Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot intrekking van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad /* COM/2015/0129 final - 2015/0065 (CNS) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL In 2003 heeft de Raad een richtlijn
betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van
rentebetaling aangenomen (de spaarrichtlijn). Deze richtlijn had twee grote
doelstellingen, namelijk voorkomen dat het kapitaalverkeer wordt verstoord en
mogelijk maken dat rentebetalingen verricht door uitbetalende instanties die in
een lidstaat zijn gevestigd, aan particulieren die in een andere lidstaat
wonen, effectief worden belast. De spaarrichtlijn maakt het gemakkelijker om
dit soort rentebetalingen te belasten volgens de wetgeving van de lidstaat waar
de particulier die de spaarinkomsten ontvangt, zijn woonplaats heeft dankzij de
automatische uitwisseling van informatie over de rentebetalingen die aan
dergelijke particulieren worden verricht. De bepalingen van de richtlijn zijn
op 1 juli 2005 van toepassing geworden en vervolgens uitgebreid tot Bulgarije
en Roemenië naar aanleiding van de toetreding van deze landen op 1 januari
2007, en tot Kroatië naar aanleiding van de toetreding van dit land op 1 juli
2013. De richtlijn is voortgevloeid uit de
conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19-20 juni 2000: de
lidstaten zijn toen overeengekomen dat, met het oog op de toepassing van het
beginsel dat alle burgers de verschuldigde belasting over al hun spaarinkomsten
moeten betalen, de uitwisseling van informatie "op een zo breed mogelijke
basis" het einddoel van de EU is, overeenkomstig de internationale
ontwikkelingen. De richtlijn zoals aangenomen in 2003 had
betrekking op de spaarinkomsten die particulieren uit schuldvorderingen
(traditionele rente-inkomsten of vermogenswinsten op schuldinstrumenten)
ontvangen, hetzij rechtstreeks of via beleggingsfondsen dan wel via andere
intermediaire onbelaste entiteiten. Zij bevatte bepalingen inzake de
automatische uitwisseling van informatie over deze spaarinkomsten die worden
uitgekeerd door uitbetalende instanties die in een lidstaat gevestigd zijn, aan
particulieren die in een andere lidstaat wonen. Alle lidstaten behalve België,
Luxemburg en Oostenrijk hebben onmiddellijk een systeem voor automatische
renseignering ingevoerd. In plaats van informatie uit te wisselen, mochten
België, Luxemburg en Oostenrijk gedurende een overgangsperiode een bronbelasting
heffen, in de eerste drie jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn (tot en
met 30 juni 2008) naar een tarief van 15 %, in de drie daaropvolgende
jaren (tot en met 30 juni 2011) naar een tarief van 20 % en vervolgens
naar een tarief van 35 %. 75 % van de opbrengst van deze
bronbelasting diende te worden overgedragen aan de woonlidstaat van de
belegger. België heeft de tijdelijke bronbelasting geheven tot 1 januari 2010
en is sindsdien overgeschakeld op informatie-uitwisseling net zoals de andere
lidstaten. Sinds 1 januari 2015 is dat ook het geval voor Luxemburg. Sinds 1 juli 2005 worden in vijf Europese
landen die geen lid van de EU zijn, waaronder Zwitserland, ten aanzien van
spaarinkomsten die daar worden uitbetaald aan particulieren die in de EU wonen,
maatregelen van gelijke strekking toegepast als die waarin de spaarrichtlijn
voorziet. Sinds dezelfde datum worden in tien afhankelijke of geassocieerde
gebieden van EU-lidstaten (twaalf na de opheffing van de Nederlandse Antillen)
dezelfde maatregelen toegepast als die waarin de richtlijn voorziet, door
middel van de tenuitvoerlegging van bilaterale overeenkomsten die elk van deze
jurisdicties met elk van de lidstaten heeft ondertekend. Frankrijk heeft er
zich, na de statuswijziging van Saint-Barthélemy, toe verbonden dat
Saint-Barthélemy zowel de huidige als de toekomstige bepalingen van de
spaarrichtlijn en de richtlijn betreffende de administratieve samenwerking zal
toepassen. Na de eerste evaluatie van de spaarrichtlijn
heeft de Commissie in november 2008 een aantal wijzigingen voorgesteld om
