Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2015, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn /* COM/2014/0552 final - 2014/0254 (NLE) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL · Motivering en doel van het voorstel Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013
van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid moeten de
levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de
populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden
dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Een belangrijk instrument in
dit verband is de jaarlijkse vaststelling van de vangstmogelijkheden in de vorm
van totaal toegestane vangsten (TAC's – total allowable catches), quota en
beperkingen van de visserijinspanning. Het doel van dit voorstel is voor 2015 de
vangstmogelijkheden van de lidstaten vast te stellen voor de in commercieel
opzicht belangrijkste visbestanden in de Oostzee. Met het oog op de
vereenvoudiging en de verduidelijking van de jaarlijkse besluiten inzake TAC's
en quota worden de vangstmogelijkheden in de Oostzee sinds 2006 bij een
afzonderlijke verordening vastgesteld. · Algemene context De Internationale Raad voor het onderzoek van
de zee (ICES – International Council for the Exploration of the Sea) en het
Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV)
hebben voor 2015 in mei 2014, respectievelijk juni 2014 wetenschappelijk advies
uitgebracht over de bestanden in de Oostzee. Het voorstel bevat twee delen die van belang
zijn om de visserij in de Oostzee in 2015 door middel van vangstmogelijkheden
te beheren: één inzake het vaststellen van TAC's en quota, en een tweede inzake
het beperken van de visserijinspanning door de activiteit van de
vissersvaartuigen (aantal zeedagen) te begrenzen. · Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied De vangstmogelijkheden en de verdeling daarvan
over de lidstaten worden jaarlijks vastgesteld. Het meest recente instrument is
Verordening (EU) nr. 1180/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot
vaststelling, voor 2014, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden
en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn. Eveneens relevant voor het beheer van de
visserij in de Oostzee is Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21
december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische
maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot
wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening
(EG) nr. 88/98. Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de
Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de
kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden
exploiteren, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 779/97 bevat de controle- en
monitoringmaatregelen voor het herstel van de betrokken kabeljauwbestanden.
Bovendien bevat die verordening regels voor de vaststelling van de TAC's voor
de westelijke en de oostelijke kabeljauwbestanden en de bij de visserij op die
bestanden in acht te nemen beperkingen van de visserijinspanning. · Samenhang met andere EU-beleidsgebieden en -doelstellingen De voorgestelde maatregelen zijn in
overeenstemming met de doelstellingen en de voorschriften van het
gemeenschappelijk visserijbeleid en met het beleid van de Unie inzake duurzame
ontwikkeling. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING · Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Belangrijkste geraadpleegde organisaties en
deskundigen De geraadpleegde wetenschappelijke fora zijn
de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk,
Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV). De Unie verzoekt de ICES en het WTECV elk jaar
om wetenschappelijk advies over de toestand van de belangrijke visbestanden.
Het ontvangen advies bestrijkt alle bestanden in de Oostzee waarvoor TAC's
worden voorgesteld. · Raadpleging van belanghebbende partijen De adviesraad voor de Oostzee (BSAC – Baltic
Sea Advisory Council) is in juni 2014 tijdens de vergadering van zijn
gezamenlijke werkgroep voor de demersale/pelagische visserij geraadpleegd op
basis van de door de ICES opgestelde beoordeling van de visbestanden. Naast de
ICES heeft het WTECV de wetenschappelijke basis voor het voorstel aangeleverd.
De in dat verband ingenomen voorlopige standpunten over alle betrokken
visbestanden zijn in overweging genomen en waar mogelijk in het voorstel
verwerkt voor zover deze niet indruisten tegen het bestaande beleid of konden
leiden tot een verslechtering van de toestand van kwetsbare bestanden. Het
wetenschappelijk advies over vangstbeperkingen is ook behandeld in het
BALTFISH-forum. · Effectbeoordeling De totale vangstmogelijkheden die voor 2015
worden voorgesteld, bedragen ca. 629 000 ton – en liggen daarmee 12 % hoger dan
in 2014[1].
