52014PC0626

Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD waarbij de Republiek Letland wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 287 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde /* COM/2014/0626 final - 2014/0290 (NLE) */


TOELICHTING

1.           ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Overeenkomstig artikel 395, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna "de btw-richtlijn" genoemd) kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen, teneinde de belastinginning te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen.

Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 1 juli 2014, heeft Letland verzocht om belastingplichtigen met een jaaromzet van niet meer dan 50 000 EUR van de btw te mogen vrijstellen. Overeenkomstig artikel 395, lid 2, van de btw-richtlijn heeft de Commissie de overige lidstaten bij brief van 7 augustus 2014 van het verzoek van Letland in kennis gesteld. Bij brief van 11 augustus 2014 heeft de Commissie Letland meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

Algemene context

Overeenkomstig hoofdstuk 1 van titel XII van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten een bijzondere regeling voor kleine ondernemingen toepassen, waarbij zij onder meer de mogelijkheid hebben om belastingplichtigen van wie de jaaromzet onder een bepaald plafond blijft, van de btw vrij te stellen. Deze vrijstelling houdt in dat de belastingplichtige geen btw in rekening hoeft te brengen over zijn prestaties, maar bijgevolg ook geen voorbelasting kan aftrekken.

Letland heeft eerder al machtiging voor eenzelfde derogatie gekregen bij Uitvoeringsbesluit 2010/584/EU[1], dat op 31 december 2013 is verstreken. Die maatregel week slechts af van titel XII van de btw-richtlijn in die zin dat het drempelbedrag voor de jaaromzet van belastingplichtigen in het kader van de bijzondere regeling hoger was dan het drempelbedrag dat Letland momenteel krachtens artikel 287, punt 10, van de btw-richtlijn mag hanteren, namelijk 17 200 EUR.

Op basis van deze ervaring heeft Letland verzocht om opnieuw te worden gemachtigd de maatregel toe te passen, die hoe dan ook facultatief zou zijn voor belastingplichtigen.

Uit door Letland verstrekte gegevens blijkt dat de maatregel geen noemenswaardige invloed heeft op de belastingopbrengst in het stadium van het eindverbruik.

Daarom wordt voorgesteld de derogatie te verlenen voor een beperkte periode tot 31 december 2017.

Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Aan andere lidstaten zijn reeds soortgelijke derogaties toegestaan.

Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie

De maatregel is in overeenstemming met de EU-doelstellingen voor kleine bedrijven zoals die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie: "Denk eerst klein" - Een "Small Business Act" voor Europa (COM(2008) 394 van 25 juni 2008).

2.           RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING

Raadpleging van belanghebbende partijen

Niet relevant.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid

Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid.

Effectbeoordeling

Het besluit strekt ertoe machtiging te verlenen voor een vereenvoudigingsmaatregel die ondernemingen met een jaaromzet onder een bepaald plafond van vele btw-verplichtingen ontheft.

Gelet op de beperkte werkingssfeer en toepassingsduur van de derogatie zal het effect in ieder geval beperkt zijn.

3.           JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

Samenvatting van de voorgestelde maatregel

Machtiging van Letland tot toepassing van een maatregel die afwijkt van de btw-richtlijn, waarbij een vereenvoudigingsmaatregel wordt toegepast voor ondernemingen met een jaaromzet van niet meer dan 50 000 EUR.

Rechtsgrondslag

Artikel 395 van de btw-richtlijn.

Subsidiariteitsbeginsel

Gelet op de bepaling van de btw-richtlijn die de grondslag voor het voorstel vormt, valt dit onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.

Evenredigheidsbeginsel

Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

Dit besluit betreft een machtiging die wordt verleend aan een lidstaat op diens eigen verzoek, en houdt geen enkele verplichting in.

Gezien de beperkte werkingssfeer van de derogatie staat de bijzondere maatregel in verhouding tot het beoogde doel.

Keuze van instrumenten

Voorgesteld instrument: uitvoeringsbesluit van de Raad.

Andere instrumenten zouden om de volgende redenen ongeschikt zijn.

Overeenkomstig artikel 395 van de btw-richtlijn kan slechts van de normale btw-regels worden afgeweken als de Raad een lidstaat daartoe op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen machtigt. Een uitvoeringsbesluit van de Raad is het enige geschikte instrument, aangezien het tot een individuele lidstaat kan worden gericht.

4.           GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de EU-begroting omdat Letland een compensatieberekening zal verrichten overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad.

5.           AANVULLENDE INFORMATIE

Het voorstel is in de tijd beperkt.

2014/0290 (NLE)

Voorstel voor een

UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

waarbij de Republiek Letland wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 287 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde[2] ("de btw-richtlijn"), en met name artikel 395, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)       Bij brief, ingekomen bij de Commissie op 1 juli 2014, heeft de Republiek Letland verzocht om machtiging tot toepassing van een maatregel die afwijkt van artikel 287, punt 10, van de btw-richtlijn, teneinde bepaalde belastingplichtigen met een jaaromzet van niet meer dan 50 000 EUR van de btw te mogen vrijstellen. Hierdoor zullen deze belastingplichtigen van sommige of alle in de hoofdstukken 2 tot en met 6 van titel XI van de btw-richtlijn vastgestelde btw-verplichtingen ontheven worden. Deze machtiging is eerder al verleend aan de Republiek Letland bij Uitvoeringsbesluit 2010/584/EU[3], dat op 31 december 2013 is verstreken.

(2)       Bij brief van 7 augustus 2014 heeft de Commissie de overige lidstaten van het verzoek van Letland in kennis gesteld. Bij brief van 11 augustus 2014 heeft de Commissie Letland meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek.

(3)       Krachtens titel XII van de btw-richtlijn mogen de lidstaten al een bijzondere regeling voor kleine ondernemingen toepassen. De maatregel wijkt slechts af van titel XII van de btw-richtlijn in die zin dat het drempelbedrag voor de jaaromzet van belastingplichtigen in het kader van de bijzondere regeling hoger is dan het drempelbedrag dat Letland krachtens artikel 287, punt 10, van de btw-richtlijn mag hanteren, namelijk 17 200 EUR.

(4)       Een hoger drempelbedrag voor de bijzondere regeling komt neer op een vereenvoudiging, omdat dit de btw-verplichtingen voor de kleinste ondernemingen aanzienlijk kan verminderen; aangezien de bijzondere regeling voor belastingplichtigen facultatief is, kunnen ondernemingen evenwel nog altijd voor het normale btw-stelsel kiezen.

(5)       Uit door Letland verstrekte gegevens blijkt dat de derogatie geen noemenswaardige invloed zal hebben op de totale belastingopbrengst in het stadium van het eindverbruik.

(6)       De derogatie heeft geen gevolgen voor de eigen middelen van de Unie uit de btw,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 287, punt 10, van Richtlijn 2006/112/EG wordt de Republiek Letland gemachtigd om belastingplichtigen met een jaaromzet van niet meer dan 50 000 EUR van de btw vrij te stellen.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 december 2017.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Letland.

Gedaan te Brussel,

                                                                       Voor de Raad

                                                                       De voorzitter

[1]               PB L 256 van 30.9.2010, blz. 29.

[2]               PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

[3]               PB L 256 van 30.9.2010, blz. 29.