|
1.7.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 240/9 |
Advies van het Europees Comité van de Regio’s — Concrete stappen ter uitvoering van de Europese stedelijke agenda
(2016/C 240/03)
|
BELEIDSAANBEVELINGEN
HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO'S,
Inleiding
|
1. |
De stedelijke agenda is een Europees project van eminent belang: er wordt een nieuwe werkmethode uitgestippeld die aan de hand van een operationeel kader en doeltreffende instrumenten voor alle beleidsgebieden die relevant zijn voor steden en hun omliggende functionele gebieden, coherentie moet garanderen. Daar ongeveer twee derde van alle sectorale EU-beleidsmaatregelen gevolgen hebben voor Europese stedelijke gebieden, moeten steden en gemeenten meer inspraak krijgen bij de uitstippeling en uitvoering ervan. Het is de bedoeling de levenskwaliteit in de steden te verbeteren en te komen tot een nieuwe „stedelijke” governance die doelen formuleert en verwezenlijkt aan de hand van een praktische en op diverse niveaus gecoördineerde aanpak, met inachtneming van de subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen. Dit nieuwe stedelijke paradigma biedt grote kansen: het kan de mensen ter plaatse de Europese meerwaarde bij het aangaan van sociale en demografische uitdagingen laten ervaren, het kan — in nauwe samenhang met de agenda voor betere regelgeving van de Commissie — de kwaliteit van het Europees beleid door de aansluiting op en tussen nationale, regionale en lokale strategieën verbeteren en zo de huidige samenwerking verre overtreffen. Het CvdR benadrukt dat de stedelijke agenda deel moet uitmaken van een bredere territoriale visie op stad en platteland (1). Het kan eveneens een relevante bijdrage leveren aan de in artikel 3 van het EU-Verdrag genoemde doelstellingen, met name die inzake economische, sociale en territoriale samenhang, alsmede aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie (2). Naast een bottom-upaanpak en multilevel governance zijn er drie hoofdcriteria cruciaal voor het welslagen hiervan:
|
|
2. |
Het CvdR verwijst naar de inspanningen die sinds 1989 zijn geleverd en naar de stedelijke proefprojecten met het oog op een grotere rol voor de steden in de formulering van het beleid op Europees niveau en tot voorbereiding van een stedelijke agenda op EU-niveau:
|
Uitgangspunten van de stedelijke agenda
|
3. |
De betekenis van de steden: de wereldwijd te bespeuren trend naar grotere bevolkingsconcentraties in steden vindt ook in Europa plaats, waar inmiddels ongeveer 70 % van de bevolking in steden of stedelijke agglomeraties leeft. Met meer dan 75 % van het bbp dat daar wordt gegenereerd, vormen zij de motor voor economische ontwikkeling, sociale inclusie en duurzame ontwikkeling. Steden worden echter ook gekenmerkt door het direct naast elkaar bestaan van sociale tegenstellingen, zoals armoede en rijkdom, werkgelegenheidspotentieel en langdurige werkloosheid, vraag naar en tekort aan arbeidskrachten, grote opleidingsverschillen en bijzondere milieuproblemen. Bovendien zullen ook de steden, als „aanjagers van integratie”, de huidige vluchtelingenstromen alsook de interne EU-migratie in goede banen leiden. Geen enkel beleid van de Europese Unie biedt soelaas als de stedelijke dimensie niet in aanmerking wordt genomen. |
|
4. |
Geïntegreerde en multidisciplinaire aanpak: reeds bij de formulering van het Handvest van Leipzig in 2007 werd benadrukt dat voor de steden slechts een geïntegreerde aanpak en multilevelgovernance werkt. Succesvolle initiatieven betreffen de overwinning van het „silodenken van de overheid”, d.w.z. sectoroverschrijdend problemen aanpakken, samenwerken over traditionele hiërarchieën heen en het betrekken van verschillende stakeholders, rekening houdend met de verschillen tussen lokale en regionale gebieden. Hiermee zijn aanzetten gegeven die nauw aansluiten bij de ideeën van de Commissie over betere regelgeving, betere financiering en betere coördinatie. Maar een geïntegreerde aanpak vereist een hoge mate van coördinatie en samenwerking op en over alle niveaus heen: het lokale, het regionale, het nationale en het Europese. |
|
5. |
