|
10.3.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 75/63 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad — Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020: een resultaatgerichte EU-begroting
(COM(2016) 603 final)
en over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020
(COM(2016) 604 — 2016/0283 (APP))
en over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2012/2002, Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014, (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad
(COM(2016) 605 final — 2016/0282 (COD))
(2017/C 075/12)
|
Rapporteur: |
Stefano PALMIERI |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 20.4.2016 Raad, 9.12.2016 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Bevoegd orgaan |
Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang |
|
Besluit van het bureau |
20.9.2016 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
14.12.2016 |
|
Zitting nr. |
521 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
169/5/9 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) begrijpt het streven van de Commissie naar een tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 en onderschrijft de bepalingen inzake flexibiliteit die zijn ingevoerd om het hoofd te bieden aan de onverwachte crises van de afgelopen jaren. Het voorgestelde kader is echter ontoereikend om werk te maken van de problemen en de prioriteiten van de Europese Unie (EU), vooral ten aanzien van het Europese politieke project dat momenteel ernstig in twijfel wordt getrokken. |
|
1.1.1. |
Tegenwoordig moet voor mondiale problemen en crises een Europees antwoord worden gevonden. Daarom meent het EESC dat het huidige MFK en dat voor na 2020 de middelen adequaat dient te bundelen en voor programma’s te bestemmen die:
|
|
1.2. |
Voor het EESC moeten de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020 en het overleg over het MFK na 2020 plaatsvinden met volledige inachtneming van artikel 3 van het Verdrag van Lissabon, om ervoor te zorgen dat de EU-burgers fatsoenlijke levensomstandigheden worden gegarandeerd, met inachtneming van hun welzijn, en van artikel 311 VWEU, luidende: „De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te leggen.” |
|
1.3. |
Het EESC veroordeelt met name de solidariteitscrisis binnen de EU, die moet worden aangepakt en opgelost. Het is onaanvaardbaar dat sommige lidstaten het legitieme solidariteitsbeginsel onderschrijven bij de verdeling van de middelen van het MFK 2014-2020 en tegelijkertijd niet thuisgeven om het hoofd te bieden aan de nood van vluchtelingen en migranten. |
|
1.4. |
Het vermogen van de EU om te reageren op de huidige en toekomstige uitdagingen zal juist afhangen van de kwalitatieve en de kwantitatieve dimensie van haar strategieën voor steunverlening. Het debat over het MFK moet zich concentreren op de functionaliteit — zowel qua uitgetrokken middelen als structuur van de begroting — om de EU de middelen te verschaffen voor de verwezenlijking van haar strategische prioriteiten zonder de belastingdruk op burgers en bedrijven te verhogen, d.w.z. het vermogen om een meerwaarde op Europees niveau te bieden met gelijke lasten voor de burgers. Een Europese meerwaarde waarvoor een brede politieke consensus bestaat ter ondersteuning van het optreden van de EU en die de burgers concrete voordelen kan garanderen. Tot de onderdelen met de grootste Europese meerwaarde rekent het EESC: de bijdrage aan de financiering van grote investeringen en innovatie (Europees Fonds voor strategische investeringen); het belichten van de potentiële voordelen van migranten en vluchtelingen voor de economie, de arbeidsmarkt en de dynamiek van de samenleving; de monitoring en begeleiding van de invoering van de cyclus 2014-2020 van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF); de versterking van de sociale pijler. Een specifiek instrument zou nuttig en noodzakelijk kunnen zijn voor de aanpak van de jeugdwerkloosheid, precaire arbeid en het verschijnsel van niet studerende, noch werkende jongeren (NEET). |