Uitgesplitst naar bestand komt dit neer op een toename van de TAC's voor vier
haringbestanden (met gemiddeld 31 %) en een afname voor het westelijke
kabeljauwbestand (met 48 %), voor sprot (met 17 %) en voor twee zalmbestanden
(met 15 % in aantal stuks). Uitgaande van de gemiddelde prijzen van de
aangelande vis die in 2012 in acht Oostzeelanden[2]
werden opgetekend, zal de waarde van de vangstmogelijkheden voor
haringbestanden in 2015 met bijna 80 miljoen EUR stijgen, tot een totale waarde
van 164 miljoen EUR. De TAC voor westelijke kabeljauw is het sterkst afgenomen,
van een waarde van 32 miljoen EUR in 2014 tot 14 miljoen EUR in 2015. Deze
waardeverlaging zal echter minder significant zijn aangezien in 2013 slechts 60
% van het kabeljauwquotum is benut en wordt aangenomen dat dit vangstniveau in 2014
en 2015 zal worden aangehouden. Het voorstel is niet alleen gericht op de
korte termijn, maar past ook in de langeretermijnaanpak om de visserij
geleidelijk tot een duurzaam niveau te reduceren en op dat niveau te houden. De
gekozen benadering zal daarom, op de middellange tot lange termijn, resulteren
in een stabiele visserijinspanning en hogere quota. Op de lange termijn wordt
zowel een verduurzaming van de visserijactiviteiten als een toename van de
aanlandingen verwacht. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL · Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en) Dit voorstel tot vaststelling van
vangstbeperkingen voor EU-visserijen staat in het teken van de doelstelling van
het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name de levende biologische
rijkdommen van de zee zo exploiteren dat de populaties van de gevangen soorten
boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst
kan opleveren. · Rechtsgrondslag Artikel 43, lid 3, van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). · Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel valt onder de exclusieve
bevoegdheid van de Unie, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), VWEU. Het
subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. · Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende redenen in overeenstemming
met het evenredigheidsbeginsel. Het gemeenschappelijk visserijbeleid is een
gemeenschappelijk beleid. Krachtens artikel 43, lid 3, VWEU dient de Raad
maatregelen aan te nemen tot vaststelling en verdeling van de
vangstmogelijkheden. Bij de betrokken verordening van de Raad
worden vangstmogelijkheden aan de lidstaten toegewezen. Met inachtneming van
artikel 16, leden 6 en 7, en artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013
mogen de lidstaten deze mogelijkheden volgens de in die artikelen vastgestelde
voorwaarden verdelen over de regio's of de marktdeelnemers. De lidstaten kunnen
dus met een ruime mate aan vrijheid en conform het sociaaleconomische model van
hun keuze beslissen hoe zij de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden benutten. Het voorstel heeft geen nieuwe financiële
gevolgen voor de lidstaten. De Raad stelt elk jaar een verordening als de
onderhavige vast, en de openbare en particuliere middelen voor de
tenuitvoerlegging van deze verordening zijn reeds beschikbaar. · Keuze van instrumenten Voorgesteld(e) instrument(en): verordening. Dit is een voorstel voor visserijbeheer op
basis van artikel 43, lid 3, VWEU. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de
begroting van de Unie. 5. AANVULLENDE INFORMATIE · Vereenvoudiging Het voorstel zorgt voor een verdere
vereenvoudiging van de administratieve procedures voor (EU- of nationale)
overheidsinstanties aangezien het bepalingen bevat die vergelijkbaar zijn met
de uit 2014 daterende verordening over de vangstmogelijkheden in de Oostzee. · Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling Het voorstel betreft een jaarlijkse
verordening, dit keer voor het jaar 2015, en bevat derhalve geen
