Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde verbrandingsmotoren /* COM/2014/0581 final - 2014/0268 (COD) */
TOELICHTING 1. Achtergrond
van het voorstel · Algemene context Onder niet voor de weg bestemde mobiele machines
valt een groot aantal typen verbrandingsmotoren, gemonteerd in machines zoals
kleine draagbare apparatuur, bouwmachines en generatoraggregaten of
treinstellen, locomotieven en binnenschepen. Deze motoren dragen aanzienlijk
bij aan luchtvervuiling en zijn verantwoordelijk voor zo'n 15 % van de
uitstoot van stikstofoxide (NOx) en 5 % van de uitstoot van deeltjes
(PM) in de EU. De emissiegrenswaarden
voor deze motoren zijn momenteel vastgesteld in Richtlijn 97/68/EG. Die
richtlijn is meermaals gewijzigd, maar uit verschillende technische evaluaties
is gebleken dat de wetgeving in de huidige vorm tekortkomingen vertoont. Het
toepassingsgebied is te beperkt, aangezien een aantal motorcategorieën er niet
in is opgenomen. Bij de wijziging van de richtlijn in 2004 werden voor het
laatst nieuwe emissiefasen vastgesteld, en die zijn niet langer overeenkomstig
de huidige stand van de techniek. Bovendien is er sprake van een discrepantie
tussen de emissiegrenswaarden voor bepaalde motorcategorieën. Tenslotte is er recentelijk overtuigend bewijs
gevonden van de nadelige gevolgen voor de gezondheid van de uitstoot van
dieseluitlaatgassen, en in het bijzonder van deeltjes (d.w.z. dieselroet). Een
van de belangrijkste bevindingen is dat de grootte van de deeltjes een cruciale
rol speelt in de waargenomen gevolgen voor de gezondheid. Deze kwestie kan
alleen worden opgelost door middel van op een telling van het deeltjesaantal
gebaseerde grenswaarden (d.w.z. PN-limiet). Daarom, en overeenkomstig de
ontwikkelingen in de sector wegvervoer, leek het voor de meest relevante
motorcategorieën wenselijk om een nieuwe emissiefase vast te stellen (fase V),
die naast grenswaarden voor deeltjesmassa ook gericht zou zijn op grenswaarden
voor deeltjesaantallen. ·
Motivering en doel van
het voorstel Met het voorstel wordt beoogd de menselijke
gezondheid en het milieu te beschermen, en de goede werking van de interne
markt in niet voor de weg bestemde mobiele machines te garanderen. Ook wordt
aandacht besteed aan een aantal aspecten op het gebied van concurrentievermogen
en naleving. Overeenkomstig het beleid van de EU inzake
luchtkwaliteit is het doel om de emissies van nieuwe motoren die op de markt
worden geïntroduceerd geleidelijk te verminderen en daarmee de oudere, meer
vervuilende motoren in de loop der tijd te vervangen. Dit zal naar verwachting
leiden tot een zeer aanzienlijke algemene emissieverlaging, maar de verlaging
per categorie zal verschillen naar gelang de striktheid van de specifieke
voorschriften op dit moment. Naar verwachting zal het voorstel ook de druk op
de lidstaten verlichten om aanvullende regelgevende actie te ondernemen die
schadelijk zou kunnen zijn voor de interne markt. Tot slot dient het voorstel
belemmeringen voor buitenlandse handel weg te nemen middels geharmoniseerde
regels en een vermindering van de regelgevende belemmeringen die voortkomen uit
uiteenlopende emissievoorschriften, in het bijzonder met het oog op het dichter
bij elkaar brengen van de voorschriften in de EU en in de VS. Ten slotte draagt dit voorstel bij aan het
concurrentievermogen van de Europese industrie door de bestaande
typegoedkeuringswetgeving te vereenvoudigen, de transparantie te verbeteren en
de administratieve lasten te verminderen. · Bestaande bepalingen op het door het voorstel
bestreken gebied De bestaande emissievoorschriften voor motoren
voor niet voor de weg bestemde mobiele machines zijn vastgelegd in Richtlijn
97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997
betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake
maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door
inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg
bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1). In het ontwerpvoorstel en
de uitvoerings- en gedelegeerde handelingen zullen de in de bovengenoemde
richtlijn vastgelegde bestaande voorschriften worden overgenomen en verbeterd,
na een technische evaluatie van een aantal substantiële tekortkomingen.
Vergeleken met de bestaande wetgeving zal het voorstel voor een verordening: –
nieuwe emissiegrenswaarden
introduceren die overeenstemmen met de technologische vooruitgang en het
EU-beleid in de sector wegvervoer, teneinde de luchtkwaliteitsdoelstellingen
van de EU te vervullen; –
het toepassingsgebied
uitbreiden, met het oog op een verbetering van de harmonisering van de markt
(in de EU en internationaal) en het tot een minimum beperken van het risico op
marktverstoringen; –
maatregelen introduceren
voor het vereenvoudigen van administratieve procedures en het verbeteren van
handhaving, met inbegrip van voorwaarden voor beter markttoezicht. · Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen
van de EU Het voorstel in kwestie
beoogt de bescherming van het milieu te verbeteren door de bestaande
emissiegrenswaarden bij te werken en hun toepassingsgebied uit te breiden waar
dat wenselijk is. Tegelijkertijd moet het zorgen voor een goed functioneren van
de interne markt, en onnodige lasten voor bedrijven die daarin opereren en
internationaal opereren, verwijderen. Het voorstel stemt derhalve volledig
overeen met de Europa 2020-strategie en de strategie voor duurzame ontwikkeling
van de EU. In dat kader sluit het
initiatief in kwestie aan bij de volgende, meer specifieke doelstellingen en
beleid: –
Het zesde milieuactieprogramma[1] van de EU, dat
"luchtkwaliteitniveaus die geen significante negatieve effecten en
risico's voor de gezondheid van de mens en voor het milieu tot gevolg
hebben" nastreeft. –
De thematische strategie inzake luchtverontreiniging[2] die voorziet in een
alomvattend EU-beleidskader voor de beperking van de schadelijke invloed van
luchtverontreiniging op de volksgezondheid en het milieu voor de periode tot
2020. –
Richtlijn 2001/81/EG
betreffende nationale emissieplafonds waarin wettelijk bindende grenswaarden
zijn vastgesteld voor totale toelaatbare uitstoot van verschillende luchtverontreinigende
stoffen op niveau van de lidstaten. Volgens de in het kader van die richtlijn
verstrekte gegevens hebben 12 lidstaten die limieten in 2010 overschreden en
zullen problemen zich blijven voordoen op het gebied van naleving, ook al is de
situatie iets verbeterd. –
Richtlijn 2008/50/EG betreffende
de luchtkwaliteit waarin wettelijk bindende grenswaarden voor de concentraties in de
buitenlucht van belangrijke luchtverontreinigende stoffen als deeltjes en
stikstofdioxide. –
Het Witboek vervoer[3] van 2011, in het
bijzonder met betrekking tot schonere binnenvaart en spoorwegvervoer. Strengere vereisten voor
verbrandingsmotoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines zouden op
positieve wijze bijdragen aan de doelstellingen van al het bovengenoemd beleid. Tot slot sluit het
voorstel ook aan bij de actualisering van het industriebeleid van 2012[4] en zou het een
belangrijke bijdrage kunnen leveren aan technische harmonisatie in het kader
van de handelsbesprekingen tussen de EU en de VS (TTIP). 2. Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling · Raadpleging van belanghebbende partijen Wijze van
raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de
respondenten Bij de opstelling van het
voorstel heeft de Commissie de belanghebbenden op de volgende wijzen
geraadpleegd: –
Er heeft een openbare
raadpleging via internet plaatsgevonden, waarin alle aspecten van het voorstel
aan bod zijn gekomen. Er werden antwoorden ontvangen van nationale en regionale
autoriteiten van de lidstaten (ministeries, agentschappen), beroepsverenigingen,
industriële ondernemingen, niet-gouvernementele organisaties en sociale
partners. –
Naast de openbare
raadpleging op internet is een hoorzitting van de belanghebbenden georganiseerd
op 14 februari 2013 in Brussel, waarbij zo'n 80 deelnemers aanwezig waren. –
In het kader van
verschillende effectbeoordelingsstudies die in het verleden door externe
consultanten zijn uitgevoerd, zijn belanghebbenden uitgenodigd deel te nemen en
opmerkingen in te sturen. –
Het voorstel is besproken
in verschillende bijeenkomsten van de Werkgroep emissies van motoren voor niet
voor de weg bestemde mobiele machines (GEME) van de Commissie, waarin
vertegenwoordigers van de sector, ngo's, de lidstaten en de Commissie
samenkomen. Samenvatting van de
reacties en hoe daarmee rekening is gehouden Er heeft een openbare
raadpleging plaatsgevonden van 15 januari 2013 tot en met 8 april 2013 (12
weken). Hiervoor werd een speciale webpagina[5]
opgezet en hebben de diensten van de Commissie een raadplegingsdocument van 15
pagina's opgesteld, waarin de belangrijkste kwesties, onderzoeksresultaten en
mogelijke werkwijzen werden beschreven. In totaal werden 69 antwoorden
ontvangen. Bijlage II bij het
verslag over de effectbeoordeling bevat een gedetailleerde analyse van de
resultaten, en de individuele antwoorden zijn beschikbaar op de webpagina van
de raadpleging. · Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Betrokken
wetenschaps- en kennisgebieden Voor het voorstel moesten
verschillende beleidsopties en de daaraan gerelateerde economische, maatschappelijke
en milieueffecten worden beoordeeld. Gebruikte methode De Commissie heeft
verschillende studies uitgevoerd en regelmatig belanghebbenden geraadpleegd wat
betreft de haalbaarheid van nieuwe emissiegrenswaarden en de behoefte om nieuwe
fasen te introduceren voor uitlaatemissies op basis van technologische
vooruitgang. De effectbeoordeling bouwt voort op de volgende externe studies[6]: –
Een door het Gemeenschappelijk Centrum voor
Onderzoek (JRC) uitgevoerde en in twee delen ingediende technische evaluatie
van de richtlijn, die in deel 1 een overzicht van emissie-inventarissen voor
niet voor de weg bestemde mobiele machines bevat. Deel 2 is onder andere
gericht op motoren met elektrische ontsteking (kleine benzinemotoren en motoren
voor sneeuwscooters) en analyseert onder andere emissie-inventarissen en de
verkoop op de markt van bouw- en landbouwmachines. –
Een effectbeoordeling van ARCADIS N.V. beoordeelt
het effect van de in de technische evaluatie van het Gemeenschappelijk Centrum
voor Onderzoek ontwikkelde beleidsopties. In een aanvullende studie door
dezelfde contractant werd specifiek gekeken naar de gevolgen voor kleine en
middelgrote ondernemingen (kmo's). Naast de sociale en economische gevolgen
werden de gevolgen voor het milieu en de gezondheid ook beoordeeld in de
studie. –
Een studie van Risk & Policy Analysis (RPA) en
Arcadis evalueert de huidige bijdrage van de sector niet voor de weg bestemde
mobiele machines aan de emissie van broeikasgassen. In de studie wordt ook
gekeken of het haalbaar is de emissiegrenswaarden voor motoren met variabel
toerental uit te breiden naar motoren met constant toerental, en naar de optie
om de grenswaarden voor uitlaatgasemissies overeen te doen stemmen met de
waarden in de VS. –
De in opdracht van DG MOVE uitgevoerde
Panteia-studie[7]
analyseert de situatie in de binnenvaartsectoren en beoordeelt specifieke
maatregelen voor het verminderen van de emissies van het vervoer over de
binnenwateren. Het
werk aan de effectbeoordeling werd gevolgd en gestuurd door een interdepartementale
stuurgroep die in 2013 vier keer bijeenkwam. Alle betrokken diensten van de
Commissie werden uitgenodigd om aan deze groep deel te nemen. Het JRC
ondersteunde het analytische werk verder met een onderzoeksproject over de
effecten van grenswaarden voor het deeltjesaantal (PN) voor bepaalde
motorcategorieën. Wijze waarop het
deskundigenadvies beschikbaar is gemaakt voor het publiek De verslagen van
bovengenoemde studies zijn beschikbaar op de website van DG Ondernemingen en
Industrie. · Effectbeoordeling Drie
belangrijke beleidsopties werden in detail beoordeeld. Deze omvatten elk
verschillende subopties voor de motorcategorieën en -toepassingen die al onder
de EU-wetgeving voor niet voor de weg bestemde mobiele machines vallen of in de
toekomst binnen het toepassingsgebied daarvan kunnen vallen. Naast het scenario
van ongewijzigd beleid zijn deze opties: Optie 2:
Overeenstemming met de normen in de VS voor het toepassingsgebied en de
grenswaarden. Optie 3: Een stap in
de richting van de ambitieniveaus voor de sector wegvervoer, voor de meest
relevante emissiebronnen. Optie 4: Verhoogd
ambitieniveau middels verbeterde toezichtbepalingen. In
het analytisch ontwerp was echter al in beschouwing genomen dat een combinatie
van elementen van de verschillende opties mogelijk de voorkeur verdient. De
kosten-batenanalyse werd uitgevoerd in afzonderlijke modules die het
hergroeperen van elementen mogelijk maken. Niet-wetgevende
opties (zoals een vrijwillige overeenkomst met de bedrijfstak) zijn overwogen,
maar in de eerste analyse werd geconcludeerd dat een dergelijke aanpak niet
geschikt zou zijn voor het vervullen van de doelstellingen van dit initiatief.
Die beslissing werd gebaseerd op de overweging dat emissiegrenswaarden voor
motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines naar verwachting niet
doeltreffend zijn en geen gelijk speelveld kunnen garanderen voor alle
marktdeelnemers tenzij ze juridisch bindend zijn. De
effectbeoordeling werd goedgekeurd door de effectbeoordelingsraad na de
presentatie ervan op 20 november 2013. 3. Juridische elementen van het voorstel · Samenvatting van de voorgestelde maatregel Het voorstel voorziet in
een aanzienlijke verbetering van het typegoedkeuringssysteem voor motoren voor
niet voor de weg bestemde mobiele machines met betrekking tot de technische
voorschriften voor emissies middels het vaststellen van striktere niveaus en
het introduceren van de "opsplitsing in niveaus". Het voorstel zal, door
middel van de gedelegeerde handelingen waarin het voorziet, de nieuwe dwingende
voorschriften inzake fase V-emissiegrenswaarden voor motoren in detail
vaststellen. In de krachtens dit voorstel vastgestelde gedelegeerde handelingen
zal in het bijzonder het volgende worden opgenomen: –
gedetailleerde technische
voorschriften voor de testcycli; –
procedures voor technische
tests en metingen; –
gedetailleerde regelingen
en vereisten voor de in het kader van deze verordening toegekende
uitzonderingen; –
gedetailleerde bepalingen
voor typegoedkeuringsprocedures. · Rechtsgrondslag De rechtsgrondslag van
dit voorstel is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie. · Subsidiariteitsbeginsel Het
subsidiariteitsbeginsel is van toepassing aangezien het voorstel geen gebieden
bestrijkt die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen. Aangezien het voorstel
betrekking heeft op wijzigingen aan bestaande EU-wetgeving, kan alleen de EU
hier doeltreffend handelen. Daarnaast kunnen de beleidsdoelstellingen niet
voldoende worden vervuld door maatregelen van de lidstaten. Er zijn maatregelen van
de Europese Unie nodig om het vóórkomen van belemmeringen van de interne markt
te vermijden, met name op het gebied van motoren voor niet voor de weg bestemde
mobiele machines, ook vanwege de transnationale aard van luchtvervuiling. Hoewel
de gevolgen van de voornaamste luchtverontreinigende stoffen ernstiger zijn
dicht bij de bron, zijn de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet beperkt tot
plaatselijk niveau, en grensoverschrijdende vervuiling is een ernstig
milieugerelateerd probleem dat de doeltreffendheid van nationale oplossingen
kan wegnemen. Teneinde het probleem van luchtverontreiniging op te lossen is
gecoördineerde actie op EU-niveau noodzakelijk. Het vaststellen van
emissiegrenswaarden en typegoedkeuringsprocedures op nationaal niveau zou
kunnen leiden tot een lappendeken van 28 verschillende regelingen, hetgeen een
ernstige belemmering zou vormen voor het handelsverkeer binnen de Unie.
Bovendien zou het een aanzienlijke administratieve en financiële last vormen
voor fabrikanten die op meer dan één markt actief zijn. De doelstellingen van
dit initiatief kunnen derhalve niet worden verwezenlijkt zonder actie op
EU-niveau. Tot slot is een
geharmoniseerde aanpak op EU-niveau naar verwachting de meest kostenefficiënte
manier voor fabrikanten en eindgebruikers om de emissieverlagingen te
bewerkstelligen. Het voorstel voldoet
derhalve aan het subsidiariteitsbeginsel. · Evenredigheidsbeginsel Het voorstel om de
volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Zoals uit de
effectbeoordeling blijkt, is het voorstel in overeenstemming met het
evenredigheidsbeginsel, omdat het niet verder gaat dan nodig is om de goede
werking van de interne markt te garanderen en tegelijk voor een hoog niveau van
openbare veiligheid en milieubescherming te zorgen. De vereenvoudiging van de
regelgeving zal een aanzienlijke bijdrage leveren tot het terugdringen van de
administratieve kosten voor de nationale instanties en het bedrijfsleven. · Keuze van instrumenten Voorgesteld(e)
instrument(en): verordening. Andere instrumenten
zouden om de volgende redenen ongeschikt zijn. Richtlijn 97/68/EG
is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Omwille van de duidelijkheid,
voorspelbaarheid, rationaliteit en vereenvoudiging, stelt de Commissie voor om
Richtlijn 97/68/EG in te trekken en door één verordening en een klein
aantal gedelegeerde en uitvoeringshandelingen te vervangen. Door de keuze voor een
verordening wordt er bovendien voor gezorgd dat de betrokken bepalingen
rechtstreeks toepasbaar voor fabrikanten, goedkeuringsinstanties en technische
diensten en veel sneller en efficiënter kunnen worden bijgewerkt om ze beter
aan de technische vooruitgang aan te passen. Het voorstel is opgezet
volgens een "opsplitsing in twee niveaus" die ook al in andere wetsteksten
op het gebied van EU-typegoedkeuring van motorvoertuigen is gebruikt. Daarbij
komt wetgeving in twee stappen tot stand: · enerzijds leggen het Europees Parlement en de
Raad de fundamentele bepalingen volgens de gewone wetgevingsprocedure vast in
een verordening op basis van artikel 114 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie; · anderzijds legt de Commissie de technische
specificaties ter uitvoering van de fundamentele bepalingen vast in
gedelegeerde handelingen volgens artikel 290 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie. 4. Gevolgen voor de begroting De kosten die zijn verbonden aan het opzetten van een elektronische
databank voor het uitwisselen van informatie met betrekking tot typegoedkeuring
zijn al beoordeeld in een in juni 2006 in opdracht van de VN/ECE uitgevoerde
haalbaarheidsstudie[8],
en voor auto's bestaat in de EU al een Europees uitwisselingssysteem voor
typegoedkeuring (ETAES). Hoewel de haalbaarheidsstudie niet werd uitgevoerd op een openbare
databank kan nog steeds worden aangenomen dat de kostenbeoordeling een geldige
indicatie van de betrokken kosten verschaft. De studie voorspelde eenmalige aanloopkosten van tussen de 50 000 en
150 000 EUR en maandelijkse operationele kosten van 5 000 tot 15 000 EUR, afhankelijk
van de duur van het contract met de dienstverlener. Vergelijkbare maandelijkse
kosten zijn voorzien voor het functioneren van een helpdesk, indien gewenst. 5. Aanvullende informatie · Simulatie, proeffase en overgangsperiode Het voorstel voorziet in
algemene en specifieke overgangsperiodes om zowel fabrikanten van motoren en
machines als administraties voldoende tijd te gunnen. Voor de overgang van de
huidige emissienormen naar de nieuwe emissiefase wordt een recent ontwikkelde
overgangsregeling voorgesteld die aanzienlijk eenvoudiger is op administratief
gebied voor fabrikanten van motoren en machines, en tegelijkertijd de lasten
voor de nationale goedkeuringsinstanties ingrijpend verlicht. Met betrekking tot
toezicht op de emissieprestatie van in gebruik zijnde motoren zijn
proefprogramma's voorgesteld teneinde passende testprocedures te ontwikkelen. · Vereenvoudiging Het voorstel voorziet in
een vereenvoudiging van de wetgeving. Een extreem complexe
richtlijn inzake emissies van motoren voor niet voor de weg bestemde mobiele
machines met 15 bijlagen, die 8 keer is gewijzigd zonder herschikking, wordt
ingetrokken. Het voorstel
vereenvoudigt de administratieve procedures voor overheidsinstanties. Het
voorstel is opgenomen in het programma van de Commissie voor de modernisering
en vereenvoudiging van het acquis communautaire en in het wetgevingsprogramma
van de Commissie, onder referentie 2010/ENTR/001. · Intrekking van bestaande wetgeving De vaststelling van het
voorstel heeft de intrekking van bestaande wetgeving tot gevolg. · Europese Economische Ruimte De voorgestelde maatregel
betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom worden
uitgebreid tot de Europese Economische Ruimte. 2014/0268 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD inzake voorschriften met betrekking tot
emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde
mobiele machines gemonteerde verbrandingsmotoren
(Voor de EER relevante tekst) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 114, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[9], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure[10], Overwegende hetgeen volgt: (1) De interne markt omvat een
gebied zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen,
diensten en kapitaal moet worden gewaarborgd. Hiertoe zijn maatregelen voor het
verminderen van luchtvervuiling door motoren die worden gemonteerd in niet voor
de weg bestemde mobiele machines vastgesteld in Richtlijn 97/68/EG van het
Europees Parlement en de Raad[11].
De inspanningen voor de ontwikkeling en de werking van de interne markt van de
Unie moeten worden voortgezet. (2) De interne markt moet
gebaseerd zijn op transparante, eenvoudige en consistente regelgeving die
rechtszekerheid en duidelijkheid biedt ten bate van zowel het bedrijfsleven als
de consument. (3) Voor een eenvoudigere en
snellere vaststelling van de wetgeving voor EU-typegoedkeuring voor motoren is
een nieuwe regelgevende aanpak geïntroduceerd. De wetgever stelt de
fundamentele regels en beginselen vast en bevoegt de Commissie om gedelegeerde
handelingen met betrekking tot verdere technische details vast te stellen. Wat
de materiële voorschriften betreft, moeten in deze verordening daarom alleen
fundamentele bepalingen inzake de emissie van verontreinigende gassen en
deeltjes worden vastgesteld en moet de bevoegdheid om de technische
specificaties in gedelegeerde handelingen vast te leggen aan de Commissie
worden overgedragen. (4) Bij Verordening (EU) nr.