|
1.4.1. |
Wat het kwantitatieve aspect van de herziening van het MFK betreft, onderschrijft het Comité de verhoging van de middelen voor bepaalde, zeer effectief geachte uitgavencategorieën, met name Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), Erasmus+, Cosme en Wifi4EU, alsook de uitbreiding van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het YEI. |
|
1.4.2. |
Het EESC staat ook achter de nieuwe kredieten voor de aanpak van de migratiecrisis (Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het gemeenschappelijk asielstelsel van Dublin, noodhulp binnen de EU en een inreis-/uitreissysteem) en de politieke en economische instabiliteit in de EU en in de buurlanden (partnerschapskader, Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, macrofinanciële bijstand, mandaat voor externe leningen van de Europese Investeringsbank (EIB), de technische aanpassing van de toewijzingen voor het cohesiebeleid). |
|
1.5. |
Het EESC is het ermee eens om voor het kwalitatieve deel van de herziening van het MFK eenvoudiger en flexibeler algemene en sectorale financiële regels te formuleren. Het is dus zeer ingenomen met de vereenvoudiging van de administratieve verplichtingen voor de begunstigden van communautaire middelen, en van controles, audits en rapportage-vereisten. |
|
1.5.1. |
Toch meent het EESC dat de invoering van de beginselen voor beter uitgeven („better spending”) en de op resultaten gebaseerde budgettering („performance-based budgeting”) geen vrijbrief mag zijn om onterecht te snijden in uitgaven voor sectoren of programma’s waarvan de evaluatie minder voor de hand ligt dan bij andere, hetzij omdat de voordelen pas op lange termijn blijken of omdat ze moeilijker te kwantificeren zijn. Dit zou zeer nadelig kunnen uitpakken voor programma’s zoals Horizon 2020, CEF en Cosme. |
|
1.5.2. |
Enerzijds moeten er volgens het EESC stimuli komen die verantwoord uitgeven kunnen bevorderen. Anderzijds dient er een systeem te komen van adequate en tijdige monitoring van de doelstellingen voor de verschillende beleidsgebieden van de EU-begroting. |
|
1.6. |
Met het oog op het debat over het voorstel inzake het MFK na 2020 dringt het EESC erop aan dat de resultaten van de lopende begroting nu al zorgvuldig worden beoordeeld, ook in het licht van de tussentijdse evaluatie, en dat daarbij besproken wordt wat de prioriteiten zijn en welke wijzigingen moeten worden doorgevoerd. |
|
1.7. |
Het Comité meent dat het nuttig zou zijn om de looptijd van de volgende MFK’s gelijk te trekken met die van de politieke cycli van de Commissie en het Parlement. Het Comité steunt het voorstel voor een periode van 5 + 5 met een verplichte tussentijdse beoordeling voor sommige begrotingsposten die een langetermijnplanning vereisen (met name het cohesie- en het plattelandsontwikkelingsbeleid) en voor alle andere begrotingsposten een middellange looptijd van 5 jaar, afgestemd op de Europese verkiezingen. |
|
1.8. |
Het EESC onderschrijft het voornemen van de Commissie om nieuwe soorten eigen middelen te introduceren, alsook het werk van de Groep op hoog niveau inzake de eigen middelen (HLGOR). De voorstellen die de Commissie uitwerkt over het stelsel van eigen middelen moeten in de loop van 2017 echter wel, met een passende inbreng van het EESC, worden besproken en vastgesteld in de aanloop naar het MFK voor na 2020. |
|
1.8.1. |
In deze context benadrukt het EESC dat de EU zich moet toerusten met een autonoom, transparant en billijk stelsel van eigen middelen, waardoor de nationale bijdragen van de lidstaten kunnen afnemen, maar zonder de belastingdruk te verhogen, met name voor de meest benadeelde burgers. Voorts wijst het EESC op het belang van de bestrijding van belastingontduiking, ook dankzij meer transparantie (1), en van elke vorm van illegale belastingconcurrentie tussen de lidstaten. |
|
1.8.2. |
Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om onverwijld een raming te maken van het begrotingsverlies ten gevolge van het Brits vertrek uit de EU. |
|
1.9. |
Ook het Comité is van mening dat de Unie behoefte heeft aan „meer (= beter) en niet aan minder Europa” (2). De crisis in de EU is ontstaan doordat er geen strategische visie op de toekomst van Europa is. Deze crisis zal verscherpen als het MFK na 2020 niets aan de oorzaken doet die verband houden met het democratisch tekort, de tekortschietende rechtsstaat en het effect daarvan op de sociale groepen en productiesectoren die „verliezers” van de globalisering zijn. De Unie moet terugkeren naar een hooggestemde visie op de toekomst om te kunnen concurreren met grote spelers in de wereld. Dit vereist een ambitieus MFK, dat opgewassen is tegen de uitdagingen die ons te wachten staan. |
|
1.10. |
Om de doelstellingen van het MFK te concretiseren, moet de nieuwe begroting van de Unie voorbeeldig, efficiënt en transparant zijn om geloofwaardig bij de burgers over te komen en ervoor te zorgen dat zij er de voordelen van Europa en de kosten van een niet verenigd Europa gemakkelijk in kunnen terugvinden. |
2. Algemene opmerkingen
|
2.1. |
Het door de Europese Commissie voorgestelde pakket naar aanleiding van de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020 betreft wetswijzigingen en hertoewijzing van middelen ter hoogte van 12,8 miljard EUR tot het einde van de periode, met inbegrip van de ontwerpbegroting 2017, die gericht zijn op groei en werkgelegenheid, migratie en veiligheid. Deze herziening bepaalt met name het volgende:
|
|
2.2. |
Het EESC heeft er al eerder (3) op gewezen, en bevestigt in dit advies dat het zich ervan bewust is dat de Commissie in 2013, tegen een ingewikkelde sociale, economische en politieke achtergrond, een evenwicht in het MFK heeft bereikt door te bemiddelen tussen twee tegengestelde vereisten. Het eerste vereiste betrof de wens van sommige lidstaten om naar aanleiding van de economische en financiële crisis te bezuinigen. Het tweede is dat de Europese Unie (EU) de ambitieuze uitdagingen die uit het Verdrag van Lissabon of de Europa 2020-strategie voortvloeien op de juiste wijze efficiënt aangaat. |
|
2.3. |
De tussentijdse evaluatie van het MFK vindt nu plaats in een situatie die ten opzichte van 2013, enigszins gewijzigd is. De EU blijft met moeilijkheden kampen wegens de in sommige lidstaten nog grote gevolgen van de financiële en economische crisis, vooral voor de lagere en middelhoge inkomens, in combinatie met het ontbreken van een onderling afgestemd antwoord op deze crisis op communautair niveau. En hier zijn nog onrustwekkende sociale, politieke en institutionele ontwikkelingen bijgekomen, zoals de terroristische aanslagen die Europa recent hebben getroffen. |
|
2.3.1. |
In de eerste plaats is er een groeiende stroom migranten en vluchtelingen die op de vlucht zijn voor oorlog en armoede in Afrika en het Midden-Oosten; deze leidt in de Europese publieke opinie tot bezorgdheid, vooral in het Middellandse Zeegebied en de Balkanlanden, die de eerste impact ondergaan, en in de landen van bestemming, die voor de integratie moeten zorgen. |
|
2.3.2. |
Ten tweede heerst er wijdverbreide scepsis over het vermogen van de politiek, en dus ook van de lidstaten en de EU, om economische welvaart en sociale cohesie (4) te handhaven, met tot gevolg de oproep tot meer ruimte voor de nationale regeringen, net op een moment waarop juist de EU als mondiale speler zou moeten optreden. |
|
2.3.3. |
Ten derde maakt het referendum over de uitstap van het Verenigd Koninkrijk uit de EU, de zogenaamde brexit, duidelijk dat de EU geen wet van Meden en Perzen en brengt de situatie van een lidstaat die op het punt staat de Unie te verlaten, nooit eerder geziene institutionele en financiële problemen mee voor het MFK. |
|
2.4. |
