28.4.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 140/22


Advies van het Europees Comité van de Regio's — Groen actieplan voor het mkb en Initiatief voor groene werkgelegenheid

(2015/C 140/05)

Rapporteur

:

Satu Tietari (FI/ALDE), lid van de gemeenteraad van Säkylä

Referentiedocumenten

:

Mededeling over een Groen actieplan voor het mkb

(COM(2014) 440 final)

Mededeling over een Initiatief voor groene werkgelegenheid

(COM(2014) 446 final)

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO'S

1.

stelt vast dat „groene” criteria de laatste jaren een steeds grotere rol zijn gaan spelen in de politieke besluitvorming. De zorg om het milieu strekt zich uit tot steeds meer beleidsterreinen en is inmiddels een overkoepelend beleidsaspect geworden. In de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei wordt de overgang naar een groen, koolstofarm en hulpbronnenefficiënt economisch model cruciaal genoemd

2.

Een van de centrale thema's in onderhavige Commissiemededelingen is het begrip „groene economie”. Daarmee wordt een economisch model bedoeld dat „groei en ontwikkeling veilig stelt, de volksgezondheid en het welzijn waarborgt, voor fatsoenlijke banen zorgt, ongelijkheden reduceert en investeert in biodiversiteiten, waaronder de hieruit voortvloeiende ecosysteemdiensten (natuurlijk kapitaal), omdat het intrinsieke waarde bezit en een essentiële bijdrage levert aan het menselijk welzijn en de economische welvaart, en deze in stand houdt” (1).

3.

De overgang naar een groene economie heeft directe gevolgen voor het concurrentievermogen van het bedrijfsleven en de Europese economie in haar geheel. Natuurlijke hulpbronnen worden steeds schaarser. De consumptie neemt almaar toe, waardoor de grenzen aan de draagkracht van het milieu in zicht komen. Met het oog op het behoud en de versterking van het concurrentievermogen en de welvaart is het niet alleen wenselijk maar zelfs noodzakelijk dat de EU tijdig overschakelt op een groene economie.

4.

Het CvdR steunt de Commissiemededelingen over het Groene actieplan voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) en het Initiatief voor groene werkgelegenheid.

5.

De Commissie betoogt in beide mededelingen dat een geslaagde overgang naar een groene economie van cruciaal belang is voor het concurrentievermogen van de Europese Unie, zowel nu als in de toekomst. Het CvdR deelt dit standpunt.

6.

Het CvdR wijst nadrukkelijk op de centrale rol die de overheid, m.i.v. de lokale en regionale overheden, speelt bij het creëren van de voorwaarden voor die overgang naar een groene economie. Overheidsinstanties moeten niet alleen de overgang naar een groene economie bevorderen, maar moeten zelf ook het goede voorbeeld geven bij de uitvoering van projecten, programma’s, wetgeving, aanwerving en het creëren van arbeidsplaatsen, in een nieuw model voor een groene economie.

7.

Het acht het van fundamenteel belang dat de inspanningen om het groene concurrentievermogen van het mkb te vergroten worden voortgezet door verbetering van de toegang tot financiering, betere voorlichting, vereenvoudiging van de wetgeving, reducering van de administratieve rompslomp en bevordering van een groene ondernemingscultuur.

8.

Het CvdR steunt het doel van het Initiatief voor groene werkgelegenheid om het werkgelegenheidsbeleid en het milieubeleid op elkaar af te stemmen ten behoeve van een concurrerende, groene en hulpbronnenefficiënte economie.

9.

De kwestie van nieuwe bekwaamheden is vooral belangrijk voor jonge mensen, die tegen deprimerend hoge werkloosheidscijfers (22 %) aankijken en beter toegerust moeten worden voor de banen van de toekomst in met name de groene sector.

10.

Het CvdR is het eens met de Commissie dat de onderwijs- en opleidingsprogramma's en de beroepskwalificatievereisten herbekeken en geactualiseerd moeten worden om de overgang naar de groene economie te bevorderen.

11.

De situatie verschilt sterk van bedrijf tot bedrijf: sommige ondernemingen bieden nu al groene producten en diensten aan, terwijl andere het bij traditionele producten en diensten houden, maar evengoed hun voordeel zouden kunnen doen met milieuvriendelijkere energiebronnen en grondstoffen.

Uitgangspunten

12.

