Brussel, 3.12.2015

COM(2015) 559 final/2

2015/0259(NLE)

CORRIGENDUM
This document corrects document COM(2015) 559 final of 10.11.2015.
Concerns all language versions.
Modification of Articles 2 and 10 to clarify their application to recreational fisheries.
The text shall read as follows:

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling, voor 2016, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

•Motivering en doel van het voorstel

Alle verordeningen tot vaststelling van de vangstmogelijkheden moeten het oogsten van de bestanden beperken tot een niveau dat in overeenstemming is met de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid ("basisverordening voor het GVB") zijn de doelstellingen voor de jaarlijkse voorstellen inzake vangst- en inspanningsbeperkingen vastgesteld die de ecologische, economische en sociale duurzaamheid van de Unievisserijen moeten garanderen.

De vangstmogelijkheden worden jaarlijks vastgesteld (die voor diepzeebestanden om de twee jaar). Dit staat de invoering van een langetermijnbeheer evenwel niet in de weg. De Unie heeft in dit verband aanzienlijke vooruitgang geboekt: de uit commercieel oogpunt belangrijkste bestanden vallen nu onder meerjarige beheersplannen waarmee de jaarlijkse TAC’s en maximale inspanningsniveaus in overeenstemming moeten zijn.

Dit voorstel heeft betrekking op vangstmogelijkheden die de Unie autonoom vaststelt. Daarnaast omvat het vangstmogelijkheden die voortvloeien uit multilateraal of bilateraal visserijoverleg. Het resultaat daarvan wordt ten uitvoer gelegd door middel van interne verdeling over de lidstaten op basis van het beginsel van relatieve stabiliteit.

Dit voorstel betreft dus autonome Uniebestanden en daarnaast ook:

gedeelde bestanden, d.w.z. bestanden die gezamenlijk worden beheerd hetzij met Noorwegen in de Noordzee en het Skagerrak, hetzij in het kader van NEAFC-overleg tussen kuststaten (NEAFC: Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan.

vangstmogelijkheden die voortvloeien uit overeenkomsten in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's).

In dit voorstel is een aantal vangstmogelijkheden als "p.m." (pro memoria) aangegeven. Dit heeft te maken met het feit dat:

–het advies over sommige bestanden niet beschikbaar is ten tijde van de vaststelling van het voorstel, of

–bepaalde vangstbeperkingen en andere aanbevelingen van de betrokken ROVB's nog niet zijn vastgesteld omdat hun jaarvergadering nog niet heeft plaatsgevonden, of

–de cijfers voor sommige bestanden in de wateren van Groenland en voor met Noorwegen en andere derde landen gedeelde of geruilde bestanden nog niet beschikbaar zijn omdat zij afhangen van de resultaten van het overleg met deze landen in november en december 2015, of

–voor enkele TAC's het advies weliswaar is ontvangen, maar de evaluatie nog gaande is.

Overzicht van de bestanden

Zoals te doen gebruikelijk heeft de Commissie in haar jaarlijkse mededeling betreffende een raadpleging over de vangstmogelijkheden (COM(2015)239, hierna "de mededeling") een beeld geschetst van de situatie waarop de voorstellen inzake vangstmogelijkheden moeten worden afgestemd. De mededeling biedt een overzicht van de toestand van de bestanden op grond van de bevindingen van de in 2015 verstrekte wetenschappelijke adviezen. Positief is dat het aantal bestanden waarvoor een volledige analyse beschikbaar is, volgens de Commissie toeneemt. Bovendien wordt meer dan de helft van de bestanden waarvoor advies inzake de maximale duurzame opbrengst (MSY – maximum sustainable yield) beschikbaar is, bevist op een niveau dat gelijkloopt met of lager ligt dan het niveau dat de maximale duurzame opbrengst zou opleveren.

Op verzoek van de Commissie heeft de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) op 30 juni 2015 zijn jaarlijks advies over de meeste door het onderhavige voorstel bestreken visbestanden uitgebracht. De ICES heeft rekening gehouden met de door de Commissie in haar mededeling gepresenteerde beleidsoriëntaties.

Gegevens zijn essentieel voor de adviezen die de ICES verstrekt; alleen bestanden waarvoor voldoende en betrouwbare gegevens beschikbaar zijn, kunnen volledig worden beoordeeld met het oog op schattingen van hun omvang en prognoses over hoe zij zullen reageren op de diverse exploitatiescenario's ("vangstopties"). Als voldoende gegevens beschikbaar zijn, kunnen de wetenschappelijke instanties ramen in hoeverre de vangstmogelijkheden moeten worden aangepast om het MSYniveau voor het betrokken bestand te bereiken. Het advies wordt dan "MSY-advies" genoemd. In andere gevallen passen de wetenschappelijke instanties de voorzorgsbenadering toe wanneer zij aanbevelingen betreffende het na te streven niveau van de vangstmogelijkheden formuleren. De methodiek die de ICES daarbij toepast, wordt toegelicht in ICES-publicaties betreffende het opstellen van adviezen met betrekking tot bestanden waarvoor slechts beperkte gegevens voorhanden zijn 1 .

De belangrijkste groep voorgestelde TAC’s is opgenomen in bijlage IA. Deze bijlage bevat 153 TAC’s voor bestanden die worden bevist in het Skagerrak, het Kattegat, de ICES-deelgebieden I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV, de wateren van de Unie van de CECAF en de wateren van Frans-Guyana. Van deze TAC’s zijn er 11 vastgesteld overeenkomstig het MSY-advies. De overige vallen in de volgende categorieën:

3 TAC’s worden voorgesteld overeenkomstig langetermijnbeheerstrategieën, bijvoorbeeld beheersplannen die voortvloeien uit specifieke vigerende GVBverordeningen, nog niet aangenomen voorstellen van de Commissie betreffende beheersplannen of door adviesraden (AR’s) voorgestelde beheersbenaderingen die volgens de wetenschappelijke adviesorganen in overeenstemming zijn met het voorzorgsbeginsel;

51 TAC’s betreffen bestanden waarvoor weinig gegevens voorhanden zijn en waarvoor geen volledige beoordeling kon worden gegeven. Van deze laatste zijn er 26 die in het voorstel op het niveau van 2015 worden gehandhaafd, conform een gezamenlijke verklaring van de Raad en de Commissie dat de vangstmogelijkheden ongewijzigd zouden blijven tenzij uit wetenschappelijke adviezen blijkt dat het bestand in kwestie aan het afnemen is. Aan deze beslissing ligt de overweging ten grondslag dat de meeste van deze bestanden als bijvangsten in gemengde visserijen worden gewogen en dat een wijziging van hun TAC’s nauwelijks van invloed is op de ontwikkeling van hun toestand, terwijl herhaalde TAC-verlagingen kunnen leiden tot wettelijk verplichte teruggooi;

de resterende TAC’s worden in deze fase aangegeven als "p.m." (pro memoria) omdat het desbetreffende wetenschappelijke advies nog niet beschikbaar is, het advies verder moet worden geanalyseerd of internationale onderhandelingen of overeenkomsten later dit jaar moeten worden afgerond (bijv. in het kader van bijeenkomsten van ROVB's). Voor deze bestanden zal het voorstel moeten worden bijgewerkt wanneer het betrokken advies en de betrokken informatie beschikbaar komt.

Alle voorgestelde vangstmogelijkheden zijn in overeenstemming met het wetenschappelijke advies dat de Commissie over de toestand van de bestanden heeft ontvangen en dat is gebruikt zoals aangegeven in de mededeling.

De bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingevoerde aanlandingsverplichting

De aanlandingsverplichting die bij de basisverordening voor het GVB is ingevoerd, wordt in de periode van 2015 tot 2019 gestaffeld van toepassing. In 2019 zullen alle bestanden waarvoor een TAC geldt, onder de aanlandingsverplichting vallen. Met ingang van 1 januari 2016 zal de aanlandingsverplichting ook worden toegepast op bepaalde demersale visserijen in de Noordzee en in de noordwestelijke en zuidwestelijke wateren van de Atlantische Oceaan. Op basis van de gezamenlijke aanbevelingen van de lidstaten en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie bij gedelegeerde Verordeningen specifieke teruggooiplannen vastgesteld.

Als gevolg van de invoering van de aanlandingsverplichting moeten de vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bovendien niet meer worden vastgesteld als afspiegeling van de aangelande hoeveelheid maar als afspiegeling van de gevangen hoeveelheid, aangezien teruggooi niet langer is toegestaan. Dit gebeurt op basis van wetenschappelijk advies voor de visbestanden in visserijen als vermeld in artikel 15, lid 1, van de nieuwe basisverordening voor het GVB. De vangstmogelijkheden moeten ook worden vastgesteld overeenkomstig andere ter zake relevante bepalingen, zoals artikel 16, lid 1 (beginsel van relatieve stabiliteit) en artikel 16, lid 4 (doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de voorschriften in meerjarenplannen).

Als gevolg daarvan zal de Commissie hogere TAC's voorstellen voor bestanden die in 2016 onder de aanlandingsverplichting zullen vallen. Voor bestanden waarvan bepaalde vangsten moeten worden aangeland (in visserijen die vanaf 2016 onder de aanlandingsverplichting vallen) en andere vangsten nog mogen worden teruggegooid (in visserijen die pas tussen 2017 en 2019 onder de aanlandingsplicht komen te vallen), zal de Commissie op basis van de beste beschikbare gegevens hogere TAC's voorstellen in overeenstemming met de hoeveelheden die moeten worden aangeland.

De Commissie heeft, na de lidstaten om gedetailleerde teruggooigegevens te hebben verzocht, zulke gegevens ontvangen voor de Noordzee. De gegevens van de lidstaten voor de noordwestelijke en zuidwestelijke wateren waren gebaseerd op gemiddelde teruggooipercentages. Daarom heeft de Commissie voor de betrokken bestanden wetenschappelijk advies gevraagd over het aandeel van elk onder de aanlandingsverplichting vallend vlootsegment in de totale vangsten en in de totale teruggooi en over het teruggooipercentage voor deze vlootsegmenten.

Parallel daarmee heeft de Commissie wetenschappelijk advies gevraagd over het gebruik van gemiddelde teruggooipercentages als basis voor TACaanpassingen. In afwachting van dit wetenschappelijke advies worden de TAC's die in aanmerking komen voor een verhoging als gevolg van de invoering van de aanlandingsverplichting in 2016, aangegeven met "p.m.".

Tot slot moeten de verbanden tussen de nieuwe basisverordening voor het GVB en Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad onder de loep worden genomen. In de laatstgenoemde verordening zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's vastgesteld, onder meer, op grond van artikel 3 en artikel 4, in de vorm van flexibiliteit voor bestanden waarvoor respectievelijk voorzorgsTAC's en analytische TAC's zijn vastgesteld. Krachtens artikel 2 van die verordening bepaalt de Raad, bij de vaststelling van de TAC's, op basis van met name de biologische situatie van de bestanden voor welke bestanden de artikelen 3 en 4 niet van toepassing zijn. Meer recent is nog een ander flexibiliteitsinstrument ingevoerd bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie van de levende biologische rijkdommen van de zee ondergraaft en een belemmering vormt voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, moet worden verduidelijkt dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 niet van toepassing mogen zijn naast de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Maatregelen inzake zeebaars

Volgens het ICESadvies voor 2016 over deze soort is de toestand van het bestand precair. De paaibiomassa blijft afnemen en de rekrutering is nog steeds laag. Aangezien de visserijsterfte bij zeebaars in het noordoostelijke deel van de Atlantische Ocean momenteel vier keer hoger ligt dan het niveau dat de MSY zou opleveren, adviseert de ICES in zijn advies eens te meer de visserijsterfte bij dit bestand aanzienlijk te reduceren. Zeebaars is een soort die laat geslachtsrijp wordt en het herstel van het bestand zal naar schatting 4 tot 7 jaar in beslag nemen. Om de snelle achteruitgang van het bestand een halt toe te roepen, moet onmiddellijk een omvattend pakket maatregelen worden uitgevoerd.

De ernst waarmee in het ICESadvies van 2015 op de situatie wordt gewezen, laat geen twijfel bestaan over de noodzaak dit bestand bescherming te blijven bieden, voort te bouwen op de vooruitgang in 2015, het paaibestand verder te beschermen, de rekrutering te optimaliseren en de vangsten van zeebaars te reduceren. De voorgestelde maatregelen moeten ervoor zorgen dat alle partijen die baat hebben bij een herstel van het bestand, ook bijdragen tot dat herstel.