In deze snel veranderende omgeving hangt de beoordeling van de doeltreffendheid van het MFK af van de volledige inachtneming van de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 3 van het Verdrag van Lissabon, dat tot doel heeft om de EU-burgers te voorzien van fatsoenlijke levensomstandigheden, met inachtneming van hun welzijn (5), en artikel 311 VWEU, dat stelt: „De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven.”. |
|
2.5. |
Het vermogen van de EU om te reageren op de huidige en toekomstige uitdagingen zal juist afhangen van de kwalitatieve en de kwantitatieve dimensie van haar strategieën voor steunverlening. Het gaat erom te begrijpen in welke sectoren er moet worden uitgegeven om tot groei, werkgelegenheid en een antwoord op de nieuwe uitdagingen te komen; in welke vorm de uitgaven het meest effectief zijn; hoe een serieuze en niet slechts formele evaluatie van de investeringen moet plaatsvinden; en tot slot hoe het optreden van de Europese instellingen tegen een achtergrond van wijdverbreid wantrouwen onder de burgers (6) moet worden meegedeeld. |
|
2.6. |
Daarom kan nu worden gesteld dat het voorgestelde kader geheel en al ontoereikend is om werk te maken van de uitdagingen en de prioriteiten van de EU, ondanks de waardering van het Comité voor de inspanningen van de Commissie voor de voorgestelde tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020. |
3. Bijzondere opmerkingen
|
3.1. |
Het EESC is het ermee eens om voor het kwalitatieve deel van de herziening van het MFK eenvoudiger en flexibeler algemene en sectorale financiële regels te formuleren. Het is dus zeer ingenomen met de vereenvoudiging van de administratieve verplichtingen voor de begunstigden van communautaire middelen, en van controles, audits en rapportagevereisten. |
|
3.2. |
Toch meent het EESC dat de invoering van de beginselen voor beter uitgeven („better spending”) en de op resultaten gebaseerde budgettering („performance-based budgeting”) geen vrijbrief mag zijn om onterecht te snijden in uitgaven voor sectoren of programma’s waarvan de evaluatie minder voor de hand ligt dan bij andere, hetzij omdat de voordelen pas op lange termijn blijken of omdat ze moeilijker te kwantificeren zijn. Dit zou zeer nadelig kunnen uitpakken voor programma’s zoals Horizon 2020, CEF en Cosme. |
|
3.2.1. |
Enerzijds moeten er volgens het EESC stimuli komen die verantwoord en doeltreffend uitgeven kunnen bevorderen. Anderzijds dient er een systeem te komen van adequate en tijdige monitoring van de doelstellingen voor de verschillende beleidsgebieden van de EU-begroting. |
|
3.3. |
Maar dit is op zichzelf niet voldoende om concreet te reageren op de toenemende economische, sociale en politieke problemen, en om groei, werkgelegenheid en de sociale pijler te stimuleren. Dit is des te meer het geval als aanvullende middelen ontbreken in sectoren waar de communautaire begroting een meerwaarde heeft ten opzichte van het beleid dat de individuele lidstaten kunnen voeren. |
|
3.4. |
Zoals vermeld in eerdere adviezen van het EESC maken de uitdagingen waarmee de EU wordt geconfronteerd, een verhoging van de communautaire begroting niet alleen wenselijk maar ook noodzakelijk (7). |
|
3.5. |
De reactie op deze uitdagingen is in eerste instantie krachtige steun en prikkels voor zowel publieke als particuliere investeringen. In 2014 lag het niveau van de investeringen 15 % onder dat van 2007, direct vóór de grote financiële en economische crisis, wat overeenkomt met een daling van 430 miljard ten opzichte van het hoogst bereikte niveau, en circa 300 miljard minder dan het gemiddelde van de laatste jaren. Voorts waren vijf landen alleen al (Spanje, Italië, Griekenland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk) goed voor 75 % van deze achteruitgang (8). |
|
3.6. |
