun respectieve kwijtingsverslagen voor de begroting 2013 maken. Dit verbeterplan wordt momenteel uitgevoerd.
Erasmus+
Sinds 2014 heeft het programma Erasmus+ zeven eerdere programma's samengevoegd en nieuwe acties voor uitwisselingen in het onderwijs opgenomen 20 . In 2014-2015 namen meer dan een miljoen personen deel aan 18 000 door de EU gefinancierde acties. Dit gebeurde onder flexibelere mobiliteitsvoorwaarden, die beter rekening houden met de veranderde behoeften van studenten en de gradenstructuren (Bologna-proces) in Europa.
Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF)
In 2015 werd aan 263 vervoersprojecten in totaal 12,8 miljard EUR toegewezen, via subsidieovereenkomsten die in 2015 werden ondertekend. De betreffende CEF-oproepen tot het indienen van voorstellen waren in 2014 gepubliceerd. De CEF-financiering, bestaande uit een EU-bijdrage en regionale en nationale middelen, alsook leningen van de Europese Investeringsbank (EIB), genereerde in totaal voor 28,3 miljard aan investeringen.
Voor de twee uitnodigingen tot het indienen van voorstellen die in 2015 in het kader van de CEF-Energie werden gepubliceerd, was een bedrag van 366 miljoen EUR toegewezen voor 35 studies en werken. Het overgrote deel van de steun ging naar projecten in de Baltische regio en Centraal-Oost- en Zuid-Oost-Europa, waarmee problemen met de voorzieningszekerheid in die delen van Europa worden aangepakt. Alle geselecteerde projecten zijn gericht op het vergroten van energiezekerheid en het aansluiten van lidstaten op de trans-Europese energienetwerken. Zij moeten bijdragen aan de voltooiing van de Europese energiemarkt en de integratie van hernieuwbare energiebronnen in het elektriciteitsnet.
Volgens de planning wordt in de periode 2014-2020 via de CEF-financieringsinstrumenten voor ongeveer 2 miljard EUR besteed. Daartoe is op 22 juli 2015 met de EIB een delegatieovereenkomst voor de uitvoering van het schuldinstrument van de CEF ondertekend. Door deze belangrijke stap kon het schuldinstrument in gebruik worden genomen, waarbij werd voortgebouwd op de ervaringen met de instrumenten uit de periode 2007-2013, zoals het Leninggarantie-instrument voor TEN-T (trans-Europees vervoersnetwerk)-projecten en de proeffase van het initiatief inzake projectobligaties.
De werkplannen die door de Europese coördinatoren voor de negen kernnetwerkcorridors waren voorgesteld, zoals voorzien in de TEN-T-verordening, werden in mei 2015 door de betrokken lidstaten goedgekeurd en in juni van dat jaar officieel gepresenteerd tijdens de TEN-T-dagen in Riga. Op basis van die werkplannen zijn voor elke corridor prioriteiten gesteld, waarna besluiten werden genomen over onder meer studies, werken en governancesystemen.
Pact voor groei en banen: 21 hoe de proefperiode van het projectobligatie-initiatief (PBI) een hefboom was voor aanvullende financiering van belangrijke infrastructuurprojecten
Om een extra impuls te geven aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020 namen de staatshoofden en regeringsleiders van de EU in juni 2012 het “Pact voor groei en banen” aan. Een van de maatregelen in dit pact was de lancering van het “projectobligatie-initiatief”.
Bij de externe evaluatie van de proeffase van dit initiatief 22 , dat in december 2015 werd afgerond, is gekeken naar een aantal infrastructuurprojecten die tussen 2012 en juli 2015 via het mechanisme voor kredietverbetering voor projectobligaties werden ondersteund. Geconcludeerd werd dat het initiatief een duidelijk marktfalen corrigeert door het verstrekken van een product dat via institutionele beleggers cruciale risico's bij infrastructuurprojecten vermindert. 23 Daartoe werd tijdens de proeffase een grotere betrokkenheid van particulieren bij de langetermijnfinanciering via de kapitaalmarkt van belangrijke projecten op het terrein van trans-Europese vervoer- en energienetwerken, ICT en breedband bevorderd. Bovendien waren de afspraak dat de Europese Commissie en de EIB de risico's zouden delen en de door de EU geleverde bijdrage essentieel voor de ontwikkeling van dit initiatief. Ook kon de EIB hierdoor grotere transacties met meer risico's aangaan en meer investeerders aanspreken.
Verder wordt in het evaluatieverslag opgemerkt dat het bereikte hefboomeffect van de vijf transacties met projectobligaties ter kredietverbetering die op 31 juli 2015 (d.w.z. de einddatum van de evaluatie) waren gesloten met de beschikbare EU-bijdrage, 12,9 bedraagt, terwijl het verwachte hefboomeffect van alle transacties met projectobligaties ter kredietverbetering die nog moeten worden gesloten met de bestaande EU-begrotingssteun 18,6 bedraagt (4 270 miljoen EUR in kapitaaluitgaven gedeeld door een bijdrage uit de EU-begroting van 230 miljoen EUR), wat geheel aansluit bij de verwachtingen. In de eerste drie maanden van 2016 werden met financiële steun uit de EU-begroting nog twee kredietverbeteringstransacties gesloten, waarmee het totale aantal uit hoofde van het initiatief gesloten transacties (inclusief transacties voor eigen risico van de EIB) nu 10 bedraagt.
Programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme)
De vervroegde terbeschikkingstelling van middelen voor het Leninggarantiefonds (LGF) van Cosme 24 leidde tot een nog grotere bijdrage voor de financiering van risicovolle transacties van kmo's dan mogelijk was geweest zonder de EFSI-garantie (18 garantieovereenkomsten ondertekend, voor een totaalbedrag van 163 miljoen EUR aan juridische verbintenissen). Naar verwachting zullen met name starters en kleinere kmo's, die de meeste moeite hebben met het verkrijgen van financiering, van de uitbreiding van het LGF profiteren. Op 30 september 2015 hadden al meer dan 30 000 kmo's financiering ontvangen, in totaal voor meer dan 700 miljoen EUR. Op 31 december 2015 hadden al meer dan 51 000 kmo's financiering ontvangen uit het uitgebreide LGF van Cosme, in totaal voor bijna 1 300 miljoen EUR.
Ongeveer 450 000 kmo's hebben via het Enterprise Europe Network diensten ontvangen die variëren van informatievoorziening over EU-kwesties tot gespecialiseerde adviesdiensten en het faciliteren van partnerschappen door middel van bedrijfsmissies en matchmakingevenementen. Doelstelling is het vergroten van het concurrentievermogen en de innovatiecapaciteit van kmo's, waarvoor het netwerk over 3 000 medewerkers beschikt, verspreid over alle EU-regio's en 35 landen buiten de EU. De 625 deelnemende organisaties verleenden gespecialiseerde adviesdiensten aan 60 000 kmo's over financieringsmogelijkheden, intellectuele-eigendomsrechten, bedrijf en technologie, en hulpbronnenefficiëntie. Ongeveer 22 000 kmo's namen deel aan matchmakingevenementen. Deze activiteiten resulteerden in 3 190 bijzondere resultaten die door bedrijven zijn gemeld, alsook in talrijke succesverhalen.
In het kader van het programma "Erasmus voor jonge ondernemers" krijgen nieuwe of aspirant-ondernemers de kans om te leren van ervaren ondernemers die in een ander land een klein bedrijf runnen. Tot dusver zijn bijna 12 000 ondernemersprofielen geregistreerd en 3 900 matches tussen 7 700 ondernemers tot stand gebracht.
Het investeringsplan voor Europa
Een belangrijke prioriteit van de Commissie in 2015 was het voorbereiden van 25 de uitvoering van het Investeringsplan voor Europa, dat in 2014 werd gelanceerd.
Mobiliseren van financiële middelen
De hoeksteen van het Investeringsplan is het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat wordt beheerd door de EIB. 26 Eind mei 2016 had de EIB-groep haar goedkeuring gegeven aan EFSI-projecten met een gezamenlijke investeringswaarde van ongeveer 100 miljard EUR 27 , geschraagd door door de EFSI ondersteunde financiering van 9,3 miljard EUR voor investeringen in "Infrastructuur en innovatie" en 3,5 miljard EUR ten behoeve van kmo's, waaruit de succesvolle invoering van het instrument blijkt. Het volledige effect op de economie kan pas worden beoordeeld nadat het initiatief volledig is geïmplementeerd. In mei 2016 diende de Commissie haar eerste verslag in over het beheer van het garantiefonds van het EFSI ("Report on the management of the guarantee fund of the EFSI in 2015"), zoals voorgeschreven in de EFSI-verordening. 28
Steun voor investeringen in de reële economie
In 2015 werden ook aanzienlijke inspanningen verricht in de voorbereiding van de lancering van twee instrumenten die het Investeringsplan toegankelijker moeten maken voor projectpromotors: de Europese investeringsadvieshub (EIAH), die op 1 september 2015 operationeel is geworden, en het Europees Investeringsprojectenportaal (EIPP), dat op 1 juni 2016 in de lucht ging.
De EIAH beidt projectpromotors een onestopshop voor technische bijstand en advies. Eind mei 2016 had de EIAH meer dan 160 verzoeken in behandeling genomen. De EIB en de Commissie werkten nauw samen met een kerngroep van nationale stimuleringsbanken en stelden een memorandum van overeenstemming op voor mogelijke samenwerking tussen de EIAH en de nationale stimuleringsbanken. Dit memorandum was eind mei 2016 door 18 nationale stimuleringsbanken van 16 lidstaten ondertekend.
Het EIPP, dat is ontwikkeld door de Commissie, is ontworpen als een openbaar webportaal waarmee in de EU gevestigde projectpromotors hun projecten zichtbaarder kunnen maken voor potentiële internationale investeerders.
Creëren van investeringsvriendelijk klimaat
Ter verbetering van het ondernemingsklimaat en de financieringsvoorwaarden voorziet het plan in maatregelen waarmee verder wordt toegewerkt naar een "digitale eengemaakte markt”, een "energie-unie" en een "kapitaalmarktenunie".
Sinds de crisis heeft het investeringsklimaat zich in elk land anders ontwikkeld, zowel wat particuliere als overheidsinvesteringen betreft. Investeringen stuiten nog steeds op belemmeringen in wet- en regelgeving of andere hindernissen. Het opsporen en wegnemen van investeringsbelemmeringen, zoals bureaucratische formaliteiten en knelpunten in wet- en regelgeving, is onderdeel van de inspanningen om randvoorwaarden te verbeteren. De Commissie voert inmiddels een structurele dialoog met de lidstaten om te helpen deze nationale belemmeringen voor investeringen weg te nemen in de context van het Europees semester.
Ondersteunen van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's)
Voor de MKB-garantiefaciliteit werd in de EU-begroting een bedrag van 649,90 miljoen EUR vastgelegd 29 waarmee voor 381 592 kmo's financiering voor een totaalbedrag van 20,7 miljard EUR werd gegenereerd, verstrekt in de vorm van 463 295 leningen. 30 Het bereikte hefboomeffect voor deze faciliteit is 38,6. 31
Uit hoofde van de Faciliteit voor hoge groei en innovatieve kmo's (GIF) is 555 miljoen EUR geïnvesteerd in risicokapitaalfondsen, waarmee een totale investering van bijna 3,12 miljard EUR voor 437 kmo's is gegenereerd. 32 Het bereikte hefboomeffect voor deze faciliteit is ongeveer 5,6. 33 Dergelijke kmo's zien een grotere toename van de afzet, activa en hoeveelheid personeel dan kmo's die niet worden ondersteund door een aandelen- of risicokapitaalfonds en zullen ook minder snel in gebreke blijven.
1.3.2 Resultaten van de programma's die uit hoofde van het MFK 2007-2013 werden uitgevoerd
Uitvoeringsaspecten
Uit de onlangs voltooide ex-postevaluatie van het zevende kaderprogramma voor onderzoek (KP7) 34 komt naar voren dat gedurende de zeven jaar dat het programma heeft geduurd (2007-2013), 487 oproepen werden afgesloten en bijna 136 000 subsidiabele voorstellen werden ontvangen. Er werden ongeveer 25 000 projecten gefinancierd, met meer dan 134 000 deelnamen uit 170 landen. In totaal namen ongeveer 29 000 organisaties deel, waarvan 70% voor de eerste keer. Van de industriële organisaties die deelnamen aan een subsidieovereenkomst, was meer dan 50% een kmo. Verder werd via KP7 een significante bijdrage geleverd aan de door de Commissie-Juncker vastgestelde prioriteit "De EU als wereldspeler", met meer dan 7 800 deelnamen uit niet-geassocieerde derde landen, die samen meer dan 700 miljoen EUR van de Commissie ontvingen. De voor KP7 genomen vereenvoudigingsmaatregelen leverden de deelnemers ten opzichte van KP6 een besparing van meer dan 550 miljoen EUR op.
De evaluatie van het Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) 35 , dat een groot deel van Horizon 2020 beheert, bracht aan het licht dat de werkelijke kosten van het Agentschap in 2012-2015 15% lager waren dan aanvankelijk geraamd, namelijk 34,8 miljoen EUR, wat terug te voeren is op besparingen op personeels- en infrastructuurkosten. Delegatie van het beheer van het programma aan het REA leverde een besparing op van 53,4 miljoen EUR, wat 24% hoger was dan aanvankelijk geraamd (initiële raming: 43,1 miljoen EUR).
De analyse van de werkelijke kosten van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad (ERCEA), dat in de periode 2012-2015 het beheer voerde over het gedeelte van Horizon 2020 dat betrekking heeft op de Europese Onderzoeksraad (ERC), bracht aan het licht dat die kosten door besparingen op overheadkosten 20,6 miljoen EUR (12%) lager waren dan aanvankelijk geraamd, terwijl de uitgaven voor personeel juist hoger waren dan geraamd voor 2014-2015. Delegatie van het beheer van het programma aan het ERCEA leverde een besparing op van 46,5 miljoen EUR, wat enigszins hoger is dan aanvankelijk geraamd (initiële raming: 44,6 miljoen EUR).
Met ingang van januari 2014 is het Uitvoerend Agentschap TEN-T het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (INEA) geworden, dat onder andere verantwoordelijk is voor de uitvoering van delen van het CEF-programma 36 (vervoer, energie en telecommunicatie) en de vervoer- en energieprogramma's van Horizon 2020. Uit een ex-postevaluatieonderzoek voor de periode 2011-2013 bleek dat het Agentschap de meest kosteneffectieve optie voor de uitvoering van het TEN-T-programma was. Vergeleken met interne uitvoering leverde deze optie een besparing van 8,8 miljoen EUR op.
Bijdrage aan beleidsresultaten
Slimme groei
In 2015 werd op basis van de ex-postevaluatie van KP7 verslag gedaan van de resultaten van 12 149 voltooide KP7-projecten (ongeveer de helft van het totale aantal KP7-projecten). Hoewel het nog te vroeg was om een eindbeoordeling te maken van de markteffecten van KP7, werden de indirecte economische effecten geraamd op 500 miljard EUR over een periode van 25 jaar, ofwel een stijging van het bruto binnenlands product (bbp) met ongeveer 20 miljard EUR per jaar.
Via kortetermijnhefboomeffecten en langetermijnmultipliereffecten genereerde elke uit hoofde van KP7 bestede euro naar schatting ongeveer 11 EUR aan directe en indirecte economische effecten, door middel van innovaties, nieuwe technologieën en producten. Blijkens de ex-postevaluatie van KP7 hebben KP7-projecten 1 700 octrooiaanvragen en meer dan 7 400 commerciële exploitaties opgeleverd. Aangezien meer dan de helft van de KP7-projecten nog loopt, wordt verwacht dat de effecten de komende jaren nog zullen toenemen.
In het kader van KP7 ondersteunde projecten hadden na afloop een hoger niveau van technologische volwassenheid ("Technology Readiness Levels" worden gebruikt voor het beoordelen van de mate van innovatie van projecten), vergeleken met KP6-projecten. Blijkens een analyse van de communautaire innovatie-enquête gaan uit hoofde van KP7 ondersteunde innovatieve ondernemingen eerder over tot de marktintroductie van product-, proces- of dienstinnovaties en halen zij in de regel een hoger percentage van hun omzet uit innovatieve producten of diensten dan niet uit hoofde van KP7 ondersteunde innovatieve ondernemingen. Evenzo blijkt uit een “counterfactual analysis” waarbij het gemiddelde aantal octrooiaanvragen per onderzoeker is onderzocht, dat onderzoekers in organisaties die aan FP7-projecten deelnemen, in de regel meer octrooien aanvragen dan onderzoekers in organisaties die niet aan een van de kaderprogramma's van de EU deelnemen.
KP7 was vooral effectief in het versterken van wetenschappelijke excellentie. FP7-projecten hebben dusver 170 000 publicaties opgeleverd. Daarvan is 54% vrij toegankelijk. Het percentage KP7-publicaties dat behoort tot de top 1% meest geciteerde publicaties, is gemiddeld 3,6%. Dat is 2,8 keer hoger dan het EU-gemiddelde, 2 keer hoger dan het VS-gemiddelde en 3,6 keer hoger dan het wereldgemiddelde. Het aantal publicaties in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften die melding maken van ERC-financiering, en het feit dat zich onder de ERC-begunstigden 11 Nobelprijswinnaars en 5 winnaars van de Fields-medaille bevinden, geeft blijk van de wetenschappelijke excellentie van ERC. Aan KP7 namen meer dan 13 000 kmo's deel, die samen 6,4 miljard EUR ontvingen. De Raad en het Europees Parlement hadden bij aanvang van KP7 bepaald dat 15% van de financiering naar kmo's moest gaan. Het genoemde bedrag ligt daar ruim boven. Econometrische analyses laten zien dat deelnemende kmo's wat banengroei en inkomsten betreft, 38% hoger scoorden dan een controlegroep.
Voorbeeld van EU-meerwaarde
Volgens de resultaten van een onlineraadpleging van belanghebbenden die als onderdeel van de ex-postevaluatie van KP7 werd gehouden, behoort het aanpakken van pan-Europese uitdagingen tot de drie belangrijkste terreinen waarop EU-optreden een meerwaarde heeft ten opzichte van de activiteiten van lidstaten (naast het vergroten van de concurrentie op onderzoeksgebied en het bevorderen van de mobiliteit van onderzoekers).
In het kader van Horizon 2020, de opvolger van KP7, introduceert de Commissie momenteel een reeks prijzen voor oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Het gaat om geldprijzen voor personen die een duidelijk omschreven maatschappelijk probleem op de meest effectieve manier oplossen. Deze Horizon-prijzen moeten innovatie stimuleren. Er wordt een doel geformuleerd, maar er wordt niet voorgeschreven hoe dat doel moet worden bereikt en wie de innovator moet zijn.
CureVac, een Duits biofarmaceutisch bedrijf, won in 2014 de innovatieprijs van 2 miljoen EUR voor innovatieve technologie waardoor levensreddende vaccins bij elke omgevingstemperatuur kunnen worden bewaard, waarmee een van de grootste belemmeringen voor het gebruik van vaccins in ontwikkelingslanden is weggenomen.
Deze prijs leverde CureVac daarnaast aanvullende particuliere investeringen voor onderzoek op doordat de "Bill and Melinda Gates Foundation" zich in 2015 verbond tot een investering van 46 miljoen EUR in het bedrijf voor het versnellen van de ontwikkeling van zijn innovatieve vaccintechnologie en de productie van talrijke vaccins tegen infectieziekten.
In het kader van de Marie Skłodowska Curie-acties die uit hoofde van KP7 zijn uitgevoerd, zijn meer dan 50 000 beurzen aan onderzoekers (waaronder 10 000 doctoraalkandidaten) toegekend. Deze bursalen vertegenwoordigden 148 verschillende nationaliteiten en zijn gevestigd in 86 landen verspreid over de hele wereld, wat de Marie Skłodowska Curie-acties het meest internationale onderdeel van KP7 maakt. De Marie Skłodowska Curie-acties droegen ertoe bij dat de beste onderzoekers voor Europa behouden bleven, aangezien bijna 34% van de bursalen onderdaan van een niet-EU-land was en 46% van de onderzoekers die uit een geïndustrialiseerd land naar de EU kwamen, na afloop van de Marie Skłodowska Curie-beurs in Europa bleven (hoewel het niet mogelijk is om de directe invloed van het programma op dergelijke beslissingen te meten). Enquêteresultaten laten zien dat ongeveer 80% van de Marie Skłodowska Curie-bursalen het gevoel had dat de opgedane ervaring hun carrièrevooruitzichten had verbeterd, waaruit de waardering van de bursalen blijkt voor de bijdrage van het programma aan de ontwikkeling van hun wetenschappelijke carrière.
Duurzame groei
Het programma "Intelligente energie voor Europa" (IEE) heeft concrete voordelen opgeleverd: sinds 2007 is door IEE-projecten een hoeveelheid hernieuwbare energie gecreëerd die gelijkstaat aan het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van 7 miljoen burgers, een hoeveelheid primaire energie bespaard die gelijkstaat aan het jaarlijkse energieverbruik van ruim 2 miljoen huishoudens, en de aanzet gegeven tot naar verwachting ruim 4 miljard EUR aan investeringen in duurzame energie. Volgens een voorlopige schatting bedragen de verwachte jaarlijkse besparingen aan primaire energie uit lopende IEE-projecten meer dan 312 000 ton olie-equivalenten (toe) per jaar. IEE-projecten hebben meer dan 40 miljoen mensen in de hele EU bereikt.
In het evaluatieverslag wordt opgemerkt dat Eco-innovatieprojecten naar verwachting een gemiddelde hefboomfactor van ongeveer twintig hebben (elke door de overheid geïnvesteerde euro leidt tot een twintigvoudige stijging van de bruto-inkomsten, twee jaar na afloop van het project), met een gemiddelde stijging van het aantal fulltimebanen met ongeveer acht. Vertaald in een geldwaarde vertegenwoordigen de totale mondiale milieu- en economische baten van het initiatief Eco-innovatie dat onder het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) wordt uitgevoerd, na vijf jaar een waarde van naar schatting meer dan 1,6 miljard EUR.
Energievoorziening zekerder, betaalbaarder en duurzamer maken
De EU is 2015 ingegaan met de belofte haar burgers en bedrijven een zekere en betaalbare energievoorziening te bieden en tegelijkertijd de oorzaken van de klimaatverandering aan te pakken. In februari gaf zij het startschot voor de energie-unie om de consument geld en energie te helpen besparen, het milieu beter te beschermen, een concurrerende energiemarkt te bevorderen en de energievoorziening te garanderen. In juli zijn enkele gerelateerde voorstellen gedaan om onder andere de EU-regeling voor de handel in emissierechten te herzien, de energie-efficiëntie-etikettering duidelijker te maken en de consument meer waar voor zijn geld te bieden. De Commissie is ook gestart met een openbare raadpleging over de nieuwe opzet van de elektriciteitsmarkt.
In februari heeft de Commissie een mededeling gepubliceerd over hoe voor 2020 in alle lidstaten het 10%-streefcijfer voor elektriciteitsinterconnectie kan worden gehaald. Eind 2015 zijn al diverse interconnectieprojecten in gebruik genomen waardoor de Baltische staten in het noorden, het Iberisch Schiereiland in het zuiden en Malta met de rest van de EU worden verbonden.
In september heeft de Commissie een nieuwe strategisch plan voor energietechnologie aangenomen. Het doel hiervan is de ontwikkeling en inzet van koolstofarme technologieën te versnellen en de samenwerking tussen de lidstaten te versterken.
In november heeft de Commissie het eerste jaarverslag over de stand van de energie-unie gepubliceerd waarin een overzicht wordt geboden van de vooruitgang die sinds de aanname van de kaderstrategie voor de energie-unie is geboekt. De uitvoering van de strategie vereist echter verdere inspanningen en 2016 wordt een cruciaal jaar voor de verwezenlijking.
