Aanbeveling voor een AANBEVELING VAN DE RAAD over het nationale hervormingsprogramma 2014 van België en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2014 van België /* COM/2014/0402 final */
Aanbeveling voor een AANBEVELING VAN DE RAAD over het nationale hervormingsprogramma 2014
van België
en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2014 van België DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4, Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de
Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties
en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid[1], en met name artikel 5,
lid 2, Gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het
Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en
correctie van macro-economische onevenwichtigheden[2], en met name artikel 6,
lid 1, Gezien de aanbeveling van de Europese
Commissie[3], Gezien de resoluties van het Europees
Parlement[4], Gezien de conclusies van de Europese Raad, Gezien het advies van het Comité voor de
werkgelegenheid, Gezien het advies van het Economisch en
Financieel Comité, Gezien het advies van het Comité voor sociale
bescherming, Gezien het advies van het Comité voor de
economische politiek, Overwegende hetgeen volgt: (1)
Op 26 maart 2010 heeft de Europese Raad zijn
goedkeuring gehecht aan het voorstel van de Commissie voor een nieuwe groei- en
werkgelegenheidsstrategie; deze Europa 2020-strategie moet voor een betere
coördinatie van het economisch beleid zorgen en spitst zich toe op de
sleutelgebieden waarop Europa's potentieel voor duurzame groei en
concurrentievermogen een krachtige impuls nodig heeft. (2)
Op voorstel van de Commissie heeft de Raad op 13
juli 2010 een aanbeveling inzake de globale richtsnoeren voor het economisch
beleid van de lidstaten en de Unie (2010-2014) en op 21 oktober 2010 een
besluit betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de
lidstaten vastgesteld, die samen de "geïntegreerde richtsnoeren"
vormen. De lidstaten werd verzocht in hun nationaal economisch en
werkgelegenheidsbeleid met de geïntegreerde richtsnoeren rekening te houden. (3)
Op 29 juni 2012 hebben de staatshoofden en
regeringsleiders van de lidstaten besloten tot een Pact voor groei en banen,
dat een samenhangend kader biedt voor actie op het niveau van de lidstaten, de
EU en de eurozone, waarbij alle mogelijke hefbomen, instrumenten en
beleidsvormen worden ingezet. Zij hebben bepaald welke maatregelen op het
niveau van de lidstaten moeten worden genomen, en met name verklaard
vastbesloten te zijn om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te
verwezenlijken en de landspecifieke aanbevelingen uit te voeren. (4)
Op 9 juli 2013 heeft de Raad
een aanbeveling over het nationale hervormingsprogramma voor 2013 van België
vastgesteld en een advies over het geactualiseerde stabiliteitsprogramma van
België voor de periode 2012-2016 uitgebracht. In
overeenstemming met Verordening (EU) nr. 473/2013[5]
heeft de Commissie op 15 november 2013 haar advies over het
ontwerpbegrotingsplan van België voor 2014 gepresenteerd[6]. (5)
Op 13 november 2013 heeft de Commissie haar
goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse[7] en daarmee de aanzet
gegeven tot het Europees semester 2014 voor coördinatie van het economisch
beleid. Op dezelfde dag heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011
het waarschuwingsmechanismeverslag[8]
aangenomen. Daarin werd België genoemd als een van de lidstaten die aan een
diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. (6)
Op 20 december 2013 heeft de Europese Raad de
prioriteiten inzake financiële stabiliteit, begrotingsconsolidatie en
groeibevorderende maatregelen goedgekeurd. Hij benadrukte dat moet worden
gestreefd naar gedifferentieerde, groeivriendelijke begrotingsconsolidatie,
normalisering van de kredietverschaffing aan de economie, bevordering van groei
en concurrentievermogen, aanpakken van de werkloosheid en van de sociale