bestaande lacunes te dichten en belastingontduiking doeltreffender te
voorkomen. De voorgestelde wijzigingen strekten ertoe de richtlijn te
verbeteren door de maatregelen die moeten garanderen dat rentebetalingen aan
belasting worden onderworpen, aan te scherpen. Daarom werd de werkingssfeer van
de bepalingen betreffende intermediaire structuren uitgebreid. In het voorstel
werd ook de werkingssfeer van de richtlijn uitgebreid tot inkomsten uit instrumenten
van gelijke strekking als schuldinstrumenten, dat wil zeggen innoverende
financiële producten en bepaalde levensverzekeringsproducten. Deze wijzigingen
zijn door de Raad aangenomen bij Richtlijn 2014/48/EU van 24 maart 2014[1] (de gewijzigde
spaarrichtlijn). In artikel 2 van deze richtlijn is bepaald dat de lidstaten
uiterlijk op 1 januari 2016 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen dienen vast te stellen en bekend te maken om aan de richtlijn te
voldoen. De lidstaten zouden deze bepalingen moeten toepassen vanaf 1 januari
2017. De Europese Raad van 21 maart 2014 heeft de
Raad verzocht om over te gaan tot de formele goedkeuring van de gewijzigde
spaarrichtlijn, maar heeft ook geconcludeerd dat de methode voor automatische
uitwisseling van informatie die de EU binnen haar grenzen zal toepassen, moet
beantwoorden aan de mondiale standaard die door de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) wordt ontwikkeld. Om dat te
bewerkstelligen, verzocht de Europese Raad de Raad er zorg voor te dragen dat
het Unierecht, na de vaststelling uiterlijk eind 2014 van een wijzigingstekst
van de richtlijn betreffende de administratieve samenwerking, volledig in de
pas zou lopen met de nieuwe mondiale standaard. Op 12 juni 2013 had de Commissie namelijk een
aantal wijzigingen van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve
samenwerking op het gebied van de belastingen voorgesteld. Het belangrijkste
doel van dat voorstel bestond erin de lidstaten een passende EU-rechtsgrondslag
te verschaffen voor de implementatie van de mondiale standaard voor
automatische inlichtingenuitwisseling (de mondiale standaard) die in
OESO-verband werd ontwikkeld. Het toepassingsgebied van de voorgestelde
wijzigingsrichtlijn was zeer ruim, aangezien het alle soorten financiële
producten omvatte (met bepaalde uitzonderingen) die rechtstreeks of
onrechtstreeks worden gehouden door particulieren of niet-overheidslichamen.
Deze wijzigingsrichtlijn werd aangenomen op 9 december 2014 als Richtlijn
2014/107/EU van de Raad[2]
(de wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve samenwerking). In
artikel 2 van deze richtlijn is bepaald dat de lidstaten uiterlijk op 31
december 2015 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen dienen
vast te stellen en bekend te maken om aan de richtlijn te voldoen. Zij moeten
deze bepalingen toepassen vanaf 1 januari 2016 en inlichtingen beginnen uit te
wisselen uiterlijk september 2017. In artikel 2, lid 2, werd aan Oostenrijk
vanwege structurele verschillen een afwijking toegestaan, waarbij het land één
jaar langer kreeg dan de andere lidstaten om uitvoering te geven aan de
richtlijn. Ten tijde van de vaststelling van de richtlijn kondigde Oostenrijk
aan dat het deze afwijking niet volledig zou gebruiken. Het zou namelijk al
uiterlijk september 2017 inlichtingen beginnen uit te wisselen over een beperkt
aantal rekeningen (alleen nieuwe rekeningen geopend tussen 1 oktober 2016 en 31
december 2016) en slechts gebruikmaken van de afwijking voor andere rekeningen. In de laatste alinea van het nieuwe
artikel 8, lid 3 bis, dat is ingevoerd bij de
wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve samenwerking, is duidelijk
vastgesteld dat de bepalingen in dit lid (lid 3 bis) voorrang hebben op de
herziene spaarrichtlijn. Aangezien beide richtlijnen grotendeels dezelfde
werkingssfeer hebben, zouden er slechts nog enkele gevallen overblijven waarin
de herziene spaarrichtlijn nog altijd van toepassing is. De verklaring hiervoor is in wezen drievoudig.
