VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over de uitvoering van Beschikking nr. 1608/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een statistiek inzake wetenschap en technologie /* COM/2014/0211 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD over de uitvoering van Beschikking nr. 1608/2003/EG
van het Europees Parlement en de Raad betreffende een statistiek inzake
wetenschap en technologie SAMENVATTING De officiële
statistiek inzake wetenschap, technologie en innovatie in de Europese Unie is
grotendeels gebaseerd op Beschikking nr. 1608/2003/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 22 juli 2003 betreffende de productie en de
ontwikkeling van een communautaire statistiek inzake wetenschap en technologie[1]. De Commissie heeft
deze beschikking in nauwe samenwerking met de lidstaten uitgevoerd met
wettelijke maatregelen en vrijwillige verzameling van gegevens, en met de eigen
productie van statistieken door Eurostat, het statistiekbureau van de Unie. Dit verslag
evalueert de uitvoering van de afzonderlijke statistische acties waarin artikel
2 van de beschikking voorziet. Deze beogen het opzetten van een statistisch
informatiesysteem over wetenschap, technologie en innovatie om het EU-beleid te
ondersteunen en te monitoren. Het verslag
beslaat voornamelijk de ontwikkelingen sinds het vorige verslag, van 2011. De Verordeningen
(EG) nr. 753/2004 en nr. 1450/2004 van de Commissie tot uitvoering
van Beschikking nr. 1608/2003/EG hebben betrekking op de twee
gegevensverzamelingen die binnen het Europees statistisch systeem (ESS) door de
statistische autoriteiten van de lidstaten regelmatig worden uitgevoerd. De
statistieken die op grond van deze verordeningen op het gebied van onderzoek en
ontwikkeling (O&O) en innovatie worden verzameld, hebben naast de
statistieken over octrooien en hen die werkzaam zijn in wetenschap en
technologie, technologisch hoogwaardige bedrijfstakken en op kennis gebaseerde
dienstverlening, erkenning gekregen en zijn breed gebruikte referentiegegevens
geworden voor het monitoren van het EU-beleid op het gebied van wetenschap,
technologie en innovatie. Vanaf
referentiejaar 2012 worden de gegevensverzamelingen op het gebied van
wetenschap, technologie en innovatie geleidelijk onder de nieuwe
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 995/2012 van de Commissie gebracht, met
ingang van de gegevensoverdracht van oktober 2013. Verordeningen (EG) nr. 753/2004
en nr. 1450/2004 van de Commissie zijn daarbij ingetrokken. In verband met beleidsoriëntatie
en beleidsmonitoring, en in het bijzonder het feit dat beleidsdoelen met behulp
van statistische informatie worden vastgesteld, is de kwaliteit van de
statistische gegevens belangrijker geworden. De Europa 2020-strategie bevat als
precieze doelstelling het verhogen van de gecombineerde publieke en private
investeringen in O&O tot 3 % van het bbp. Het is daarom van het
allergrootste belang dat de kwaliteit van de metingen van een hoog niveau is en
blijft. Door de
vaststelling van de bovengenoemde verordeningen van de Commissie tot uitvoering
van Beschikking nr. 1608/2003/EG is de kwaliteit van de gegevens
betreffende wetenschap, technologie en innovatie gestegen. Deze stijging is
gevolgd door geleidelijke verdere verbeteringen en nauwlettende monitoring van
de kwaliteit. Het overeenkomen en toepassen van internationale normen en
methodieken moet, met het constant blijven bespreken van de relevantie ervan in
een dynamisch meetkader, bijdragen aan blijvend actuele en hoogwaardige
statistieken. Bij de verdere
ontwikkelingen op het gebied van wetenschaps-, technologie- en
innovatiestatistiek wordt rekening gehouden met de beleidsprioriteiten en de
ontwikkeling van het ESS als geheel. Gezien de in het kader van de Europa
2020-strategie en ondersteunende maatregelen vastgestelde prioriteiten, zal een
evenwicht worden gezocht tussen nieuwe oplossingen en maatregelen om de
bestaande wetenschaps-, technologie- en innovatiestatistieken verder te
verbeteren De koppeling met andere zakelijke statistieken wordt versterkt door
het opnemen van statistieken betreffende O&O en innovatie in een
toekomstige kaderverordening inzake de integratie van zakelijke statistieken,
die momenteel bij het ESS in bespreking is. VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD over de uitvoering van Beschikking nr. 1608/2003/EG van het
Europees Parlement en de Raad betreffende een statistiek inzake wetenschap en
technologie 1. INLEIDING Dit is het derde
uitvoeringsverslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad op
grond van artikel 5 van Beschikking nr. 1608/2003/EG ("de beschikking"). Het eerste verslag werd goedgekeurd op 14 december
2007[2] en het tweede op 11
april 2011[3]. In dit verband is
het zinvol om een aantal recente beleidsinitiatieven in herinnering te roepen.