gevolgen van de crisis, en modernisering van de overheidsdiensten. (7)
Op 5 maart 2014 heeft de Commissie de uitkomsten
gepubliceerd van de diepgaande evaluatie voor België[9] die zij op grond van
artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 betreffende de preventie en
correctie van macro-economische onevenwichtigheden heeft uitgevoerd. Op basis
van haar analyse concludeert de Commissie dat België nog steeds wordt
geconfronteerd met macro-economische onevenwichtigheden die in het oog moeten
worden gehouden en een beleidsoptreden vergen. In het bijzonder de
ontwikkelingen op het vlak van het externe concurrentievermogen voor goederen
vereisen onverminderd aandacht omdat een verdere verslechtering een bedreiging
vormt voor de macro-economische stabiliteit. (8)
Op 30 april 2014 heeft België zijn nationale
hervormingsprogramma 2014 en zijn stabiliteitsprogramma 2014 ingediend. Om met
de onderlinge verbanden rekening te houden zijn beide programma's terzelfder
tijd geëvalueerd. (9)
Doel van de in het stabiliteitsprogramma 2014
uitgestippelde begrotingsstrategie is uiterlijk in 2016 een structureel
begrotingsevenwicht te realiseren en het volgende jaar de
middellangetermijndoelstelling (MTD) te verwezenlijken. Het programma bevestigt
de eerdere middellangetermijndoelstelling van 0,75% van het bbp, die in lijn is
met de doelstellingen van het stabiliteits- en groeipact, maar de
verwezenlijking ervan wordt verschoven naar 2017, zijnde één jaar later dan de
doelstelling van het programma van vorig jaar. De geplande jaarlijkse
vooruitgang in de richting van de middellangetermijndoelstelling spoort met de
aanpassing die het stabiliteits- en groeipact voorschrijft. Volgens het
programma wordt de uitgavenbenchmark in grote lijnen gerespecteerd gedurende de
programmaperiode. De schuld ligt in 2013 met 101,5% boven de referentiewaarde
van 60% van het bbp en zou volgens het programma geleidelijk afnemen tot circa 93%
van het bbp in 2017. De programmadoelstellingen zijn in hun totaliteit in
overeenstemming met de vereisten van het stabiliteits- en groeipact. Het aan de
begrotingsprognoses van het programma ten grondslag liggende macro-economische
scenario, dat door een onafhankelijke instelling (het Federaal Planbureau) is
opgesteld, is aannemelijk. De groeivoorspellingen lopen gelijk met die van de
Commissie in de voorjaarsprognoses 2014. Het begrotingstraject is nog niet
onderbouwd met maatregelen. De voorjaarsprognoses van de Commissie laten geen
werkelijke structurele verbetering in 2014 zien en, in de gebruikelijke
hypothese van ongewijzigd beleid, een structurele verslechtering in 2015. Dit
brengt de verwezenlijking van de doelstellingen in gevaar en zou kunnen leiden
tot een significante afwijking van het aanpassingstraject in de richting van de
middellangetermijndoelstelling in de jaren 2014-2015. Bovendien zal België
volgens de voorjaarsprognoses van de Commissie zowel in 2014 als in 2015 niet
aan de schuldregel voldoen. In het licht van zijn evaluatie van het programma
en de voorjaarsprognoses van de Commissie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1466/97
van de Raad, is de Raad van oordeel dat België in 2013 zijn overheidstekort
duurzaam heeft teruggebracht tot onder de 3% van het bbp, maar vanaf 2014
dreigt in aanzienlijke mate af te wijken van de vereisten van het preventieve gedeelte. (10)
België heeft aanzienlijke vorderingen gemaakt met
het invoeren van meer structurele coördinatieregelingen. Eind 2013 is een
samenwerkingsakkoord inzake begrotingscoördinatie gesloten dat een regel
instelt dat de begroting structureel in evenwicht moet zijn (conform de
middellangetermijndoelstelling) op het niveau van de overheid als geheel, zoals
het begrotingsverdrag voorschrijft. Voorts formaliseert het de in de praktijk
tot stand gekomen coördinatie door i) het intergouvernementeel raadgevend comité
een officiële rol te geven in het proces en ii) de adviserende rol van de Hoge
Raad voor Financiën meer expliciet te maken. Daarnaast versterkt het akkoord de