herzieningsclausule. · Gedetailleerde toelichting In dit voorstel worden voor de lidstaten die
in de Oostzee visserijactiviteiten verrichten, de voor 2015 geldende
vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden
vastgesteld. De aanlandingsverplichting voor in bepaalde
visserijen gevangen vis wordt van toepassing op 1 januari 2015. In de Oostzee
wordt in het kader van deze visserijen vis bovengehaald uit bestanden waarvoor
in deze verordening TAC's en quota zijn vastgesteld, met name: kleine
pelagische visserijen (haring- en sprotbestanden), zalmvisserijen
(zalmbestanden) en kabeljauwvisserijen (kabeljauwbestanden), waar de soort de
visserij bepaalt. Met ingang van 1 januari 2017 is in de Oostzee de
aanlandingsverplichting van toepassing op vangsten van soorten die de visserij
niet bepalen, maar wel onder TAC's vallen, zoals schol. Als gevolg van de
aanlandingsverplichting moeten de vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 16,
lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 niet meer worden vastgesteld als
afspiegeling van de aangelande hoeveelheid maar als afspiegeling van de
gevangen hoeveelheid. Dit gebeurt op basis van wetenschappelijk advies voor de
visbestanden in visserijen als vermeld in artikel 15, lid 1, van Verordening
(EU) nr. 1380/2013. De vangstmogelijkheden moeten ook worden
vastgesteld overeenkomstig artikel 16, lid 1 (beginsel van relatieve
stabiliteit) en artikel 16, lid 4 (doelstellingen van het gemeenschappelijk
visserijbeleid en de voorschriften in meerjarenplannen). De voorgestelde cijfers zijn gebaseerd op
actueel wetenschappelijk advies en overleg met de BSAC. Waar dit van toepassing
is, zijn met het oog op de vaststelling van EU-quota voor met de Russische
Federatie gedeelde bestanden de respectieve hoeveelheden van deze bestanden
afgetrokken van de door de ICES geadviseerde TAC’s. Aangezien de Commissie van plan is om overeenkomstig
het EU-beleid en de door de EU aangegane internationale verbintenissen een
duurzaam gebruik van de visserijrijkdommen te garanderen en tegelijkertijd de
vangstmogelijkheden stabiel te houden, worden de TAC's van jaar tot jaar zo min
mogelijk gewijzigd voor zover dat mogelijk is in het licht van de toestand van
de betrokken bestanden. De aan de lidstaten toegewezen TAC’s en quota
zijn opgenomen in bijlage I bij de verordening. Alle vijf pelagische bestanden (vier
haringbestanden en een sprotbestand) en het westelijke kabeljauwbestand in de
Oostzee moeten in 2015 op MSY-niveau worden bevist; daarom stemmen de
voorgestelde TAC's overeen met de MSY-visserijsterfte. De TAC's voor zalm en
schol in de Finse Golf zijn in overeenstemming met de door de ICES ontwikkelde
aanpak van bestanden waarvoor weinig gegevens beschikbaar zijn. De TAC voor
zalm in het centrale deel stemt overeen met de vangstcontrolevoorschriften in
het meerjarenplan voor het Baltische zalmbestand (COM(2011) 470 final). Het
advies en de TAC voor het oostelijke kabeljauwbestand moeten nog worden
verduidelijkt door de ICES[3]. Uit een achteraf verrichte analyse van het
westelijke kabeljauwbestand blijkt dat de werkelijke visserijsterfte hoger ligt
dan het streefcijfer in het meerjarenplan voor de Baltische kabeljauwbestanden
en overeenkomstig artikel 6 van het meerjarenplan met 10 % moet worden
verlaagd. De ICES vindt dat een dergelijke verlaging haaks staat op de
voorzorgsbenadering en adviseert een forsere verlaging op basis van de MSY-benadering.
Krachtens artikel 7 van het meerjarenplan kan de Raad een TAC vaststellen die
lager is dan de TAC die voortvloeit uit de toepassing van artikel 6. Deze
afwijking is niet mogelijk voor de visserijinspanning en bijgevolg moet het
aantal zeedagen overeenkomstig artikel 8, lid 4, met 10 % worden verlaagd. Vanwege biologische veranderingen in het
oostelijke kabeljauwbestand heeft de ICES geen biologisch referentiepunten,
d.w.z. werkelijke visserijsterfte, voor dit bestand ter beschikking gesteld.