Daarnaast heeft de EU een sleutelrol vervuld bij de totstandkoming van het eerste universele, juridisch bindende klimaatakkoord dat in december in Parijs door 195 landen is aanvaard. In dit akkoord is een mondiaal actieplan vastgelegd op basis waarvan de wereld een gevaarlijke klimaatverandering kan vermijden door de opwarming van de aarde ruim onder 2 °C te houden. Deze overeenkomst zendt ook het duidelijke signaal aan investeerders, bedrijven en beleidsmakers dat de wereldwijde overgang naar schone energie onvermijdelijk is en dat we het gebruik van vervuilende fossiele brandstoffen als hulpbronnen achter ons moeten laten.
Inclusieve groei
Uit de ex-postevaluatie van FP7 blijkt dat het programma weliswaar niet specifiek is opgezet voor het creëren van werkgelegenheid, maar dat het over een periode van tien jaar direct 130 000 onderzoeksbanen oplevert en na 25 jaar indirect nog eens 160 000 arbeidsplaatsen.
Met de Marie Skłodowska Curie-acties (MSCA) zijn de mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling, inzetbaarheid en mobiliteit van onderzoekers in Europa en daarbuiten verbeterd. 95% van de MSCA-bursalen had twee jaar na afloop van de beursperiode een baan. FP7 heeft ertoe bijgedragen dat onderzoekers voor een langere periode werden aangesteld doordat een groot deel (43%) van de tijdelijke projectonderzoekers na afloop van het project deel bleven uitmaken van de begunstigde onderzoekteams.
Terwijl een op de twee Europese afgestudeerden die in het buitenland studeren of stage lopen een Erasmus-beurs ontvangt, blijkt Erasmus de inzetbaarheid ten opzichte van niet-mobiele afgestudeerden met 45% te vergroten. Studenten uit Oost-Europa, bijvoorbeeld, hebben 83% minder kans op langdurige werkloosheid als zij aan Erasmus hebben deelgenomen.
Uit een enquête onder de deelnemers aan het programma "Erasmus voor jonge ondernemers" is gebleken dat meer dan een derde van de deelnemende aspirant-ondernemers daadwerkelijk een bedrijf is gestart en dat twee derde van de ervaren ondernemers die deelnamen nieuwe ideeën of technische knowhow hebben opgedaan, actief zijn geworden op nieuwe markten of hun omzet hebben vergroot.
1.4 Economische, sociale en territoriale samenhang (rubriek 1B van de begroting)
60,4 miljard EUR is toegewezen aan de programma’s in het kader van rubriek 1B voor 2015, wat neerkomt op 37,2% van de totale EU-begroting voor 2015.
Diagram 4: Links: Voornaamste programma’s die in 2015 zijn gefinancierd uit hoofde van rubriek 1B. Onder “Overige” vallen onder meer "Ultraperifere en dun bevolkte regio's" en het "Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen" / Rechts: Aandeel voor rubriek 1B in de totale begroting van 2015. Alle cijfers in miljoen EUR.
Rubriek 1B van het MFK betreft het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds (CF), het Europees Sociaal Fonds (ESF) 37 – inclusief de specifieke aanvullende toewijzing van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD). Al deze programma’s staan onder gedeeld beheer.
Prioriteiten van de Commissie:
EFRO, CF en ESF vormen het cohesiebeleid van de EU met een begroting van 351,8 miljard EUR voor 2014-2020, het belangrijkste investeringsinstrument van de EU voor het bereiken van de doelstellingen van Europa 2020 om groei en het scheppen van werkgelegenheid op het niveau van de EU en structurele hervormingen op nationaal niveau te ondersteunen. Met maatregelen op het gebied van cohesiebeleid wordt bijdragen aan de verwezenlijking van diverse prioriteiten van de Commissie-Juncker, met name “werkgelegenheid, groei en investeringen”, “digitale eengemaakte markt” en “energie-unie en klimaat”. Met het cohesiebeleid wordt tevens bijgedragen aan de ontwikkeling van de interne markt en een aantal acties in verband met de vluchtelingencrisis en het migratiebeleid.
Het hervormde cohesiebeleid voor 2014-2020 is volledig afgestemd op de Europa 2020-strategie voor “slimme, duurzame en inclusieve groei”. Financiering uit het cohesiebeleid vertegenwoordigt in een aantal lidstaten meer dan 60% van de overheidsinvesteringen en is een cruciale rol blijven spelen bij de ondersteuning van investeringsstrategieën voor de lange termijn.
Hoe draagt het cohesiebeleid bij aan de tenuitvoerlegging van landenspecifieke aanbevelingen?
Overeenkomstig het juridisch kader voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) zijn alle relevante landenspecifieke aanbevelingen 38 in de context van het Europees semester meegenomen in de programma's voor 2014-2020 met cofinanciering uit de ESIF. De operationele programma's zijn nauw afgestemd op voorgaande landenspecifieke aanbevelingen en deze zijn pas op voorwaarde van een aantal hervormingen (ex-antevoorwaarden) goedgekeurd om de inzet en de effectiviteit van ESIF te bevorderen.
Doordat het hervormde cohesiebeleid in het MFK voor 2014-2020 is vastgeklonken in het nieuwe economisch bestuur van de EU, kan met het beleid slagvaardiger worden gereageerd wanneer de economische omstandigheden veranderen en zich onevenwichtigheden voordoen.
De Commissie heeft zich weliswaar voornamelijk toegelegd op een geslaagde afronding van de onderhandelingen over de programma's voor 2014-2020, maar zij heeft in 2015 ook gerichte acties ten uitvoer gelegd waarmee landenspecifieke problemen zijn aangepakt en de lidstaten beter in staat werden gesteld om hun programma's voor 2007-2013 effectief af te ronden.
1.4.1 Uitvoering van de programma's voor 2014-2020
Eind 2015 zijn alle operationele programma's (OP's) in het kader van het cohesiebeleid voor 2014-2020 door de Commissie aangenomen en kon voor alle programma's het startschot worden gegeven voor de uitvoering in de praktijk. Met de verbeteringen die zijn doorgevoerd voor de periode 2014-2020 worden programma's resultaatgerichter, en is de noodzaak van investeringen gekoppeld aan specifieke doelstellingen en prioriteiten met overeenkomstige indicatoren en streefcijfers voor outputs en resultaten. Ieder programma heeft een prestatiekader waarmee de prestaties worden beoordeeld. Hiermee wordt de verslaglegging transparant en kan de vooruitgang bij het verwezenlijken van de programmadoelstellingen worden beoordeeld.
Eind 2015 hadden lidstaten al meer dan 100 000 projecten geselecteerd. De mededeling “Investeren in banen en groei - naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen” 39 , die de Commissie in december 2015 heeft gepubliceerd, biedt een goed overzicht van de ESIF-investeringen die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn gepland, met de bijbehorende verwachte outputs.
Over het geheel genomen wordt geschat 40 dat de uitvoering van de ESIF-programma's voor 2014-2020 direct positief zal uitwerken in vergelijking met de huidige situatie, met name op de groei van het bbp, en dat dit positieve effect nog lang na afloop van het programma zal doorwerken. De verwachte impact is met name significant voor de EU-13-lidstaten 41 . Voor deze landen vertegenwoordigen de ESIF namelijk een aanzienlijk deel van de overheidsinvesteringen. Voor die lidstaten wordt verwacht dat het verschil ten opzichte van de status quo aan het einde van de tenuitvoerlegging zal uitkomen op +2,7%, en nog ten minste tien jaar na 2020 structureel boven 2% zal liggen.
Informatie over de tenuitvoerlegging en resultaten wordt verstrekt als onderdeel van de jaarlijkse uitvoeringsverslagen voor het EFRO-CF- en de ESF-programma's, en wordt op de voet gevolgd door de Commissie. De eerste jaarlijkse uitvoeringsverslagen dienen uiterlijk in juni 2016 door de lidstaten te worden ingediend.
Voorwaarden voor tenuitvoerlegging
De ex-antevoorwaarden 42 vormen een van de belangrijkste nieuwe onderdelen van het hervormde cohesiebeleid, waarmee de effectiviteit van de fondsen kracht moet worden bijgezet. Hiermee worden randvoorwaarden gecreëerd voor effectieve investeringen. Er dient vooraf aan te worden voldaan, uiterlijk tijdens de eerste jaren van de tenuitvoerlegging. Hoewel op het moment van goedkeuring van de programma's aan circa 75% van alle ex-antevoorwaarden was voldaan, was dit voor ongeveer 750 programma's niet het geval (bijvoorbeeld masterplannen voor vervoer die ten grondslag liggen aan transportinvesteringen). Hiervoor zijn actieplannen overeengekomen met de Commissie, die uiterlijk eind 2016 ten uitvoer moeten zijn gelegd. Bij de uitvoering van deze actieplannen is enige vertraging vastgesteld: van de 470 actieplannen die aanvankelijk eind 2015 afgerond hadden moeten zijn, zijn er 142 in 2015 voltooid, en er zijn nog 3 actieplannen waarvan de uitvoering in 2016 is gepland. De Commissie heeft de situatie in verband met actieplannen voor de vervulling van ex-antevoorwaarden nauwlettend gevolgd en zal dit ook in 2016 blijven doen.
Aanwijzing is nog een nieuw onderdeel van het hervormde cohesiebeleid. Hiermee ontstaat meer zekerheid over de grotere verantwoordelijkheid van lidstaten, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel. Met deze procedure wijzen lidstaten de autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de controle van de programma's en wordt gewaarborgd dat er vanaf het begin van de periode adequate systemen zijn opgezet. Nadat deze procedure is voltooid, kunnen betalingsverzoeken bij de Commissie worden ingediend. De eerste autoriteiten zijn in 2015 door de lidstaten aangewezen. Eind 2015 hadden lidstaten voor 20% van de ESF 43 -, EFRO- en CF-programma's programma-autoriteiten aangewezen, een lager percentage dan aanvankelijk was gepland. De Commissie biedt lidstaten echter ondersteuning om hen te helpen de problemen het hoofd te bieden.
Specifieke ondersteuning voor Griekenland
Als deel van de hulpmaatregelen voor Griekenland is het volgende overeengekomen: de financiering vooraf voor structuurfondsen in het kader van de programmeringsperiode voor 2014-2020 wordt verhoogd, een EU-financieringspercentage van 100% voor de subsidiabele uitgaven en vroegtijdige vrijgave van de resterende 5% voor de programma's voor 2007-2013. Het cumulatieve effect bedroeg 2 miljard EUR (de helft in 2015 en de helft in 2016).
Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief
Voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief blijkt uit de eerste gegevens die in april 2015 door de lidstaten zijn ingediend (uiterste datum eind 2014) dat er in totaal ongeveer 138 000 deelnemers waren. Een groot probleem bleek het gebrek aan openbare financiering voor nadere uitvoering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief. De Commissie heeft dan ook voorgesteld de voorafgaande financiering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief te verhogen naar 30% in 2015, om de financiering van de aanvankelijke maatregelen te faciliteren. 44 Deze financiering vooraf is betaald uit de EU-begroting voor 2015.
Uit een daaropvolgende enquête en interviews met de beheersautoriteiten in 2015 is gebleken dat in de meeste subsidiabele lidstaten is gestart met de tenuitvoerlegging van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief. In november 2015 hebben 10 lidstaten aangegeven dat zij al voor 75% of meer van hun begroting voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief financiering hadden vastgelegd voor concrete acties. Voor de twintig lidstaten die het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief uitvoeren, bedroegen de totale kosten voor acties die voor steun zijn geselecteerd, eind december 2015 3,3 miljard EUR, en was 380 miljoen EUR door begunstigden opgegeven. Volgens dezelfde studie waren grotere lidstaten en/of voornaamste ontvangers van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief er in november 2015 ieder in geslaagd duizenden jongeren aan te nemen: Italië (contact opgenomen met circa 375 000 jongeren, of reeds in maatregelen), Portugal (100 000), Griekenland (32 000), Frankrijk (32 000) en Hongarije (16 000).
Mkb-initiatief
Tevens is begonnen met de tenuitvoerlegging in de praktijk van het mkb-initiatief. Dit is een gezamenlijk financieel instrument van de Commissie en de EIB-groep (de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds), waarmee wordt beoogd financiering voor het mkb te stimuleren door een gedeeltelijke risicodekking te bieden voor leningsportfolio's voor het mkb van financiële instellingen die deze leningen verstrekken. Dergelijke producten, die zowel voor banken als voor het mkb aantrekkelijk zijn, kunnen een buitengewoon doeltreffende manier zijn om snel en effectief geld aan de reële economie te lenen, banen te scheppen en economische groei te stimuleren. In diverse lidstaten is reeds het startschot voor tenuitvoerlegging gegeven (Bulgarije, Spanje, Malta), en een aantal andere landen (waaronder Roemenië, Italië en Finland) heeft ook aangekondigd voornemens te zijn hieraan deel te nemen.
Banen scheppen en de arbeidsmarktomstandigheden verbeteren
De Commissie heeft niet alleen ondersteuning geboden middels de EU-begroting en de speciale programma's, maar met diverse initiatieven ook bijgedragen aan de verbetering van de banen en de werkgelegenheidssituatie in de EU:
-Er is een nieuw Europees pact voor de jeugd gelanceerd, waarmee eind 2017 ongeveer 10 000 partnerschappen tussen bedrijfsleven en onderwijs en ten minste 100 000 nieuwe stages en startfuncties in het leven geroepen moeten zijn.
-De sociale dialoog is nieuw leven ingeblazen met een brede afspiegeling van sociale partners om de economische en maatschappelijke uitdagingen in Europa beter het hoofd te kunnen bieden.
-De Commissie heeft een voorstel ingediend voor een Europese toegankelijkheidsakte, waarmee het functioneren van de interne markt voor toegankelijke producten en diensten voor gehandicapten moet worden verbeterd door belemmeringen voor het zich ongehinderd verplaatsen door deze personen weg te nemen en te voorkomen.
-Ondersteuning van arbeidsmobiliteit en betere coördinatie van socialezekerheidsstelsels waren een van de speerpunten van de Commissie ter verbetering van de Europese arbeidsmarkt. EURES, het Europees portaal voor beroepsmobiliteit, biedt werknemers eenvoudig toegang tot een database met overheidsvacatures in alle lidstaten, waarop online kan worden gesolliciteerd. In 2015 is EURES versterkt en gemoderniseerd, waarmee het zich heeft ontpopt tot een up-to-date mobiliteitsinstrument met de laatste IT-technologieën, dat voor iedereen toegankelijk is.
-Er is vooruitgang geboekt met de beoordeling van EU-wetgeving op het gebied van eerlijke en veilige arbeidsomstandigheden. Binnenkort wordt de laatste hand gelegd aan een uitvoerige evaluatie van het acquis, bestaande uit 24 richtlijnen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk. Deze evaluatie maakt deel uit van het programma van de Commissie voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Regulatory Fitness and Performance, REFIT) 45 dat een eenvoudiger, duidelijker en robuuster regelgevingskader tot doel heeft waarmee groei en werkgelegenheid worden ondersteund.
1.4.2 Resultaten van de programma's voor 2007-2013
Uitvoeringsaspecten
Voor in totaal 440 operationele programma's (322 voor ERDF-CF en 118 voor ESF) wordt krachtens het cohesiebeleid financiering geboden voor de programmeringsperiode 2007-2013, voor een totale begrotingstoewijzing van 346,5 miljard EUR.
De tenuitvoerleggingsgraad was eind 2015 voor de meeste lidstaten bevredigend voor de drie cohesiebeleidsfondsen (80,2%, exclusief openstaande betalingsaanvragen). Alleen Roemenië, Italië en Kroatië hadden nog te maken met enige vertraging. De algehele tenuitvoerleggingsgraad voor het ESF bedroeg eind 2015 voor alle lidstaten 80,5%. De bestedingsgraad voor het ESF was in de slechtst presterende landen 65%, met uitzondering van Kroatië (52,3%) en Roemenië (51,1%). Voor EFRO en CF is de uitvoering eind 2015 in een stroomversnelling gekomen, met een algemene tenuitvoerleggingsgraad exclusief openstaande aanvragen voor alle lidstaten van 80%, met alleen vertragingen voor Roemenië, Italië en Kroatië. De gevolgen van deze vertragingen kunnen nog worden beperkt, aangezien uitgaven in verband met financiële instrumenten nog steeds kunnen worden voorgelegd en de subsidiabiliteitsperiode voor Kroatië tot eind 2016 loopt.
Uit de analyse van beschikbare informatie betreffende projectselectie en van informatie in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen die in juni 2015 door de programma-autoriteiten zijn ingediend, blijkt dat de meeste operationele programma's van het cohesiebeleid voor 2007-2013 op schema liggen. In het najaar van 2015 zijn er met EFRO-CF in alle lidstaten meer dan 760 000 projecten ondersteund.
Meer nadruk op prestaties
In het licht van de grotere aandacht van de Commissie voor prestaties en als onderdeel van een proefproject dat in 2014 door de Commissie is opgezet, zijn in 2015 alle 322 EFRO-CF-programma's opnieuw onder de loep genomen. Voor 91% van de programma's werden de prestaties als goed of aanvaardbaar bestempeld, en voor 9% werden deze beschouwd als gebrekkig of kritiek. Hieruit tekent zich een positieve ontwikkeling af ten opzichte van het beeld dat uit de beoordelingen voor 2014 was ontstaan (waarbij 12% van de programma's als risicovol werd beschouwd).
De prestaties van programma's lieten met name verbetering zien met betrekking tot beheer en controle, projectselectie en financiële instrumenten, wat leidde tot versnelde tenuitvoerlegging en waarmee de algehele tenuitvoerleggingsgraad voor EFRO-CF voor alle lidstaten eind 2015 op 87% kwam te liggen.
De tenuitvoerlegging van financieringsinstrumenten blijft echter trager dan aanvankelijk gepland, met 1,04 miljard EUR op een totaal van 17,06 miljard EUR dat eind 2014 nog niet in financiële instrumenten was betaald.
Bijdrage aan beleidsresultaten
Terwijl de groei van het bbp slechts één van de talrijke doelstellingen van het cohesiebeleid van de EU is, werd in het deel macro-modellen van de ex-postevaluatie geraamd dat 1 euro voor investeringen voor het cohesiebeleid in de periode 2007-13 ongeveer 2,7 euro extra bbp zal genereren tegen 2023. 46 Met andere woorden zal het cohesiebeleid verantwoordelijk zijn voor bijna 1 biljoen EUR extra bbp. Voorts worden de thematische delen van de ex-postevaluatie voor EFRO-CF en ESF afgerond en meer uitgebreide conclusies over de prestaties zullen in het verslag van volgend jaar worden verstrekt. De hieronder beschreven resultaten van het cohesiebeleid tot 2014 zijn vooral gebaseerd op de laatste beschikbare monitoringgegevens in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen die de lidstaten in 2015 hebben ingediend en op de gegevens van de reeds voltooide ex-postevaluaties (milieu, vervoer en steun aan ondernemingen).
Slimme groei (EFRO en ESF)
Resultaten op het gebied van slimme groei worden geleverd door financiële middelen te mobiliseren en door bij te dragen aan verbetering van de investeringsvoorwaarden. Met programma's worden werkgelegenheid, groei en investeringen in heel Europa aangezwengeld, met de minst ontwikkelde gebieden en sectoren met groeimogelijkheden als zwaartepunt.
Tot 2014 zijn meer dan 36 000 projecten in de hele EU medegefinancierd ter ondersteuning van samenwerking tussen het bedrijfsleven en onderzoekscentra. Enkele lidstaten, zoals het Verenigd Koninkrijk, presteerden goed en overschreden de aanvankelijke streefcijfers ruimschoots; in andere, zoals Polen, België en Oostenrijk, blijft de samenwerking tussen overheids- en particuliere sector achter bij de streefcijfers, maar er wordt continu gewerkt aan het bevorderen van deze belangrijke samenwerking
Voorbeeld van EU-meerwaarde
De toegevoegde waarde van EFRO-steun ligt in de extra financiële ondersteuning voor lidstaten waarmee zij investeringen kunnen doen die groei creëren, tegen de achtergrond van sterke beperkingen in de begrotingsconsolidatie. De economische activiteit die door deze investeringen wordt aangezwengeld, werkt op korte termijn door in het bbp (in EU-12-landen 47 stijgt het bbp tussen 2007 en 2016 naar verwachting met 2,7% per jaar 48 ), en heeft ook gevolgen voor de lange termijn (die pas na lange tijd worden gematerialiseerd) dankzij de structurele verbeteringen in de economieën van de EU.
Een voorbeeld van een succesvolle EFRO-investering is de opzet van een holdingfonds van bijna 16 miljoen EUR in de Spaanse regio Extremadura in 2013. De middelen uit dit fonds waren in minder dan twee maanden geabsorbeerd, waarna het bedrag is verdubbeld naar 30 miljoen EUR. Door het verstrekken van leningen aan het mkb voor groei en innovatie is bijgedragen aan versterking van de private investeringsmarkt in de enige Spaanse regio met een ontwikkelingsachterstand (“convergentieregio”). Tot dusver hebben meer dan 600 kleine en middelgrote bedrijven hiermee steun ontvangen. Cruciale succesfactoren zijn het partnerschap tussen het Europees Investeringsfonds en de regionale regering en een uitvoerige voorafgaande beoordeling van de regionale markt, waaruit een op maat gesneden financieel instrument is voortgevloeid. Voortbordurend op deze ervaring heeft Extremadura 75 miljoen van haar regionale EFRO-toewijzing bijgedragen aan het Spaanse mkb-initiatief voor 2014-2020.
Met EFRO-financiering zijn circa 95 000 projecten voor onderzoek en ontwikkeling uitgevoerd. Deze hebben tot 2014 meer dan 40 000 voltijds onderzoeksbanen opgeleverd, waarmee de algehele doelstelling van 33 500 gecreëerde arbeidsplaatsen is overtroffen. Met name in Polen wordt gestaag vooruitgang geboekt: tot 2014 zijn daar bijna 5 000 onderzoeksbanen gecreëerd.
Dankzij EFRO-investeringen, met name in regio’s met een ontwikkelingsachterstand, is de breedbanddekking in de EU de afgelopen jaren aanzienlijk uitgebreid. Dankzij EFRO-steun hebben meer dan 8 miljoen extra huishoudens tot 2014 toegang gekregen tot breedband. Significante resultaten worden met name gemeld in Griekenland - waar eind 2014 nog eens 800 000 burgers extra de beschikking hadden gekregen over breedbandinternet – en in Slovenië, waar nog eens ruim 70 000 burgers breedbandtoegang kregen dankzij de tot 2014 gedane investeringen. Een aantal lidstaten ziet zich nog steeds geconfronteerd met specifieke uitdagingen bij het dichten van de kloof tussen regio's die toegang hebben tot moderne informatie- en communicatietechnologie en regio's die geen of beperkte toegang hebben. In de periode 2014-2020 zal dit gat met aanvullende investeringen verder worden gedicht.
Tegen het einde van 2014 waren er meer dan 825 000 arbeidsplaatsen gecreëerd, die te danken waren aan EFRO-investeringssteun voor kmo's. Deze maatregelen waren cruciaal voor het mitigeren van de gevolgen van de crisis in de afgelopen jaren. Daarnaast werd via het EFRO steun verleend voor de oprichting van meer dan 120 000 nieuwe bedrijven in de hele EU.
De voorlopige resultaten van de lopende ex-postevaluatie van steun aan bedrijven (kmo's, grote ondernemingen, financiële instrumenten) middels EFRO-CF-werkpakketten voor 2007-2013 laten zien dat met het EFRO ten minste 246 000 kleine en middelgrote bedrijven zijn ondersteund (indirecte steun niet meegerekend), waarbij vooral micro-ondernemingen subsidies hebben ontvangen. De steun bedroeg circa 47,5 miljard EUR of 16% van de totale EFRO-toewijzingen. Hierbij kwamen de volgende drie voornaamste voordelen naar voren: verbetering van de economische prestaties van ondersteunde bedrijven (ondanks de algemene economische malaise), versterking van innovatie met investeringen in onderzoek en ontwikkeling en gedragsveranderingen.