toezichthoudende rol van de Hoge Raad door uitdrukkelijk te voorzien in een
correctiemechanisme wanneer significant van de overeengekomen doelstellingen
wordt afgeweken. Het zou kunnen dat er nadere afspraken moeten worden gemaakt
om de doelstellingen na 2014 bindend te maken. (11)
Niettegenstaande België er recentelijk in is
geslaagd de toename van de schuldquote om te buigen, is een schuldenlast van de
overheid van 101,5% van het bbp hoog te noemen en zijn er aanzienlijke latente
verplichtingen en toekomstige pensioenverplichtingen. Om deze na te komen
zonder afbreuk te doen aan de hoge levensstandaard, moet de ontwikkeling van de
kosten voor de begroting onder controle worden gehouden, moeten de
participatie- en werkgelegenheidsgraad worden verhoogd en moet de
internationale concurrentiepositie worden verbeterd. Op elk van deze gebieden
dienen zich voor België belangrijke uitdagingen aan. Alhoewel België stappen in
de goede richting heeft gezet die de komende jaren effect zullen sorteren, zal
een ambitieuzere aanpak vereist zijn, te meer daar er ook bij de
handelspartners hervormingen worden doorgevoerd. (12)
De totale belastingdruk in België is één van de
hoogste in de EU en treft in sterke mate de factor arbeid, waardoor ook de
loonwig tot de hoogste in de EU behoort. Sommige kenmerken van het
belastingsysteem hebben schadelijke ecologische gevolgen, zoals de fiscale
behandeling van bedrijfswagens. Er zijn gerichte maatregelen genomen om de
arbeidskosten voor specifieke groepen te verlagen en de kloof tussen bruto- en
nettolonen onderaan het loonspectrum te verkleinen. Er heeft zich evenwel geen
significante verschuiving van de belastingdruk naar minder groei-onvriendelijke
belastinggrondslagen voltrokken. De eerste denkoefeningen zijn gehouden over
een grootschalige fiscale hervorming die de houdbaarheid van de
overheidsfinanciën mee moet helpen verwezenlijken, het concurrentievermogen en
de groei van de werkgelegenheid ondersteunt en milieuvriendelijk is. Een
dergelijke hervorming zou het verlichten van de belastingdruk op arbeid moeten
behelzen, naast het vereenvoudigen van het systeem als geheel, het efficiënter
maken van de btw, het verruimen van de belastinggrondslagen, het verminderen
van het aantal aftrekmogelijkheden, het dichten van achterpoortjes in de
wetgeving en het laten uitdoven van subsidies met schadelijke milieugevolgen. (13)
De verwachte impact van de vergrijzing is voor
België bijzonder hoog, waarbij de voorspelling is dat de gerelateerde kosten
met meer dan 8% van het bbp zullen stijgen tussen 2010 en 2060, met name voor
pensioenen en langdurige zorg. De onlangs begonnen hervorming van de sociale
zekerheid voor ouderen zou een gunstig effect moeten hebben op hun
indienstneming/-houding. Gelet op de omvang van de uitdaging zijn echter extra
inspanningen nodig om een en ander budgettair houdbaar te maken. Daarbij moet
rekening worden gehouden met de noodzaak om de socialezekerheidsstelsels voor
ouderen op peil te houden. Er zijn maatregelen vereist om de wettelijke
pensioenleeftijd aan de ontwikkeling van de levensverwachting te koppelen, om
de kloof tussen de werkelijke en de wettelijke pensioenleeftijd te verkleinen
en de langdurige zorg kostenefficiënter te maken. (14)
In België wordt het arbeidspotentieel chronisch
onderbenut. De activiteitsgraad en de werkgelegenheidsgraad liggen onder het
EU-gemiddelde en stagneren, terwijl de langdurige werkloosheid als percentage
van de totale werkloosheid hoog blijft. De zeer brede loonwig zorgt in
combinatie met het stelsel van werkloosheidsuitkeringen voor krachtige
werkloosheids- en inactiviteitsvallen voor de meeste categorieën van de
beroepsbevolking. Niettegenstaande er maatregelen zijn genomen om de
werkloosheidsvallen voor de laagste lonen te verkleinen, is de val voor de
meeste andere categorieën groter geworden en blijven de inactiviteitsvallen
hardnekkig. Door de hoog blijvende arbeidskosten wordt gewoonlijk een
