|
2.2.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 34/73 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over belemmeringen voor een duurzame aquacultuur in Europa wegnemen
(verkennend advies)
(2017/C 034/11)
|
Rapporteur: |
Gabriel SARRÓ IPARRAGUIRRE |
|
Raadpleging |
Europese Commissie, 29.4.2016 |
|
Rechtsgrondslag |
Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
|
Verkennend advies |
|
Besluit van het bureau van het Comité |
15.3.2016 |
|
|
|
|
Bevoegde afdeling |
Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu |
|
Goedkeuring door de afdeling |
30.9.2016 |
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering |
19.10.2016 |
|
Zitting nr. |
520 |
|
Stemuitslag (voor/tegen/onthoudingen) |
220/1/2 |
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1. |
Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) maakt zich ernstig zorgen over de situatie van de Europese aquacultuur, die er ondanks de bereidheid om de sector in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), de gemeenschappelijke marktordening (GMO) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) te bevorderen, niet op vooruit is gegaan. |
|
1.2. |
Hoofdoorzaak van de trage administratieve procedures voor het bedrijven van aquacultuur en van het gebrek aan beschikbare vestigingslocaties is dat de uitvoering van de EU-milieuvoorschriften voor de nationale en regionale overheden bijzonder ingewikkeld is; dat geldt met name voor de kaderrichtlijn water, de kaderrichtlijn mariene strategie en de richtlijnen inzake Nature 2000. Dit heeft ertoe geleid dat de aquacultuurbedrijven moeten beantwoorden aan een aantal buitensporig dure vereisten, die paradoxaal genoeg niet eens leiden tot een betere bescherming van het milieu. |
|
1.3. |
Het EESC verzoekt de Commissie met klem om haar verplichtingen op het vlak van coördinatie van de gedeelde bevoegdheden inzake aquacultuur nauwgezet na te komen, inclusief de vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten en de betrokkenheid van de regionale en nationale overheidsdiensten met bevoegdheden op aquacultuurgebied. |
|
1.4. |
De Commissie moet erop toezien dat de lidstaten uitvoering geven aan haar richtsnoeren over de toepassing van Europese milieunormen, om zo onnodige administratieve lasten te verminderen en de kwaliteit van wateren en ecosystemen op peil te houden. |
|
1.5. |
Worden de problemen rond de bureaucratische rompslomp en het gebrek aan vestigingslocaties niet opgelost, dan zal de Europese aquacultuur de beschikbare middelen uit het EFMZV niet kunnen benutten, zoals ook het geval was met de middelen uit het voormalige Europees Visserijfonds (EVF). Voorts bestaat het risico dat er vanwege de maatregelen van de lidstaten om het begrotingstekort terug te dringen geen middelen worden uitgetrokken voor initiatieven ten behoeve van een duurzame aquacultuur die groei en banen kunnen opleveren. |
|
1.6. |
Het EESC verzoekt de Commissie met klem erop toe te zien dat de adviesraad voor aquacultuur zijn werkzaamheden zo snel mogelijk aanvat, en zich in te zetten voor het efficiënt functioneren van deze raad. Voorwaarde daartoe is dat de betrokkenen en de desbetreffende Europese en nationale diensten, en dan vooral de Commissie, samenwerken. |
|
1.7. |
Het EESC dringt er bij de Commissie op aan dat zij samen met de lidstaten een uitvoerige follow-up van de meerjarige nationale strategische plannen voor de aquacultuur uitvoert om na te gaan in hoeverre de doelstellingen bereikt zijn; ook moet zij erover waken dat alle nationale overheidsdiensten met milieubevoegdheden daarbij betrokken worden. |
|
1.8. |
Het EESC waarschuwt de Commissie dat de komende jaren cruciaal zullen zijn voor de toekomst van de aquacultuursector in de EU. De inspanningen die men zich heeft getroost om een regelgevingskader ten behoeve van de duurzame aquacultuur in te voeren, zouden wel eens tevergeefs kunnen zijn indien de situatie niet nauwlettend in het oog wordt gehouden en er niets wordt gedaan aan de huidige knelpunten binnen de overheidsdiensten van de lidstaten die niet betrokken zijn geweest bij het opstellen van de meerjarige nationale strategische plannen voor de aquacultuur. |