Om indirect iets te doen aan de schaarse investeringen heeft de Commissie het EFSI voorgesteld en geactiveerd, dat via de EIB particuliere bronnen moet aanboren, in aanvulling op de communautaire. De beoordeling hangt af van het vermogen om aanvullende projecten te ondersteunen, ten opzichte van de normaliter gefinancierde projecten. Uit de eerste analyses blijkt echter dat een groot deel van de EFSI-projecten vrijwel overeenstemt met andere projecten die de EIB doorgaans financiert, vooral in de meer ontwikkelde regio’s (9). Het EESC zou graag zien dat de aandacht meer gericht wordt op daadwerkelijk innovatieve, riskante en anders niet te financieren projecten die echte economische groei en banen in de EU kunnen opleveren. |
|
3.7. |
De migranten- en vluchtelingencrisis gaat niet alleen over de opvangverplichtingen. De door de EU uitgetrokken middelen kunnen ook dienen om de gevreesde risico’s voor de binnenlandse veiligheid om te zetten in kansen door te wijzen op de potentiële voordelen voor de economie, de arbeidsmarkt en de dynamiek van de samenleving. Het EESC meent, evenals het Europees Parlement (10), dat de gereserveerde middelen onder rubriek 3 („Veiligheid en burgerschap”) en 4 („Europa als wereldspeler”), in het bijzonder voor de vluchtelingencrisis en externe steun, in de komende maanden en jaren ontoereikend kunnen blijken. Het verzoekt derhalve om hogere uitgavenplafonds. |
|
3.7.1. |
Het EESC veroordeelt in dit verband de solidariteitscrisis binnen de EU, die moet worden aangepakt en opgelost. Het is onaanvaardbaar dat sommige lidstaten het legitieme solidariteitsbeginsel onderschrijven bij de verdeling van de middelen van het MFK 2014-2020 en tegelijkertijd niet thuisgeven om het hoofd te bieden aan de nood van vluchtelingen en migranten. |
|
3.8. |
De Europese structuur- en investeringsfondsen vormen de kern van de Europa 2020-strategie en de doelstellingen daarvan, met een budget van 454 miljard EUR voor de programmeringsperiode 2014-2020. Als belangrijkste investeringsinstrument in de EU kan het door middel van een grotere sociale en territoriale cohesie bijdragen tot economische groei en het scheppen van nieuwe hoogwaardige banen. De Europese instellingen moeten de onlangs gelanceerde cyclus nauwlettend volgen en begeleiden om te garanderen dat de verwachte resultaten worden bereikt, zoals overeengekomen tussen de Commissie, de lidstaten en de regio’s. Dit impliceert hoe dan ook nauwe betrokkenheid van maatschappelijke organisaties en sociale partners, die zijn vertegenwoordigd in het EESC. |
|
3.9. |
De jeugdwerkloosheid (circa 20 % van de beroepsbevolking, hoewel met grote verschillen tussen de lidstaten (11)), precaire arbeid en het verschijnsel van niet studerende, noch werkende jongeren (NEET, 19 % van de bevolking tussen 20 en 34 jaar (12)) blijven onaanvaardbaar wijd verspreid en gaan ten koste van hun opleidingsniveau en in het algemeen van het menselijke kapitaal van Europa. Om deze problemen het hoofd te bieden dient in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF) het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) te worden versterkt en met meer middelen te worden gefinancierd, in combinatie met een verhoging van de geplande uitgavenplafonds voor rubriek 1B („Sociale en territoriale samenhang”). |
|
3.10. |
Tot slot moet de kwestie van de betalingsachterstanden worden opgelost. De kloof die in de laatste jaren is ontstaan tussen de betalingsverplichtingen en betalingen aan de lidstaten bedroeg eind 2014 bijna 25 miljard EUR en zou eind 2016 gedicht moeten zijn. De negatieve gevolgen van betalingsachterstanden treffen alle begunstigden van de EU-begroting, met inbegrip van bedrijven, onderzoeksinstellingen en lokale overheden. Met een begroting die toch al zeer beperkt is in vergelijking met het Europese bbp, moet op zijn minst gezorgd worden voor een tijdige betaling van aangegane verplichtingen, door alle maatregelen te nemen die kunnen voorkomen dat deze situatie aansleept of zich ook in het volgende MFK voordoet. |
|
3.11. |
Het EESC onderschrijft dus de verhoging van de middelen voor bepaalde, zeer effectief geachte uitgavencategorieën, met name Horizon 2020, CEF-vervoer, Erasmus+, Cosme en Wifi4EU, alsook de uitbreiding van het EFSI en het YEI. |