aanwervingspolitiek gehanteerd die risico's schuwt en nadelig is voor outsiders
zoals jongeren, laaggeschoolden en personen met een migratieachtergrond, van
wie de participatiegraad, zoals die van oudere werknemers, ver onder het
EU-gemiddelde ligt. De krachtige bescherming van insiders, die inhoudt dat wie
van baan verandert bepaalde rechten (bv. vertrekvergoeding, mogelijkheid tot
vervroegd pensioen, anciënniteitsbonussen) verliest, remt de beroepsmobiliteit
binnen en tussen de sectoren af. Een dergelijke inertie maakt actief
arbeidsmarktbeleid in België betrekkelijk ondoeltreffend en leidt tot een
situatie waarin in sommige sectoren en gebieden tekorten aan bepaalde
vaardigheden groei in de weg staan en er tegelijkertijd in andere gebieden aanhoudend
hoge werkloosheid heerst. De werkloosheid onder jongeren is het voorbije jaar
beduidend toegenomen, al zijn er grote verschillen tussen de gewesten en
groepen. Het aanpakken van het structurele probleem van
discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden zal gepaard moeten
gaan met de bestrijding van het nijpende probleem van vroegtijdig
schoolverlaten en jongeren die het onderwijs verlaten zonder kwalificaties. De zesde staatshervorming opent perspectieven om het
werkgelegenheidsbeleid doelgerichter en efficiënter te maken op voorwaarde dat
de samenwerking tussen het federale en het regionale niveau wordt
geoptimaliseerd. (15)
De competitiviteit van België blijft achteruitgaan,
ook wat de niet-kostenaspecten betreft. Met name het vermogen van de
industriële activiteiten om internationaal te concurreren verzwakt, wat zich
weerspiegelt in krimpende marges en verlies van arbeidsplaatsen. België maakt
van oudsher gebruik van loonindexering om de koopkracht op peil te houden. Het
doorschieten van de totale loonstijging is in voorkomende gevallen echter te
laat en onvoldoende gecorrigeerd. Bovendien staat de centrale loonnorm soms in
de weg aan het adequaat in aanmerking nemen van sectorale ontwikkelingen van de
productiviteit en lokale arbeidsmarktomstandigheden. Daardoor zijn de lonen
sneller gestegen dan de productiviteit, met verlies van arbeidsplaatsen en
concurrentievermogen tot gevolg. België zou, in overleg met de sociale partners
en conform de nationale praktijken, zijn loonvormingsmechanisme zo moeten
hervormen dat grotere sectorale loondifferentiatie en een betere aansluiting
van de lonen op de productiviteitsontwikkelingen mogelijk zijn. De
detailhandelsprijzen blijven hoger dan in de buurlanden, terwijl beperkingen op
professionele diensten de ontwikkeling van innovatieve bedrijfsmodellen in de
weg staan en investeringen hinderen. De
distributietarieven voor elektriciteit behoren nog altijd tot de hoogste in
Europa en de geplande regionalisering zorgt voor onzekerheid omtrent de
toekomstige ontwikkeling van de distributiekosten voor eindgebruikers aangezien
het momenteel bevroren tarief de stijgende kosten van de distributeurs niet
dekt. Als België de hoge lonen wil handhaven en terzelfder
tijd nieuwe werkgelegenheid wil scheppen, zal het meer dan thans het geval is
geavanceerde goederen met meer toegevoegde waarde moeten produceren en verkopen
op de wereldmarkten. Er zijn te weinig snelgroeiende Belgische ondernemingen in
innovatiesectoren. De innovatiesteunregelingen worden als ingewikkeld en zeer
versnipperd ervaren. Waar activiteiten die een hoge toegevoegde waarde hebben
wel van de grond komen, wordt hun ontwikkeling vaak gehinderd door een tekort
aan voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten. (16)
De verwachting is dat België zijn doelstelling van 15%
minder emissies van broeikasgassen in sectoren die niet onder het
EU-emissiehandelssysteem vallen tegen 2020, niet zal halen. De initiatieven die
worden genomen, lijken samenhang en richting te missen en het blijft
onduidelijk wat het gecombineerde effect zal zijn van maatregelen om de
emissies, in het bijzonder van de vervoerssector en gebouwen, terug te dringen.