2. Achtergrond
|
2.1. |
Binnen de huidige verordeningen inzake het gemeenschappelijke visserijbeleid en de gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten is een ongekend belangrijke plaats ingeruimd voor duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU. |
|
2.2. |
Het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) heeft een aparte begroting voor duurzame ontwikkeling van de aquacultuur, die voor de periode 2014-2020 niet minder dan 1,2 miljard EUR bedraagt. |
|
2.3. |
Het EESC heeft de afgelopen jaren twee adviezen over de aquacultuur uitgebracht (1) (2). In beide adviezen wijst het EESC op het belang van deze sector voor de EU en dringt het er bij de Commissie en de lidstaten op aan dat zij een verantwoordelijke en duurzame aquacultuur bevorderen. |
|
2.4. |
In 2013 bracht de Commissie een aantal strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU uit. Doel van deze richtsnoeren was de lidstaten een leidraad te bieden aan de hand waarvan zij nationale doelstellingen voor de sector konden vaststellen, rekening houdend met hun eigen uitgangssituatie, nationale omstandigheden en institutionele bepalingen. |
|
2.4.1. |
In de richtsnoeren werd de lidstaten onder meer aangeraden nationale strategische meerjarenplannen voor de aquacultuur uit te werken, met gezamenlijke doelstellingen en, indien mogelijk, indicatoren om de gemaakte vorderingen te beoordelen. Deze strategische plannen dienden ertoe het concurrentievermogen van de aquacultuur te bevorderen, de ontwikkeling ervan door middel van innovatie te ondersteunen, alsook de economische activiteit en de diversificatie een impuls te geven, de levenskwaliteit in de kust- en plattelandsstreken te verbeteren, en de aquacultuurproducenten gelijke voorwaarden te bieden voor wat de toegang tot wateren en land betreft. |
|
2.4.2. |
In 2013 legden alle lidstaten met een aquacultuurindustrie hun nationale strategische meerjarenplannen voor. De meeste maatregelen en acties die in deze plannen werden voorgesteld waren later terug te vinden in de operationele programma’s op basis waarvan de financiële steun uit het EFMZV werd toegekend. Daarmee moest het gemakkelijker worden de desbetreffende maatregelen en acties in gang te zetten. |
|
2.5. |
Het nieuwe GVB voorzag in de oprichting van een adviesraad voor aquacultuur, die de plaats inneemt van het opgeheven Raadgevend Comité voor de visserij en aquacultuur (werkgroep 2 — Aquacultuur). Deze adviesraad heeft tot taak het debat over sectorgerelateerde kwesties te bevorderen en de EU-instellingen aanbevelingen en suggesties voor te leggen. Daarnaast wordt een adviesraad voor markten opgericht, die zich zal toeleggen op een betere marktvoering van aquacultuurproducten en andere visserijproducten. |
3. Algemene opmerkingen
|
3.1. |
Naar schatting van de FAO moet de wereldwijde voedselproductie in 2050 met circa 70 % zijn toegenomen om de 9 miljard mensen die dan naar verwachting op aarde zullen leven van voedsel te kunnen voorzien. De FAO ziet voor de aquacultuur met zijn groeimogelijkheden een belangrijke rol in de voedselproductie weggelegd en adviseert deze sector, die voedsel, werkgelegenheid en welvaart oplevert, te stimuleren. |
|
3.2. |
De consumptie van vis en andere aquatische producten wordt aanbevolen omdat deze een hoge voedingswaarde hebben en belangrijk zijn voor het behoud van een goede gezondheid. Mensen de kans geven voldoende aquatische producten te eten is een maatschappelijke prioriteit. Per persoon wordt binnen de EU jaarlijks ca. 23,9 kg aquatische producten gegeten, waarbij een lichte stijging te zien valt. |
|
3.3. |
Wat aquatische producten voor menselijke consumptie betreft, vertoont de externe handelsbalans van de EU een tekort. Op de EU-markt wordt jaarlijks zo’n 13,2 miljoen ton aquatische producten geconsumeerd, waarvan 65 % geïmporteerd wordt, 25 % afkomstig is uit de visserij van de EU en slechts 10 % uit de Europese aquacultuur. Aan de stijging van het invoerpercentage is de laatste jaren wel een einde gekomen. Dit neemt niet weg dat een evenwicht ver te zoeken is, waardoor de EU er wat de huidige en toekomstige voedselzekerheid betreft zwak voor staat. |
|
3.4. |
