23.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 433/19


Motivering van de Raad: Standpunt (EU) nr. 21/2016 van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de visserij op diepzeebestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en van bepalingen voor de visserij in de internationale wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad

(2016/C 433/02)

I.   INLEIDING

1.

De Europese Commissie heeft het in hoofde genoemde voorstel op 19 juli 2012 bij de Raad en het Europees Parlement ingediend (1). Doel van het voorstel is het actualiseren van de bestaande verordening tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de visserij op diepzeebestanden (2).

2.

Tussen januari 2014 en november 2015 heeft de Groep intern en extern visserijbeleid het voorstel grondig gelezen.

3.

Het Europees Parlement heeft op 10 december 2013 over zijn standpunt in eerste lezing gestemd (3).

4.

Na bestudering van de amendementen van het Parlement in de Groep, waarbij tevens rekening werd gehouden met de beginselen van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid (4), heeft het Luxemburgse voorzitterschap een compromistekst opgesteld zoals weergegeven in de derde kolom van doc. 5803/5/14, met inbegrip van de technische aanpassingen opgenomen in doc. 15306/15. Deze tekst werd op 11 november 2015 onderschreven door het Comité van permanente vertegenwoordigers, en op grond daarvan heeft het voorzitterschap een mandaat gekregen om onderhandelingen te beginnen met het Europees Parlement.

5.

Na de trialoog die op 17 november 2015 werd gehouden onder het Luxemburgse voorzitterschap, en extra trialogen op 26 april, 25 mei en 14 en 30 juni 2016, onder het Nederlandse voorzitterschap, werd een voorlopig akkoord bereikt met het Europees Parlement.

6.

Bij brief van 13 juli 2016 heeft de voorzitter van de Commissie visserij van het Europees Parlement de voorzitter van Coreper I meegedeeld dat, indien de Raad zijn door de juristen-vertalers bijgewerkte overeengekomen standpunt formeel aan het Europees Parlement zou toezenden, hij de plenaire vergadering zal aanbevelen het standpunt van de Raad in de tweede lezing van het Parlement zonder amendementen vast te stellen.

7.

Op 20 juli 2016 heeft het Comité van permanente vertegenwoordigers de definitieve compromistekst bevestigd met het oog op een akkoord (5).

II.   DOELSTELLING

8.

Doel van het voorstel is de bestaande verordening te actualiseren en de belangrijkste aspecten (vismachtigingsregeling, gegevensverzameling, monitoring van de inspanning en controle) scherper te stellen, de rapportageverplichtingen te vereenvoudigen en de regeling aan te vullen met maatregelen ter vermindering van de impact van de diepzeevisserij op het ecosysteem (begrip „voetafdruk van de visserij” en uitfasering van bodemtrawls).

III.   ANALYSE VAN HET STANDPUNT VAN DE RAAD IN EERSTE LEZING

A.    Algemeen

9.

Het standpunt van de Raad onderschrijft grotendeels het Commissievoorstel met betrekking tot de modernisering van de machtigingsregeling, waarbij de specifieke bepalingen over verzameling en registratie van gegevens beter worden afgestemd op het algemene kader voor gegevensverzameling, de rapportage wordt vereenvoudigd en de controlebepalingen worden herzien. De Raad bouwde evenwel enige flexibiliteit in om de administratieve lasten te verminderen en te voorkomen dat buitensporige maatregelen worden genomen (zie bijvoorbeeld de artikelen 5, lid 6, 6, lid 2), 10, 12 en 13, lid 2, van het standpunt van de Raad). Daarnaast werden de facultatieve bepalingen van het voorstel inzake het beheer van de visserij-inspanning geschrapt door de Raad, in het licht van de nieuwe beginselen inzake beheer die zijn ingevoerd bij de hervorming van het GVB, onder meer de invoering van de aanlandingsverplichting.

10.

In het licht van de hervorming van het GVB die pas in werking is getreden op 1 januari 2014, nadat het Parlement over zijn standpunt in eerste lezing had gestemd, kon de Raad niet akkoord gaan met bepaalde amendementen van het Europees Parlement die verder wilden gaan dan de nieuwe GVB-beginselen inzake diepzeevisserij (bv. de amendementen 36 en 37 inzake capaciteitsbeheer, 65 en 66 betreffende vangstbeperkingen als er onvoldoende gegevens zijn, en 71 betreffende de verplichting tot aanlanding van diepzeesoorten) of aangepaste GVB-elementen (bv. amendement 119 inzake steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij).