Bij het opstellen van het plan werd ervan uitgegaan dat de toename van het
kabeljauwbestand stabiel zou blijven – wat niet meer het geval is. Ook de ICES
heeft erkend dat de groei van het oostelijke kabeljauwbestand de afgelopen
jaren dramatisch afneemt en dat de biologische referentiepunten niet meer
kunnen worden bepaald. Daarom – aldus de ICES – is het meerjarenplan voor de
Baltische kabeljauwbestanden niet meer bruikbaar als basis voor een advies over
het oostelijke kabeljauwbestand en moet – nog steeds volgens de ICES – worden
geopteerd voor een TAC op basis van de aanpak voor bestanden waarover weinig
gegevens beschikbaar zijn. Bijgevolg kunnen de artikelen 6, 7 en 8 van het
meerjarenplan in 2015 niet worden toegepast op het oostelijke kabeljauwbestand
aangezien de in het plan opgenomen voorschriften voor de vaststelling van de
TAC's en de visserijinspanning zijn gebaseerd op deze referentiepunten. Zolang
echter geen voorstel voor een nieuw meerjarenplan voor de Oostzee op tafel
wordt gelegd, is het zaak te voorkomen dat het oostelijke kabeljauwbestand
vanwege het ontbreken van TAC's wordt overgeëxploiteerd en moeten de
vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het plan en artikel 43,
lid 3, van het Verdrag worden vastgesteld op basis van de aanpak die de ICES
heeft ontwikkeld. Bij Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad
zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's ingevoerd,
onder meer, op grond van artikel 3 en artikel 4, in de vorm van flexibiliteit
voor bestanden waarvoor TAC's bij wijze van voorzorgsmaatregel en analytische
TAC's zijn vastgesteld. Krachtens artikel 2 van die verordening bepaalt de
Raad, bij de vaststelling van de TAC's, op basis van onder meer de biologische
situatie van de bestanden voor welke bestanden de artikelen 3 en 4 niet van
toepassing zijn. Recent is deze flexibiliteit bij artikel 15, lid 9, van
Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingevoerd voor alle bestanden waarop de
aanlandingsverplichting van toepassing is. Om te voorkomen dat excessieve
flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie
van de levende biologische rijkdommen van de zee zou ondergraven en een
belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het
gemeenschappelijk visserijbeleid, moet worden verduidelijkt dat de artikelen 3
en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen van toepassing zijn wanneer de
lidstaten geen gebruik maken van de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15,
lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. 2014/0254 (NLE) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling, voor 2015, van de
vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in
de Oostzee van toepassing zijn DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Overwegende hetgeen volgt: (1) Krachtens Verordening (EU)
nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad[4] moeten maatregelen
inzake de toegang tot wateren en hulpbronnen en inzake de duurzame uitoefening
van visserijactiviteiten worden vastgesteld met inachtneming van het
beschikbare wetenschappelijke, technische en economische advies en met name van
het verslag van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de
visserij (WTECV) alsmede met inachtneming van eventueel advies van adviesraden
die zijn opgericht voor de betrokken geografische gebieden of
bevoegdheidsgebieden. (2) Het is de taak van de Raad
maatregelen inzake het vaststellen en verdelen van de vangstmogelijkheden te
treffen per visserij of groep van visserijen, in voorkomend geval met inbegrip
van bepaalde voorwaarden die daar functioneel mee verbonden zijn.