Eens te meer wordt ervan uitgegaan dat wanneer nu wordt ingegrepen, de sociale en economische gevolgen van dat ingrijpen zullen opwegen tegen de kosten die ontstaan als niet wordt geageerd en het bestand daardoor verder achteruitgaat. Om het zeebaarsbestand de kans te geven zich op de middellange termijn te herstellen tot een duurzaam niveau, moet het beheer coherent worden aangepakt. De Commissie is van plan om in het kader van het komende meerjarenplan voor Noordzeebestanden maatregelen voor het beheer van zeebaars voor te stellen.

•Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

De voorgestelde maatregelen zijn opgesteld overeenkomstig de doelstellingen en de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid en zijn in overeenstemming met het beleid van de Unie inzake duurzame ontwikkeling.

•Samenhang met andere beleidsgebieden van de Unie

De voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met andere beleidsgebieden van de Unie, met name op het vlak van milieu.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

•Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

De verplichting van de Unie om de levende aquatische rijkdommen op duurzame wijze te exploiteren, vloeit voort uit de verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 2 van de nieuwe basisverordening voor het GVB.

•Subsidiariteit (voor niet-exclusieve bevoegdheden)

Het voorstel valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), van het Verdrag. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.

•Evenredigheid

Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: het GVB is een gemeenschappelijk beleid. Krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag dient de Raad maatregelen vast te stellen tot vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

Krachtens de voorgestelde verordening van de Raad worden de vangstmogelijkheden over de lidstaten verdeeld. Met inachtneming van de artikelen 16 en 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 verdelen de lidstaten deze mogelijkheden vervolgens naar eigen goeddunken over de regio's of de marktdeelnemers. De lidstaten kunnen dus met een ruime mate aan vrijheid en conform het sociaal-economische model van hun keuze beslissen hoe zij de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden benutten.

Het voorstel heeft geen nieuwe financiële gevolgen voor de lidstaten. De Raad stelt elk jaar een verordening als de onderhavige vast, en de openbare en particuliere middelen voor de tenuitvoerlegging ervan zijn reeds beschikbaar.

•Keuze van het instrument

Voorgesteld instrument: verordening.

3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

•Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving

De verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden wordt meermaals per jaar herzien in het licht van het meest recente wetenschappelijke advies en andere ontwikkelingen.

•Raadpleging van belanghebbenden

a)Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

De Commissie heeft zowel de belanghebbenden – met name via de adviesraden (AR’s) – als de lidstaten op basis van haar mededeling over de vangstmogelijkheden voor 2015 geraadpleegd over haar aanpak voor de verschillende voorstellen voor verordeningen tot vaststelling van de vangstmogelijkheden.

Daarnaast heeft de Commissie de richtsnoeren gevolgd van haar mededeling aan de Raad en het Europees Parlement "Verbetering van de raadpleging inzake het communautaire visserijbeheer" (COM(2006) 246 definitief), waarin de beginselen van het zogenoemde "frontloadingsproces" (vroegtijdige consultatie) zijn uiteengezet.

Voorts heeft de Commissie op 14 juli 2015 een evenement voor belanghebbenden georganiseerd voor een presentatie en bespreking van de resultaten van het wetenschappelijke advies en de belangrijkste implicaties daarvan.

b)Samenvatting van de reacties en de manier waarop daarmee rekening is gehouden

De antwoorden op de bovengenoemde mededeling van de Commissie over de vangstmogelijkheden zijn een afspiegeling van de standpunten van de belanghebbenden over de evaluatie van de Commissie betreffende de visstand en de manier waarop een passende beheersmatige reactie kan worden gewaarborgd. De Commissie heeft deze antwoorden in aanmerking genomen bij het opstellen van het voorstel.

•Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Wat de toegepaste methodiek betreft, heeft de Commissie – zoals al eerder vermeld – de ICES geraadpleegd. De adviezen van de ICES zijn gebaseerd op een advieskader dat door de deskundigengroepen en besluitvormingsorganen van de ICES is ontwikkeld, en worden uitgebracht overeenkomstig het met de Commissie overeengekomen memorandum van overeenstemming.

Het uiteindelijke doel is de bestanden op een niveau te brengen en/of te houden waarmee de MSY kan worden gehaald. Dit doel is uitdrukkelijk opgenomen in met name artikel 2, lid 2, van de nieuwe basisverordening voor het GVB, waar is bepaald dat dit exploitatieniveau "indien mogelijk tegen 2015, en [...] voor alle bestanden uiterlijk 2020 [moet worden] verwezenlijkt". Dit sluit aan op de verbintenis die de Unie is aangegaan met betrekking tot de conclusies van de wereldtop over duurzame ontwikkeling (Johannesburg 2002) en het bijbehorende uitvoeringsplan. Zoals reeds is opgemerkt, is voor sommige bestanden reeds informatie over de maximale duurzame opbrengst beschikbaar. Tot deze bestanden behoren qua vangsthoeveelheden en handelswaarde zeer belangrijke bestanden zoals heek, kabeljauw, zeeduivels, tong, scharretongen, schelvis en langoustine.

Om het MSY-niveau te halen, kan het noodzakelijk zijn om in bepaalde gevallen de visserijsterftecijfers te verlagen en/of de vangsten te beperken. In deze context wordt voor dit voorstel gebruikgemaakt van de MSY-adviezen indien deze voorhanden zijn. Overeenkomstig de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid stemt een TAC die op basis van het MSY-advies wordt voorgesteld, overeen met het niveau dat volgens dat advies borg zou staan voor het halen van de MSY-doelstelling in 2015. Deze aanpak spoort met de beginselen die worden uiteengezet in de mededeling over de vangstmogelijkheden voor 2015.

Voor bestanden waarvoor weinig gegevens beschikbaar zijn, doen de wetenschappelijke adviesorganen aanbevelingen om de vangsten, naargelang van het geval, te verminderen, te handhaven of te verhogen. Met het oog daarop heeft de ICES in dergelijke adviezen vaak richtwaarden opgenomen op basis van zijn methode om de vangsten uit voorzorg niet meer dan +/- 20 % te laten variëren ten opzichte van het vorige jaar. Bij de vaststelling van de voorgestelde TAC’s is gebruik gemaakt van deze richtwaarden. In gevallen waarin helemaal geen wetenschappelijk advies voorhanden was, is de voorzorgsbenadering gevolgd en zijn de TAC’s dus bij wijze van voorzorgsmaatregel met 20 % verlaagd.

Voor sommige bestanden (voornamelijk wijdverspreide bestanden, haaien en roggen) wordt het advies in het najaar uitgebracht. Het onderhavige voorstel zal zo nodig moeten worden bijgewerkt zodra dit advies is ontvangen. Ten slotte is, zoals eerder opgemerkt, voor sommige bestanden het advies gebruikt om beheersplannen ten uitvoer te leggen.

•Effectbeoordeling

De werkingssfeer van de verordening inzake vangstmogelijkheden wordt omschreven in artikel 43, lid 3, van het Verdrag.

De Unie heeft een aantal meerjarige beheersplannen vastgesteld voor bestanden van essentieel economisch belang, zoals onder andere kabeljauw, tong en schol. Aan de goedkeuring van dergelijke plannen moet een effectbeoordeling voorafgaan. Zodra zij van kracht zijn, zijn zij bepalend voor de TAC- en de inspanningsniveaus die voor het gegeven jaar moeten worden vastgesteld om de langetermijndoelstellingen te verwezenlijken. De Commissie is verplicht haar voorstellen voor vangstmogelijkheden op die plannen af te stemmen zolang deze feitens en rechtens van toepassing zijn. Bijgevolg zijn meerdere essentiële vangstmogelijkheden in het voorstel het resultaat van de specifieke effectbeoordeling die is uitgevoerd voor het plan waarop zij zijn gebaseerd.

Voor het overige is het de bedoeling om met het voorstel, ook bij ontstentenis van meerjarenplannen, een kortetermijnaanpak te vermijden en de voorkeur te geven aan besluiten die gericht zijn op duurzaamheid op de lange termijn. Daarom wordt in het voorstel rekening gehouden met initiatieven van belanghebbende partijen en AR’s indien deze door de ICES en/of het WTECV positief zijn beoordeeld. Bovendien is het voorstel van de Commissie ter hervorming van het GVB uitgewerkt op basis van een effectbeoordeling (SEC(2011) 891) in het kader waarvan de MSY-doelstelling is geanalyseerd. In de conclusies van die beoordeling wordt de MSY-doelstelling gezien als een noodzakelijke voorwaarde om tot ecologische, economische en sociale duurzaamheid te komen.

Wat ROVB-vangstmogelijkheden en met derde landen gedeelde bestanden betreft, worden met dit voorstel hoofdzakelijk internationaal overeengekomen maatregelen omgezet. Alle elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de mogelijke gevolgen van de vangstmogelijkheden, worden in aanmerking genomen bij het voorbereiden en voeren van internationale onderhandelingen in het kader waarvan vangstmogelijkheden van de Unie worden overeengekomen met derde partijen.

•Gezonde regelgeving en vereenvoudiging

Het voorstel voorziet in vereenvoudiging van de administratieve procedures voor de overheidsinstanties (Unie of nationaal), met name wat betreft de voorschriften op het gebied van inspanningsbeheer en volledig gedocumenteerde visserijen.

•Grondrechten

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De voorgestelde maatregelen hebben geen gevolgen voor de begroting.

5.OVERIGE ELEMENTEN

•Uitvoeringsplannen en toezichts , evaluatie en rapportageregelingen

De bepalingen van de verordening zullen worden geïmplementeerd en de naleving gecontroleerd overeenkomstig het vigerende gemeenschappelijk visserijbeleid.

•Toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel

Het onderhavige voorstel beperkt zich tot de vaststelling en de verdeling van vangstmogelijkheden en tot de voorwaarden die functioneel verband houden met het gebruik van die vangstmogelijkheden.

Over de huidige tendensen bij de ontwikkeling van de bestanden kan het volgende worden opgemerkt:

Iberische wateren

De toestand van het zeeduivelbestand is enigszins achteruitgegaan. Voor de scharretongen zet de neerwaartse trend van vorig jaar door. Het langoustinebestand in meerdere functionele eenheden is nog steeds uitgeput. De biomassa van zuidelijke heek stabiliseert zich, maar de visserijdruk blijft te hoog.

Golf van Biskaje

De toestand van het tongbestand verslechtert. De afgelopen jaren hebben wetenschappers advies verleend over TAC-verlagingen. In 2013 heeft de ICES langetermijnbeheersmaatregelen in overweging genomen die bij wijze van voorzorgsmaatregel door de belanghebbenden waren voorgesteld. De TAC voor 2015 is gebaseerd op die maatregelen met als doel de TAC constant te houden en de visserijsterfte geleidelijk te verlagen tot een duurzaam niveau. Aangezien de visserijsterfte de afgelopen jaren is toegenomen en de biomassa zich inmiddels onder het voorzorgsniveau bevindt, moet de TAC in 2016 worden verlaagd.

Keltische Zee en het Kanaal

Ondanks de getroffen maatregelen blijft de teruggooi in dit gebied hoog, zowel in de visserijen op witte rondvis als in die op platvis. In het wetenschappelijke advies wordt dan ook aangedrongen op significante TAC-verlagingen, onder meer voor kabeljauw en schelvis. Wat het tongbestand in het oostelijke deel van het Kanaal betreft, moet prioritair worden ingezet op urgente maatregelen voor het herstel van dit bestand aangezien de rekrutering de afgelopen twee jaar op een laag peil stond en de levensvatbaarheid van de visserij op de lange termijn in gevaar komt.

Wateren ten westen van Schotland

De toestand van kabeljauw en wijting blijft slecht, met een teruggooi van nog steeds ca. 70 % voor beide soorten. De situatie zal nog verslechteren als gevolg van het in het najaar bekend te maken advies voor langoustine. Teruggooi van ondermaatse en boven het quotum geviste vis blijft een probleem.

