17.11.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 383/74


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Protocol van Parijs — Een blauwdruk om de wereldwijde klimaatverandering na 2020 tegen te gaan

(COM(2015) 81 final)

(2015/C 383/11)

Rapporteur:

Lutz RIBBE

De Europese Commissie heeft op 25 maart 2015 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) overeenkomstig artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over

Het Protocol van Parijs — Een blauwdruk om de wereldwijde klimaatverandering na 2020 tegen te gaan

COM(2015) 81 final.

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 juni 2015 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Lutz Ribbe.

Het EESC heeft tijdens zijn op 1 en 2 juli 2015 gehouden 509e zitting (vergadering van 2 juli 2015) onderstaand advies uitgebracht, dat met 193 stemmen vóór en 12 tegen, bij 9 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het is hoog tijd dat de partijen die aan de COP 21 meedoen een ambitieuze, faire en bindende overeenkomst sluiten. De door de Europese Commissie voorgestelde onderhandelingspositie verdient, op enkele marginale uitzonderingen na, alle bijval. Helaas heeft de EU echter nog altijd niet goed begrepen dat hierbij voor het maatschappelijk middenveld een cruciale rol is weggelegd.

1.2.

Alle staten die partij zijn bij het Raamverdrag inzake klimaatverandering dienen zonder uitzondering hun verantwoordelijkheid te nemen om het eigenlijke doel, namelijk „de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarbij gevaarlijke antropogene (1) verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen”, te halen. Alleen dan kan nog grotere schade aan mens, milieu en toekomstige generaties worden afgewend.

1.3.

Het beginsel van gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid verdient bijval. Voor de meeste landen is het zaak om fossiele energiebronnen te laten voor wat ze zijn en snel het pad in te slaan naar duurzame energie en een grotere efficiëntie van hulpbronnen en energie. Landen die het klimaat nauwelijks belasten, moeten geholpen worden om zich direct tot een „low carbon economy” te ontwikkelen. Hier liggen grote kansen voor innovatieve Europese bedrijven, die daarbij op politieke steun moeten kunnen rekenen. Er moet wel op worden toegezien dat mensen door deze transitie niet verder onder de armoedegrens terechtkomen. De transitie moet juist worden aangegrepen om vooral op regionaal niveau een nieuwe economische impuls te creëren en samen met de lokale bevolking nieuwe decentrale koolstofarme productiefaciliteiten te ontwikkelen.

1.4.

De COP 21-top gaat daarom niet over een klassieke milieukwestie. Er moet juist de basis worden gelegd voor een nieuwe wereldwijde „low carbon economy”.

1.5.

Bij zulke processen moet iemand het voortouw nemen. Dat heeft Europa jarenlang met succes gedaan, maar het streeft allang niet meer als enige naar de bescherming van het klimaat. Veel andere economische blokken investeren inmiddels zwaar in de transitie en in groene technologie, zonder dat ze een actievere rol zijn gaan spelen in de COP-onderhandelingen. Hoe de onderhandelingen in Parijs ook aflopen, de strijd om toekomstige markten voor groene technologieën, die belangrijk zijn voor de klimaatbescherming, is allang begonnen, en met of zonder COP 21-resultaten zal Europa deze strijd moeten aangaan.

1.6.

Over belangrijke economische randvoorwaarden, die tot „carbon leakage” of „low carbon leakage” kunnen leiden, wordt niet onderhandeld in COP-verband. Ook buiten de UNFCCC-onderhandelingen om is het zaak steeds oog te hebben voor klimaatbeschermingvraagstukken en de consequenties hiervan voor het economisch en sociaal beleid. De EU moet op alle niveaus ijveren voor marktgebaseerde mechanismen met behulp waarvan bij mondiale handelsaangelegenheden door productieprocessen veroorzaakte emissies in aanmerking kunnen worden genomen.

1.7.

Niet de — hopelijk — ambitieuze besluiten van de COP 21 zullen het klimaat redden, maar de consequente manier waarop deze in praktijk worden gebracht. Dat zal niet door politici gebeuren, maar door burgers. Hoewel politici het kader moeten bepalen, waarbij zij niet alleen oog moeten hebben voor milieueffecten, maar ook voor economische en sociale gevolgen, is de uitvoering van de besluiten een zaak van het maatschappelijk middenveld. Voor de besluiten is daarom een breed draagvlak van bedrijven, vakbonden en alle andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld nodig.

1.8.

De vele rollen van het maatschappelijk middenveld (zie paragraaf 6) krijgen tijdens de COP helaas alleen marginale aandacht, en de EU heeft ook niet geprobeerd om hier verandering in te brengen. In de mededeling staat nergens concreet welke rol voor het maatschappelijk middenveld is weggelegd. Het nieuwe klimaatbeleid kan en mag niet „van bovenaf” worden opgelegd, maar moet via een actieve burgerdialoog waar alle betrokken partijen aan meedoen op steun van de meerderheid van de burgers kunnen rekenen en „van onderaf” worden uitgevoerd. De Commissie, de Raad en het Europees Parlement zouden nu eindelijk een intensief en gestructureerd overleg moeten aangaan om te voorkomen dat de principiële bereidheid van de samenleving om nieuwe structuren te ontwikkelen verloren gaat. Tot nu toe heeft de EU wat dit betreft een zeer teleurstellend beleid gevoerd. In dit verband zou de Commissie er met de nodige middelen en structurele randvoorwaarden voor moeten zorgen dat het maatschappelijk middenveld op basis van gelijkheid en inclusie met alle belanghebbenden in overleg kan treden.