Een aanzienlijk kleiner deel van de steun (ongeveer 6 miljard EUR) ging naar circa 3 700 grotere ondernemingen, waarvan er vele net boven de kmo-grens lagen. Bij de meeste gesubsidieerde projecten zijn de doelstellingen bereikt, zoals verhoging van de private investeringen, de productiviteit of het aantal arbeidsplaatsen. In de evaluaties wordt echter betoogd dat regio's en lidstaten hun steun moeten toespitsen op het oogsten van indirecte voordelen, zoals het koppelen van grotere bedrijven aan een lokale toeleveringsketen. Dergelijke steun is veelbelovend omdat de duurzaamheid van investeringen en banen in een bepaalde regio hiermee kan worden bevorderd.
Uit de voorlopige resultaten van de ex-postevaluatie van het ESF is gebleken dat ESF-maatregelen op het gebied van menselijk kapitaal hebben bijgedragen aan de ontwikkeling en consolidering van het systeem voor wetenschap en technologie (middels financiële ondersteuning en begeleiding op het gebied van onderzoek en innovatie). Met behulp van het ESF is ook de capaciteitsopbouw voor onderzoek versterkt, extra personeel aangetrokken voor onderzoek en de inzetbaarheid bevorderd. Voor wat betreft de kwaliteit van hoger onderwijs heeft het ESF bijgedragen aan veranderingen op systeemniveau, zoals de verbetering van studieprogramma's, de opleiding van personeel en de toepassing van e-learning.
Duurzame groei (EFRO en CF)
De aanvullende capaciteit voor de productie van hernieuwbare energie die rechtstreeks voortvloeit uit EFRO-CF-steun en eind 2014 door lidstaten is gerapporteerd, bedraagt bijna 4 000 MW, een toename van meer dan 1 200 MW ten opzichte van 2013.
Bovendien is een aanzienlijk aantal projecten voortgezet om de energie-efficiëntie van openbare en flatgebouwen te vergroten, vooral in de EU-12-landen waar beide soorten gebouwen grote energieverbruikers zijn. Eind 2014 bedroeg de gerapporteerde terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van deze interventiemaatregelen 475 592 kt CO2-equivalenten.
Uit het voltooide werkpakket voor energie-efficiëntie in openbare gebouwen en woningen van de lopende ex-postevaluatie voor het EFRO-CF is gebleken dat er tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 weliswaar resultaten zijn geboekt, maar dat deze slechts ten dele naar voren komen uit de monitoringsystemen van de programma's. Door een gebrek aan gestandaardiseerde indicatoren zijn er variabele en inconsistente gegevens verzameld. Voor de twee meest toegepaste resultaatindicatoren, te weten “terugdringing van het energieverbruik” en “terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen” kunnen de programmaresultaten echter wel onderling worden vergeleken: de onderzochte programma's hebben in 2013 (d.w.z. 2 jaar vóór het aflopen van de programma's eind 2015) een terugdringing van het verbruik gerealiseerd van 2 904 GWh per jaar en een emissiereductie van 1 454 kiloton CO2-equivalenten per jaar, onder meer dankzij interventiemaatregelen op het gebied van energie-efficiëntie.
Op het gebied van risicopreventie waren eind 2014 ongeveer 20 miljoen mensen die te maken hebben met overstromingsrisico's en 30 miljoen mensen die een risico van bosbranden lopen, met EFRO-CF-steun beter beschermd tegen deze natuurlijke risico's.
Hoewel het algemene niveau van de behaalde resultaten met projecten voor drinkwater en afvalwaterzuivering nog steeds op 38% van de streefcijfers staat, zijn er substantiële verbeteringen gerapporteerd door lidstaten: uitgedrukt in absolute aantallen was er eind 2014 sprake van een aanzienlijke toename van het aantal mensen met toegang tot water (meer dan 1,7 miljoen) en afvalwaterzuiveringsprojecten (meer dan 1,2 miljoen) ten opzichte van 2013.
Uit de voorlopige resultaten van het werkpakket milieu van de lopende ex-postevaluatie voor EFRO-CF blijkt dat cohesiebeleid in veel EU-13- en zuidelijke EU-15-lidstaten 49 een van de belangrijkste bronnen van publieke financiering vormt, en daarom een grote bijdrage heeft geleverd aan de verwezenlijking van de Europese streefcijfers voor water en afval. Veel van deze landen hebben grote stappen voorwaarts gezet: op het gebied van afval is het recyclingspercentage in vrijwel alle EU-13-lidstaten gestegen; voor wat betreft water is de drinkwatervoorziening dankzij projecten met financiering uit het EFRO en het Cohesiefonds voor ten minste 4 miljoen EU-burgers verbeterd en hebben deze projecten voor meer dan 7 miljoen EU-burgers mede gezorgd voor een betere afvalwaterzuivering. Voorts is uit de evaluatie naar voren gekomen dat de financiële analyse die is verricht bij de voorbereiding van de onderzochte grote projecten (waarmee meer dan 50 miljoen EUR is gemoeid) op het gebied van water en waterbeheer een solide basis vormde voor de financiële duurzaamheid van die milieuprojecten.
De lidstaten meldden eind 2014 tevens vooruitgang te hebben geboekt ten opzichte van 2013 op het gebied van vervoer, waarbij speciale aandacht is uitgegaan naar maatregelen waarmee zich in voorgaande jaren meer problemen voordeden, zoals de aanleg van nieuwe wegen (inclusief TEN) en de wederopbouw van spoorwegen. De grootste vorderingen zijn gemaakt met vernieuwde wegen (eind 2014 is meer dan 30 000 km gerapporteerd, tegenover 20 000 km eind 2013). Ook is er vooruitgang geboekt met de doorgaans tragere wederopbouw van spoorwegen, met bijna 4 000 km eind 2014 ten opzichte van iets meer dan 3 000 km eind 2013.
Uit de voorlopige resultaten van het werkpakket vervoer van de lopende ex-postevaluatie voor EFRO-CF blijkt dat steun via het cohesiebeleid heeft geleid tot betere verbindingen zowel binnen als tussen lidstaten doordat is ingespeeld op de behoeften van regio's waar de vervoersinfrastructuur onvoldoende was ontwikkeld. Tevens is verbetering gestimuleerd van de wijze waarop steunmaatregelen op het gebied van vervoer worden gepland (bijvoorbeeld door het ontwikkelen van transportstrategieën) en voorbereid (bijvoorbeeld door verbeteringen in de kwaliteit van aanvragen voor EU-steun voor hoge transportinvesteringen van meer dan 50 miljoen EUR), en zijn lidstaten aangemoedigd hun aandacht meer te richten op duurzaam vervoer, zoals uitgestippeld in de strategische documenten van de EU.
Inclusieve groei (EFRO en ESF)
Op dit gebied werken EFRO en ESF samen doordat zij beide investeren in infrastructuur en menselijk kapitaal op het gebied van onderwijs en opleiding, actief arbeidsmarktbeleid en de integratie van achtergestelde groepen in de arbeidsmarkt en de maatschappij.
Uit de voorlopige resultaten van de ex-postevaluatie van het ESF is gebleken dat de ESF-steun voor toegang tot werkgelegenheid 12% bedroeg van de financiering voor het nationale actieve arbeidsmarktbeleid in de EU. In een aantal convergentieregio's (EU-12 en zuidelijke lidstaten zoals Griekenland) is een aanzienlijk deel van de deelnemers aan het actieve arbeidsmarktbeleid vanuit het ESF gefinancierd. In de evaluatie is ook geconcludeerd dat de ESF-maatregelen, landenspecifieke aanbevelingen in het kader van het Europees semester en de Europa 2020-strategie goed op elkaar aansloten. Zo is met het ESF in een aantal lidstaten bijgedragen aan hervorming van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening door versterking van de capaciteit voor het ontwerpen en uitvoeren van programma's en/of versterking van de vaardigheden.
Met de ESF-investeringen in menselijk kapitaal zijn acties op touw gezet ter ontwikkeling van de vaardigheden van diverse doelgroepen en ter verbetering van de kwaliteit van onderwijs- en opleidingssystemen en het aanpassingsvermogen van ondernemingen. Regio's met een ontwikkelingsachterstand (“convergentieregio's”) konden een bredere waaier aan activiteiten ontplooien (in vergelijking met beter ontwikkelde regio's met “regionaal concurrentievermogen”) op het gebied van levenslang leren, hervormingen van onderwijs- en opleidingssystemen en de ontwikkeling van personeel voor onderzoek en innovatie. Eind 2013 zijn met de ESF-investeringen aanzienlijke aanvullende middelen verstrekt (51 miljard EUR, waaronder nationale medefinanciering) die hebben bijgedragen aan de Europa 2020-strategie en de strategie voor onderwijs en opleiding en de desbetreffende landenspecifieke aanbevelingen, wat ten minste 21 miljoen resultaten heeft opgeleverd (46% van alle deelnamen), zoals het behalen van kwalificaties (13%), het vinden van een baan (8%) en versterking van vaardigheden of competenties of “overige positieve resultaten” (25%).
Voor wat betreft sociale integratie hebben lidstaten dankzij de ESF-maatregelen een groter aantal deelnemers kunnen opnemen in bestaande acties en steun voor sociale integratie dan zonder het ESF mogelijk was geweest, met name tegen de achtergrond van de economische malaise. Er is 11,5 miljard EUR (inclusief nationale medefinanciering) toegewezen voor sociale integratie. Eind 2013 hadden ten minste 1,3 miljoen deelnemers aan prioritaire assen voor sociale integratie een baan gevonden, een kwalificatie behaald of andere positieve resultaten bereikt. Zachte resultaten tellen hierbij niet mee (bijvoorbeeld een toename van het zelfvertrouwen, verbetering van de gezondheidsomstandigheden, actievere betrokkenheid bij maatschappelijke organisaties en actiever solliciteren). Deze zijn vrijwel niet vastgelegd door de lidstaten. Door de ESF-steun waren lidstaten ook beter in staat om op maat gesneden diensten te bieden aan specifieke doelgroepen die anders alleen toegang zouden hebben tot reguliere dienstverlening die niet aansluit bij hun specifieke - en vaak intensievere - behoeften.
Tot eind 2014 waren er in totaal 98,2 miljoen deelnamen aan ESF-maatregelen geregistreerd voor alle beleidsthema's van het ESF. 50 Voor wat betreft outputs is met het programma de doelstelling verwezenlijkt om ten minste net zo veel deelnemers te bereiken als in de vorige programmeringsperiode. Voor wat betreft resultaten geven de gecombineerde resultaatindicatoren door de beperking van de monitoring- en rapportagesystemen in de periode 2007-2013 slechts een gedeeltelijk beeld. 51 Ten minste 8,9 miljoen deelnemers had direct of enige tijd na de maatregelen werk gevonden, terwijl ten minste 8,5 miljoen deelnemers een kwalificatie of certificaat hebben ontvangen of met succes een cursus hebben gevolgd. Nog eens 12,8 miljoen deelnemers gaven aan andere positieve resultaten te hebben bereikt, zoals extra vaardigheden en competenties. De algehele beoordeling naar aanleiding van de ex-postevaluatie en de beoordelingen van de lidstaten kunnen als positief worden beschouwd, hoewel deze door tekortkomingen in de monitoringsystemen en het zeer beperkte aantal contrafeitelijke effectbeoordelingen grotendeels zijn gebaseerd op kwalitatieve bevindingen.
Voor wat betreft het EFRO blijven de investeringen in onderwijs- en kinderopvangfaciliteiten aanzienlijke vorderingen maken, met meer dan 30 000 voltooide projecten met investeringen in onderwijsfaciliteiten om nieuwe scholen te bouwen of bestaande scholen te moderniseren en nieuwe voorzieningen te bieden. Bijna al deze projecten werden uitgevoerd in regio's met een ontwikkelingsachterstand (convergentieregio's) en zijn voornamelijk gerapporteerd door één lidstaat (Italië). Andere lidstaten hebben ook dergelijke acties opgezet, maar hebben geen gebruik gemaakt van de indicator waarmee de capaciteit van de ondersteunde voorziening wordt gemeten, wat betrouwbare rapportage over het aantal mensen dat op EU-niveau de vruchten plukt van deze infrastructuur onmogelijk maakte.
1.5 Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen (rubriek 2 van de begroting)
63,9 miljard EUR is toegewezen aan rubriek 2 voor 2015, wat neerkomt op 39,4% van de totale EU-begroting voor 2015. Rubriek 2 omvat de twee pijlers van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB): de eerste pijler betreffende de marktondersteunende maatregelen en de rechtstreekse betalingen uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), en de tweede pijler betreffende de steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Die rubriek omvat ook het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), de internationale dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) [d.w.z. de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) en de duurzamevisserijovereenkomsten], alsmede activiteiten op het gebied van klimaat en milieu via het programma voor milieu- en klimaatactie (LIFE).
Prioriteiten van de Commissie:
Acties in deze rubriek dragen bij aan de verwezenlijking van de volgende prioriteiten van de Commissie: “werkgelegenheid, groei en investeringen”, “energie-unie en klimaat” en in enige mate de “digitale eengemaakte markt”. Zij dragen ook bij tot de doelstellingen van Europa 2020 op het gebied van duurzame groei, maar houden ook verband met slimme en inclusieve groei wat investeringen betreft die bevorderlijk zijn voor het scheppen van banen en innovatie.
Diagram 5: Links: Voornaamste programma’s die in 2015 zijn gefinancierd uit hoofde van rubriek 2 / Rechts: Aandeel voor rubriek 2 in de totale begroting van 2015. Alle cijfers in miljoen EUR.
Actie van de Commissie om de landbouwcrisis aan te pakken
De Commissie heeft op twee manieren gezorgd voor de nodige marktstabilisering toen de sectoren zuivelproducten en varkensvlees de gevolgen ondervonden van het Russische invoerverbod voor Europese producten. Ten eerste is er steun voor particuliere opslag geboden om het aanbod op de markt terug te dringen. In een tweede actieronde werden rechtstreekse betalingen verstrekt en werd er een solidariteitspakket ingevoerd bestaande uit diverse andere specifieke maatregelen waarmee liquiditeitsproblemen van landbouwers werden verlicht.
Er zijn specifieke tijdelijke steunmaatregelen aangenomen ter ondersteuning van landbouwers die te lijden hadden onder het Russische invoerverbod op fruit en groente ter hoogte van 219,3 miljoen EUR. Voor de zuivelsector beliepen de aanvullende steunmaatregelen een bedrag van 54,3 miljoen EUR. Voorts werden er bevorderende maatregelen versterkt in landen buiten de EU, met een eerste begrotingseffect van 3 miljoen EUR in 2015 (met verdere bedragen die gevolgen hadden voor 2016 en 2017).
In 2015 zijn initiatieven ontplooid ter ondersteuning van de landbouwmarkten en ter verbetering van de toeleveringsketen. Het gaat om:
-het verspreiden van marktinformatie via “marktdashboards”. 52 Hiermee worden de markten transparanter en kunnen marktdeelnemers beter onderbouwde beslissingen nemen;
-het opzetten of opnieuw opzetten van fora voor analyse, zoals de Taskforce landbouwmarkten (waarbij onderwerpen aan bod komen als markttransparantie, oneerlijke handelspraktijken en toegang tot financiële instrumenten en termijnmarkten) en het Forum op hoog niveau voor een beter werkende voedselvoorzieningsketen.
1.5.1 Informatie over uitvoering van de programma's voor 2014-2020
Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)
Voor het ELGF, financiering van rechtstreekse betalingen aan landbouwers en marktgerelateerde uitgaven, ligt de tenuitvoerlegging tijdens de beginjaren van het MFK 2014-2020 op schema. Binnen de gemeenschappelijke ordening van de markten (GMO) worden sectorspecifieke steunprogramma's op verschillende punten in hun respectieve levenscycli uitgevoerd. Naar aanleiding van het Russische invoerverbod voor bepaalde landbouwproducten uit de EU en marktdalingen in de zuivel- en vleessector zijn aanvullende marktondersteunende maatregelen getroffen, zoals steun voor particuliere opslag voor bepaalde zuivelproducten en verwijderingsregelingen voor fruit en groente. Deze maatregelen boden broodnodige steun voor getroffen producenten in de lidstaten en hebben bijgedragen aan evenwichtsherstel in de desbetreffende sectoren. De Europese landbouwsector is erin geslaagd alternatieve markten te vinden binnen de EU en daarbuiten (met name in Azië), zoals blijkt uit de handelsstatistieken: ondanks het verlies van de Russische markt steeg de totale waarde van de uitvoer van Europese landbouwproducten in de twaalf maanden volgend op het verbod dat in augustus 2014 werd opgelegd, met 6%. Europese exporteurs hebben onder andere een grote groei weten te realiseren in de VS (+19%) en China (+39%). In de eerste negen maanden van 2015 steeg de uitvoer van Europese wijn met 660 miljoen EUR (10,3%) ten opzichte van dezelfde periode in het voorgaande jaar. Dit succes werd mogelijk gemaakt door de sectorspecifieke programmasteun voor bevordering in landen buiten de EU en voor investeringen in wijngaarden en voorzieningen voor verwerking en marketing.
Voor rechtstreekse betalingen werd in het begrotingsjaar 2015 de financiering voor pre-hervormingsregelingen met het ELGF voortgezet, maar er werden ook specifieke onderdelen van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) uit 2013 ingevoerd, waaronder de convergentie van steunniveaus tussen lidstaten. Op administratief niveau verleent de Commissie sinds 2014 bijstand aan lidstaten bij het voorbereiden en implementeren van rechtstreekse betalingen, onder meer met richtsnoeren of besprekingen tijdens bijeenkomsten met groepen deskundigen.
Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
Voor het ELFPO zijn alle 118 programma's voor plattelandsontwikkeling goedgekeurd. De Commissie verwacht niet dat de doelstellingen en bijbehorende streefcijfers in het gedrang komen door de vertraging van de goedkeuring (de laatste programma's zijn in december 2015 goedgekeurd). Per donderdag 31 december 2015 is circa 23,5 miljard EUR vastgelegd. Dit komt neer op 24% van de globale ELFPO-begroting voor 2014-2020. Voor wat betreft betalingen vertegenwoordigden de verzoeken die eind 2015 van de lidstaten zijn ontvangen, een totaalbedrag van 3,77 miljard EUR, wat nog 4% van de totale vastleggingen bedraagt, waaruit blijkt dat de tenuitvoerlegging de komende jaren moet worden versneld.
Een sterke nadruk op vereenvoudiging
Begin 2015 heeft de Commissie de eerste stappen gezet voor een grootschalige vereenvoudiging van het volledige landbouwacquis. Eind 2015 is een aantal wetswijzigingen doorgevoerd, zoals:
-verlenging van de uiterste termijn voor het indienen van steunaanvragen;
-meer flexibiliteit in verband met vrijwillige gekoppelde steun;
-betaling van jonge landbouwers, en
-verlichting van de administratieve lasten voor de administraties van begunstigden en lidstaten door vereenvoudiging van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, zoals de invoering van preventieve voorlopige kruiscontroles en diverse verbeteringen van de richtsnoeren, met name voor rechtstreekse betalingen in verband met de tenuitvoerlegging betreffende ecologische aandachtsgebieden. Ook worden de regels voor administratieve boetes binnen het geïntegreerd beheers- en controlesysteem vereenvoudigd.
Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV)
Voor het EFMZV heeft het onderhandelingsproces met de lidstaten door de late goedkeuring van de EFMZV-verordening (in mei 2014) meer tijd in beslag genomen. In december 2015 zijn deze onderhandelingen afgerond. Alle 27 operationele programma's van het EFMZV 53 zijn nu goedgekeurd door de Commissie. Met het oog op een soepele start van de tenuitvoerlegging heeft de Commissie een aantal uitvoerings- en gedelegeerde handelingen goedgekeurd. Tevens heeft zij tijdens EFMZV-comitébijeenkomsten en bijeenkomsten met groepen deskundigen begeleiding geboden aan de lidstaten, waarbij de aandacht met name uitging naar de nieuwe onderdelen in het EFMZV.
Eind 2015 waren in totaal 14 protocollen bij duurzamevisserijovereenkomsten met niet-EU-landen van kracht, tegenover 10 in 2013 en 13 in 2014. In 2015 zijn de onderhandelingen over de verlenging van protocollen met Groenland en Mauritanië en voor nieuwe duurzamevisserijovereenkomsten met Liberia en de Cookeilanden met succes afgerond. Tegelijkertijd zijn de duurzamevisserijovereenkomsten met Mozambique en Kiribati na het verlopen van de laatste protocollen beëindigd.
Het programma voor milieu- en klimaatactie (LIFE)
De tenuitvoerlegging van het LIFE-programma ligt op schema. De nieuwe soorten subsidies (geïntegreerd, technische bijstand, capaciteitsopbouw en voorbereidende projecten) zoals geïntroduceerd door de LIFE-verordening zijn met succes ingevoerd en de desbetreffende oproepen tot het indienen van voorstellen zijn gepubliceerd. Uit de grote vraag naar projecten die zijn gericht op klimaatacties en naar geïntegreerde projecten 54 blijkt opnieuw dat de nieuwe onderdelen in het LIFE-programma zeer positief zijn ontvangen. Na de eerste twee oproepen tot het indienen van voorstellen in 2014 en 2015 zijn er meer dan 300 projectaanvragen ontvangen waarin doelstellingen voor klimaatacties centraal stonden. Voor wat betreft de geïntegreerde projecten is in 2015 met LIFE 63,8 miljoen EUR aan steun verstrekt voor zes geïntegreerde projecten die worden gefinancierd uit hoofde van het LIFE-programma voor het milieu. Hiermee wordt het gecoördineerde gebruik van meer dan 1,4 miljard EUR aan aanvullende financiering uit het ELFPO, het EFRO en nationale en private fondsen gefaciliteerd.
Diverse beleidsresultaten in het kader van het zevende milieuactieprogramma (MAP) zijn mede bereikt dankzij wetenschappelijke, technische en logistieke ondersteuning middels LIFE-financiering, zoals activiteiten in verband met de ontwikkeling en goedkeuring van het pakket voor een circulaire economie, evenals voorbereidende werkzaamheden en logistieke ondersteuning voor de VN-conferentie over klimaatverandering (COP21), die heeft geleid tot het eerste universele, juridisch bindende, mondiale klimaatakkoord.
1.5.2 Resultaten van de programma's voor 2007-2013
Uitvoeringsaspecten
De rechtstreekse betalingen uit het ELGF onder het voormalige regime voorafgaand aan de hervorming van het GVB in 2013 werden soepel geëffectueerd, waarbij de berekening en de toewijzingen van steun tijdig door de lidstaten werden uitgevoerd.
Voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) werd gedurende de periode 2007-2013 een aantal corrigerende wijzigingen in individuele programma's van de lidstaten aangebracht. De veranderingen hadden betrekking op zaken als de verschuiving van financiële toewijzingen tussen maatregelen, aanpassing van doelbegunstigden en subsidiabiliteitscriteria. Dit hielp om de lage financiële absorptiegraad in de eerste jaren van de tenuitvoerlegging aan te pakken, evenals enkele onvoorziene problemen die voortvloeiden uit de veranderde economische en bredere beleidscontext. Het definitieve absorptiecijfer voor de periode 2007-2013 wordt momenteel geschat op 98%.
Het Europees Visserijfonds (EVF, voorloper van het EFMZV) verstrekte financiering aan de visserijsector en kustgemeenschappen om deze te helpen economisch weerbaarder en ecologisch duurzamer te worden. Op 31 mei 2015 was 90,8% van het EVF vastgelegd. Het bedrag van de vastleggingen door de lidstaten van 2007 tot en met 31 mei 2015 was 3,91 miljard EUR voor 134 689 verrichtingen. De investeringen in de visserij- en aquacultuursector voor dezelfde periode bedroegen 9,27 miljard EUR: 42% uit het EVF, 26% uit bijdragen van nationale overheden en 32% uit private financiering. Er werd vooruitgang geboekt binnen maatregelen voor de duurzame ontwikkeling van visserijzones, waar een niveau van ruim 11% van de totale EVF-vastleggingen werd bereikt. Wat het hefboomeffect betreft, genereert elke euro van de vastgelegde EVF-steun 1,37 EUR aan toegezegde nationale steun (+2,2% ten opzichte van 31 mei 2014), waarvan 0,75 EUR aan private financiering en 0,62 EUR aan bijdragen van nationale overheden.