Ierse Zee

De toestand van kabeljauw en wijting is nog steeds slecht, hoewel de selectiviteit voor de langoustinevloot kennelijk toch resultaat heeft opgeleverd voor deze twee bestanden – wat niet wegneemt dat de ICES in zijn advies een hoog teruggooiniveau constateert. De paaibiomassa voor tong bevindt zich op een historisch minimum. Schol daarentegen wordt onderbenut en op grote schaal teruggegooid, maar het bestand is stabiel.

Kattegat

Voor kabeljauw in het Kattegat ziet het plaatje er volgens het advies voor 2016 beter uit. De paaibiomassa is sinds een historisch dieptepunt in 2009 fors toegenomen. De sterfte geeft sinds 2008 een neerwaartse tendens te zien. De ICES blijft wijzen op het probleem van de teruggooi; de toestand van het bestand wordt nog steeds als slecht beschouwd.

Noordzee

De bestanden kabeljauw, schelvis, wijting, zwarte koolvis, schol, makreel en haring worden gezamenlijk beheerd met Noorwegen, met als gevolg dat de TAC's en quota zullen worden vastgesteld na het overleg tussen de EU en Noorwegen in november en december. De algemene toestand voor de Noordzee is positief. De schelvis-, haring- en scholbestanden nemen toe. Een belangrijke ontwikkeling is dat de kabeljauw zich aanzienlijk blijkt te hebben hersteld, hoewel het bestand nog steeds boven het Fmsyniveau wordt bevist en de met de voorzorgsaanpak overeenstemmende biomassa nog niet heeft bereikt. Voor zwarte koolvis en langoustine daarentegen is volgens het wetenschappelijk advies een verlaging van de TAC vereist.

2015/0259 (NLE)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot vaststelling, voor 2016, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Overeenkomstig artikel 43, lid 3, van het Verdrag moet de Raad op voorstel van de Commissie maatregelen vaststellen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

(2)Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 2 moeten instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, met inbegrip van, waar relevant, verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij (WTECV) en van andere adviesinstanties, alsmede adviezen die zijn ontvangen van de adviesraden.

(3)De Raad moet maatregelen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen, inclusief in voorkomend geval bepaalde voorwaarden die daar functioneel verband mee houden. Overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld met inachtneming van de in artikel 2, lid 2, van die verordening vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van die verordening moeten de vangstmogelijkheden zo aan de lidstaten worden toegewezen dat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van iedere lidstaat voor elk visbestand of elke visserij wordt gewaarborgd.

(4)De totale toegestane vangsten (total allowable catch – TAC's) moeten daarom overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden vastgesteld op basis van het beschikbare wetenschappelijke advies, met inachtneming van zowel de biologische en sociaal-economische aspecten als de verplichting tot gelijke behandeling van de visserijsectoren, en in het licht van de standpunten die naar voren komen tijdens de raadpleging van de belanghebbenden, met name op de bijeenkomsten van de betrokken adviesraden.

(5)De in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde aanlandingsverplichting wordt visserij per visserij ingevoerd. Wanneer in de onder deze verordening vallende regio een visserij onder de aanlandingsverplichting valt, moeten alle soorten in die visserij waarop vangstbeperkingen van toepassing zijn, worden aangeland. Met ingang van 1 januari 2016 is de aanlandingsverplichting van toepassing op de visserijbepalende soorten. Op basis van de gezamenlijke aanbevelingen van de lidstaten en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie in voorbereiding op de volledige implementatie van de aanlandingsverplichting een aantal gedelegeerde verordeningen vastgesteld met specifieke teruggooiplannen die tijdelijk, voor een periode van maximaal drie jaar, van toepassing zijn. In artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat, wanneer de aanlandingsverplichting voor een visbestand is ingevoerd, de vangstmogelijkheden moeten worden vastgesteld met inachtneming van het feit dat vangstmogelijkheden niet meer worden vastgesteld als afspiegeling van de aanlanding maar als afspiegeling van de vangsten.

(6)Uit het wetenschappelijk advies blijkt dat het zeebaarsbestand ( Dicentrarchus   labrax ) in de Keltische Zee, het Kanaal, de Ierse Zee en het zuidelijke deel van de Noordzee (ICESsectoren IVb,c en VIIa,d-h) zich in een precaire toestand bevindt en blijft achteruitgaan. De instandhoudingsmaatregelen voor het verbod van de visserij op zeebaars in de ICESsectoren VIIb, VIIc, VIIj en VIIk moeten worden gehandhaafd en uitgebreid tot de ICESsectoren VIIa en VIIg, met uitzondering van de wateren binnen 12 zeemijl vanaf de basislijn die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen. Scholen van paaiende zeebaars moeten worden beschermd en in het hele verspreidingsgebied van het bestand moet gedurende de eerste zes maanden van het jaar een vangstverbod van kracht zijn. Vanwege de incidentele en onvermijdelijke bijvangsten van zeebaars door vaartuigen die gebruikmaken van bodemtrawls en zegennetten, mag de vangst van dit bestand niet meer bedragen dan 1 % van het gewicht van de totale vangst mariene organismen aan boord. Om de zeebaars buiten de paaiperioden te beschermen, dienen de vangsten verder te worden beperkt. Daarom dienen in de ICESsectoren IVb en IVc, alsmede VIId, VIIe, VIIf en VIIh, en in de territoriale zee van het VK in de ICESsectoren VIIa VII maandelijkse vangstbeperkingen van kracht te zijn. De vangsten van recreatievissers moeten verder worden beperkt.

(7)Gedurende een aantal jaren was op sommige bestanden elasmobranchii (roggen en haaien) een 0-TAC van toepassing, met daaraan verbonden een verplichting om incidentele vangsten onmiddellijk vrij te laten. Deze specifieke behandeling is terug te voeren op de slechte staat van instandhouding van deze bestanden en op hun hoge overlevingspercentages, die ervoor zorgen dat teruggooi geen stijging van de visserijsterfte tot gevolg heeft, maar als gunstig voor de instandhouding van deze soorten wordt beschouwd. Sinds 1 januari 2015 moeten vangsten van deze soorten in het kader van pelagische visserijen echter verplicht worden aangeland, tenzij zij krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vallen onder een afwijking van de aanlandingsverplichting. Op grond van artikel 15, lid 4, onder a), van die verordening zijn dergelijke afwijkingen toegestaan voor soorten waarop niet mag worden gevist en die als dusdanig worden omschreven in een op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgestelde rechtshandeling van de Unie. Daarom dient de visserij op deze soorten in de betrokken gebieden te worden verboden.

(8)De TAC's voor bestanden die onder specifieke meerjarenplannen vallen, moeten op grond van artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden vastgesteld overeenkomstig de in die plannen vervatte voorschriften. Bijgevolg moeten de TAC's voor de bestanden van tong in het westelijke Kanaal, schol en tong in de Noordzee, kabeljauw in het Kattegat, het gebied ten westen van Schotland, de Ierse Zee, de Noordzee, het Skagerrak en het oostelijke Kanaal en blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn vervat in de Verordeningen (EG) nr. 509/2007 3 , (EG) nr. 676/2007 4 , (EG) nr. 1300/2008 5 , (EG) nr. 1342/2008 6 (het "kabeljauwplan") en (EG) nr. 302/2009 7 van de Raad.

(9)Wat het haringbestand ten westen van Schotland betreft, heeft de ICES naar aanleiding van de recente benchmark-exercitie advies uitgebracht over het haringbestand in de sectoren VIa en VIIb,c (ten westen van Schotland, ten westen van Ierland). Volgens de ICES moet een herstelplan voor dit bestand worden opgesteld. Dit advies heeft betrekking op twee afzonderlijke TAC's (voor VIaS, VIIb,c enerzijds en voor Vb, VIb en VIaN anderzijds). Aangezien geen beheersplan voor de gecombineerde bestanden is afgesproken en het beheersplan voor het noordelijke bestand niet meer als adequaat wordt beschouwd voor de gecombineerde bestanden, moeten de TAC's worden gebaseerd op het advies inzake de maximale duurzame opbrengst (MSY).

(10)Voor bestanden waarvoor onvoldoende gegevens of geen betrouwbare gegevens voorhanden zijn om ramingen van de omvang te kunnen maken, moeten de beheersmaatregelen en de TAC-niveaus worden vastgesteld volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EG) nr. 1380/2013, en met inachtneming van bestandspecifieke factoren, waaronder met name de beschikbare gegevens over de ontwikkelingen van de bestanden en overwegingen betreffende gemengde visserijen.

(11)Bij Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad 8 zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's ingevoerd, onder meer, op grond van artikel 3 en artikel 4, in de vorm van flexibiliteit voor bestanden waarvoor respectievelijk voorzorgsTAC's en analytische TAC's zijn vastgesteld. Krachtens artikel 2 van die verordening dient de Raad, bij de vaststelling van de TAC's, op basis van met name de biologische situatie van de bestanden te bepalen voor welke bestanden de artikelen 3 en 4 niet van toepassing zijn. Recent is bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 een flexibiliteitsmechanisme ingevoerd voor alle bestanden waarop de aanlandingsverplichting van toepassing is. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit de instandhoudingsdoelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid ondergraaft en dat de biologische situatie van de bestanden negatief wordt beïnvloed, moet worden verduidelijkt dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen op de TAC's van toepassing zijn wanneer de lidstaten niet gebruikmaken van de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(12)Wanneer voor een bepaald bestand een TAC aan één enkele lidstaat wordt toegewezen, dient deze lidstaat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag te worden gemachtigd het niveau van deze TAC vast te stellen. Er moeten regelingen worden getroffen om te garanderen dat de betrokken lidstaat bij het vaststellen van dit TAC-niveau volledig in overeenstemming met de beginselen en voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid handelt.

(13)De maxima voor de visserijinspanning voor 2016 moeten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2166/2005, artikel 5 van Verordening (EG) nr. 509/2007, artikel 9 van Verordening (EG) nr. 676/2007, de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 1342/2008 en de artikelen 5 en 9 van Verordening (EG) nr. 302/2009, rekening houdend met Verordening (EG) nr. 754/2009 van de Raad 9 .

(14)In het licht van het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES en overeenkomstig de internationale verbintenissen in het kader van het NEAFCverdrag 10 dient de visserijinspanning op bepaalde diepzeesoorten te worden beperkt.

(15)Voor sommige soorten, zoals bepaalde haaiensoorten, kan zelfs een beperkte vorm van visserijactiviteit een ernstig risico voor de instandhouding van de soort inhouden. Voor dergelijke soorten moeten de vangstmogelijkheden derhalve tot nul worden gereduceerd middels een totaalverbod op de visserij op deze soorten.

(16)Tijdens de elfde Conferentie van de partijen bij het verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, die van 3 tot en met 9 november 2014 in Quito is gehouden, is met ingang van 8 februari 2015 een aantal diersoorten toegevoegd aan de lijst van beschermde soorten in de aanhangsels I en II bij het verdrag. Daarom dient te worden bepaald dat vaartuigen van de Unie die in om het even welke wateren vissen en vaartuigen van buiten de Unie die in de wateren van de Unie vissen, de beschermde status van deze soorten in acht moeten nemen.

(17)De bij deze verordening voor vaartuigen van de Unie vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad 11 , en met name de artikelen 33 en 34 van die verordening betreffende de registratie van de vangsten en de visserijinspanning, respectievelijk de melding van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden. Derhalve dient te worden gepreciseerd welke codes de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij gegevens over de aanlandingen van onder deze verordening vallende bestanden indienen bij de Commissie.

(18)Volgens het advies van de ICES dient een specifiek systeem voor het beheer van zandspieringen in de wateren van de Unie van de ICES-sectoren IIa en IIIa en ICESdeelgebied IV te worden gehandhaafd. Het wetenschappelijke advies van de ICES wordt pas in februari 2016 verwacht, en daarom is het raadzaam de TAC's en quota voorlopig op nul vast te stellen.

(19)Teneinde de volledige benutting van de vangstmogelijkheden te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden geboden om voor bestanden die tot hetzelfde biologisch bestand behoren maar in verschillende TAC-gebieden voorkomen, een flexibele regeling toe te passen.