1.9.

Bestaande technieken ter beperking van CO2-emissies bieden ecologische, economische en sociale kansen die wereldwijd tot banen en ontwikkeling van bedrijven kunnen leiden.

2.   Achtergrond

2.1.

23 jaar geleden, in mei 1992, kwam in New York het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change, UNFCCC) tot stand. Het doel van dit Verdrag staat in artikel 2 beschreven, namelijk „de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarbij gevaarlijke antropogene (2) verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen”, en eventuele gevolgen binnen de perken te houden.

2.2.

In hetzelfde jaar nog werd het tijdens de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) door 154 lidstaten ondertekend. In maart 1994 trad het in werking, en inmiddels zijn er 196 partijen bij aangesloten.

2.3.

Deze komen elk jaar bijeen op de wereldklimaattop van de conferentie van de staten die partij zijn bij het Verdrag („Conference of Parties”, afgekort: COP). De maatregelen waartoe tot dusverre is besloten, volstaan niet om de doelstellingen van het Verdrag ook maar bij benadering te verwezenlijken. Vooralsnog zijn er — als uitvloeisel van het tijdens de COP 3 in Kyoto vastgestelde Protocol van Kyoto — slechts bindende emissieplafonds voor industrielanden, maar zoals bekend is het Protocol van Kyoto maar door een gedeelte van de industrielanden geratificeerd.

2.4.

Men is het er echter inmiddels wel over eens dat er nu, na 21 jaar onderhandelen, waarin de wereldwijde uitstoot verder is gestegen — met bijna 50 % (van 30,8 miljard ton CO2-equivalent in 1992 tot 43,4 miljard ton in 2011) (3) — en de negatieve effecten van antropogene klimaatveranderingen steeds duidelijker zijn geworden, dringend iets moet gebeuren.

2.5.

Uit nagenoeg alle wetenschappelijke studies blijkt dat het nog steeds mogelijk is de temperatuurstijging een halt toe te roepen. Dan moet wel zeer snel met de uitvoering van ambitieuze maatregelen worden begonnen. De studies tonen echter eveneens aan dat het doel in theorie ook nog later kan worden gehaald. De kosten liggen dan echter wel veel en veel hoger en voor miljoenen mensen en de economie zal de schade enorm zijn.

2.6.

In het Raamverdrag inzake klimaatverandering staat niet wat „gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem” precies betekent. Tijdens de COP 16 (in 2010) spraken de partijen bij het Verdrag af om de temperatuur wereldwijd niet verder te laten stijgen dan tot 2 oC (en eventueel zelfs 1,5 oC) boven het pre-industriële niveau. Zij voerden echter geen wetenschappelijk bewijs aan voor de veronderstelling dat het doel met deze politieke afspraak zal worden gehaald.

2.7.

Het EESC wijst alle betrokkenen — politici en het maatschappelijk middenveld — er nadrukkelijk op dat zich nu al, nu de opwarming met 2 oC nog lang geen feit is, duidelijk klimaatverstoringen met ernstige gevolgen voordoen. De grens van 2 graden Celsius mag dan ook niet een doel zijn dat zij moeten proberen te halen, maar moet een maximum zijn waar zij zo ver mogelijk onder moeten proberen te blijven.

3.   De COP 21 in Parijs

3.1.

In december 2015 vindt in Parijs de 21e COP plaats. Zoals is toegezegd moeten dan — eindelijk — door middel van een „global deal” noodzakelijke, ambitieuze, faire en voor alle 196 betrokken partijen bindende besluiten worden genomen. De bedoeling is dat deze in 2020 van kracht worden.

3.2.

De nagestreefde besluiten hebben onder meer betrekking op:

a)

de bestrijding van de klimaatverandering: de partijen bij het Verdrag hebben het secretariaat van het UNFCCC toegezegd om uiterlijk eind maart 2015 aan te geven wat hun nationale emissiereductiedoelstellingen („Intended Nationally Determined Contribution, INDC”) zijn. Deze moeten een ambitieus karakter hebben en verder gaan dan de maatregelen die tot nu toe zijn genomen. Al deze INDC’s tezamen zouden moeten volstaan om de mondiale temperatuurstijging onder de 2 graden te houden. Een syntheseverslag, waarin staat of dit ook zal lukken, moet uiterlijk op 1 november 2015 klaar zijn;

b)

maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering;

c)

financiële regelingen voor bestrijding, aanpassing en schadevergoeding („loss and damage”). Hierbij gaat het onder meer om de vraag hoe tot 2020 de toegezegde 100 miljard USD per jaar a) opgebracht en b) aan de hand van welke criteria verdeeld moet worden;

d)

de overdracht van technologie (met inachtneming van de „intellectuele eigendom”);

e)

regels voor het toezicht op het functioneren van de overeenkomst, onder meer met betrekking tot zaken als meting, verslaglegging, transparantie (4) en, wat zeer belangrijk is,

f)

het juridisch kader van de overeenkomst, ofwel het bindende karakter van de besluiten.

3.3.

Ook moet worden afgesproken welke concrete maatregelen nodig zijn in de periode tussen het vaststellen van besluiten in december 2015 en de inwerkingtreding van de bindende maatregelen in 2020 („pre-2020 action”).