167/2013 van het Europees Parlement en de Raad[12]
is al een regelgevend kader vastgesteld voor de goedkeuring van en het
markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen. Gezien de overeenkomsten
tussen de onderwerpen en de positieve ervaring met de toepassing van
Verordening (EU) nr. 167/2013 moeten veel van de rechten en plichten die in die
verordening zijn vastgesteld, in aanmerking worden genomen wat betreft niet
voor de weg bestemde machines. Het is echter van cruciaal belang dat een aparte
reeks regels wordt vastgesteld, teneinde volledig rekening te houden met de
specifieke vereisten voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines te
monteren motoren. (5) In deze verordening moeten
materiële voorschriften worden opgenomen met betrekking tot emissiegrenswaarden
en EU-typegoedkeuringsprocedures voor in niet voor de weg bestemde mobiele
machines te monteren motoren. De belangrijkste elementen van de desbetreffende
voorschriften van deze verordening zijn gebaseerd op de resultaten van de door
de Commissie uitgevoerde effectbeoordeling van 20 november 2013 en de analyse
van verschillende opties door de mogelijke voor- en nadelen met betrekking tot
de economische, sociale, milieu- en veiligheidsaspecten tegen elkaar af te
zetten. Bij deze analyse kwamen zowel kwalitatieve als kwantitatieve aspecten
aan bod. Nadat de verschillende opties waren vergeleken, werden de
voorkeursopties aangewezen en gekozen om de basis voor deze verordening te
vormen. (6) Het doel van deze verordening
is geharmoniseerde regels voor EU-typegoedkeuring van in niet voor de weg
bestemde mobiele machines te monteren motoren vast te stellen om de goede
werking van de interne markt te waarborgen. Daartoe moeten nieuwe
emissiegrenswaarden worden vastgesteld die overeenstemmen met de technologische
vooruitgang en het beleid van de Unie in de sector wegvervoer, met het oog op
de verwezenlijking van de EU-doelstellingen inzake luchtkwaliteit en de
vermindering van emissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines,
hetgeen leidt tot een meer proportioneel aandeel in emissies van machines in
verhouding tot emissies van wegvoertuigen. Het toepassingsgebied van de
EU-wetgeving op dit vlak moet worden uitgebreid, teneinde de harmonisering van
de markt op EU-niveau en op internationaal niveau te verbeteren en het risico
op marktverstoring tot een minimum te beperken. Deze verordening beoogt verder
het huidige regelgevingskader te vereenvoudigen, middels maatregelen voor het
vereenvoudigen van administratieve procedures, en de algemene voorwaarden voor
handhaving te verbeteren, met name door de regels met betrekking tot
markttoezicht te versterken. (7) De met betrekking tot motoren
voor niet voor de weg bestemde machines en secundaire motoren voor voertuigen
bestemd voor personen- of goederenvervoer vastgestelde voorschriften moeten de
beginselen volgen die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie van 5
juni 2002 met als titel "Actieplan 'Vereenvoudiging en verbetering van de
regelgeving'". (8) Het zevende algemene
milieuactieprogramma van de Unie dat is vastgesteld bij Besluit nr. 1386/2013/EU
van het Europees Parlement en de Raad[13]
wijst erop dat de Unie is overeengekomen niveaus van luchtkwaliteit te bereiken
die niet leiden tot een aanzienlijk negatief effect op, en een gevaar voor de
menselijke gezondheid en het milieu. Bij de Unie-wetgeving zijn passende
emissiegrenswaarden vastgesteld voor de kwaliteit van de omgevingslucht ter
bescherming van de volksgezondheid, en in het bijzonder van gevoelige personen,
alsook voor nationale emissieplafonds[14].
In aansluiting op haar mededeling van 4 mei 2001 inzake het programma
"Schone lucht voor Europa" (CAFE) heeft de Commissie op 21 september
2005 een andere mededeling goedgekeurd, getiteld "Thematische strategie
inzake luchtverontreiniging". Een van de conclusies van die thematische
strategie is dat de emissies door de vervoersector (vervoer door de lucht, over
zee en over het land), door de huishoudens en door de energie- en de
landbouwsector en de industrie verder moeten worden verminderd om de
EU-doelstellingen inzake luchtkwaliteit te verwezenlijken. In die context moet
het verminderen van emissies van in niet voor de weg bestemde mobiele machines
gemonteerde motoren worden benaderd als onderdeel van een algemene strategie.
De fase V-emissiegrenswaarden zijn één van de maatregelen ter vermindering van
de werkelijke emissie van luchtverontreinigende stoffen tijdens het gebruik,
waaronder deeltjes en ozonprecursoren zoals stikstofoxiden (NOx) en
koolwaterstoffen. (9) Op 12 juni 2012 heeft de
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), middels het internationaal agentschap voor
kankeronderzoek, uitlaatgassen van dieselmotoren geherclassificeerd als
"kankerverwekkend voor de mens" (Groep 1), op basis van afdoende
bewijs dat blootstelling verbonden is met een verhoogd risico op longkanker. (10) Om de EU-doelstellingen inzake
luchtkwaliteit te verwezenlijken, moet onverminderd worden gestreefd naar een
vermindering van de motoremissies. Daarom moeten fabrikanten duidelijke
informatie krijgen over de toekomstige emissiegrenswaarden alsook een passend
tijdschema voor de verwezenlijking en de ontwikkeling van de nodige technische
oplossingen. (11) Bij het vaststellen van
emissiegrenswaarden moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het
concurrentievermogen van de markten en de fabrikanten, de directe en indirecte
kosten voor het bedrijfsleven en de voordelen op verschillende gebieden, zoals
de aanmoediging van innovatie, betere luchtkwaliteit, lagere gezondheidskosten
en extra levensjaren. (12) Emissies van motoren van niet
voor de weg bestemde mobiele machines hebben een belangrijk aandeel in de
totale door de mens veroorzaakte emissies van bepaalde schadelijke
luchtverontreinigingen; Motoren die verantwoordelijk zijn voor een aanzienlijk
aandeel in luchtvervuiling door stikstofoxiden (NOx) en deeltjes
(PM) moeten binnen het toepassingsgebied van de nieuwe regels voor
emissiegrenswaarden vallen. (13) De Commissie moet emissies
waarvoor nog geen regelgeving bestaat en die vrijkomen als gevolg van het
toenemende gebruik van nieuwe brandstofformules, motortechnologie en
emissiebeheersingssystemen, opnieuw beoordelen. Zo nodig dient de Commissie bij
het Europees Parlement en de Raad een voorstel in om deze emissies te
reglementeren. (14) De invoering van voertuigen op
alternatieve brandstof, die mogelijk een geringe emissie van NOx en
deeltjes hebben, moet worden aangemoedigd. De grenswaarden voor totale
koolwaterstoffen moeten derhalve worden aangepast teneinde niet-methaanhoudende
koolwaterstoffen en methaanemissies in aanmerking te nemen. (15) Met het oog op de beheersing
van de emissies van ultrafijne deeltjes (0,1 μm en kleiner) moet de
Commissie de bevoegdheid worden verleend voor emissies van deeltjes, naast de
momenteel gevolgde aanpak op basis van de deeltjesmassa, ook een aanpak op
basis van het deeltjesaantal vast te stellen. De aanpak op basis van het
deeltjesaantal moet uit de resultaten van het deeltjesmeetprogramma van de
Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) putten en
met de bestaande ambitieuze doelstellingen voor het milieu stroken. (16) Om deze milieudoelstellingen
te verwezenlijken dient vermeld te worden dat de grenzen voor het
deeltjesaantal moeten beantwoorden aan de beste resultaten die op dit moment
met deeltjesfilters behaald kunnen worden met gebruikmaking van de best
beschikbare technologie. (17) De Commissie moet wereldwijd
geharmoniseerde testcycli opnemen in de testprocedures die ten grondslag liggen
aan de verordeningen betreffende EU-typegoedkeuring met betrekking tot
emissies. Het toepassen van draagbare emissiemeetsystemen voor toezicht op de
werkelijke emissie tijdens het gebruik moet ook worden overwogen. (18) Om de werkelijke emissies
tijdens het gebruik beter te kunnen beheersen en om de procedure betreffende de
conformiteit tijdens het gebruik te voor te bereiden, dient, binnen een passend
tijdschema, een testmethode voor toezicht op de emissieprestatievoorschriften
op basis van het gebruik van draagbare emissiemeetsystemen te worden
vastgesteld. (19) De correcte werking van het
nabehandelingssysteem, met name in het geval van NOx, is een
basisvereiste om aan de grenswaarden inzake verontreinigende emissies te
voldoen. In dit verband moeten maatregelen worden vastgesteld die de goede
werking garanderen van systemen die gebruikmaken van een reagens. (20) Motoren die conform zijn met
en vallen onder het toepassingsgebied van de nieuwe regelgeving inzake
emissiegrenswaarden en EU-typegoedkeuringsprocedures moet in de lidstaten in de
handel mogen worden gebracht; die motoren hoeven niet te voldoen aan andere
nationale emissiegrenswaarden. De lidstaten die goedkeuring verlenen moeten de
nodige controlemaatregelen nemen teneinde de motoren die onder elke
EU-typegoedkeuring zijn geproduceerd, te identificeren. (21) Er moet een beperkt aantal
vrijstellingen worden verleend teneinde te beantwoorden aan de specifieke
behoeften met betrekking tot het leger, belemmeringen voor toelevering, proeven
met prototypen en het gebruik van machines op plaatsen waar ontploffingsgevaar
heerst. (22) De verplichtingen van de
nationale autoriteiten die in de bepalingen inzake markttoezicht van deze
verordening zijn vastgelegd, zijn specifieker dan de overeenkomstige bepalingen
van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad[15]. (23) Om te garanderen dat de
procedure voor de controle van de conformiteit van de productie, die een van de
hoekstenen van het EU-typegoedkeuringssysteem vormt, juist wordt toegepast en
naar behoren functioneert, moet de aangewezen bevoegde instantie of een
voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld
verificaties verrichten bij de fabrikanten. (24) De Unie is een partij bij de
overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties
betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen,
uitrustingsstukken en voertuigdelen die kunnen worden aangebracht en/of
gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van
goedkeuringen verleend op basis van deze eisen ("Herziene overeenkomst van
1958"). (25) Bijgevolg moeten de
VN/ECE-reglementen en wijzigingen daarop waaraan de Unie, in het kader van de
toepassing van Besluit 97/836/EG, haar goedkeuring heeft gehecht of waartoe de
Unie is toegetreden, worden erkend als equivalent aan de in het kader van deze
verordening verleende EU-typegoedkeuringen. De Commissie moet
dienovereenkomstig worden bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen
teneinde te bepalen welke VN/ECE-reglementen van toepassing zijn op
EU-typegoedkeuringen. (26) Om eenvormige voorwaarden voor
de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie
uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden
uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees
Parlement en de Raad[16]. (27) Teneinde deze verordening aan
te vullen met nadere technische bijzonderheden moet de bevoegdheid om
handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden
overgedragen ten aanzien van motorfamilies, manipulatie, toezicht op
emissieprestaties tijdens het gebruik, technische tests en meetprocedures,
conformiteit van de productie, afzonderlijke levering van het
uitlaatgasnabehandelingssysteem van een motor, motoren voor tests in de
praktijk, motoren voor gebruik in gevaarlijke atmosferen, gelijkwaardigheid van
typegoedkeuringen voor motoren, informatie voor OEM's en eindgebruikers,
zelftesten, normen voor en beoordeling van technische diensten, motoren op
volledig en gedeeltelijk gasvormige brandstof, metingen van het deeltjesaantal
en testcycli. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij de voorbereiding
passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie dient bij de
voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor te zorgen
dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden
toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. (28) De lidstaten moeten regels
vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op deze verordening en erop
toezien dat deze regels worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend,
evenredig en afschrikkend zijn. (29) Gezien de doorlopende
technische vooruitgang en de laatste bevindingen op het gebied van onderzoek en
innovatie is het passend om verdere mogelijkheden voor de vermindering van
vervuilende emissies door motoren die zijn gemonteerd in niet voor de weg
bestemde mobiele machines te identificeren. Bij deze beoordelingen moet de
nadruk liggen op die motorcategorieën die voor het eerst onder het
toepassingsgebied van de verordening vallen en op de categorieën waarvoor de
emissiegrenswaarden bij deze verordening ongewijzigd blijven. (30) Ter wille van de
duidelijkheid, voorspelbaarheid en vereenvoudiging en om de lasten voor de
fabrikanten van motoren en machines te verminderen, mag deze verordening
slechts een beperkt aantal uitvoeringsfasen voor de invoering van strengere
emissieniveaus en typegoedkeuringsprocedures omvatten. Het is van essentieel
belang de voorschriften tijdig te definiëren om de fabrikanten voldoende
aanlooptijd te bieden om technische oplossingen voor in serie geproduceerde
motoren te ontwikkelen, te testen en toe te passen en de fabrikanten en de
goedkeuringsinstanties in de lidstaten voldoende aanlooptijd te bieden om de
nodige administratieve systemen in te voeren. (31) Richtlijn 97/68/EG is
herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid,
voorspelbaarheid, rationele ordening en vereenvoudiging, moet
Richtlijn 97/68/EG door een verordening en een klein aantal gedelegeerde
en uitvoeringshandelingen worden vervangen. Door de keuze voor de vorm van een
verordening wordt ervoor gezorgd dat de bepalingen rechtstreeks op fabrikanten,
goedkeuringsinstanties en technische diensten van toepassing zijn en veel
sneller en efficiënter kunnen worden bijgewerkt om ze beter aan de technische
vooruitgang aan te passen. (32) Als gevolg van de toepassing
van het nieuwe regelgevingskader dat door deze verordening wordt ingevoerd,
moet Richtlijn 97/68/EG worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2017.
Deze datum moet de industrie voldoende tijd bieden om zich aan te passen aan de
nieuwe bepalingen van deze verordening en aan de technische specificaties en
administratieve bepalingen die in op grond van deze verordening vastgestelde
gedelegeerde en uitvoeringshandelingen worden beschreven. (33) Aangezien de doelstellingen
van deze verordening, namelijk het vastleggen van geharmoniseerde regels inzake
administratieve en technische voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden
en EU-typegoedkeuringsprocedures voor motoren die worden gemonteerd in niet
voor de weg bestemde mobiele machines, niet voldoende door de lidstaten kunnen
worden verwezenlijkt en derhalve, gelet op de omvang en de gevolgen ervan,
beter verwezenlijkt kunnen worden op het niveau van de Unie, kan de Unie in
overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als vervat in artikel 5 van het
Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig
het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze
verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te
verwezenlijken. HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN
DEFINITIES Artikel 1 Onderwerp Bij deze verordening worden
emissiegrenswaarden vastgesteld voor verontreinigende gassen en deeltjes,
alsmede de administratieve en technische voorschriften met betrekking tot
EU-typegoedkeuring voor alle in artikel 2, lid 1, vermelde motortypes en
motorfamilies. Bij deze verordening worden tevens de
voorschriften vastgesteld voor het markttoezicht op motoren die worden
gemonteerd of die bedoeld zijn om te worden gemonteerd in niet voor de weg
bestemde mobiele machines, waarvoor EU-typegoedkeuring moet worden verleend. Artikel 2 Toepassingsgebied 1. Deze verordening is van
toepassing op alle in artikel 4 opgenomen motoren die worden gemonteerd of
bedoeld zijn te worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele
machines, met uitzondering van motoren voor uitvoer naar derde landen. 2. Deze verordening is niet van
toepassing op motoren voor: a) de voortbeweging van voertuigen als
gedefinieerd in artikel 3, punt 13, van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees
Parlement en de Raad[17]; b) de voortbeweging van landbouw- en bosbouwvoertuigen
als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) nr. 167/2013 van
het Europees Parlement en de Raad[18]; c) stationaire machines; d) zeeschepen waarvoor een geldig zeevaart-
of veiligheidscertificaat vereist is; e) de voortbeweging van binnenschepen met
een netto vermogen van minder dan 37 kW; f) pleziervaartuigen als gedefinieerd in
Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad[19]; g) luchtvaartuigen; h) alle recreatievoertuigen, met
uitzondering van sneeuwscooters, terreinvoertuigen (ATV) en
"side-by-side"-voertuigen (SbS); i) voertuigen en machines die uitsluitend
bestemd zijn voor gebruik in wedstrijden; j) verkleinde schaalmodellen of replica's
van voertuigen of machines wanneer het nettovermogen van deze modellen of replica's
minder dan 19 kW bedraagt. Artikel 3 Definities Voor de
toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1. "niet
voor de weg bestemde mobiele machines": mobiele machine, vervoerbare
industriële uitrusting of voertuig met of zonder carrosserie of wielen, niet
bestemd voor personen- of goederenvervoer over de weg; hieronder vallen ook
machines die zijn gemonteerd op het chassis van voertuigen bestemd voor
personen- of goederenvervoer over de weg; 2. "EU-typegoedkeuring":
de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een motortype
of motorfamilie aan de relevante administratieve bepalingen en technische
voorschriften van deze verordening voldoet; 3. "verontreinigende
gassen": koolmonoxide (CO), totale koolwaterstoffen (HC) en stikstofoxiden
(NOx), waarbij laatstgenoemde stikstofoxide (NO) en stikstofdioxide
(NO2) betreffen, uitgedrukt als stikstofdioxide-(NO2-)equivalent; 4. "deeltjes"
(PM): materiaal dat op een gespecificeerd filtermedium wordt opgevangen na
verdunning van het uitlaatgas van een motor met schone, gefiltreerde lucht
zodat de temperatuur niet meer dan 325 K (52 °C) bedraagt; 5. "deeltjesaantal"
(PN): het aantal vaste deeltjes met een diameter groter dan 23 nm; 6. "motor":
een energieomzetter, maar geen gasturbine, waarin brandstof wordt verbrand in
een afgesloten ruimte, zodat uitzettend gas wordt geproduceerd dat direct wordt
gebruikt voor het leveren van mechanisch vermogen, en waarvoor
EU-typegoedkeuring kan worden verleend; "motor" omvat het
emissiebeheersingssysteem en de communicatie-interface (hardware en berichten)
tussen de elektronische regeleenheid of -eenheden van het motorsysteem (ECU) en
elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of het voertuig die nodig is om
aan de hoofdstukken II en III te voldoen; 7. "motortype":
een specificatie van motoren die onderling niet verschillen wat betreft de
essentiële motorkenmerken; 8. "motorfamilie:
een door de fabrikant bepaalde groep van motoren die vanwege hun ontwerp
vergelijkbare eigenschappen bezitten wat betreft de uitlaatemissie en die aan
de geldende emissiegrenswaarden voldoen; 9. "basismotor":
een motortype dat op zodanige wijze uit een motorfamilie is gekozen dat de
emissie-eigenschappen representatief zijn voor die motorfamilie; 10. "motor
met compressieontsteking" (CI-motor): een motor die werkt volgens het
principe van compressieontsteking; 11. "motor
met elektrische ontsteking" (SI-motor): een motor die werkt volgens het
principe van elektrische ontsteking; 12. "dual-fuelmotor":
een motor die is ontworpen om tegelijkertijd met vloeibare brandstof en een
gasvormige brandstof te werken, waarbij beide brandstoffen apart worden
gedoseerd en de verbruikte hoeveelheid van een van de brandstoffen ten opzichte
van de andere kan variëren naargelang de bedrijfsomstandigheden; 13. "single-fuelmotor":
een motor die geen dual-fuelmotor is zoals gedefinieerd in punt 12; 14. "vloeibare
brandstof": brandstof die onder standaardomgevingsomstandigheden[20] in vloeibare vorm
voorkomt; 15. "gasvormige
brandstof": brandstof die onder standaardomgevingsomstandigheden20
volledig gasvormig is; 16. "gasenergieverhouding
(GER)": bij een dual-fuelmotor de verhouding tussen de energie-inhoud van
de gasvormige brandstof en die van beide brandstoffen; bij single-fuelmotoren
wordt GER gedefinieerd als 1 of 0, afhankelijk van het type brandstof; 17. "motor
met variabel toerental": een motor die geen motor met constant toerental
is als gedefinieerd in punt 18; 18. "motor
met constant toerental": een motor waarvan de typegoedkeuring beperkt is
tot het werken met een constant toerental, met uitzondering van motoren waarvan
de reguleerfunctie voor een constant toerental is verwijderd of uitgeschakeld; 19. "bedrijf
met constant toerental": een motorbedrijf met een regelaar die de vraag
van de operator automatisch regelt om het motortoerental te handhaven, zelfs
onder variërende belasting; 20. "SI-motor
voor handapparatuur": een SI-motor die ten minste aan één van de volgende
eisen voldoet: a) de
motor wordt gebruikt in een apparaat dat gedurende de verrichting van de
beoogde functie(s) door de bediener wordt gedragen; b) de
motor wordt gebruikt in een apparaat dat gedurende de verrichting van de
beoogde functie(s) op meerdere posities werkt, zoals ondersteboven of op zijn
kant; c) de
motor wordt gebruikt in een apparaat waarvan het gecombineerde droge gewicht
van motor en apparaat minder dan 20 kilogram bedraagt en dat ten minste aan een
van de volgende voorwaarden voldoet: i) het
apparaat wordt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) door de
bediener ondersteund of gedragen; ii) het
apparaat wordt gedurende de verrichting van de beoogde functie(s) door de
bediener ondersteund ofwel door de stand van zijn lichaam bestuurd; iii) het
apparaat wordt gebruikt in een generator of pomp; 21. "voortbewegingsmotor":
een motor bedoeld voor de directe of indirecte voortbeweging van een type niet
voor de weg bestemde mobiele machine als gedefinieerd in punt 1; 22. "hulpmotor":
een motor die is gemonteerd of bestemd is te worden gemonteerd in of op een
niet voor de weg bestemde mobiele machine, en geen voortbewegingsmotor is; 23. "nettovermogen":
het vermogen van de motor, verkregen op de testbank aan het uiteinde van de
krukas of soortgelijk, gemeten overeenkomstig de in VN/ECE-Reglement nr. 120
opgenomen methode voor het meten van het vermogen van verbrandingsmotoren
gebruikmakend van een referentiebrandstof als vastgesteld in artikel 24, lid 2; 24. "referentievermogen":
het nettovermogen dat wordt gebruikt om toepasselijke emissiegrenswaarden voor
de motor vast te stellen; 25. "nominaal
nettovermogen": het door de fabrikant opgegeven nettovermogen van de motor
bij nominaal toerental; 26. "maximaal
nettovermogen": de hoogste waarde van het nettovermogen op de
nominaalvermogenscurve met volle lading voor het motortype; 27. "nominaal
toerental": het toerental van de motor waarop, volgens de verklaring van
de fabrikant, het nominaal vermogen wordt geleverd; 28. "productiedatum