In 2015 werden de prestaties van de duurzamevisserijovereenkomsten geëvalueerd als onderdeel van een bredere evaluatie van verschillende maatregelen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. 55 De conclusie van de evaluatie was dat de partnerschapsovereenkomsten werden beheerd in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer. Gegeven de analyse van de toegangskosten die worden betaald door schepen van landen buiten de EU op grond van private overeenkomsten en de door scheepseigenaars betaalde vergoedingen vergeleken met de landingswaarde van de vangsten, werden de door de EU overeengekomen vergoedingen beoordeeld als gunstig en efficiënt voor scheepseigenaars. Uit de evaluatie kwam naar voren dat tonijnovereenkomsten meer rendement opleverden dan overeenkomsten die voor meerdere soorten gelden.
Voor LIFE+ namen subsidieprojecten 81% van de meerjarige begroting van 2,1 miljard EUR van het programma voor hun rekening. Dit kwam neer op een bedrag van 1,7 miljard EUR voor de totale periode en trok financiële middelen ten belope van meer dan tweemaal de EU-financiering aan (1,8 miljard EUR).
Bijdrage aan beleidsresultaten
Aangezien de ex-postevaluaties van de prestaties van de plattelandsontwikkelingsprogramma's en het EVF in de periode 2007-2013 56 nog niet zijn voltooid, zijn de hieronder gerapporteerde resultaten voornamelijk gebaseerd op de meest recente beschikbare monitoringinformatie over deze programma's.
Slimme groei
In de periode 2007-2013 oefende het GVB een sterke positieve invloed uit op de levensvatbaarheid van de landbouwsector door de sector gerichte financiering voor het verbeteren van zijn prestaties aan te bieden. In de periode 2005-2014 verhoogde de landbouwsector van de EU zijn totale factorproductiviteit met 0,7% per jaar (en met 1,7% per jaar in de EU-13), een duidelijk bewijs voor een efficiënter gebruik van productiefactoren.
Met financiering voor plattelandsontwikkeling werden kennisverwerving, investeringen, verschillende vormen van samenwerking en innovatie ondersteund. In de periode 2007-2013 verleende het ELFPO steun aan 430 000 landbouwbedrijfmoderniseringsprojecten, gaf het opstartsteun aan 165 000 jonge landbouwers, hielp het 385 000 landbouwers bij kwaliteitsregelingen betrekken en verstrekte het financiering voor meer dan vijf miljoen opleidingsdagen voor landbouwers. Plattelandsmaatregelen hielpen ook om 70 000 (niet-agrarische) micro-ondernemingen op te zetten of verder te ontwikkelen.
Voorts ondersteunde ELFPO-financiering de verwezenlijking van een betere toegang tot breedbanddiensten en/of ICT voor 8 miljoen plattelandsbewoners. De toegang van de nieuwe generatie in plattelandsgebieden bereikte eind 2014 een niveau van 25%, waar dat in 2013 nog 20% was.
Hoewel het gebruik van financiële instrumenten in plattelandsontwikkelingsprogramma's in de periode 2007-2013 nog altijd bescheiden was (364 miljoen EUR aan financiering in zestien plattelandsontwikkelingsprogramma's in zeven lidstaten), waren enkele resultaten bemoedigend. Zo hielp een garantiefonds dat in Roemenië actief was en werd gefinancierd via het plattelandsontwikkelingsbeleid om in de periode 2010-2014 265 miljoen EUR aan leningen vrij te maken door 116 miljoen EUR als zekerheid te stellen in de vorm van 1 040 garanties.
Duurzame groei
In de periode 2007-2013 was meer dan 80% van de totale GVB-betalingen gekoppeld aan naleving van elementaire milieunormen (alsmede normen op het gebied van voedselveiligheid, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn) door landbouwers. 57 Daarnaast ondersteunde het ELGF de terugtrekking van landbouwers uit schadelijke intensieve praktijken. De broeikasgasemissies van de landbouw (met uitzondering van bodememissies) bleven van 2002 tot 2012 gestaag dalen, met gemiddeld 0,7%, wat bijdroeg tot de verwezenlijking van de doeltrend om de CO2-uitstoot terug te dringen.
In het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's werden verschillende typen oppervlaktegebonden betalingen verricht om beheerpraktijken met bewezen positieve effecten op de biodiversiteit en de bodem-, water- en luchtkwaliteit in de landbouw- en de bosbouwsector te bevorderen. Tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 breidde de oppervlakte waarop agromilieuregelingen van toepassing waren, zich uit tot 47 miljoen ha, meer dan 25% van de oppervlakte cultuurgrond in de EU-27 in 2013. De door landbouwers ontvangen steun voor omschakeling op organische landbouw bestreek 7,7 miljoen ha. Dit alles speelde een belangrijke rol bij het verbeteren van de milieuprestaties van de landbouw in de EU.
In de periode 2007-2013 hebben de lidstaten actief gebruikgemaakt van het buitenbedrijfstellingsinstrument van het EVF om de vangstcapaciteit aan te passen aan de beschikbare bestanden. Veel lidstaten verklaarden in hun verslag van 2013 over de vissersvlootcapaciteit dat de omvang van hun vissersvloot in balans was met de geëxploiteerde bestanden, hoewel er in enkele gevallen overcapaciteit bleef bestaan, met name in de Middellandse Zee.
In het jaarverslag 2015 over de tenuitvoerlegging van het EVF van de Commissie 58 wordt bevestigd dat met de geleidelijke afbouw van de EVF-steun aan vlootmaatregelen (permanente en tijdelijke stillegging van de visserijactiviteiten) en de continue steun voor milieuvriendelijkere visserijpraktijken ertoe is bijgedragen dat het aantal beviste bestanden op het niveau van de maximale duurzame opbrengst is gestegen van 27 in 2014 naar 39 in 2015.
LIFE+ heeft een belangrijke rol gespeeld op het gebied van bewustmaking van en publieke deelname aan de tenuitvoerlegging van milieubeleid en -wetgeving van de EU, alsook wat betreft goed bestuur op dit terrein. Het programma vormde een effectief hulpmiddel voor het promoten van de tenuitvoerlegging van de prioriteiten die zijn vastgesteld in het zesde milieuactieprogramma (6MAP). 59 Uit de evaluaties is gebleken dat LIFE+ een “succesvol instrument is met aanzienlijke EU-meerwaarde” 60 . In de loop van de twintig jaar van het programma en in aanvulling op “gekwantificeerde voordelen die worden geraamd op ongeveer 600 miljoen EUR per jaar” 61 heeft LIFE geleid tot: verbeterd behoud en herstel van ongeveer 4,7 miljoen hectare grond, verbeterde waterkwaliteit over een oppervlakte van ongeveer 3 miljoen hectare, gezondere luchtkwaliteit voor ongeveer 12 miljoen mensen, afvalpreventie ter hoogte van ongeveer 300 000 ton en recycling van nog eens 1 miljoen ton, en 1,13 miljoen ton CO2-emissievermindering per jaar 62 .
Voorbeeld van EU-meerwaarde
Het LIFE-programma dient als platform voor de uitwisseling van beste praktijken en het delen van kennis, zodat actoren uit de gehele EU kunnen leren van elkaars ervaringen. Meer dan 25% van de resultaten van natuurbehoudmaatregelen van LIFE+ werden gedeeld met en gerepliceerd in andere EU-lidstaten.
Een voorbeeld van dit succesvolle delen van kennis is het Elia-project, waarmee wordt beoogd om groene corridors tot stand te brengen voor biodiversiteit onder hoogspanningslijnen in bossen en tegelijkertijd de jaarlijkse onderhoudskosten voor de exploitanten van elektriciteitstransmissiesystemen te verminderen. Dankzij dit project zijn 155 km (775 ha) in België en 31 km (155 ha) in Frankrijk hersteld. Bij het langetermijnbeheer van de natuurbehoudmaatregelen in beide landen waren 732 belanghebbenden uit 28 belangengroepen betrokken. De kosten-batenanalyse liet zien dat de jaarlijkse onderhoudskosten met een factor 2,5-5 werden verlaagd, met een rendement op de initiële investering na slechts 3-9 jaar.
De exploitant in België zal deze aanpak na het aflopen van de termijn voor dit LIFE-project naar verwachting toepassen op nog eens 600 km aan hoogspanningslijnen, voor eigen rekening, in de hoop om jaarlijkse kostenbesparingen ten bedrag van circa 1 miljoen EUR te realiseren.
De in het kader van dit project uitgevoerde maatregelen zijn van toepassing op meer dan 75 000 km verspreid over de EU.
Inclusieve groei
De combinatie van rechtstreekse betalingen en marktmaatregelen heeft geholpen om het verlies van banen en output te beperken. 63 In 2014 herstelde de werkgelegenheid in rurale gebieden tot 63,3%. Dit was belangrijk voor de 11 miljoen landbouwbedrijven van de EU, hun 22 miljoen reguliere werknemers en iedereen daaromheen – zoals 22 miljoen personen in de voedselverwerking, plus anderen in eerdere of latere schakels van de voedselvoorzieningsketen (samen een sector met bijna 44 miljoen banen). Ook bevorderde het GLB een evenwichtige territoriale ontwikkeling in de EU door middel van plattelandsontwikkelingsmaatregelen, waarmee in de periode 2007-2013 bijna 53 000 acties werden ondersteund om basisdiensten in rurale gebieden (zoals vervoer, elektriciteit, steun aan huishoudens) te verbeteren.
Voor het EVF werd in een recente studie 64 geschat dat door de plaatselijke actiegroepen visserij (Fisheries local action groups, FLAG’s) ten minste 7 300 banen zijn gecreëerd 65 , terwijl met steun uit het EVF nog eens 12 500 banen werden behouden, tegen geschatte kosten van 32 000 EUR per baan, en meer dan 200 nieuwe ondernemingen.
Volgens de in 2015 afgeronde evaluatie 66 zijn de maatregelen van de duurzamevisserijovereenkomsten doeltreffend wat de economische voordelen voor de vloten van de EU en derde landen betreft. De partnerschapsovereenkomst inzake visserij ondersteunden de werkgelegenheid van 2 500 EU-burgers op EU-schepen in veel kustregio's in de EU, met de hoogste aantallen in de Spaanse regio's Andalusië, Galicië, Baskenland en de Canarische Eilanden, Letland, Litouwen, de Franse regio's Bretagne en Réunion en de Poolse regio Pomorskie. Geconstateerd werd echter dat het scheppen van aan de partnerschapsovereenkomsten gerelateerde banen in regio's als Andalusië en de Canarische Eilanden over de evaluatieperiode (2007-2013) negatief werd beïnvloed door de afnemende visserijmogelijkheden in het kader van voor meerdere soorten geldende overeenkomsten in West-Afrika.
1.6 Veiligheid en burgerschap (rubriek 3 van de begroting)
In rubriek 3 van de EU-begroting is een reeks van programma's samengebracht (2,5 miljard EUR, ofwel 1,6% van de totale EU-begroting voor 2015) die bedoeld zijn om het aangaan van dringende politieke uitdagingen te ondersteunen, zoals veiligheid, asiel, migratie en integratie, gezondheid, consumentenbescherming, cultuur en dialoog met burgers. De financiering is gericht op projecten die significante efficiencywinsten binnen EU-samenwerkingsverbanden genereren.
Diagram 6: Links: Belangrijkste programma's die in 2015 zijn gefinancierd onder rubriek 3 / Rechts: Aandeel voor rubriek 3 in de totale begroting van 2015. Alle cijfers in miljoen EUR.
Dit deel van de begroting kwam dit jaar onder druk te staan als gevolg van de vluchtelingencrisis. Agentschappen als Frontex, het EASO en Europol werden versterkt door een verdriedubbeling van het initiële bedrag dat was toegewezen aan de operaties “Triton” en “Poseidon” in de Middellandse Zee en de verstrekking van aanvullende steun voor het opzetten van hotspots. Noodmaatregelen in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF) zijn fors versterkt (met 130 miljoen EUR) om de in de frontlinie liggende lidstaten Griekenland en Italië te helpen. Voorts werd 25 miljoen EUR uitgetrokken voor de financiering van hervestigingsprogramma's.
Prioriteiten van de Commissie:
De programma's in rubriek 3 dragen voornamelijk bij tot de verwezenlijking van de prioriteiten “Justitie en grondrechten” en “Migratie” van de Commissie-Juncker. Ondanks de kleine begroting voor deze programma's hebben zij bijgedragen tot het bereiken van de resultaten van de Europa 2020-strategie. Zo droegen de acties in het kader van de gezondheidsprogrammafondsen voor het bevorderen van gezond ouder worden (een voorafgaande voorwaarde voor slimme groei) en het bestrijden van ongelijkheden op het gebied van gezondheid (een belangrijk bestanddeel van inclusieve groei) en het Fonds voor asiel, migratie en integratie 67 bij tot inclusieve groei via de financiering van projecten voor de integratie van onderdanen uit landen buiten de EU.
1.6.1 Uitvoering van programma's in het MFK 2014-2020
Op het gebied van veiligheid, asiel, migratie en integratie zijn lidstaten begonnen met de tenuitvoerlegging van door het AMIF en het ISF gesteunde maatregelen, zoals vastgelegd in hun nationale programma's. Beide fondsen zijn belangrijke financieringsbronnen voor het beheren van de vluchtelingencrisis en worden doorgaans uitgevoerd onder gedeeld beheer.
In 2015 is aanzienlijke vooruitgang geboekt in de opstartfase. Alle 54 meerjarige nationale programma's van de lidstaten, waarin wordt beschreven hoe de lidstaten van plan zijn de doelen van de fondsen te verwezenlijken, werden vastgesteld. De overige vier programma's van het ISF voor met Schengen geassocieerde landen zullen worden goedgekeurd na het sluiten van de bilaterale overeenkomsten met deze landen. Het proces van aanwijzing van een voor het beheer van de fondsen verantwoordelijke instantie, een voorwaarde voor de uitbetaling van gelden, ligt eveneens op koers. Eind 2015 moeten slechts vier lidstaten nog een verantwoordelijke instantie aanwijzen.
Na deze stappen zijn in 2015 de werkzaamheden om de praktische uitvoering van de fondsen te monitoren van start gegaan. In maart 2016 hebben lidstaten hun eerste uitvoeringsverslagen ingediend. Ondanks de late goedkeuring van de rechtsgrondslagen van het AMIF en het ISF en tegen de achtergrond van de vluchtelingencrisis en recente gebeurtenissen met gevaar voor de veiligheid, hebben lidstaten vooruitgang geboekt met de tenuitvoerlegging van hun nationale programma's. Hoewel de tenuitvoerlegging in de eerste twee jaar traag op gang is gekomen (circa 19% van de totale vastgelegde financiering voor 2014-2015), zal de uitvoering in 2016 naar verwachting in een stroomversnelling komen.
De in 2015 gefinancierde werkzaamheden onder rechtstreeks beheer werden beïnvloed door de vaststelling van aanvullende noodbijstandsmaatregelen. De beschikbare begroting voor subsidies verdriedubbelde van 77,41 miljoen EUR in 2014 tot 261,94 miljoen EUR in 2015, en in 2015 werden 38 noodbijstandsubsidies (ter waarde van in totaal 163 miljoen EUR) 68 verleend aan de lidstaten die de grootste problemen ondervonden van de instroom van asielzoekers. De subsidies waren bedoeld voor het vervullen van basisbehoeften van asielzoekers, zoals huisvesting en gezondheidsdiensten, en voor de financiering van het personeel dat nodig was voor screening en vertolking.
Op het gebied van gezondheid en voedselveiligheid is in 2015 het jaarlijkse Gezondheidswerkprogramma uitgevoerd als gepland. In totaal zijn 103 voorstellen ingediend, waarvan er 38 zullen worden gefinancierd (succespercentage van 36%). Deze omvatten acht gezamenlijke acties met lidstaten en dertig subsidies. Om het mogelijk te maken om acties ten behoeve van de gezondheid van vluchtelingen te financieren, werd het werkprogramma in oktober 2015 gewijzigd. 7,2 miljoen EUR werd toegewezen aan vier projecten plus één rechtstreekse subsidie aan het Bureau voor internationale migratie om de lidstaten die te maken hebben met zware migratiedruk te ondersteunen bij het geven van een respons op gezondheidsgerelateerde uitdagingen, en in het bijzonder voor het testen van een register van persoonlijke gezondheidsgegevens om de medische geschiedenis van migranten te reconstrueren en hun behoeften op dit gebied te beoordelen.
Alle werkprogramma's op het gebied van levensmiddelen en diervoeders zijn in 2015 uitgevoerd zoals gepland, wat heeft geleid tot een hoger gezondheidsniveau voor mensen, dieren en planten in de hele voedselketen. In 2015 zijn 137 door de EU medegefinancierde diergeneeskundige programma's ten uitvoer gelegd met een totale begroting van 163 miljoen EUR, die waren gericht op aandoeningen die dieren en soms mensen treffen (zoönoses). In 2015 is het aantal gevallen van salmonellose and brucellose bij mensen opnieuw afgenomen. Voor het eerst waren er 17 door de EU medegefinancierde nationale programma's voor fytosanitair onderzoek met een totale begroting van 7,5 miljoen EUR, waarmee uitbraken van plagen vroegtijdig konden worden opgespoord en uitgeroeid. Tegelijkertijd zijn er epidemieën bij dieren en planten voorkomen en is een aantal epidemiologische situaties met succes aangepakt met noodmaatregelen waardoor de EU haar producten kon blijven uitvoeren. Dankzij EU-financiering van 16 miljoen EUR voor de 43 referentielaboratoria in de EU in 2015 kon EU-wetgeving beter ten uitvoer worden gelegd doordat wettelijke grenzen werden gehandhaafd en de noodzaak van herhaalde proeven is teruggedrongen.
In het kader van het programma “Betere opleiding voor veiliger voedsel” ontvingen in 2015 meer dan 7 000 medewerkers van voedselveiligheidscontroleautoriteiten opleidingen. De opgeleide medewerkers gaven op een schaal van 1 tot 10 gemiddeld een 8,4 voor hun kennisverbetering.
Op het gebied van consumentenbescherming ligt de uitvoering van het Consumentenprogramma 2014-2020 goed op koers om de meerjarige doelstellingen ervan te verwezenlijken. De meeste indicatorwaarden die in dit verband voor 2014 en 2015 werden verwacht zijn behaald 69 . De gefinancierde acties betreffen gebieden waar consumentenbescherming niet voldoende kan worden gerealiseerd door de lidstaten alleen, zoals de activiteiten van Europese consumentencentra, die informatie, gratis advies en bijstand verstrekken met betrekking tot grensoverschrijdend winkelen in de EU. In 2015 zijn dertig subsidies verleend als cofinanciering voor de werkzaamheden van deze centra 70 .
Op het gebied van cultuur is het programma Creatief Europa ter ondersteuning van de culturele en creatieve sectoren volgens plan uitgevoerd. Ondersteunde acties zijn onder meer grensoverschrijdende projecten met culturele en audiovisuele actoren uit 38 landen (de vraag was hoger dan in 2014), en initiatieven zoals de bekende culturele hoofdsteden van Europa. De algemene doelstellingen van het programma worden voortgezet, namelijk de bescherming van de culturele en taalkundige diversiteit van Europa en versterking van het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren in Europa.
Het programma Europa voor de burger ligt op koers om zijn doelstellingen te verwezenlijken. De belangstelling voor het programma was in 2015 hoog, met een toenemend aantal aanvragen die meedongen naar financiering uit een relatief bescheiden begroting. Uit de 2 791 ontvangen aanvragen werden 408 projecten geselecteerd (succespercentage van 14,6%).
Een op wederzijds vertrouwen gebaseerde ruimte van recht en grondrechten
Gedurende 2015 bleef de EU haar beleid inzake justitie, grondrechten en burgerschap verder ontwikkelen. Dit beleid is gebaseerd op de EU-kernwaarden democratie, vrijheid, tolerantie en de rechtsstaat. EU-burgers moeten er volledig op kunnen vertrouwen dat waar ook in Europa zij zich bevinden, hun vrijheid en veiligheid goed worden beschermd.
In april presenteerde de Commissie een Europese veiligheidsagenda. De agenda concentreert zich op gebieden waar de EU een verschil kan maken, zoals betere informatie-uitwisseling en intensievere politiële en justitiële samenwerking.
Na de terroristische aanslagen in Parijs in januari en november 2015 en in Kopenhagen in februari 2015 besloten de lidstaten samen te werken om het terrorisme te verslaan. Daartoe zetten zij stappen om radicalisering tegen te gaan, terrorismefinanciering af te snijden en de onderlinge samenwerking en die tussen de rechtshandhavingsinstantie van de EU, Europol, en haar agentschap voor justitiële samenwerking, Eurojust, te verbeteren.
Op het gebied van justitie deed de Commissie haar toezegging gestand om de hervorming van de EU-gegevensbeschermingsregels te voltooien, waardoor persoonsgegevens van burgers beter worden beschermd. Ook boekte de Commissie vooruitgang bij de oprichting van een Europees openbaar ministerie, dat EU-fraude die de financiële belangen van de EU schaadt zal onderzoeken en vervolgen.
De Commissie rondde de onderhandelingen over een overkoepelende gegevensbeschermingsovereenkomst tussen de EU en de VS af. De overeenkomst zal zorgen voor de bescherming van persoonsgegevens die worden doorgegeven tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten, waaronder terrorisme. Ook zal de overeenkomst EU-burgers in staat stellen gebruik te maken van de mogelijkheid om in de Verenigde Staten volgens Amerikaans recht verhaal te halen bij de rechter.
1.6.2 Resultaten van programma's in het MFK 2007-2013
Op het gebied van veiligheid, asiel, migratie en integratie lopen de evaluaties achteraf van de voorlopers van het AMIF en het ISF nog, en daar zal volgend jaar verslag van worden gedaan. Voor enkele kernprestatie-indicatoren zijn echter gegevens beschikbaar.
In de eerste plaats was het aantal personen dat in de periode van 2011 tot medio 2015 re-integratiebijstand ontving uit de voorloper van het AMIF sterk gestegen ten opzichte van de vorige rapportageperiode, die de jaren 2008-2010 bestreek, zoals hieronder te zien is. Terwijl in de periode 2008-2010 elk jaar gemiddeld 2 500 personen bijstand ontvingen, lag dat aantal in de periode 2011-2015 elk jaar gemiddeld op meer dan 10 000 personen.
Bovendien kwamen gegevens beschikbaar over het aantal consulaten – van de 2 000 consulaire posten die Schengen-visa afgeven – die in de periode van 2011 tot medio 2015 werden uitgerust/beveiligd of versterkt met steun uit het voorloperfonds van het ISF (het buitengrenzenfonds) om visumaanvragen te verwerken en visumaanvragers te bedienen:
1 365 consulaten in verband met het VIS;
184 gebouwde of gerenoveerde consulaten;
116 consulaten uitgerust met beveiligingsversterkende apparatuur;
1 349 consulaten uitgerust met operationele apparatuur voor de verwerking van Schengen-visa.
Over het geheel genomen liet de voorlopige informatie van de evaluaties achteraf van het gebruik van het buitengrenzenfonds zien dat de meeste investeringen betrekking hadden op IT-systemen (meer dan 40% van de uitgaven), terwijl de bijdrage van het fonds aan het grensbeheer evenredig lager was. Deze IT-systemen zijn vaak gericht op prioritaire gebieden om nieuwe EU-initiatieven te ondersteunen die op het niveau van de lidstaten moeten worden toegepast en waarvoor het fonds in een cofinanciering van 75% voorzag in plaats van 50%.