3.4.

Verder zullen regeringen zich voor het eerst buigen over de vraag hoe klimaatmaatregelen moeten worden uitgevoerd. Het EESC is het ermee eens dat het zaak is de mensenrechten te eerbiedigen en te zorgen voor een eerlijke overgang naar een koolstofarme economie waarbij menswaardige werkgelegenheid van hoge kwaliteit in stand wordt gehouden en wordt gecreëerd.

3.5.

In de mededeling „Het Protocol van Parijs — Een blauwdruk om de wereldwijde klimaatverandering na 2020 tegen te gaan (5) heeft de EU haar standpunten over en verwachtingen van de COP 21 uiteengezet. Zij stelt onder meer voor om van de Overeenkomst van Parijs het protocol van het Raamverdrag inzake klimaatverandering te maken, waardoor de afspraken een bindend karakter zouden krijgen. Het protocol „moet in werking treden zodra het is geratificeerd door landen die gezamenlijk in totaal 80 % van de huidige wereldwijde uitstoot voor hun rekening nemen”.

3.6.

De partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid, wat betekent dat zij allemaal, hoeveel of hoe weinig zij het klimaat ook belasten, verantwoordelijkheid moeten nemen. Daarbij moet hun bijdrage wel afhankelijk worden gemaakt van een aantal zeer uiteenlopende factoren, zoals het vroegere en het huidige emissieniveau, de kracht van de economie, de sociale situatie en de mate waarin het land zelf slachtoffer is van de klimaatverandering.

4.   Wat verwacht het Europees maatschappelijk middenveld van de COP 21-onderhandelingen?

4.1.

Het EESC dringt er bij de onderhandelende partijen op aan om in Parijs nu eindelijk een juridisch bindende overeenkomst te sluiten. De in mededeling COM(2015) 81 final uitgewerkte onderhandelingspositie van de Commissie verdient alle bijval.

4.2.

Tijdens de COP 21 moet consensus worden bereikt over een preventiebeleid dat erop neerkomt dat vandaag ambitieuze en verstrekkende besluiten voor morgen worden genomen. Deze besluiten zullen de basis vormen voor het economische en sociale handelen van komende generaties en het leed verminderen van degenen die nu al kampen met de gevolgen van de klimaatverandering.

4.3.

De COP 21-top gaat daarom niet over een klassieke milieukwestie. Er moet juist de basis worden gelegd voor een nieuwe wereldwijde „low carbon economy”.

4.4.

Het beginsel van gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid verdient bijval. Elk aangesloten land moet zijn verantwoordelijkheid onder ogen zien en mag zich daar niet meer aan onttrekken, zich niet achter andere landen verschuilen of — zoals eerder wel gebeurd is — stellen dat het alleen tegen betaling verantwoordelijkheid wil nemen.

Aanpak van de klimaatverandering

4.5.

Wereldwijd kan alleen een acceptabel emissieniveau worden bereikt als iedereen op aarde per jaar gemiddeld niet meer dan 2 ton CO2-equivalent aan emissies veroorzaakt.

4.5.1.

In Europa (met een gemiddelde van 9 ton CO2-equivalent per inwoner per jaar) wordt die lagere hoeveelheid pas bereikt als de doelstelling voor 2050 (80-95 % minder CO2-uitstoot in Europa) is verwezenlijkt. In China (momenteel ongeveer 6 ton CO2-equivalent per inwoner per jaar) zou de uitstoot per hoofd van de bevolking met twee derde omlaag moeten. In bijvoorbeeld de VS (momenteel 16,5 CO2-equivalent per inwoner per jaar) zou de daling nog groter moeten zijn, om maar te zwijgen van de huidige internationale koploper Qatar (40 ton CO2-equivalent per inwoner per jaar).

4.5.2.

Aan de andere kant gaat het niet aan om van landen als Mali (0,04 ton CO2-equivalent per inwoner per jaar) of Rwanda (0,06 ton CO2-equivalent per inwoner per jaar) een lagere uitstoot te verwachten. Wat dit betreft, is het EESC het niet volledig eens met de Commissie dat „alle landen hun broeikasgasemissies substantieel en blijvend [moeten] verminderen”. Wel moeten deze landen direct de weg naar een koolstofarme economie inslaan. In dit opzicht gaat het bij de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering dus inderdaad om gemeenschappelijke, maar tegelijkertijd verschillende verantwoordelijkheden. De betrokken landen hebben dringend steun nodig. Die steun zou ook veel samenwerkingsmogelijkheden voor innovatieve ondernemingen opleveren. Europese ondernemingen, die (nog) 40 % van alle octrooien voor groene technologieën in handen hebben, zouden daar zeer bij gebaat zijn.

4.5.3.

Aan bovengenoemde emissiegegevens vallen niet de grote verschillen af te lezen die er zijn tussen de sociale lagen in de verschillende landen. Evenmin laten ze zien dat de CO2-emissies die het productieproces veroorzaakt, op het conto worden geschreven van de producerende landen en niet op dat van de landen waar de producten worden gebruikt. Anders zou China bijvoorbeeld een veel beter figuur slaan dan Duitsland als het op broeikasgassen aankomt (6).

4.6.

Het vaststellen van nationale emissiereductiedoelstellingen (INDC’s) is volgens het EESC een centraal onderdeel van het COP 21-proces. Het is een zeer slecht signaal dat het indienen van de INDC’s bij het secretariaat van het UNFCCC (7) zo lang op zich laat wachten.