(20)De Unie heeft, volgens de procedure in de overeenkomsten of protocollen inzake betrekkingen op visserijgebied met Noorwegen 12 en de Faeröer 13 , overleg met die partners gepleegd over de visserijrechten. In overeenstemming met de procedure in de overeenkomst en het protocol inzake visserijbetrekkingen met Groenland 14 heeft het Gemengd Comité de vangstmogelijkheden vastgesteld waarover de Unie in 2015 in Groenlandse wateren kan beschikken. Derhalve moeten deze vangstmogelijkheden in de onderhavige verordening worden opgenomen. [Deze overweging en de betrokken bepalingen waarnaar deze verwijst, moeten worden gewijzigd na de nieuwe overlegronde.]

(21)De Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (North-East Atlantic Fisheries Commission — NEAFC) heeft tijdens haar jaarvergadering in 2014 een instandhoudingsmaatregel voor het roodbaarsbestand in de Irminger Zee aangenomen waarbij de TAC's en quota voor de verdragsluitende partijen, waaronder de Unie, voor 2015 werden vastgesteld. Voorts zullen de kuststaten van de NEAFC in 2015 overleg blijven plegen over vangstmogelijkheden voor Atlanto-Scandische haring voor dat jaar. Daarom dienen voorlopige vangstbeperkingen voor Atlanto-Scandische haring te worden vastgesteld als een percentage van het quotum van de Unie voor 2014, in afwachting van een herziening op basis van het resultaat van het overleg tussen de kuststaten van de NEAFC. [Deze overweging en de betrokken bepalingen waarnaar deze verwijst, moeten worden gewijzigd na de nieuwe overlegronde.]

(22)Tijdens haar jaarvergadering in 2014 heeft de NEAFC geen instandhoudingsmaatregel voor het roodbaarsbestand in de internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en II aangenomen waarbij de TAC's en quota voor de verdragsluitende partijen zijn vastgesteld. Het overleg over de vangstmogelijkheden voor dit roodbaarsbestand zal in 2015 worden voortgezet. Aangezien de visserijactiviteit in de tweede helft van het jaar plaatsvindt, zullen de vangstbeperkingen voor dit bestand in de loop van 2015 worden vastgesteld, rekening houdend met het resultaat van het overleg tussen de kuststaten van de NEAFC. [Deze overweging en de betrokken bepalingen waarnaar deze verwijst, moeten worden gewijzigd na de nieuwe overlegronde.]

(23)De Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas — ICCAT) heeft tijdens haar jaarvergadering in 2015 de TAC's en quota voor blauwvintonijn over een periode van drie jaar verhoogd, en de TAC's en quota voor zwaardvis in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan, zwaardvis in het zuidelijke deel van de Atlantische Oceaan, witte tonijn in het zuidelijke deel van de Atlantische Oceaan en witte tonijn in het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan voor de periode 2015-2016 op het huidige niveau gehandhaafd. Voorts dienen de door die organisatie vastgestelde vangstbeperkingen, zoals nu reeds voor het blauwvintonijnbestand het geval is, van toepassing te zijn voor de recreatie- en sportvisserij op alle andere ICCAT-bestanden van bijlage ID, teneinde te garanderen dat de Unie haar quota niet overschrijdt. Al deze maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet.
[Deze overweging en de betrokken bepalingen waarnaar deze verwijst, moeten worden gewijzigd na de nieuwe jaarvergadering.]

(24)Tijdens hun jaarvergadering in 2014 hebben de partijen bij de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (Commission for the Conservation of Antarctic Marine Living Resources — CCAMLR) vangstbeperkingen voor zowel doelsoorten als bijvangstsoorten aangenomen, met inbegrip van een bijvangstquotum voor 2015 en 2016 voor bepaalde experimentele visserijen in deelgebied 88.2. Bij de vaststelling van vangstmogelijkheden voor 2016 moet rekening worden gehouden met de benutting van die quota in 2015. [Deze overweging en de betrokken bepalingen waarnaar deze verwijst, moeten worden gewijzigd na de nieuwe jaarvergadering.]

(25)De Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (Indian Ocean Tuna Commission – IOTC) heeft tijdens haar jaarvergadering in 2015 de geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen op het gebied van capaciteit bevestigd. De IOTC heeft tevens een maatregel aangenomen inzake de beperking van vis aantrekkende voorzieningen (fish aggregating devices – FAD's). Aangezien de activiteiten van de bevoorradingsvaartuigen en het gebruik van FAD's integraal deel uitmaken van de visserijinspanning van de ringzegenvloot, moet deze maatregel bij de onderhavige verordening in Unierecht worden omgezet.

(26)De jaarvergadering van de Regionale Organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (South Pacific Regional Fisheries Management Organisation – SPRFMO) zal van 25 tot 29 januari 2016 worden gehouden. Het is raadzaam om in afwachting van die jaarvergadering de bestaande maatregelen in het verdragsgebied van de SPRFMO voorlopig te handhaven. Het bestand Chileense horsmakreel mag echter niet gericht worden bevist vooraleer als resultaat van die jaarlijkse vergadering een TAC wordt bepaald.

(27)Tijdens haar 89e jaarvergadering in 2015 heeft de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (Inter-American Tropical Tuna Commission – IATTC) haar instandhoudingsmaatregelen voor geelvintonijn, grootoogtonijn en gestreepte tonijn gehandhaafd. Voorts heeft de IATTC haar resolutie over de instandhouding van oceanische witpunthaaien gehandhaafd. De omzetting van deze maatregelen in Unierecht moet worden voortgezet.

(28)De Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (South East Atlantic Fisheries Organisation — SEAFO) heeft tijdens haar jaarvergadering in 2015 een instandhoudingsmaatregel aangenomen voor tweejarige TAC's voor zwarte Patagonische ijsheek en rode diepzeekrabben; de bestaande TAC's voor Beryx spp., Atlantische slijmkop en Pseudopentaceros spp. worden gehandhaafd. De door de SEAFO aangenomen maatregelen die momenteel op de toewijzing van vangstmogelijkheden van toepassing zijn, moeten in Unierecht worden omgezet. [Deze overweging en de betrokken bepalingen waarnaar deze verwijst, moeten worden gewijzigd na de nieuwe jaarvergadering.]

(29)De Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (Western and Central Pacific Fisheries Commission – WCPFC) heeft tijdens haar twaalfde jaarvergadering instandhoudings- en beheersmaatregelen vastgesteld
[Deze overweging en de betrokken bepalingen waarnaar deze verwijst, moeten worden gewijzigd na de nieuwe jaarvergadering.]

(30)De partijen bij de Overeenkomst voor de instandhouding en het beheer van de koolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee hebben in 2013 tijdens hun jaarvergadering hun maatregelen betreffende vangstmogelijkheden niet gewijzigd. Die maatregelen moeten in Unierecht worden omgezet. [Deze overweging en de betrokken bepalingen waarnaar deze verwijst, moeten worden gewijzigd na de nieuwe jaarvergadering.]

(31)Tijdens haar 37e jaarvergadering in 2015 heeft de Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (North West Atlantic Fisheries Organisation – NAFO) een aantal vangstmogelijkheden voor 2016 vastgesteld voor bepaalde bestanden in de deelgebieden 1-4 van het NAFO-verdragsgebied.

(32) Bepaalde internationale maatregelen waarbij vangstmogelijkheden voor de Unie worden ingesteld of beperkt, worden aan het einde van het jaar door de betrokken regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) vastgesteld en worden vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening van kracht. De bepalingen tot omzetting van deze maatregelen in Unierecht dienen derhalve met terugwerkende kracht van toepassing te zijn. Aangezien het visseizoen in het verdragsgebied van de CCAMLR loopt van 1 december tot en met 30 november en bepaalde vangstmogelijkheden of -verboden in het CCAMLR-verdragsgebied worden vastgesteld voor een periode die ingaat op 1 december 2015, dienen de desbetreffende bepalingen van de onderhavige verordening vanaf die datum van toepassing te zijn. Deze toepassing met terugwerkende kracht laat het beginsel van gewettigd vertrouwen onverlet, aangezien CCAMLR-leden niet zonder machtiging in het CCAMLR-verdragsgebied mogen vissen.

(33)Overeenkomstig de door de Unie tot de Bolivariaanse Republiek Venezuela gerichte verklaring inzake de toekenning van vangstmogelijkheden in de wateren van de EU aan vissersvaartuigen die de vlag van de Bolivariaanse Republiek Venezuela voeren in de exclusieve economische zone voor de kust van Frans Guyana 15 , moet worden bepaald welke vangstmogelijkheden voor snappers in de wateren van de Unie ter beschikking van Venezuela worden gesteld.

(34)Om te waarborgen dat alle individuele lidstaten die de hun toegewezen visserijinspanning volgens een kilowattdagensysteem willen beheren, op uniforme wijze tot het gebruik van dit systeem worden gemachtigd, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad 16 .

(35)Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de toekenning van extra zeedagen voor de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten en voor de versterkte aanwezigheid van wetenschappelijke waarnemers, alsmede met betrekking tot de spreadsheetformats voor het verzamelen en doorsturen van informatie betreffende de overdracht van zeedagen tussen vissersvaartuigen die de vlag van dezelfde lidstaat voeren.

(36)Teneinde ervoor te zorgen dat de visserijactiviteiten niet worden onderbroken en het inkomen van de vissers van de Unie wordt veiliggesteld, dient deze verordening met ingang van 1 januari 2016 van toepassing te zijn, met uitzondering van de bepalingen betreffende de beperkingen van de visserijinspanning, die van toepassing moeten zijn vanaf 1 februari 2016, en sommige bepalingen voor bijzondere gebieden, waarvoor een specifieke toepassingsdatum moet gelden. Gezien de urgentie dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden.

(37)De vangstmogelijkheden moeten in volledige overeenstemming met het toepasselijke recht van de Unie worden gebruikt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1
Onderwerp

1.Bij deze verordening worden de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden vastgesteld die in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie beschikbaar zijn.

2.De in lid 1 bedoelde vangstmogelijkheden omvatten:

a)de vangstbeperkingen voor 2016 en, waar zulks in de onderhavige verordening is bepaald, voor 2017;

b)de beperkingen van de visserijinspanning voor de periode van 1 februari 2016 tot en met 31 januari 2017, behalve wanneer andere perioden voor inspanningsbeperkingen zijn vastgesteld in de artikelen 9, 31 en 32 en in bijlage IIE;

c)de vangstmogelijkheden voor de periode van 1 december 2015 tot en met 30 november 2016 voor bepaalde bestanden in het CCAMLR-verdragsgebied;

d)de vangstmogelijkheden voor bepaalde bestanden in het IATTCverdragsgebied als vastgesteld in artikel 28 voor de in die bepaling gespecificeerde perioden in 2016 en 2017.

Artikel 2
Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op de volgende vaartuigen:

a)vaartuigen van de Unie;

b)vaartuigen van derde landen in de wateren van de Unie.

Deze verordening is tevens van toepassing op recreatievisserijen wanneer in de ter zake relevante bepalingen uitdrukkelijk naar deze visserijen wordt verwezen.