Op het gebied van gezondheid, voedselbescherming en dialoog met burgers kwamen in 2015 twee ex-postevaluaties 71 beschikbaar, waarin werd beoordeeld of het in het kader van het MFK 2007-2013 gefinancierde tweede Gezondheidsprogramma en het programma Europa voor de burger hun doelstellingen hadden verwezenlijkt. In beide evaluaties werd erop gewezen dat de beperkte beschikbare financiering (Gezondheidsprogramma – 294 miljoen EUR, en het programma Europa voor de burger – 215 miljoen EUR voor een periode van zeven jaar) voor projecten die een reeks van doelstellingen en prioriteiten beslaan onvoldoende kritieke massa had om algemene Europese trends op het gebied van gezondheid of de percepties van burgers van de EU te beïnvloeden. Om hun impact te maximaliseren financierden beide programma's gerichte maatregelen met een hoge toegevoegde EU-waarde en genereerden zij hefboomeffecten.
In de ex-postevaluatie van het Gezondheidsprogramma werd vastgesteld dat de 788 gefinancierde acties terecht gefocust waren op gebieden met een hoge relevantie voor lidstaten en belanghebbenden bij programma's, in overeenstemming met de prioriteiten van het EU-gezondheidsbeleid en de Europa 2020-prioriteiten voor slimme en inclusieve groei. In de evaluaties werden individuele acties en output beoordeeld en werd geconcludeerd dat deze een aantal waardevolle outputs hadden opgeleverd die waarde toevoegden op EU-niveau omdat beste praktijken werden uitgewisseld tussen lidstaten en de samenwerking werd verbeterd door gezamenlijke acties. Het gezondheidsprogramma genereerde nuttige kennis en bewijs, die als basis dienden voor geïnformeerde besluitvorming en verder onderzoek naar belangrijke gezondheidsaangelegenheden. Zo werd steun verleend voor de verzameling van vergelijkbare gegevens in de Unie, die bijna alle lidstaten bestreek en informatie voor beleidsvormingsdoeleinden opleverde. Een goede illustratie van toegevoegde EU-waarde is cofinanciering door het Gezondheidsprogramma van het Orphanet-portaal over zeldzame ziekten, dat de versnipperde hulpbronnen bijeenbrengt op EU-niveau.
Voorbeeld van EU-meerwaarde
Circa 30-35 miljoen EU-burgers leven met een zeldzame ziekte. Vanwege het beperkte aantal patiënten per ziekte per land is de kennis schaars en ongelijk verdeeld over Europa. Het Orphanet-portaal bevat een encyclopedie van zeldzame ziekten, geschreven door deskundigen en onderworpen aan intercollegiale toetsing, en een adressenbestand van diensten met informatie over gespecialiseerde poliklinieken, diagnoselaboratoria en steungroepen in Europa. De databank geeft informatie over ongeveer 6 000 ziekten en is gratis toegankelijk. Het portaal is succesvol en de jaarlijkse downloadcijfers zijn gestaag gestegen van 37 000 in 2010 tot 414 000 in 2015, met momenteel meer dan 41 000 bezoekers van de website per dag. Van de bezoekers bestaat circa 47% uit beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg, 26% uit patiënten en 17% uit studenten. Dit enige knooppunt op EU-niveau creëert efficiënties omdat beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg overal in Europa hun kennis van deze ziekten kunnen verbeteren, onderzoekers en academici nieuwe behandelingen en therapieën kunnen ontwikkelen en patiënten betrouwbare, actuele informatie kunnen vinden.
Ten aanzien van het programmabeheer werd in de evaluatie achteraf van het Gezondheidsprogramma geconcludeerd dat de uitvoering en het programmabeheer waren verbeterd op basis van de aanbevelingen van eerdere evaluaties. Hoewel de oprichting van een speciale databank leidde tot een verbetering van het toezicht op de acties van het programma, bracht de evaluatie zwakke punten aan het licht in de monitoring van de resultaten van de gefinancierde acties en de analyses daarvan, die een beperkende factor voor de beoordeling van de totale programmaprestaties vormden. De verspreiding van de outputs van acties liep uiteen, en er wordt derhalve niet systematisch gewaarborgd dat belangrijke belanghebbenden worden bereikt of dat outputs kunnen worden toegepast en vertaald in resultaten en tastbare effecten. Er is een actieplan vastgesteld dat maatregelen omvat om de monitoring te verbeteren, een interactieve databank met resultaten op te zetten en een communicatie- en verspreidingsstrategie te ontwerpen. Het plan wordt uitgevoerd door de Commissie en het uitvoerend agentschap CHAFEA.
Om de effecten van individuele projecten te maximaliseren is het programma Europa voor de burger zich geleidelijk minder gaan richten op de financiering van kleinere stedenbandprojecten waarbij expertise wordt uitgewisseld over uiteenlopende onderwerpen als jeugd, cultuur en toerisme, en meer op de financiering van grotere en meer gestructureerde projecten waarbij een groter aantal steden en burgers zijn betrokken en die imminente uitdagingen als de integratie van migranten en milieuproblemen aanpakken. Hoewel de langetermijneffecten van het programma moeilijk te meten zijn, bereikte het programma met behulp van een aanpak van onderop een groot aantal burgers, van wie er velen voor het eerst aan het programma deelnamen. Het programma had circa 7 miljoen rechtstreekse deelnemers, bereikte bijna 25 000 steden en burgers en creëerde 350 netwerken van steden en burgers. 4 250 organisaties van het maatschappelijk middenveld werden gemobiliseerd om tegemoet te komen aan de zorgen van burgers en meer dan 500 organisaties waren betrokken bij herinneringsactiviteiten vis-à-vis burgers.
1.7 Europa als wereldspeler (rubriek 4 van de begroting)
Van de vastleggingskredieten is aanvankelijk 72 8,7 miljard EUR toegewezen aan de programma's in rubriek 4, wat neerkomt op 5,4% van de totale EU-begroting voor 2015.
Rubriek 4 van het financieel kader beslaat al het externe optreden door de Commissie, zoals ontwikkelings- en humanitaire hulp en pretoetredingssteun, of acties die bijdragen aan stabiliteit en vrede. Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) wordt niet gefinancierd uit de EU-begroting, maar uit rechtstreekse bijdragen van de EU-lidstaten.
In 2015 had een van de acties in rubriek 4 betrekking op de vluchtelingen. In het bijzonder werd een “Syrië Trustfonds” opgericht om de middelen uit de begroting van de EU en die van de lidstaten samen te brengen. In 2015 werd vanuit de EU-begroting bijna 570 miljoen EUR in dit trustfonds geïnvesteerd. Bovendien richtte de EU een Trustfonds voor Afrika op om de onderliggende oorzaken van de economische migratie aan te pakken. Ook dit fonds wordt gefinancierd uit het EOF.
Prioriteiten van de Commissie:
De programma's in rubriek 4 dragen bij tot de verwezenlijking van de prioriteit “De EU als wereldspeler” van de Commissie-Juncker en tot de respons op de vluchtelingencrisis. Tevens bieden zij in het bijzonder ondersteuning voor de externe dimensie van andere prioriteiten van de Commissie-Juncker, zoals “Een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering”, “Werkgelegenheid, groei en investeringen” en “Een op wederzijds vertrouwen gebaseerde ruimte van recht en grondrechten” waarbij het zwaartepunt op veiligheid ligt.
Diagram 7: Links: Belangrijkste programma's die in 2015 zijn gefinancierd onder rubriek 4. Onder “Overige” vallen onder meer Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede), Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) / Rechts: Aandeel voor rubriek 4 in de totale begroting van 2015. Alle cijfers in miljoen EUR.
Een groot deel van de financiering in het kader van rubriek 4 wordt beheerd en uitgevoerd door derden, zoals VN-agentschappen, terwijl de rest (voornamelijk subsidies) rechtstreeks wordt beheerd door de Commissie of indirect door begunstigde landen of door middel van gedeeld beheer.
1.7.1 Uitvoering van programma's in het MFK 2014-2020
De tenuitvoerlegging van alle programma's ligt op schema.
In 2015 bleef de Europese Commissie substantieel bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen betreffende het voorkomen, beheren en oplossen van conflicten en het bouwen aan vrede in de wereld. De Commissie speelde een leidende rol bij de internationale respons op alle grote humanitaire crises, zowel als gevolg van natuurrampen als bij door de mens veroorzaakte crises. Zo verleende de Commissie steun aan landen die waren getroffen door de ebola-epidemie (885 miljoen EUR 73 ). Aanvullende begrotingssteun werd betaald aan Liberia (31 miljoen EUR) en Sierra-Leone (43 miljoen EUR) om de economische effecten van de epidemie te verzachten en de landen te voorzien van waardevolle middelen om de staatsbegroting te stabiliseren, bijvoorbeeld om lonen en andere terugkerende kosten te kunnen betalen. In het kader van het AWARE-initiatief 74 werd een aantal strategische projecten geïnitieerd waarin humanitaire hulp en ontwikkeling aan elkaar zijn gekoppeld, bv. om gezondheidszorgstelsels te versterken, middelen van levensonderhoud veerkrachtiger te maken in Guinee of toegang tot water te realiseren voor scholen in Liberia. Ook werden de eerste herstelprogramma's in gang gezet in Guinea (gezondheid) en Liberia (onderwijs en energie). Eind 2015 waren alle drie de getroffen landen op weg om Ebola-vrij te worden verklaard.
Na de terroristische aanslagen in Tunesië in 2015 heeft de EU snel gereageerd met maatregelen voor hervormingen van de Tunesische beveiligingssector. De EU heeft ook maatregelen getroffen voor behoud van de economische stabiliteit op korte en middellange termijn in het land en ter ondersteuning van het toerisme, een centrale pijler van de economie in het land die door de aanslagen een flinke klap had gekregen.
In 2015 is de EU ook steun blijven verlenen aan Oekraïne. In april 2015 werd overeenstemming bereikt over nieuwe macrofinanciële bijstand (MFB) van maximaal 1,8 miljard EUR om de externe financieringsbehoeften van het land te verlichten. In juni 2015 werd de eerste tranche van 600 miljoen EUR uitbetaald. De overige 1,2 miljard euro zal naar verwachting in de loop van 2016 beschikbaar worden gesteld in twee even grote tranches van 600 miljoen EUR, afhankelijk van de succesvolle tenuitvoerlegging van het economisch beleid en de financiële voorwaarden die met Oekraïne zijn overeengekomen en aanhoudend bevredigende resultaten bij de uitvoering van het programma van het Internationaal Monetair Fonds. Voorts betaalde de Commissie in april 2015 de laatste tranche van 250 miljoen EUR aan leningen uit van de eerste MFB-operatie die sinds de aanvang van de crisis in Oekraïne is uitgevoerd.
Daarnaast heeft de lopende tenuitvoerlegging van de in 2014 goedgekeurde overeenkomst voor staatsopbouw van 355 miljoen EUR in Oekraïne een cruciale rol gespeeld bij de politieke en publieke aanzwengeling van de nationale hervormingsprocessen op het gebied van corruptiebestrijding, beheer van openbare financiën en verkiezingswetgeving. Dankzij het programma in het kader van de overeenkomst voor staatsopbouw is een actieve dialoog opgezet met Oekraïense tegenpartijen, waarmee specifieke resultaten zijn geboekt zoals de oprichting van het bureau voor corruptiebestrijding en de goedkeuring van belangrijke wetgeving die strookt met Europese normen inzake corruptiebestrijding, aanbestedingen, het ambtelijk apparaat, toegang tot informatie en transparantie van de financiering van politieke partijen. In dit verband zij er tevens op gewezen dat de regering zich bereid heeft getoond de vooruitgang van het hervormingsproces nauwlettend te laten volgen door maatschappelijke organisaties.
Ook werd rechtstreekse bijstand en financiële steun verleend aan de Oekraïense bevolking die is getroffen door het lopende conflict: de Commissie heeft sinds het begin van de crisis in 2014 meer dan 63,3 miljoen EUR aan humanitaire hulp gefinancierd. 75 De in 2015 uitgevoerde projecten hebben ruim 800 000 Oekraïners rechtstreeks geholpen. Het is belangrijk om op te merken dat de focus op de meest kwetsbaren ligt: kinderen, ouderen, eenoudergezinnen enz. Ongeveer 55% van de humanitaire hulp van de Commissie is gericht op behoeftigen in niet door de regering gecontroleerde gebieden. De humanitaire hulp van de EU gaat ook naar binnenlands ontheemde personen en naar vluchtelingen die uit de conflictgebieden zijn gevlucht, evenals naar terugkerende personen. De steun voorzag in bijstand in contanten, voedsel en onderdak, hygiënemaatregelen en sanitaire voorzieningen. Zo heeft de Internationale Organisatie voor migratie, met steun van de Commissie en met bijdragen van Duitsland en Noorwegen, geldoverboekingen verricht ten gunste van 16 000 kwetsbare personen, in het bijzonder vrouwen, zodat deze dringend noodzakelijke kleding en andere artikelen konden aanschaffen 76 .
Gedurende het jaar 2015 intensiveerde de EU haar inspanningen om de door de voortslepende oorlog getroffen Syrische bevolking te helpen. Als een van de voornaamste donoren van het Strategisch Responsplan (SRP) 2015 77 droeg de Commissie bij aan de ondersteuning van 12 miljoen begunstigden met gezondheidsbijstand (waaronder algemene gezondheidszorg-, reproductieve gezondheidszorg- en revalidatiediensten), 5 miljoen begunstigden met beschermingsdiensten, 8 miljoen begunstigden met water-, sanitaire en hygiënediensten 78 en meer dan 6 miljoen kwetsbare binnenlands ontheemden met onderdak en non-foodartikelen.
1.7.2 Resultaten van de programma's in 2007-2013
De bijdrage van de EU aan de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelen
2015 was het doeljaar voor de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelen (MOD). In algemene zin hebben de MOD geholpen om overal ter wereld ontwikkeling een stap verder te brengen. Als belangrijke verstrekkers van financiële bijdragen aan de MOD hebben de EU en haar lidstaten 79 een grote rol gespeeld bij het tot stand brengen van deze vooruitgang 80 .
Sinds 1990 is meer dan een miljard mensen uit extreme armoede getild. De millenniumdoelstelling om het percentage mensen dat in extreme armoede leeft en honger lijdt te halveren, is zelfs eerder dan gepland gehaald. Toch is een wereld zonder armoede en honger nog ver weg. In de periode 2007-2013 verstrekte de EU 1 miljard EUR per jaar voor voedselzekerheid. Zo droeg de EU bij aan het Trustfonds voor voedselzekerheid (LIFT), dat kleine boeren en arme landlozen op het platteland in Myanmar helpt om landbouw te gebruiken als veiligheidsnet met het oog op een grotere voedselzekerheid en een betere voeding. In het kader van het LIFT-initiatief werden 576 000 huishoudens ondersteund: 249 000 personen namen deel aan vaardigheidstrainingen, 290 000 huishoudens vergrootten hun voedselzekerheid met meer dan een maand en 60 000 huishoudens maakten melding van hogere inkomens 81 .
Ook hebben meer kinderen de kans gekregen om naar school te gaan. In deze context steunt de EU overheden in meer dan veertig landen bij het aanbieden van kwalitatief goede onderwijs- en leermogelijkheden, waaraan in de periode 2007-2013 in totaal 4,4 miljard EUR werd besteed. Zo investeerde de EU in de periode 2007-2013 85 miljoen EUR in Somalië. Dit hielp om het aantal kinderen dat basisonderwijs volgt te verhogen van 22% in 2004 tot 45% in 2012. Opgemerkt dient echter te worden dat wereldwijd nog steeds 57 miljoen kinderen in de basisonderwijsleeftijd niet naar school gaan. De verstrekking van kwalitatief goed en consistent onderwijs aan alle kinderen en jongeren blijft een uitdaging, en om dit te bereiken zijn meer inspanningen nodig. Op het gebied van secundair en tertiair onderwijs heeft de EU sinds 2007 ruim 40 500 studiebeurzen verstrekt aan studenten uit ontwikkelingslanden, waarvan circa 40% aan jonge vrouwen. Daarnaast heeft de EU sinds 2004 geholpen om 300 000 extra vrouwelijke studenten te laten instromen in secundair onderwijs.
Ook heeft de EU nauw samengewerkt met begunstigde landen en andere ontwikkelingspartners bij het aanpakken van zwakke punten in gezondheidszorgstelsels en heeft zij de gezondheidssectoren van 39 ontwikkelingslanden ondersteund. Dankzij EU-steun op landenniveau werden in de periode 2004-2014 ten minste 20 miljoen kinderen gevaccineerd tegen mazelen. Bovendien hielp de EU in de periode 2004-2012 bij het bouwen of renoveren van meer dan 8 500 gezondheidsfaciliteiten wereldwijd.
Gedurende die periode heeft de EU ook ondersteuning geboden voor verbeterde gezondheidszorg voor moeder en kind, wat heeft geleid tot een daling van de moedersterfte en het sterftecijfer van kinderen onder de vijf jaar. De resultaten tussen landen en regio's en vooral tussen landelijke en stedelijke gebieden lopen echter zeer uiteen. Er kunnen weliswaar aanzienlijke verbeteringen worden vastgesteld voor bepaalde aspecten van de gezondheid van moeder en kind, bijvoorbeeld de basispercentages van immunisering, maar voor een groot aantal andere indicatoren verloopt het proces veel trager, zoals het percentage veilige bevallingen, het gebruik van moderne gezinsplanning en kindervoeding. Wanneer we naar de regionale verdeling kijken, blijkt dat de situatie in Azië en Noord-Afrika aanzienlijk is verbeterd, maar dat dit in het Afrika ten zuiden van de Sahara veel minder het geval is.
Een voorbeeld van de bijdrage van de EU aan de verwezenlijking van de MOD is de EU-waterfaciliteit voor Oeganda 82 , die de toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen voor achtergestelde bevolkingsgroepen helpt verbeteren en bijdraagt tot een duurzamere watergovernance en duurzamer waterbeheer. Tot dusver zijn 17 projecten uitgevoerd, met een totale waarde van 39,4 miljoen EUR. Sinds de aanvang van het project in mei 2011 hebben 100 913 meer personen toegang tot veilig water en 231 049 meer personen toegang tot inclusieve educatie op sanitair en hygiënegebied. Nog een voorbeeld is Bolivia, waar belangrijke vooruitgang is geboekt met de toegang tot water en verbeterde voeding, ook dankzij de sectorale begrotingssteun van de EU 83 , waarmee bijna 1,2 miljoen mensen toegang hebben gekregen tot schoon water. Dat komt neer op een gemiddelde van bijna 200 000 mensen per jaar tussen 2006 en 2013 84 .
Evaluatieresultaten van de programma's voor 2007-2013 85
In 2015 is een aantal beoordelingen en evaluaties van de programma's in 2007-2013 afgerond. De gegevens bevestigen dat de EU-maatregelen efficiënt en effectief waren, dat EU-steun doorgaans wordt versterkt wanneer deze gepaard gaat met sterke lokale verantwoordelijkheid voor hervormingen en dat steun meer effect sorteert wanneer deze kan meebuigen met veranderingen op lokaal niveau en diverse steunprocedures worden ingezet. 86 Een van de belangrijkste resultaten van het gebruik van begrotingsondersteuning voor landen met een laag inkomen is dat de macro-economische stabiliteit er een impuls mee krijgt en dat er vaak, maar niet altijd, bescherming en versterking mee kan worden geboden aan maatschappelijke dienstverlening, wat als katalysator werkt voor de verwezenlijking van sociale voordelen. In de meeste gevallen kan de impact van EU-maatregelen echter niet precies worden gemeten omdat de eindresultaten door een groot aantal factoren wordt beïnvloed.
Twee thematische evaluaties waren dit jaar van bijzonder belang. Uit de algehele beoordeling van EU-steun op het gebied van milieu en klimaatverandering blijkt dat het leiderschap en de acties van de EU relevant en samenhangend waren op nationaal, regionaal en mondiaal niveau. 87 Milieu- en klimaataspecten zijn geïntegreerd in het EU-beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, met name op het gebied van infrastructuur, landbouw en plattelandsontwikkeling. De grotere samenhang en samenwerking werden gezien als een duidelijke meerwaarde van EU-steun. Volgens de evaluatie was de schaal van de steun echter onvoldoende geweest om te leiden tot een omkering van negatieve milieu- en klimaatveranderingstrends.
Minder bevredigende resultaten werden vastgesteld in de evaluatie van de EU-steun voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen (GEWE) in partnerlanden. 88 Volgens de evaluatoren waren er enkele belangrijke en inspirerende resultaten op dit gebied geboekt, maar waren deze fragmentarisch en slecht gedocumenteerd. Zo hadden de meeste EU-delegaties geen geïntegreerde drieledige aanpak vastgesteld om gendermainstreaming en genderspecifieke acties effectief te combineren met een politieke en beleidsdialoog. Voorts ontbrak het aan leiderschap op hoog niveau, institutionele stimulansen en prioritisatie van belangrijke doelstellingen in Europese ontwikkelingssamenwerking, waardoor de GEWE-agenda niet in beleid en programma's is geïntegreerd. In de evaluatie werden ook voorbeelden van goede praktijken vastgesteld, zoals in het geval van Marokko, waar de EU-delegatie innovatieve genderprogrammering heeft ingevoerd met sectorale begrotingssteun, gekoppeld aan een beleidsdialoog waarin gender doeltreffend is gemainstreamd.
Positieve resultaten werden gerapporteerd in de evaluatie van het financieel instrument voor civiele bescherming en het communautair mechanisme voor civiele bescherming 2007-2013 89 . De evaluatie liet zien dat de componenten van het mechanisme efficiënt ten uitvoer waren gelegd; in het bijzonder de verstrekking van vervoersbijstand werd gezien als een grote stap voorwaarts en bleek een nuttig, effectief en doelmatig instrument.
Voorbeeld van EU-meerwaarde
In de evaluatie van het communautair mechanisme voor civiele bescherming 2007-2013 werd geconcludeerd dat het programma had gezorgd voor toegevoegde EU-waarde door het versterken van de samenwerking tussen de deelnemende staten, het aanpakken van hiaten in nationale responscapaciteiten en het initiëren van een verschuiving van de focus van het mechanisme naar een meer op preventie gerichte benadering.
Zo heeft de EU zeer snel omvangrijke steun verleend aan de Filipijnen, welk land op 8 november 2013 werd getroffen door tyfoon Haiyan. Nog diezelfde dag werd een eerste team van humanitaire deskundigen ingezet in Manilla. Begin december hadden 26 deelnemende staten meer dan 135 miljoen EUR aan financiële en steun en steun in natura aan de Filipijnen versterkt. De Commissie verstrekte bijna 3,6 miljoen EUR aan cofinanciering voor het vervoer van hulpmateriaal en responsteams van deelnemende staten en 40 miljoen EUR aan humanitaire bijstand en vroegeherstelinterventies.
Met name het zorgen voor de interoperabiliteit van de gespecialiseerde noodresponseenheden (die modules worden genoemd) werd gezien als significante toegevoegde EU-waarde. Alle modules hadden een gemeenschappelijke opleiding / training ontvangen en reeds als team samengewerkt voordat zij werden ingezet.
Conclusies over prestatie en resultaten
Zoals in de paragrafen hierboven is gebleken, heeft de EU-begroting opnieuw een significante bijdrage geleverd aan de verwezenlijking van de politieke prioriteiten van de Commissie-Juncker en de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.
In 2015 lag de focus specifiek op ondersteuning van beleid om het concurrentievermogen en economische convergentie te bevorderen en groei en banen te creëren, evenals op de verstrekking van financiële steun voor de respons op crises, met name de vluchtelingencrisis. Dit vereiste dat de beschikbare flexibiliteit in de begroting ten volle werd benut, evenals de samenvoeging van middelen uit de EU-begroting met andere bronnen van financiering.