De verlaging van de btw op elektriciteit zou de inspanningen op dat gebied
verder kunnen ondermijnen. De onderhandelingen over een samenwerkings- en
lastenverdelingsakkoord tussen de federale staat en de gewesten hebben geen
duidelijke spreiding van de inspanningen opgeleverd. Het dichtslibben van de
wegen is in vergelijking met vele andere landen een zware last voor de
Belgische economie. De ernst van het probleem vereist een integrale
beleidsrespons waarbij wordt gekeken naar het potentieel van congestieheffingen
gekoppeld aan bepaalde tijdstippen, de gunstige fiscale behandeling van het
privégebruik van bedrijfswagens en brandstofkaarten wordt herzien en de
efficiëntie van het openbaar vervoer wordt verhoogd. (17)
In de context van het Europees semester heeft de
Commissie een brede analyse van het economische beleid van België verricht. Zij
heeft zowel het stabiliteitsprogramma als het nationale hervormingsprogramma
doorgelicht. Daarbij heeft zij niet alleen gekeken naar de relevantie ervan
voor een houdbaar budgettair en sociaaleconomisch beleid in België, maar is zij
ook nagegaan of de EU-regels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak
de algemene economische governance van de Unie te versterken door middel van
een EU-inbreng in toekomstige nationale besluiten. Haar aanbevelingen in het
kader van het Europees semester worden in de onderstaande aanbevelingen 1 tot
en met 6 weergegeven. (18)
In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het
stabiliteitsprogramma van België onderzocht. Zijn advies[10] daarover is met name
in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven. (19)
In het licht van de diepgaande evaluatie van de
Commissie en deze beoordeling heeft de Raad het nationale hervormingsprogramma
en het stabiliteitsprogramma van België onderzocht. Zijn aanbevelingen op grond
van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn in de onderstaande
aanbevelingen 2, 4 en 5 weergegeven. (20)
In de context van het Europees semester heeft de
Commissie tevens een analyse van het economisch beleid van de eurozone als
geheel verricht. Op basis hiervan heeft de Raad specifieke aanbevelingen
gericht tot de lidstaten die de euro als munt hebben. België dient er ook op
toe te zien dat aan deze aanbevelingen volledig en tijdig uitvoering wordt
gegeven, BEVEELT AAN dat België in de periode 2014-2015
actie zou moeten ondernemen om: 1. Na
het corrigeren van het buitensporige tekort, krachtigere begrotingsmaatregelen
voor 2014 te nemen gelet op het zich aftekenende verschil van 0,5% van het bbp op
basis van de voorjaarsprognose 2014 van de Commissie die wijst op het gevaar
van aanzienlijke afwijking ten opzichte van de stabiliteits- en
groeipactverplichtingen. In 2015 de begrotingsstrategie die de vereiste
aanpassing van 0,6% van het bbp in de richting van de
middellangetermijndoelstelling moet waarborgen, waarmee ook aan de schuldregel
zou worden voldaan, aanzienlijk te versterken. Daarna, totdat de
middellangetermijndoelstelling is verwezenlijkt, de voorgenomen jaarlijkse
structurele aanpassing in de richting van de middellangetermijndoelstelling
voort te zetten, overeenkomstig het vereiste van een jaarlijkse structurele
aanpassing van ten minste 0,5% van het bbp, en een grotere aanpassing te
realiseren als de economische omstandigheden meezitten of zulks nodig is om aan
de schuldregel te voldoen, teneinde de hoge schuldquote van de overheid op een
duurzaam neerwaarts traject te brengen. Te zorgen voor een evenwichtige bijdrage
van alle bestuursniveaus aan het nakomen van de begrotingsregels, met inbegrip
van de regel inzake structureel begrotingsevenwicht, door middel van een