4.7.

Het is allerminst een uitgemaakte zaak dat het de voorstanders van een stevig COP 21-resultaat zal lukken om de 196 betrokken partijen, die onderling sterk verschillen en qua politieke opvattingen en culturele achtergrond soms in extreme mate van elkaar afwijken, tot een dergelijke solidariteit voor komende generaties te bewegen (8).

4.8.

Uit de onderhandelingen over het klimaat- en energiepakket van de EU voor 2030, als het ware een „COP” op EU-niveau, is al gebleken dat het zelfs in de EU nauwelijks lukt om het oogmerk van de COP 21, namelijk duidelijke nationale verantwoordelijkheden vaststellen, te verwezenlijken. Het valt bijvoorbeeld te betreuren dat er in het kader van het energie- en klimaatpakket van de EU voor 2030 geen bindende nationale streefdoelen meer zijn vastgesteld, waardoor het wel eens moeilijker kan worden om het gezamenlijke Europese streefcijfer te halen en verantwoordelijkheid „toe te wijzen” (9). Het vaststellen van emissiereductiedoelstellingen (INDC’s) voor de lidstaten van de EU zou voor de COP-onderhandelingen een positief signaal zijn.

Aanpassing aan de klimaatverandering, financiële regelingen en overdracht van technologie

4.9.

Met gedifferentieerde verantwoordelijkheid wordt ook bedoeld dat solidariteit nodig is: juist minder ontwikkelde en financieel zwakke landen moeten worden geholpen met de opbouw van een klimaatvriendelijke „groene” economie en in staat worden gesteld om zich aan te passen aan de schade aan het klimaat, waarvan zij vaak het grootste slachtoffer zijn. Er moet wel op worden toegezien dat mensen door deze transitie niet verder onder de armoedegrens terechtkomen. De transitie moet juist worden aangegrepen om vooral op regionaal niveau een nieuwe economische impuls te creëren en samen met de lokale bevolking nieuwe decentrale koolstofarme productiefaciliteiten te ontwikkelen.

4.10.

Daarom spelen financiën en de overdracht van technologie een belangrijke rol. De minder ontwikkelde landen hebben al een keer een bittere teleurstelling moeten verwerken: van de middelen voor ontwikkelingshulp (0,7 % van het bbp) hebben zij lang niet zo veel gekregen als was toegezegd. Dit mag niet nog een keer gebeuren.

Bindende rechtskracht en toezicht op de overeenkomst

4.11.

Het EESC is het met de EU eens dat een juridisch bindende overeenkomst een conditio sine qua non is voor een wereldwijd „level playing field” en voor de uitvoering van de noodzakelijke besluiten.

4.12.

De voordelen van een juridisch bindende overeenkomst zijn onder meer:

een duidelijk politiek signaal van alle regeringen aan het bedrijfsleven, investeerders en ook de burgers dat een koolstofarme economie de doelstelling van de gehele internationale gemeenschap is;

de totstandbrenging van een duurzaam en voorspelbaar rechtskader, dat een stimulans betekent voor kosteneffectieve investeringen in technologieën voor CO2-reductie en aanpassing aan de klimaatverandering;

transparantie en verantwoordingsplicht worden duidelijk omschreven, en

middelen om in noodzakelijke maatregelen te investeren komen beschikbaar; de overeenkomst zou dus rechtstreeks doorwerken in de reële economie.

4.13.

Het maatschappelijk middenveld dringt aan op een rechtvaardige overgang („just transition”), wat betekent dat mensenrechten en rechten van werknemers worden gerespecteerd, naar sociale gevolgen wordt gekeken, schade wordt gecompenseerd („loss and damage”) en aandacht wordt besteed aan kwesties rond de aanpassing aan de klimaatverandering, vooral in de armste landen.

4.14.

De uitvoering van de besluiten moet transparant en controleerbaar zijn, en lidstaten die zich niet aan de besluiten houden, zouden niet langer aanspraak mogen maken op de voordelen van de overeenkomst.

4.15.

Het voorstel van de Commissie om door middel van regelmatige beoordelingen voor dynamiek te zorgen zou kunnen leiden tot striktere toezeggingen in verband met het klimaat, waarbij wel rekening moet worden gehouden met verschillen tussen landen en veranderende verantwoordelijkheden.

Verwachtingen van de rol van de EU in de wereldwijde strijd tegen de klimaatverandering

4.16.

In de afgelopen jaren heeft de EU wereldwijd op het gebied van klimaatbescherming een goede reputatie opgebouwd. Het is belangrijk om tijdens de COP-onderhandelingen, maar ook met een actief beleid buiten deze onderhandelingen om, duidelijk te maken dat een ambitieus klimaatbeleid niet bedoeld is om zich tegenover andere landen of economieën economische voordelen te verschaffen.

4.17.

De EU moet geloofwaardig te werk blijven gaan en het goede voorbeeld blijven geven. Zonder partijen en „motoren” die in de politiek en de economie het voortouw nemen, lopen onderhandelingen en veranderingsprocessen op niets uit. Zo’n leidende rol kan de EU alleen op een geloofwaardige manier op zich nemen als wordt bewezen dat klimaatbeschermingsbeleid en positieve economische ontwikkelingen hand in hand gaan.

4.18.