Ten eerste zijn in de wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve
samenwerking rapportageverplichtingen opgelegd aan financiële instellingen
zoals omschreven in de richtlijn. In tegenstelling tot de spaarrichtlijn zijn
er dus geen rapportageverplichtingen opgelegd aan natuurlijke personen (bv.
makelaars) die mogelijkerwijs financiële inkomsten uitbetalen. Ten tweede bevat
de wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve samenwerking een aantal
vrijstellingen voor bepaalde pensioen-/uittredingsfondsen, uitgevers van
creditcards, gereglementeerde fiscaal gefaciliteerde rekeningen en soortgelijke
financiële instellingen en producten waarbij het risico op belastingontduiking
gering is. Ten derde ziet de benadering van de "uitbetalende instantie bij
ontvangst" die in artikel 4, lid 2, van de spaarrichtlijn is
opgenomen, ook op rente die wordt uitgekeerd door een niet-deelnemende
jurisdictie via een uitbetalende instantie bij ontvangst van een lidstaat;
verder omvat de "doorkijkbenadering" van artikel 2, lid 3,
en de aangescherpte benadering van de "uitbetalende instantie bij
ontvangst" van artikel 4, lid 2, van de herziene spaarrichtlijn
ook inkomsten die worden uitgekeerd via "actieve" niet-financiële
entiteiten, voor zover zij van belasting zijn vrijgesteld. Deze restgevallen
zijn het gevolg van kleine verschillen tussen de benadering in de
spaarrichtlijn en die in de wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve
samenwerking, en van specifieke vrijstellingen in beide richtlijnen. Of deze
restgevallen al dan niet onder het toepassingsgebied vallen van de EU-wetgeving
die hier aan de orde is, is van weinig belang in het kader van de algehele
werkingssfeer van de wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve
samenwerking. Door de internationale toepassing van de mondiale standaard en
het nauwe toezicht op de uitvoering ervan door het Mondiaal Forum inzake
transparantie en uitwisseling van inlichtingen zal het risico in verband met
deze restgevallen zeer klein zijn. Dit betekent ook dat het weinig voordeel zou
opleveren om beide rechtsinstrumenten naast elkaar te laten functioneren. De
voornoemde uitsluitingsbepaling van het nieuwe artikel 8,
lid 3 bis, die is ingevoerd bij de wijzigingsrichtlijn betreffende de
administratieve samenwerking, had weliswaar kunnen bewerkstelligen dat
renseignering uit hoofde van de spaarrichtlijn in de meeste gevallen niet nodig
was, maar het naast elkaar bestaan van twee rechtsinstrumenten met een sterk
gelijklopende werkingssfeer druist in tegen de beginselen van betere
regelgeving en komt de duidelijkheid en rechtszekerheid niet ten goede. Als de
twee wettelijke regelingen naast elkaar zouden blijven functioneren, zouden
bovendien ook twee sets van vergelijkbare maar niet volledig op elkaar
afgestemde regels voor cliëntenonderzoek, procedures en rapportagesystemen —
zowel ten aanzien van financiële instellingen die rapporteren aan bevoegde
autoriteiten als van bevoegde autoriteiten die onderling inlichtingen
uitwisselen — moeten worden gehanteerd. De kosten hiervan zouden geenszins
opwegen tegen de voordelen van de ruimere werkingssfeer dankzij de
spaarrichtlijn. Om te garanderen dat er in de EU slechts één
standaard geldt voor de automatische uitwisseling van inlichtingen, en om
situaties te vermijden waarin er twee standaarden naast elkaar worden toegepast,
dient de spaarrichtlijn te worden ingetrokken. Om lacunes in de rapportage te voorkomen,
dient de intrekking van de spaarrichtlijn goed te worden afgestemd op het
tijdschema voor de toepassing van de wijzigingsrichtlijn betreffende de
administratieve samenwerking, waarbij met name rekening wordt gehouden met de
langere termijn die aan Oostenrijk is toegestaan om de richtlijn toe te passen. Daar de doelstelling van dit
richtlijnvoorstel, namelijk de intrekking van de spaarrichtlijn tezamen met de tijdelijke
uitzonderingen die noodzakelijk zijn om verworven rechten te beschermen en
rekening te houden met de aan Oostenrijk toegestane afwijking bij de
wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve samenwerking, niet voldoende
door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de vereiste
uniformiteit en doeltreffendheid beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt,
kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de
Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen.
Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat
dit richtlijnvoorstel niet verder dan nodig is om deze doelstelling te
verwezenlijken. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING De conclusies van de Europese Raad van 21
maart 2014 en de verklaring van de Raad Economische en Financiële Zaken van 9
december 2014 tonen aan dat de lidstaten duidelijk de voorkeur geven aan
slechts één standaard voor de automatische uitwisseling van inlichtingen over
financiële inkomsten. Deze standaard is nu volledig ten uitvoer gelegd door
middel van de wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve samenwerking. In vergaderingen van de deskundigengroep van
de Commissie over de belastingheffing op inkomsten uit spaargelden hebben
deskundigen benadrukt dat het belangrijk is te beschikken over één systeem
waarmee inlichtingen automatisch worden gerapporteerd voor
directe-belastingdoeleinden. Zij hebben te kennen gegeven dat de partijen die
zij vertegenwoordigen (financiële instellingen en tussenpersonen in de EU),
doublures van rapportagesystemen willen voorkomen. De deskundigengroep heeft
ook aangegeven dat de sector al bezig was met de invoering van nieuwe of de
aanpassing van bestaande IT-systemen als voorbereiding op de FATCA-rapportage
(US Foreign Account Tax Compliance Act), en benadrukt dat de toekomstige
EU-wetgeving betreffende automatische uitwisseling van inlichtingen over
financiële rekeningen moest worden afgestemd op de mondiale standaard voor
automatische inlichtingenuitwisseling van de OESO (die zelf gebaseerd is op de
beginselen inzake cliëntenonderzoek die in het kader van de FATCA zijn
opgesteld) om de nalevings- en administratieve lasten te verminderen. Zoals hierboven werd uiteengezet, zal de
intrekking van de spaarrichtlijn helemaal geen of slechts een zeer gering
effect hebben op de doeltreffendheid van de automatische
inlichtingenuitwisseling op basis van de wijzigingsrichtlijn betreffende de
administratieve samenwerking en betreft het in wezen een maatregel van betere
regelgeving. Daarom is geen effectbeoordeling verricht. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL In artikel 1 is de intrekking van de
richtlijn vastgesteld. In dit artikel wordt de intrekking afgestemd op het
tijdschema voor de toepassing van de wijzigingsrichtlijn betreffende de
administratieve samenwerking door de lidstaten. Artikel 1, lid 1, onder a), en
artikel 1, lid 1, onder b), omvatten de belangrijkste
verplichtingen inzake rapportage en inlichtingenuitwisseling zoals vastgesteld
in artikel 4, lid 2, respectievelijk de artikelen 8 en 9
van de spaarrichtlijn. In artikel 1, lid 1, onder a),
is bepaald dat de marktdeelnemers en de lidstaten waar zij zijn gevestigd, de
met betrekking tot 2015 verzamelde gegevens rapporteren en uitwisselen. Deze
gegevens hebben betrekking op in andere lidstaten gevestigde uitbetalende
instanties bij ontvangst overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de
spaarrichtlijn, die moeten worden gerapporteerd binnen dezelfde termijn als die
van artikel 9, namelijk "binnen zes maanden na afloop van het
belastingjaar." Voor de meeste lidstaten is deze termijn 30 juni 2016,
behalve voor het Verenigd Koninkrijk, waarvoor de termijn 5 oktober 2016 is. De
toepassing wordt daarom verlengd tot een datum die ook de termijn voor het
Verenigd Koninkrijk omvat. Voor vervolginformatie en correcties na die datum is
geen uiterste datum vastgesteld. In artikel 1, lid 1, onder b),
is bepaald dat de marktdeelnemers en uitbetalende instanties en de lidstaten
waar zij zijn gevestigd, de met betrekking tot 2015 verzamelde gegevens
rapporteren en uitwisselen, zoals vastgesteld in artikel 9, "binnen
zes maanden na afloop van het belastingjaar", wat voor de meeste lidstaten
30 juni 2016 is maar in het geval van het Verenigd Koninkrijk 5 oktober 2016.
De toepassing wordt daarom verlengd tot 5 oktober 2016 zodat ook de termijn
voor het Verenigd Koninkrijk is inbegrepen. Voor eventueel noodzakelijke
aanvullingen van informatie en correcties na die datum is geen uiterste datum
vastgesteld. Artikel 1, lid 2, bevat specifieke
bepalingen die door Oostenrijk ten uitvoer moeten worden gelegd. Oostenrijk zal de wijzigingsrichtlijn
betreffende de administratieve samenwerking toepassen met een vertraging van,
in de meeste gevallen, één jaar. Bij de vaststelling van de richtlijn op 9
december 2014 heeft Oostenrijk evenwel toegezegd om al in 2017 inlichtingen uit
te wisselen, zij het slechts met betrekking tot een beperkt aantal rekeningen
(alleen nieuwe rekeningen geopend tussen 1 oktober 2016 en 31 december 2016),
waarbij het in de andere gevallen gebruik zou blijven maken van de afwijking.