Stad en platteland als elkaar aanvullende functionele ruimten: in het debat over de stedelijke agenda keert steeds weer de vrees terug dat meer aandacht voor stedelijke belangen ten koste gaat van hulp voor het platteland. Het CvdR benadrukt echter het belang van de betrekkingen tussen stad en platteland en erkent de rol van het platteland dat ook bijdraagt tot bevordering van groei en werkgelegenheid. Het beleid van de Unie mag niet aanzetten tot een concurrentieverhouding tussen deze twee dimensies die geografisch, administratief en qua functioneel en thematisch beleid één geheel vormen. Het gaat dus om de complementariteit van de twee dimensies om zo nieuwe governancevormen tussen beide te beproeven en mogelijk te maken, met name door ruimere toegang tot dienstverlening en de ontwikkeling van digitale technologieën. Alleen als beide sterk zijn, kan het overkoepelende doel worden bereikt: een sociaaleconomisch en op milieugebied krachtig Europa en een sterkere territoriale samenhang. Europees stedenbeleid richt zich op alle steden en omliggende functionele gebieden: niet alleen op hoofd- en grote steden, maar ook op middelgrote en kleine steden die van groot belang zijn voor het omliggende gebied. |
|
6. |
De stedelijke agenda van de EU zou ook moeten dienen als leidraad voor de onderhandelingsposities van de EU bij de Habitat III-conferentie die van 17 tot en met 20 oktober 2016 in Quito wordt gehouden. In overeenstemming met haar streven om een krachtigere rol op het wereldtoneel te spelen en gezien de noodzaak om haar interne en externe beleid beter op elkaar af te stemmen, zou de EU bovendien de internationale samenwerking en uitwisseling tussen stedelijke overheden moeten versterken en stimuleren. |
|
7. |
De implementatie van de stedelijke agenda staat of valt ook met een geïntegreerde benadering van stedelijk en regionaal bestuur waarbij de institutionele en bestuurlijke context in acht wordt genomen. |
|
8. |
Om ervoor te zorgen dat een stedelijke agenda strookt met het subsidiariteitsbeginsel en dat de lokale en regionale overheden er vanuit een bottom-upbenadering bij betrokken worden, is het dan ook cruciaal dat gekozen lokale en regionale organen en hun vertegenwoordigende nationale en Europese verenigingen participeren in de besluitvorming en dat ze een verantwoordelijke rol krijgen bij de vaststelling van operationele programma’s en de tenuitvoerlegging en beoordeling van het cohesiebeleid, met inachtneming van hun eigen institutionele rol. |
Procedures voor de uitvoering van concrete stappen voor een stedelijke agenda: het PACT van Amsterdam
|
9. |
De Commissie is samen met het Nederlandse Raadsvoorzitterschap, en met deelname van tal van stakeholders, begonnen aan de voorbereiding van het Pact van Amsterdam. Het is de bedoeling om in het kader van twaalf thematische partnerschappen driejarige actieplannen voor geïntegreerd beleid voor de grootste stedelijke problemen uit te werken en in de praktijk te brengen. Ze zijn bedoeld als een van de belangrijkste instrumenten om de stedelijke agenda ten uitvoer te leggen. Ze zullen meerdere beleidsterreinen omvatten die gevolgen hebben voor stedelijke gebieden in de EU. Voorts is het voor het welslagen van de partnerschappen en van de „EU Urban Agenda Board”, die toezicht zal houden op het proces, van cruciaal belang dat zij nauw samenwerken met stedelijke, lokale en regionale overheden, lidstaten, Europese instellingen (waaronder het CvdR) en plaatselijke belanghebbende partijen. Het CvdR pleit ervoor dat de aandacht geconcentreerd wordt op een beperkt aantal belangrijke beleidsterreinen waarop tastbare resultaten behaald kunnen worden en de meerwaarde van de stedelijke agenda van de EU aangetoond kan worden. De twaalf omschreven thema’s vormen geen definitieve lijst. Er kunnen ook partnerschappen gevormd worden voor andere thema’s die een geïntegreerde beleidsaanpak vergen, zoals aandacht voor de culturele en toeristische dimensie in de stadsontwikkeling, nieuwe, inclusieve vormen van participatie, innovatie en „slimme steden”. Een algehele beoordeling van de thema’s zal echter pas mogelijk zijn als de partnerschappen gestalte hebben gekregen, omdat dan pas duidelijk wordt of en hoe voor de Europese Unie zulke centrale thema’s als jeugdwerkloosheid verankerd zijn. Het valt toe te juichen dat vier partnerschappen („luchtkwaliteit”, „woningbouw”, „armoede in steden” en „migratie en integratie van vluchtelingen”) al op proef met hun werkzaamheden zijn begonnen. Voor het verdere verloop van de partnerschappen is het cruciaal dat van meet af aan wordt uitgegaan van een in hoge mate bindend karakter, bijvoorbeeld in de vorm van halfjaarlijkse verslagen aan de Commissie, de Raad, het Parlement en het CvdR. Het CvdR wijst erop dat de thematische partnerschappen ook een bijdrage kunnen leveren aan de uitwerking van toekomstige EU-wetgeving en de herziening van vigerende EU-wetgeving. Wat betreft de financiering van de deelname aan de thematische partnerschappen, die uit ca. 15 partners zullen bestaan, heeft Nederland reeds 50 000 EUR uitgetrokken om elk partnerschap te ondersteunen. Het CvdR roept de Commissie dan ook op na te gaan of het mogelijk is financiële steun voor technische bijstand te verlenen om het geïnteresseerde lokale overheden gemakkelijker te maken partner te worden. |