Artikel 3
Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)"vaartuig van de Unie": een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;

b)"vaartuig van een derde land": een vissersvaartuig dat de vlag voert van en is geregistreerd in een derde land;

c)"recreatievisserijen": niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de mariene levende aquatische rijkdommen worden geëxploiteerd voor doeleinden als vrijetijdsbesteding, toerisme of sport;

d)"wateren van de Unie": wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, met uitzondering van wateren die grenzen aan de in bijlage II bij het Verdrag genoemde gebieden;

e)"internationale wateren": wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van enige staat vallen;

f)"bestand": in een bepaald beheersgebied voorkomende biologische rijkdom van de zee;

g)"totale toegestane vangst" (TAC):

i)in visserijen die vallen onder de in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde aanlandingsverplichting: de hoeveelheid die elk jaar van elk bestand mag worden gevangen;

ii)in de overige visserijen: de hoeveelheid die elk jaar van elk bestand mag worden aangeland;

h)"quotum": een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Unie, aan een lidstaat of aan een derde land;

i)"analytische evaluaties": een kwantitatieve evaluatie van trends in een bepaald bestand, op basis van gegevens over de biologie en de exploitatie van het bestand die blijkens wetenschappelijke toetsing van toereikende kwaliteit zijn om wetenschappelijke adviezen over opties voor toekomstige vangsten te verschaffen;

j)"voorzorgsbenadering van het visserijbeheer": een benadering in het kader waarvan het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie niet mag worden gebruikt als een motief voor het uitstellen of achterwege laten van beheersmaatregelen voor de instandhouding van de doelsoorten, de geassocieerde of afhankelijke soorten en de niet-doelsoorten en hun milieu;

k)"maaswijdte": de maaswijdte van visnetten als vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) No 517/2008 van de Commissie 17 ;

l )"vissersvlootregister van de Unie": het register dat door de Commissie is ingesteld overeenkomstig artikel 24, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

m)"visserijlogboek": het logboek als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 4
Visserijzones

Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende afbakening van visserijzones:

a)voor de ICES-zones (International Council for the Exploration of the Sea – Internationale Raad voor het onderzoek van de zee): de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 218/2009 18 gespecificeerde geografische gebieden;

b)voor het Skagerrak: het geografische gebied dat in het westen wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Hanstholm naar die van Lindesnes, en in het zuiden door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbijgelegen punt op de Zweedse kust;

c)voor het Kattegat: het geografische gebied dat in het noorden wordt begrensd door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar die van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbijgelegen punt op de Zweedse kust, en in het zuiden door een lijn van Kaap Hasenøre naar Kaap Gniben, van Korshage naar Spodsbjerg en van Kaap Gilbjerg naar Kullen;

d)voor functionele eenheid 16 van ICES-deelgebied VII: het geografische gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

–53° 30' NB 15° 00' WL,

–53° 30' NB 11° 00' WL,

–51° 30' NB 11° 00' WL,

–51° 30' NB 13° 00' WL,

–51° 00' NB 13° 00' WL,

–51° 00' NB 15° 00' WL,

–53° 30' NB 15° 00' WL;

e)voor functionele eenheid 26 van ICES-sector IXa: het geografische gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

–43° 00' NB 8° 00' WL,

–43° 00' NB 10° 00' WL,

–42° 00' NB 10° 00' WL,

–42° 00' NB 8° 00' WL;

f)voor functionele eenheid 27 van ICES-sector IXa: het geografische gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

–42° 00' NB 8° 00' WL,

–42° 00' NB 10° 00' WL,

–38° 30' NB 10° 00' WL,

–38° 30' NB 9° 00' WL,

–40° 00' NB 9° 00' WL,

–40° 00' NB 8° 00' WL;

g)voor de Golf van Cádiz: het geografische gebied van ICES-sector IXa ten oosten van 7° 23' 48'' WL;

h)voor de CECAF-zones (Committee for Eastern Central Atlantic Fisheries – Visserijcommissie voor het centraaloostelijke deel van de Atlantische Oceaan): de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad 19 gespecificeerde geografische gebieden;

i)voor de NAFO-zones (Northwest Atlantic Fisheries Organisation – Visserijorganisatie voor het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan): de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 217/2009 van het Europees Parlement en de Raad 20 gespecificeerde geografische gebieden;

j)voor het SEAFO-verdragsgebied (South East Atlantic Fisheries Organisation — Visserijorganisatie voor het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan): het in het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het zuidoostelijke deel van de Atlantische Oceaan 21 omschreven geografische gebied;

k)voor het ICCAT-verdragsgebied (International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas – Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen): het in het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen 22 omschreven geografische gebied;

l )voor het CCAMLR-verdragsgebied (Commission for the Conservation of Antarctic Marine Living Resources – Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren): het in artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 601/2004 23 omschreven geografische gebied;

m)voor het IATTC-verdragsgebied (InterAmerican Tropical Tuna Commission – InterAmerikaanse Commissie voor tropische tonijn): het geografische gebied als omschreven in het Verdrag ter versterking van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn opgericht bij het Verdrag van 1949 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Costa Rica 24 ("het Verdrag van Antigua");

n)voor het IOTC-verdragsgebied (Indian Ocean Tuna Commission – Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan): het in de Overeenkomst tot oprichting van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan 25 omschreven geografische gebied;

o)voor het SPRFMO-verdragsgebied (South Pacific Regional Fisheries Management Organisation – Regionale organisatie voor het visserijbeheer in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan): het geografische gebied op open zee ten zuiden van 10° NB, ten noorden van het CCAMLRverdragsgebied, ten oosten van het SIOFAverdragsgebied zoals omschreven in de Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan 26 , en ten westen van de gebieden die onder de visserijjurisdictie van de ZuidAmerikaanse staten vallen;

p)voor het WCPFC-verdragsgebied (Western and Central Pacific Fisheries Commission – Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan): het in het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van over grote afstanden trekkende visbestanden in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan 27 omschreven geografische gebied;

q)voor de volle zee van de Beringzee: het geografische gebied van de volle zee van de Beringzee vanaf 200 zeemijlen van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee van de aan de Beringzee gelegen kuststaten wordt gemeten;

r)voor het tussen de IATTC en de WCPFC overlappende gebied: het geografische gebied dat wordt begrensd door:

–lengtegraad 150° WL,

–lengtegraad 130° WL,

–breedtegraad 4° ZB,

–breedtegraad 50° ZB.

TITEL II
VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VAARTUIGEN VAN DE UNIE

Hoofdstuk I
Algemene bepalingen

Artikel 5
TAC's en toewijzingen

1.De TAC's voor vaartuigen van de Unie in de wateren van de Unie of bepaalde wateren buiten de Unie en de toewijzing van deze TAC's aan de lidstaten, alsmede eventuele voorwaarden die er functioneel verband mee houden, worden vastgesteld in bijlage I.

2.Vaartuigen van de Unie mogen, met inachtneming van de in bijlage I vastgestelde TAC's en de voorschriften van artikel 15 en bijlage III van de onderhavige verordening en van Verordening (EG) nr. 1006/2008 28 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, vissen in de wateren die onder de visserijjurisdictie van de Faeröer, Groenland, IJsland en Noorwegen vallen, en in de visserijzone rond Jan Mayen.

Artikel 6
Door de lidstaten vast te stellen TAC's

1.Voor bepaalde visbestanden worden de TAC's door de betrokken lidstaat vastgesteld. Deze bestanden worden opgesomd in bijlage I.

2.De door een lidstaat vast te stellen TAC's:

a)zijn consistent met de beginselen en voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name met het beginsel van duurzame exploitatie van de bestanden, en

b)zijn zodanig gekozen dat:

i)indien er analytische evaluaties beschikbaar zijn, de exploitatie van het bestand met een zo groot mogelijke waarschijnlijkheid vanaf 2016 overeenstemt met de maximale duurzame opbrengst;

ii)indien er geen of onvolledige analytische evaluaties beschikbaar zijn, de exploitatie van het bestand voldoet aan de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer.

3.Elke betrokken lidstaat verstrekt de Commissie uiterlijk op 15 maart 2016 de volgende gegevens:

a)de vastgestelde TAC's;

b)de door de lidstaat verzamelde en beoordeelde gegevens waarop de vastgestelde TAC's zijn gebaseerd;

c)nadere gegevens over hoe de vastgestelde TAC's aan lid 2 voldoen.

Artikel 7
Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten

1.Vis van bestanden waarvoor TAC's zijn vastgesteld en waarvoor de aanlandingsverplichting niet geldt, mag slechts aan boord worden gehouden of aangeland mits:

(a)die vis is gevangen met vaartuigen die de vlag voeren van een lidstaat die over een quotum beschikt, en dat quotum nog niet is opgebruikt, of

(b)die vis deel uitmaakt van een quotum van de Unie dat niet in de vorm van quota over de lidstaten is verdeeld, en dat quotum van de Unie nog niet is opgebruikt.

2.De in artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde bestanden van niet-doelsoorten die zich binnen biologisch veilige grenzen bevinden, worden in bijlage I vastgesteld met het oog op de afwijking van de verplichting om vangsten in mindering te brengen op de betrokken, in dat artikel bedoelde quota.

Artikel 8
Beperkingen van de visserijinspanning

Voor de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde perioden gelden de volgende visserijinspanningsmaatregelen:

a)bijlage IIA voor het beheer van sommige kabeljauw-, tong- en scholbestanden in het Kattegat, het Skagerrak, het deel van ICES-sector IIIa dat niet behoort tot het Skagerrak en het Kattegat, ICES-deelgebied IV en de ICES-sectoren VIa, VIIa en VIId en de wateren van de Unie van de ICES-sectoren IIa en Vb;

b)bijlage IIB met het oog op het herstel van heek en langoustine in de ICES-sectoren VIIIc en IXa, met uitzondering van de Golf van Cádiz;

c)bijlage IIC voor het beheer van het tongbestand in ICES-sector VIIe.

Artikel 9
Vangst- en inspanningsbeperkingen voor de diepzeevisserij

1.Artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2347/2002 29 , op grond waarvan vaartuigen in het bezit moeten zijn van een diepzeevisdocument, is van toepassing op Groenlandse heilbot (ook wel "zwarte heilbot" genoemd). Voor het vangen, aan boord houden, overladen en aanlanden van Groenlandse heilbot/zwarte heilbot gelden de voorwaarden van dat artikel.

2.De lidstaten zorgen ervoor dat de voor 2016 geldende visserijinspanningsniveaus, gemeten in kilowattdagen buitengaats, van vaartuigen met diepzeevisdocumenten als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2347/2002, niet meer bedragen dan 65 % van de gemiddelde jaarlijkse visserijinspanning die de vaartuigen van de betrokken lidstaat in 2003 hebben geleverd op reizen tijdens welke deze vaartuigen over diepzeevisdocumenten beschikten of diepzeesoorten als opgesomd in de bijlagen I en II bij die verordening, hebben gevangen. Dit lid is alleen van toepassing op visreizen tijdens welke meer dan 100 kg andere diepzeesoorten dan grote zilvervis is gevangen.

Artikel 10
Maatregelen inzake zeebaarsvisserijen

1.Het is voor vaartuigen van de Unie verboden om op zeebaars te vissen in de ICESsectoren VIIb, VIIc, VIIj en VIIk, alsmede in de wateren van de ICES-sectoren VIIa en VIIg buiten 12 zeemijl vanaf de basislijn die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen. Het is voor vaartuigen van de Unie tevens verboden om zeebaars die in die gebieden is gevangen, aan boord te hebben, over te laden, te verplaatsen of aan te landen.

2.Van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 is het voor vaartuigen van de Unie verboden om in de ICES-sectoren IVb, IVc, VIIa en van VIId tot VIIh op zeebaars te vissen en om zeebaars die in die gebieden is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen. Vaartuigen van de Unie die gebruikmaken van bodemtrawls en zegennetten 30 , mogen wel vangsten zeebaars aan boord hebben mits deze niet meer bedragen dan 1 % van het gewicht van de totale vangst mariene organismen aan boord.

3.Van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 is het voor vaartuigen van de Unie verboden om per vaartuig en per maand meer dan 1 000 kg zeebaars te vissen in de volgende gebieden:

a)ICES-sectoren IVb, IVc, VIId, VIIe, VIIf en VIIh;

b)wateren binnen 12 zeemijl vanaf de basislijn die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen in de ICES-sectoren VIIa en VIIg.

Tijdens die periode is het voor vaartuigen van de Unie tevens verboden om meer dan 1 000 kg in die gebieden gevangen zeebaars aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Overdracht van de in dit lid vastgestelde vangstbeperkingen van de ene maand naar de andere of tussen vaartuigen is verboden. De lidstaten melden uiterlijk 20 dagen na het einde van elke maand aan de Commissie hoeveel zeebaars per vistuigtype is gevangen.

4.Van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 is het in het kader van recreatievisserijen verboden om in de ICES-sectoren IVb, IVc, VIIa en van VIId tot VIIh op zeebaars te vissen, inclusief vanaf de kust, en om zeebaars die in die gebieden is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

5.In het kader van recreatievisserijen, inclusief vanaf de kust, mag elke visser niet meer dan één zeebaars per dag houden gedurende de volgende perioden en in de volgende gebieden:

a)van 1 juli 2016 tot en met 31 december 2016 in de ICESsectoren IVb, IVc, VIIa en van VIId tot VIIh;

b)van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 in de ICESsectoren VIIj en VIIk.

Artikel 11
Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden

1.De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig deze verordening aan de lidstaten toegewezen onverminderd:

a)het ruilen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

c)nieuwe toewijzingen op grond van artikel 10, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1006/2008;

d)het aanlanden van extra hoeveelheden op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 en artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

e)de op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 naar het volgende jaar overgedragen hoeveelheden;

f)kortingen op grond van de artikelen 105, 106 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

g)overdrachten en uitwisselingen van quota overeenkomstig artikel 15 van deze verordening.