|
3.11.1. |
Het EESC staat ook achter de nieuwe kredieten voor de aanpak van de migratiecrisis (Europees Grens- en kustwachtagentschap, Europol, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, het gemeenschappelijk asielstelsel van Dublin, noodhulp binnen de EU en een inreis-/uitreissysteem) en de politieke en economische instabiliteit in de EU en de buurlanden (partnerschapskader, Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, macrofinanciële bijstand, mandaat voor externe leningen van de EIB en de technische aanpassing van de toewijzingen voor het cohesiebeleid). |
4. Het meerjarig financieel kader na 2020
|
4.1. |
Uiterlijk op 1 januari 2018 zal de Europese Commissie het voorstel voor het MFK na 2020 presenteren. Het EESC wil dat de resultaten van de lopende begroting nu al zorgvuldig worden beoordeeld, ook in het licht van de tussentijdse evaluatie en om te bespreken wat de prioriteiten zijn en welke wijzigingen moeten worden doorgevoerd. Het is de bedoeling dat het MFK opgewassen is tegen de uitdagingen en prioriteiten van de EU op lange termijn. |
|
4.2. |
De crisis in de EU is ontstaan doordat er geen strategische visie op de toekomst van Europa is. Deze crisis zal verscherpen als het MFK na 2020 niets aan de oorzaken doet die verband houden met het democratisch tekort, de tekortschietende rechtsstaat en het effect daarvan op de sociale groepen en productiesectoren die „verliezers” van de globalisering zijn. Als de begrotingsregels van de EU de capaciteit van de lidstaten om zelfstandig op te treden, hebben beperkt, waardoor onzekerheid op de arbeidsmarkt en in het systeem van sociale voorzingen ontstond, dan hebben ze momenteel voor de burgers niet gezorgd voor sociale vangnetten op communautair niveau, en evenmin voor een Europees economisch systeem dat echt innovatief en concurrerend is en opgewassen tegen de mondiale uitdagingen (13). |
|
4.3. |
Het is daarom cruciaal dat er in het nieuwe MFK meer aandacht, alsook nieuwe middelen, worden besteed aan de grote strategische prioriteiten voor Europa, die van doorslaggevend belang zijn voor het voortbestaan van de EU:
|
|
4.4. |
Wat betreft de hervorming van de duur van het MFK acht het EESC, evenals het Europees Parlement (14), het nuttig om deze gelijk te trekken met de beleidscyclus van de Commissie en het Parlement, zodat in de verkiezingscampagne voor de Europese verkiezingen het debat over de prioriteiten van de communautaire begroting centraal staat. Het Comité steunt het voorstel voor een periode van 5 + 5 met een verplichte tussentijdse beoordeling voor sommige begrotingsposten die een langetermijnplanning vereisen (met name het cohesie- en het plattelandsontwikkelingsbeleid) en voor alle andere begrotingsposten een middellange looptijd van 5 jaar, afgestemd op de Europese verkiezingen. |
|
4.5. |
De Commissie zou zo spoedig mogelijk, ook met het oog op het voorstel voor het MFK na 2020, een gedetailleerde analyse moeten maken van de gevolgen van de brexit voor de ontvangsten en uitgaven van de EU (15). |
|
4.6. |
Voorts moet binnen de eurozone een passende begroting in staat zijn het hoofd te bieden aan de specifieke problemen van de lidstaten die de euro gebruiken. Verwijzend naar een voorstel van het EESC „moet dus worden toegewerkt naar een geschikte eigen begroting voor de eurozone, volgens algemeen aanvaarde regels. Die begroting voor de eurozone is de enige mogelijke opstap naar een gemeenschappelijk begrotingsbeleid en de ondervanging van schokken die zich in de toekomst nog kunnen voordoen.” (16). |
|
4.7. |
Aan de ontvangstenzijde moet rekening worden gehouden met de voorstellen waaraan gewerkt wordt door de groep op hoog niveau inzake de eigen middelen (HLGOR), voorgezeten door Mario MONTI, waarvan eind 2016 het eindverslag wordt verwacht, samen met het door de Commissie voorbereide wetgevingsvoorstel hierover. |