van de motor": de datum (uitgedrukt in maand en jaar) waarop de motor aan
het einde van de productielijn de eindcontrole passeert en gereed is voor
levering of opslag; 29. "overgangsperiode":
de eerste achttien maanden na de datum van de verplichte tenuitvoerlegging van
fase V, zoals bedoeld in artikel 17, lid 2; 30. "overgangsmotor":
een motor met een productiedatum vóór de in artikel 17, lid 2, genoemde data
voor het in de handel brengen van motoren, die: a) voldoet aan de meest recente toepasbare
emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de desbetreffende wetgeving die van
toepassing is op de datum van inwerkingtreding van deze verordening, of b) niet was gereguleerd op Unie-niveau op de
datum van inwerkingtreding van deze verordening; 31. "productiedatum
van de machine": het jaar dat is aangegeven op de voorgeschreven
opschriften van de machine of, in afwezigheid van een verplicht opschrift, het
jaar waarin de machine aan het einde van de productielijn de eindcontrole
passeert; 32. "binnenschip":
een schip dat binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/87/EG valt; 33. "generatoraggregaat":
een onafhankelijke niet voor de weg bestemde mobiele machine die geen deel
uitmaakt van een aandrijflijn en hoofdzakelijk bestemd is voor het opwekken van
elektriciteit; 34. "stationaire
machines": machines die zijn bestemd om bij het eerste gebruik permanent
op één locatie te worden geïnstalleerd en niet bestemd zijn voor verplaatsing,
over de weg of op andere wijze, behalve tijdens het transport van de plaats van
productie naar de plaats van eerste installatie; 35. "permanent
geïnstalleerd": met bouten vastgezet of op andere manier zodanig bevestigd
dat het niet verwijderd kan worden zonder gebruik van gereedschap of
instrumenten, op een fundering of ander bevestigingspunt die of dat ervoor moet
zorgen dat de motor op één enkele plek op een gebouw, constructie, faciliteit
of installatie functioneert; 36. "verkleind
schaalmodel": een model of replica van een machine of voertuig, voor
recreatiedoeleinden geproduceerd op kleinere schaal dan het origineel; 37. "sneeuwscooter":
een zelfrijdende machine bedoeld voor vervoer buiten de wegen, voornamelijk op
sneeuw, aangedreven door rupsbanden die in contact staan met de sneeuw en
bestuurd door een ski of ski's die in contact staat of staan met de sneeuw, en
met een maximale onbeladen massa in rijklare toestand van 454 kg (met
inbegrip van de standaarduitrusting, koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof,
uitrustingsstukken en een bestuurder met een massa van 75 kg maar zonder
optionele accessoires); 38. "terreinvoertuig"
(ATV): een gemotoriseerd voertuig, aangedreven door een motor, dat voornamelijk
is bestemd voor vervoer op onverharde oppervlakken op vier of meer wielen met
ballonbanden, alleen voorzien van een zitplaats waarop de bestuurder
schrijlings zit of van een zitplaats waar de bestuurder schrijlings zit en van
een zitplaats voor niet meer dan één passagier, en van een stuurstang; 39. "'side-by-side'-voertuig"
(SbS): een niet-geleed, door de bediener bestuurd voertuig met eigen
aandrijving dat voornamelijk is bestemd voor vervoer op onverharde oppervlakken
op vier of meer wielen, met een minimale ongeladen massa in rijklare toestand
van 300 kg (met inbegrip van de standaarduitrusting, koelvloeistof,
smeermiddelen, brandstof, uitrustingsstukken en een bestuurder met een massa
van 75 kg maar zonder optionele accessoires) en met een door de constructie
bepaalde maximumsnelheid van 25 km/h of meer; daarnaast is het voertuig
ontworpen voor het vervoer van personen en/of vracht, alsook voor het duwen en
trekken van uitrustingsstukken, wordt het anders dan door een stuurstang
bestuurd, is het ontworpen voor recreatieve of transportdoeleinden en vervoert
het ten hoogste 6 personen, waaronder de bestuurder, die naast elkaar op een of
meer niet-zadelzitplaatsen zitten; 40. "treinstel":
een spoorvoertuig dat is ontworpen om direct via de eigen wielen of indirect
via de wielen van andere spoorvoertuigen te voorzien in de aandrijfkracht voor
de eigen voortbeweging, en dat specifiek is ontworpen voor het vervoer van
goederen of passagiers, of zowel goederen als passagiers, en geen locomotief
is; 41. "locomotief":
een spoorvoertuig dat is ontworpen om direct via de eigen wielen of indirect
via de wielen van andere spoorvoertuigen te voorzien in de aandrijfkracht voor
de eigen voortbeweging en voor de voortbeweging van andere spoorvoertuigen die
zijn ontworpen voor het vervoer van vracht, passagiers en andere
uitrustingsstukken, en dat zelf is ontworpen of bestemd om geen vracht of
passagiers te vervoeren (behalve de personen die de locomotief bedienen); 42. "hulpspoorvoertuig":
spoorvoertuig dat geen treinstel zoals gedefinieerd in punt 40 of locomotief
zoals gedefinieerd in punt 41 is, met inbegrip van maar niet uitsluitend een
spoorvoertuig dat specifiek is ontworpen om onderhouds- of
constructiewerkzaamheden of hefverrichtingen uit te voeren die zijn verbonden
aan het spoor of aan andere infrastructuur van de spoorweg; 43. "spoorvoertuig":
een type niet voor de weg bestemde mobiele machine die uitsluitend op de
spoorweg rijdt; 44. "op
de markt aanbieden": het in het kader van een handelsactiviteit, al dan
niet tegen betaling, verstrekken van een motor als gedefinieerd in punt 6 met
het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie; 45. "in
de handel brengen": het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden
van een motor als gedefinieerd in punt 6; 46. "fabrikant":
de natuurlijke of rechtspersoon die jegens de goedkeuringsinstantie
verantwoordelijk is voor alle aspecten van de EU-typegoedkeuring voor motoren,
de vergunningsprocedure en de conformiteit van de productie van de motor en die
tevens verantwoordelijk is voor kwesties met betrekking tot het markttoezicht
op de door hem geproduceerde motoren, ongeacht of deze direct betrokken is bij
alle fasen van het ontwerp en de bouw van de motor waarvoor goedkeuring wordt
aangevraagd; 47. "vertegenwoordiger
van de fabrikant" een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon
die door de fabrikant is aangewezen om de fabrikant te vertegenwoordigen bij
kwesties met betrekking tot de goedkeuringsinstantie of de markttoezichtautoriteit
en namens de fabrikant op te treden bij onder deze verordening vallende
aangelegenheden; 48. "importeur":
elke in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een motor als
gedefinieerd in punt 6 uit een derde land in de handel brengt, ongeacht of de
motor al in een machine is gemonteerd; 49. "distributeur":
een natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen, behalve de fabrikant
of de importeur, die een motor als gedefinieerd in punt 6 op de markt aanbiedt; 50. "marktdeelnemer":
de fabrikant zoals gedefinieerd in punt 46, de vertegenwoordiger van de
fabrikant zoals gedefinieerd in punt 47, de importeur zoals gedefinieerd in
punt 48. of de distributeur zoals gedefinieerd in punt 49; 51. "fabrikant
van originele uitrusting" (OEM): fabrikant van niet voor de weg bestemde
mobiele machines; 52. "goedkeuringsinstantie":
de autoriteit van een lidstaat die door de lidstaat is opgericht of aangewezen
en is aangemeld bij de Commissie en die bevoegd is voor alle aspecten van de
typegoedkeuring van een motortype of motorfamilie, voor de
vergunningsprocedure, voor de afgifte en eventuele intrekking of weigering van
goedkeuringscertificaten, en die bevoegd is om op te treden als contactpunt
voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten, om de technische diensten
aan te wijzen en om te waarborgen dat de fabrikant voldoet aan zijn
verplichtingen inzake de conformiteit van de productie; 53. "technische
dienst": een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie
van een lidstaat is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als
conformiteitsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of
inspecties te verrichten; de goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf
vervullen; 54. "markttoezicht":
activiteiten en maatregelen van de nationale autoriteiten om ervoor te zorgen
dat motoren die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de voorschriften van
de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie en geen gevaar opleveren
voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de
bescherming van het openbaar belang; 55. "markttoezichtautoriteit":
de autoriteit of autoriteiten van een lidstaat verantwoordelijk voor het
uitvoeren van markttoezicht op het eigen grondgebied; 56. "nationale
autoriteit": een goedkeuringsinstantie of enige andere autoriteit
betrokken bij en verantwoordelijk voor markttoezicht, grenscontroles of het in
de handel brengen in een lidstaat met betrekking tot motoren die worden
gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines; 57. "eindgebruiker":
een natuurlijke of rechtspersoon behalve de fabrikant, fabrikant van originele
uitrusting, invoerder of distributeur die verantwoordelijk is voor het bedienen
van de motor wanneer deze is gemonteerd in een type niet voor de weg bestemde
mobiele machines; 58. "inlichtingenformulier"":
het formulier waarin staat vermeld welke gegevens door de aanvrager moeten
worden verstrekt; 59. "informatiedossier":
de map of het dossier met alle gegevens, tekeningen, foto's enz. die door de
aanvrager aan de technische dienst of de goedkeuringsinstantie zijn verstrekt; 60. "informatiepakket":
het informatiedossier plus alle testrapporten of andere stukken die de
technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitvoering van hun
taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd; 61. "inhoudsopgave
bij het informatiepakket": het document waarin een opsomming wordt gegeven
van de inhoud van het informatiepakket met een passende nummering of andere
tekens voor een duidelijke aanduiding van alle bladzijden; 62. "manipulatiestrategie":
een emissiebeheersingsstrategie die de doelmatigheid van de emissiebeheersingsmaatregelen
vermindert onder omgevings- of motorbedrijfsomstandigheden die hetzij bij een
normaal gebruik van de machine, hetzij buiten de testprocedures van de
EU-typegoedkeuring optreden; 63. "emissiebeheersingssysteem":
een voorziening, systeem of ontwerpelement die of dat de emissie beheerst of
beperkt; 64. "brandstofsysteem":
alle onderdelen die betrokken zijn bij de dosering en menging van de brandstof; 65. "elektronische
regeleenheid": de elektronische voorziening van een motor, die deel
uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem en gegevens van motorsensoren
gebruikt om motorparameters te regelen; 66. "uitlaatgasnabehandelingssysteem":
een katalysator, deeltjesfilter, deNOx-systeem, gecombineerd deNOx-deeltjesfilter
of elke andere emissiebeperkingsvoorziening die deel uitmaakt van het
emissiebeheersingssysteem maar voorbij de uitlaatkleppen van de motor is
geïnstalleerd, met uitzondering van uitlaatgasrecirculatie (EGR) en
turbocompressoren; 67. "uitlaatgasrecirculatie"
(EGR): een technologie die deel uitmaakt van het emissiebeheersingssysteem en
de emissies beperkt door de door de verbrandingskamer(s) uitgestoten uitlaatgassen
weer naar de motor te voeren om vóór of tijdens de verbranding met instromende
lucht te worden gemengd, met uitzondering van het gebruik van kleptiming om de
hoeveelheid residueel uitlaatgas in de verbrandingskamer(s) dat vóór of tijdens
de verbranding met instromende lucht wordt gemengd, te vergroten; 68. "manipulatie":
de inactivering, bijstelling of wijziging van het emissiebeheersingssysteem van
de motor, inclusief software of andere logische besturingselementen van die
systemen, met als al dan niet bedoeld gevolg dat de emissieprestaties van het
voertuig slechter worden; 69. "testcyclus":
een sequentie van testpunten, elk bij een specifiek toerental en koppel van de
motor bij een test onder transiënte of steadystatebedrijfsomstandigheden; 70. "steadystatetestcyclus":
een testcyclus waarin het motortoerental en het koppel op een eindige reeks
nominaal constante waarden worden gehouden. Steadystatetests worden in één
bepaalde modus of in een modus met overgangen uitgevoerd; 71. "transiënte
testcyclus": een testcyclus met een sequentie van genormaliseerde
toerental- en koppelwaarden die binnen een tijdspanne per seconde variëren; 72. "zelftesten":
het uitvoeren van tests in de eigen faciliteiten, de registratie van de
testresultaten en de indiening van een verslag met conclusies bij de
goedkeuringsinstantie door een fabrikant die als technische dienst is
aangewezen om de naleving van bepaalde voorschriften te beoordelen; 73.
"motorcarter": de afgesloten ruimten in of buiten de motor die met
het oliecarter zijn verbonden door in- of uitwendige verbindingen waaruit
gassen en dampen kunnen ontsnappen; 74. "regeneratie":
een gebeurtenis waarbij de emissieniveaus veranderen terwijl de
nabehandelingsprestaties door het ontwerp worden hersteld, ingedeeld als
continue regeneratie of niet-frequente (periodieke) regeneratie; 75. "emissieduurzaamheidsperiode":
het aantal uren dat wordt besteed om de verslechteringsfactoren vast te
stellen; 76. "verslechteringsfactoren":
de reeks factoren die het verband aantonen tussen emissies aan het begin en aan
het eind van de emissieduurzaamheidsperiode; 77. "virtuele
tests": computersimulaties, daaronder begrepen berekening, en gebruikt om
het prestatieniveau van een motor aan te tonen als hulp bij besluitvorming
zonder dat een fysieke motor dient te worden gebruikt; 78. "toepassing
bij intermediair toerental": een toepassing voor SI-motoren, behalve
SI-motoren voor handapparatuur, waarin de gemonteerde motor is bestemd voor
gebruik bij een toerental dat aanzienlijk lager is dan 3600 tpm; 79. "toepassing
bij nominaal toerental": een toepassing voor SI-motoren, behalve
SI-motoren voor handapparatuur, waarin de gemonteerde motor is bestemd voor
gebruik bij een nominaal toerental dat 3600 tpm of meer bedraagt; De Commissie wordt ertoe gemachtigd overeenkomstig
artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de
gedetailleerde technische specificaties van de definities in de punten 7, 8,
19, 27, 74 en 76. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op [31 december
2016] vastgesteld. Artikel 4 Motorcategorieën Voor de toepassing van deze verordening gelden
de volgende motorcategorieën, onderverdeeld in de in bijlage I opgenomen
subcategorieën: 1. "categorie NRE", die
bestaat uit: a) motoren voor niet voor de weg bestemde
mobiele machines die bestemd en geschikt zijn om, al dan niet over de weg, zich
te verplaatsen of verplaatst te worden, die niet zijn uitgesloten krachtens
artikel 2, lid 2, en die niet zijn opgenomen in een andere in de punten 2 tot
en met 10 vastgestelde categorie; b) motoren met een referentievermogen van
minder dan 560 kW die gebruikt worden in de plaats van motoren van de
categorieën IWP, RLL of RLR; 2. "categorie
NRG", die bestaat uit motoren met een referentievermogen van meer dan 560
kW die uitsluitend worden gebruikt in generatoraggregaten. Motoren
voor generatoraggregaten zonder de in de eerste alinea opgenomen eigenschappen
worden opgenomen in categorie NRE of NRS overeenkomstig hun eigenschappen; 3. "categorie
NRSh", die bestaat uit SI-motoren voor handapparatuur met een
referentievermogen van minder dan 19 kW, uitsluitend bestemd voor gebruik in
met de hand vastgehouden machines; 4. "categorie
NRS", die bestaat uit SI-motoren met een referentievermogen van minder dan
56 kW die niet zijn opgenomen in categorie NRSh; 5. "categorie
IWP", die bestaat uit: a) motoren met een referentievermogen van 37
kW of meer, die uitsluitend in binnenschepen voor voortstuwing worden gebruikt
of daarvoor zijn bedoeld; b) motoren met en referentievermogen van
meer dan 560 kW die worden gebruikt in plaats van motoren uit categorie IWA
indien is voldaan aan de voorschriften van artikel 23, lid 8; 6. "categorie
IWA", die bestaat uit motoren met een nettovermogen van meer dan 560 kW,
die uitsluitend in binnenschepen voor hulpdoeleinden worden gebruikt of
daarvoor zijn bedoeld. Hulpmotoren
voor binnenschepen zonder de in de eerste alinea opgenomen eigenschappen worden
opgenomen in categorie NRE of NRS overeenkomstig hun eigenschappen; 7. "categorie
RLL", die uitsluitend in locomotieven voor voortbeweging worden gebruikt
of daarvoor zijn bedoeld; 8. "categorie
RLR", die uitsluitend in treinstellen voor voortbeweging worden gebruikt
of daarvoor zijn bedoeld; 9. "categorie
SMB", die bestaat uit SI-motoren uitsluitend bestemd voor gebruik in
sneeuwscooters. Motoren
voor sneeuwscooters zonder de in de eerste alinea opgenomen eigenschappen
worden opgenomen in categorie NRE; 10. "categorie
ATS", die bestaat uit SI-motoren uitsluitend bestemd voor gebruik in
terreinwagens en "side-by-side"-voertuigen. Motoren
voor terreinwagens en "side-by-side"-voertuigen zonder de in de
eerste alinea opgenomen eigenschappen worden opgenomen in de categorie NRE. Een motor van een bepaalde categorie die
bestemd is voor gebruik in toepassingen met variabel toerental kunnen ook
worden gebruikt in de plaats van een motor van dezelfde categorie bestemd voor
gebruik in toepassingen met constant toerental. Motoren met variabel toerental
van categorie IWP die worden gebruikt in toepassingen met constant toerental
moeten daarnaast voldoen aan de voorschriften van artikel 23, lid 7 of artikel
23, lid 8, naar gelang het geval. Motoren voor
hulpspoorvoertuigen en hulpmotoren voor spoorvoertuigen worden opgenomen in
categorie NRE of NRS, naar gelang hun eigenschappen. HOOFDSTUK II ALGEMENE VERPLICHTINGEN Artikel 5 Verplichtingen van de lidstaten 1. De lidstaten richten
overeenkomstig deze verordening de voor goedkeuringsaangelegenheden bevoegde
goedkeuringsinstanties en de voor markttoezichtaangelegenheden bevoegde
markttoezichtautoriteiten op of wijzen deze aan. De lidstaten stellen de
Commissie van de oprichting en aanwijzing van dergelijke autoriteiten in
kennis. 2. De kennisgeving betreffende
de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten bevat hun naam, adres,
inclusief elektronisch adres, alsmede hun bevoegdheidsgebied. De Commissie
publiceert de lijst en de gegevens van de goedkeuringsinstanties op haar
website. 3. De lidstaten staan het in de
handel brengen van motoren uitsluitend toe indien die motoren onder een geldige
EU-typegoedkeuring vallen die overeenkomstig deze verordening is verleend,
ongeacht of de motoren al in machines zijn gemonteerd. De lidstaten staan het in de handel brengen van
machines uitsluitend toe indien de motoren die in die machines zijn gemonteerd
onder een geldige EU-typegoedkeuring vallen die overeenkomstig deze verordening
is verleend. 4. De lidstaten mogen het in de
handel brengen van motoren niet verbieden, beperken of belemmeren op grond van
aspecten die verband houden met de constructie of de werking ervan welke onder
deze verordening vallen, indien zij aan de voorschriften van deze verordening
voldoen. 5. De lidstaten organiseren en
verrichten overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008 van
het Europees Parlement en de Raad[21]
markttoezicht en controles met betrekking tot motoren die op de markt komen. Artikel 6 Verplichtingen van
goedkeuringsinstanties 1. De goedkeuringsinstanties
zien erop toe dat fabrikanten die een EU-typegoedkeuring aanvragen, hun
verplichtingen krachtens deze verordening nakomen. 2. De goedkeuringsinstanties
verlenen EU-typegoedkeuring uitsluitend voor de motortypen of motorfamilies die
aan de voorschriften van deze verordening voldoen. 3. De goedkeuringsinstanties maken
middels het in artikel 41 genoemde centrale administratieve platform van de
Unie een register bekend van alle motortypen en motorfamilies waarvoor
EU-typegoedkeuring is verleend, waarin ten minste de volgende informatie wordt
opgenomen: handelsmerk, benaming van de fabrikant, motorcategorie,
typegoedkeuringsnummer en datum van de typegoedkeuring. Artikel 7 Markttoezichtmaatregelen Voor motoren waarvoor EU-typegoedkeuring is
verleend, voeren de markttoezichtautoriteiten, op toereikende schaal en op basis
van een toereikende steekproef, documentencontroles en indien gewenst fysische
of laboratoriumcontroles van motoren uit. Hierbij houden zij rekening met
gevestigde beginselen van risicobeoordeling, klachten en andere relevante
informatie. De markttoezichtautoriteiten kunnen van
marktdeelnemers verlangen dat deze de documenten en informatie beschikbaar
stellen die de autoriteiten noodzakelijk achten om hun activiteiten uit te
voeren. Indien marktdeelnemers testverslagen of
conformiteitscertificaten van overeenstemming overleggen, houden de
markttoezichtautoriteiten daarmee naar behoren rekening. Artikel 8 Verplichtingen van fabrikanten 1. Wanneer fabrikanten hun
motoren in de handel brengen, zorgen zij ervoor dat die motoren zijn
vervaardigd en goedgekeurd overeenkomstig de in de hoofdstukken II en III van
deze verordening vastgestelde voorschriften. 2. Voor de goedkeuring van
motoren wijzen fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd, een binnen de
Unie gevestigde eerste gemachtigde aan om hen voor de goedkeuringsinstantie te
vertegenwoordigen. 3. Fabrikanten die buiten de
Unie zijn gevestigd wijzen een binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan
voor het markttoezicht, hetzij dezelfde vertegenwoordiger als in lid 2 is
bedoeld, hetzij een andere vertegenwoordiger. 4. Fabrikanten zijn jegens de
goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de
goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de conformiteit van de
productie, ongeacht of zij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw
van een motor betrokken zijn. 5. Overeenkomstig deze
verordening zorgen fabrikanten ervoor dat zij beschikken over procedures om de
conformiteit van hun serieproductie met het goedgekeurde type te blijven
waarborgen. Er wordt overeenkomstig hoofdstuk VI rekening gehouden met
wijzigingen in het ontwerp van een motor of in de kenmerken daarvan, en met
wijzigingen in de voorschriften waarmee een motor conform is verklaard. 6. In aanvulling op de
overeenkomstig artikel 31 op hun motoren aangebrachte opschriften vermelden
fabrikanten hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd handelsmerk
en contactadres in de Unie op motoren die op de markt worden aangeboden of,
wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij de motor gevoegd
document. 7. Fabrikanten zorgen gedurende
de periode dat zij voor een motor verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag-
en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van de motor met de voorschriften
in de hoofdstukken II en III niet in het gedrang komt. Artikel 9 Verplichtingen van fabrikanten
betreffende hun producten die niet conform zijn 1. Fabrikanten die van mening
zijn of redenen hebben om aan te nemen dat hun motor die in de handel is
gebracht niet conform deze verordening is, stellen onverwijld een onderzoek in
naar de aard van de non-conformiteit en de waarschijnlijkheid van het vóórkomen
ervan. Zij nemen corrigerende maatregelen, gebaseerd op het resultaat van het
onderzoek, teneinde ervoor te zorgen dat de in productie zijnde motoren tijdig
conform worden gemaakt met het goedgekeurde type of de goedgekeurde familie.