Jaarlijks produceert de Europese aquacultuur 1,2 miljoen ton. Daarvan is 65,4 % afkomstig uit de aquacultuur op zee en 34,6 % uit de aquacultuur op het land. De eerste verkoop van aquacultuurproducten is goed voor zo’n 4 miljard EUR. Er bestaan diverse productiemethoden, van de traditionele aquacultuurvijvers tot de technisch meer geavanceerde systemen, waaronder bassins, kooien op volle zee en waterrecirculatie. |
|
3.5. |
De EFMZV-verordening werd in mei 2014 goedgekeurd en gepubliceerd. De operationele programma’s van de lidstaten voor het EFMZV werden pas in het najaar van 2015 definitief door de Commissie goedgekeurd, met een vertraging van één jaar en vijf maanden. |
|
3.5.1. |
De Rekenkamer publiceerde in 2014 een studie over de doeltreffendheid van de steun die via het voormalige Europees Visserijfonds (EVF) aan de aquacultuur was verleend. Daarin concludeerde de Rekenkamer dat het EVF de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur niet op doeltreffende wijze had gesteund. Zij stelde dat de Europese steunmaatregelen niet goed waren opgezet en dat er geen sprake was van toezicht noch van een duidelijk kader voor de ontwikkeling van de aquacultuur. De steunmaatregelen werden door de lidstaten niet naar behoren uitgewerkt en toegepast, en de nationale strategische plannen en operationele programma’s verschaften geen duidelijke basis voor de bevordering van de aquacultuur. |
|
3.6. |
Momenteel levert de aquacultuur in de EU 85 000 rechtstreekse banen op, een aantal dat evenwel gestagneerd is. Het EESC is ingenomen met de raming van de Commissie dat elke procentpunt stijging in de consumptie van Europese aquacultuurproducten zo’n 3 000 à 4 000 fulltimebanen zou opleveren. Daarnaast tellen we nagenoeg 200 000 indirecte banen in de toeleveringsbranche, de verwerkende sector en via aanvullende activiteiten. |
|
3.7. |
Het is een goede zaak dat de lidstaten meerjarige nationale strategische plannen voor de aquacultuur hebben opgesteld en bij de Commissie hebben ingediend. Het EESC meent echter dat de economische, ecologische en sociale belanghebbenden, vergeleken met de overheden, te weinig bij het opstellen van deze plannen betrokken zijn geweest, zeker gezien de leidende rol van de overheidsinstanties die rechtstreeks bevoegd zijn voor aquacultuur. |
4. Specifieke opmerkingen
|
4.1. |
Het EESC vindt dat het gebrek aan evenwicht op de externe handelsbalans van aquatische producten van de EU onaanvaardbaar is, zowel in economisch opzicht, vanwege het handelsdeficit dat dit inhoudt, maar ook in sociaal opzicht omdat werkgelegenheidskansen niet worden benut. |
|
4.2. |
De groei van de aquacultuurproductie in de Europese Unie, die omstreeks het jaar 2000 duidelijk tot staan kwam, wil maar niet op gang komen, ondanks de inspanningen van de verschillende Europese, nationale en regionale instanties. De toegevoegde waarde van de handel is weliswaar licht gestegen, maar de productievolumes blijven op hetzelfde niveau steken. |
|
4.3. |
In haar strategische richtsnoeren van 2013 voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU zette de Commissie precies uiteen waarom de aquacultuur in de EU stagneert en in de rest van de wereld juist wel sterk groeit. Volgens haar zijn de twee belangrijkste oorzaken de ingewikkelde administratieve procedures die doorlopen moeten worden om aquacultuuractiviteiten uit te oefenen en de moeite om locaties te vinden waar aquacultuurbedrijven gevestigd mogen worden of hun activiteiten mogen uitbreiden. |
|
4.4. |
Het EESC waardeert de inspanningen die de Commissie zich heeft getroost om nationale en regionale instanties te helpen de EU-milieuvoorschriften toe te passen zonder de aquacultuurproducenten daarbij met onnodige lasten op te zadelen. Zo heeft zij richtsnoeren gepubliceerd m.b.t. de aquacultuur, de Natura 2000-gebieden en de kaderrichtlijn water, en werkt zij aan richtsnoeren die betrekking hebben op de relatie met de kaderrichtlijn inzake de mariene strategie. De ter zake bevoegde nationale en regionale overheden lijken evenwel niet goed bekend te zijn met deze richtlijnen en schieten tekort bij de tenuitvoerlegging ervan. |
|
4.5. |