Overeenkomstig artikel 16, leden 1 en 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013
moeten de vangstmogelijkheden zo tussen de lidstaten worden verdeeld dat de
relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van iedere lidstaat voor elk
visbestand of elke visserij wordt gewaarborgd en dat de in artikel 2, lid 2,
van die verordening vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk
visserijbeleid in acht worden genomen. (3) Daarom moeten de totaal
toegestane vangsten (total allowable catches – TAC's) worden vastgesteld,
overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 en de in overweging 1 vermelde
beginselen. (4) Voor kleine pelagische
visserijen (haring en sprot) en de kabeljauw- en de zalmvisserij in de Oostzee
wordt de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde
aanlandingsverplichting van toepassing op 1 januari 2015. In artikel 16, lid 2,
van die verordening is bepaald dat, wanneer de aanlandingsverplichting met
betrekking tot een visbestand is ingevoerd, de vangstmogelijkheden moeten
worden vastgesteld met inachtneming van het feit dat vangstmogelijkheden niet
meer worden vastgesteld als afspiegeling van de aanlanding maar als
afspiegeling van de vangsten. (5) Voor bestanden waarvoor
specifieke meerjarenplannen gelden, dienen de vangstmogelijkheden
overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 te worden
vastgesteld volgens de in die plannen vervatte voorschriften. Bijgevolg moeten
de vangstbeperkingen en de beperkingen van de visserijinspanning voor het
kabeljauwbestand in de deelsectoren 22-24 worden vastgesteld overeenkomstig het
bij Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad[5]
vastgestelde kabeljauwplan voor de Oostzee. (6) Uit recent wetenschappelijk
advies blijkt dat de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES)
de biologische referentiepunten voor het kabeljauwbestand in de deelsectoren 25-32
niet kon vaststellen; de ICES heeft als alternatief aanbevolen om de TAC voor
dit kabeljauwbestand vast te stellen aan de hand van de aanpak voor bestanden
waarvoor weinig gegevens beschikbaar zijn. Bij gebrek aan biologische
referentiepunten is het onmogelijk om de vangstmogelijkheden en de
inspanningsniveaus voor het kabeljauwbestand in de deelsectoren 25-32 volgens
de voorschriften vast te stellen. Aangezien de duurzaamheid van dat bestand
ernstig in gevaar kan komen wanneer geen vangstmogelijkheden worden bepaald, is
het raadzaam de TAC's voor dit kabeljauwbestand vast te stellen op een niveau
dat overeenstemt met de benadering die door de ICES is ontwikkeld en
aanbevolen. (7) Uit het wetenschappelijke
advies blijkt dat er ruimte bestaat om de visserijinspanning voor het
kabeljauwbestand in de deelsectoren 22-24 in de Oostzee flexibel te beheren,
zonder dat daarbij de doelstellingen van het plan voor de Baltische
kabeljauwbestanden in het gedrang komen en zonder dat de visserijsterfte zal
toenemen. Deze flexibiliteit zou het mogelijk maken om de visserijinspanning
efficiënter te beheren wanneer de quota niet gelijk over de vloot van een
lidstaat zijn verdeeld, en om snel te reageren wanneer quota worden
uitgewisseld. Daarom moet een lidstaat de mogelijkheid krijgen om aan
vaartuigen die zijn vlag voeren, extra buitengaatse dagen toe te kennen indien
een gelijk aantal buitengaatse dagen wordt afgenomen van andere vaartuigen die
de vlag van die lidstaat voeren. (8) De bij deze verordening
vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig
Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad[6],
en met name de artikelen 33 en 34 betreffende de registratie van de vangsten en
de visserijinspanning, respectievelijk de mededeling van gegevens over de
uitputting van de vangstmogelijkheden. Derhalve moeten de codes worden
gespecificeerd die de lidstaten dienen te gebruiken wanneer zij gegevens aan de
Commissie toezenden betreffende de aangelande hoeveelheden van bestanden die onder
deze verordening vallen. (9) Bij Verordening (EG) nr. 847/96
van de Raad zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's
ingevoerd, onder meer, op grond van artikel 3 en artikel 4, in de vorm van
flexibiliteit voor bestanden waarvoor TAC's bij wijze van voorzorgsmaatregel en
analytische TAC's zijn vastgesteld. Krachtens artikel 2 van die verordening
bepaalt de Raad, bij de vaststelling van de TAC's, op basis van onder meer de
biologische situatie van de bestanden voor welke bestanden de artikelen 3 en 4
niet van toepassing zijn. Recent is deze flexibiliteit bij artikel 15, lid 9,
van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingevoerd voor alle bestanden waarop de
aanlandingsverplichting van toepassing is. Om te voorkomen dat excessieve
flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie
van de levende biologische rijkdommen van de zee zou ondergraven, een
belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het
gemeenschappelijk visserijbeleid, en tot een verslechtering in de biologische
toestand van de bestanden zou leiden, moet worden bepaald dat de artikelen 3 en