2.Bestanden waarvoor voorzorgsTAC's of analytische TAC's zijn vastgesteld, zijn opgenomen in bijlage I bij de onderhavige verordening met het oog op het meerjarenbeheer van de TAC's en quota als bedoeld in Verordening (EG) nr. 847/96.

3.Tenzij anders vermeld in bijlage I bij de onderhavige verordening, is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op bestanden waarvoor voorzorgs-TAC's zijn vastgesteld, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor analytische TAC's zijn vastgesteld.

4.De artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing op TAC's wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit als vastgesteld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Artikel 12
Gesloten visseizoenen

1.Van 1 mei tot en met 31 mei 2016 is het verboden om de volgende soorten op de Porcupine Bank te bevissen of aan boord te houden: kabeljauw, scharretongen, zeeduivels, schelvis, wijting, heek, langoustine, schol, witte koolvis, zwarte koolvis, roggen, tong, lom, blauwe leng, leng en doornhaai.

Voor de toepassing van dit lid omvat de Porcupine Bank het geografische gebied dat wordt begrensd door loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

Punt

Breedtegraad

Lengtegraad

1

52° 27' NB

12° 19' WL

2

52° 40' NB

12° 30' WL

3

52° 47' NB

12° 39,600' WL

4

52° 47' NB

12° 56' WL

5

52° 13,5' NB

13° 53,830' WL

6

51° 22' NB

14° 24' WL

7

51° 22' NB

14° 03' WL

8

52° 10' NB

13° 25' WL

9

52° 32' NB

13° 07,500' WL

10

52° 43' NB

12° 55' WL

11

52° 43' NB

12° 43' WL

12

52° 38,800' NB

12° 37' WL

13

52° 27' NB

12° 23' WL

14

52° 27' NB

12° 19' WL

In afwijking van de eerste alinea is het vaartuigen toegestaan door de Porcupine Bank te varen met de in die alinea genoemde soorten aan boord, overeenkomstig artikel 50, leden 3, 4 en 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.De commerciële visserij op zandspiering met bodemtrawls, zegennetten of soortgelijk gesleept vistuig met een maaswijdte van minder dan 16 mm is in de ICES-sectoren IIa en IIIa en ICES-deelgebied IV verboden van 1 januari tot en met 31 maart 2016 en van 1 augustus tot en met 31 december 2016.

Het in de eerste alinea vervatte verbod geldt tevens voor vaartuigen van derde landen die op zandspiering mogen vissen in de wateren van de Unie van ICES-deelgebied IV.

Artikel 13
Verbodsbepalingen

1.Het is vaartuigen van de Unie verboden de onderstaande soorten te bevissen, aan boord te houden, over te laden en aan te landen:

(1)sterrog (Amblyraja radiata) in wateren van de Unie van de ICES-sectoren IIa, IIIa en VIId en ICES-deelgebied IV;

(2)witte haai (Carcharodon carcharías) in alle wateren;

(3)schubzwelghaai (Centrophorus squamosus) in de wateren van de Unie van ICES-sector IIa en deelgebied IV en in wateren van de Unie en internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en XIV;

(4)Portugese ijshaai (Centroscymnus coelolepis) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en deelgebied IV en in wateren van de Unie en internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en XIV;

(5)reuzenhaai (Cetorhinus maximus) in alle wateren;

(6)zwarte haai (Dalatias licha) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en deelgebied IV en in wateren van de Unie en internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en XIV;

(7)spitssnuitsnavelhaai (Deania calcea) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en deelgebied IV en in wateren van de Unie en internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en XIV;

(8)vleetsoorten-complex (Dipturus batis-soorten-complex) (Dipturus cf. flossada en Dipturus cf. intermedia) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en de ICES-deelgebieden III, IV, VI, VII, VIII, IX en X;

(9)grote lantaarnhaai (Etmopterus princeps) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en deelgebied IV en in wateren van de Unie en internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en XIV;

(10)gladde lantaarnhaai (Etmopterus pusillus) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en deelgebied IV en in wateren van de Unie en internationale wateren van de ICES-deelgebieden I, V, VI, VII, VIII, XII en XIV;

(11)ruwe haai (Galeorhinus galeus), wanneer gevist wordt met de beug in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en deelgebied IV en in wateren van de Unie en internationale wateren van de ICES-deelgebieden I, V, VI, VII, VIII, XII en XIV;

(12)haringhaai (Lamna nasus) in alle wateren;

(13)rifmanta (Manta alfredi) in alle wateren;

(14)reuzenmanta (Manta birostris) in alle wateren;

(15)de volgende soorten roggen van het geslacht Mobula in alle wateren:

i)duivelsrog (Mobula mobular);

ii)Afrikaanse duivelsrog (Mobula rochebrunei);

iii)gestekelde duivelsrog (Mobula japanica);

iv)gladstaartduivelsrog (Mobula thurstoni);

v)langvinduivelsrog (Mobula eregoodootenkee);

vi)dwergduivelsrog (Mobula munkiana);

vii)sikkelvinduivelsrog (Mobula tarapacana);

viii)kortvinduivelsrog (Mobula kuhlii);

ix)Atlantische duivelsrog (Mobula hypostoma);

(16)de volgende zaagrogsoorten (Pristidae), in alle wateren:

i)mestandzaagrog (Anoxypristis cuspidata);

ii)dwergzaagrog (Pristis clavata);

iii)kleintandzaagrog (Pristis pectinata);

iv)gewone zaagrog (Pristis pristis);

v)groene zaagrog (Pristis zijsron);

(17)    stekelrog (Raja clavata) in wateren van de Unie van ICES-sector IIIa;

(18)    Noorse rog (Raja (Dipturus) nidarosiensis) in wateren van de Unie van de ICES-sectoren VIa, VIb, VIIa, VIIb, VIIc, VIIe, VIIf, VIIg, VIIh en VIIk;

(19)    golfrog (Raja undulata) in wateren van de Unie van de ICES-deelgebieden VI en X;

(20)    witte rog (Raja alba) in wateren van de Unie van de ICES-deelgebieden VI, VII, VIII, IX en X;

(21)    gitaarroggen (Rhinobatidae) in wateren van de Unie van de ICES-deelgebieden I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X en XII;

(22)    zee-engel (Squatina squatina) in wateren van de Unie.

2.Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 bedoelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet.

Artikel 14
Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden gevangen vis aan de Commissie doen toekomen, gebruiken zij daarvoor de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde bestandscodes.

Hoofdstuk II
Vismachtigingen in wateren van derde landen

Artikel 15
Vismachtigingen

1.Het maximum aantal vismachtigingen voor vaartuigen van de Unie in wateren van derde landen wordt vastgesteld in bijlage III.

2.Indien een lidstaat quota in de in bijlage III genoemde visserijzones op basis van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 aan een andere lidstaat overdraagt (ruil of "swap"), worden daarbij ook de overeenkomstige vismachtigingen overgedragen en wordt de Commissie hiervan in kennis gesteld. Het in bijlage III vastgestelde totale aantal vismachtigingen per visserijzone mag echter niet worden overschreden.

Hoofdstuk III
Vangstmogelijkheden in wateren van regionale organisaties voor visserijbeheer

Artikel 16
Overdrachten en uitwisselingen van quota

1.Wanneer volgens de voorschriften van een regionale organisatie voor visserijbeheer (ROVB) overdrachten en uitwisselingen van quota tussen de verdragsluitende partijen bij een ROVB zijn toegestaan, kan een lidstaat (hierna "de betrokken lidstaat" genoemd) met een verdragsluitende partij bij de ROVB besprekingen aanknopen en, in voorkomend geval, mogelijke lijnen uitzetten voor een geplande overdracht of uitwisseling van quota.

2.De betrokken lidstaat brengt de mogelijke lijnen voor een geplande overdracht of uitwisseling van quota die hij met de betreffende verdragsluitende partij bij de ROVB heeft besproken, ter kennis van de Commissie, die daaraan haar goedkeuring kan hechten. Vervolgens wisselt de Commissie onverwijld met de betreffende verdragsluitende partij bij de ROVB de mededeling uit dat ermee wordt ingestemd gebonden te zijn door de overdracht of uitwisseling van quota. De Commissie brengt daarna de overeengekomen overdracht of uitwisseling van quota ter kennis van het secretariaat van de ROVB overeenkomstig de voorschriften van deze organisatie.

3.De Commissie brengt de lidstaten op de hoogte van de overeengekomen overdracht of uitwisseling van quota.

4.De vangstmogelijkheden die in het kader van de overdracht of uitwisseling van quota worden ontvangen van of overgedragen aan de betreffende verdragsluitende partij bij de ROVB, worden beschouwd als quota die aan de betrokken lidstaat worden toegewezen dan wel in mindering worden gebracht op de toewijzing van de betreffende lidstaat, met ingang van het tijdstip dat de overdracht of uitwisseling van quota in werking treedt overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst die met de betrokken verdragsluitende partij bij de ROVB is gesloten, of, in voorkomend geval, overeenkomstig de voorschriften van de betrokken ROVB. Overeenkomstig het beginsel van de relatieve stabiliteit van visserijactiviteiten wijzigt een dergelijke toewijzing de bestaande verdeelsleutel voor de toewijzing van vangstmogelijkheden aan de lidstaten niet.

AFDELING 1
ICCAT-VERDRAGSGEBIED

Artikel 17
Beperkingen van de vangst-, kweek- en mestcapaciteit voor blauwvintonijn

1.Het aantal met de hengel of de sleeplijn vissende vaartuigen van de Unie dat in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen, wordt beperkt overeenkomstig bijlage IV, punt 1.

2.Het aantal in het kader van de ambachtelijke kustvisserij vissende vaartuigen van de Unie dat in de Middellandse Zee actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen, wordt beperkt overeenkomstig bijlage IV, punt 2.

3.Het aantal vaartuigen van de Unie dat in de Adriatische Zee actief op blauwvintonijn tussen 8 kg/75 cm en 30 kg/115 cm mag vissen voor kweekdoeleinden, wordt beperkt overeenkomstig bijlage IV, punt 3.

4.Het aantal en de totale in brutotonnage uitgedrukte capaciteit van de vissersvaartuigen die in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee op blauwvintonijn mogen vissen, deze aan boord mogen houden en mogen overladen, vervoeren of aanlanden, worden beperkt overeenkomstig bijlage IV, punt 4.

5.Het aantal tonnara's dat in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee wordt gebruikt bij de visserij op blauwvintonijn, wordt beperkt overeenkomstig bijlage IV, punt 5.

6.De capaciteit voor het kweken en mesten van blauwvintonijn, alsmede de maximale hoeveelheid in het wild gevangen blauwvintonijn die wordt toegewezen aan kweek- en mestbedrijven in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, worden beperkt overeenkomstig bijlage IV, punt 6.

Artikel 18
Recreatie- en sportvisserij

De lidstaten kennen een specifiek quotum van de hun in bijlage ID toegekende quota voor blauwvintonijn toe aan de recreatie- en sportvisserij.

Artikel 19
Haaien

1.In alle visserijen geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van grootoogvoshaaien (Alopias superciliosus).

2.Het is verboden gericht te vissen op voshaaisoorten van het geslacht Alopias.

3.In verband met visserijen in het ICCAT-verdragsgebied geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van hamerhaaien van de familie Sphyrnidae (met uitzondering van Sphyrna tiburo).

4.In alle visserijen geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus).

5.In alle visserijen geldt een verbod op het aan boord houden van zijdehaaien (Carcharhinus falciformis).

AFDELING 2
CCAMLR-VERDRAGSGEBIED

Artikel 20
Verbodsbepalingen en vangstbeperkingen

1.Gerichte visserij op de in bijlage V, deel A, vermelde soorten is verboden in de daarin aangegeven zones en perioden.

2.Voor experimentele visserij worden de TAC's en bijvangstbeperkingen per deelgebied vastgelegd in bijlage V, deel B.