bindend instrument waarvan een uitdrukkelijke uitsplitsing van de
doelstellingen in een planningperspectief op middellange termijn deel uitmaakt. 2. Het belastingsysteem in zijn
geheel evenwichtiger en billijker te maken en in te zetten op een grootschalige
fiscale hervorming die gericht is op het verlichten van de belastingdruk op
arbeid, het vereenvoudigen van het systeem als geheel, het efficiënter maken
van de btw, het verruimen van de belastinggrondslagen, het verminderen van het
aantal aftrekmogelijkheden, het dichten van achterpoortjes en het laten
uitdoven van subsidies met schadelijke milieugevolgen. 3. De toekomstige stijging van
de overheidsuitgaven in verband met de vergrijzing, met name voor pensioenen en
langdurige zorg, te beheersen door meer inspanningen te leveren om de kloof
tussen de werkelijke en de wettelijke pensioenleeftijd te verkleinen, de
mogelijkheden om vroeger met pensioen te gaan vervroegd af te bouwen, actief
ouder worden te bevorderen, de wettelijke pensioenleeftijd en de duur van de
loopbaan aan te passen aan de ontwikkeling van de levensverwachting, en de
langdurige zorg kostenefficiënter te maken. 4. De arbeidsmarktparticipatie
te verhogen, met name door de negatieve financiële prikkels om te gaan werken
te beperken, de toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen voor outsiders zoals
jongeren en personen met een migratieachtergrond, de beroepsmobiliteit te
vergroten, en discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden en het
probleem van vroegtijdig schoolverlaten aan te pakken. Overal in het land de
partnerschappen tussen de overheid, openbare arbeidsbemiddelingsdiensten en
onderwijsinstellingen te versterken om in een vroeg stadium gepersonaliseerde
bijstand aan jongeren te verlenen. 5. Het concurrentievermogen te
herstellen door de hervorming van het loonvormingsmechanisme, met inbegrip van
de loonindexering, voort te zetten in overleg met de sociale partners en
conform de nationale praktijken, om ervoor te zorgen dat de loonevolutie
aansluit bij de productiviteitsontwikkelingen op sectoraal en/of bedrijfsniveau
en bij de economische toestand, en voorziet in daadwerkelijke automatische
correcties waar zulks nodig is; door de mededinging te versterken in de
detailhandelssectoren, excessieve beperkingen op het verlenen van diensten, met
inbegrip van professionele diensten, te elimineren en het gevaar van verdere
stijgingen van de energiedistributiekosten in te dijken; door innovatie te
stimuleren via geharmoniseerde steunregelingen en minder administratieve
barrières; en door een gecoördineerd onderwijs- en opleidingsbeleid te voeren
dat de hardnekkige discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden en
de regionale verschillen inzake vroegtijdig schoolverlaten aanpakt. 6. Het
nodige te doen om de 2020-doelstellingen voor het terugdringen van de emissies
van broeikasgassen van niet-ETS-activiteiten, in het bijzonder van gebouwen en
het vervoer, te halen. Erop toe te zien dat de bijdrage die van het vervoer
moet komen, aansluit bij de doelstelling om de verkeerscongestie te
verminderen. Duidelijke afspraken te maken over de verdeling van de
inspanningen en lasten tussen de federale en de regionale entiteiten. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1. [2] PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25. [3] COM(2014) 402 final. [4] P7_TA(2014)0128 en P7_TA(2014)0129. [5] PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11. [6] COM(2013) 8000 final. [7] COM(2013) 800 final. [8] COM(2013) 790 final. [9] SWD(2014) 75 final. [10] Uit hoofde van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.