|
10. |
Operationele programma’s zouden in de komende programmeringsperiode ruimte kunnen bieden aan verbetering en financiering van stedelijke actieplannen die gegenereerd zijn in het kader van het Pact van Amsterdam of door andere Europese programma’s zoals Urbact. |
|
11. |
Voorts is het van belang dat de Commissie een duidelijke en bindende rol in de coördinatie op zich neemt. Hiertoe behoort de benoeming van de eerste vicevoorzitter tot coördinator van de stedelijke agenda van de EU, die uit hoofde van zijn functie ook kan zorgen voor een nauwe koppeling met de agenda voor betere regelgeving. Ook zou deze coördinatie een einde maken aan de versnipperde aanpak van de steden, die voortvloeit uit de gespecialiseerde invalshoeken van de afzonderlijke directoraten-generaal. „Slimme steden” en, in het geval van landelijke gebieden, „slimme regio’s” zijn dan niet alleen „technologisch slim” maar ook sociaal slim. Tevens bestaat er behoefte aan een geïntegreerd beleid binnen de stedelijke agenda van de EU, waarbij „slimme steden” en „strategieën voor slimme specialisatie” (RIS3) gestroomlijnd worden. Een overkoepelende aanpak is onontbeerlijk, juist gezien het vraagstuk van de vluchtelingenstroom en de bijkomende integratievereisten. Voorts is de opname van de stedelijke agenda in het jaarlijks te publiceren werkprogramma van de Commissie een belangrijk onderdeel. Ook dit element komt de transparantie en het bindende karakter van het proces ten goede. |
|
12. |
Het CvdR wijst er nadrukkelijk op dat er nog altijd verdere stappen gezet moeten worden om de lokale en regionale overheden, waaronder stedelijke en regionale netwerken en andere belanghebbenden, beter te betrekken bij de voorbereiding alsook de evaluatie van EU-maatregelen die gevolgen hebben voor en/of gericht zijn op overheden die verantwoordelijk zijn voor stedelijke gebieden. |
|
13. |
Uitbreiding van de effectbeoordeling met de stedelijke dimensie: het op initiatief van het CvdR en de Commissie gestarte proefproject voor een territoriaaleffectbeoordeling, aan de hand van energie-efficiëntie in gebouwen, toont aan dat er adequate instrumenten zijn om de effectbeoordeling uit te breiden met de beoordeling van de territoriale dimensie. Het proefproject heeft vooral ook duidelijk gemaakt dat steden en regio’s zeer geïnteresseerd, bereid en in staat zijn om actief aan de desbetreffende maatregelen deel te nemen en dat ze hiervoor ook de nodige input willen leveren. |
|
14. |
Er moet gezorgd worden voor kennisdeling en samenwerking tussen steden om de uitwisseling van knowhow en goede praktijken tussen steden en lokale overheden te bevorderen, waarbij de administratieve lasten zo veel mogelijk moeten worden beperkt. De verzameling van gegevens over stedelijke ontwikkeling zou alleen moeten worden overwogen in uitzonderingsgevallen en tot het strikt noodzakelijke moeten worden beperkt. |
|
15. |
Tevens wil het CvdR dat de mogelijkheden om de steun voor steden en de functionele gebieden daarvan te verbeteren, systematisch beoordeeld worden. Te denken valt aan:
|
|
16. |
Nu het Europees Semester als coördinerend instrument van het economisch beleid steeds belangrijker wordt, wil het CvdR dat in het kader van dat semester ook aan stedelijke en plattelandsaspecten passende aandacht wordt besteed. Dit is mogelijk door de lokale en regionale overheden op tijd te betrekken bij de jaarlijkse opstelling van de nationale hervormingsprogramma’s door de lidstaten. De contactpersoon die de Europese Commissie in elke lidstaat voor het Europees Semester heeft, kan hierbij een cruciale rol spelen. |
|
17. |
Het CvdR wijst ook op de dynamiek en de capaciteit van stedelijke netwerken die bijdragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Europese Unie. Het Burgemeestersconvenant bestaat uit ruim 6 000 lokale en regionale overheden die zich ertoe hebben verbonden om de koolstofdioxide-emissies verder te verlagen dan de EU 2020-klimaatdoelstellingen. Daarom dringt het CvdR er bij de Europese Commissie op aan ervoor te zorgen dat het Burgemeestersconvenant een grotere rol krijgt en zijn werkzaamheden ook na 2020 kan voortzetten, zodat het een instrument wordt voor de concrete bijdragen die steden en regio’s kunnen leveren aan de bestrijding van de klimaatverandering in een breder EU-kader (4). |