Indien evenredig aan de aard en de waarschijnlijkheid van het vóórkomen van de
non-conformiteit zijn de bepalingen van artikel 38 van toepassing. Onverminderd de in de eerste alinea vastgestelde
voorschriften, is de fabrikant niet verplicht om corrigerende maatregelen te
nemen met betrekking tot motoren die niet conform deze verordening zijn als
gevolg van aanpassingen die gemaakt zijn nadat de motor in de handel is
gebracht zonder door de fabrikant te zijn goedgekeurd. 2. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie
die de goedkeuring heeft verleend hiervan onverwijld in kennis, waarbij hij met
name de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen in detail
beschrijft. 3. Fabrikanten houden het in
artikel 21, lid 9, bedoelde informatiepakket en een kopie van de in
artikel 30 bedoelde conformiteitscertificaten gedurende tien jaar na het
in de handel brengen van een motor ter beschikking van de
goedkeuringsinstanties. 4. Fabrikanten verstrekken op
een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan deze
autoriteit via de goedkeuringsinstantie een kopie van het
EU-typegoedkeuringscertificaat voor een motor, in een taal die deze autoriteit
gemakkelijk kan begrijpen. Artikel 10 Verplichtingen van de
vertegenwoordigers van de fabrikant met betrekking tot markttoezicht De vertegenwoordiger van de fabrikant op het
gebied van markttoezicht voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het
mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. Dit mandaat staat een
vertegenwoordiger toe ten minste de volgende taken te verrichten: 1) toegang hebben tot het in artikel 20
bedoelde informatiedossier en tot de in artikel 30 bedoelde
conformiteitscertificaten, zodat deze gedurende tien jaar nadat een motor in de
handel is gebracht, ter beschikking van de goedkeuringsinstanties kunnen worden
gesteld; 2) op een met redenen omkleed verzoek
van een goedkeuringsinstantie aan deze instantie alle benodigde informatie en
documentatie verstrekken om de conformiteit van de productie van een motor aan
te tonen; 3) op verzoek van de
goedkeuringsinstanties of markttoezichtautoriteiten medewerking verlenen aan
eventueel getroffen maatregelen om enige ernstige risico’s van de motoren die
onder hun mandaat vallen, weg te nemen. Artikel 11 Verplichtingen van importeurs 1. Importeurs brengen alleen
motoren in de handel die conform zijn met de verleende EU-typegoedkeuring. 2. Voordat de motor waarvoor
EU-typegoedkeuring is verleend, in de handel wordt gebracht, zien de importeurs
erop toe dat er een informatiepakket voorhanden is dat voldoet aan artikel 21,
lid 9, en dat de motor voorzien is van het voorgeschreven merk en voldoet aan
artikel 8, lid 6. 3. De importeurs houden
gedurende tien jaar na het in de handel brengen van de motor een kopie van
het conformiteitscertificaat ter beschikking van de goedkeuringsinstanties en
markttoezichtautoriteiten en zorgen ervoor dat het in artikel 21,
lid 9, bedoelde informatiepakket op verzoek aan die autoriteiten kan
worden verstrekt. 4. De importeurs vermelden hun
naam, geregistreerde handelsnaam of hun geregistreerde handelsmerk en het
contactadres op de motor, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of
in een bij de motor gevoegd document. 5. De importeurs stellen instructies
en informatie beschikbaar overeenkomstig de vereisten van artikel 41. 6. Importeurs zorgen gedurende
de periode dat zij voor een motor verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag-
en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van de motor met de voorschriften
in de hoofdstukken II en III niet in het gedrang komt. Artikel 12 Verplichtingen van importeurs
betreffende hun producten die niet conform zijn 1. Importeurs die van mening
zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een motor niet aan de voorschriften
van deze verordening voldoet, en in het bijzonder dat de motor niet conform met
de typegoedkeuring, verspreiden de motor niet totdat deze conform is gemaakt.
Daarnaast stellen zij de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten in kennis,
alsook de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend. 2. Importeurs die van mening
zijn of redenen hebben om aan te nemen dat hun motor die in de handel is
gebracht niet in conformiteit is met deze verordening stellen onverwijld een
onderzoek in naar de aard van de non-conformiteit en de waarschijnlijkheid van
het vóórkomen ervan. Zij nemen corrigerende maatregelen, gebaseerd op het
resultaat van het onderzoek, teneinde ervoor te zorgen dat de in productie
zijnde motoren tijdig conform worden gemaakt met het goedgekeurde type of de
goedgekeurde familie. Indien evenredig aan de aard en de waarschijnlijkheid van
het vóórkomen van de non-conformiteit zijn de bepalingen van artikel 38 van
toepassing. 3. De importeurs verstrekken op
een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan deze
autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van de
motor aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Artikel 13 Verplichtingen van distributeurs 1. Distributeurs die een motor
op de markt aanbieden, betrachten de nodige zorgvuldigheid in verband met de
eisen van deze verordening. 2. Alvorens een motor op de
markt aan te bieden, verifiëren de distributeurs dat de motor voorzien is van
de vereiste voorgeschreven markering of het vereiste EU-typegoedkeuringsmerk,
vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten en van instructies en
veiligheidsinformatie in een taal die de OEM kan begrijpen, en dat de importeur
en de fabrikant hebben voldaan aan de in artikel 11, leden 2 en 4, en artikel
31, leden 1 en 2, vermelde voorschriften. 3. Distributeurs zorgen
gedurende de periode dat zij voor een motor verantwoordelijk zijn, voor
zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van de motor met
de voorschriften in de hoofdstukken II en III niet in het gedrang komt. Artikel 14 Verplichtingen van distributeurs
betreffende hun producten die niet conform zijn 1. Wanneer distributeurs van
mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een motor niet conform is met
de voorschriften in deze verordening, verspreiden zij de motor niet totdat deze
conform is gemaakt. 2. Distributeurs die van mening
zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een motor die zij hebben verspreid
niet conform is met deze verordening, stellen de fabrikant of diens
vertegenwoordiger daarvan in kennis om ervoor te zorgen dat de corrigerende
maatregelen die nodig zijn om de in productie zijnde motoren conform te maken
met het goedgekeurde type of de goedgekeurde familie worden genomen overeenkomstig
artikel 9, lid 1, of artikel 12, lid 2. 3. Op een met redenen omkleed
verzoek van een nationale autoriteit zorgen de distributeurs ervoor dat de
fabrikant de nationale autoriteit de in artikel 9, lid 3, genoemde informatie
verstrekt of dat de importeur de nationale autoriteit de in artikel 11, lid 3,
genoemde informatie verstrekt. Artikel 15 Gevallen waarin de verplichtingen van
fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs Een importeur of distributeur wordt voor de
toepassing van deze verordening beschouwd als een fabrikant en moet aan de in
de artikelen 8 tot en met 10 vermelde verplichtingen van de fabrikant voldoen
wanneer deze importeur of distributeur een motor onder zijn eigen naam of
handelsmerk op de markt aanbiedt, of een motor zodanig wijzigt dat de
conformiteit met de van toepassing zijnde voorschriften in het gedrang kan
komen. Artikel 16 Identificatie van marktdeelnemers Marktdeelnemers delen, op verzoek, aan de
goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten gedurende vijf jaar na het
in de handel brengen mee: a) welke marktdeelnemer een
motor aan hen heeft geleverd; b) aan welke marktdeelnemer
zij een motor hebben geleverd. HOOFDSTUK III MATERIËLE VOORSCHRIFTEN Artikel 17 Voorschriften voor uitlaatemissies
voor EU-typegoedkeuring 1. De fabrikanten zorgen ervoor
dat motortypen en motorfamilies zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en
geassembleerd dat zij voldoen aan de voorschriften van de hoofdstukken II en
III van deze verordening. 2. Motortypen en motorfamilies
overschrijden de uitlaatemissiegrenswaarden waarnaar met "fase V"
wordt verwezen en die in bijlage II zijn vastgesteld niet, vanaf de in bijlage
III opgenomen datum waarop de motoren in de handel worden gebracht. Wanneer een motorfamilie overeenkomstig de in de
gedelegeerde handeling opgenomen parameters die de motorfamilie definiëren meer
dan één vermogensgroep beslaan, zullen de oudermotor (voor
typegoedkeuringsdoeleinden) en alle motortypen binnen dezelfde familie (voor
conformiteit van productie) met betrekking tot de toepasbare vermogensgroepen: –
de meest strenge emissiegrenswaarden naleven; –
worden getest met testcycli die overeenkomen met de
meest strenge emissiegrenswaarden; –
moeten voldoen aan de vroegste in bijlage III
opgenomen toepasbare data voor typegoedkeuring en het in de handel brengen. 3. De uitlaatemissies van motortypen
en motorfamilies worden gemeten op basis van de in artikel 23 opgenomen
testcycli en overeenkomstig de in artikel 24 vastgestelde bepalingen inzake het
uitvoeren van tests en metingen. 4. Motortypen en motorfamilies
worden ontworpen om manipulatie te voorkomen en maken geen gebruik van enige
manipulatiestrategie. 5. De Commissie is bevoegd
overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake
gedetailleerde technische specificaties met betrekking tot de parameters
gebruikt voor de definitie van de motorfamilie en de gedetailleerde technische
bepalingen om manipulatie te bestrijden als bedoeld in lid 4. Die gedelegeerde
handelingen worden uiterlijk op [31 december 2016] vastgesteld. Artikel 18 Toezicht op emissies van in gebruik
zijnde motoren 1. Er wordt toezicht gehouden op
de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes door in gebruik zijnde
motortypen of motorfamilies middels het testen van motoren gemonteerd in niet
voor de weg bestemde mobiele machines gedurende hun normale bedrijfscyclus.
Dergelijke tests worden uitgevoerd op motoren die correct zijn onderhouden en
voldoen aan de bepalingen inzake de selectie van motoren, testprocedures en
verslaglegging van resultaten voor de verschillende motorcategorieën. De Commissie voert proefprogramma's uit teneinde
passende testprocedures te ontwikkelen voor de motorcategorieën en
subcategorieën waarvoor nog geen testprocedures bestaan. 2. De Commissie is bevoegd
overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake
gedetailleerde regelingen met betrekking tot de in lid 1 vermelde selectie van
motoren, testprocedures en verslaglegging van de resultaten. Die gedelegeerde
handelingen worden uiterlijk op [31 december 2016] vastgesteld. HOOFDSTUK IV EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES Artikel 19 Aanvraag voor EU-typegoedkeuring 1. Fabrikanten dienen een
aanvraag voor EU-typegoedkeuring voor een motortype of motorcategorie in bij de
goedkeuringsinstantie van een lidstaat. Aanvragen gaan vergezeld van het in
artikel 20 vermelde informatiedossier. 2. Een motor die de in het
informatiedossier beschreven kenmerken van het motortype, of in het geval van
een motorfamilie, van de oudermotor bezit, wordt ter beschikking gesteld van de
technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de
goedkeuringstests. 3. Indien in het geval van een
aanvraag voor EU-typegoedkeuring van een motorfamilie de goedkeuringsinstantie
van mening is dat de in lid 2 bedoelde geselecteerde oudermotor waarop de
ingediende aanvraag betrekking heeft niet ten volle de in het informatiedossier
beschreven motorfamilie vertegenwoordigt, dient een andere en, zo nodig, een
extra oudermotor die volgens de goedkeuringsinstantie de motorfamilie
vertegenwoordigt ter beschikking te worden gesteld voor goedkeuring 4. Een aanvraag om goedkeuring
voor een motortype of motorfamilie mag niet in meer dan één lidstaat worden
ingediend. Voor ieder goed te keuren motortype en iedere goed te keuren
motorfamilie wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. Artikel 20 Informatiedossier 1. De aanvrager legt een
informatiedossier over aan de goedkeuringsinstantie. 2. De inhoud van het
informatiedossier wordt vastgesteld in een uitvoeringshandeling en omvat het
volgende: a) een inlichtingenformulier; b) alle relevante gegevens, tekeningen,
foto's en andere informatie met betrekking tot de motor; c) alle aanvullende informatie waar door de
goedkeuringsinstantie in het kader van de aanvraagprocedure om wordt gevraagd. 3. Het informatiedossier mag
zowel in papieren vorm worden verstrekt als in een elektronische vorm die
aanvaard is door de technische dienst en de goedkeuringsinstantie. 4. De Commissie wordt bevoegd om
door middel van uitvoeringshandelingen modellen vast te stellen voor het
inlichtingenformulier en het informatiedossier. Die uitvoeringshandelingen
worden volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure tegen [31
december 2016] vastgesteld. HOOFDSTUK V VERLOOP VAN DE EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES Artikel 21 Algemene bepalingen 1. De goedkeuringsinstantie die
de aanvraag ontvangt verleent EU-typegoedkeuring voor alle motortypen of
motorfamilies die in conform zijn met: a) de informatie in het informatiedossier; b) de voorschriften van deze verordening; en c) de in artikel 25 vermelde
productieregelingen. 2. Goedkeuringsinstanties leggen
geen andere typegoedkeuringsvoorschriften op met betrekking tot uitlaatemissies
voor niet voor de weg bestemde mobiele machines waarin een motor is gemonteerd
als de motor voldoet aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften. 3. Goedkeuringsinstanties
verlenen geen EU-typegoedkeuring voor een motortype of motorfamilie die niet
voldoet aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften na de data voor
typegoedkeuring voor motoren die voor elke subcategorie motoren zijn opgenomen
in bijlage III. 4. De
EU-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens een geharmoniseerd
systeem dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen vaststelt. 5. De goedkeuringsinstantie van
iedere lidstaat: a) voorziet de goedkeuringsinstanties van de
andere lidstaten maandelijks van een lijst met de in die maand door haar
verleende, geweigerde of ingetrokken EU-typegoedkeuringen, vergezeld van een
motivering voor de beslissingen; b) stelt de goedkeuringsinstanties van de
overige lidstaten onverwijld in kennis van de door haar geweigerde of
ingetrokken goedkeuringen van motoren, met opgave van de redenen voor haar
besluit; c) zendt, op verzoek van de keuringsinstantie
van een andere lidstaat, binnen één maand: –
een kopie van het EU-goedkeuringscertificaat voor
de motor of motorfamilie, indien aanwezig, met het informatiepakket voor ieder
motortype en iedere motorfamilie waarvoor zij de goedkeuring heeft verleend,
geweigerd dan wel ingetrokken, en/of –
de lijst met overeenkomstig de verleende
EU-typegoedkeuringen geproduceerde motoren als beschreven in artikel 35. 6. De goedkeuringsinstantie van
iedere lidstaat zendt jaarlijks, en bovendien telkens wanneer daarom wordt
verzocht, aan de Commissie een kopie van het gegevensformulier betreffende de
motortypen of motorfamilies die sinds de laatste kennisgeving zijn goedgekeurd. 7. Indien de Commissie hierom
verzoekt, verstrekt de goedkeuringsinstantie de in lid 5 bedoelde gegevens ook
aan de Commissie. 8. Aan de in de leden 5, 6 en 7
vermelde voorschriften wordt geacht te zijn voldaan middels het uploaden van de
relevante informatie of gegevens bij het in artikel 42 vermelde centrale
administratieve platform van de EU. Het afschrift mag de vorm van een beveiligd
elektronisch bestand hebben. 9. De goedkeuringsinstantie
stelt een informatiepakket samen dat bestaat uit het informatiedossier plus de
testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie
tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben
toegevoegd. Het informatiepakket bevat een inhoudsopgave, genummerd of voorzien
van andere tekens zodat alle pagina’s en de opzet van ieder document duidelijk
worden aangegeven; dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende
stappen in het beheer van de EU-typegoedkeuringsprocedure, met name de data van
herzieningen en bijwerkingen. De goedkeuringsinstantie houdt de informatie in
het informatiepakket ter beschikking gedurende een periode van tien jaar na
afloop van de geldigheid van de desbetreffende EU-typegoedkeuring. 10. De Commissie wordt bevoegd
door middel van uitvoeringshandelingen het volgende vast te stellen: a) de methode voor het vaststellen van het in
alinea 4 vermelde geharmoniseerde nummeringssysteem; b) het enkele formaat van het
gegevensformulier dat moet worden ingevuld voor ieder motortype of voor iedere
motorfamilie waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend door de
goedkeuringsinstantie van iedere lidstaat, zoals bedoeld in lid 5, onder a); c) het model voor de in lid 5, onder c),
bedoelde lijst met motoren die zijn geproduceerd overeenkomstig verleende
EU-typegoedkeuringen dat door de goedkeuringsinstantie van iedere lidstaat moet
worden ingevuld; d) het enkele formaat van het
gegevensformulier dat door de goedkeuringsinstantie van iedere lidstaat moet
worden ingevuld voor gerelateerde motortypen of motorfamilies waarvoor
goedkeuring is verleend sinds de laatste kennisgeving werd gedaan, zoals bedoeld
in lid 6. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op
[31 december 2016] vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure. Artikel 22 Specifieke bepalingen voor het
EU-typegoedkeuringscertificaat 1. De volgende stukken worden
als bijlage bij het EU-typegoedkeuringscertificaat gevoegd: a) het in artikel 21, lid 9, vermelde
informatiepakket; b) de testresultaten; c) naam en handtekening van de persoon
(personen) die gemachtigd is (zijn) conformiteitscertificaten te ondertekenen
met vermelding van zijn (hun) positie in het bedrijf. 2. De Commissie stelt een model
op voor het EU-typegoedkeuringscertificaat. 3. Voor elk motortype doet de
goedkeuringsinstantie het volgende: a) alle relevante rubrieken van het
EU-typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het daarbij gevoegde formulier
met testresultaten invullen; b) de inhoudsopgave bij het informatiepakket
samenstellen; c) het ingevulde certificaat en de bijlagen
onverwijld aan de aanvrager verstrekken. 4. In het geval van een EU-typegoedkeuring
waarvan de geldigheid overeenkomstig artikel 33 beperkt is of die van de
toepassing van sommige bepalingen van deze verordening is ontheven, worden deze
beperkingen of ontheffingen in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld. 5. De Commissie wordt bevoegd om
middels uitvoeringshandelingen het model voor het
EU-typegoedkeuringscertificaat en de in lid 3, onder a), bedoelde lijst van
testresultaten vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden tegen [31
december 2016] vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure. Artikel 23 Voor EU-typegoedkeuring vereiste tests 1. Door middel van passende tests die door aangewezen
technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat aan de technische
voorschriften van deze verordening is voldaan. De procedures voor de technische tests en metingen, alsmede de
specifieke uitrustingsstukken en instrumenten die voor de uitvoering van deze
tests nodig zijn, worden in artikel 24 vastgesteld. 2. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie
het aantal motoren ter beschikking dat volgens de relevante gedelegeerde
handelingen nodig is voor de uitvoering van de voorgeschreven tests. 3. De voorgeschreven tests
worden uitgevoerd op motoren die representatief zijn voor het goed te keuren
type. Niettegenstaande de voorschriften in de eerste
alinea kan de fabrikant, in overeenstemming met de goedkeuringsinstantie, een
motor selecteren die niet representatief is voor het goed te keuren type, maar
die een aantal van de meest ongunstige kenmerken ten aanzien van het vereiste
prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van
de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt. 4. De cycli die van toepassing
zijn op de uitvoering van EU-typegoedkeuringstests zijn opgenomen in bijlage
IV. De testcycli die van toepassing zijn op alle in de EU-typegoedkeuring
opgenomen motortypen worden vermeld in het informatiedocument voor
EU-typegoedkeuring. 5. De oudermotor wordt getest op
een dynamometer met gebruikmaking van de toepasbare NRSC-testcyclus zoals
vermeld in de tabellen IV-1 tot en met IV-10 in bijlage IV. De fabrikant kan
kiezen voor de specifieke modus of de modus met overgangen als testmethode voor
het uitvoeren van de tests. Met uitzondering van de in de leden 7 en 8 vermelde
gevallen is het niet noodzakelijk dat een motor met variabel toerental van een
bepaalde categorie die in een toepassing met constant toerental van dezelfde
categorie wordt gebruikt, wordt getest met de testcyclus in steady state met het
toepasbare constante toerental. 6. In geval van een motor met
constant toerental met een regelaar die op verschillende toerentallen kan
worden ingesteld, worden de in lid 5 opgenomen voorschriften voor ieder
toepasbaar constant toerental nageleefd en geeft het informatiedocument van de
EU-typegoedkeuring aan welke snelheden voor ieder motortype van toepassing
zijn. 7. In geval van een motor uit
categorie IWP bestemd voor gebruik in zowel toepassingen met variabel toerental
als toepassingen met constant toerental worden de in alinea 5 vastgestelde
voorschriften voor iedere toepasbare steadystatetestcyclus afzonderlijk
nageleefd en geeft het informatiedocument van de EU-typegoedkeuring iedere
steadystatetestcyclus aan waarvoor aan dit voorschrift werd voldaan. 8. In geval van een motor uit
categorie IWP met een referentievermogen van meer dan 560 kW die bestemd is
voor gebruik in plaats van een motor uit de categorie IWA overeenkomstig
artikel 4, tweede alinea, wordt afzonderlijk aan de eisen uit alinea 5 voor
iedere toepasbare in de tabellen IV-5 en IV-6 van bijlage IV opgenomen steadystatetestcyclus
voldaan en geeft het informatiedocument van de EU-typegoedkeuring iedere
steadystatetestcyclus aan waarvoor aan dit voorschrift werd voldaan. 9. Met uitzondering van motoren
waarvoor overeenkomstig artikel 32, lid 4, een typegoedkeuring is verleend,
worden motoren met variabel toerental uit de categorie NRE met een
nettovermogen van minimaal 19 kW en maximaal 560 kW in aanvulling op de
voorschriften van lid 5, ook getest op een dynamometer met een transiënte
testcyclus zoals vastgesteld in tabel IV-11 van bijlage IV. 10. Motoren uit de subcategorieën
NRS-v-2b en NRS-v-3 met een maximaal toerental van minder dan of gelijk aan
3400 tpm worden in aanvulling op de voorschriften van lid 5, ook getest op een
dynamometer met een transiënte testcyclus zoals vastgesteld in tabel IV-12 van
bijlage IV. 11. De Commissie wordt bevoegd om
overeenkomstig artikel 55 middels gedelegeerde handelingen de gedetailleerde
technische specificaties en karakteristieken van de in dit artikel bedoelde
steadystate- en transiënte testcycli vast te stellen. Die gedelegeerde
handelingen worden uiterlijk op [31 december 2016] vastgesteld. 12. De Commissie wordt bevoegd om
middels uitvoeringshandelingen een enkel formaat vast te stellen voor de voor
EU-typegoedkeuring vereiste tests. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk
op [31 december 2016] vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure. Artikel 24 Verrichten
van metingen en tests voor EU-typegoedkeuring 1. De resultaten van de
laboratoriumtests van uitlaatemissies voor alle motoren die onder het
toepassingsgebied van deze verordening vallen worden aangepast om rekening te
houden met de verslechteringsfactoren die relevant zijn voor de in
bijlage V opgenomen emissieduurzaamheidsperioden. 2. Een motortype of motorfamilie
voldoet aan de emissiegrenswaarden die bij deze verordening worden vastgesteld
voor de relevante referentiebrandstoffen of brandstofcombinaties die in de
volgende lijst zijn opgenomen: –
diesel; –
benzine; –
benzine/oliemengsel voor tweetakt-SI-motoren –
aardgas/biomethaan; –
vloeibaar petroleumgas (LPG); –
ethanol. 3. Bij het verrichten van
metingen en tests wordt voldaan aan de technische voorschriften met betrekking
tot de volgende aspecten: a) apparatuur en procedures voor het
uitvoeren van tests; b) apparatuur en procedures voor het meten