Het is een goede zaak dat veel maatregelen die eerst in de EU waren ingevoerd en verre van onomstreden waren inmiddels door andere landen zijn overgenomen. Voorbeelden hiervan zijn de maatregelen ter ondersteuning van duurzame energie en het emissiehandelssysteem, waarvan nu zelfs tot op zekere hoogte in China gebruik wordt gemaakt.

4.19.

Het valt te waarderen dat de hoge vertegenwoordiger van de EU Federica Mogherini zich in haar buitenlands beleid door middel van het „Climate Diplomacy Action Plan” intensief bezighoudt met de bescherming van het klimaat (10). Ook een belangrijk en goed signaal is de verklaring van Commissievoorzitter Juncker dat hij van de EU de mondiale koploper op het gebied van duurzame energie wil maken, niet alleen omdat het klimaat daar wel bij vaart, maar ook omdat dat de werkgelegenheid en de energiezekerheid ten goede zou komen.

4.20.

Op het internationale toneel heeft de EU dus wel wat in haar mars. Zo heeft zij laten zien dat economische groei niet gepaard hoeft te gaan met toenemende emissies. En in de hele wereld is er geen economisch blok dat per eenheid bbp minder broeikasgassen uitstoot dan de EU. Veel Europese ondernemingen lopen voorop als het op een efficiënt gebruik van energie en hulpbronnen aankomt. Dat heeft veel te maken met de technologische prestaties en dus met de innovatiecapaciteit van Europese bedrijven, die te danken zijn aan de naar verhouding strenge milieuwetgeving van de EU.

4.21.

Maar er staat Europa nog heel wat te doen, want voor het streven om in 2050 80-95 % minder CO2 uit te stoten is er meer nodig dan technische innovaties. Dit blijkt bijvoorbeeld in de sector vervoer, waar de dankzij innoverende technologie bereikte daling van emissies tot op zekere hoogte gewoonweg weer teniet is gedaan door een toename van voertuigen en wegen. Daarom zijn ook structurele veranderingen nodig. Met andere woorden: het klimaatbeleid en andere beleidsterreinen moeten veel beter op elkaar worden afgestemd.

5.   Het verloop van de COP-onderhandelingen in de afgelopen jaren en de werkelijkheid daarbuiten

5.1.

Het EESC volgt de klimaatonderhandelingen al vele jaren. Het beseft hoe belangrijk een positief resultaat in Parijs is, maar wijst er ook op dat besluiten op zichzelf niet volstaan om het klimaat te redden. Dat kan alleen door daadwerkelijk maatregelen te nemen.

5.2.

De internationale gemeenschap zou in Parijs gemakkelijker consensus kunnen bereiken als zij de gezamenlijke besluiten van de Rio+20-conferentie — schadelijke en inefficiënte subsidies voor fossiele brandstoffen afbouwen die verspilling in de hand werken en duurzame ontwikkeling ondermijnen — had uitgevoerd of daarmee was begonnen (11). Toen al wees men erop dat marktgebaseerde instrumenten (zoals emissiehandelsystemen en CO2-heffingen) moeten worden gebruikt, waar het EESC zich volledig in kan vinden (12). In een nieuw werkdocument raamt het Internationaal Monetair Fonds (13) de directe en indirecte subsidies die wereldwijd naar fossiele energie gaan op 5,3 biljoen USD per jaar (!), wat neerkomt op ruim 15 miljard USD per dag. Zelfs met het geplande Groene Klimaatfonds, ten belope van 100 miljard USD per jaar, kunnen de negatieve gevolgen van deze subsidies niet worden gecompenseerd.

5.3.

Doordat er echter een diepe kloof gaapt tussen politieke toezeggingen en concrete maatregelen wordt het vertrouwen van het maatschappelijk middenveld in mondiale politieke overeenkomsten ondermijnd. In Parijs mogen deze teleurstellingen niet worden versterkt, maar moet juist voor een kentering worden gezorgd.

5.4.

Europa moet echter ook in het oog houden welke ontwikkelingen zich naast de „wereld van de COP-onderhandelingen” voordoen in de „wereld van de werkelijke economische ontwikkeling”. Twee voorbeelden:

Op de COP 20 in Lima zijn Californië en China als machtige economieën overeengekomen om nauw te gaan samenwerken op het gebied van duurzame energie, elektrische mobiliteit en energie-efficiëntie. Met Europa zijn er niet zulke strategische samenwerkingsverbanden.

Sinds enkele jaren zijn China en de Verenigde Staten de landen die het meest in duurzame energie investeren. China investeerde in 2013 54,2 miljard USD, de VS 33,9 miljard USD en Japan 28,6 miljard USD in duurzame energie. Op de 4e en 5e plaats staan het Verenigd Koninkrijk (12,1 miljard USD) en Duitsland (9,9 miljard USD). Vooral in Duitsland en Italië zijn deze investeringen fors teruggelopen (14).

Mondiaal concurrentievermogen, „carbon leakage” en/of „low carbon leakage”

5.5.

De besluiten die nodig zijn om de doelstellingen van het Raamverdrag inzake klimaatverandering te verwezenlijken zullen „vandaag” niet alleen tot win-winsituaties leiden. Daarom wordt er terecht op gewezen hoe moeilijk het is om de COP-besluiten zo veel mogelijk te laten aansluiten op nationale of sectorspecifieke (economische) kortetermijnbelangen.

5.6.