Artikel 21
Experimentele visserij

1.Alleen lidstaten die lid zijn van de CCAMLR, mogen in 2016 deelnemen aan de experimentele visserij met de beug op Dissostichus spp. in de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en de FAO-sectoren 58.4.1, 58.4.2 en 58.4.3a buiten gebieden onder nationale jurisdictie. Lidstaten die aan die voorwaarde voldoen en voornemens zijn om aan die visserij deel te nemen, stellen het CCAMLR-secretariaat daarvan overeenkomstig de artikelen 7 en 7 bis van Verordening (EG) nr. 601/2004 uiterlijk op 1 juni 2016 in kennis.

2.De TAC's en bijvangstbeperkingen in de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en de FAO-sectoren 58.4.1, 58.4.2 en 58.4.3a en de verdeling daarvan over de kleine onderzoeksvakken (Small Scale Research Units, SSRU's) in elk gebied worden vastgesteld in bijlage V, deel B. De visserijactiviteiten in een SSRU worden stopgezet zodra de gemelde vangsten de geldende TAC hebben bereikt, waarna dit vak voor de rest van het seizoen voor de visserij wordt gesloten.

3.De visserijactiviteiten vinden plaats in een zo groot mogelijk geografisch gebied en op zo veel mogelijk verschillende diepten om de nodige informatie te verzamelen voor het bepalen van het visserijpotentieel en om overconcentratie van vangst- en visserijinspanning te voorkomen. In de FAO-deelgebieden 88.1 en 88.2 en de FAO-sectoren 58.4.1, 58.4.2 en 58.4.3a is het echter verboden om te vissen op diepten van minder dan 550 m.

Artikel 22
Visserij op Antarctisch krill in het visseizoen
2016/2017

1.Alleen lidstaten die lid zijn van de CCAMLR, mogen tijdens het visseizoen 2016/2017 in het CCAMLR-verdragsgebied op Antarctisch krill (Euphausia superba) vissen. Lidstaten die aan die voorwaarde voldoen en die voornemens zijn om in het CCAMLR-verdragsgebied op Antarctisch krill te vissen, stellen het CCAMLR-secretariaat, overeenkomstig artikel 5 bis van Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad 31 , en de Commissie uiterlijk op 1 juni 2016 in kennis van hun voornemen om op Antarctisch krill te vissen, waarbij zij gebruik maken van het in bijlage V, deel C, van de onderhavige verordening vastgestelde formulier.

2.De in lid 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving omvat de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 601/2004 bedoelde informatie voor elk vaartuig dat van de lidstaat toestemming krijgt om aan de visserij op Antarctisch krill deel te nemen.

3.Een lidstaat die voornemens is om in het CCAMLR-verdragsgebied op Antarctisch krill te vissen, geeft alleen kennis van dit voornemen voor gemachtigde vaartuigen die ten tijde van de kennisgeving zijn vlag voeren of die de vlag van een ander CCAMLR-lid voeren, maar naar verwachting ten tijde van de genoemde visserijactiviteit de vlag van de lidstaat zullen voeren.

4.De lidstaten mogen toestaan dat een ander vaartuig dan de overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van dit artikel aan het secretariaat van de CCAMLR gemelde vaartuigen, deelneemt aan de visserij op Antarctisch krill, wanneer een gemachtigd vaartuig om legitieme operationele redenen of vanwege overmacht niet aan die visserij kan deelnemen. De betrokken lidstaten brengen in dat geval het CCAMLR-secretariaat en de Commissie onverwijld op de hoogte, met opgave van:

a)alle bijzonderheden over het vervangende vaartuig (of de vervangende vaartuigen), inclusief de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 601/2004 bedoelde informatie;

b)een volledig overzicht van de redenen voor de vervanging, alsmede van alle relevante ondersteunende bewijsstukken of referenties.

5.De lidstaten staan niet toe dat een vaartuig dat voorkomt op een door de CCAMLR vastgestelde lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten verrichten (IOO-vaartuigen), aan de visserij op Antarctisch krill deelneemt.

AFDELING 3
IOTC-VERDRAGSGEBIED

Artikel 23
Beperking van de vangstcapaciteit van vaartuigen die in het IOTC-verdragsgebied vissen

1.Het maximum aantal vaartuigen van de Unie dat in het IOTC-verdragsgebied op tropische tonijn vist, en de overeenkomstige in brutotonnage uitgedrukte capaciteit, worden vastgesteld in bijlage VI, punt 1.

2.Het maximum aantal vaartuigen van de Unie dat in het IOTC-verdragsgebied op zwaardvis (Xiphias gladius) en witte tonijn (Thunnus alalunga) vist, en de overeenkomstige in brutotonnage uitgedrukte capaciteit, worden vastgesteld in bijlage VI, punt 2.

3.De lidstaten kunnen vaartuigen die zijn toegewezen aan een van de twee in de leden 1 en 2 bedoelde visserijen, opnieuw toewijzen aan de andere visserij, mits zij ten genoegen van de Commissie kunnen aantonen dat deze wijziging niet tot een stijging van de visserijinspanning voor de betrokken visbestanden leidt.

4.De lidstaten zorgen er bij een voorgestelde overdracht van capaciteit naar hun vloot voor dat de over te dragen vaartuigen voorkomen in het vaartuigenregister van de IOTC of van andere regionale tonijnvisserijorganisaties. Voorts mogen vaartuigen die voorkomen op de door een ROVB vastgestelde lijst van vaartuigen die illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten verrichten (IOO-vaartuigen), niet worden overgedragen.

5.De lidstaten mogen hun vangstcapaciteit slechts tot boven de in de leden 1 en 2 bedoelde maxima verhogen als zij binnen de grenzen blijven die bepaald zijn in de bij de IOTC ingediende ontwikkelingsplannen.

Artikel 24
Drijvende vis aantrekkende voorzieningen (fish aggregating devices – FAD's)

Het aantal actieve drijvende vis aantrekkende voorzieningen dat een ringzegenvaartuig tegelijk uitzet, mag nooit meer dan 550 bedragen.

Artikel 25
Haaien

1.In alle visserijen geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van alle voshaaisoorten van de familie Alopiidae.

2.In alle visserijen geldt een verbod op het aan boord houden, overladen en aanlanden van delen van of volledige karkassen van oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus), behalve voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 24 m die uitsluitend betrokken zijn bij visserijactiviteiten in de exclusieve economische zone (EEZ) van de lidstaat waarvan zij de vlag voeren en mits hun vangst uitsluitend voor plaatselijk verbruik is bestemd.

3.Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 en lid 2 bedoelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet.

AFDELING 4
SPRFMO-VERDRAGSGEBIED

Artikel 26
Pelagische visserijen

1.Lidstaten die in 2007, 2008 of 2009 actief pelagischevisserijactiviteiten hebben uitgeoefend in het SPRFMO-verdragsgebied, beperken de totale brutotonnage van de vaartuigen die hun vlag voeren en die in 2016 op pelagische bestanden vissen, tot de totale brutotonnage van de Unie van 78 600 in dat gebied.

2.Alleen lidstaten die in 2007, 2008 of 2009 actief pelagischevisserijactiviteiten hebben uitgeoefend in het SPRFMO-verdragsgebied, mogen in dat gebied op pelagische bestanden vissen met inachtneming van de in bijlage IJ vastgestelde TAC's.

3.De in bijlage IJ vastgestelde vangstmogelijkheden mogen slechts worden benut op voorwaarde dat de lidstaten de Commissie, ter toezending aan het SPRFMO-secretariaat, de lijst sturen van vaartuigen die in het SPRFMO-verdragsgebied actief vissen of bij overlading zijn betrokken, alsmede gegevens van satellietvolgsystemen voor vissersvaartuigen (VMS-gegevens), maandelijkse vangstaangiften en, indien voorhanden, gegevens over aanloophavens, uiterlijk de vijfde dag van de maand na die waarop de gegevens betrekking hebben.

Artikel 27
Bodemvisserijen

1.Lidstaten beperken hun bodemvisserijvangst of -inspanning in het SPFRMOverdragsgebied in 2016 tot de delen van het verdragsgebied waar in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 aan bodemvisserij is gedaan en tot een niveau dat niet hoger is dan de jaarlijkse gemiddelde vangsten of inspanningsparameters in die periode. Zij mogen alleen meer dan de in het kader van de geregistreerde activiteit gevangen hoeveelheid vissen als hun plan om meer dan de in het kader van de geregistreerde activiteit gevangen hoeveelheid te vissen wordt goedgekeurd door de SPRFMO.

2.Lidstaten zonder geregistreerde activiteit in het kader van de bodemvisserijvangst of -inspanning in het SPRFMO-verdragsgebied in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 mogen niet vissen, tenzij de SPRFMO hun plan om zonder geregistreerde activiteit te vissen goedkeurt.

AFDELING 5
IATTC-VERDRAGSGEBIED

Artikel 28
Ringzegenvisserijen

1.De visserij met ringzegens op geelvintonijn (Thunnus albacares), grootoogtonijn (Thunnus obesus) en gestreepte tonijn (Katsuwonus pelamis) is verboden:

a)van 29 juli tot en met 28 september 2016, of van 18 november 2016 tot en met 18 januari 2017, in het gebied dat wordt begrensd door:

–de kustlijnen van het Amerikaanse continent langs de Stille Oceaan,

–lengtegraad 150° WL,

–breedtegraad 40° NB,

–breedtegraad 40° ZB;

b)van 29 september tot en met 29 oktober 2016 in het gebied dat wordt begrensd door:

–lengtegraad 96° WL,

–lengtegraad 110° WL,

–breedtegraad 4° NB,

–breedtegraad 3° ZB.

2.De betrokken lidstaten delen de Commissie vóór 1 april 2016 de in lid 1 bedoelde, door hen geselecteerde periode mee waarin de visserijactiviteiten worden stilgelegd. Alle ringzegenvaartuigen van de betrokken lidstaten zetten de visserij met de ringzegen in de in lid 1 beschreven gebieden gedurende de geselecteerde periode stop.

3.Ringzegenvaartuigen die in het IATTC-verdragsgebied op tonijn vissen, houden alle gevangen geelvintonijnen, grootoogtonijnen en gestreepte tonijnen aan boord en landen deze aan of laden deze over.

4.Lid 3 geldt niet in de volgende gevallen:

a)wanneer de vis om andere redenen dan de grootte niet geschikt wordt geacht voor menselijke consumptie, of

b)wanneer er tijdens de laatste trek van een visreis onvoldoende ruimte is overgebleven om alle bij die trek gevangen tonijn op te slaan.

Artikel 29
Verbod op de visserij op oceanische witpunthaaien

1.Het is verboden in het IATTC-verdragsgebied te vissen op oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus) en delen van of volledige karkassen van oceanische witpunthaaien aan boord te houden, over te laden, op te slaan, voor verkoop aan te bieden, te verkopen of aan te landen.

2.Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 bedoelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet door de vaartuigexploitant.

3.De vaartuigexploitant:

a)registreert het aantal teruggezette exemplaren, met vermelding van de toestand (levend of dood);

b)deelt de onder a) vermelde informatie mee aan de lidstaat waarvan hij onderdaan is. De lidstaten dienen de tijdens het vorige jaar verzamelde informatie uiterlijk op 31 januari van het jaar waarin de onderhavige verordening in werking treedt, in bij de Commissie.

Artikel 30
Verbod op de visserij op roggen van het geslacht Mobula

Het is voor vaartuigen van de Unie verboden in het IATTC-verdragsgebied te vissen op roggen van het geslacht Mobula (waaronder mantaroggen) en delen van of volledige karkassen van in dat gebied gevangen roggen van het geslacht Mobula aan boord te houden, over te laden, aan te landen, op te slaan, voor verkoop aan te bieden of te verkopen. Zodra roggen van het geslacht Mobula worden opgemerkt, worden deze voor zover mogelijk onverwijld en ongedeerd teruggezet door de vaartuigen van de Unie.

AFDELING 6
SEAFO-VERDRAGSGEBIED

Artikel 31
Verbod op de visserij op diepzeehaaien

De gerichte visserij op de volgende diepzeehaaien in het SEAFO-verdragsgebied is verboden:

–spookkathaai (Apristurus manis),

–gevlekte gladde lantaarnhaai (Etmopterus bigelowi),

–kortstaartlantaarnhaai (Etmopterus brachyurus),

–grote lantaarnhaai (Etmopterus princeps),

–gladde lantaarnhaai (Etmopterus pusillus),

–roggen (Rajidae),

–fluweelijshaai (Scymnodon squamulosus),

–diepzeehaaien van de Selachimorpha-superorde.