Algemeen genomen zal Oostenrijk de spaarrichtlijn dus een jaar langer moeten
toepassen, behalve voor het beperkte aantal rekeningen waarvoor de rapportage
in 2017 zal gebeuren overeenkomstig de richtlijn betreffende de administratieve
samenwerking. In tegenstelling tot Luxemburg heeft Oostenrijk niet te kennen
gegeven dat het zal overgaan tot automatische inlichtingenuitwisseling in het kader
van de spaarrichtlijn vóór het einde van de in artikel 10 van die richtlijn
genoemde overgangsperiode. Er wordt ook niet verwacht dat Oostenrijk aan de
voorwaarden voor het beëindigen van die overgangsperiode zal voldoen op de
datum waarop het de wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve
samenwerking zal toepassen. Voor de toepassing van artikel 1, lid 2, wordt
daarom aangenomen dat Oostenrijk de tijdelijke bronbelasting in het kader van
de spaarrichtlijn ook in 2016 nog zal heffen, behalve voor het beperkte aantal
rekeningen waarover het land de rapportage in 2017 zal verrichten
overeenkomstig de wijzigingsrichtlijn betreffende de administratieve
samenwerking. Dienovereenkomstig wordt in artikel 1,
lid 2, onder a), verwezen naar de verplichtingen van Oostenrijk en de
onderliggende verplichtingen van de daar gevestigde uitbetalende instanties om
de in 2016 ingehouden bronbelasting op rentebetalingen over te dragen in
overeenstemming met artikel 12 van de spaarrichtlijn. Oostenrijk zal ook moeten voldoen aan zijn
verplichtingen met betrekking tot de rapportage door zijn marktdeelnemers op
grond van de laatste alinea van artikel 4, lid 2, van de
spaarrichtlijn in gevallen waarin de entiteit die een rentebetaling van deze
marktdeelnemers ontvangt en die is bedoeld in artikel 11, lid 5, van
dezelfde richtlijn, formeel heeft aanvaard dat haar naam en adres alsmede het
totale bedrag van de rentebetaling die aan haar is verricht of voor haar is
bewerkstelligd, worden meegedeeld overeenkomstig de laatste alinea van artikel
4, lid 2, van deze richtlijn. De bepaling die dit moet garanderen, is opgenomen
in artikel 1, lid 2, onder b), van dit voorstel. Indien Oostenrijk zou voorzien in de procedure
van artikel 13, lid 1, onder a), van de spaarrichtlijn, moeten
ook de verplichtingen van Oostenrijk en de onderliggende verplichtingen van de
daar gevestigde uitbetalende instanties om te rapporteren overeenkomstig
hoofdstuk II van de spaarrichtlijn, in acht worden genomen. De bepaling
die dit moet garanderen, is opgenomen in artikel 1, lid 2,
onder c), van dit voorstel. Alle verplichtingen waarin artikel 1,
lid 2, voorziet, moeten vervuld zijn binnen zes maanden na afloop van het
belastingjaar in Oostenrijk, dat wil zeggen 30 juni 2017. In artikel 1, lid 3, ten slotte, is voorzien
in een uitzondering op de verlenging van de toepassing van de spaarrichtlijn
voor het beperkte aantal rekeningen waarvoor de regels van het
cliëntenonderzoek van toepassing zullen zijn vanaf 1 oktober 2016 en de
rapportage in 2017 zal gebeuren overeenkomstig de richtlijn betreffende de
administratieve samenwerking, zoals gewijzigd bij de desbetreffende
wijzigingsrichtlijn. De 27 lidstaten die de wijzigingsrichtlijn
betreffende de administratieve samenwerking zullen toepassen vanaf 1 januari
2016, zullen nog altijd de verklaring in de zin van artikel 13,
lid 2, van de spaarrichtlijn moeten afgeven aan uiteindelijk gerechtigden
die op hun grondgebied woonachtig zijn. Aangezien de datum waarop die
verklaring uiterlijk van toepassing zou zijn, de datum is waarop Oostenrijk het
laatst bronbelasting zou heffen krachtens de spaarrichtlijn, is deze datum in
artikel 1, lid 1, onder c), van dit voorstel vastgesteld op 31
december 2016. Aangezien Luxemburg vanaf 1 januari 2015 de spaarrichtlijn
toepast zonder heffing van bronbelasting, is Oostenrijk de enige lidstaat die
in 2015 en 2016 bronbelasting zal heffen in het kader van de spaarrichtlijn. De regels voor de opheffing van ieder