van emissies en nemen van monsters; c) methoden voor de evaluatie van gegevens
en voor berekeningen; d) methoden voor het bepalen van
verslechteringsfactoren; e) voor motoren van de categorieën NRE, NRG,
IWP, IWA, RLR, NRS en NRSh die voldoen aan de fase V-emissiegrenswaarden zoals
gedefinieerd in bijlage II: i. een
methode om emissies van cartergassen in aanmerking te nemen; ii. een
methode om niet-frequente regeneratie van nabehandelingssystemen in aanmerking
te nemen; f) voor elektronisch gestuurde motoren uit
de categorieën NRE, NRG, IWP, IWA, RLL en RLR die voldoen aan de fase
V-emissiegrenswaarden zoals vastgesteld in bijlage II en waarbij zowel de
dosering als de timing van de brandstofinspuiting elektronisch wordt geregeld
of waarbij het emissiebeheersingssysteem voor de vermindering van NOx
elektronisch wordt geactiveerd, gedeactiveerd of gemoduleerd: i. technische
voorschriften voor emissiebeheersingsstrategieën met inbegrip van de benodigde
documenten om deze strategieën aan te tonen; ii: technische
voorschriften voor NOx-beheersingsmaatregelen met inbegrip van de
methode om deze technische voorschriften aan te tonen; iii. technische
voorschriften voor het aan de relevante NRSC-cyclus verbonden gebied,
waarbinnen er controle is over de hoeveelheid waarmee de emissies de
grenswaarden van bijlage II mogen overschrijden; iv. de
selectie door de technische dienst van aanvullende meetpunten van binnenin het
controlegebied tijdens de emissiebanktest. 4. De Commissie wordt bevoegd om
overeenkomstig artikel 55 middels gedelegeerde handelingen het volgende vast te
stellen: a) de methodologie voor het aanpassen van de
resultaten van emissielaboratoriumtests om rekening te houden met de in lid 1
vermelde verslechteringsfactoren; b) de technische eigenschappen van de in lid
2 vermelde referentiebrandstoffen voor goedkeuringstests en het verifiëren van
de conformiteit van productie zoals bedoeld in dat lid; c) de gedetailleerde technische
voorschriften en eigenschappen voor het verrichten van de in lid 3 bedoelde
metingen en tests; d) de methode voor het meten van
deeltjesaantallen, waarbij rekening wordt gehouden met de in de wijzigingsreeks
06 van VN/ECE-Reglement nr. 49 vermelde specificaties; e) de gedetailleerde technische
voorschriften voor het testen van motoren op volledige en gedeeltelijke
gasvormige brandstof zoals bedoeld in bijlage II. Artikel 25 Regelingen
inzake de conformiteit van de productie 1. Een goedkeuringsinstantie die
een EU-typegoedkeuring verleent, neemt met betrekking tot die goedkeuring de
nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties
van de overige lidstaten, te verifiëren of afdoende regelingen zijn getroffen
om te waarborgen dat de in productie zijnde motoren conform zullen zijn met het
goedgekeurde type wat betreft de voorschriften van deze verordening. 2. Een goedkeuringsinstantie die
EU-typegoedkeuring voor een motorfamilie verleent neemt de nodige maatregelen
om te verifiëren of door de fabrikant afgegeven conformiteitscertificaten
voldoen aan de voorschriften van artikel 30. Daartoe verifieert de
goedkeuringsinstantie of een voldoende aantal monsters van conformiteitscertificaten
aan de voorschriften van artikel 30 voldoet en of de fabrikant adequate stappen
heeft genomen om de juistheid van de gegevens op de conformiteitscertificaten
te waarborgen. 3. Een goedkeuringsinstantie die
een EU-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die goedkeuring
de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de
goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of de in de
leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde regelingen nog steeds afdoende zijn zodat
in productie zijnde motoren nog steeds conform zijn met het goedgekeurde type
en de conformiteitscertificaten nog steeds aan artikel 30 voldoen. 4. Om te verifiëren of een motor
conform is met het goedgekeurde type, mag de goedkeuringsinstantie die de
EU-typegoedkeuring heeft verleend alle controles of tests die vereist zijn voor
de EU-typegoedkeuring uitvoeren op monsters die in de bedrijfsgebouwen,
inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen. 5. Indien een
goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat
de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde regelingen niet worden
toegepast, aanzienlijk afwijken van de overeengekomen regelingen en
controleplannen, niet meer worden toegepast of niet langer als afdoende worden
beschouwd, terwijl de productie wel wordt voortgezet, neemt zij de nodige
maatregelen om ervoor te zorgen dat de procedure voor de conformiteit van de
productie correct wordt nageleefd, of trekt zij de EU-typegoedkeuring in. 6. De Commissie wordt bevoegd om
overeenkomstig artikel 55 middels gedelegeerde handelingen de gedetailleerde
maatregelen en de procedures vast te stellen die de goedkeuringsinstanties
moeten nemen en volgen om ervoor te zorgen dat de in productie zijnde motoren
conform zijn met het goedgekeurde type. Die gedelegeerde handelingen worden
uiterlijk op [31 december 2016] vastgesteld. HOOFDSTUK VI WIJZIGINGEN EN GELDIGHEIDSDUUR VAN
EU-TYPEGOEDKEURINGEN Artikel 26 Algemene bepalingen 1. De fabrikant stelt de
goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend onverwijld in
kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket. Die goedkeuringsinstantie besluit welke van de
procedures van artikel 27 moet worden gevolgd. Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie na overleg
met de fabrikant besluiten dat een nieuwe EU-typegoedkeuring moet worden
verleend. 2. Een aanvraag tot wijziging
van een EU-typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de
goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke EU-typegoedkeuring heeft verleend. 3. Indien de
goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging
inspecties of tests moeten worden herhaald, stelt zij de fabrikant daarvan in
kennis. De in artikel 27 bedoelde procedures zijn
alleen van toepassing als de goedkeuringsinstantie op grond van die inspecties
of tests tot de conclusie is gekomen dat nog steeds aan de voorwaarden voor
EU-typegoedkeuring wordt voldaan. Artikel 27 Herzieningen en uitbreidingen van
EU-typegoedkeuringen 1. Indien gegevens die in het informatiepakket
zijn opgenomen, zijn gewijzigd zonder dat daarvoor inspecties of tests hoefden
te worden herhaald, wordt de wijziging een "herziening" genoemd. In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de
herziene bladzijden van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene
bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de nieuwe afgiftedatum zijn
vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket,
vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijziging, wordt geacht
aan deze eis te zijn voldaan. 2. Een wijziging wordt een
"uitbreiding" genoemd, als de gegevens die in het informatiepakket
zijn opgenomen zijn gewijzigd en een of meer van de volgende situaties
optreden: a) er zijn aanvullende inspecties of nieuwe
tests nodig; b) een gegeven op het
EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd; c) nieuwe voorschriften die in de
gedelegeerde handelingen bij deze verordening worden vastgesteld, zijn van
toepassing voor het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie. In het geval van een uitbreiding geeft de
goedkeuringsinstantie een bijgewerkt EU-typegoedkeuringscertificaat af,
voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst
toegekende uitbreidingsnummer. Op dat goedkeuringscertificaat worden duidelijk
de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld. 3. Bij iedere afgifte van
gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in
de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave bij het
informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van
de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld. 4. Indien de in lid 2, onder c),
bedoelde nieuwe voorschriften uit technisch oogpunt irrelevant zijn voor een
motortype of motorfamilie met betrekking tot de emissieprestaties, wordt geen
wijziging van de EU-typegoedkeuring voor dat motortype of die motorfamilie
vereist. Artikel 28 Afgifte en kennisgeving van
wijzigingen 1. In geval van een uitbreiding
worden alle relevante delen van het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen
erbij en de inhoudsopgave bij het informatiepakket bijgewerkt. Het bijgewerkte
certificaat en de bijlagen erbij worden onverwijld aan de aanvrager
toegezonden. 2. In geval van een herziening
worden de herziene documenten of in voorkomend geval de geconsolideerde,
bijgewerkte versie, inclusief de herziene inhoudsopgave bij het
informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager
toegezonden. 3. De goedkeuringsinstantie
stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten volgens de in artikel
21 bedoelde procedures van alle wijzigingen van EU-typegoedkeuringen in kennis. Artikel 29 Einde van de geldigheid 1. Een EU-typegoedkeuring wordt
afgegeven voor onbepaalde tijd. 2. In de volgende gevallen wordt
een EU-typegoedkeuring van een motor ongeldig: a) voor het op de markt aanbieden van
motoren treden nieuwe voorschriften in werking die op het goedgekeurde
motortype van toepassing zijn, en de EU-typegoedkeuring kan niet
dienovereenkomstig worden bijgewerkt; b) de productie van het goedgekeurde
motortype of de goedgekeurde motorfamilie wordt vrijwillig definitief
stopgezet; c) de geldigheid van de goedkeuring loopt af
ingevolge een beperking overeenkomstig artikel 33, lid 6; d) de goedkeuring is ingetrokken
overeenkomstig artikel 25, lid 5, artikel 37, lid 1, of artikel 38, lid 3. 3. Indien slechts één motortype
binnen een motorfamilie ongeldig wordt, verliest de EU-typegoedkeuring van de
betrokken motorfamilie alleen voor dat motortype haar geldigheid. 4. Indien de productie van een
bepaald motortype definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de
goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor die motor heeft verleend,
hiervan in kennis. Uiterlijk een maand na ontvangst van de in de
eerste alinea bedoelde kennisgeving stelt de goedkeuringsinstantie die de
EU-typegoedkeuring voor de motor heeft verleend de goedkeuringsinstanties van
de overige lidstaten hiervan in kennis. 5. Wanneer een
EU-typegoedkeuring van een motortype of motorfamilie ongeldig wordt, stelt de
fabrikant, onverminderd het bepaalde in lid 4, de goedkeuringsinstantie van de
lidstaat die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis. De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring
heeft verleend, deelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten
onverwijld alle van toepassing zijnde informatie mee. De in de tweede alinea bedoelde mededeling omvat
met name de productiedatum en het motoridentificatienummer van de laatste
geproduceerde motor. 6. Aan de in de leden 4 en 5
vermelde voorschriften wordt geacht te zijn voldaan middels het uploaden van de
relevante informatie bij het in artikel 42 bedoelde centrale administratieve
platform van de Unie. De mededelingsdocumenten mogen ook de vorm van een
elektronisch bestand hebben. HOOFDSTUK VII CONFORMITEITSCERTIFICAAT EN MARKERINGEN Artikel 30 Conformiteitscertificaat 1. Als houder van
EU-typegoedkeuring voor een motortype of een motorfamilie levert de fabrikant
een conformiteitscertificaat bij elke motor die conform het goedgekeurde
motortype wordt geproduceerd. Een dergelijk certificaat wordt kosteloos bij de
motor geleverd en vergezelt de machine waarin de motor wordt gemonteerd. De
levering ervan mag niet afhankelijk worden gesteld van een uitdrukkelijk
verzoek daartoe of het verstrekken van aanvullende gegevens aan de fabrikant. Op verzoek van de eigenaar van het voertuig
verstrekt de fabrikant van de motor, gedurende een periode van tien jaar na de
productiedatum van de motor, een duplicaat van het conformiteitscertificaat aan
de eigenaar van de motor, tegen betaling van een bedrag dat niet hoger is dan
de hieraan verbonden kosten. Op de voorzijde van het duplicaat is het woord
"duplicaat" duidelijk zichtbaar. 2. De Commissie stelt een
modelconformiteitscertificaat op dat door de fabrikant wordt gebruikt. 3. Het conformiteitscertificaat
wordt opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de Unie. Een
lidstaat mag voorschrijven dat het conformiteitscertificaat naar zijn eigen
officiële taal of talen wordt vertaald. 4. De persoon (personen) die
gemachtigd is (zijn) om de conformiteitscertificaten te ondertekenen, maakt
(maken) deel uit van de organisatie van de fabrikant en wordt (worden) door de
directie naar behoren gemachtigd om volledig de wettelijke verantwoordelijkheid
van de fabrikant te dragen ten aanzien van het ontwerp en de constructie of de
conformiteit van de productie van de motor. 5. Het conformiteitscertificaat
wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het
voertuig dan die welke in deze verordening of een van de op grond van deze
verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn toegestaan. 6. Het opschrift van het
conformiteitscertificaat van motortypen of motorfamilies waarvoor
overeenkomstig artikel 33, lid 2, goedkeuring is verleend, luidt als volgt:
"Voor motoren waarvoor overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) nr.
xx/xx van het Europees Parlement en de Raad van [datum] inzake de voorschriften
met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor in niet voor de
weg bestemde mobiele machines gemonteerde verbrandingsmotoren typegoedkeuring
is verleend (voorlopige goedkeuring)". 7. De Commissie wordt bevoegd
middels uitvoeringshandelingen het modelconformiteitscertificaat vast te
stellen, met inbegrip van de technische kenmerken ter voorkoming van
vervalsing. Daartoe voorzien de uitvoeringshandelingen in de druktechnische
beveiligingen die het papier dat voor het certificaat wordt gebruikt,
beschermen. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op [31 december 2016]
vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 31 Markeringen op de motor 1. De fabrikant van een motor
brengt een markering aan op iedere eenheid die in conformiteit met het
goedgekeurde type wordt geproduceerd. 2. Alvorens de motor de
productielijn verlaat, moeten alle door deze verordening vereiste merktekens
zijn aangebracht. 3. Voor een motor die al in een
machine is gemonteerd kan de motor of het motoronderdeel waarop de
voorgeschreven markering zich bevindt, worden vervangen. 4. De Commissie wordt bevoegd om
middels uitvoeringshandelingen het model vast te stellen voor de in lid 1
vermelde markering, met inbegrip van de verplichte essentiële informatie. Die uitvoeringshandelingen
worden uiterlijk op [31 december 2016] vastgesteld volgens de in artikel 54,
lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. 5. De Commissie wordt eveneens
bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met
betrekking tot de voorwaarden en gedetailleerde technische voorschriften voor
het vervangen van motoren of motoronderdelen die voorzien zijn van de in lid 3
vermelde markering. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op [31
december 2016] vastgesteld. HOOFDSTUK VIII VRIJSTELLINGEN Artikel 32 Algemene vrijstellingen 1. De voorschriften van artikel
5, leden 2 en 3, en van artikel 17, lid 2, zijn niet van toepassing op motoren
die bestemd zijn voor het leger. 2. Onverminderd de bepalingen
van artikel 31 kan een fabrikant een motor afzonderlijk van het
uitlaatgasnabehandelingssysteem aan een OEM leveren. 3. Onverminderd de voorschriften
van artikel 5, lid 3, staan de lidstaten het tijdelijk in de handel brengen van
motoren waarvoor geen EU-typegoedkeuring overeenkomstig deze verordening is
verleend toe voor praktijktests. 4. Onverminderd de voorschriften
van artikel 17, lid 2, mogen de lidstaten de EU-typegoedkeuring en het in de
handel brengen van motoren die voldoen aan de in bijlage V opgenomen
ATEX-emissiegrenswaarden toelaten, op voorwaarde dat de motoren bestemd zijn te
worden gemonteerd in een machine die is bedoeld voor gebruik in mogelijk
explosieve omgevingen, als gedefinieerd in Richtlijn 2014/34/EU van het
Europees Parlement en de Raad[22],
en die is gecertificeerd als zijnde conform de volgende voorschriften: a) apparaten van de categorieën 2 of 3; b) machines van de groepen I of II; c) temperatuurklasse T3 of hoger (maximaal
200 °C). 5. De Commissie wordt bevoegd
overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met
betrekking tot gedetailleerde technische specificaties en voorwaarden voor: a) het afzonderlijk leveren van een motor en
het uitlaatgasnabehandelingssysteem aan de OEM door de fabrikant zoals bedoeld
in lid 2; b) het tijdelijk in de handel brengen voor
praktijktests van motoren waarvoor geen EU-typegoedkeuring overeenkomstig deze
verordening is verleend, zoals bedoeld in lid 3; c) de EU-typegoedkeuring en het in de handel
brengen van motoren die voldoen aan de in bijlage V opgenomen
ATEX-emissiegrenswaarde, zoals bedoeld in lid 4. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op
[31 december 2016] vastgesteld. Artikel 33 Ontheffingen
voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten 1. De fabrikant kan
EU-typegoedkeuring aanvragen voor een type motor waarvoor nieuwe technologieën
of concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de in
deze verordening opgenomen voorschriften. 2. De goedkeuringsinstantie
verleent de in lid 1 bedoelde typegoedkeuring indien aan elk van de volgende
voorwaarden is voldaan: a) in de aanvraag zijn de redenen vermeld
waarom de desbetreffende technologieën of concepten tot gevolg hebben dat het
motortype of de motorfamilie onverenigbaar is met een of meer van de
voorschriften in deze verordening; b) in de aanvraag zijn de milieuaspecten van
de nieuwe technologie beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om
ervoor te zorgen dat ten minste een even hoog milieubeschermingsniveau wordt
gewaarborgd als door de voorschriften waarvan ontheffing wordt aangevraagd,
wordt geboden; c) er worden testbeschrijvingen en
-resultaten aangevoerd die aantonen dat aan de voorwaarde onder b) is voldaan. 3. Voor het verlenen van dergelijke
typegoedkeuring met ontheffing voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten is
goedkeuring door de Commissie vereist. Die goedkeuring wordt gegeven door
middel van een uitvoeringshandeling. 4. In afwachting van het
goedkeuringsbesluit van de Commissie mag de goedkeuringsinstantie een
voorlopige goedkeuring die alleen op zijn grondgebied geldig is, verlenen die
uitsluitend geldig is voor een voertuigtype waarop de aangevraagde ontheffing
betrekking heeft. De goedkeuringsinstantie stelt de Commissie en de overige
lidstaten er onverwijld van in kennis dat zij een dergelijke voorlopige
typegoedkeuring heeft verleend, door middel van een dossier dat de in lid 2
bedoelde gegevens bevat. In het opschrift van het
typegoedkeuringscertificaat en het opschrift van het conformiteitscertificaat
wordt aangegeven dat het hierbij om een voorlopige goedkeuring met een beperkt
geldigheidsgebied gaat. 5. Andere goedkeuringsinstanties
mogen besluiten de in lid 4 bedoelde voorlopige goedkeuring binnen hun
grondgebied te aanvaarden. Wanneer zij dat doen stellen zij de relevante
goedkeuringsinstantie en de Commissie daarvan schriftelijk in kennis. 6. Indien van toepassing wordt
in de in lid 3 bedoelde goedkeuring door de Commissie ook aangegeven of er op
de geldigheid beperkingen van toepassing zijn. De geldigheidsduur van de
typegoedkeuring bedraagt in elk geval ten minste 36 maanden. 7. Als de Commissie de
goedkeuring weigert, stelt de goedkeuringsinstantie de houder van de in lid 3
bedoelde voorlopige typegoedkeuring, indien die goedkeuring is verleend, er
onverwijld van in kennis dat de voorlopige goedkeuring zes maanden na de datum
van de weigering van de Commissie zal worden ingetrokken. Onverminderd de beslissing van de Commissie om
goedkeuring te weigeren, mogen motoren die conform de voorlopige goedkeuring
worden vervaardigd voordat deze ongeldig is geworden, in de handel worden
gebracht in elke lidstaat die de voorlopige goedkeuring had aanvaard. 8. Aan de in de leden 4 en 5
vermelde voorschriften wordt geacht te zijn voldaan middels het uploaden van de
relevante informatie bij het in artikel 42 bedoelde centrale administratieve
platform van de Unie. De mededelingsdocumenten mogen ook de vorm van een
elektronisch bestand hebben. 9. De Commissie wordt bevoegd de
in lid 3 vermelde goedkeuring middels uitvoeringshandelingen vast te stellen.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2,
bedoelde onderzoeksprocedure. 10. De Commissie wordt bevoegd om
middels uitvoeringshandelingen de geharmoniseerde modellen vast te stellen voor
de in lid 4 bedoelde typegoedkeuringscertificaten en conformiteitscertificaten,
met inbegrip van de daarop verplicht te vermelden informatie. Die
uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op [31 december 2016] vastgesteld
volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 34 Latere
aanpassing van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen 1. Wanneer de Commissie een
goedkeuring voor de verlening van een ontheffing overeenkomstig artikel 33
verleent, neemt zij onverwijld de nodige maatregelen om de gedelegeerde of
uitvoeringshandelingen in kwestie aan de technologische ontwikkelingen aan te
passen. Wanneer de krachtens artikel 33 goedgekeurde
ontheffing betrekking heeft op een in een VN/ECE-reglement vastgestelde
kwestie, stelt de Commissie een wijziging van dat VN/ECE-reglement voor volgens
de toepasbare procedure op grond van de Herziene Overeenkomst van 1958. 2. Zodra de relevante
handelingen zijn gewijzigd, wordt elke aan het besluit van de Commissie tot
goedkeuring van de ontheffing inherente beperking onmiddellijk opgeheven. Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de
gedelegeerde of uitvoeringshandelingen niet zijn ondernomen, kan de Commissie,
op verzoek van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, middels een
besluit in de vorm van een uitvoeringshandeling vastgesteld volgens de in
artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoekprocedure, de lidstaat machtigen de
typegoedkeuring te verlengen. HOOFDSTUK IX IN DE HANDEL BRENGEN Artikel 35 Verplichtingen voor verslaglegging
door de fabrikanten Een fabrikant zendt de goedkeuringsinstantie
die de EU-typegoedkeuring heeft verleend binnen 45 dagen na het einde van ieder
kalenderjaar en onverwijld na iedere datum waarop gewijzigde voorschriften van
deze verordening van kracht worden en onmiddellijk na iedere aanvullende datum
die de bevoegde instantie kan vaststellen, een lijst met de hele reeks
identificatienummers voor elk motortype dat in overeenstemming met de
voorschriften van deze verordening en conform de EU-typegoedkeuring is
geproduceerd sinds de laatste verslaglegging of sinds de voorschriften van deze
verordening voor het eerst van kracht waren. Indien het motorcodesysteem dit niet
identificeert, moet de in de eerste alinea vermelde lijst het verband aangeven
tussen de identificatienummers en de overeenkomstige motortypen of
motorfamilies en de EU-typegoedkeuringsnummers. De in de eerste alinea vermelde lijst geeft
ook duidelijk elk geval aan waarin de fabrikant stopt met het produceren van
een motortype of motorfamilie waarvoor typegoedkeuring is verleend. De fabrikant bewaart kopieën van de lijst voor
een periode van ten minste 20 jaar na het verstrijken van de geldigheidsduur
van de betrokken EU-typegoedkeuring. Artikel 36 Verificatiemaatregelen 1. De goedkeuringsinstantie van
een lidstaat die een EU-typegoedkeuring verleent, neemt met betrekking tot die
goedkeuring de nodige maatregelen om, indien nodig in samenwerking met de
goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, de identificatienummers van de
motoren die conform de voorschriften van deze richtlijn zijn geproduceerd, te
verifiëren. 2. Een extra verificatie van de
identificatienummers kan eventueel worden gecombineerd met de controle van de
conformiteit van de productie als bedoeld in artikel 25. 3. Met betrekking tot de
verificatie van de identificatienummers verstrekken de fabrikant of de in de
Unie gevestigde agenten van de fabrikant, onverwijld op verzoek aan de bevoegde
goedkeuringsinstantie alle benodigde gegevens betreffende de afnemers van de
fabrikant alsook de identificatienummers van de motoren waarvan is medegedeeld
dat zij in overeenstemming met de bepalingen van artikel 35 zijn geproduceerd.