Door de vertraging bij de goedkeuring van de EFMZV-verordening en de operationele programma’s van de lidstaten zullen de exploitanten in de lidstaten op zijn vroegst pas eind 2016 gebruik kunnen gaan maken van de middelen uit het EFMZV. Dat is dus bijna drie jaar later dan gepland. |
|
4.6. |
De Rekenkamer constateerde in 2014 dat ingewikkelde goedkeuringsprocedures en het ontbreken van een goede ordening van de maritieme ruimte een duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de weg stonden. Ook bevestigde de Rekenkamer dat de belangrijkste groeidoelstellingen van de aquacultuur nog altijd niet bereikt waren en dat de sector al jarenlang juist niet meer groeide. |
|
4.7. |
Het EESC stelt met tevredenheid vast dat de middelen die uit hoofde van het EFMZV voor de ontwikkeling van een duurzame aquacultuur worden uitgetrokken, ten opzichte van de middelen uit het vorige EVF vrijwel verdrievoudigd zijn. |
|
4.7.1. |
Het EESC wijst erop dat het voor de lidstaten met de grootste aquacultuursector binnen de EU moeilijk is om cofinanciering in het kader van het EFMZV te verlenen; vanwege hun toezeggingen om het begrotingstekort terug te dringen kampen zij met budgettaire beperkingen. |
|
4.8. |
Het EESC is het ermee eens dat er absoluut een Europees forum moet komen waarop alle belanghebbenden de situatie van de aquacultuur kunnen bespreken en de EU- en nationale instanties op consensus gebaseerde aanbevelingen kunnen voorleggen, naar voorbeeld van het voormalige Raadgevend Comité voor de visserij en aquacultuur. Het is dan ook ingenomen met de adviesraad voor aquacultuur en het feit dat de belanghebbenden op economisch, sociaal en milieugebied, alsook onderzoekers en consumenten hierin ruim vertegenwoordigd zijn. Wel betreurt het dat deze adviesraad zo lang op zich heeft laten wachten; na de opheffing van het Raadgevend Comité duurde het nog drie jaar voordat de adviesraad het licht zag. |
|
4.8.1. |
Het EESC is bezorgd dat de Commissie minder intensief betrokken zal zijn bij de nieuwe adviesraad voor aquacultuur dan bij het voormalige Raadgevend Comité. Reden hiervoor is dat de Commissie zelf het uitvoerend secretariaat van het Raadgevend Comité voor haar rekening nam, terwijl het secretariaat van de nieuwe adviesraad helemaal niet meer onder de Commissie valt. Dit kan zijn weerslag hebben op het vermogen van het secretariaat om Europese instanties rond de tafel te brengen en de aanbevelingen te verspreiden. Het Comité vreest dat de Commissie zich ertoe zal beperken een bijrol te spelen in de adviesraad, terwijl zij juist de touwtjes in handen zou moeten houden. |
|
4.9. |
Het EESC stelt vast dat de meerjarige nationale strategische plannen voor de aquacultuur nog geen vrucht hebben afgeworpen. Daar staat tegenover dat in de meeste lidstaten ook nog geen mechanismen zijn ingevoerd om de resultaten ervan te meten. |
|
4.9.1. |
Het EESC stelt vast dat de tot nog toe schrale resultaten van de plannen te wijten zijn aan het feit dat de factoren die een duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de weg staan, nog niet voldoende daadkrachtig zijn aangepakt. Het gaat om knelpunten die zich voornamelijk voordoen bij overheidsdiensten van de lidstaten die niet betrokken zijn geweest bij het opstellen van de strategische plannen en dus niet van het bestaan ervan op de hoogte zijn. Het zou dan ook goed zijn deze diensten actief te betrekken bij de uitvoering van de strategische plannen. |
|
4.10. |
Het EESC dringt er bij de Commissie op aan dat zij de nationale en regionale overheden aanspoort om bij de implementatie van de EU-milieunormen rekening te houden met de drie dimensies van duurzame ontwikkeling — ecologische, sociale en economische — en daarbij ook te kijken naar de noodzaak om de zekerheid van de voedselvoorziening in de EU te verbeteren. |
Brussel, 19 oktober 2016.
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Georges DASSIS
(1) EESC-advies over bouwen aan een duurzame toekomst voor de aquacultuur — Een nieuw elan voor de strategie voor een duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur (PB C 18 van 19.1.2011, blz. 59).
(2) EESC-advies over strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU (PB C 67 van 6.3.2014, blz. 150).