dubbelbelastinggeval dat zou kunnen voortvloeien uit de toepassing van de
tijdelijke bronheffing in het kader van de spaarrichtlijn, zouden ook moeten
gelden na de datum van toepassing van de wijzigingsrichtlijn betreffende de
administratieve samenwerking. Onverminderd de nationale voorschriften in de
lidstaat in kwestie die in verrekening of terugbetaling van de bronbelasting
overeenkomstig artikel 14 van de spaarrichtlijn moet voorzien, kan het
voorkomen dat die bepaling veel langer zal moeten worden toegepast dan de datum
waarop voor het laatst bronbelasting zal worden geheven, dat wil zeggen 31
december 2016 voor de door Oostenrijk geheven bronbelasting (zie
artikel 1, lid 1, onder d), van dit voorstel). Dit is een
tijdelijke maatregel om de rechten die uiteindelijk gerechtigden op grond van
artikel 14 van de spaarrichtlijn hebben verworven ten aanzien van hun
woonlidstaat, te beschermen. Artikel 2 bepaalt dat de richtlijn in
werking treedt op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het
Publicatieblad van de Europese Unie. Artikel 3 bepaalt dat de richtlijn gericht is
tot de lidstaten. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de
begroting. 2015/0065 (CNS) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot intrekking van Richtlijn 2003/48/EG van
de Raad DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 115, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Parlement, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité, Handelend volgens een bijzondere
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) Voortbouwend op de door de
Europese Raad van 20 juni 2000 bereikte consensus dat relevante informatie voor
belastingdoeleinden op een zo breed mogelijke basis moet worden uitgewisseld,
passen de lidstaten sinds 1 juli 2005 Richtlijn 2003/48/EG[3] van de Raad toe om
ervoor te zorgen dat inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen
die in een lidstaat worden verricht aan uiteindelijk gerechtigden die een
natuurlijke persoon zijn en hun woonplaats in een andere lidstaat hebben,
effectief kunnen worden belast overeenkomstig de wettelijke bepalingen van
laatstgenoemde lidstaat, zodat een einde wordt gemaakt aan verstoringen in het
kapitaalverkeer tussen de lidstaten, die onverenigbaar zijn met de interne
markt. (2) De uitdagingen die
grensoverschrijdende belastingfraude en -ontduiking stellen, hebben een
wereldwijde dimensie waarover zowel op mondiaal niveau als dat van de Unie
grote bezorgdheid heerst. Niet-aangegeven en onbelaste inkomsten leiden tot een
aanzienlijke derving van de nationale belastingopbrengsten. De Europese Raad
van 22 mei 2013 heeft zijn waardering uitgesproken voor de inspanningen die in
de G8, de G20 en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
(OESO) worden geleverd om een mondiale standaard te ontwikkelen. (3) Richtlijn 2011/16/EU[4] voorziet in verplichte
automatische uitwisseling van bepaalde informatie tussen de lidstaten en in een
stapsgewijze uitbreiding van het toepassingsgebied ervan tot nieuwe inkomsten-
en vermogenscategorieën, teneinde grensoverschrijdende belastingfraude en
-ontduiking te bestrijden. (4) Op 9 december 2014 heeft de
Raad zijn goedkeuring gegeven aan Richtlijn 2014/107/EU[5] tot wijziging van
Richtlijn 2011/16/EU, waarmee de automatische inlichtingenuitwisseling werd
uitgebreid tot een breed scala aan inkomsten in overeenstemming met de in juli
2014 door de OESO-Raad vastgestelde mondiale standaard, en een coherente,
consistente en alomvattende Uniebrede aanpak werd gegarandeerd van de
automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen in de
interne markt. (5) Het toepassingsgebied van
Richtlijn 2014/107/EU is over het algemeen breder dan dat van Richtlijn
2003/48/EG en wanneer beide samenvallen, heeft Richtlijn 2014/107/EU voorrang.