|
4.7.1. |
Van groot belang acht het EESC een nieuwe begroting met overwegend eigen, doelgerichte en duurzame middelen ten opzichte van de nationale bijdragen, die integendeel het onjuiste beginsel van de „billijke tegenprestatie” versterken. Daarom bevestigt het EESC zijn standpunt uit eerdere adviezen (17) en verleent het steun aan het voorstel van de Europese Commissie inzake de eigen middelen, waarbij inkomsten rechtstreeks naar de EU-begroting zouden gaan, zonder omweg via de lidstaten. Het nieuwe systeem moet vermijden dat de belastingdruk toeneemt, vooral voor de meest achtergestelde burgers en de kleine en middelgrote ondernemingen. |
|
4.7.2. |
Er dient een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag te komen voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) om fiscale transparantie te verbeteren, belastingontwijking te helpen bestrijden en om het scheppen van banen, investeringen en handel te stimuleren. |
|
4.8. |
Ook het Comité is van mening dat de Unie behoefte heeft aan „meer (= beter) en niet aan minder Europa”. Om de doelstellingen van het MFK te concretiseren, moet de nieuwe begroting van de Unie voorbeeldig, efficiënt en transparant zijn om geloofwaardig bij de burgers over te komen en ervoor te zorgen dat zij er de voordelen van Europa en de kosten van een niet verenigd Europa gemakkelijk in kunnen terugvinden. |
Brussel, 14 december 2016.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Georges DASSIS
(1) EESC-advies over openbare fiscale transparantie (verslaglegging per land) (PB C 487 van 28.12.2016, blz. 62).
(2) „[…] en dan niet door subsidiariteit maar door méér en beter Europa centraal te stellen”, EESC-advies over een bijgewerkte analyse van de kosten van een niet-verenigd Europa (PB C 351 van 15.11.2012, blz. 36).
(3) EESC-advies over het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB C 229 van 31.7.2012, blz. 32).
(4) Slechts een derde van de EU-burgers heeft vertrouwen in de EU en haar instellingen. Europese Commissie, „Public Opinion in the European Union” — Standard Eurobarometer 85, mei 2016:
http://ec.europa.eu/COMMFrontOffice/publicopinion/index.cfm/ResultDoc/download/DocumentKy/75977
(5) „The Union’s aim is to promote peace, its values and the well-being of its peoples […]”.
(6) „Mid-term review/revision of the multiannual financial framework 2014-2020 An EU budget focused on results” (Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014-2020 — Een resultaatgerichte EU-begroting) (SWD(2016) 299 final).
(7) EESC-advies over de bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB C 229 van 31.7.2012, blz. 32).
(8) Europese Commissie en Europese Investeringsbank, „Why does the EU need an investment plan?”, 2015.
(9) G. Claeys, A. Leandro, „Assessing the Juncker Plan after one year”, Bruegel.org, mei 2016.
(10) Resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel (P8_TA-PROV(2016)0309).
(11) Eurostat, Unemployment statistics (http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Unemployment_statistics).
(12) Eurostat, „Statistics on young people neither in employment nor in education or training” (http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Statistics_on_young_people_neither_in_employment_nor_in_education_or_training).
(13) P. De Grauwe, „What Future for the EU After Brexit?”, CEPS, oktober 2016.
(14) Zie voetnoot 10.
(15) Het Institute for Fiscal Studies heeft berekend dat de gemiddelde nettobijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan de EU-begroting circa 8 miljard EUR beloopt. Zie Institute for Fiscal Studies, 2016, „The Budget of the EU: a guide”. IFS Briefing Note BN 181. Browne, J., Johnson, P., Phillips, D.
(16) Zie het EESC-advies over de voltooiing van de EMU — de voorstellen van het EESC voor de volgende Europese legislatuur (PB C 451 van 16.12.2014, blz. 10).
(17) Zie het EESC-advies over de evaluatie van de EU-begroting (PB C 248 van 25.8.2011 blz. 75).