11.

Voor de wijzigingen in het Commissievoorstel bouwt de Raad voort op amendementen van het Parlement met betrekking tot de „voetafdruk van de visserij” (de amendementen 43 tot en met 55) en met betrekking tot de aanwijzing van gebieden waar kwetsbare mariene ecosystemen voorkomen of kunnen voorkomen (amendementen 42 en 56). Het voorstel van de Commissie om het gebruik van bodemtrawls in de diepzeevisserij uit te faseren, dat het Parlement niet als zodanig had aanvaard (zie amendement 62), werd in het standpunt van de Raad, waarin de drie verschillende visies samenkomen, vervangen door een pakket bepalingen (geen bodemtrawls op een diepte van meer dan 800 m in EU-wateren en in gebieden van de EU-wateren die zijn afgebakend met het oog op de bescherming van kwetsbare mariene diepzee-ecosystemen; strikte voorwaarden voor de experimentele visserij buiten traditionele visgronden („voetafdruk”), met bijbehorende sancties in geval van niet-naleving; versterkt toezicht door waarnemers, en rapportagevereisten betreffende soorten die wijzen op mogelijke kwetsbare mariene ecosystemen; en een grondige evaluatie van het effect van de verordening na vier jaar).

B.    Specifieke elementen

12.

Van bijzonder belang voor de drie instellingen was het toezicht door waarnemers aan boord van vaartuigen die op diepzeesoorten vissen. In een poging het belang dat het Parlement hecht aan het snel verwerven van meer wetenschappelijke kennis over diepzeesoorten en het effect van vistuig te verenigen met het belang dat de Raad hecht aan de toepassing van standaardparameters voor toezicht en het voorkomen dat één visserijtak de voorkeur krijgt boven vele andere wanneer er te weinig personele middelen zijn, is een compromis gevonden in de verplichting van 20 % waarnemerstoezicht voor vaartuigen die op diepzeesoorten vissen met bodemtrawls of geankerde kieuwnetten (artikel 16 van het standpunt van de Raad). Dit percentage kan worden herzien via de medebeslissingsprocedure na een wetenschappelijke evaluatie op verzoek van de Commissie.

13.

Bij de contacten met het Europees Parlement en de Commissie stond de ruimtelijke werkingssfeer van de verordening ter discussie. Het Parlement steunt met name de uitbreiding van de nieuwe regeling naar activiteiten van EU-vaartuigen in de internationale wateren van de noordoostelijke Atlantische Oceaan, die worden geregeld door maatregelen van de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC). De Raad verzette zich tegen deze aanpak uit bezorgdheid over de uiteenlopende voorschriften die van toepassing zouden zijn op hetzelfde gebied, en over de specifieke beheersaanpak van de NEAFC, en wees daarbij op het verschil in visserijpatronen. Een compromis zou kunnen zijn een selectieve uitbreiding van de voorschriften inzake waarnemerstoezicht voor de vaartuigen van de Unie die in NEAFC-wateren vissen (artikel 16, lid 5, van het standpunt van de Raad), om zo een norm op dit gebied te introduceren die hoger is dan de internationaal geldende norm. Voorts is de Raad bereid op visserijactiviteiten in de NEAFC-wateren bepalingen te blijven toepassen van de eerste toegangsverordening over aangewezen havens, de informatieverplichting en de vismachtiging (artikel 20, lid 3, van het standpunt van de Raad).

14.

Tot slot stemt de Raad in zijn standpunt in met een pakket van beoordelingselementen (artikel 19) dat moet leiden tot een gedetailleerde evaluatie van het feit of bestaande en nieuwe maatregelen geschikt zijn om de instandhouding op lange termijn van visbestanden, geringe impact op kwetsbare mariene ecosystemen en betere wetenschappelijke kennis te realiseren.

IV.   CONCLUSIE

15.

Bij het opstellen van zijn standpunt heeft de Raad het voorstel van de Commissie en het standpunt in eerste lezing van het Europees Parlement volledig in aanmerking genomen.


(1)  Zie doc. 12801/12.

(2)  Verordening (EG) nr. 2347/2002.

(3)  Zie doc. 17452/13.

(4)  Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(5)  Zie doc. 11141/16.