De milieuproblematiek bergt zowel kansen als gevaren voor ondernemingen, hun werknemers, de arbeidsmarkt en de EU in zich.

13.

Een duidelijke omschrijving van de basisbegrippen en -cijfers en de uitgangspositie van de groene economie is essentieel. In onderlinge overeenstemming moeten uniforme en eenduidige begrippen en cijfers worden vastgelegd.

14.

Een geslaagde overgang naar een groene economie is van cruciaal belang voor het concurrentievermogen van de Europese Unie, zowel nu als in de toekomst. Consistente definities zijn hier essentieel.

15.

De overgang naar een groene economie heeft ontegenzeggelijk een regionale dimensie. Lokale en regionale overheden spelen een centrale rol op het gebied van onderwijs en opleiding, infrastructuur, ondersteuning van het lokale bedrijfsleven en het opzetten van arbeidsbemiddelingsdiensten. Daarnaast zij gewezen op plaatselijk gelanceerde groene initiatieven die als voorbeeld kunnen dienen voor andere gebieden in de EU.

16.

De lokale omstandigheden kunnen zeer verschillen evenals de uitdagingen waarvoor lokale en regionale overheden staan. Bij de vergroening van de economie moet met deze uiteenlopende regionale omstandigheden rekening worden gehouden.

17.

Voor een succesvolle overgang naar een groene economie zijn vier elementen belangrijk: 1) reductie: het algehele grondstoffen- en energieverbruik moet omlaag, 2) gebruik van schone energie: om externe afhankelijkheid te voorkomen, de uitstoot terug te dringen en werkgelegenheid te creëren, 3) efficiëntie: in de hele waardeketen van een product of dienst moet efficiënter gebruik worden gemaakt van grondstoffen en energie, 4) networking en uitwisseling van succesvolle praktijken; de uitwisseling van ervaringen tussen lidstaten en sectoren kan bijdragen tot een groter aanbod van groene producten en diensten op markten buiten de EU, en 5) beschikbaarheid van financiering: basisvoorwaarde is dat er middelen ter beschikking staan en dat de administratieve rompslomp tot een minimum wordt beperkt. Financieringsaanvragen moeten eenvoudig en in begrijpelijke taal opgesteld zijn en ook voor andere commerciële zaken gebruikt kunnen worden.

Doel

18.

Momenteel vallen op de interne markt nog grote verschillen in energie-efficiëntie tussen de verschillende regio's en lidstaten waar te nemen. Het CvdR dringt daarom aan op maatregelen om de energie-efficiëntie te bevorderen door uitwisseling van geslaagde maar ook mislukte praktijken.

19.

Voor de uitvoering van bedoelde maatregelen zijn in de eerste plaats de lokale en regionale overheden, en dan met name de gemeenten, verantwoordelijk; er moet dan ook worden overwogen deze te financieren uit het huidige communautaire kader.

20.

De energie-efficiëntie moet in alle stadia van de waardeketen worden verbeterd, om de vraag naar grondstoffen significant te verminderen. Deze aanpak, waarbij naar de hele waardeketen wordt gekeken, moet zowel in de activiteiten van de overheid als in die van het bedrijfsleven worden geïntegreerd.

21.

Het Groene Actieplan zou zich vooral moeten richten op EU-maatregelen waarmee lopende „groene” initiatieven ter ondersteuning van het mkb op nationaal en regionaal niveau gecoördineerd en versterkt kunnen worden.

22.

De nadruk ligt op hernieuwbare energiebronnen en biobrandstoffen, zaken waarover de EU voldoende kennis, know-how en technologie in huis heeft. Daarom pleit het CvdR voor het opheffen van belemmeringen die ontwikkeling in de weg staan om een aanzienlijke hoeveelheid groene kwaliteitsbanen te creëren en een impuls te geven aan onderzoek, ontwikkeling en innovatie in deze sector.

23.

Het CvdR onderstreept het belang van „groen denken” en pleit voor een uitbreiding van het gebruik van de EU-etiketteringsregelingen voor het aanduiden van de oorsprong in alle lidstaten.

24.

Het CvdR staat positief tegenover het plan van de Commissie om in 2015 een Europees kenniscentrum inzake hulpbronnenefficiëntie op te richten en in te bedden in een partnernetwerk in alle Europese regio's, maar dringt erop aan dat de Commissie duidelijker aangeeft wie de partners zullen zijn en hoe ze gekozen zullen worden.

25.