Dat zal niet altijd lukken, omdat bepaalde sectoren in de nieuwe „low carbon economy” nu eenmaal geen rol meer of een veel kleinere rol zullen spelen en dus tot de „verliezers” van de noodzakelijke structurele omwenteling behoren. Niemand heeft er bij baat als dit feit wordt verzwegen. Integendeel, deze sectoren en de betrokken regio’s en personen hebben er recht op te weten hoe de politiek de veranderingen zo veel mogelijk zonder verstoringen en op maatschappelijk verantwoorde wijze wil doorvoeren. Deze problemen mogen echter ook niet betekenen dat nu geen actie wordt ondernomen. Want nu werk maken van de overgang naar een „low carbon economy” is goedkoper dan later de schade repareren (15).

5.7.

De ontsluiting van markten van de toekomst (bijv. voor duurzame energie of efficiënte technologie) is van eminent belang voor het toekomstige concurrentievermogen. Natuurlijk moet ook serieus worden geluisterd naar hen die waarschuwen voor „carbon leakage” en vinden dat Europa als pionier niet te hard van stapel moet lopen.

5.8.

Maar Europa staat allang niet meer alleen. Integendeel, er is sprake van internationale concurrentie! Daarom moet ook worden gekeken naar „low carbon leakage”, ofwel het gevaar dat Europa zijn technologische en dus ook economische voorsprong, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame energie, kwijtraakt.

5.9.

En dat kan heel snel gebeuren. Wat de opslag van energie in accu’s betreft, is Europa achterop geraakt, en wat elektronische mobiliteit aangaat, lopen China en Californië inmiddels voorop. De goedkoopste zonnepanelen worden in China geproduceerd, en dat kan niet echt aan loondumping worden toegeschreven. Het is hoog tijd voor meer publieke en particuliere investeringen in de O&O-sector.

5.10.

Het ontbreken van een mondiaal „level playing field” is momenteel een groot probleem voor Europese bedrijven die wereldwijd concurreren. Sectoren zoals staal, papier en chemie, met opvallende internationale dwarsverbanden, blijven economisch gezien van belang. Dankzij de ontwikkeling van de technologie is de belasting van het klimaat door de verwerkende sector in de EU in de periode 1990-2012 met 31 % gedaald (16).

5.11.

Het is onwaarschijnlijk dat deze industriesectoren in 2050 volledig door nieuwe „groene” bedrijfstakken zullen zijn vervangen. Voor de Europese economie en het wereldwijde klimaat zou het geen goede zaak zijn als deze sectoren zich gedwongen zien hun productie naar landen buiten de EU te verplaatsen, waardoor de mondiale emissies per saldo dus niet zouden dalen.

5.12.

De omvang van deze „carbon leakage” is niet zelden onderwerp van discussie. Het kan gaan om een rechtstreekse vorm van „carbon leakage”, waarbij fabrieken en productievestigingen als reactie op nieuwe beleidsmaatregelen naar landen buiten de EU worden verplaatst, maar ook een meer indirecte vorm, waarbij de investeringen in derde landen worden opgevoerd maar de productie voorlopig in de EU blijft plaatsvinden. Wat wereldwijd opererende bedrijven betreft, komt deze laatste vorm door de vele productiefactoren veruit het meest voor. Aangezien de productie in de „oude industrieën” in de hele wereld toeneemt, moeten ook deze sectoren in de juiste mate gestimuleerd worden om, zonder dat hun relatieve concurrentievermogen daaronder te lijden heeft, CO2-arme technologie te gaan gebruiken.

5.13.

Industrie en handel in de EU moeten ervoor zorgen dat hun bijdrage aan de vermindering van de klimaatbelasting door bedrijven strookt met het doel van 80-95 % minder uitstoot in 2050. De routekaart voor de verwezenlijking van deze doelstelling zou echter per sector en onderneming kunnen verschillen. Met de ontwikkeling, vervaardiging en uitvoer van producten en diensten kunnen het bedrijfsleven en de handel in de EU andere landen helpen bij hun pogingen om hun uitstoot te verminderen. Als hierbij de klimaatbelasting in Europa lager blijft dan in andere regio’s, zou voor de korte termijn zelfs een stijging van de totale emissies kunnen worden toegestaan zonder dat de reductiedoelstelling voor 2050 daardoor in het gedrang komt. Daarom zou moeten worden nagegaan of het nuttig is om voor elke afzonderlijke industriesector een aparte EU-routekaart op te stellen.

5.14.

De COP-21-onderhandelingen gaan niet over de hierboven beschreven problemen met „carbon leakage” en „low carbon leakage”. De EU moet zich er daarom op alle niveaus voor inzetten dat er bijvoorbeeld marktgebaseerde mechanismen komen met behulp waarvan bij wereldwijde handelsaangelegenheden onder meer kan worden gelet op door productieprocessen veroorzaakte emissies. Om andere economieën ervan te overtuigen soortgelijke maatregelen te treffen is aanvullend beleid nodig, zoals „border carbon adjustment” (BCA), een systeem bedoeld om de CO2-uitstoot te verlagen en tegelijkertijd te zorgen voor gelijke voorwaarden. Bij dit systeem wordt aan de grens de hoeveelheid uitstoot waarmee de productie van in te voeren goederen gepaard is gegaan, in de prijs ervan doorberekend. Uit een recente studie (17) blijkt dat BCA het weglekeffect in relevante sectoren aanzienlijk kan verkleinen.