–doornhaai (Squalus acanthias),

AFDELING 7
WCPFC-VERDRAGSGEBIED

Artikel 32
Voorwaarden voor de visserijen op grootoogtonijn, geelvintonijn, gestreepte tonijn en Zuid-Pacifische witte tonijn

1.De lidstaten zien erop toe dat niet meer dan 403 visdagen worden toegekend aan ringzegenvaartuigen die op grootoogtonijn (Thunnus obesus), geelvintonijn (Thunnus albacares) en gestreepte tonijn (Katsuwonus pelamis) vissen in het gedeelte van het WCPFC-verdragsgebied dat op volle zee tussen 20° NB en 20° ZB is gelegen.

2.Vaartuigen van de Unie vissen niet gericht op Zuid-Pacifische witte tonijn (Thunnus alalunga) in het WCPFC-verdragsgebied ten zuiden van 20° ZB.

3.De lidstaten zien erop toe dat de vangsten van grootoogtonijn (Thunnus obesus) door vaartuigen met de beug in 2016 niet meer bedragen dan 2 000 ton.

Artikel 33
Gesloten gebied voor de visserij met vis aantrekkende voorzieningen (FAD's)

1.In het gedeelte van het WCPFC-verdragsgebied tussen 20° NB en 20° ZB zijn visserijactiviteiten van ringzegenvaartuigen die gebruikmaken van FAD's, verboden tussen 1 juli 2016 00.00 uur en 31 oktober 2016 24.00 uur. In die periode mogen ringzegenvaartuigen in dat gedeelte van het WCPFC-verdragsgebied alleen visserijactiviteiten verrichten indien zich aan boord een waarnemer bevindt die erop toeziet dat het vaartuig op geen enkel ogenblik:

a)een FAD of soortgelijk elektronisch apparaat gebruikt of bedient;

b)met behulp van FAD's op scholen vist.

2.Alle ringzegenvaartuigen die in het in lid 1 bedoelde gedeelte van het WCPFC-verdragsgebied vissen, houden alle gevangen grootoogtonijnen, geelvintonijnen en gestreepte tonijnen aan boord en landen deze aan of laden deze over.

3.Lid 2 geldt niet in de volgende gevallen:

a)tijdens de laatste trek van een visreis, indien onvoldoende ruimte is overgebleven om al deze vis op te slaan;

b)wanneer de vis om andere redenen dan de grootte niet geschikt wordt geacht voor menselijke consumptie, of

c)wanneer zich een ernstige storing van de koelinstallatie voordoet.

Artikel 34
Beperking van het aantal vaartuigen van de Unie dat op zwaardvis mag vissen

Het maximum aantal vaartuigen van de Unie dat in de gebieden ten zuiden van 20° ZB van het WCPFC-verdragsgebied op zwaardvis (Xiphias gladius) mag vissen, wordt vastgesteld in bijlage VII.

Artikel 35
Zijdehaaien en oceanische witpunthaaien

1.Het is verboden om delen van of volledige karkassen van de volgende soorten in het WCPFC-verdragsgebied aan boord te houden, over te laden, op te slaan en aan te landen:

a)zijdehaaien (Carcharhinus falciformis),

b)oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus).

2.Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 bedoelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet.

Artikel 36
Het tussen de IATTC en de WCPFC overlappende gebied

1.Vaartuigen die uitsluitend in het WCPFC-register zijn ingeschreven, passen de in de artikelen 32 tot en met 35 vervatte maatregelen toe wanneer zij vissen in het in artikel 4, onder r), afgebakende, tussen de IATTC en de WCPFC overlappende gebied.

2.Vaartuigen die zowel in het WCPFC-register als in het IATTC-register zijn ingeschreven, en vaartuigen die uitsluitend in het IATTC-register zijn ingeschreven, passen de in artikel 28, lid 1, onder a), en de leden 2, 3 en 4, en in artikel 29 vervatte maatregelen toe wanneer zij vissen in het in artikel 4, onder r), afgebakende, tussen de IATTC en de WCPFC overlappende gebied.

AFDELING 8
BERINGZEE

Artikel 37
Verbod op de visserij in de volle zee van de Beringzee

De visserij op Alaskapollak (Theragra chalcogramma) in de volle zee van de Beringzee is verboden.

TITEL III
VANGSTMOGELIJKHEDEN

VOOR VAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN DE WATEREN VAN DE UNIE

Artikel 38
TAC's

Vissersvaartuigen die de vlag van Noorwegen voeren, alsook vissersvaartuigen die op de Faeröer zijn geregistreerd, mogen in de wateren van de Unie vissen met inachtneming van de in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgestelde TAC's en de in de onderhavige verordening en in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1006/2008 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 39
Vismachtigingen

Het maximum aantal vismachtigingen voor vaartuigen van derde landen die in de wateren van de Unie vissen, wordt vastgesteld in bijlage VIII.

Artikel 40
Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten

De in artikel 7 gespecificeerde voorwaarden zijn van toepassing op vangsten en bijvangsten van vaartuigen van derde landen die met de in artikel 39 bedoelde machtigingen vissen.

Artikel 41
Verbodsbepalingen

1.Het is vaartuigen van derde landen verboden de onderstaande soorten, wanneer zij in de wateren van de Unie worden aangetroffen, te bevissen, aan boord te houden, over te laden en aan te landen:

(a)sterrog (Amblyraja radiata) in wateren van de Unie van de ICES-sectoren IIa, IIIa en VIId en ICES-deelgebied IV;

(b)de volgende zaagrogsoorten, in wateren van de Unie:

–mestandzaagrog (Anoxypristis cuspidata);

–dwergzaagrog (Pristis clavata);

–kleintandzaagrog (Pristis pectinata);

–gewone zaagrog (Pristis pristis);

–groene zaagrog (Pristis zijsron);

(c)reuzenhaai (Cetorhinus maximus) en witte haai (Carcharodon carcharías) in wateren van de Unie;

(d)vleetsoorten-complex (Dipturus batis-soorten-complex) (Dipturus cf. flossada en Dipturus cf. intermedia) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en de ICES-deelgebieden III, IV, VI, VII, VIII, IX en X;

(e)ruwe haai (Galeorhinus galeus) wanneer gevist wordt met de beug in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en de ICES-deelgebieden I, IV, V, VI, VII, VIII, XII en XIV;

(f)gladde lantaarnhaai (Etmopterus pusillus) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa, en de ICES-deelgebieden I, IV, V, VI, VII, VIII, XII en XIV;

(g)zwarte haai (Dalatias licha), spitssnuitsnavelhaai (Deania calcea), schubzwelghaai (Centrophorus squamosus), grote lantaarnhaai (Etmopterus princeps) en Portugese ijshaai (Centroscymnus coelolepis) in wateren van de Unie van ICES-sector IIa en de ICES-deelgebieden I, IV en XIV;

(h)haringhaai (Lamna nasus) in wateren van de Unie;

(i)rifmanta (Manta alfredi) in wateren van de Unie;

(j)reuzenmanta (Manta birostris) in wateren van de Unie;

(k)de volgende soorten roggen van het geslacht Mobula in wateren van de Unie:

i)

duivelsrog (Mobula mobular);

ii)

Afrikaanse duivelsrog (Mobula rochebrunei);

iii)

gestekelde duivelsrog (Mobula japanica);

iv)

gladstaartduivelsrog (Mobula thurstoni);

v)

langvinduivelsrog (Mobula eregoodootenkee);

vi)

dwergduivelsrog (Mobula munkiana);

vii)

sikkelvinduivelsrog (Mobula tarapacana);

viii)

kortvinduivelsrog (Mobula kuhlii);

ix)

Atlantische duivelsrog (Mobula hypostoma);

(l)stekelrog (Raja clavata) in wateren van de Unie van ICES-sector IIIa;

(m)Noorse rog (Raja (Dipturus) nidarosiensis) in wateren van de Unie van de ICES-sectoren VIa, VIb, VIIa, VIIb, VIIc, VIIe, VIIf, VIIg, VIIh en VIIk;

(n)golfrog (Raja undulata) in wateren van de Unie van de ICES-deelgebieden VI, IX en X en witte rog (Raja alba) in wateren van de Unie van de ICES-deelgebieden VI, VII, VIII, IX en X;

(o)gitaarroggen (Rhinobatidae) in wateren van de Unie van de ICES-deelgebieden I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X en XII;

(p)zee-engel (Squatina squatina) in wateren van de Unie.

2.Incidenteel gevangen vissen van de in lid 1 bedoelde soorten worden ongedeerd gelaten. Zij worden onmiddellijk teruggezet.

TITEL IV
SLOTBEPALINGEN

Artikel 42
Comitéprocedure

1.De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde Comité voor de visserij en de aquacultuur. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 43
Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.

Artikel 8 is evenwel van toepassing met ingang van 1 februari 2016.

De in de artikelen 20, 21 en 22 en de bijlagen IE en V vastgestelde bepalingen inzake vangstmogelijkheden voor het CCAMLR-verdragsgebied zijn van toepassing met ingang van de aldaar vermelde data.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1) Zie met name het document "General Context of ICES Advice", te raadplegen via deze link: http://www.ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2015/2015/General_context_of_ICES_advice_2015.pdf
(2) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(3) Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal
(PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).
(4) Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee (PB L 157 van 19.6.2007, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6).
(6) Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).
(7) Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad van 6 april 2009 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 43/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1559/2007 (PB L 96 van 15.4.2009, blz. 1).
(8) Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).
(9) Verordening (EG) nr. 754/2009 van de Raad van 27 juli 2009 tot uitsluiting van bepaalde groepen vaartuigen uit de visserijinspanningsregeling die is vastgesteld in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1342/2008 (PB L 214 van 19.8.2009, blz. 16).
(10) Convention on Future Multilateral Cooperation in North-East Atlantic Fisheries – Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan.
(11) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(12) Overeenkomst betreffende de visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (PB L 226 van 29.8.1980, blz. 48).
(13) Overeenkomst betreffende de visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de plaatselijke regering van de Faeröer, anderzijds (PB L 226 van 29.8.1980, blz. 12).
(14) Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 4) en Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie als bedoeld in die overeenkomst (PB L 293 van 23.10.2012, blz. 5).
(15) PB L 6 van 10.1.2012, blz. 9.
(16) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(17) Verordening (EG) nr. 517/2008 van de Commissie van 10 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bepaling van de maaswijdte en de meting van de twijndikte van visnetten (PB L 151 van 11.6.2008, blz. 5).
(18) Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).
(19) Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten in bepaalde gebieden buiten de Noord-Atlantische Oceaan (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 1).
(20) Verordening (EG) nr. 217/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de indiening van statistieken van de vangsten en de visserijactiviteit van de lidstaten die in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 42).
(21) Gesloten bij Besluit 2002/738/EG van de Raad (PB L 234 van 31.8.2002, blz. 39).
(22) De Unie is tot dit verdrag toegetreden bij Besluit 86/238/EEG van de Raad (PB L 162 van 18.6.1986, blz. 33).
(23) Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 3943/90, (EG) nr. 66/98 en (EG) nr. 1721/1999 (PB L 97 van 1.4.2004, blz. 16).
(24) Gesloten bij Besluit 2006/539/EG van de Raad (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 22).
(25) De Unie is tot deze overeenkomst toegetreden bij Besluit 95/399/EEG van de Raad (PB L 236 van 5.10.1995, blz. 24).
(26) Gesloten bij Besluit 2008/780/EG van de Raad (PB L 268 van 9.10.2008, blz. 27).
(27) De Unie is tot dit verdrag toegetreden bij Besluit 2005/75/EG van de Raad (PB L 32 van 4.2.2005, blz. 1).
(28) Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2009 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren, en houdende wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 1627/94 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33).
(29) Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (PB L 351 van 28.12.2002, blz. 6).
(30) Alle types bodemtrawls, inclusief Deense/Schotse zegens, inclusief OTB, OTT, PTB, TBB, SSC, SDN, SPR, SV, SB, SX, TBN, TBS, TB.
(31) Verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 3943/90, (EG) nr. 66/98 en (EG) nr. 1721/1999 (PB L 97 van 1.4.2004, blz. 16).