Belangrijk is bovendien dat de lokale en regionale overheden hierbij worden betrokken. Zij zijn het beste op de hoogte van de bijzondere lokale en regionale omstandigheden en uitdagingen en hebben er het meeste zicht op wie de belangrijkste lokale belanghebbenden zijn. Het is daarom belangrijk dat in kaart wordt gebracht in hoeverre de verschillende regio's de lokale verantwoordelijken kunnen helpen om na te gaan waar de investeringsclusters liggen, welke steunmaatregelen nodig zijn voor zelfstandige ondernemers en welke (specialistische) opleidingen in verband met de verschillende aspecten van de groene economie kunnen worden ingericht.

26.

Er moeten ecologische doelstellingen voor producten worden vastgesteld. De economische actoren moeten ervan worden doordrongen dat het belangrijk is om milieuvriendelijke producten te maken.

Visie

27.

De voor de vergroening van de economie vereiste kennis en vaardigheden dienen voor iedereen in alle lidstaten toegankelijk te zijn, zeker wat betreft de centrale vraagstukken. Ook moet ervoor gezorgd worden dat het kwalificatieniveau op lokaal niveau niet achterblijft.

28.

Het principe van levenslang leren moet sterker worden gepropageerd. Het leren toepassen en beheersen van nieuwe kennis is cruciaal, aangezien een groene economie veranderingen en transparantie in alle onderdelen van de waardeketen impliceert.

29.

Werk en vaardigheden zijn momenteel nog onvoldoende op elkaar afgestemd. De omschakeling van het systeem verloopt langzaam. Een goed voorbeeld van een initiatief waarbij getracht wordt werkgevers en werknemers met het voor een bepaalde baan vereiste kwalificatieniveau bijeen te brengen, is het ESCO-project van de Commissie. Voor verdere voorstellen voor de afstemming van werk en vaardigheden verwijst het CvdR naar zijn advies over een „EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering” (2).

30.

De groene economie zal door de overgang naar een kringloop- en koolstofarme economie nieuwe innovatieve banen scheppen, wat betekent dat oude banen zullen moeten wijken en functiebeschrijvingen zullen moeten worden herzien.

31.

Het CvdR dringt erop aan dat nauwere samenwerking tussen overheidsinstanties, mkb, verenigingen en onderwijsinstellingen wordt bevorderd, aangezien de beheersing van een nieuw soort kennis gerichtere en beter op elkaar afgestemde maatregelen en financieringsinstrumenten vergt.

32.

Het CvdR vestigt de aandacht op het belang van onderzoek en technologische ontwikkeling (O&TO) als hefboom van de groene economie; met middelen uit de huidige Europese begroting moet de samenwerking worden bevorderd tussen universiteiten, kleine en middelgrote ondernemingen en lokale en regionale overheden, die op elkaar afgestemd zijn als kennisschakels (onderwijs, onderzoek en innovatie) in synergetische vormen als clusters of platforms voor open innovatie voor het (wederzijds) delen van kennis.

33.

De lokale en regionale overheden horen vanwege hun omvangrijke expertise en bevoegdheden op dit vlak ten volle betrokken te worden bij deze coördinatiemaatregelen. Er zijn nu al goede voorbeelden van samenwerkingsprojecten, opgezet door regionale overheden, voor energieadvies aan het bedrijfsleven en de bevolking, waarbij o.m. informatie wordt verstrekt over de verschillende steun- en financieringsmogelijkheden, aanbevelingen voor maatregelen worden gedaan, een overzicht wordt gegeven van de aanbieders van technische voorzieningen en diensten, en hulp bij openbare aanbestedingen wordt geboden.

Strategie

34.

Het CvdR is het eens met de Commissie dat de onderwijs- en opleidingsprogramma's en de beroepskwalificatievereisten, in nauwe samenwerking met de nationale, regionale en lokale overheden, herbekeken en geactualiseerd moeten worden, zodat rekening kan worden gehouden met de overgang naar de groene economie en deze kan worden bevorderd. Ook stelt het voor dat in alle onderwijs- en opleidingstrajecten ten minste één module aan deze problematiek wordt gewijd. Daarnaast moet worden bekeken hoe de impact van de opleidingen kan worden gemonitord, Er is behoefte aan monitoring op de lange termijn, zowel op hoger als op lager niveau.

35.