Aangezien 2015 pas het tweede jaar van uitvoering is voor de programma's voor de periode 2014-2020, is het nog te vroeg voor definitieve conclusies over de resultaten en effecten van deze programma's. Dat neemt niet weg dat de tot dusver beschikbare gegevens erop duiden dat de uitvoering van de meeste programma's op schema ligt, op enkele uitzonderingen na. Met name in rubriek 1B hebben de cohesiebeleidsprogramma's voor 2014-2020 vertragingen opgelopen doordat er niet op tijd beheersautoriteiten zijn aangewezen (een voorwaarde voor het indienen van verzoeken om tussentijdse betaling). Hierop wordt nader ingegaan in de programmaoverzichten, waarin met ingang van dit jaar voor ieder programma een specifiek gedeelte is opgenomen met informatie over de tenuitvoerlegging.
Momenteel worden de evaluaties van de programma's voor 2007-2013 afgerond. De beschikbare gegevens duiden erop dat deze programma's effectief zijn geweest, in de zin dat zij Europese meerwaarde hebben opgeleverd en hebben bijgedragen aan de Europa 2020-prioriteiten “slimme en duurzame groei” en “inclusieve groei”. De samenvatting van de lessen uit de evaluaties van de voorgaande programma's is nu ook opgenomen in de programmaoverzichten die aan de ontwerpbegroting zijn gehecht.
Bij de prestatiebeoordeling dient voor ogen te worden gehouden dat het prestatiekader wordt omgeven door de juridische en politieke context en een uit meerdere lagen bestaande architectuur van begrotings- en beleidsinstrumenten waarbij veel verschillende actoren op nationaal en supranationaal niveau zijn betrokken. Dit betekent dat prestatie een gedeelde verantwoordelijkheid is: de verantwoordelijkheid voor het behalen van resultaten met de Europa 2020-strategie en het verwezenlijken van de doelstellingen van de financiële kaders wordt in grote mate gedeeld met lidstaten.
Een andere uitdaging met betrekking tot de verslaglegging over resultaten is dat EU-programma's meerjarig zijn en de economische en maatschappelijke effecten ervan pas op langere termijn geregistreerd kunnen worden. Bovendien zijn er inherente beperkingen aan het gebruik van indicatoren voor prestatiemeting. Er zijn beperkingen in de mate waarin prestaties met indicatoren in kaart kunnen worden gebracht. Goede indicatoren zijn gebaseerd op informatie die niet altijd op gezette tijden beschikbaar is. Daarnaast worden de eindresultaten in hoge mate beïnvloed door contextfactoren, en deze factoren kunnen niet uit indicatoren worden weggelaten of worden gecorrigeerd. Uit ervaring is gebleken dat indicatoren bruikbaarder zijn wanneer er kwalitatief goede informatie beschikbaar is voor een redelijk klein aantal eenvoudige kernmaatregelen, dan wanneer er een uitgebreidere lijst met indicatoren met beperkte relevantie wordt toegepast.
Desondanks heeft de Commissie belangrijke stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat relevante informatie over programmaprestaties is opgenomen in de programmaoverzichten bij de ontwerpbegroting. Ook heeft zij haar strategische plannings- en programmeringscyclus hervormd met de invoering van meerjarige strategische plannen. Met de nieuwe benadering zijn de planningdocumenten beter op elkaar afgestemd en vastgeklonken aan de politieke prioriteiten van de Commissie. Deze verbeteringen in de prestatieverslaglegging worden in de toekomst voortgezet, naarmate er meer informatie over de vooruitgang van de huidige generatie financiële programma's beschikbaar komt. Het vergroten van de nadruk op resultaten is een onderdeel van de lopende werkzaamheden van de Commissie voor een "resultaatgerichte EU-begroting".
Deel 2
Beheersresultaten
In deel 2 van dit verslag wordt beschreven hoe de Commissie in 2015 uitvoering heeft gegeven aan het beheer van de EU-begroting. De wijze waarop de EU-begroting wordt beheerd en uitgevoerd draagt in belangrijke mate bij aan het algemene resultaat. Een hoog niveau van financieel beheer is een absolute noodzaak, ongeacht of de begroting rechtstreeks door de Commissie of samen met de lidstaten of andere organen wordt beheerd.
Zoals vastgelegd in artikel 66 van het Financieel Reglement is dit deel een samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen van iedere afdeling van de Commissie 90 . Dit deel laat zien hoe de Commissie ernaar streeft om ten aanzien van financieel beheer en interne controle aan de hoogste normen te voldoen. Het uiteindelijke doel is om het foutenpercentage zo klein mogelijk te houden met een evenredige balans tussen de kosten en baten van controles en het netto-effect van fouten te verkleinen door in voorkomend geval corrigerende maatregelen te nemen.
Middels dit verslag neemt de Commissie de algehele politieke verantwoordelijkheid voor het beheer van de begroting op zich.
2.1 Verwezenlijking van interne-controledoelstellingen
Overeenkomstig de verantwoordelijkheden van de directeuren-generaal als gedelegeerde ordonnateurs, implementeert elke dienst van de Commissie de organisatiestructuur en interne-controlesystemen die het meest geschikt zijn voor het verwezenlijken van haar operationele en beleidsdoelstellingen.
Op organisatieniveau formuleert de Commissie een reeks normen waaraan deze interne-controlesystemen minimaal moeten voldoen. Deze normen zijn gebaseerd op het COSO-kader 91 , dat in 2013 werd herzien. De Commissie is voornemens haar interne-controlekader in 2016 dienovereenkomstig bij te werken. Het doel is om te zorgen voor solide en effectieve interne controles die niet in de weg staan van een flexibele tenuitvoerlegging en niet leidt tot onnodige bureaucratische formaliteiten.
Het beheer van iedere Commissiedienst heeft de effectiviteit van de systemen voor interne controle beoordeeld en de bevindingen van deze beoordeling zijn geëvalueerd. Naar aanleiding van de beoordeling hebben acht Commissiediensten 92 tekortkomingen op specifieke gebieden gerapporteerd naast de maatregelen voor nadere verbetering van effectieve implementatie. Over het geheel genomen hebben alle Commissiediensten 93 geconcludeerd dat de normen voor de interne controle effectief worden geïmplementeerd en functioneren.
De Commissiediensten hebben met name inzake financieel beheer gerapporteerd over de verwezenlijking van de doelstellingen voor interne controle in het Financieel Reglement. 94 Deze documenten worden in de volgende drie delen samengevat.
2.1.1 Beheersing van risico's in verband met wettigheid en regelmatigheid: risicobedrag bij sluiting
Risico's in verband met wettigheid en regelmatigheid zijn grotendeels afhankelijk van twee factoren: de subsidiabiliteitsvoorwaarden en de beheersvorm.
|
Voor de subsidiabiliteit kan onderscheid worden gemaakt tussen uitgavenregelingen waarvoor aan bepaalde voorwaarden moet worden voldaan voordat er wordt betaald, en regelingen op basis van restitutie van de feitelijke kosten die voor subsidiabele activiteiten zijn gemaakt. Kostenrestitutie heeft een hoger risicoprofiel omdat de Commissie de aard van de kosten en de nauwkeurigheid van de kostenberekening moet controleren. Voor een adequate nauwkeurigheid moeten er controles ter plaatse worden uitgevoerd. Deze controles zijn kostbaar en belastend, en kunnen niet vóór iedere betaling worden verricht. De controles zijn gebaseerd op een steekproef van verrichtingen en worden deels uitgevoerd voordat de betaling wordt verricht en ook na betaling in de daaropvolgende begrotingsjaren. |
Voor de beheersvorm wordt onderscheid gemaakt tussen direct beheer door de Commissiediensten en gevallen waarin begrotingsbeheertaken worden toevertrouwd aan lidstaten (gedeeld beheer) of andere organen, zoals gedecentraliseerde EU-agentschappen, internationale organisaties, gemeenschappelijke ondernemingen of landen buiten de EU (indirect beheer). In 2015 hebben de lidstaten en andere organen respectievelijk 77% en 4% van de EU-begroting ten uitvoer gelegd. |
Samenvattend bestaan de voornaamste risico's in verband met de wettigheid en de regelmatigheid erin dat er te hoge kosten worden opgegeven of dat deze niet subsidiabel zijn, en dat de informatie die door lidstaten en verantwoordelijke organen wordt verstrekt, niet voldoende betrouwbaar is. Fouten ontstaan voornamelijk door de volgende twee factoren:
–de complexiteit van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, wat van grote invloed is op de kosteneffectiviteit van de noodzakelijke controles. In sommige gevallen kunnen de kosten van controle onevenredig hoog zijn en/of kan de controlelast de effectiviteit van het programma negatief beïnvloeden. De Commissie is actief bezig met het voorkomen van dergelijke gevallen.
–de betrouwbaarheid van de informatie die de lidstaten en andere uitvoerende organen over hun controlesystemen hebben gerapporteerd.
De Commissie gebruikt “foutenpercentages” om te beoordelen of financiële verrichtingen in overeenstemming zijn met de toepasselijke wettelijke en contractuele bepalingen. Het “foutenpercentage” wordt omschreven als de beste raming van de ordonnateur, gebruikmakend van alle relevante beschikbare informatie en op basis van zijn professionele oordeel, van de uitgaven of inkomsten die op het moment dat de financiële verrichtingen werden goedgekeurd, in strijd waren met wettelijke of contractuele bepalingen. Het foutenpercentage wordt op verschillende tijdstippen gemeten, afhankelijk van het doel van de meting. De termen en indicatoren worden nader omschreven in bijlage 2.
Teneinde een algemeen overzicht te verschaffen, hebben de gedelegeerde ordonnateurs voor de onder hun verantwoordelijkheid vallende begroting de beste schattingen van het risicobedrag en van de verwachte toekomstige correcties gerapporteerd. 95 Vergelijking van deze twee cijfers levert een raming op van het risicobedrag bij afsluiting, d.w.z. het foutenpercentage nadat bij de afsluiting van de programma's 96 alle corrigerende maatregelen zijn toegepast.
Het risicobedrag bij afsluiting geeft het standpunt van de Commissie aan het einde van het begrotingsjaar weer over de resultaten van de controles die vóór (preventief, ex-ante) en na (correctief, ex-post) betalingen zijn uitgevoerd. Hierin komt de meerjarigheid van de controlecyclus tot uitdrukking en het feit dat tot aan de afsluiting aanvullende corrigerende maatregelen kunnen worden toegepast. 97 Het is belangrijk om erop te wijzen dat het risicobedrag niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met het bedrag dat uiteindelijk wordt teruggevorderd. Het is een raming van de uitgaven die in strijd met toepasselijke wettelijke en contractuele bepalingen zijn. Daarbij kan het gaan om fouten van formele aard die misschien wel ernstig zijn maar die niet hebben geleid tot onverschuldigde betalingen en derhalve geen aanleiding tot terugvordering of financiële correcties geven.
|
Vooruitzichten op het moment van afsluiting betreffende uitgaven voor 2015 |
||||||||
|
Beleidsterrein |
Totaal relevante 98 uitgaven in 2015 |
Geraamd risicobedrag op het moment van betaling in relatie tot de uitgaven voor 2015 99 |
Geschatte toekomstige correcties |
Geraamd risicobedrag bij afsluiting, waarbij rekening is gehouden met toekomstige correcties |
||||
|
Laagste waarde |
Hoogste waarde |
Laagste waarde |
Hoogste waarde |
Laagste waarde |
Hoogste waarde |
|||
|
Landbouw |
57 677 |
1 167 |
1 066 |
101 |
||||
|
Cohesie 100 |
54 284 |
1 545 |
2 702 |
874 |
1 435 |
672 |
1 267 |
|
|
Externe betrekkingen |
9 713 |
281 |
62 |
219 |
||||
|
Onderzoek |
12 482 |
259 |
290 |
127 |
132 |
163 |
||
|
Ander intern beleid |
3 488 |
32 |
38 |
11 |
21 |
27 |
||
|
Administratie |
5 683 |
19 |
22 |
1 |
18 |
21 |
||
|
Totaal |
143 328 |
3 303 |
4 500 |
2 141 |
2 702 |
1 162 |
1798 |
|
Tabel 1: Uitgaven in 2015, samen met geraamd risicobedrag voor in 2015 verrichte betalingen en geraamde toekomstige correcties voor in 2015 verrichte betalingen (in miljoenen EUR)
Het geraamde risicobedrag op het moment van betaling vertegenwoordigt tussen 2,3% en 3,1% van de relevante uitgaven voor 2015. Het geraamde risicobedrag op het moment van betaling is grotendeels afhankelijk van de mix van voorschotten, tussentijdse betalingen, definitieve betalingen en gerelateerde verrekende voorschotten uit hoofde van de vorige programmeringsperiode (in 2015 verrichte betalingen bevatten een relatief hoog volume aan voorfinanciering voor lopende programma's). Vergeleken met 2014 is het risicobedrag op het moment van betaling met ongeveer 10% gedaald. Dit is met name het gevolg van een daling van het risicobedrag dat voor “Landbouw” is gerapporteerd.
De geraamde toekomstige correcties zijn gelijk aan het bedrag van de uitgaven die in strijd zijn met wettelijke en contractuele bepalingen die het DG volgens een conservatieve raming via ex-postcontroles denkt te zullen opsporen en corrigeren. Deze ramingen zijn in de regel gebaseerd op het gemiddelde bedrag aan financiële correcties en terugvorderingen en zo nodig aangepast voor i) factoren die onder het nieuwe wettelijke kader niet langer van toepassing zijn en ii) eenmalige gebeurtenissen. De resulterende geraamde toekomstige correcties vertegenwoordigen tussen 1,5% en 1,9% van de totale relevante uitgaven.
Het geraamde risicobedrag bij afsluiting, nadat alle corrigerende maatregelen zijn toegepast, vertegenwoordigt tussen 0,8% en 1,3% van de totale uitgaven voor 2015. Het meerjarig correctiemechanisme beschermt de EU-begroting bijgevolg op adequate wijze tegen uitgaven die in strijd zijn met de wet.
Het is zinvol om een aantal factoren te benoemen die de komende jaren mogelijk een significante invloed op de hoogte van het risicobedrag hebben:
–Wat het beleidsterrein “Cohesie” betreft, blijkt uit de cijfers dat het risicobedrag op het moment van betaling voor de programma's uit hoofde van het MFK 2007-2013 minder dan 5% van de uitgaven vertegenwoordigde. Voor een effectieve beheersing van dit risico is in de verordening 101 voor de programmeringsperiode 2014-2020 bepaald dat aanvragen voor tussentijdse betalingen voor 90% moeten worden terugbetaald 102 . Met de betaling/terugvordering van het eindsaldo bevestigt de Commissie de juistheid en volledigheid van de uitgaven zoals vermeld in de gecertificeerde definitieve jaarrekeningen. Dit vormt echter geen definitieve erkenning van de wettigheid en regelmatigheid van die uitgaven. Als laatste stap voert de Commissie gerichte conformiteitsaudits uit, die opnieuw aanleiding kunnen geven tot netto financiële correcties.
–Wat het beleidsterrein “Onderzoek” betreft, bedroeg het gemeenschappelijke representatieve foutenpercentage voor KP7 op het moment van verslaglegging 4,47%. Dit is de belangrijkste referentie voor de DG's die het beheer over het programma voeren. Nadat terugvorderingen en correcties zijn verrekend, bedraagt het restfoutenpercentage nog steeds meer dan 2%. Om die redenen hebben deze DG's de voorbehouden voor KP7 in hun jaarlijkse activiteitenverslag gehandhaafd. Door de samenstelling van de uitgaven die momenteel door de betreffende DG's worden beheerd en het volume van de voorfinanciering voor Horizon 2020 en andere in 2015 gedane uitgaven waarmee een laag risico is gemoeid, is het gewogen gemiddelde foutenpercentage dat door deze DG's wordt gemeld, echter aanzienlijk lager. Het is belangrijk om erop te wijzen dat de voorschriften voor Horizon 2020 het aan het subsidiemechanisme ten grondslag liggende beginsel hebben gehandhaafd: vergoeding van subsidiabele kosten en vermindering van de administratieve lasten voor deelnemers (bijvoorbeeld door vereenvoudiging van de subsidiabiliteitscriteria). Door de vereenvoudigingen in Horizon 2020 zal het representatieve foutenpercentage naar verwachting afnemen van 5% naar 3,5% en zal het restfoutenpercentage de 2% naderen. Aangezien het foutenpercentage voor Horizon 2020 naar verwachting gelijk of lager zal zijn dan het foutenpercentage voor KP7, moet zorgvuldig worden nagedacht over de punten van voorbehoud die de komende jaren in de betrouwbaarheidsverklaringen ten aanzien van Horizon 2020 worden gemaakt.
In 2015 beliepen de totale bevestigde financiële correcties en terugvorderingen 3 499 miljoen EUR (2014: EUR 4 728 miljoen). Dit bedrag bevat alle correcties en terugvorderingen die in 2015 zijn bevestigd, ongeacht het jaar waarin de oorspronkelijke uitgave is gedaan. Financiële correcties en terugvorderingen worden geacht te zijn bevestigd wanneer zij met de betrokken lidstaat zijn overeengekomen of bij besluit van de Commissie zijn vastgesteld.
Diagram 8: Uitsplitsing naar beleidsterrein van financiële correcties en terugvorderingen die in 2015 zijn bevestigd, in miljoenen EUR
Voor meer bijzonderheden over deze cijfers en over de preventie- en correctiemechanismen, zie de jaarlijkse mededeling van de Commissie over de bescherming van de EU-begroting. 103
2.1.2. Kosteneffectiviteit van controles en vereenvoudiging
Net als iedere andere organisatie moet ook de Commissie ervoor zorgen dat haar middelen optimaal worden besteed, wat onder meer betekent dat de toewijzing van middelen haar politieke prioriteiten en wettelijke en institutionele verplichtingen en beleidsontwikkelingen moet weerspiegelen. Tegen de achtergrond van afnemende menselijke hulpbronnen en almaar groeiende uitdagingen is het van cruciaal belang dat de beschikbare middelen op de meest efficiënte manier worden gebruikt.
Sinds 2013 vermindert de Commissie het aantal personeelsformatieposten elk jaar met 1%, teneinde in 2017 een totale reductie met 5% (1 254 posten) te realiseren. Dezelfde reductie in voltijdequivalenten is doorgevoerd ten aanzien van extern personeel (contractpersoneel, gedetacheerde nationale deskundigen). Tegelijkertijd is de Commissie in reactie op de nieuwe uitdagingen actief bezig geweest met het herverdelen van posten tussen afdelingen, teneinde personele middelen over te dragen naar prioritaire gebieden. Initiatieven voor het vergroten van de organisatiecapaciteit en algehele efficiëntie van de Commissie en voor het herprioriteren van middelen zullen in 2016 worden voortgezet. 104
Alle 48 afdelingen van de Commissie hebben onderzoek gedaan naar de kosteneffectiviteit en -efficiëntie van hun controlesystemen en de conclusies van dat onderzoek in hun jaarlijkse activiteitenverslagen opgenomen. Die onderzoeken worden sinds 2013 uitgevoerd en worden elk jaar beter. In 2014 konden zeven afdelingen door het ontbreken van vergelijkbare gegevens en moeilijkheden bij het ramen van de baten van controles niet tot een conclusie komen. In 2015 konden slechts twee afdelingen niet tot een conclusie komen. Beide afdelingen hebben corrigerende maatregelen genomen en verwachten in 2016 wel tot een conclusie te kunnen komen.
Verder werd alle afdelingen gevraagd om hun controlesystemen aan een herziening te onderwerpen, teneinde er zeker van te zijn dat zij op risicoanalyses waren gebaseerd, waarbij tevens moest worden gekeken naar de kosteneffectiviteit van de systemen, de managementomgeving en de aard van de gefinancierde acties. Eind 2015 hadden 25 afdelingen dat gedaan. Daarvan had de helft 105 maatregelen genomen voor het vergroten van de kostenefficiëntie, terwijl de andere 106 tot de conclusie waren gekomen dat geen veranderingen nodig waren. De overige afdelingen zullen naar verwachting in 2016 maatregelen treffen of een herziening uitvoeren.
Bij de werkzaamheden gericht op vereenvoudiging is vooruitgang geboekt bij de herlancering van het “vereenvoudigingsscorebord”. Voor het eerst wordt de vereenvoudiging van de begrotingsuitvoering niet alleen op Commissie- maar ook op lidstaatniveau gemonitord. Ook is doorgegaan met het vereenvoudigen van de financiële regels, met het oog op de samenstelling van een vereenvoudigingspakket, naast de tussentijdse evaluatie van het MFK.
De Commissie gaat door met haar inspanningen voor verdere vereenvoudiging en rationalisering op het terrein van financieel beheer, financiële boekhouding en financiële controle en audits.
2.1.3 Fraudebestrijdingsstrategieën
De Commissie heeft een fraudebestrijdingsstrategie (Commission Anti-Fraud Strategy of CAFS) ingevoerd. Doelstelling van deze strategie is het voorkomen, opsporen en onderzoeken van fraude en adequate bestraffing, terugvordering en afschrikking, vooral door het invoeren van fraudebestrijdingsstrategieën op het niveau van de afdelingen van de Commissie. De strategie bestrijkt de hele cyclus van fraudebestrijding: preventie, opsporing, onderzoek, bestraffing en terugvordering van onrechtmatig gebruikte middelen. Zij bestrijkt de inkomsten en uitgaven van de EU, alsook de samenwerking met lidstaten, niet-EU-landen en internationale organisaties, met de nadruk op de activiteiten van de Commissie.
Overeenkomstig de vereisten van de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie, hebben alle afdelingen DG-specifieke fraudebestrijdingsstrategieën ingevoerd. De invoering van de fraudebestrijdingsstrategieën wordt regelmatig gemonitord. Alle afdelingen hebben hun fraudebestrijdingsstrategie in de afgelopen drie jaar geactualiseerd of staan op het punt dat te doen. Naar aanleiding van een verslag van de dienst Interne audit 107 waarin wordt bevestigd dat OLAF al positieve stappen heeft gezet en dat de DG's waarvoor steekproeven zijn genomen bedoelde fraudebestrijdingsstrategie hebben opgezet en ingevoerd, zijn de methodologische richtsnoeren voor het ontwerp en de inhoud van de strategie 108 geactualiseerd en vervolgens binnen het netwerk voor fraudepreventie en -opsporing door alle afdelingen besproken. Deze richtsnoeren fungeren als basis voor de updates van de fraudebestrijdingsstrategieën die de komen jaren worden doorgevoerd.
Elk jaar neemt de Commissie een verslag aan over de bescherming van de financiële belangen van de EU (PIF-verslag), waarin de blootstelling van de EU-middelen aan fraude en onregelmatigheden wordt geschetst en wordt beschreven welke maatregelen worden genomen om de EU-middelen te beschermen. Door de omvang van de fraude die door de lidstaten wordt gemeld, voor de hele EU-begroting nauwkeurig in kaart te brengen, helpt het verslag ook aanschouwelijk te maken op welke gebieden het risico het hoogst is, en draagt het zo bij aan beter gerichte actie op zowel EU- als nationaal niveau.
De Commissie heeft het Financieel Reglement in overeenstemming gebracht met de Europese aanbestedingsrichtlijnen van 2014. De nieuwe regels zorgen ook voor een betere bescherming van de financiële belangen van de Unie: per 1 januari 2016 is een nieuw systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting geïmplementeerd. Een gespecialiseerd centraal panel kan aanbevelen om onbetrouwbare ondernemingen of personen van toegang tot EU-middelen uit te sluiten. In bepaalde gevallen kan een geldboete worden opgelegd. Deze administratieve sancties kunnen openbaar worden gemaakt. Hoewel het recht op verdediging van dergelijke ondernemingen of personen is gewaarborgd, maken de nieuwe regels het mogelijk om in voorkomend geval sneller te reageren en ondernemers of personen die een aanvraag doen voor EU-middelen waarvan is gebleken dat zij betrokken zijn bij fraude of corruptie of andere illegale activiteiten, feitelijk een “rode kaart” te geven.