Indien de motoren worden verkocht aan een machinefabrikant, zijn geen nadere
gegeven vereist. 4. Indien de fabrikant, na een
verzoek daartoe van de keuringsinstantie, niet in staat is de in artikel 31
vermelde voorschriften voor markeringen op de motor te verifiëren, kan de
goedkeuring die voor het betrokken motortype of de betrokken motorfamilie
krachtens deze verordening is verleend, worden ingetrokken. Daarvan wordt
kennisgeving gedaan volgens de procedure van artikel 36, lid 4. HOOFDSTUK X VRIJWARINGSCLAUSULES Artikel 37 Motoren die niet conform zijn met het
goedgekeurde type 1. Indien motoren die van een
conformiteitscertificaat vergezeld gaan of van een goedkeuringsmerk zijn
voorzien, niet conform zijn met het goedgekeurde type of de goedgekeurde
familie, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft
verleend de nodige maatregelen, die kunnen gaan tot intrekking van de
EU-typegoedkeuring wanneer de door de fabrikant genomen maatregelen
ontoereikend zijn, om de in productie zijnde motoren conform te maken met het
goedgekeurde type of de goedgekeurde familie. De goedkeuringsinstantie van deze
lidstaat stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten in kennis van
de genomen maatregelen. 2. Voor de toepassing van lid 1
worden afwijkingen van de gegevens op het EU-typegoedkeuringscertificaat of in
het informatiepakket beschouwd als gebrek aan conformiteit met het goedgekeurde
type of de goedgekeurde familie, wanneer die afwijkingen niet overeenkomstig de
bepalingen van hoofdstuk VI zijn goedgekeurd. 3. Indien een
goedkeuringsinstantie vaststelt dat motoren die van een
conformiteitscertificaat vergezeld gaan of van een in een andere lidstaat
afgegeven goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het
goedgekeurde type of de goedgekeurde familie, kan zij de goedkeuringsinstantie
die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of in
productie zijnde motoren nog conform zijn met het goedgekeurde type of de
goedgekeurde familie. De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft
verleend voert deze verificatie zo spoedig mogelijk uit en uiterlijk drie
maanden na de datum van het verzoek. 4. De goedkeuringsinstanties van
de lidstaten stellen elkaar binnen één maand in kennis van de intrekking van
een EU-typegoedkeuring en van de redenen daarvoor. 5. Indien de
goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, de haar ter
kennis gebrachte non-conformiteit betwist, trachten de betrokken lidstaten het
geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden en pleegt zo
nodig passend overleg om tot een vergelijk te komen. Artikel 38 Terugroepen van motoren 1. Wanneer een fabrikant die
EU-typegoedkeuring verleend heeft gekregen overeenkomstig artikel 20, lid 1,
van Verordening (EG) nr. 765/2008 wordt gedwongen in de handel gebrachte
motoren terug te roepen, ongeacht of die in machines zijn gemonteerd, omdat de
motoren een ernstige inbreuk op deze verordening betekenen wat betreft het
beschermen van het milieu, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de
EU-typegoedkeuring voor de motor heeft verleend daarvan onverwijld in kennis. 2. De fabrikant stelt de
goedkeuringsinstantie een reeks maatregelen voor om de in lid 1 bedoelde
ernstige inbreuk te neutraliseren. De goedkeuringsinstantie deelt de
voorgestelde maatregelen onverwijld aan de goedkeuringsinstanties van de andere
lidstaten mee. De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat deze
maatregelen in hun lidstaten effectief worden uitgevoerd. 3. Indien de maatregelen door de
betrokken goedkeuringsinstantie ontoereikend worden geacht of deze van mening
is dat ze niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stelt zij de goedkeuringsinstantie
die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis. De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring
heeft verleend stelt vervolgens de fabrikant in kennis. Wanneer de fabrikant
dan geen effectieve corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert, neemt de
goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle vereiste
beschermingsmaatregelen, die kunnen gaan tot de intrekking van de
EU-typegoedkeuring. Bij intrekking van de EU-typegoedkeuring stelt de
goedkeuringsinstantie binnen een maand na deze intrekking de fabrikant, de
goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie hiervan per
aangetekend schrijven of equivalente elektronische middelen in kennis. Artikel 39 Kennisgeving van besluiten en
beschikbare rechtsmiddelen 1. Elk besluit dat uit hoofde
van deze verordening wordt genomen en elk besluit tot weigering of intrekking
van een EU-typegoedkeuring, tot het verbieden of beperken van het in de handel
brengen van een motor, dan wel tot het verplicht uit de handel nemen van een
voertuig, wordt uitvoerig met redenen omkleed. 2. Het besluit wordt ter kennis
gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover
hij krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de betrokken lidstaat
beschikt en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden
aangewend. HOOFDSTUK XI INTERNATIONALE REGELGEVING EN
VOORZIENING VAN TECHNISCHE INFORMATIE Artikel 40 Erkenning van gelijkwaardige
typegoedkeuringen voor motoren 1. De Unie mag, in het kader van
de multilaterale of bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en derde landen,
de gelijkwaardigheid erkennen tussen de bij deze verordening vastgestelde
voorwaarden en bepalingen voor typegoedkeuringen van motoren en de bij
internationale regelgeving of regelgeving van derde landen vastgestelde
procedures. 2. Verleende typegoedkeuringen
en goedkeuringsmarkeringen conform de VN/ECE-reglementen of wijzigingen daarop
waar de Unie voor heeft gestemd of waartoe de Unie is toegetreden als
vastgesteld in de in lid 4, onder a), bedoelde uitvoeringshandeling worden
erkend als gelijkwaardig aan overeenkomstig deze verordening verleende
typegoedkeuringen en goedkeuringsmarkeringen. 3. Conform de wetgeving van de
Unie verleende typegoedkeuringen als vastgesteld in de in lid 4, onder b),
bedoelde uitvoeringshandeling worden erkend als gelijkwaardig aan
overeenkomstig deze verordening verleende typegoedkeuringen. 4. De Commissie wordt bevoegd
overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake: a) de lijst met VN/ECE-reglementen of
wijzigingen daarop waar de Unie voor heeft gestemd of waartoe de Unie is
toegetreden die van toepassing zijn op EU-typegoedkeuring van motoren en
motorfamilies die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines; b) de lijst met handelingen van de Unie
waarin typegoedkeuringen worden verleend. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk
op [31 december 2016] vastgesteld. Artikel 41 Informatie bedoeld voor OEM's en
eindgebruikers 1. Een fabrikant mag geen technische
informatie over de bij deze verordening voorgeschreven gegevens verstrekken,
die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd. 2. De fabrikant stelt alle
relevante informatie en instructies die nodig zijn voor een correcte
installatie van de motor in de machine ter beschikking aan de OEM's, met
inbegrip van een beschrijving van alle speciale voorwaarden of beperkingen die
aan de installatie of het gebruik van de motor zijn verbonden. 3. Fabrikanten stellen alle
relevante informatie en benodigde instructies bedoeld voor de eindgebruiker ter
beschikking aan de OEM's, waarbij met name alle speciale voorwaarden of
beperkingen die aan het gebruik van een motor zijn verbonden, worden
beschreven. 4. Onverminderd de voorschriften
van lid 3 stellen de fabrikanten de waarden van de emissies van koolstofdioxide
(CO2) die tijdens het EU-typegoedkeuringsproces zijn vastgesteld ter
beschikking aan de OEM's en dragen zij de OEM's op om deze informatie aan de
eindgebruiker van de machine waarin de motor wordt gemonteerd kenbaar te maken. 5. De Commissie wordt bevoegd om
overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen met
betrekking tot de omschrijving van de in de leden 2, 3, en 4, vermelde
informatie en instructies. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk op [31
december 2016] vastgesteld. Artikel 42 Centraal administratief platform van
de Unie en databank 1. De Commissie stelt een
centraal administratief digitaal platform van de Unie op voor de elektronische
uitwisseling van gegevens en informatie met betrekking tot
EU-typegoedkeuringen. Het platform wordt gebruikt voor de uitwisseling van
gegevens en informatie tussen de goedkeuringsinstanties, of tussen de
goedkeuringsinstanties en de Commissie, die plaatsvindt in het kader van deze
verordening. 2. Het centrale administratieve
digitale platform van de Unie bevat ook een databank waar alle relevante
informatie met betrekking tot overeenkomstig deze verordening verleende
EU-typegoedkeuringen centraal wordt verzameld en ter beschikking wordt gesteld
van de goedkeuringsinstanties en van de Commissie. De databank verbindt
nationale databanken met de centrale databank van de Unie, indien dat met de
betrokken lidstaten wordt overeengekomen. 3. Voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging
van de leden 1 en 2 breidt de Commissie het centrale administratieve digitale
platform uit met modules die de mogelijkheid bieden tot: a) het uitwisselen van gegevens en
informatie als bedoeld in deze verordening tussen fabrikanten, technische diensten,
goedkeuringsinstanties en de Commissie; b) openbare toegang tot bepaalde informatie
en gegevens met betrekking tot de resultaten van typegoedkeuringen en tests van
de conformiteit tijdens het gebruik. 4. De Commissie wordt bevoegd om
middels uitvoeringshandelingen de gedetailleerde technische voorschriften en
procedures vast te stellen die noodzakelijk zijn voor het opstarten van het in
dit artikel vermelde centrale administratieve platform van de Unie en de
databank. Die uitvoeringshandelingen worden uiterlijk op [31 december 2016]
vastgesteld volgens de in artikel 54, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. HOOFDSTUK XII AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE
DIENSTEN Artikel 43 Voorschriften met betrekking tot
technische diensten 1. De aanwijzende
goedkeuringsinstanties zien erop toe dat voordat zij een technische dienst
aanwijzen overeenkomstig artikel 45 deze technische dienst voldoet aan de
voorschriften in de leden 2 tot en met 9 van dit artikel. 2. Onverminderd artikel 46, lid
1, wordt een technische dienst naar het nationale recht van een lidstaat
opgericht en bezit deze rechtspersoonlijkheid. 3. Een technische dienst is een
derde partij die niet betrokken is bij het ontwerp, de vervaardiging, de
levering of het onderhoud van de motor die door deze dienst wordt beoordeeld. Een instantie die lid is van een organisatie van
ondernemers of van een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die
betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, de beschikbaarstelling, de
assemblage, het gebruik of het onderhoud van de door haar beoordeelde, geteste
of geïnspecteerde motoren, kan geacht worden aan de eerste alinea te voldoen,
op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van
belangenconflicten worden aangetoond. 4. Noch de technische dienst,
noch zijn hoogste leidinggevenden, noch het personeel ervan dat belast is met
het uitvoeren van de categorieën taken waarvoor zij overeenkomstig artikel 45,
lid 1, zijn aangewezen, zijn de ontwerper, fabrikant, leverancier of voor het
onderhoud verantwoordelijke partij van de motoren die zij beoordelen, noch
vertegenwoordigen zij partijen die bij deze activiteiten betrokken zijn. Dit
belet echter niet het gebruik van beoordeelde motoren zoals bedoeld in lid 3
van dit artikel, die nodig zijn voor de activiteiten van de technische dienst
of het gebruik van dergelijke motoren voor persoonlijke doeleinden. Een technische dienst zorgt ervoor dat de
activiteiten van zijn dochterondernemingen of onderaannemers niet van invloed
zijn op de vertrouwelijkheid, de objectiviteit of de onpartijdigheid van de
categorieën activiteiten waarvoor de dienst werd aangewezen. 5. Een technische dienst en zijn
personeel voeren de categorieën activiteiten waarvoor de dienst werd aangewezen
uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische
bekwaamheid op het specifieke gebied, en zij zijn vrij van elke druk en
beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten
van hun beoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, in het bijzonder van druk
en beïnvloeding van de kant van personen of groepen van personen die belang
hebben bij de resultaten van deze activiteiten. 6. Een technische dienst toont
aan in staat te zijn alle categorieën activiteiten uit te voeren waarvoor hij
in overeenstemming met artikel 45, lid 1, is aangewezen door tot tevredenheid
van zijn aanwijzende goedkeuringsinstantie aan te tonen dat hij beschikt over: a) personeel met passende vaardigheden,
specifieke technische kennis en beroepsopleiding, alsook voldoende en passende
ervaring om de taken uit te voeren; b) beschrijvingen van de relevante
procedures voor de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te
worden, aldus de transparantie en de reproduceerbaarheid van die procedures
waarborgende; c) procedures voor het uitvoeren van de
categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, terdege
rekening houdend met de mate van complexiteit van de technologie van de motor
in kwestie, en met het massa- of seriële karakter van het productieproces, en d) de benodigde middelen voor het op een
passende wijze uitvoeren van de taken die verband houden met de categorieën
activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, en toegang heeft tot alle
benodigde apparatuur en faciliteiten. Daarnaast toont de technische dienst tegenover de
aanwijzende goedkeuringsinstantie aan dat hij voldoet aan de normen die zijn
vastgesteld in de op grond van artikel 46 vastgestelde gedelegeerde handelingen
en relevant zijn voor de categorieën activiteiten waarvoor hij is aangewezen. 7. De onpartijdigheid van de
technische diensten, hun hoogste leidinggevenden en het beoordelingspersoneel
wordt gewaarborgd. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk
oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten
waarvoor zij zijn aangewezen, in het gedrang kunnen brengen. 8. Technische diensten sluiten
een aansprakelijkheidsverzekering voor hun activiteiten af, tenzij de
wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de lidstaat
wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de
conformiteitsbeoordeling. 9. Het personeel van een
technische dienst is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle
informatie waarvan het kennisneemt bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde
van deze verordening of bepalingen van nationaal recht die daaraan uitvoering
geven, behalve ten opzichte van de aanwijzende goedkeuringsinstantie of op
grond van het Unierecht of het nationale recht. De eigendomsrechten worden beschermd. Artikel 44 Dochterondernemingen van en
uitbesteding door technische diensten 1. Technische diensten mogen
uitsluitend met instemming van hun aanwijzende goedkeuringsinstantie een deel
van de activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen overeenkomstig artikel 45, lid
1, uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren. 2. Wanneer een technische dienst
specifieke taken in verband met de categorieën activiteiten waarvoor hij is
aangewezen, uitbesteed of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt
hij dat de onderaannemer of dochteronderneming voldoet aan artikel 43, en stelt
hij de aanwijzende goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte. 3. Technische diensten dragen de
volledige verantwoordelijkheid voor de taken die worden verricht door hun
onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze zijn gevestigd. 4. Technische diensten houden de
relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de
onderaannemer of de dochteronderneming en over de door hen uitgevoerde taken
ter beschikking van de aanwijzende goedkeuringsinstantie. Artikel 45 Aanwijzing van technische diensten 1. Technische diensten worden
aangewezen voor een of meer van de volgende activiteitencategorieën,
afhankelijk van hun competentiegebied: a) categorie A, technische diensten die de
in deze verordening bedoelde tests in hun eigen voorzieningen uitvoeren; b) categorie B, technische diensten die
toezien op de in deze verordening bedoelde tests, indien de uitvoering
plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een
derde; c) categorie C, technische diensten die de
door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de conformiteit
van de productie geregeld evalueren en controleren; d) categorie D, technische diensten die
tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien voor de controle van de
conformiteit van de productie. 2. Een goedkeuringsinstantie kan
worden aangewezen als technische dienst voor een of meer van de in lid 1
bedoelde activiteiten. 3. Technische diensten van een
derde land welke niet overeenkomstig artikel 45 zijn aangewezen, kunnen voor de
toepassing van artikel 49 worden aangemeld, maar uitsluitend indien in een
dergelijke aanvaarding van technische diensten is voorzien in een bilaterale
overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land. Dit belet een
technische dienst die naar het nationale recht van een lidstaat is opgericht
overeenkomstig artikel 43, lid 2, niet in derde landen dochterondernemingen op
te richten, op voorwaarde dat de dochterondernemingen rechtstreeks geleid en
gecontroleerd worden door de aangewezen technische dienst. Artikel 46 Geaccrediteerde interne technische
diensten van de fabrikant 1. Een geaccrediteerde interne
technische dienst van een fabrikant kan alleen worden aangewezen voor
activiteiten van categorie A met betrekking tot de technische voorschriften
waarvoor zelftesten in een op grond van deze verordening vastgestelde
gedelegeerde handeling wordt toegestaan. Deze technische dienst vormt een
afzonderlijk en te onderscheiden deel van de onderneming en is niet betrokken
bij het ontwerp, de vervaardiging, de levering of het onderhoud van de motoren
die hij beoordeelt. 2. Een geaccrediteerde interne
technische dienst voldoet aan de volgende voorschriften: a) behalve dat hij is aangewezen door de
goedkeuringsinstantie van een lidstaat, is hij geaccrediteerd door een
nationale accreditatie-instantie zoals bedoeld in artikel 2, punt 11, van
Verordening (EG) nr. 765/2008 en overeenkomstig de normen en procedures zoals
bedoeld in artikel 47 van deze verordening; b) de geaccrediteerde interne technische
dienst en zijn personeel zijn organisatorisch te onderscheiden en beschikken
binnen de onderneming waarvan zij deel uitmaken over rapportagemethoden die hun
onpartijdigheid waarborgen en aan de relevante nationale accreditatie-instantie
aantonen; c) de geaccrediteerde interne technische
dienst, noch zijn personeel oefenen activiteiten uit die hun onafhankelijk
oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten
waarvoor zij zijn aangewezen, in het gedrang kunnen brengen; d) de geaccrediteerde interne technische
dienst verleent zijn diensten uitsluitend aan de onderneming waarvan hij deel
uitmaakt. 3. Een geaccrediteerde interne
technische dienst hoeft niet bij de Commissie te worden aangemeld voor de
toepassing van artikel 49, maar op verzoek van de aanwijzende
goedkeuringsinstantie wordt door de onderneming waarvan zij deel uitmaakt of
door de nationale accreditatie-instantie informatie over zijn accreditatie aan
die goedkeuringsinstantie verstrekt. 4. De Commissie wordt bevoegd
overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot
vaststelling van de technische voorschriften waarvoor zelftesten wordt
toegestaan, zoals bedoeld in lid 1. Die gedelegeerde handelingen worden
uiterlijk op 31 december 2016 vastgesteld. Artikel 47 Procedures voor prestatienormen en de
beoordeling van technische diensten Om ervoor te zorgen dat technische diensten in
alle lidstaten aan dezelfde hoge standaarden voor het prestatieniveau voldoen,
wordt de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen
vast te stellen inzake de normen waar de technische diensten aan moeten voldoen
en voor de procedure voor hun beoordeling overeenkomstig artikel 48 en voor hun
accreditatie overeenkomstig artikel 46. Artikel 48 Beoordeling van de vaardigheden van de
technische diensten 1. De aanwijzende
goedkeuringsinstantie stelt een beoordelingsverslag op waaruit blijkt dat de
kandidaat-technische dienst is beoordeeld op de naleving van de voorschriften
van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde
gedelegeerde handelingen. Dit verslag kan een door een accreditatie-instantie
afgegeven accreditatiecertificaat omvatten. 2. De beoordeling waarop het in
lid 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd volgens een op grond
van artikel 55 vastgestelde gedelegeerde handeling. Het beoordelingsverslag
wordt ten minste elke drie jaar opnieuw bezien. 3. Het beoordelingsverslag wordt
desgevraagd aan de Commissie verstrekt. In dergelijke gevallen en als de
beoordeling niet is gebaseerd op een door een nationale accreditatie-instantie
afgegeven accreditatiecertificaat waarin wordt verklaard dat de technische
dienst aan deze verordening voldoet, stelt de aanwijzende goedkeuringsinstantie
aan de Commissie schriftelijke bewijsstukken ter beschikking waaruit de
bekwaamheid van de technische dienst blijkt, alsmede de regelingen die zijn