4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen van toepassing zijn op analytische
TAC's wanneer de lidstaten geen gebruik maken van de jaarflexibiliteit als
bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. (10) Om een onderbreking van de
visserijactiviteiten te voorkomen en om het inkomen van de vissers van de Unie
veilig te stellen, is het van belang dat de onder deze verordening vallende
visserijen met ingang van 1 januari 2015 worden geopend. Gezien de urgentie
dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te
treden, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Hoofdstuk I
Algemene bepalingen Artikel 1
Onderwerp Bij deze verordening worden voor 2015 de
vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de
Oostzee vastgesteld. Artikel 2
Toepassingsgebied Deze verordening is van toepassing op
Unievissersvaartuigen die actief zijn in de Oostzee. Artikel 3
Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt
verstaan onder: (1) "ICES": de Internationale Raad voor het onderzoek
van de zee; (2) "Oostzee":
de ICES-sectoren IIIb, IIIc en IIId; (3) "deelsector": een
ICES-deelsector van de Oostzee als gedefinieerd in bijlage I bij Verordening
(EG) nr. 2187/2005 van de Raad[7]; (4) "vissersvaartuig": elk
vaartuig dat is uitgerust voor de commerciële exploitatie van biologische
rijkdommen van de zee; (5) "Unievissersvaartuig": een
vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is
geregistreerd; (6) "visserijinspanning": het
product van de capaciteit en de activiteit van een vissersvaartuig; voor een
groep vissersvaartuigen is dit de som van de visserijinspanning van alle
vaartuigen in de groep; (7) "bestand": in een bepaald
beheersgebied voorkomende biologische rijkdom van de zee; (8) "totaal toegestane
vangst": de hoeveelheid van elk bestand die mag worden: i) gevangen in één jaar, in het geval van
visserijen waarop een aanlandingsverplichting van toepassing is op grond van
artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, of ii) aangeland in één jaar, in het geval van
visserijen waarop geen aanlandingsverplichting van toepassing is op grond van
artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013; (9) "quotum": een gedeelte van
de TAC dat is toegewezen aan de Unie, aan een lidstaat of aan een derde land. Hoofdstuk II
Vangstmogelijkheden Artikel 4
TAC's en toewijzingen De TAC’s, de quota en, in voorkomend geval, de
functioneel daarmee verbonden voorwaarden worden vastgesteld in bijlage I. Artikel 5
Bijzondere bepalingen over
toewijzingen De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig
deze verordening aan de lidstaten toegewezen onverminderd: a) het uitwisselen van vangstmogelijkheden op
grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013; b) kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van
artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009; c) extra aanlandingen die worden toegestaan in
het kader van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 of artikel 15, lid 9,
van Verordening (EU) nr. 1380/2013; c) hoeveelheden die worden ingehouden
overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 of overgedragen in het
kader van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013; e) kortingen op grond van de artikelen 105, 106
en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. Artikel 6
Voorwaarden voor het
aanlanden van vangsten en bijvangsten waarop de aanlandingsverplichting niet
van toepassing is Vangsten en bijvangsten van schol mogen
slechts aan boord worden gehouden of worden aangeland indien deze zijn
bovengehaald door Unievissersvaartuigen die de vlag voeren van een lidstaat die
over een niet-opgebruikt quotum beschikt. Artikel 7
Beperkingen van de
visserijinspanning De beperkingen van de visserijinspanning
worden vastgesteld in bijlage II. HOOFDSTUK III
Slotbepalingen Artikel 8
Toezending van gegevens Wanneer de lidstaten overeenkomstig de
artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking
tot de gevangen of aangelande hoeveelheden vis aan de Commissie doen toekomen,
gebruiken zij daarvoor de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde
bestandscodes. Artikel 9
Flexibiliteit 1. Tenzij anders vermeld in bijlage I bij
deze verordening is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op
bestanden waarvoor TAC's bij wijze van voorzorgsmaatregel zijn vastgesteld, en
zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing
op bestanden waarvoor analytische TAC's zijn vastgesteld. 2. Die artikelen zijn evenwel niet van
toepassing wanneer de lidstaat gebruik maakt van de jaarflexibiliteit als
bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1380/2013. Artikel 10
Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag
na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari
2015. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] Excl. het oostelijke kabeljauwbestand en incl. het
omgerekende gewicht voor de kabeljauwbestanden (1 stuk weegt gemiddeld 4,5 kg).