De volgende voorbeelden van in 2015 behaalde resultaten geven een beeld van de inspanningen van de Commissie:
-Het directoraat-generaal Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie (DG FISMA) ontwikkelde een IT-hulpmiddel voor het beheer van evenementen ("Event Management Tool" of EMT). Het EMT bestaat uit een databank die het beheer van bijeenkomsten en andere contacten met belanghebbenden transparanter maakt. Het helpt voorkomen dat bijeenkomsten dubbel worden gepland en vergemakkelijkt het achteraf identificeren en registreren van besprekingen die zijn gehouden Het helpt ook bij het voorkomen en opsporen van mogelijke belangenconflicten.
-De directoraten-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie (DG EMPL) en Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO) presenteerden in 27 lidstaten het risicoscore-instrument Arachne, dat tot dusver door 16 lidstaten is getest. Doel van het Arachne-project is het opzetten van een uitgebreide databank met financiële en operationele gegevens over projecten en begunstigden voor het uitvoeren van risicobeoordelingen waarbij ten behoeve van de selectie en controle van projecten op basis van objectieve criteria de meest risicovolle projecten worden geïdentificeerd. De verschaffing van dit hulpmiddel maakt deel uit van de uit het Cohesiefonds en EMFZV te financieren fraudebestrijdingsacties die in de gezamenlijke fraudebestrijdingsstrategie voor de directoraten-generaal REGIO, EMPL en MARE is voorzien. Het maakt het ook mogelijk om in het kader van de goedkeuring van projecten of de evaluatie van de uitvoering ervan indicatoren van mogelijke onregelmatigheden of fraude te identificeren.
-Het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling (DG AGRI) hield in alle lidstaten en kandidaat-landen voor het personeel van de betaalorganen voor landbouwfondsen seminars over fraudebestrijding. Er werden meer dan 40 seminars gehouden, waaraan in totaal bijna 4 000 personeelsleden deelnamen.
2.2 Betrouwbaarheidsverklaring
Alle 48 gedelegeerde ordonnateurs verklaren in hun jaarlijkse activiteitenverslag voor 2015 dat zij een redelijke mate van zekerheid hebben dat de in het verslag vermelde informatie een getrouw beeld geeft, dat de middelen die zijn toegewezen aan de in het verslag beschreven activiteiten, zijn gebruikt voor het opgegeven doel en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, en dat de ingevoerde controleprocedures de nodige waarborgen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.
De gedelegeerde ordonnateurs hebben de controleresultaten en alle andere relevante elementen ter staving van hun betrouwbaarheidsverklaring over de verwezenlijking van de controledoelstellingen beoordeeld. Zij hebben alle belangrijke geconstateerde tekortkomingen tegen het licht gehouden en het cumulatieve effect daarvan op de mate van zekerheid beoordeeld, zowel kwalitatief als kwantitatief, om te bepalen of het een materiële tekortkoming is. Het resultaat is dat 30 gedelegeerde ordonnateurs een onvoorwaardelijke betrouwbaarheidsverklaring hebben verstrekt en 18 een betrouwbaarheidsverklaring met punten van voorbehoud. In totaal zijn 33 109 punten van voorbehoud gemaakt. Alle gedelegeerde ordonnateurs hebben een onvoorwaardelijke betrouwbaarheidsverklaring voor ontvangsten verstrekt, aangezien de punten van voorbehoud allemaal betrekking hebben op uitgaven.
De betrouwbaarheidsverklaring met punten van voorbehoud vormt een mijlpaal in het construct van de verantwoordingsplicht. Punten van voorbehoud verschaffen transparantie over geconstateerde uitdagingen en gebreken, doen aanbevelingen voor het aanpakken van de onderliggende problemen en geven een raming van de gevolgen ervan. Hoewel de meeste punten van voorbehoud worden gegeven naar aanleiding van bevindingen ten aanzien van het beheer van en de controle op betalingen uit het verleden, hebben zij allemaal een positief, preventief effect voor de toekomst, aangezien corrigerende maatregelen de controlesystemen versterken en toekomstige betalingen uit het Cohesiefonds en het EMFZV worden geblokkeerd (onderbrekings-/opschortingsprocedures). Naar aanleiding van punten van voorbehoud 110 zijn actieplannen ontwikkeld die specifiek zijn gericht op het mitigeren van toekomstige risico's.
Er waren 21 terugkerende en 12 nieuwe punten van voorbehoud. Het directoraat-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen (DG NEAR) trok twee punten van voorbehoud in, 111 DG AGRI trok er één in 112 en DG REGIO voegde twee punten van voorbehoud samen. 113
De uitgaven onder voorbehoud, voor zover kwantificeerbaar, zijn afgenomen met 14 543 miljoen EUR (van 44 392 miljoen EUR in 2014 naar 29 849 miljoen EUR). Dit is voornamelijk terug te voeren op een afname van de reikwijdte van de punten van voorbehoud voor de uitgaven op het beleidsterrein "Externe betrekkingen", alsook op een aanzienlijke afname (van 7 400 miljoen EUR) van de uitgaven die zijn gemoeid met het voorbehoud van DG AGRI betreffende rechtstreekse steun uit het ELGF, plus op de preventiemaatregelen die in het kader van het Cohesiebeleid zijn genomen voor het onderbreken/opschorten van betalingen zodra gebreken in de subsidiesystemen van de lidstaten worden geconstateerd. Het risicobedrag voor de uitgaven onder voorbehoud wordt geraamd op 1 324 miljoen euro. De resultaten per beleidsterrein staan vermeld in tabel 2. Gedetailleerde resultaten per afdeling zijn opgenomen in bijlage 1.
|
Beleidsterrein 114 |
Totaal betalingen in 2015 |
Betalingen onder voorbehoud voor 2015 - Reikwijdte |
Risicobedrag op het moment van verslaglegging |
|
Landbouw |
56 946 |
19 922 |
760 |
|
Cohesie 115 |
53 822 |
4 305 |
296 |
|
Externe betrekkingen 116 |
10 231 |
2 895 |
97 |
|
Onderzoek |
14 077 |
2 650 |
160 |
|
Ander intern beleid |
4 029 |
78 |
10 |
|
Administratie |
5 676 |
— |
— |
|
Totaal |
144 781 |
29 849 |
1 324 |
Tabel 2: Reikwijdte en risicobedrag 117 van de punten van voorbehoud voor 2015 (in miljoen EUR)
Nadat DG DEVCO drie opeenvolgende jaren een punt van voorbehoud maakte dat de gehele begroting bestreek, heeft het nu een betrouwbare methode ontwikkeld waarmee uitgaven die een relatief laag risico vertegenwoordigen buiten de reikwijdte van het belangrijkste voorbehoud kunnen worden gehouden. Deze methode is gebaseerd op de berekening van risico-indices, waarin de foutenfrequentie per uitgavensegment over de periode 2012-2014 tot uitdrukking komt. De reikwijdte van het voorbehoud is nu verminderd tot subsidies in direct beheer en uitgaven die indirect via internationale organisaties en nationale agentschappen worden uitgevoerd, die 45% van de begroting van DG DEVCO vertegenwoordigen.
DG NEAR heeft een onvoorwaardelijke betrouwbaarheidsverklaring afgegeven, waarbij twee punten van voorbehoud van vorig jaar zijn opgeheven, omdat het foutenpercentage in alle gevallen op minder dan 2% wordt geraamd. Voor het gedeelte van het Instrument voor pretoetredingssteun (IPA) dat in indirect beheer wordt uitgevoerd, heeft DG NEAR in 2015 een nieuwe methode toegepast, waarbij de audits worden toevertrouwd aan de auditautoriteiten van de begunstigde landen, op basis van gedetailleerde auditmandaten. Aangezien de omvang van de gecontroleerde populatie in die landen nog onvoldoende groot was, waren de resultaten van deze methode echter niet representatief genoeg. Om te komen tot een meer prudente beoordeling, besloot DG NEAR om voor de raming van het risicobedrag gebruik te maken van historische foutenpercentages voor deze beheersvorm en alleen een orde van grootte te geven. DG NEAR is voornemens om deze methode in 2016 verder te verbeteren. Zoals beschreven in paragraaf 2.3 en bijlage 3 stelde de dienst Interne audit eveneens een aantal verbeteringen met betrekking tot de door DG NEAR toegepaste methode voor.
De nieuwe punten van voorbehoud betreffen een risicobedrag van 35 miljoen EUR:
-DG DEVCO, ten aanzien van het beheer van de Vredesfaciliteit voor Afrika, vanwege een aantal significante risico's en gebreken in de interne controle zoals die naar voren zijn gekomen uit een begin 2016 voltooide audit. Tot de corrigerende maatregelen behoren onder meer het monitoren van de faciliteit, het maken van governance- en coördinatieafspraken tussen DG DEVCO, de EU-delegaties en de Europese Dienst voor extern optreden, en de institutionele evaluatie en monitoring van de partnerschapsovereenkomsten met de Afrikaanse Unie. Tegelijkertijd onderzoekt een taskforce of het nodig is om voor nieuwe projecten en programma's dienstige bepalingen in besluiten en contractstukken op te nemen.
-Naar aanleiding van in 2015 uitgevoerde ex-postcontroles die wezen op een restfoutenpercentage van meer dan 2%, werden vijf nieuwe punten van voorbehoud 118 gemaakt.
-De punten van voorbehoud van DG HOME en DG JUST betreffende subsidieprogramma's, anders dan voor onderzoek, duiden niet op additionele of pas ontdekte gebreken. Zij zijn het gevolg van verbeterde materialiteitscriteria, waardoor beleidsterreinen waarvoor sprake is van een hoger foutenpercentage, meer gericht kunnen worden gecontroleerd. Het voorbehoud van DG HOME met betrekking tot KP7 weerspiegelt dat DG HOME voortaan verantwoordelijk is voor het beheer van dit programma. Ten aanzien van dezelfde uitgaven is in voorgaande jaren echter ook al door DG GROW een punt van voorbehoud gemaakt.
-Tot slot heeft DG EMPL een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de programma's voor 2014-2020. Dit voorbehoud heeft betrekking op een enkel operationeel programma waarvoor een audit significante gebreken in de beheer- en controlesystemen aan het licht heeft gebracht. Dit heeft geen gevolgen voor het risicobedrag op het moment van verslaglegging, aangezien het potentiële risico wordt gedekt door het vasthouden van 10% van de tussentijdse betalingen.
De nieuwe niet gekwantificeerde 119 punten van voorbehoud hebben betrekking op:
-DG HOME wijst op gebreken in jaarprogramma's die tot 2011 in gedeeld beheer zijn uitgevoerd en waarvoor in 2015 geen betalingen zijn verricht.
-Het voorbehoud van DG ENER is het resultaat van de ontoereikendheid van een in 2014 door het DG uitgevoerde evaluatie van de ex-antevoorwaarden waaraan de lidstaten moeten voldoen voor steun uit hoofde van de programma's voor de ontmanteling van nucleaire installaties, zoals bepaald in de toepasselijke verordeningen, 120 in het bijzonder met betrekking tot de soliditeit van financieringsplannen. DG ENER heeft al maatregelen genomen voor het verhelpen van dit gebrek. Verder zal het DG vóór oktober 2016 in elke betrokken lidstaat een diepgaand onderzoek doen naar de soliditeit van de financieringsplannen.
Deze voorbehouden hebben gevolgen voor alle belangrijke uitgaventerreinen (“Landbouw”, “Structuurfondsen” en “Cohesiefonds”, “Externe betrekkingen”, “Onderzoek” en “Ander intern beleid”). In alle gevallen hebben de betrokken gedelegeerde ordonnateurs actieplannen vastgesteld om de onderliggende zwakke punten aan te pakken en de risico's die daaruit voortvloeien in te perken.
Wanneer de foutenpercentages aanhoudend hoog zijn, bepaalt het Financieel Reglement dat de Commissie de tekortkomingen in de rechtsbepalingen en/of het controlesysteem moet vaststellen, de kosten en baten van eventuele corrigerende maatregelen moet onderzoeken en passende maatregelen moet nemen of voorstellen. De beheer- en controlesystemen zijn gewijzigd in de programma's voor de periode 2014-2020. Deze programma's bevinden zich nog in een vroeg stadium van uitvoering. De Commissie kan de effecten van de nieuwe maatregelen op het foutenpercentage pas over enige tijd vaststellen. De Commissie zal voor het einde van het jaar verslag doen over de aanhoudend hoge foutenpercentages op bepaalde terreinen (zie paragraaf 2.1.1).
2.3 Zekerheid op basis van de werkzaamheden van de dienst Interne audit
De afdelingen van de Commissie hebben zich voor het verkrijgen van zekerheid ook gebaseerd op het werk van de dienst Interne audit en informatie van het Comité follow-up audit. Bijlage 3 bij het onderhavige verslag bevat aanvullende informatie over de door de dienst Interne audit verschafte zekerheid. Overeenkomstig artikel 99, lid 5, van het Financieel Reglement zal een overzicht van de werkzaamheden van de intern controleur aan de kwijtingsautoriteit worden toegezonden.
De dienst Interne audit concludeerde dat 91% van de tijdens de periode 2011-2015 opgevolgde aanbevelingen doeltreffend door de gecontroleerden was uitgevoerd. Van de 455 aanbevelingen (26%) waar nog aan gewerkt wordt, wordt er één als “essentieel” (“critical”) aangemerkt en 162 als “zeer belangrijk” (aan het laatste cijfer moet nog een andere niet afgehandelde zeer belangrijke aanbeveling uit een auditverslag van 2010 worden toegevoegd). Van de 164 aanbevelingen die als “essentieel” en “zeer belangrijk” zijn aangemerkt, waren eind 2015 32 als “zeer belangrijk” maar niet “essentieel” aangemerkte meer dan zes maanden te laat, wat neerkomt op 1,9% van het totale aantal aanvaarde aanbevelingen van de afgelopen vijf jaar. De maatregelen die de dienst Interne audit achteraf heeft genomen, bevestigen dat aanbevelingen in het algemeen op bevredigende wijze worden uitgevoerd en dat de controlesystemen in de afdelingen die werden geaudit, erop vooruitgaan.
Daarnaast verstrekte de dienst Interne audit de Commissie in februari 2016, na de centralisering van de interne auditfunctie in 2015, 121 voor het eerst voor elk DG en elke dienst een conclusie over de stand van zaken van de interne controle. Deze conclusies waren bedoeld als bijdrage aan de jaarlijkse activiteitenverslagen van de betreffende afdelingen voor 2015 en kwamen in de plaats van het oordeel van de voormalige interne auditteams over de stand van zaken van de financiële controle binnen de Commissie. In de conclusies wordt in het bijzonder de aandacht gevestigd op alle onafgehandelde aanbevelingen die als “essentieel” worden aangemerkt en het gecombineerde effect van verschillende als “zeer belangrijk” aangemerkte onafgehandelde aanbevelingen. In vier gevallen (DG DEVCO, DG ENER, DG CLIMA en het JRC) stelde de dienst dat die onafgehandelde aanbevelingen wellicht moeten leiden tot het maken van een voorbehoud in het jaarlijks activiteitenverslag van de betreffende afdeling. Terwijl drie DG's in overeenstemming met de door de dienst geformuleerde conclusies met beperking in hun jaarlijks activiteitenverslag voorbehouden hebben gemaakt, heeft het JRC geen enkel voorbehoud in zijn definitieve activiteitenverslag opgenomen.
Hoewel de directie van het JRC erkent dat men zich voor de financiering op langere termijn voor een uitdaging ziet gesteld, wijst de directie erop dat zich in 2015 geen risico heeft voorgedaan en is zij van oordeel dat voor 2016 evenmin een risico bestaat. Wat de gevolgen van het gecombineerde effect van de vier “zeer belangrijke” aanbevelingen betreft, zijn de risico's door de ordonnateur van het JRC als volgt ingeschat:
-In het actieplan zijn maatregelen opgenomen die langetermijnzekerheid verschaffen.
-De huidige operationele opzet verschaft een redelijke kortetermijnzekerheid over de verwezenlijking van de doelstellingen van het JRC.
-Wat het financiële risico betreft, waren de resultaten van de gegevensgerichte controles bevredigend en werden geen fouten geconstateerd.
Op basis van deze beoordeling kwam tot de gedelegeerde ordonnateur van het JRC tot de conclusie dat de aanbevelingen van de dienst Interne audit geen enkel gevolg hebben voor de mate van zekerheid die kan worden gegeven en dat die aanbevelingen worden uitgevoerd als onderdeel van doorlopende verbeteracties. De gedelegeerde ordonnateur van het JRC is van oordeel dat het feit dat het actieplan voor deze audit werd uitgesteld, geen voorbehoud rechtvaardigt, aangezien zich in 2015 geen risico's voordeden.
Zoals voorgeschreven in de dienstorder van de dienst Interne audit, gaf ook de intern controleur van de Commissie een algemeen oordeel, op basis van de eigen werkzaamheden (2013-2015) en die van de inmiddels opgeheven interne auditteams (2013-2014), waarbij de nadruk lag op het financieel beheer. Hij was van mening dat de controleprocedures die de Commissie in 2015 heeft ingevoerd op het gebied van bestuur, risicobeheer en interne kwesties over het geheel genomen toereikend zijn om een redelijke zekerheid te kunnen bieden over de verwezenlijking van haar financiële doelstellingen. Het algemeen oordeel bevat echter een voorbehoud met betrekking tot de voorbehouden die de gedelegeerde ordonnateurs in hun betrouwbaarheidsverklaringen hebben gemaakt en die in de jaarlijkse activiteitenverslagen zijn opgenomen.
Bij de totstandkoming van dit oordeel heeft de dienst Interne audit het gecombineerde effect van de geraamde risicobedragen, zoals vermeld in de jaarlijkse activiteitenverslagen, in aanmerking genomen, in het licht van het corrigerend vermogen dat blijkt uit de financiële correcties en terugvorderingen uit het verleden. Gezien de omvang van de financiële correcties en terugvorderingen uit het verleden en ervan uitgaande dat correcties op de in 2015 verrichte betalingen op een vergelijkbaar niveau zullen worden toegepast, is de dienst Interne audit van oordeel dat de EU-begroting als geheel en in de loop van de tijd afdoende is beschermd.
De intern controleur maakte geen andere voorbehouden, maar voegde aan zijn verklaring wel drie "toelichtende paragrafen" toe, die zijn beschreven in bijlage 3 bij dit verslag. Zij hebben betrekking op:
-controlestrategieën op het beleidsterrein “Onderzoek” voor de programma's voor de periode 2014-2020,
-strategieën voor het toezicht op derden die beleid en programma's uitvoeren, en
-het JRC-programma voor de ontmanteling van nucleaire installaties en het beheer van kernafval.
2.4 Uitvoering van kwijtingsaanbevelingen en aanbevelingen van externe auditor
Na kennis te hebben genomen van met name de aanbeveling van de Raad en het Jaarverslag 2015 en relevante speciale verslagen van de Rekenkamer, heeft het Europees Parlement op 28 april 2016 zijn kwijtingsresolutie voor het begrotingsjaar 2014 aangenomen.
Het Parlement verwacht van de Commissie dat zij zich krachtig zal inzetten voor het maken van verdere vooruitgang op specifieke terreinen die zijn aangemerkt als “kwijtingsprioriteiten”. Daarbij gaat het met name om een resultaatgerichte aanpak van de uitvoering en het beheer van de begroting en de interne governance van de Commissie. Tijdens de kwijtingsprocedure schetste vicevoorzitter Georgieva namens de Commissie hoe de Commissie gevolg denkt te geven aan de door het Parlement geformuleerde prioriteiten.
De Raad heeft zijn aanbeveling inzake de aan de Commissie te verlenen kwijting op 12 februari 2016 aangenomen. De Commissie wordt daarin onder meer opgeroepen om de begrotingsautoriteit in 2016 een uitvoerig verslag te verstrekken over de terreinen waarvoor het foutenpercentage voortdurend hoog is en over de onderliggende oorzaken van deze aanhoudend hoge foutenpercentages, overeenkomstig artikel 32, lid 5, van het Financieel Reglement. De Commissie zal het daarvoor noodzakelijke onderzoek doen. Andere terreinen ten aanzien waarvan de Raad van de Commissie en de lidstaten verwacht dat zij actie zullen ondernemen, zijn de kwaliteit van de beheer- en controlesystemen, vereenvoudigingsmaatregelen en versterking van de resultaatgerichte aanpak binnen de EU.
De Commissie zal in 2016 een uitvoerig verslag opstellen over de uitvoering van de kwijtingsaanbevelingen van de Raad en het Europees Parlement. Net als het geval is bij de aanbevelingen van de Rekenkamer, geldt ook voor deze aanbevelingen dat de Commissie zorg zal dragen dat aanvaarde aanbevelingen systematisch worden uitgevoerd, rekening houdend met aspecten van kostenefficiëntie en kosten-batenoverwegingen. Bij de uitvoering van aanbevelingen wordt ook gekeken naar specifieke gevallen van gedeeld beheer met de lidstaten waarbij de Commissie een toezichthoudende rol speelt. Zo is bijvoorbeeld de aanbeveling om beter gebruik te maken van vereenvoudigde kostenopties, zoals beschreven in de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen en de ESF-verordening, weliswaar gericht aan de lidstaten, maar zal de Commissie doorgaan met het actief bevorderen van het gebruik van vereenvoudigde kostenopties. De Commissie heeft bijvoorbeeld ook uitvoerige praktische richtsnoeren voor het gebruik van vereenvoudigde kostenopties gegeven.
Aanbevelingen die verband houden met nationale bevoegdheden die de bevoegdheid van de Commissie overstijgen en buiten haar verantwoordelijk vallen, moeten echter door de lidstaten zelf worden uitgevoerd. In het huidige wettelijke kader valt het bijvoorbeeld buiten de verantwoordelijkheid van de Commissie om te controleren of lidstaten beschikken over feedbacksystemen voor het verbeteren van oproepen tot het indienen van voorstellen of aanbestedingsprocedures in het kader van programma's voor plattelandsontwikkeling.
Conclusie over beheersresultaten
Uit de jaarlijkse activiteitenverslagen blijkt dat alle afdelingen van de Commissie degelijke interne-controlesystemen hebben geïmplementeerd en dat maatregelen zijn genomen voor het vergroten van de kostenefficiëntie, het verder vereenvoudigen van de regels en het afdoende beschermen van de begroting tegen fraude, fouten en onregelmatigheden.
Alle gedelegeerde ordonnateurs hebben een redelijke mate van zekerheid verschaft, zo nodig met punten van voorbehoud. Deze punten van voorbehoud vormen een mijlpaal in het construct van de verantwoordingsplicht. Punten van voorbehoud geven een beeld van geconstateerde uitdagingen en gebreken, doen aanbevelingen voor de aanpak ervan en geven een raming van de gevolgen.
De Commissie vraagt de DG's die de begroting in gedeeld beheer met de lidstaten uitvoeren, om de gebruikte methode voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van de door de relevante nationale autoriteiten toegezonden gegevens, verder te versterken.
De Commissie vraagt DG NEAR om de steekproeven voor ex-postcontroles uit te breiden en de gebruikte methode te verbeteren, teneinde tot een betere raming van het foutenpercentage te komen.
De Commissie vraagt DG ENER om de financieringsplannen van de lidstaten die aan de programma's voor de ontmanteling van nucleaire installaties deelnemen, te beoordelen en de uitvoering ervan nauwgezet te monitoren.
De Commissie heeft een geconsolideerde raming van het risicobedrag bij afsluiting gemaakt, die het standpunt van de Commissie weergeeft over de resultaten van zowel preventieve (ex-ante, vóór betaling) als corrigerende (ex-post, na betaling) controles die gedurende de meerjarige controlecyclus zijn uitgevoerd.