|
18. |
Het Pact van Amsterdam moet uitmonden in een bindende overeenkomst over de tenuitvoerlegging van de stedelijke agenda. De acht nog niet begonnen partnerschappen moeten zo snel mogelijk van start gaan. Niet al te lang daarna moet de thematische lijst geëvalueerd worden om na te gaan of de wezenlijke aspecten van de stedelijke realiteit tot hun recht komen. Het CvdR is verheugd over het in het concept van het Pact van Amsterdam opgenomen voorstel van het Nederlandse Raadsvoorzitterschap dat alle thematische partnerschappen zich ook kunnen buigen over horizontale kwesties, waaronder stedelijke governance, governance over bestuurlijke grenzen heen — m.i.v. samenwerking tussen stedelijke en plattelandsgebieden en grensoverschrijdende samenwerking — en de verlening van openbare diensten van algemeen belang. Voor het laatste aspect moet gegarandeerd worden dat de stedelijke agenda van de EU conform artikel 14 VWEU en Protocol 26 het lokale en regionale zelfbestuur en de daarmee samenhangende beoordelingsmarge in de zin van het primaire EU-recht eerbiedigt, en met name de op het algemeen belang gerichte diensten in gemeenten thematisch integreert. |
|
19. |
Naast de in het Pact van Amsterdam opgenomen organen en rapportageverplichtingen moet regelmatig verslag worden uitgebracht aan de Commissie, het Parlement, de Raad en het CvdR om een transparante en ook breed toegankelijke procedure te waarborgen, niet alleen voor de direct betrokkenen, maar ook voor een breed geïnteresseerd publiek (5). |
|
20. |
Om het beleid ter zake in hoge mate bindend te maken voor de komende Raadsvoorzitterschappen, zou het Pact van Amsterdam na de goedkeuring ervan op 30 mei 2016 tijdens de informele Raad van ministers van Stedelijke Ontwikkeling, opgenomen moeten worden in de conclusies van de Raad Algemene Zaken in juni 2016. Hieraan gekoppeld moet toekomstige Raadsvoorzitterschappen verzocht worden om de stedelijke agenda in de desbetreffende werkprogramma’s op te nemen. Tijdens het Slowaakse Raadsvoorzitterschap moet eind 2016 het eerste verslag over de uitvoering van de partnerschappen uitgebracht worden. |
|
21. |
Om de verdere beleidsontwikkeling een bindend karakter te geven en tot een duurzame stedelijke agenda te komen, zou een witboek opgesteld moeten worden dat de resultaten van de partnerschappen evalueert, de onderdelen van betere governance beschrijft en overdraagbaar maakt. Daardoor wordt een bindend karakter bewerkstelligd en ontstaat er tegelijkertijd meer transparantie. Het witboek moet echter niet pas na afloop van de driejarige looptijd van de partnerschappen gemaakt worden, maar moet in 2017 na een tussentijdse beoordeling de reeds opgedane ervaring samenvatten, systematiseren en integreren in de voorbereiding van de toekomstige steunperiode van de Europese structuur- en investeringsfondsen vanaf 2021 en in de post-EU-2020-strategie. |
Brussel, 7 april 2016.
De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's
Markku MARKKULA
(1) CvdR-advies „Territoriale visie 2050: Wat is de toekomst?”, CdR 4285/2015
(2) Studie van het CvdR over „Het groeipotentieel van een geïntegreerde stedelijke agenda van de EU”, eindverslag, 8 januari 2016.
(3) PB C 271 van 19.8.2014, blz. 11.
(4) Zie het CvdR-advies over de toekomst van het Burgemeestersconvenant, 4 december 2015, PB C 51 van 10.2.2016, blz. 43.
(5) Met het oog op het opstellen van dit CvdR-advies heeft de rapporteur een niet-representatieve enquête gehouden over de stedelijke agenda van de EU en over de voorbereiding van het Pact van Amsterdam, die ook enige informatie oplevert die in de verdere werkzaamheden opgenomen kunnen worden. Het gaat onder andere om de volgende aspecten:
Als het begrip stedelijke agenda al bekend is, zijn het alleen de grote steden die ervan op de hoogte zijn en haar kunnen uitvoeren.
Er moet nog heel wat gebeuren om brede deelname en transparantie te verzekeren. Weliswaar zijn de communicatiekanalen vrijwel algemeen bekend, maar het ontbreekt aan directe toegang en steun bij concrete thema’s of belangen.
Samenwerking in plaats van raadpleging.
De twaalf thema’s van de partnerschappen zijn in geen geval in gelijke mate bekend en worden niet als compleet beschouwd — herziening, inhoudelijke onderbouwing, verdere ontwikkeling en/of aanpassing zijn aan te raden.