[2] EUMOFA, jaarlijkse gegevens, op 22.5.2004 opgehaald op http://ec.europa.eu/fisheries/market-observatory/home. [3] WTECV, Analyse van het wetenschappelijk advies voor 2015
– deel 1. Advies over Baltische bestanden (WTECV-14-10), blz. 12. [4] Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement
en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid,
tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de
Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004
van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
[5] Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad van 18
september 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de
kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden
exploiteren, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking
van Verordening (EG) nr. 779/97 (PB L 248 van 22.9.2007, blz. 1). [6] Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20
november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de
naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen
(PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1). [7] Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december
2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van
de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont (PB L 349 van 31.12.2005,
blz. 1). BIJLAGEN bij het Voorstel voor een VERORDENING VAN DE
RAAD tot vaststelling, voor 2015, van de
vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in
de Oostzee van toepassing zijn BIJLAGE I
NAAR SOORT EN GEBIED UITGESPLITSTE TAC'S VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN GEBIEDEN
WAAR TAC'S GELDEN Onderstaande tabellen bevatten de TAC's en
quota per bestand (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) en de
voorwaarden die daar functioneel verband mee houden. Tenzij anders bepaald, zijn de verwijzingen
naar visserijzones verwijzingen naar ICES-zones. De visbestanden zijn vermeld in alfabetische
volgorde op de Latijnse naam van de soort. Voor de toepassing van deze verordening geldt
de volgende vergelijkende tabel van wetenschappelijke en gewone namen: Wetenschappelijke naam || Drielettercode || Gewone naam Clupea harengus || HER || Haring Gadus morhua || COD || Kabeljauw Pleuronectes platessa || PLE || Schol Salmo salar || SAL || Atlantische zalm Sprattus sprattus || SPR || Sprot Soort: || Haring || || Gebied: || Deelsectoren 30-31 || || || Clupea harengus || || HER/3D30.; HER/3D31. Finland || 152 932 || || Zweden || 33 602 || || || || || Unie || 186 534 || || || || || TAC || 186 534 || || Analytische TAC Soort: || Haring || || Gebied: || Deelsectoren 22-24 || Clupea harengus || || HER/3B23.; HER/3C22.; HER/3D24. || Denemarken || 3 115 || || Duitsland || 12 259 || Finland || 2 || || Polen || 2 891 || Zweden || 3 953 || || || || Unie || 22 220 || || || || TAC || 22 220 || || Analytische TAC Het bepaalde in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. || || || Soort: || Haring || || Gebied: || Uniewateren van de deelsectoren 25-27, 28.2, 29 en 32 || Clupea harengus || || HER/3D25.; HER/3D26.; HER/3D27.; HER/3D28.2; HER/3D29.; HER/3D32. Denemarken || 3 744 || || Duitsland || 993 || || Estland || 19 120 || || Finland || 37 321 || || Letland || 4 718 || || Litouwen || 4 968 || || Polen || 42 400 || || Zweden || 56 921 || || || || || Unie || 170 185 || || || || || TAC || Niet relevant || Analytische TAC Soort: || Haring || || Gebied: || Deelsector 28.1 || Clupea harengus || || HER/03D.RG || || || Estland || 17 908 || || Letland || 20 872 || || || || || Unie || 38 780 || || || || || TAC || 38 780 || || Analytische TAC || || || Soort: || Kabeljauw || Gebied: || Uniewateren van de deelsectoren 25-32 || Gadus morhua || || COD/3D25.; COD/3D26.; COD/3D27.; COD/3D28.; COD/3D29.; COD/3D30.; COD/3D31.; COD/3D32. Denemarken || pm || || Duitsland || pm || || Estland || pm || || Finland || pm || || Letland || pm || || Litouwen || pm || || Polen || pm || || Zweden || pm || || || || || Unie || pm || || || || || TAC || Niet relevant || Voorzorgs-TAC Het bepaalde in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. || || || Soort: || Kabeljauw || || Gebied: || Deelsectoren 22-24 || || Gadus morhua || || COD/3B23.; COD/3C22.; COD/3D24. Denemarken || 3 838 || || Duitsland || 1 877 || || Estland || 85 || || Finland || 75 || || Letland || 318 || || Litouwen || 206 || || Polen || 1 027 || || Zweden || 1 367 || || || || || Unie || 8 793 || || || || || TAC || 8 793 || || Analytische TAC Het bepaalde in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. || || || Soort: || Schol || || Gebied: || Uniewateren van de deelsectoren 22-32 || || Pleuronectes platessa || || PLE/3B23.; PLE/3C22.; PLE/3D24.; PLE/3D25.; PLE/3D26.; PLE/3D27.; PLE/3D28.; PLE/3D29.; PLE/3D30.; PLE/3D31.; PLE/3D32. Denemarken || 2 327 || || Duitsland || 259 || || Polen || 487 || || Zweden || 176 || || || || || Unie || 3 249 || || || || || TAC || 3 249 || || Voorzorgs-TAC Soort: || Atlantische zalm || Gebied: || Uniewateren van de deelsectoren 22-31 || Salmo salar || || SAL/3B23.; SAL/3C22.; SAL/3D24.; SAL/3D25.; SAL/3D26.; SAL/3D27.; SAL/3D28.; SAL/3D29.; SAL/3D30.; SAL/3D31. Denemarken || 20 290 || (1) || Duitsland || 2 257 || (1) || Estland || 2 062 || (1) || Finland || 25 300 || (1) || Letland || 12 905 || (1) || Litouwen || 1 517 || (1) || Polen || 6 155 || (1) || Zweden || 27 425 || (1) || || || || Unie || 97 911 || (1) || || || || TAC || Niet relevant || Analytische TAC Het bepaalde in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. __________ || || || (1) Aantal stuks Soort: || Atlantische zalm || Gebied: || Uniewateren van deelsector 32 || Salmo salar || || SAL/3D32. || || || Estland || 1 029 || (1) || Finland || 9 005 || (1) || || || || Unie || 10 034 || (1) || || || || TAC || Niet relevant || Voorzorgs-TAC __________ || || || (1) Aantal stuks Soort: || Sprot || || Gebied: || Uniewateren van de deelsectoren 22-32 || || Sprattus sprattus || || SPR/3B23.; SPR/3C22.; SPR/3D24.; SPR/3D25.; SPR/3D26.; SPR/3D27.; SPR/3D28.; SPR/3D29.; SPR/3D30.; SPR/3D31.; SPR/3D32. Denemarken || 19 691 || || Duitsland || 12 475 || || Estland || 22 866 || || Finland || 10 308 || || Letland || 27 617 || || Litouwen || 9 990 || || Polen || 58 608 || || Zweden || 38 067 || || || || || Unie || 199 622 || || || || || TAC || Niet relevant || || Analytische TAC BIJLAGE II
BEPERKINGEN VAN DE VISSERIJINSPANNING 1. De lidstaten wijzen onder hun
vlag varende Unievissersvaartuigen het recht toe om, behalve in de periode van 1
tot en met 30 april wanneer artikel 8, lid 1, onder a), van Verordening (EG)
nr. 1098/2007 van toepassing is, 132 dagen buitengaats door te brengen in de
ICES-deelsectoren 22-24, mits deze vaartuigen vissen met: a) trawls, Deense zegennetten of soortgelijk
vistuig met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 90 mm; b) kieuwnetten, warrelnetten of
schakelnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 90 mm; c) geankerde beugen, beuglijnen met
uitzondering van vrije beuglijnen, met handlijnen of de peur. 2. In afwijking van punt 1 kan
een lidstaat, wanneer dat voor een efficiënt beheer van de vangstmogelijkheden
noodzakelijk is, extra buitengaatse dagen aan onder zijn vlag varende
vaartuigen toekennen mits: a) een gelijk aantal buitengaatse dagen
wordt afgenomen van andere onder zijn vlag varende vaartuigen waarvoor in
hetzelfde gebied een inspanningsbeperking geldt, en b) de in kW uitgedrukte capaciteit van de
vaartuigen die dagen afgeven, op zijn minst zo groot is als die van de
vaartuigen die dagen ontvangen. 3. Het aantal vaartuigen dat
overeenkomstig punt 2 rechten ontvangt, mag maximaal 15 % uitmaken van het
totale aantal vaartuigen van de betrokken lidstaat als bedoeld in lid 1.