5.15.

Toch staan enkele van de belangrijkste Europese handelspartners afkerig tegenover dergelijke maatregelen zoals die op dit moment worden besproken. Dit moet binnen de WTO worden besproken. Zulke „niet-handelsvraagstukken” mogen volgens het Verdrag worden behandeld. Niet onderschat mag echter worden hoe moeilijk dat is zonder internationale afspraken over een koolstofprijs. Deze zorgen zouden kunnen worden weggenomen door een betere opzet van BCA. Het komt erop neer dat BCA geen antidumpinginstrument is; als het goed wordt opgezet, levert het een bijdrage levert aan een mondiaal duurzaam klimaatbeleid (18).

5.16.

Concreet betekent dit dat bijvoorbeeld bij de TTIP- en de CETA-onderhandelingen in zulke mechanismen moet worden voorzien.

Wat zou een (gedeeltelijk) mislukken van de onderhandelingen betekenen?

5.17.

Het EESC wil hier duidelijk maken dat zelfs het volledig of gedeeltelijk mislukken van de COP 21-onderhandelingen weliswaar zeer betreurenswaardig en een zware terugslag zou zijn, maar zeker niet het einde van de activiteiten ter bescherming van het klimaat zou betekenen. De kans op de duidelijkheid en voorspelbaarheid die een bindende overeenkomst mee zou brengen, en die voor de economie en voor de maatschappij als geheel zeer wenselijk zou zijn en nieuwe impulsen zou geven, zou daarmee wel verkeken zijn. De strijd om toekomstige markten voor groene technologieën is echter allang begonnen, en met of zonder COP 21-resultaten zal Europa deze strijd moeten aangaan.

5.18.

Zoals bekend is de bescherming van het klimaat niet het enige argument om de weg naar een „low carbon economy” in te slaan. Dat er geen andere optie meer is, blijkt wel uit de schaarser wordende fossiele energie, het thema energiezekerheid en het feit dat met duurzame technologie her en der goedkoper energie wordt geproduceerd dan met conventionele technieken.

6.   Rol van het maatschappelijk middenveld

6.1.

Het EESC deelt de standpunten van de Commissie in haar mededeling over het Protocol van Parijs, maar begrijpt niet waarom zij hierin geen strategie heeft opgenomen voor de communicatie met het maatschappelijk middenveld over haar standpunten of voor de latere uitvoering van de besluiten. De Commissie heeft zonder meer de morele verplichting om gestructureerd overleg aan te gaan met het maatschappelijk middenveld, en dan in het bijzonder met de institutionele organen die het middenveld vertegenwoordigen.

6.2.

Het maatschappelijk middenveld heeft ten minste drie belangrijke rollen te spelen. Ten eerste moet het de politieke onderhandelingen begeleiden en maatschappelijke druk uitoefenen om er niet alleen voor te zorgen dat bovengenoemde bindende besluiten worden genomen, maar ook dat deze besluiten stroken met wat de verwachtingen zijn op milieu-, sociaal en economisch gebied.

6.2.1.

Onderhandelingen — zoals de COP — zijn immers alleen maar nodig omdat in de internationale gemeenschap de meningen uiteenlopen over zaken als urgentie, reikwijdte, financiering en aansprakelijkheid. Als zij het met elkaar eens waren, zouden zij niet hoeven te onderhandelen. Ook binnen het maatschappelijk middenveld was (en is) er sprake van uiteenlopende standpunten. Maar uit de laatste COP is gebleken dat het allang niet meer „alleen” milieubeschermers, ontwikkelingsorganisaties, vrouwenorganisaties of vertegenwoordigers van inheemse volkeren zijn — om slechts een paar „stakeholders” te noemen — die zich sterk maken voor een strikte klimaatbescherming, maar dat er een zeer brede mondiale maatschappelijke beweging is ontstaan.

6.2.2.

Zeer te prijzen is al vele jaren lang de grote inzet van vakbondsorganisaties (in de hele wereld) en van tal van sectoren en ondernemingen. In dit verband verdienen bijvoorbeeld de activiteiten van het IVV en van de World Business Council for Sustainable Development vermelding. Onderkend wordt dat een hulpbronnenefficiënte en klimaatvriendelijke economie nieuwe mogelijkheden voor economische ontwikkeling creëert.

6.2.3.

Wat dit betreft, was de COP 20 in Lima een indrukwekkende „demonstratie” van zowel werkgevers als werknemers, maar ook van het hele maatschappelijk middenveld. Zij laten de verantwoordelijke politici zien dat brede lagen van de samenleving verder willen gaan dan waar politici tot nu toe door middel van onderhandelingen toe hebben besloten.

6.2.4.

In gemeenten en regio’s hebben activiteiten ter bescherming van het klimaat inmiddels eveneens een heel nieuwe dimensie aangenomen. Ook daar wordt niet alleen onderkend dat schadelijke gevolgen voor bepaalde regio’s en de mensen die daar wonen en actief zijn voortaan moeten worden vermeden, maar ook dat zich niet te negeren mogelijkheden voordoen voor de opbouw van nieuwe waardeketens.

6.3.

Ten tweede moet het maatschappelijk middenveld een actieve bijdrage leveren aan de uitvoering van besluiten ter bescherming van het klimaat. De politiek zou in dit verband een volledig nieuwe strategie moeten kiezen, deze bijdrage van het maatschappelijk middenveld mogelijk moeten maken en zich voor een veel intensievere betrokkenheid moeten inzetten.