Het CvdR vraagt zich met bezorgdheid af of er wel voldoende opleidingen op het gebied van groene economie en vaardigheden zijn, of hierin wel voldoende wordt geanticipeerd op toekomstige behoeften en of het niveau ervan in de verschillende lidstaten wel hoog genoeg is. Het is uitermate belangrijk dat in de lidstaten opleidingsmodules worden ontwikkeld waarin plaats is voor zowel milieuvaardigheden als juridische en zakelijke vaardigheden. Tevens zal er in dit verband voor gezorgd moeten worden dat ambtenaren over de nodige kennis en capaciteiten beschikken.

36.

De kwestie van nieuwe capaciteiten is vooral belangrijk voor jonge mensen, die beter toegerust zullen moeten zijn voor de banen van de toekomst in met name de groene sector.

37.

Er is behoefte aan een bredere visie en aandacht voor langetermijneffecten als we de milieuvaardigheden willen combineren met zakelijke vaardigheden. Reeds in het lager onderwijs zal een milieu- en ondernemingsvriendelijke denkwijze moeten worden ontwikkeld, omdat nieuwe beroepen vragen om vaardigheden op het gebied van zowel natuurwetenschappen als techniek en wiskunde. Deze bewustwording moet ook een vooraanstaande plaats krijgen in de opleidingsprogramma’s voor volwassenen.

38.

Het baart zorgen dat maar weinig kleine en middelgrote ondernemingen zich bewust zijn van de mogelijkheid om efficiënter om te gaan met hulpbronnen en zich er rekenschap van geven welke financiële voordelen toepassing van deze kennis concreet kan opleveren.

39.

De lokale, regionale en nationale overheden zouden mechanismen voor positieve discriminatie kunnen invoeren ten gunste van bedrijven die zich laten leiden door de beginselen van de groene economie en de criteria van maatschappelijk verantwoord ondernemen, onder meer via verlaging van lokale en regionale belastingen en heffingen, het uitschrijven van openbare aanbestedingen en de toekenning van belastingvoordelen.

40.

Kleine en middelgrote bedrijven zullen specifiek per sector voorlichting moeten krijgen over opleidings- en financieringsmogelijkheden, omdat dit soort ondernemingen niet altijd doordrongen zijn van het belang van scholing op het gebied van groene economie.

41.

Er moeten stimuleringsmaatregelen ter perfectionering van vaardigheden worden ontwikkeld, wat nodig is voor het verwerven van nieuwe kennis en kwalificaties. We zullen in staat moeten zijn om op ruimere schaal gebruik te maken van alle soorten recycleerbaar materiaal, om op basis hiervan nieuwe en innovatieve producten te ontwikkelen en om de in dit verband relevante regels en voorschriften toe te passen.

42.

In vijf jaar tijd heeft 75 % van de kleine en middelgrote bedrijven in de EU hogere kosten moeten maken voor grondstoffen. Om het concurrentievermogen van deze bedrijven veilig te stellen zullen er snel maatregelen moeten worden genomen om te experimenteren met nieuwe methoden en zullen deze systematisch moeten worden verbreid.

43.

De verschillende sectoren zullen zich nader moeten buigen over de mogelijkheden die er zijn om de onderlinge samenwerking op te voeren, en ze zullen moeten bestuderen hoe ze profijt kunnen trekken van elkaars dienstverleningscapaciteiten, producten of onderdelen daarvan. Dit biedt vooral kleine ondernemers mogelijkheden op zakelijk vlak. Door zich te verenigen in netwerken zouden ze in groter verband kunnen opereren. Hiervan moeten voorbeelden worden verzameld en goede praktijken dienen te worden verspreid in de lidstaten.

44.

Nagegaan moet worden welke mogelijkheden het mkb allemaal heeft om grondstoffen die reeds gebruikt zijn en als reststof zijn overgebleven, opnieuw op te nemen in het productieproces en de waardeketen of eventueel zelfs te benutten in het productieproces van andere ondernemingen. Ter illustratie zij verwezen naar op de omstandigheden ter plaatse afgestemde en op een gesloten-circuitproces gebaseerde energieoplossingen, waarbij afvalstoffen, restenergie, warmte, nutriënten en kooldioxide worden benut en hergebruikt voor de productie van energie en levensmiddelen.

45.