In juni 2010 heeft de Europese Raad de Europa 2020-strategie voor banen en
slimme, duurzame en inclusieve groei aangenomen[4].
Hij heeft ook de vijf belangrijkste EU-doelstellingen bevestigd. Een ervan is
het verbeteren van de voorwaarden voor innovatie, onderzoek en ontwikkeling, in
het bijzonder met als doel het gecombineerde publieke en private
investeringsniveau in O&O te doen stijgen tot 3 % van het bbp. De Commissie heeft
in haar mededeling van 6 oktober 2010[5]
betreffende het kerninitiatief Innovatie-Unie een aanvullende indicator van de
O&O- en innovatie-intensiteit voorgesteld, evenals een jaarlijks
EU-scorebord voor innovatie om de algemene vooruitgang in innovatieprestaties
te monitoren. Op 17 juli 2012
heeft de Commissie een mededeling inzake Een versterkte Europese
onderzoeksruimte voor topkwaliteit en groei vastgesteld[6]. In de mededeling werd
aangedrongen op dringende structurele wijzigingen in geheel Europa in een
partnerschap tussen de lidstaten en organisaties van belanghebbenden met het
oog op tijdige maatregelen ter verhoging van de kwaliteit van het Europese
stelsel van openbaar onderzoek. In het kader van dit initiatief is er een
robuust toezichtmechanisme voor de Europese Onderzoeksruimte ontwikkeld op
basis van indicatoren voor het houden van toezicht op de beleidshervorming in
de Europese Onderzoeksruimte. Dit verschaft de Raad, het Europees Parlement en
de academische gemeenschap transparantie en de Commissie een basis voor haar
toekomstige besluitvorming. De Commissie heeft
meer recentelijk, in haar mededeling van 13 september 2013[7], een indicator
gepresenteerd voor prestatiemetingen op het gebied van innovatie. Deze
indicator moet beleidsmakers steunen bij het opstellen van nieuwe of krachtiger
maatregelen om obstakels te verwijderen die innovatieve entiteiten belemmeren
bij het omzetten van hun ideeën in op de markt succesvolle producten en
diensten. In het
voorliggende verslag wordt geïnventariseerd hoe het op grond van de beschikking
vereiste statistische informatiesysteem over wetenschap, technologie en
innovatie (WTI) is geïmplementeerd om het EU-beleid te ondersteunen en te
monitoren. Het verslag betreft voornamelijk de ontwikkelingen sinds het
voorgaande verslag uit 2011. Het eerste gedeelte heeft betrekking op de
uitvoering van de maatregelen op grond van artikel 2 van de beschikking. Het
wordt gevolgd door hoofdstukken over gegevenskwaliteit, kosten en statistische
belasting. Het laatste hoofdstuk bevat een vooruitblik op toekomstige
maatregelen. 2.
TENUITVOERLEGGING VAN DE BESCHIKKING 2.1 Regelgeving De Commissie heeft
de beschikking uitgevoerd met behulp van voorschriften en vrijwillige
gegevensverzamelingen in de lidstaten, en met de eigen statistiekproductie van
Eurostat. Van belang was met
name de inwerkingtreding van twee uitvoeringsverordeningen in 2004: • Verordening (EG) nr. 753/2004[8] van de Commissie, met
name gericht op O&O-statistieken maar eveneens op statistieken betreffende
personeel in wetenschap en technologie, technologisch geavanceerde bedrijfstakken
en op kennis gebaseerde dienstverlening, octrooien en andere statistiek op het
gebied van wetenschap en technologie (zonder rechtstreeks taken toe te wijzen
aan de lidstaten of het ESS in het algemeen), en • Verordening
(EG) nr. 1450/2004[9]
van de Commissie betreffende een communautaire innovatiestatistiek. De
statistieken inzake O&O en innovatie die ingevolge deze twee verordeningen
zijn verzameld, zijn erkende en breed geciteerde referentiegegevens in de
EU-beleidsmonitoring geworden. In 2012 werden de verordeningen uit 2004
vervangen door Uitvoeringsverordening (EU) nr. 995/2012[10] van de Commissie.