6.3.1.

Bij het onderzoeken van de rol die het maatschappelijk middenveld speelt bij de uitvoering van de richtlijn over duurzame energie bijvoorbeeld heeft het EESC heel duidelijk gezien dat grote delen van het maatschappelijk middenveld, waaronder veel kleine en middelgrote ondernemingen, graag actief zouden meedoen, o.a. in de vorm van decentrale-energieprojecten, om zelf te kunnen profiteren van de nieuwe economische mogelijkheden in hun regio.

6.3.2.

Verder verloopt de energietransitie in Denemarken en Duitsland juist zo succesvol omdat ook burgers, landbouwers, gemeenten, coöperaties en kleine ondernemingen daar energie produceren en er bovendien munt uit slaan. Maar de mogelijkheden waarover zij in dit verband beschikken, worden door de Commissie eerder systematisch verslechterd dan verbeterd.

6.4.

Ten derde kan het maatschappelijk middenveld, naast het toezicht houden op het proces en het meewerken aan de uitvoering van de besluiten, ook beproefde methoden en vakkennis met betrekking tot positieve ontwikkelingen in ondernemingen helpen verspreiden. Extra aandacht zou moeten uitgaan naar economische sectoren, zoals het vervoer en de industrie, waarvan wijd en zijd ten onrechte wordt gedacht dat zij met de armen over elkaar zitten en de uitstoot gewoon laten toenemen. Beleidskeuzes kunnen meer effect sorteren als stimulansen zijn gebaseerd op kennis over huidige of toekomstige ontwikkelingen in de technologie en bedrijfsmodellen. Het maatschappelijk middenveld kan deze rol uitoefenen door conferenties te organiseren en de uitwisseling van informatie te bevorderen. Deze zaken kunnen ook getuigen van de krachtige steun van het bedrijfsleven, zeker in de lidstaten.

6.5.

Tijdens de COP 21 wordt vrijwel geen aandacht besteed aan de strategische rol van het maatschappelijk middenveld. Daarom is het des te belangrijker dat politici buiten de COP om met het maatschappelijk middenveld overleggen en in dat verband strategieën ontwikkelen.

6.6.

De EU heeft hier een grote achterstand opgelopen. Het valt bijvoorbeeld te betreuren dat noch het klimaat- en energiepakket voor 2030 noch het voorstel voor een Europese energie-unie concrete ideeën voor de inbreng van het maatschappelijk middenveld bevatten.

6.7.

De Commissie, de Raad en het Parlement zouden nu eindelijk een intensief en gestructureerd overleg moeten aangaan om te voorkomen dat de principiële bereidheid van de samenleving om nieuwe structuren te ontwikkelen verloren gaat. Het nieuwe klimaatbeleid kan en mag niet „van bovenaf” worden opgelegd, maar moet op steun kunnen rekenen van alle betrokken partijen en „van onderaf” worden uitgevoerd.

Brussel, 2 juli 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Ofwel: door de mens veroorzaakte.

(2)  ofwel door de mens veroorzaakte.

(3)  http://de.statista.com/statistik/daten/studie/311924/umfrage/treibhausgasemissionen-weltweit/

(4)  Nu al moeten de betrokken partijen regelmatig verslag doen van hun broeikasgasemissies en de trends die zich voordoen.

(5)  COM(2015) 81 final van 25 februari 2015.

(6)  Universiteit van Maryland, zie www.tagesschau.de/ausland/klimaindex104.html

(7)  De deadline hiervoor was eind maart 2015. Op 17 mei 2015 hadden alleen nog maar Zwitserland, de EU, Noorwegen, Mexico, de Verenigde Staten, Gabon, Rusland, Andorra, Liechtenstein en Canada hun INDC’s ingediend.

(8)  Zie http://www.futurejustice.org/

(9)  Zie het advies van het EESC „Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030” (NAT/636), paragraaf 1.2 en 1.3.

(10)  Behandeld tijdens de vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken van 19 januari 2015 (5411/15).

(11)  Zie punt 225 van de slotverklaring.

(12)  Zie EESC-advies „Marktgerichte instrumenten ter bevordering van een hulpbronnenefficiënte en koolstofarme economie in de EU” (NAT/620), paragrafen 1.3, 1.7 en 1.8 (PB C 226 van 16.7.2014, blz. 1).

(13)  IMF-werkdocument „How Large are Global Energy Subsidies?” (WP/15/105).

(14)  Duitsland: 30,6 miljard USD (2011), daarna meer dan 22,8 miljard USD (2012), nu slechts 9,9 miljard USD (2013). Italië: 28,0 miljard USD (2011, toen wereldwijd de 4e plaats), daarna meer dan 14,7 miljard USD (2012), nu slechts 3,6 miljard USD (2013, wereldwijd op de 10e plaats).

(15)  Zie World Resource Institute-Studie, Better Growth Better Climate, The New Climate Economy Report.

(16)  Europees Milieuagentschap: Annual European Community greenhouse gas inventory 1990-2012 en inventory report 2014.

(17)  Zie EESC-advies „Marktgerichte instrumenten ter bevordering van een hulpbronnenefficiënte en koolstofarme economie in de EU” (NAT/620), paragraaf 3.5 (PB C 226 van 16.7.2014, blz. 1).

(18)  ZIe voetnoot 17.