Er zijn nog enkele restgevallen waarin overigens alleen Richtlijn 2003/48/EG
van toepassing zou zijn. Deze restgevallen zijn het gevolg van een enigszins
verschillende aanpak in de twee richtlijnen en van verschillende specifieke
vrijstellingen. Indien in die beperkte gevallen het toepassingsgebied van
Richtlijn 2003/48/EG en dat van Richtlijn 2014/107/EU niet samenvallen, zouden
de relevante bepalingen van Richtlijn 2003/48/EG van toepassing blijven, met
als gevolg dubbele rapportagenormen binnen de Unie. De beperkte voordelen van
dergelijke dubbele rapportage zouden niet opwegen tegen de kosten. (6) Op 21 maart 2014 heeft de
Europese Raad de Raad verzocht erop toe te zien dat het relevante Unierecht
volledig in de pas loopt met de nieuwe, door de OESO ontwikkelde mondiale
standaard voor automatische inlichtingenuitwisseling. Daarnaast heeft de Raad
bij de vaststelling van Richtlijn 2014/107/EU de Commissie verzocht een
voorstel tot intrekking van Richtlijn 2003/48/EG in te dienen en de intrekking
van die richtlijn af te stemmen op de datum van toepassing die is vastgelegd in
artikel 2 van Richtlijn 2014/107/EU, met inachtneming van de daarin vastgestelde
afwijking voor Oostenrijk. Richtlijn 2003/48/EG moet dus één jaar langer van
toepassing blijven op Oostenrijk. Gelet op het door de Raad ingenomen standpunt
is het noodzakelijk Richtlijn 2003/48/EG in te trekken om dubbele
rapportageverplichtingen te vermijden en kosten te besparen voor zowel de
belastingdiensten als de marktdeelnemers. (7) Krachtens artikel 2 van
Richtlijn 2014/48/EU[6]
tot wijziging van Richtlijn 2003/48/EG dienen de lidstaten uiterlijk op 1
januari 2016 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te
stellen en bekend te maken om aan de richtlijn te voldoen. Zij moeten deze
bepalingen toepassen vanaf 1 januari 2017. Met de intrekking van Richtlijn
2003/48/EG wordt de omzetting van Richtlijn 2014/48/EU overbodig. (8) Met het oog op de
ononderbroken voortzetting van de automatische rapportage van informatie over
financiële rekeningen dient de intrekking van Richtlijn 2003/48/EG in werking
te treden op dezelfde datum als die waarop Richtlijn 2014/107/EU, zoals bepaald
in artikel 2 ervan, van toepassing wordt. (9) Niettegenstaande de
intrekking van Richtlijn 2003/48/EG moeten de gegevens die door uitbetalende
instanties, marktdeelnemers en lidstaten zijn verzameld tot de datum van
intrekking, worden verwerkt en doorgegeven zoals oorspronkelijk gepland en
moeten de vóór die datum ontstane verplichtingen worden nagekomen. (10) Met betrekking tot
bronbelasting die is geheven in de overgangsperiode zoals bedoeld in
artikel 10 van Richtlijn 2003/48/EG, moeten de lidstaten, ter bescherming
van de verworven rechten van uiteindelijk gerechtigden, deze belasting blijven
verrekenen of terugbetalen zoals oorspronkelijk gepland en moeten zij
uiteindelijk gerechtigden op verzoek een verklaring afgeven waarmee dezen
heffing van bronbelasting kunnen voorkomen. (11) Er moet rekening worden
gehouden met het feit dat Oostenrijk bij artikel 2, lid 2, van Richtlijn
2014/107/EU vanwege structurele verschillen een afwijking voor maximaal één
jaar is toegestaan. Bij de vaststelling van die richtlijn heeft Oostenrijk
aangekondigd dat het deze afwijking niet volledig zal gebruiken. Het land zal
namelijk al uiterlijk september 2017 deelnemen aan de inlichtingenuitwisseling,
zij het voor een beperkt aantal rekeningen, terwijl het wel gebruik zal maken van
de afwijking in andere gevallen. Er moet derhalve specifiek worden bepaald dat
Oostenrijk en de daar gevestigde marktdeelnemers en uitbetalende instanties de
bepalingen van Richtlijn 2003/48/EG blijven toepassen tijdens de
afwijkingsperiode, behalve voor de rekeningen die onder het toepassingsgebied
van Richtlijn 2014/107/EU tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU zijn gebracht. (12) Deze richtlijn eerbiedigt de
grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met inbegrip van het recht op
bescherming van persoonsgegevens, en deze rechten worden door deze richtlijn in
generlei wijze beperkt of opgeheven. (13) Daar de doelstelling van deze
richtlijn, namelijk de intrekking van Richtlijn 2003/48/EG tezamen met de
tijdelijke uitzonderingen die noodzakelijk zijn om verworven rechten te
beschermen en rekening te houden met de aan Oostenrijk toegestane afwijking bij
Richtlijn 2014/107/EU, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt
en derhalve wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid beter op
Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel
5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde
subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde
artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan
hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. (14) Richtlijn 2003/48/EG dient
daarom te worden ingetrokken, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: Artikel 1 1. Richtlijn 2003/48/EG wordt
ingetrokken met ingang van 1 januari 2016. De volgende
verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2003/48/EG, zoals gewijzigd bij
Richtlijn 2006/98/EG[7],
blijven evenwel van toepassing: a) de verplichtingen
van de lidstaten en de daar gevestigde marktdeelnemers uit hoofde van
artikel 4, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2003/48/EG blijven van
toepassing tot en met 5 oktober 2016 of totdat aan die verplichtingen is
voldaan; b) de
verplichtingen van de uitbetalende instanties uit hoofde van artikel 8 en
van de lidstaten van de uitbetalende instanties uit hoofde van artikel 9
blijven van toepassing tot en met 5 oktober 2016 of totdat aan die
verplichtingen is voldaan; c) de
verplichtingen van de lidstaten waar uiteindelijk gerechtigden hun fiscale
woonplaats hebben, uit hoofde van artikel 13, lid 2, blijven van
toepassing tot en met 31 december 2016; d) de
verplichtingen van de lidstaten waar uiteindelijk gerechtigden hun fiscale
woonplaats hebben, uit hoofde van artikel 14 met betrekking tot de
bronbelasting die in 2016 en voorgaande jaren is geheven, blijven van
toepassing totdat aan die verplichtingen is voldaan. 2. Niettegenstaande lid 1 van
dit artikel blijft Richtlijn 2003/48/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn
2006/98/EG, in haar geheel van toepassing ten aanzien van Oostenrijk tot en met
31 december 2016, met uitzondering van: a) de
verplichtingen van Oostenrijk en de onderliggende verplichtingen van de daar
gevestigde uitbetalende instanties en marktdeelnemers uit hoofde van
artikel 12, die blijven gelden tot en met 30 juni 2017 of totdat aan die
verplichtingen is voldaan; b) de
verplichtingen van Oostenrijk en de daar gevestigde marktdeelnemers uit hoofde
van artikel 4, lid 2, tweede alinea, die van toepassing blijven tot
en met 30 juni 2017 of totdat aan die verplichtingen is voldaan; c) alle
verplichtingen van Oostenrijk en de onderliggende verplichtingen van de daar
gevestigde uitbetalende instanties die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien
uit de in artikel 13 bedoelde procedures, die blijven gelden tot en met 30 juni
2017 of totdat aan die verplichtingen is voldaan. 3. Niettegenstaande lid 2 van
dit artikel is Richtlijn 2003/48/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2006/98/EG,
na 1 oktober 2016 niet van toepassing op rentebetalingen met betrekking tot
rekeningen waarvoor aan de in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2011/16/EU
opgenomen verplichtingen inzake rapportage en cliëntenonderzoek is voldaan en
waarvoor Oostenrijk via automatische uitwisseling de in artikel 8, lid 3
bis, van Richtlijn 2011/16/EU bedoelde inlichtingen heeft verstrekt binnen de
termijn die is vastgesteld in artikel 8, lid 6, onder b), van
Richtlijn 2011/16/EU. Artikel 2 Deze richtlijn treedt in werking op twintigste
dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese
Unie. Artikel 3 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] Richtlijn 2014/48/EU van de Raad van 24 maart 2014 tot
wijziging van Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten
uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PB L 111 van 15.4.2014, blz. 50). [2] Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014
tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische
uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359 van 16.12.2014,
blz. 1). [3] Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003
betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van
rentebetaling (PB L 157 van 26.6.2003, blz. 38). [4] Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari
2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de
belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011,
blz. 1). [5] Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014
tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische
uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359 van 16.12.2014, blz.
1). [6] Richtlijn 2014/48/EU van de Raad van 24 maart 2014 tot
wijziging van Richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten
uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PB L 111 van 15.4.2014, blz. 50). [7] Richtlijn 2006/98/EG van de Raad van 20 november 2006
tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van belastingen in
verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363 van 20.12.2006,
blz. 129).