getroffen om te waarborgen dat de technische dienst regelmatig wordt gecontroleerd
door de aanwijzende goedkeuringsinstantie en voldoet aan deze verordening en de
op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen. 4. Een goedkeuringsinstantie die
als technische dienst aangewezen wenst te worden overeenkomstig artikel 45, lid
2, toont aan dat zij aan de voorwaarden voldoet middels een beoordeling door
van de beoordeelde activiteit onafhankelijke beoordelaars. Deze beoordelaars
kunnen uit dezelfde organisatie komen, mits zij afzonderlijk van het personeel
dat de beoordeelde activiteit uitoefent, worden bestuurd. 5. Een geaccrediteerde interne
technische dienst voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel. Artikel 49 Aanmeldingsprocedures 1. De lidstaten stellen de
Commissie in kennis van de naam, het adres, inclusief het elektronische adres,
de verantwoordelijke personen en de activiteitencategorie van elke technische
dienst die zij hebben aangewezen, alsook van latere wijzigingen in deze
aanwijzingen. 2. Een technische dienst kan de
in artikel 45, lid 1, bedoelde activiteiten namens de voor de typegoedkeuring
verantwoordelijke aanwijzende goedkeuringsinstantie alleen verrichten als hij
van tevoren bij de Commissie is aangemeld overeenkomstig lid 1 van dit artikel. 3. Dezelfde technische dienst
kan door verschillende aanwijzende goedkeuringsinstanties worden aangewezen en
door de lidstaten van deze aanwijzende goedkeuringsinstanties worden aangemeld,
ongeacht de categorie of categorieën van activiteiten die deze zal dienst
uitoefenen overeenkomstig artikel 45, lid 1. 4. De Commissie wordt in kennis
gesteld van alle latere relevante wijzigingen in de aanwijzing. 5. Wanneer een specifieke
organisatie of een bevoegd orgaan dat een activiteit verricht die niet onder
artikel 45, lid 1, valt, moet worden aangewezen voor de toepassing van een
gedelegeerde handeling, vindt de aanmelding plaats overeenkomstig dit artikel. 6. De Commissie publiceert de
lijst en de gegevens van de technische diensten die overeenkomstig dit artikel
zijn aangemeld op haar website. Artikel 50 Wijzigingen van de aanwijzing 1. Wanneer een aanwijzende
goedkeuringsinstantie heeft geconstateerd of vernomen dat een door haar
aangewezen technische dienst niet meer aan de eisen van deze verordening
voldoet of zijn verplichtingen niet nakomt, wordt de aanwijzing door de
aanwijzende goedkeuringsinstantie beperkt, opgeschort of, in voorkomend geval,
ingetrokken, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan deze eisen of
het niet-nakomen van deze verplichtingen. De lidstaat die deze technische
dienst heeft aangemeld stelt de Commissie onverwijld op de hoogte. De Commissie
wijzigt de in artikel 49, lid 6, bedoelde informatie dienovereenkomstig. 2. Wanneer de aanwijzing wordt
beperkt, opgeschort of ingetrokken, of de technische dienst zijn activiteiten
heeft gestaakt, doet de aanwijzende goedkeuringsinstantie het nodige om ervoor
te zorgen dat de dossiers van die technische dienst hetzij door een andere
technische dienst worden behandeld, hetzij aan de aanwijzende
goedkeuringsinstantie of, op hun verzoek, aan de markttoezichtautoriteiten ter
beschikking kunnen worden gesteld. Artikel 51 Betwisting van de bekwaamheid van
technische diensten 1. De Commissie onderzoekt alle
gevallen waarin zij twijfelt of in kennis wordt gesteld van twijfels omtrent de
bekwaamheid van een technische dienst of omtrent de vraag of een technische
dienst nog aan de voorschriften voldoet en zijn verantwoordelijkheden nakomt. 2. De lidstaat van de
aanwijzende goedkeuringsinstantie verstrekt de Commissie, op verzoek, alle
informatie met betrekking tot de grondslag van de aanwijzing of de
instandhouding van de aanwijzing van de betrokken technische dienst. 3. Alle gevoelige informatie die
de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar
vertrouwelijk behandeld. 4. Wanneer de Commissie
vaststelt dat een technische dienst niet of niet meer aan de
aanwijzingsvoorschriften voldoet, stelt zij de lidstaat van de aanwijzende
goedkeuringsinstantie daarvan op de hoogte, teneinde samen met die lidstaat de
noodzakelijke corrigerende maatregelen vast te stellen, en verzoekt zij die
lidstaat deze corrigerende maatregelen, inclusief, in voorkomend geval, de
intrekking van de aanwijzing, te nemen. Artikel 52 Operationele verplichtingen van
technische diensten 1. Technische diensten voeren de
categorieën activiteiten uit waarvoor zij zijn aangewezen namens de aanwijzende
goedkeuringsinstantie volgens de beoordelings- en testprocedures zoals bedoeld
in deze verordening en in de gedelegeerde handelingen. Technische diensten houden toezicht op de in deze
verordening of in een van de gedelegeerde handelingen voor de goedkeuring
noodzakelijke tests of inspecties of voeren deze zelf uit, tenzij alternatieve
procedures zijn toegestaan. De technische diensten voeren geen tests,
beoordelingen of inspecties uit waarvoor zij niet naar behoren door hun
goedkeuringsinstantie zijn aangewezen. 2. Technische diensten: a) stellen hun aanwijzende
goedkeuringsinstantie te allen tijde in staat in voorkomend geval getuige te
zijn tijdens de conformiteitsbeoordeling door de technische dienst, en b) onverminderd het bepaalde in artikel 43,
lid 9, en artikel 53, verstrekken hun aanwijzende goedkeuringsinstantie te
allen tijde de informatie over hun onder het toepassingsgebied van deze
verordening vallende activiteitencategorieën waarom verzocht wordt. 3. Als een technische dienst
vaststelt dat een fabrikant niet aan voorschriften in deze verordening heeft
voldaan, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie zodat deze
laatste de fabrikant kan verzoeken passende corrigerende maatregelen te nemen
en vervolgens geen typegoedkeuringscertificaat afgeeft, tenzij de passende
corrigerende maatregelen ten genoegen van de goedkeuringsinstantie zijn
genomen. 4. Wanneer een technische dienst
die namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie optreedt bij de controle van de
conformiteit van de productie na de afgifte van een
EU-typegoedkeuringscertificaat constateert dat een motor niet langer aan deze
verordening voldoet, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie. De
goedkeuringsinstantie neemt de in artikel 25 bepaalde passende maatregelen. Artikel 53 Informatieverplichtingen van
technische diensten 1. Technische diensten stellen
hun aanwijzende goedkeuringsinstantie op de hoogte van: a) elke geconstateerde non-conformiteit die
een weigering, beperking, opschorting of intrekking van een
EU-typegoedkeuringscertificaat nodig kan maken; b) alle omstandigheden die van invloed zijn
op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor hun aanwijzing; c) alle informatieverzoeken die zij van
markttoezichtautoriteiten ontvangen over hun activiteiten. 2. Op verzoek van hun
aanwijzende goedkeuringsinstanties verstrekken technische diensten informatie
over de activiteiten binnen het toepassingsgebied van hun aanwijzingen en over
alle andere verrichte activiteiten, inclusief grensoverschrijdende activiteiten
en uitbestedingen. HOOFDSTUK XIII UITVOERINGSHANDELINGEN EN GEDELEGEERDE
HANDELINGEN Artikel 54 Comitéprocedure 1. De Commissie wordt bijgestaan
door het bij artikel 40, lid 1, van Richtlijn 2007/46/EG van het
Europees Parlement en de Raad ingestelde technisch comité – motorvoertuigen
(TCMV). Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. 2. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Artikel 55 Uitoefening van de delegatie 1. De bevoegdheid om
gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder
de in dit artikel neergelegde voorwaarden. 2. De bevoegdheid om gedelegeerde
handelingen vast te stellen als bedoeld in artikel 3, artikel 17,
lid 5, artikel 18, lid 2, artikel 23, lid 11,
artikel 24, lid 4, artikel 25, lid 6, artikel 31,
lid 5, artikel 32, lid 5, artikel 40, lid 4,
artikel 41, lid 5, artikel 46, lid 4, en artikel 47
wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van
[insert date: entry into force]. 3. Het Europees Parlement of de
Raad kan de bevoegdheidsdelegatie als bedoeld in artikel 3, artikel 17, lid 5,
artikel 18, lid 2, artikel 23, lid 11, artikel 24, lid 4, artikel 25, lid 6,
artikel 31, lid 5, artikel 32, lid 5, artikel 40, lid 4, artikel 41, lid 5,
artikel 46, lid 4, en artikel 47, te allen tijde intrekken. Het besluit tot
intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid.
Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad
van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de
geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. 4. Zodra de Commissie een
gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees
Parlement en de Raad van in kennis. 5. Een overeenkomstig artikel 3,
artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 2, artikel 23, lid 11, artikel 24, lid 4,
artikel 25, lid 6, artikel 31, lid 5, artikel 32, lid 5, artikel 40, lid 4,
artikel 41, lid 5, artikel 46, lid 4, of artikel 47 vastgestelde gedelegeerde
handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad
binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van de handeling aan het
Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt of indien
zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn
de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op
initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee
maanden worden verlengd. HOOFDSTUK XIV SLOTBEPALINGEN Artikel 56 Sancties 1. De lidstaten voorzien in
sancties voor inbreuk op deze verordening door marktdeelnemers of OEM's. Zij
nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden
uitgevoerd. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en
afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op [insert date:
2 years after entry into force] van de desbetreffende bepalingen op de hoogte
en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen ervan. 2. De soorten inbreuken die
aanleiding geven tot een sanctie zijn: a) valse verklaringen afleggen, met name
tijdens goedkeuringsprocedures, procedures die tot terugroeping leiden of
procedures met betrekking tot ontheffingen; b) testresultaten voor EU-typegoedkeuring of
conformiteit tijdens het gebruik vervalsen; c) het achterhouden van gegevens of
technische specificaties die tot terugroeping, weigering of intrekking van de
EU-typegoedkeuring zouden kunnen leiden; d) manipulatiestrategieën gebruiken; e) toegang tot informatie weigeren; f) het zonder goedkeuring op de markt
aanbieden van motoren waarvoor een goedkeuring vereist is, of het met die
intentie vervalsen van documenten of markeringen; g) het in de handel brengen van
overgangsmotoren en machines waarin die motoren zijn gemonteerd in strijd met
de vrijstellingsbepalingen; h) de in artikel 4 opgenomen beperkingen
voor motorgebruik schenden; i) het zodanig aanpassen van een motor dat
de motor niet langer conform de specificaties van de typegoedkeuring is; j) een motor in een machine monteren voor
ander gebruik dan het in artikel 4 voorziene exclusieve gebruik; k) het in de handel brengen van een motor in
het kader van artikel 32, lid 4, voor gebruik in een andere toepassing dan die
waarin dat artikel voorziet. Artikel 57 Overgangsbepalingen 1. Onverminderd de bepalingen en
de hoofdstukken II en III leidt deze verordening niet tot ongeldigverklaring
van EU-typegoedkeuringen vóór de in bijlage III vastgestelde data voor het in
de handel brengen van motoren. 2. De goedkeuringsinstanties
mogen typegoedkeuringen blijven verlenen overeenkomstig de relevante wetgeving
die geldt op de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot de in
bijlage III bedoelde verplichte data voor de EU-typegoedkeuring van motoren. 3. In afwijking van deze
verordening kunnen motoren waarvoor krachtens de op de datum van inwerkingtreding
van deze verordening geldende relevante wetgeving al EU-typegoedkeuring is
verleend of die voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld door de Centrale
Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en zijn aangenomen als CCR-Fase II in het
kader van de Conventie van Mannheim voor de Rijnvaart, verder in de handel
worden gebracht tot de in bijlage III vermelde data voor het in de handel
brengen van motoren. Nationale autoriteiten verbieden, beperken of
verhinderen in dat geval niet het in de handel brengen van motoren die conform
het goedgekeurde type zijn. 4. Motoren waarvoor op de datum
van inwerkingtreding van deze verordening geen EU-typegoedkeuring vereist is,
kunnen op basis van eventuele geldige nationale wetgeving verder in de handel
worden gebracht tot de in bijlage III vermelde data voor het in de handel
brengen van motoren. 5. Onverminderd artikel 5, lid
3, en artikel 17, lid 2, mogen overgangsmotoren en, waar van toepassing, de
machines waarin die overgangsmotoren zijn gemonteerd verder in de handel worden
gebracht tijdens de overgangsperiode, op voorwaarde dat de machine waarin de
overgangsmotor is gemonteerd een productiedatum heeft van niet later dan 1 jaar
na het begin van de overgangsperiode. Voor motoren van de categorie NRE staan de
lidstaten de verlenging toe van de overgangsperiode en de in de eerste alinea
vermelde periode van 12 maanden met een extra periode van 12 maanden voor OEM's
met een totale jaarlijkse productie van minder dan 50 eenheden van niet voor de
weg bestemde mobiele machines waarin verbrandingsmotoren zijn gemonteerd. Voor
de berekening van de in deze alinea vermelde jaarlijkse totale productie worden
alle OEM's die worden beheerd door dezelfde natuurlijke of rechtspersoon
beschouwd als één enkele OEM. 6. Onverminderd het bepaalde in
lid 5 mogen overgangsmotoren die conform zijn met motortypen of motorfamilies
waarvoor de EU-typegoedkeuring krachtens artikel 29, lid 2, onder a), niet
langer geldig is, in de handel worden gebracht, op voorwaarde dat deze
overgangsmotoren: a) ten tijde van hun productie onder een
geldige EU-typegoedkeuring vielen, en op het moment van verstrijken van de
geldigheidsduur van de EU-typegoedkeuring nog niet in de handel waren gebracht,
of b) niet op EU-niveau waren gereguleerd op de
datum van inwerkingtreding van deze verordening. 7. Lid 6 is alleen geldig voor
een periode van: a) 18 maanden na de datum voor het in de
handel brengen van motoren als bedoeld in bijlage III, in het in lid 5, eerste
alinea, bedoelde geval; b) 30 maanden na de datum voor het in de
handel brengen van motoren als bedoeld in bijlage III, in het in lid 5, tweede
alinea, bedoelde geval; 8. Fabrikanten zorgen ervoor dat
overgangsmotoren een markering dragen waarop de productiedatum van de motor is
aangegeven. Deze informatie mag worden bevestigd aan of gemarkeerd op de
voorgeschreven constructieplaat van de motor. Artikel 58 Verslag 1. Uiterlijk op 31 december 2021
informeren de lidstaten de Commissie over de toepassing van de in deze
verordening vastgestelde EU-typegoedkeuringsprocedures. 2. Op basis van de krachtens lid
1 verstrekte informatie brengt de Commissie uiterlijk 31 december 2022 verslag
uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze
verordening. Artikel 59 Evaluatie 1. Uiterlijk op 31 december 2020
legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over: a) de beoordeling van mogelijkheden voor het
verder verlagen van verontreinigende emissies, op basis van de beschikbare
technologieën en een kosten-batenanalyse; b) het vaststellen van mogelijke relevante
typen verontreinigende stoffen die momenteel niet binnen het toepassingsgebied
van deze verordening vallen. 2. Uiterlijk op 31 december 2025
legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over: a) het gebruik van de in artikel 32, leden 3
en 4, vastgestelde vrijstellingsclausules; b) het toezicht op resultaten van de in
artikel 18 vastgestelde emissietests en de conclusies die daaruit zijn
getrokken. 3. De in de leden 1 en 2
vermelde verslagen zijn gebaseerd op een raadpleging van de relevante
belanghebbenden en houdt rekening met bestaande aanverwante Europese en
internationale normen. Die verslagen gaan in voorkomend geval vergezeld van
wetgevingsvoorstellen. Artikel 60 Intrekking Onverminderd artikel 57, leden 1 tot en met 4,
wordt Richtlijn 97/68/EG met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken. Artikel 61 Inwerkingtreding en toepassing 1. Deze verordening treedt in
werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad
van de Europese Unie. 2. Zij is van toepassing met
ingang van 1 januari 2017. Vanaf de in lid 1 vermelde datum weigeren de
nationale autoriteiten geen verzoeken van fabrikanten om EU-typegoedkeuring te
verlenen voor een nieuw motortype of een nieuwe motorfamilie of verbieden zij
niet het in de handel brengen indien die motor of die motorfamilie voldoet aan
de in de hoofdstukken II, III, IV en VIII vastgestelde voorschriften. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter [1] Besluit nr. 1600/2002/EG van 22 juli 2002. [2] COM(2005) 446 van 21 september 2005. [3] COM(2011) 144 van 28 maart 2011. [4] COM(2012) 582 van 10 oktober 2012. [5] http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/automotive/documents/consultations/2012-emissions-nrmm/index_en.htm [6] http://ec.europa.eu/enterprise/sectors/mechanical/non-road-mobile-machinery/publications-studies/index_en.htm [7] http://ec.europa.eu/transport/modes/inland/studies/inland_waterways_en.htm [8] T-Systems 2006, Database for the Exchange of Type
Approval Documentation (DETA) Feasibility Study. [9] PB L … [10] PB L … [11] Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen
van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende
gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in
niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1). [12] Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees
Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het
markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 60 van 2.3.2013,
blz. 1). [13] Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de
Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor
de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de
grenzen van onze planeet". (PB L 354 van 28.12.2013,
blz. 171). [14] Besluit nr. 1600/2002/EG; Richtlijn 2008/50/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en
schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1). [15] Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees
Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen
inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten
(PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30). [16] Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement
en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften
en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de
uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L
55 van 28.2.2011, blz. 13). [17] Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring
van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en
technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PB L 263
van 9.10.2007, blz. 1). [18] Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees
Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het
markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 60 van 2.03.2013,
blz. 1). [19] Richtlijn 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot
intrekking van Richtlijn 94/25/EG (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 90). [20] 298 K, totale omgevingsdruk 101,3 kPa [21] Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement
en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en
markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van
Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30). [22] Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de
lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op
plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen (herschikking) (PB L 96 van
29.3.2014, blz. 309). BIJLAGEN BIJLAGE
I Definitie
van de in artikel 4 bedoelde subcategorieën motoren Tabel I-1:
Subcategorieën van motorcategorie NRE zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 1 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Referentievermogen NRE || CI || variabel || 0<P<8 || NRE-v-1 || Maximaal nettovermogen CI || 8≤P<19 || NRE-v-2 CI || 19≤P<37 || NRE-v-3 CI || 37≤P<56 || NRE-v-4 alle || 56≤P<130 || NRE-v-5 130≤P≤560 || NRE-v-6 P>560 || NRE-v-7 CI || constant || 0<P<8 || NRE-c-1 || Nominaal nettovermogen CI || 8≤P<19 || NRE-c-2 CI || 19≤P<37 || NRE-c-3 CI || 37≤P<56 || NRE-c-4 alle || 56≤P<130 || NRE-c-5 130≤P≤560 || NRE-c-6 P>560 || NRE-c-7 Tabel I-2:
Subcategorieën van motorcategorie NRG zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 2 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Referentievermogen NRG || alle || variabel || P>560 || NRG-v-1 || Maximaal nettovermogen constant || P>560 || NRG-c-1 || Nominaal nettovermogen Tabel I-3: Subcategorieën van motorcategorie
NRSh zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 3 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Cilinderinhoud (cm3) || Subcategorie || Referentievermogen NRSh || SI || variabel of constant || 0<P<19 || SV<50 || NRSh-v-1a || Maximaal nettovermogen SV≥50 || NRSh-v-1b Tabel I-4: Subcategorieën van motorcategorie
