22.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 443/86


P7_TA(2014)0348

Verzoek om verdediging van de immuniteit van Alexander Mirsky

Besluit van het Europees Parlement van 15 april 2014 over het verzoek om verdediging van de immuniteit en de voorrechten van Alexander Mirsky (2014/2026(IMM))

(2017/C 443/18)

Het Europees Parlement,

gezien het verzoek van Alexander Mirsky om verdediging van zijn immuniteit in verband met een bij het Hooggerechtshof van Letland (senaat, burgerlijke kamer) aanhangige civiele procedure, dat op 14 februari 2014 werd ingediend, en van de ontvangst waarvan op 24 februari 2014 ter plenaire vergadering kennis werd gegeven,

gezien artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010 en 6 september 2011 (1),

gezien het woordelijke verslag van de plenaire vergadering van 4 april 2011,

gezien artikel 5, lid 2, en de artikelen 6 bis en 7 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7-0273/2014),

A.

overwegende dat Alexander Mirsky, lid van het Europees Parlement, heeft verzocht om verdediging van zijn parlementaire immuniteit in verband met een bij het Hooggerechtshof van Letland aanhangige civiele procedure; overwegende dat bedoelde procedure is ingesteld naar aanleiding van de beslissing van de burgerlijke kamer van het gerechtshof van Riga (hierna. ‘het gerechtshof van Riga’) waarbij Alexander Mirsky werd gelast een uitspraak die hij in een rede voor het Europees Parlement op 4 april 2011 heeft gemaakt, in te trekken en LVL 1 000 te betalen aan eisers als immateriële schadevergoeding voor de schade die dezen zeggen te hebben geleden;

B.

overwegende dat volgens artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie tegen de leden van het Europees Parlement geen opsporing kan plaatsvinden en dat zij niet aangehouden of vervolgd kunnen worden op grond van de mening of stem die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht;

C.

overwegende dat het Parlement zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten inzet voor handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken;

D.

overwegende dat het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat gelet op het doel van artikel 8 van het Protocol, te weten de bescherming van de vrije meningsuiting en de onafhankelijkheid van de leden van het Europees Parlement, en de bewoordingen ervan, die behalve naar meningsuitingen uitdrukkelijk naar door de Europese afgevaardigden uitgebrachte stemmen verwijzen, dit artikel voornamelijk toepassing moet vinden op verklaringen die door die afgevaardigden worden uitgebracht binnen de gebouwen van het Europees Parlement (2);

E.

overwegende dat de immuniteit uit hoofde van artikel 8 van het Protocol, waar deze strekt tot bescherming van de vrije meningsuiting en de onafhankelijkheid van leden van het Europees Parlement, moet worden aangemerkt als een absolute immuniteit die in de weg staat aan elke juridische procedure met betrekking tot een mening of stem die in de uitoefening van het parlementaire ambt is uitgebracht (3);

F.

overwegende dat de immuniteit tegen rechtsvervolging die de leden van het Europees Parlement genieten, ook voor civielrechtelijke zaken geldt;

G.

overwegende dat het verzoek van Alexander Mirsky samenhangt met een tegen hem ingesteld geding wegens uitlatingen tijdens een spreektijd van een minuut in de plenaire vergadering van 4 april 2011; overwegende dat in confesso vaststaat dat Alexander Mirsky lid was van het Europees Parlement op het moment dat hij zijn gewraakte uitspraak deed;

H.

overwegende dat de rechtbank van Jūrmala terecht heeft geconstateerd dat Alexander Mirsky als lid van het Europees Parlement immuniteit geniet uit hoofde van artikel 8 van het Protocol en de vordering van eiser daarom heeft afgewezen; overwegende dat het gerechtshof van Riga daarentegen geheel is voorbijgegaan aan de toepasselijkheid van die bepaling; overwegende dat een nationale rechter verplicht is het primaire recht van de EU toe te passen;

I.

overwegende dat de zaak tegen Alexander Mirsky nog steeds voor het Hooggerechtshof aanhangig is en dat de definitieve uitspraak hem alsnog in het gelijk kan stellen; overwegende evenwel dat een bekrachtiging van het arrest van het gerechtshof van Riga door het Hooggerechtshof zou neerkomen op een inbreuk op het primaire EU-recht door de Letse autoriteiten;

J.

overwegende dat met het arrest van het gerechtshof van Riga in feite al inbreuk is gemaakt op de voorrechten en immuniteiten van Alexander Mirsky; overwegende dat de omstandigheden rond de zaak een beperking opleveren op een mening die in de uitoefening van het parlementaire ambt is uitgebracht;

1.

besluit de immuniteit en de voorrechten van Alexander Mirsky te verdedigen;

2.

verzoekt de Europese Commissie stappen te ondernemen bij de Letse autoriteiten om het primaire EU-recht te doen eerbiedigen — met name artikel 8 van protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie — en zonodig een inbreukprocedure aanhangig te maken op basis van artikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

3.

verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Commissie, de bevoegde autoriteiten van de Republiek Letland en aan Alexander Mirsky.


(1)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T 345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C 200/07 en C 201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T 42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C 163/10, ECLI:EU:C:2011:543.

(2)  Zaak C-163/10 Patriciello, reeds aangehaald, punt 29.

(3)  Gevoegde zaken C-200/07 en C-201/07 Marra v. De Gregorio en Clemente, reeds aangehaald, punt 27.