Er moet meer worden samengewerkt tussen bedrijven uit de sector biologische levensmiddelen en andere, potentieel daaraan verbonden sectoren, zoals de gastronomie, restaurants, plattelandstoerisme, boerderijtoerisme, natuurtoerisme, duurzame en ambachtelijke verpakkingen, ambachtslieden, duurzame bouw, ambachtelijke levensmiddelen, enz.

46.

Er moeten voorlichtingscampagnes voor de burgers in de EU op touw worden gezet, waarin wordt gewezen op de mogelijkheden die ieder voor zich heeft om de hoeveelheid afval en de verwerking ervan te beïnvloeden.

47.

Bij het realiseren van de emissiedoelstellingen van de EU spelen gemeenten een doorslaggevende rol. Een aansprekend voorbeeld is het project „Op weg naar een koolstofneutrale gemeente”, waarin wordt gestreefd om gemeentelijke stakeholders — de gemeente zelf, de bevolking en het bedrijfsleven — over te halen zich vast te leggen op een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. In het kader van dit project wordt gezocht naar nieuwe en innoverende oplossingen ter bevordering van de werkgelegenheid, gebaseerd op een duurzaam gebruik van plaatselijk voorhanden natuurlijke hulpbronnen en een grotere energie-efficiency.

48.

Het CvdR ziet veel in de ontwikkeling van actiekaders op het gebied van deeleconomie en diensteneconomie, waarin het traditionele eigendomsmodel is vervangen door een aanpak waarbij de consument een product kan aanschaffen als een dienst en dat product aan het einde van zijn levenscyclus kan terugbezorgen aan de fabrikant voor recyclage.

49.

Het zou goed zijn als er betere rekenmodellen werden ontwikkeld waarmee betrouwbaardere gegevens over het energieverbruik kunnen worden verkregen.

50.

Als we willen dat er producten komen die op milieuvriendelijke wijze zijn vervaardigd en daarnaast commercieel aanslaan, dan zullen er aanzienlijke financiële middelen moeten worden gestoken in zowel de productontwikkeling als de lancering en registratie van producten en diensten die het resultaat zijn van deze productontwikkeling. In de toekomst zullen we af moeten van regelgeving die een snelle ontwikkeling van nieuwe innovaties in de weg staat of afremt. Regelgeving zal juist mogelijkheden hiertoe moeten bieden.

51.

Het gebruik van milieubeheersystemen en met name het Europese systeem EMAS moet worden bevorderd, met als doel de groene cultuur te integreren in de besluitvorming van ondernemingen, om zo hun werking doeltreffender te maken en het publiek beter te informeren over hun milieuprestaties.

Effecten

52.

Het CvdR deelt de opvatting van de Commissie dat de lidstaten ook de arbeidskosten kunnen terugdringen als ze gebruik maken van de veilingopbrengsten in het kader van de EU-regeling voor de emissiehandel. Wel zij opgemerkt dat deze regeling in haar huidige vorm geen optimaal effect sorteert.

53.

Het is een goede zaak dat in het initiatief de nadruk wordt gelegd op de bevordering van ondernemerschap. In dit verband herinnert het CvdR aan zijn eigen standpunt dat Europa jongeren erop moet wijzen dat ondernemen een veelbelovende optie is om een toekomstige carrière op te bouwen.

54.

Naast de groene economie kan ook sociaal ondernemerschap worden gezien als een waardevol alternatief voor traditionele bedrijfsvoeringsmodellen, om het even of er al dan niet sprake is van een winstoogmerk. In dit verband juicht het CvdR het toe dat de Commissie voornemens is de toegang van sociale ondernemingen tot financiering te vergemakkelijken.

55.

Door innovatie, nieuw productdesign en vernieuwing van productie- en bedrijfsvoeringsmodellen kunnen ondernemingen het gebruik van dure primaire grondstoffen en hun hoeveelheid afval verminderen.

56.

De totstandkoming van een uniform Europees systeem voor certificering van de groene economie zou vooral voor het bedrijfsleven positief uitpakken. Op de lange termijn zou dit ten goede komen aan de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid, omdat het van te voren duidelijk zou zijn hoe de wet moet worden toegepast bij allerlei conflicten van juridische aard.

57.

Grondstoffen, water en energie zijn goed voor de helft van alle productiekosten die ondernemingen moeten opbrengen (3), zodat terugdringing van die buitensporige kostenpost voor bedrijven via herziening van het productie-, vervoers- en distributiesysteem van de energie zelf, alsook een efficiënter gebruik van hulpbronnen en energie enorme besparingen zouden opleveren. Een en ander is eens zo actueel geworden in het licht van de stijging van de prijzen voor energie en tal van grondstoffen zoals die zich de laatste jaren heeft voorgedaan.