NRS zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 4 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Cilinderinhoud (cm3) || Subcategorie || Referentievermogen NRS || SI || variabel, nominaal; of constant || 0<P<19 || 80≤SV<225 || NRS-vr-1a || Maximaal nettovermogen SV≥225 || NRS-vr-1b variabel, intermediair || 80≤SV<225 || NRS-vi-1a SV≥225 || NRS-vi-1b variabel of constant || 19≤P<30 || SV≤1 000 || NRS-v-2a || Maximaal nettovermogen SV>1 000 || NRS-v-2b 30≤P<56 || alle || NRS-v-3 || Maximaal nettovermogen Voor motoren
< 19 kW met SV < 80 cm3 in niet met
de hand vastgehouden machines worden motoren van de categorie NRSh gebruikt. Tabel I-5: Subcategorieën van motorcategorie
IWP zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 5 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Referentievermogen IWP || alle || variabel || 37≤P<75 || IWP-v-1 || Maximaal nettovermogen 75≤P<130 || IWP-v-2 130≤P<300 || IWP-v-3 300≤P<1 000 || IWP-v-4 P≥1 000 || IWP-v-5 constant || 37≤P<75 || IWP-c-1 || Nominaal nettovermogen 75≤P<130 || IWP-c-2 130≤P<300 || IWP-c-3 300≤P<1 000 || IWP-c-4 P≥1 000 || IWP-c-5 Tabel I-6: Subcategorieën van motorcategorie
IWA zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 6 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Referentievermogen IWA || alle || variabel || 560≤P<1 000 || IWA-v-1 || Maximaal nettovermogen P≥1 000 || IWA-v-2 constant || 560≤P<1 000 || IWA-c-1 || Nominaal nettovermogen P≥1 000 || IWA-c-2 Tabel I-7: Subcategorieën van motorcategorie
RLL zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 7 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Referentievermogen RLL || alle || variabel || P>0 || RLL-v-1 || Maximaal nettovermogen constant || P>0 || RLL-c-1 || Nominaal nettovermogen Tabel I-8: Subcategorieën van motorcategorie
RLR zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 8 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Referentievermogen RLR || alle || variabel || P>0 || RLR-v-1 || Maximaal nettovermogen constant || P>0 || RLR-c-1 || Nominaal nettovermogen Tabel I-9: Subcategorieën van motorcategorie
SMB zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 9 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Referentievermogen SMB || SI || variabel of constant || P>0 || SMB-v-1 || Maximaal nettovermogen Tabel I-10: Subcategorieën van motorcategorie
ATS zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 10 Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Referentievermogen ATS || SI || variabel of constant || P>0 || ATS-v-1 || Maximaal nettovermogen BIJLAGE
II Uitlaatemissiegrenswaarden
als bedoeld in artikel 17, lid 2 Tabel II-1: Fase V-emissiegrenswaarden
voor motorcategorie NRE als gedefinieerd in artikel 4, punt 1 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC || NOx || Deeltjesmassa || PN || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || #/kWh || Fase V || NRE-v-1 NRE-c-1 || 0<P<8 || CI || 8,00 || (HC+NOx≤7,50) || 0,401) || - || 1,10 Fase V || NRE-v-2 NRE-c-2 || 8≤P<19 || CI || 6,60 || (HC+NOx≤7,50) || 0,40 || - || 1,10 Fase V || NRE-v-3 NRE-c-3 || 19≤P<37 || CI || 5,00 || (HC+NOx≤4,70) || 0,015 || 1x1012 || 1,10 Fase V || NRE-v-4 NRE-c-4 || 37≤P<56 || CI || 5,00 || (HC+NOx≤4,70) || 0,015 || 1x1012 || 1,10 Fase V || NRE-v-5 NRE-c-5 || 56≤P<130 || alle || 5,00 || 0,19 || 0,40 || 0,015 || 1x1012 || 1,10 Fase V || NRE-v-6 NRE-c-6 || 130≤P≤560 || alle || 3,50 || 0,19 || 0,40 || 0,015 || 1x1012 || 1,10 Fase V || NRE-v-7 NRE-c-7 || P>560 || alle || 3,50 || 0,19 || 3,50 || 0,045 || - || 6,00 1) 0,6 voor
met de hand te starten en met lucht gekoelde motoren met directe inspuiting Tabel II-2: Fase V-emissiegrenswaarden voor
motorcategorie NRG zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 2 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC || NOx || Deeltjesmassa || PN || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || #/kWh || Fase V || NRG-v-1 NRG-c-1 || P>560 || alle || 3,50 || 0,19 || 0,67 || 0,035 || - || 6,00 Tabel II-3: Fase V-emissiegrenswaarden
voor motorcategorie NRSh zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 3 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC + NOx || || kW || || g/kWh || g/kWh Fase V || NRSh-v-1a || 0<P<19 || SI || 805 || 50 Fase V || NRSh-v-1b || 603 || 72 Tabel II-4: Fase V-emissiegrenswaarden
voor motorcategorie NRS zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 4 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC + NOx || || kW || || g/kWh || g/kWh Fase V || NRS-vr-1a NRS-vi-1a || 0<P<19 || SI || 610 || 10 Fase V || NRS-vr-1b NRS-vi-1b || 610 || 8 Fase V || NRS-v-2a || 19≤P≤30 || 610 || 8 Fase V || NRS-v-2b NRS-v-3 || 19≤P<56 || 4,40* || 2,70* * Optioneel
als alternatief een combinatie van waarden die voldoet aan de vergelijking
(HC+NOX) × CO0,784 ≤ 8,57
en de volgende voorwaarden: CO ≤ 20,6 g/kWh en (HC+NOX) ≤ 2,7 g/kWh Tabel II-5: Fase V-emissiegrenswaarden
voor motorcategorie IWP zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 5 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC || NOx || Deeltjesmassa || PN || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || #/kWh || Fase V || IWP-v-1 IWP-c-1 || 37≤P<75 || alle || 5,00 || (HC+NOx≤4,70) || 0,30 || - || 6,00 Fase V || IWP-v-2 IWP-c-2 || 75≤P<130 || alle || 5,00 || (HC+NOx≤5,40) || 0,14 || - || 6,00 Fase V || IWP-v-3 IWP-c-3 || 130≤P<300 || alle || 3,50 || 1,00 || 2,10 || 0,11 || - || 6,00 Fase V || IWP-v-4 IWP-c-4 || 300≤P <1 000 || alle || 3,50 || 0,19 || 1,20 || 0,02 || 1x1012 || 6,00 Fase V || IWP-v-5 IWP-c-5 || P>1 000 || alle || 3,50 || 0,19 || 0,40 || 0,01 || 1x1012 || 6,00 Tabel II-6: Fase V-emissiegrenswaarden voor
motorcategorie IWA zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 6 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC || NOx || Deeltjesmassa || PN || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || #/kWh || Fase V || IWA-v-1 IWA-c-1 || 560≤P <1 000 || alle || 3,50 || 0,19 || 1,20 || 0,02 || 1x1012 || 6,00 Fase V || IWA-v-2 IWA-c-2 || P≥1 000 || alle || 3,50 || 0,19 || 0,40 || 0,01 || 1x1012 || 6,00 Tabel II-7: Fase V-emissiegrenswaarden
voor motorcategorie RLL zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 7 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC || NOx || Deeltjesmassa || PN || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || #/kWh || Fase V || RLL-c-1 RLL-v-1 || P>0 || alle || 3,50 || (HC+NOx≤4,00) || 0,025 || - || 6,00 Tabel II-8: Fase V-emissiegrenswaarden
voor motorcategorie RLR zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 8 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC || NOx || Deeltjesmassa || PN || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || #/kWh || Fase V || RLR-c-1 RLR-v-1 || P>0 || alle || 3,50 || 0,19 || 2,00 || 0,015 || 1x1012 || 6,00 Tabel II-9: Fase V-emissiegrenswaarden
voor motorcategorie SMB zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 9 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || NOx || HC || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh Fase V || SMB-v-1 || P>0 || SI || 275 || - || 75 Tabel II-10: Fase V-emissiegrenswaarden
voor motorcategorie ATS zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 10 Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC + NOx || || kW || || g/kWh || g/kWh Fase V || ATS-v-1 || P>0 || SI || 400 || 8 Specifieke
bepalingen voor grenswaarden voor koolwaterstof (HC)
voor motoren op basis van volledig en gedeeltelijk gasvormige brandstof 1. Voor de subcategorieën waarvoor een
A-factor is vastgesteld worden de in de tabel aangegeven grenswaarden voor
koolwaterstof voor motoren op basis van volledig en gedeeltelijk gasvormige
brandstof vervangen door de grenswaarden berekend met de volgende formule: HC = 0,19 + (1,5*A*GER) waarbij GER staat voor de gemiddelde
gasenergieverhouding voor de betrokken cyclus. Wanneer zowel steadystate- als
transiënte testcycli van toepassing zijn, wordt GER bepaald vanuit de
transiënte testcyclus met warme start vastgesteld. Waar meer dan een
steadystatetestcyclus van toepassing is, wordt de gemiddelde GER voor elke
cyclus afzonderlijk vastgesteld. Indien de berekende grenswaarden voor HC de
waarde van 0,19 + A overschrijden, worden die grenswaarden
vastgesteld op 0,19 + A. Figuur 1. Schema van HC-emissiegrenswaarden
als functie van de gemiddelde gasenergieverhouding (GER) 2. Voor subcategorieën met een gezamenlijke
HC- en NOx-grenswaarde worden de gezamenlijke grenswaarden voor HC
en NOx verlaagd tot 0,19 g/kWh en gelden ze alleen voor NOx. 3. Voor motoren op basis van niet-gasvormige
brandstof geldt de formule niet. BIJLAGE
III Tijdschema
voor de toepassing van deze verordening
met betrekking tot EU-typegoedkeuring en het in de handel brengen Tabel III-1: Toepassingsdata van deze
verordening voor motorcategorie NRE Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren NRE || CI || 0<P<8 || NRE-v-1 NRE-c-1 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 CI || 8≤P<19 || NRE-v-2 NRE-c-2 CI || 19≤P<37 || NRE-v-3 NRE-c-3 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 37≤P<56 || NRE-v-4 NRE-c-4 alle || 56≤P<130 || NRE-v-5 NRE-c-5 || 1 januari 2019 || 1 januari 2020 130≤P≤560 || NRE-v-6 NRE-c-6 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 P>560 || NRE-v-7 NRE-c-7 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 Tabel
III-2: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie NRG Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren NRG || alle || P>560 || NRG-v-1 NRG-c-1 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 Tabel III-3: Toepassingsdata van deze
verordening voor motorcategorie NRSh Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren NRSh || SI || 0<P<19 || NRSh-v-1a NRSh-v-1b || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 Tabel
III-4: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie NRS Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren NRS || SI || 0<P<56 || NRS-vr-1a NRS-vi-1a NRS-vr-1b NRS-vi-1b NRS-v-2a NRS-v-2b NRS-v-3 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 Tabel
III-5: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie IWP Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren IWP || alle || 37<P<300 || IWP-v-1 IWP-c-1 IWP-v-2 IWP-c-2 IWP-v-3 IWP-c-3 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 300≤P <1 000 || IWP-v-4 IWP-c-4 || 1 januari 2019 || 1 januari 2020 P≥1 000 || IWP-v-5 IWP-c-5 || 1 januari 2020 || 1 januari 2021 Tabel
III-6: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie IWA Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren IWA || alle || 560≤P <1 000 || IWA-v-1 IWA-c-1 || 1 januari 2019 || 1 januari 2020 P≥1 000 || IWA-v-2 IWA-c-2 || 1 januari 2020 || 1 januari 2021 Tabel III-7: Toepassingsdata van deze
verordening voor motorcategorie RLL Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren RLL || alle || P>0 || RLL-v-1 RLL-c-1 || 1 januari 2020 || 1 januari 2021 Tabel III-8: Toepassingsdata van deze
verordening voor motorcategorie RLR Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren RLR || alle || P>0 || RLR-v-1 RLR-c-1 || 1 januari 2020 || 1 januari 2021 Tabel III-9 Toepassingsdata van deze
verordening voor motorcategorie SMB Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren SMB || SI || P>0 || SMB-v-1 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 Tabel
III-10: Toepassingsdata van deze verordening voor motorcategorie ATS Categorie || Ontstekingstype || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || Verplichte toepassingsdatum van deze verordening voor || || || || EU-typegoedkeuring van motoren || in de handel brengen van motoren ATS || SI || P>0 || ATS-v-1 || 1 januari 2018 || 1 januari 2019 BIJLAGE IV Steadystatetestcycli, niet voor
wegverkeer (NRSC) Tabel IV-1: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie NRE Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC NRE || variabel || Motor met variabel toerental met een referentievermogen van minder dan 19 kW || NRE-v-1 NRE-v-2 || G2 of C1 Motor met variabel toerental met een referentievermogen van 19 kW of meer maar niet meer dan 560 kW || NRE-v-3 NRE-v-4 NRE-v-5 NRE-v-6 || C1 Motor met variabel toerental met een referentievermogen van meer dan 560 kW || NRE-v-7 || C1 constant || Motor met constant toerental || NRE-c-1 NRE-c-2 NRE-c-3 NRE-c-4 NRE-c-5 NRE-c-6 NRE-c-7 || D2 Tabel IV-2: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie NRG Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC NRG || variabel || Motor met variabel toerental voor generatoraggregaat || NRG-v-1 || C1 constant || Motor met constant toerental voor generatoraggregaat || NRG-c-1 || D2 Tabel IV-3: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie NRSh Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC NRSh || variabel of constant || Motor met een referentievermogen van 19 kW of minder, voor gebruik in handapparatuur || NRSh-v-1a NRSh-v-1b || G3 Tabel IV-4: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie NRS Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC NRS || variabel, intermediair || Motor met variabel toerental met een referentievermogen van 19 kW of minder, bedoeld voor toepassing bij intermediair toerental || NRS-vi-1a NRS-vi-1b || G1 variabel, nominaal; of constant || Motor met variabel toerental met een referentievermogen van 19 kW of minder, bedoeld voor toepassing bij nominaal toerental; motor met variabel toerental met een referentievermogen van 19 kW of minder || NRS-vr-1a NRS-vr-1b || G2 variabel of constant || Motor met zowel een referentievermogen tussen 19 kW en 30 kW als een totale cilinderinhoud van minder dan 1 liter || NRS-v-2a || G2 Motor met een referentievermogen van meer dan 19 kW, behalve een motor met zowel een referentievermogen tussen 19 kW en 30 kW als een totale cilinderinhoud van minder dan 1 liter || NRS-v-2b NRS-v-3 || C2 Tabel IV-5: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie IWP Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC IWP || variabel || Motor met variabel toerental bestemd voor voortbeweging die volgens een vaste-spoedschroefcurve werkt || IWP-v-1 IWP-v-2 IWP-v-3 IWP-v-4 IWP-v-5 || E3 constant || Motor met constant toerental bestemd voor voortbeweging die met schroef met regelbare spoed of elektrisch gekoppelde schroef werkt || IWP-c-1 IWP-c-2 IWP-c-3 IWP-c-4 IWP-c-5 || E2 Tabel IV-6: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie IWA Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC IWA || variabel || Motor met variabel toerental met een referentievermogen van meer dan 560 kW bedoeld voor hulpgebruik voor binnenschepen || IWA-v-1 IWA-v-2 || C1 constant || Motor met constant toerental met een referentievermogen van meer dan 560 kW bedoeld voor hulpgebruik voor binnenschepen || IWA-c-1 IWA-c-2 || D2 Tabel IV-7: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie RLL Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC RLL || variabel || Motor met variabel toerental voor de voortbeweging van locomotieven || RLL-v-1 || F constant || Motor met constant toerental voor de voortbeweging van locomotieven || RLL-c-1 || D2 Tabel IV-8: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie RLR Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC RLR || variabel || Motor met variabel toerental voor de voortbeweging van treinstellen || RLR-v-1 || C1 constant || Motor met constant toerental voor de voortbeweging van treinstellen || RLR-c-1 || D2 Tabel IV-9: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie SMB Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC SMB || variabel of constant || Motoren voor de voortbeweging van sneeuwscooters || SMB-v-1 || H Tabel IV-10: NRSC-testcycli voor motoren uit
categorie ATS Categorie || Modus toerental || Doel || || NRSC ATS || variabel of constant || Motoren voor de voortbeweging van ATV's of SbS-voertuigen || ATS-v-1 || G1 Transiënte testcycli, niet voor
wegverkeer Tabel IV-11: Transiënte testcycli, niet voor
wegverkeer, voor motoren uit categorie NRE Categorie || Modus toerental || Doel || || NRE || variabel || Motor met variabel toerental met een referentievermogen van 19 kW of meer maar niet meer dan 560 kW || NRE-v-3 NRE-v-4 NRE-v-5 NRE-v-6 || NRTC Tabel IV-12: Transiënte testcycli, niet voor
wegverkeer, voor motoren uit categorie NRS1) Categorie || Modus toerental || Doel || || NRS || variabel of constant || Motor met een referentievermogen van meer dan 19 kW, behalve een motor met zowel een referentievermogen tussen 19 kW en 30 kW als een totale cilinderinhoud van minder dan 1 liter || NRS-v-2b NRS-v-3 || LSI-NRTC 1) Alleen van toepassing voor motoren met een
maximaal testtoerental ≤ 3 400 tpm. BIJLAGE
V Emissieduurzaamheidsperioden
als bedoeld in artikel 24, lid 1 Tabel V-1:
Emissieduurzaamheidsperioden (EDP) voor motorcategorie Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || EDP (uren) NRE || CI || variabel || 0<P<8 || NRE-v-1 || 3 000 CI || 8≤P<19 || NRE-v-2 CI || 19≤P<37 || NRE-v-3 || 5 000 CI || 37≤P<56 || NRE-v-4 || 8 000 alle || 56≤P<130 || NRE-v-5 130≤P≤560 || NRE-v-6 P>560 || NRE-v-7 CI || constant || 0<P<8 || NRE-c-1 || 3 000 CI || 8≤P<19 || NRE-c-2 CI || 19≤P<37 || NRE-c-3 CI || 37≤P<56 || NRE-c-4 || 8 000 alle || 56≤P<130 || NRE-c-5 130≤P≤560 || NRE-c-6 P>560 || NRE-c-7 Tabel IV-2:
Emissieduurzaamheidsperioden (EDP) voor motorcategorie Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || EDP (uren) NRG || alle || constant || P>560 || NRG-v-1 || 8 000 variabel || NRG-c-1 Tabel V-3:
Emissieduurzaamheidsperioden (EDP) voor motorcategorie NRSh Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Cilinderinhoud (cm3) || Subcategorie || EDP (uren) NRSh || SI || variabel of constant || 0<P<19 || SV<50 || NRSh-v-1a || 50/125/3001) SV≥50 || NRSh-v-1b 1) EDP-uren komen overeen met de EDP-categorieën
cat. 1/cat. 2/cat. 3 als gedefinieerd in de gedelegeerde
handelingen. Tabel V-4: Emissieduurzaamheidsperioden (EDP)
voor motorcategorie Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Cilinderinhoud (cm3) || Subcategorie || EDP (uren) NRS || SI || variabel, nominaal; of constant || 0<P<19 || 80≤SV<225 || NRS-vr-1a || 125/250/5001) variabel, intermediair || NRS-vi-1a variabel, nominaal; of constant || SV≥225 || NRS-vr-1b || 250/500/1 0001) variabel, intermediair || NRS-vi-1b variabel of constant || 19≤P<30 || SV≤1 000 || NRS-v-2a || 1 000 SV>1 000 || NRS-v-2b || 5 000 30≤P<56 || alle || NRS-v-3 || 5 000 1)
EDP-uren komen overeen met de EDP-categorieën
cat. 1/cat. 2/cat. 3 als gedefinieerd in de gedelegeerde
handelingen. Tabel V-5:
Emissieduurzaamheidsperioden (EDP) voor motorcategorie Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || EDP (uren) IWP || alle || variabel || 37≤P<75 || IWP-v-1 || 10 000 75≤P<130 || IWP -v-2 130≤P<300 || IWP -v-3 300≤P<1 000 || IWP -v-4 P≥1 000 || IWP -v-5 constant || 37≤P<75 || IWP -c-1 || 10 000 75≤P<130 || IWP -c-2 130≤P<300 || IWP -c-3 300≤P<1 000 || IWP -c-4 P≥1 000 || IWP -c-5 Tabel V-6 Emissieduurzaamheidsperioden (EDP)
voor motorcategorie IWA Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || EDP (uren) IWA || alle || variabel || 560≤P<1 000 || IWA-v-1 || 10 000 P≥1 000 || IWA-v-2 constant || 560≤P<1 000 || IWA-c-1 P≥1 000 || IWA-c-2 Tabel V-7:
Emissieduurzaamheidsperioden (EDP) voor motorcategorie RLL Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || EDP (uren) RLL || alle || variabel || P>0 || RLL-v-1 || 10 000 constant || P>0 || RLL-c-1 Tabel V-8: Emissieduurzaamheidsperioden (EDP)
voor motorcategorie RLR Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || EDP (uren) RLR || alle || variabel || P>0 || RLR-v-1 || 10 000 constant || P>0 || RLR-c-1 Tabel V-9:
Emissieduurzaamheidsperioden (EDP) voor motorcategorie SMB Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || EDP (uren) SMB || SI || variabel of constant || P>0 || SMB-v-1 || 400 Tabel V-10: Emissieduurzaamheidsperioden (EDP)
voor motorcategorie Categorie || Ontstekingstype || Modus toerental || Vermogensbereik (kW) || Subcategorie || EDP (uren) ATS || SI || variabel of constant || P>0 || ATS-v-1 || 500/1 0002) 2) EDP-uren komen overeen met de volgende totale
cilinderinhouden: <100 cm3 / ≥100 cm3. BIJLAGE
VI ATEX-emissiegrenswaarden
als bedoeld in artikel 32, lid 4 Tabel VI-1: ATEX-emissiegrenswaarden voor
motorcategorie NRE Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || THC || NOx || Deeltjesmassa || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || ATEX || NRE-v-1 NRE-c-1 || 0<P<8 || CI || 8 || 7,5 || 0,4 || 6,0 ATEX || NRE-v-2 NRE-c-2 || 8≤P<19 || CI || 6,6 || 7,5 || 0,4 || 6,0 ATEX || NRE-v-3 NRE-c-3 || 19≤P<37 || CI || 5,5 || 7,5 || 0,6 || 6,0 ATEX || NRE-v-4 NRE-c-4 || 37≤P<56 || CI || 5,0 || 4,7 || 0,4 || 6,0 ATEX || NRE-v-5 NRE-c-5 || 56≤P<130 || alle || 5,0 || 4,0 || 0,3 || 6,0 ATEX || NRE-v-6 NRE-c-6 || 130≤P≤560 || alle || 3,5 || 4,0 || 0,2 || 6,0 ATEX || NRE-v-7 NRE-c-7 || P>560 || alle || 3,5 || 6,4 || 0,2 || 6,0 Tabel VI-2: ATEX-emissiegrenswaarden voor
motorcategorie NRG Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || HC || NOx || Deeltjesmassa || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || ATEX || NRG-c-1 || P>560 || alle || 3,5 || 6,4 || 0,2 || 6,0 NRG-v-1 Tabel VI-3: ATEX-emissiegrenswaarden voor
motorcategorie RLL Emissiefase || Subcategorie motor || Vermogensbereik || Ontstekingstype || CO || THC || NOx || Deeltjesmassa || A || || kW || || g/kWh || g/kWh || g/kWh || g/kWh || ATEX || RLL-v-1 RLL-c-1 || P≤560 || alle || 3,5 || (HC+NOx≤4,0) || 0,2 || 6,0 ATEX || RLL-v-1 RLL-c-1 || P>560 kW || alle || 3,5 || 0,5 || 6,0 || 0,2 || 6,0 ATEX || RLL-v-1 RLL-c-1 || P>2 000 kW en SVc1)>5 liter || alle || 3,5 || 0,4 || 7,4 || 0,2 || 6,0 1) Cilinderinhoud per
cilinder