Op basis van de betrouwbaarheidsverklaringen en punten van voorbehoud die in de jaarlijkse activiteitenverslagen zijn opgenomen, neemt het college het syntheseverslag aan en neemt het de volledige politieke verantwoordelijkheid voor het beheer van de EU-begroting op zich.
http://ec.europa.eu/avservices/photo/photoByPriorities.cfm?sitelang=en
http://ec.europa.eu/europe2020/europe-2020-in-a-nutshell/index_en.htm
http://ec.europa.eu/smart-regulation/evaluation/docs/syn_pub_rf_mode_en.pdf
De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 15 juni van elk jaar een samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen van het voorgaande jaar voor. De jaarlijkse activiteitenverslagen van elke gedelegeerde ordonnateur worden ook beschikbaar gesteld aan het Europees Parlement en de Raad.
Het Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Unie bevat aanvullende gedetailleerde rapportagegegevens: http://publications.europa.eu/en/web/general-report
COM(2015) 240 final.
COM(2015) 185 final.
Toespraak van voorzitter Juncker tijdens de conferentie "EU Budget focused on Results", Brussel, 22 september 2015.
"EU Results" is geen uitputtende databank van EU-projecten, maar een selectie van voorbeelden van projecten die geleidelijk wordt uitgebreid: https://ec.europa.eu/budget/euprojects/search-projects_en
Met de nieuwe aanpak worden de planningdocumenten gestroomlijnder en meer toegespitst op de prioriteiten van de Commissie, waardoor zij voor DG's van groter nut zijn bij het vaststellen van operationele prioriteiten en het opzetten en ontwikkelen van een samenhangende prestatiestructuur waarbij voor beleids- en programmaresultaten een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen “toeschrijving” (voor resultaten en output die een rechtstreeks gevolg zijn van activiteiten van de Commissie) en “bijdrage” (wanneer activiteiten van de Commissie “slechts” bijdragen aan het bereiken van een bepaald resultaat of effect).
Het bevat bijvoorbeeld de geconsolideerde rekeningen, de mededeling over de bescherming van de EU-begroting, het verslag over de bescherming van de financiële belangen van de Unie, het verslag over de interne audits en het verslag over de follow-up van de kwijting.
http://ec.europa.eu/eurostat/web/europe-2020-indicators/europe-2020-strategy
Laatste update: januari 2016.
Ter ondersteuning hiervan bevat het "Common Framework for Biodiversity proofing of the EU budget" algemene en fondsspecifieke richtsnoeren voor zowel nationale en regionale autoriteiten als de diensten van de Commissie: http://ec.europa.eu/environment/nature/biodiversity/comm2006/pdf/cfbp%20-%20General%20Guidance.pdf
Zoals vermeld in de in 2013 gepubliceerde versie van het evaluatieverslag, was de Europa 2020-strategie nog niet aangenomen toen de programma's uit hoofde van het MFK 2007-2013 werden opgezet en waren de monitoring-, rapportage- en evaluatieregelingen voor deze programma's bijgevolg nog niet bedoeld om de resultaten ervan te koppelen aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.
Berekend als een percentage van de vastleggingskredieten in de totale begroting voor 2015.
http://ec.europa.eu/priorities/jobs-growth-and-investment/investment-plan_en
Het opzetten van een gemeenschappelijke onderneming, op grond van artikel 187 VWEU, is een nieuwe manier voor het realiseren van een publiek-private partnerschap op Europees niveau op het terrein van industrieel onderzoek.
Publiek-publieke partnerschappen tussen lidstaten (en geassocieerde staten) en de EU.
Het ITER-project heeft als doel om de wetenschappelijke en technologische haalbaarheid van kernfusie als energiebron aan te tonen. De reactor wordt momenteel in het Zuid-Franse Cadarache gebouwd en zal bij voltooiing de grootste experimentele kernfusiefaciliteit ter wereld zijn. Het ITER-project is een uniek mondiaal samenwerkingsproject waaraan zeven partijen deelnemen die samen de helft van de wereldbevolking vertegenwoordigen. Het project is geregeld in een internationale overeenkomst die is ondertekend door de Europese Commissie (namens Euratom), China, India, Japan, de Republiek Korea, de Russische Federatie en de Verenigde Staten. Bijna de helft van de bouwkosten komt voor rekening van Europa. De rest wordt door de andere partners in gelijke delen gefinancierd.
In het Erasmus+-programma voor 2014-2020 zijn alle vroegere EU-programma's voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport samengevoegd. Tot die programma's behoren onder meer "Een leven lang leren" (Erasmus, Leonardo da Vinci, Comenius, Grundtvig) en "Jeugd in actie" en vijf internationale samenwerkingsprogramma’s (Erasmus Mundus, Tempus, Alfa, Edulink en het programma voor samenwerking met de industrielanden). In 2015 werden ook Erasmus+ Internationale mobiliteit en de Erasmus+ Masterlening gelanceerd.
In de verslagen van 2013 en 2014 uit hoofde van artikel 318 was al informatie opgenomen over verschillende acties in het kader van dit initiatief, zoals de herschikking van de structuurfondsen om groei en werkgelegenheid te stimuleren, en voorlopige informatie over de voortgang van het projectobligatie-initiatief.
Eindverslag van de evaluatie van de proeffase van het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties, gepubliceerd in december 2015 ("Ad-hoc Audit of the pilot phase of the Europe 2020 Project Bond Initiative"): http://ec.europa.eu/dgs/economy_finance/evaluation/pdf/eval_pbi_pilot_phase_en.pdf
Naar aanleiding van deze evaluatie hebben de diensten van de Europese Commissie een werkdocument opgesteld dat in maart 2016 is gepubliceerd (Engelstalig): http://ec.europa.eu/dgs/economy_finance/evaluation/pdf/eval_pbi_pilot_phase_swd_en.pdf
Het LGF van Cosme biedt garanties en tegengaranties, waaronder de securitisatie van portefeuilles voor de schuldfinanciering van kmo's, aan geselecteerde financiële intermediairs (bijv. waarborgfondsen, banken, leasemaatschappijen, enz.), om hen te helpen meer leningen en leases aan kmo's te verstrekken. EFSI-middelen worden gebruikt om Cosme versneld te kunnen inzetten. Het LGF is een opvolger van de MKB-garantiefaciliteit , die in de periode 2007-2013 succesvol is toegepast binnen het raamwerk van het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (CIP).
Op 25 juni 2015 namen de Raad en het Europees Parlement de relevante wetgeving aan: Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europees Investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen.
Na ondertekening van de EFSI-overeenkomst tussen de Commissie en de EIB op 22 juli 2015.
"Investment Plan — EU wide state of play April 2016": http://ec.europa.eu/priorities/jobs-growth-and-investment/investment-plan_en .
Verslag van de Commissie over het beheer van het garantiefonds van het Europees Fonds voor strategische investeringen in 2015 (COM(2016) 353), aangenomen op 31 mei 2016.
Inclusief EVA-bijdragen en bijdragen van derde landen die door deelnemende landen worden betaald, alsook geregulariseerde rente uit de trustrekeningen.
Per 31 december 2015.
Berekening gebaseerd op het totale volume aan leningen dat aan de begunstigde kmo's werd verstrekt (20 715,1 miljoen EUR) gedeeld door het garantieplafond (536,3 miljoen EUR), per 31 december 2015.
Per 30 september 2015.
Berekening gebaseerd op de werkelijke omvang van de risicokapitaalfondsen (3 099 miljoen EUR) gedeeld door het netto goedgekeurde kapitaal van de GIF (555 miljoen EUR). Bron: EIF-European Investment Fund (2015a), GIF-High Growth and Innovative SME Facility, Quarterly Report, 30 september 2015.
Verslag van een onafhankelijke deskundigengroep op hoog niveau, alsook de mededeling van de Commissie waarin de reactie op deze aanbevelingen is vervat, vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie waarin KP7 wordt geëvalueerd volgens de vijf verplichte evaluatiecriteria van de richtsnoeren voor betere regelgeving: http://ec.europa.eu/research/evaluations/index_en.cfm?pg=fp7-monitoring.
"Evaluation of the operation of REA (2012-2015)": https://ec.eur opa.eu/research/evaluations/pdf/archive/.../rea_evaluation_report.pdf
Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, Verordening (EU) nr. 1316/2013.
Vijf fondsen, die tezamen de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) vormen, bieden gezamenlijke ondersteuning voor economische ontwikkeling in alle EU-landen, volgens de doelstellingen van de Europa 2020-strategie: het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds (CF), het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). De laatste twee fondsen vallen onder rubriek 2 van de begroting (duurzame groei).
Aanbevelingen voor het stimuleren van werkgelegenheid en groei, met behoud van gezonde overheidsfinanciën, die jaarlijks door de Commissie worden geformuleerd op basis van haar analyse van het economische en sociale beleid van de lidstaten.
COM(2015) 639 definitief.
Simulaties op basis van het macro-economische model QUEST, dat gezamenlijk is ontwikkeld door DG REGIO en DG ECFIN.
Lidstaten die na 2004 zijn toegetreden tot de EU.
Met randvoorwaarden is gewaarborgd dat lidstaten adequate regelgevings- en beleidskaders hebben ingevoerd en dat er voldoende administratieve capaciteit voorhanden is voordat ESIF-investeringen worden gedaan, zodat de financiering maximaal effect kan sorteren.
Voor het ESF stelt DG EMPL in het jaarlijks activiteitenverslag voor 2015 dat het percentage op 8 april 2016 op 25% lag.
Verordening 2015/779 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013 inzake een aanvullend initieel voorfinancieringsbedrag dat wordt uitgekeerd aan door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde operationele programma's.
Lidstaten die na 2004 zijn toegetreden tot de EU, met uitzondering van Kroatië.
Schattingen op basis van simulaties van economische modellen (zoals het HERMIN-model).
Lidstaten die vóór 2004 deel uitmaakten van de EU.
Voorlopige resultaten van de ex-postevaluatie.
Omdat er voor de periode 2007-2013 geen gemeenschappelijke resultaatindicatoren zijn, is getracht om door lidstaten gemelde indicatoren die vergelijkbaar zijn, zoals de indicatoren die in deze paragraaf worden gerapporteerd, te combineren. Deze cijfers, die zijn gebaseerd op een verslag van mei 2016, hebben een voorlopig karakter, omdat de verslagen nog niet zijn afgerond. De cijfers in het jaarlijks activiteitenverslag van DG EMPL voor 2015 zijn gebaseerd op een eerdere versie van dat verslag.
Voor iedere lidstaat is er een operationeel programma, met uitzondering van Luxemburg.
Geïntegreerde projecten in het kader van LIFE bieden financiering voor plannen, programma's en strategieën die op regionaal, multiregionaal of nationaal niveau zijn ontwikkeld. Hiermee wordt beoogd milieuwetgeving en -doelstellingen breedschaliger ten uitvoer te leggen en het LIFE-programma meer effect te laten sorteren.
Ex-postevaluatie van de financiële maatregelen van de Unie voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op het gebied van het zeerecht 2007-2013 (dat nog moet worden gepubliceerd).
Evaluaties achteraf van de prestaties van de plattelandsontwikkelingsprogramma's in de periode 2007-2013 zullen in 2016 worden voltooid voor de lidstaten en in 2017 op het niveau van de Commissie; de evaluatie achteraf van het EVF wordt momenteel uitgevoerd en zal eind 2016 worden afgerond.
Zie de evaluaties: http://ec.europa.eu/agriculture/analysis/external/cross_compliance/index_en.htm en http://ec.europa.eu/agriculture/eval/reports/environment-summary/fulltext_fr.pdf
COM(2015) 662.
PB L 242 van 10.9.2002.
Zie de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld “Eindevaluatie van Verordening (EG) nr. 614/2007 betreffende het financieringsinstrument voor het milieu (LIFE+)”. COM(2013)0478 final.
Ibid.
Ibid.
In de landbouwsector vertegenwoordigden rechtstreekse betalingen in de periode 2005-2013 46% van de inkomens van landbouwers, met grote verschillen tussen lidstaten en typen landbouwbedrijven.
Studie over de tenuitvoerlegging van As 4, zie http://ec.europa.eu/fisheries/documentation/studies/axis-4/index_en.htm
FLAG's zijn partnerschappen tussen visserijactoren en andere lokale private en publieke belanghebbende partijen om het economisch, sociaal en milieuwelzijn van hun gebied te verbeteren.
Ex-postevaluatie van de financiële maatregelen van de Unie voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op het gebied van het zeerecht 2007-2013 (moet nog worden gepubliceerd).
Steunt nationale inspanningen om ontvangstcapaciteiten te verbeteren, ervoor te zorgen dat asielprocedures in overeenstemming zijn met de normen van de Unie, migranten te integreren op lokaal en regionaal niveau en de doeltreffendheid van terugkeerprogramma's te vergroten.
Voor gedetailleerde cijfers, zie het Consumentenprogramma, dat onderdeel is van de aan de ontwerpbegroting voor 2017 gehechte programmaoverzichten.
Ontwerp van het jaarlijkse activiteitenverslag van het uitvoerend agentschap CHAFEA.
Ex-postevaluatie van het tweede gezondheidsprogramma 2008-2013 overeenkomstig Besluit nr. 1350/2007/EG tot vaststelling van een tweede Communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013) – http://ec.europa.eu/health/programme/docs/ex-post_2nd-hp-2008-13_comm-report_nl.pdf – Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de uitvoering, de resultaten en de algemene beoordeling van het programma "Europa voor de burger", van 16 december 2015 (COM(2015) 652 final) – http://ec.europa.eu/citizenship/pdf/evaluationreportefc2007-2013_nl.pdf
Gedurende het jaar zijn aanvullende verhogingen ontvangen.
Totaalbedrag uit de EU-begroting, inclusief ontwikkelings- en humanitaire hulp.
Alleen al in 2015 is door de EU 30 miljoen EUR aan humanitaire hulp verstrekt.
Voor meer informatie, zie het informatieblad van DG ECHO over Oekraïne: http://ec.europa.eu/echo/files/aid/countries/factsheets/ukraine_en.pdf
http://www.unhcr.org/syriarrp6/docs/syria-rrp6-sectoral-plans-WASH.pdf
In totaal zijn de EU en haar lidstaten goed voor ongeveer de helft van de mondiale officiële ontwikkelingshulp sinds 2000.
De gegevens over de resultaten hebben betrekking op door de Europese Commissie gefinancierde programma's die worden beheerd door het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling en uit de EU-begroting of het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierde programma's.
Ruwweg 19 % van alle gewassen telende huishoudens in de door het programma bestreken dorpen meldden dat hun inkomen was gestegen. Voor meer informatie, zie het jaarverslag 2013 van het LIFT: http://www.lift-fund.org/sites/lift-fund.org/files/publication/LIFT_Annual_Report_2013.pdf
EU-begrotingssteun behelst de rechtstreekse overdracht van EU-middelen naar de begroting van een partnerland ter ondersteuning van een sectoraal programma.
http://ec.europa.eu/europeaid/strategic-evaluation-eu-cooperation-bolivia-2007-2013_en
In 2015 heeft de Commissie het EU-kader voor resultaten op het gebied van internationale samenwerking en ontwikkeling in het leven geroepen. Hiermee kunnen de resultaten beter worden gevolgd en gerapporteerd (SWD(2015)80). De informatie op basis van dit kader zal in de toekomstige verslagen worden opgenomen.
Alle relevante evaluatieverslagen zijn op de volgende site te raadplegen: http://ec.europa.eu/europeaid/node/80199_en
http://ec.europa.eu/europeaid/sites/devco/files/evaluation-cooperation-ec-gender-1338-main-report-201504_en.pdf
http://ec.europa.eu/echo/files/evaluation/2015/CPM_final_report_en.pdf
In dit verslag worden onder “diensten van de Commissie” verstaan, alle directoraten-generaal, diensten en uitvoerende agentschappen, maar niet het College.
Het Committee of Sponsoring Organizations of the Treadway Commission (COSO) is een gezamenlijk initiatief van vijf particuliere organisaties gericht op het verstrekken van “thought leadership” aan leidinggevende en controle-organen over kritieke aspecten van organisatiebestuur, bedrijfsethiek, interne controle, risicobeheer, fraudebestrijding en financiële verslaglegging. COSO heeft een gemeenschappelijk interne-controlemodel ontwikkeld aan de hand waarvan ondernemingen en organisaties hun controlesystemen kunnen beoordelen.
DG AGRI, DG ECHO, DG SANTE, DG HOME, DG JUST, DG EAC, DG DEVCO en DG CLIMA.
Alleen DG DEVCO heeft geconcludeerd dat een van de voorschriften betreffende documentbeheer niet werd nageleefd doordat de percentages van documentregistratie en -archivering onder het gemiddelde van de Commissie lagen, en heeft een aantal maatregelen getroffen voor een effectievere tenuitvoerlegging van deze norm.
Doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van de verrichtingen; betrouwbaarheid van de verslaglegging; bescherming van activa en informatie; preventie, opsporing en correctie van fraude en onregelmatigheden en de naar aanleiding van deze fraude en onregelmatigheden genomen maatregelen; en adequate beheersing van de risico's in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma's en met de aard van de betrokken betalingen (art. 32 FR).
Het betreft beste ramingen van de ordonnateur, gebruikmakend van alle relevante beschikbare informatie en op basis van zijn professionele oordeel.
Dit verwijst naar het tijdstip waarop alle corrigerende controles zijn uitgevoerd. Dit gebeurt in de regel verscheidene jaren nadat de betaling is verricht, afhankelijk van de modaliteiten van het programma. Zie de definities in bijlage 2.
Voor sommige programma’s (bijv. Elfpo en ESIF) kunnen ook na de afsluiting nog correcties worden toegepast. De correcties na afsluiting worden geacht een raming van het risicobedrag bij afsluiting te zijn.
De "relevante uitgaven" zijn de verrichte betalingen exclusief voorschotten, maar inclusief voorschotten die tijdens het begrotingsjaar zijn verrekend. De reden hiervoor is dat tijdens het begrotingsjaar betaalde voorschotten als risicovrij worden beoordeeld, omdat de middelen eigendom blijven van de EU totdat de kosten worden gedeclareerd en de voorschotten in de daaropvolgende begrotingsjaren worden verrekend.
De geraamde risicobedragen op het moment van betaling die in de jaarlijkse activiteitenverslagen worden gemeld (vermeld in een lijst in bijlage 1 bij dit verslag) zijn (conservatief) aangepast door i) het neutraliseren van het effect van voorfinanciering die als risicovrij wordt beschouwd (met name op de beleidsterreinen “Cohesie” en “Onderzoek”), en (ii) het toepassen van het afgeleide foutenpercentage op de totale relevante uitgaven (zie vorige voetnoot).
Inclusief DG REGIO, DG EMPL, DG MARE en DG HOME. De geschatte toekomstige correcties zoals vermeld in de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG REGIO en DG EMPL zijn zeer conservatief. Zij zijn gebaseerd op de laagste raming van het risicobedrag. Als in plaats daarvan de hogere waarde zou zijn gebruikt, zouden de geschatte toekomstige correcties 1 839 miljoen EUR bedragen. Om er evenwel voor te zorgen dat de schatting voldoende conservatief is, worden de eerdere gemiddelde financiële correcties en terugvorderingen gebruikt als de hoogste waarde van de geschatte toekomstige correcties (1 435 miljoen EUR). Als gevolg van deze conservatieve benadering wordt de hoogste waarde van het risicobedrag mogelijk te hoog geraamd. De feitelijke hoogte van toekomstige correcties zal worden bepaald op basis van het feitelijke, bij afsluiting vastgestelde risico, om ervoor te zorgen dat het restrisico voor elk programma onder de materialiteitswaarde ligt (d.w.z. onder 2 %).
Verordening (EU) nr. 1303/2013 van 17 december 2013, PB L 347/2013.
Deze nieuwe bepaling geldt voor programma's die worden beheerd door de directoraten-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO), Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie (DG EMPL) en Maritieme Zaken en Visserij (DG MARE). Zij geldt niet voor programma's die door het directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken (DG HOME) worden beheerd.
Dit verslag wordt door de Commissie opgesteld en aan de kwijtingsautoriteit en de Rekenkamer gestuurd. Nadat het is aangenomen, is het beschikbaar op de Europa- website van DG Begroting . Het verslag over 2014 is beschikbaar op: "Protection of the European Union Budget to year end 2014" .
Bijvoorbeeld in de recente mededeling "Synergies and Efficiencies in the Commission – New Ways of Working" schetst de Commissie acties ter verbetering van de coördinatie tussen en onderlinge ondersteuning van DG's.
DG AGRI, DG CNECT, DG DEVCO, DG ECFIN, DG ENV, EPSO, DG ESTAT, DG HOME, DG HR, OIB, PMO, REA, DG SANTE.
DG BUDG, DG CLIMA, EACEA, ERCEA, FPI, DG GROW, IAS, DG JUST, OIL, OP, DG RTD, DG TAXUD.
Op basis van een in 2015 uitgevoerde audit constateerde de dienst Interne audit dat vooruitgang is gemaakt met het fraudebestrijdingsbeleid van de Commissie, maar dat de integratie ervan in de interne-controlesystemen beter kan. Integratie vergemakkelijkt de uitvoering en voorkomt dat de fraudebestrijdingsstrategieën een additionele controlelaag worden.
Zie het document "Methodology and guidance for the development of DGs’ anti-fraud strategies".
Bijlage 1 geeft een overzicht van de punten van voorbehoud, waarbij is aangegeven of het gaat om een nieuw of terugkerend voorbehoud.
Dat zijn: DG DEVCO (Vredesfaciliteit voor Afrika), DG CLIMA (Register voor het EU-systeem voor de emissiehandel), DG ENER (bijstandsprogramma voor de ontmanteling van nucleaire installaties) en DG HR (verantwoordingsplicht van Europese scholen).
IPA/CARDS/PHARE – Indirect beheer door begunstigde landen en andere uitvoerende entiteiten.
Pretoetredingsmaatregelen voor Turkije uit hoofde van IPARD.
Het huidige punt van voorbehoud betreft operationele programma's in 14 lidstaten, 6 programma's voor Europese territoriale samenwerking en 1 IPA-CBC-programma uit hoofde van het EFRO/Cohesiefonds voor de periode 2007-2013.
Bijlage 1 toont de gegevens voor elke afdeling van de Commissie. De totale uitgaven zijn gebaseerd op "verrichte betalingen" in 2015, zoals gerapporteerd in de jaarlijkse activiteitenverslagen (bijlage 3, tabel 2). Die bedragen zijn het resultaat van voorlopige boekhoudkundige gegevens over 2015 die op donderdag 31 maart 2016 beschikbaar waren en die kunnen worden herzien.
Met inbegrip van DG HOME.
Voor het beleidsterrein “Externe betrekkingen” zijn in de “totale uitgaven” ook uitgaven uit hoofde van het EOF begrepen (3 328 miljoen).
Voor het onderhavige verslag is gebruik gemaakt van de meest recente cijfers die sinds de voltooiing van de jaarlijkse activiteitenverslagen zijn geactualiseerd, wat verklaart waarom sommige cijfers licht afwijken van de cijfers in de jaarlijkse activiteitenverslagen.
EACEA (cultuur- en jongerenprogramma's voor de periode 2007-2013 ), EASME en DG GROW (kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie) en DG RTD (Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal).
"Niet gekwantificeerde punten van voorbehoud" wordt gedefinieerd als punten van voorbehoud waarvoor geen nauwkeurige inschatting van de financiële gevolgen kan worden gemaakt of die niet kunnen worden gekwantificeerd omdat het gaat om gevolgen van reputationele aard.
Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad van 20 december 2013 (PB L 346) en Verordening (Euratom) nr. 1369/2013 van de Raad van 20 december 2013 (PB L 346), en de bijbehorende corrigenda van 11 januari 2014 (PB L 8).
Naar aanleiding van een besluit van de Commissie werd de interne auditfunctie in 2015 gecentraliseerd in de dienst Interne audit. De interne auditteams van de DG's en diensten van de Commissie werden op 15 februari 2015 opgeheven.