58.

De regionale en lokale actoren zouden doelgerichte informatie moeten krijgen over de mogelijkheden van de Europese financieringsbronnen voor de programmeringsperiode 2014-2020 waaruit kan worden geput voor het ondersteunen van de vergroening van het mkb, zoals het EFRO, het ESF, het ELFPO, het LIFE-programma, de faciliteit voor de financiering van natuurlijk kapitaal, het instrument voor de particuliere financiering van energie-efficiëntie, COSME en Horizon 2020.

59.

Er moet worden nagedacht over de mogelijke invoering van milieubelastingen en -heffingen als instrumenten om de gedeelde milieuaansprakelijkheid te bevorderen, die volgens de Commissie minder nadelig zijn voor de groei en tegelijkertijd zowel de milieuprestaties verbeteren als bevorderlijk zijn voor de werkgelegenheid. De lidstaten waar reeds ervaringen zijn opgedaan met milieubelastingen, zouden hieraan meer bekendheid kunnen geven, terwijl andere lidstaten hun voorbeeld zouden kunnen volgen.

60.

De Commissie en de lidstaten hebben desbetreffende indicatoren en instrumenten ontwikkeld met behulp waarvan meer gedetailleerde gegevens over de arbeidsmarkt in de EU, de lidstaten en de regio's verkregen kunnen worden. In de lidstaten zou bij de tenuitvoerlegging en de overdracht van gegevens gebruik moeten worden gemaakt van geüniformeerde EU-modules, zodat een en ander meer effect kan sorteren.

61.

Het CvdR wil er andermaal op wijzen dat, om een ondernemingsvriendelijk klimaat tot stand te brengen, overheden dienen te investeren in een kwalitatief hoogstaande infrastructuur in sectoren als vervoer en digitale technologie, en dat ze daartoe door de Europese Unie gesteund moeten worden.

62.

Het is duidelijk dat het mkb niet over de nodige kennis, netwerken en IT-vaardigheden beschikt en daarom moeite heeft om te profiteren van de mogelijkheden die worden geboden door afvalpreventie en het hergebruik van producten, grondstoffen en afvalmateriaal als onderdeel van de verschillende waardeketens.

63.

De hoge kosten van investeringen die in de beginfase moeten worden opgebracht, kunnen de belangstelling om activiteiten inzake hergebruik en recyclage van hulpbronnen doen verflauwen, want kleine en middelgrote bedrijven moeten het idee hebben dat hun activiteiten commercieel lonend zijn. Er zullen dan ook fiscale en wetgevende maatregelen en andere vormen van steun moeten worden voorzien om de gevolgen hiervan beperkt te houden.

64.

Het is noodzakelijk dat groene normen, die de biodiversiteit respecteren en de beleidsmaatregelen ter beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering bevorderen, op grotere schaal in alle lidstaten worden ingevoerd en verbreid en dat de consumenten hiervan regelmatig op de hoogte worden gehouden.

65.

De principes die zijn uitgewerkt in de EU-normen voor de groene economie, zouden ten volle moeten worden overgenomen door het mkb en een vast onderdeel moeten worden van alle bedrijfsactiviteiten, maar daarnaast is het van essentieel belang dat de afnemers van eindproducten, d.w.z. de consumenten, worden overgehaald om producten te kopen met het predicaat „ecologisch verantwoord”.

66.

Een groenere waardeketen, bestaande uit herfabricage, reparatie, onderhoud, recyclage en ecodesign, zou veel kleine en middelgrote bedrijven aanzienlijke commerciële mogelijkheden kunnen bieden, maar er zijn juridische, institutionele, technische en culturele obstakels die dit verhinderen. Deze obstakels zullen weggenomen moeten worden, en indien dit niet mogelijk is, moeten bedrijven worden geholpen deze te overwinnen.

Brussel, 12 februari 2015

De voorzitter van het Comité van de Regio’s

Markku MARKKULA


(1)  Deze definitie komt uit Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet”. PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171-200.

(2)  CdR 1319/2014

(3)  Europe INNOVA (2012) Guide to resource efficiency in manufacturing: Experiences from improving resource efficiency in manufacturing companies, blz. 6. Hier in te zien.