Hierbij werden tevens de gedetailleerde eisen voor statistiek op het gebied van
O&O, overige wetenschap, technologie en innovatie gewijzigd. De behoefte aan
een nieuwe uitvoeringsverordening kwam met name voort uit de vaststelling van
de Europa 2020-strategie en de verschillende kerninitiatieven daarvan, en uit
het monitoren van de Europese Onderzoeksruimte, waarvoor overeenstemming moest
worden bereikt over het statistische monitoringkader van het overeenkomstige
EU-beleid. Teneinde de WTI-gegevensverzameling zo
relevant mogelijk te houden voor de gebruikers, is het van groot belang dat de
gebruikte indicatoren zijn gebaseerd op statistieken en variabelen die
regelmatig in de lidstaten worden gepubliceerd, zo mogelijk op grond van
statistiekwetgeving. Door
de vereiste statistische eenheid en uniforme kwaliteit van de verslaglegging te
specificeren, betekent de verordening een verdere stap op weg naar harmonisatie
van O&O- en innovatiestatistiek en een sterkere koppeling met algemene
zakelijke statistieken. 2.2 Belangrijkste resultaten In
de verslagperiode zijn de volgende belangrijke resultaten behaald: • De omvang van de gegevensproductie voor
O&O-uitgaven en personeelsgegevens, samengesteld in verschillende dimensies
en uitsplitsingen op basis van het Frascati-handboek (OESO 2002), is verder
toegenomen; • Er is overeenstemming bereikt over het verder
uitsplitsen van gegevens betreffende "O&O met een financieringsbron in
het buitenland"; • Er is een methode ontwikkeld voor het meten van
transnationaal gecoördineerd onderzoek in Europa, als onderdeel van de GBAORD
(uit de overheidsbegroting toegewezen middelen voor O&O); • Er is een begin gemaakt met een meer volledige
verzameling van informatie betreffende overheidsfinanciering van door grote
ondernemingen uitgevoerde O&O op ICT-gebied; • De communautaire innovatie-enquête voor 2012 is
opgesteld op grond van het Oslo-handboek (OESO, Eurostat 2005) voor het meten
van de innovatieprestaties van ondernemingen aan de hand van een
geharmoniseerde enquêtemethode en vragenlijst, met onder meer een ad hoc-module
betreffende strategieën en belemmeringen voor het bereiken van de doelen van
ondernemingen (hogere omzet, groter marktaandeel of winstpercentage;
besparingen); • De gegevens uit de communautaire innovatie-enquête voor
individuele ondernemingen (microgegevens) kunnen eenvoudiger worden bestudeerd
via het SAFE Centre van Eurostat en cd-romuitgaven voor externe onderzoekers;
ook de gegevens over 2010 zijn nu beschikbaar; • Verbetering van de kwaliteit en harmonisatie van de
WTI-gegevens door verslaglegging van voorgeschreven kwaliteit en nieuwe
kwaliteitsmaatregelen; • Er is een begin gemaakt met het stroomlijnen van de
overdracht van nationale gegevens en metagegevens door toe te werken naar de
inzet van de gezamenlijke ESS-instrumenten, ter ondersteuning van een meer
efficiënt en gestandaardiseerd productieproces; • De tijdige beschikbaarheid van voorlopige en
definitieve gegevensvrijgave is verbeterd dankzij een beter
gegevensproductieproces in het ESS en krachtiger controleprocedures; • Er is een regelmatige gegevensproductie betreffende
werkgelegenheid in kennisintensieve bedrijvigheid georganiseerd aan de hand van
een overeengekomen methode voor de classificatie van dergelijke bedrijvigheid; • In 2013 is een begin gemaakt met het regelmatig
verwerken van statistieken betreffende Gemeenschapsmerken en -modellen; • De publicatie van She Figures, het verslag van
de Commissie uit 2012 over de rol van vrouwen in de wetenschap, is mogelijk
gemaakt door uitsplitsingen van O&O-gegevens en personeelsgegevens uit
wetenschap en technologie op basis van geslacht, voor zover van toepassing; en • De voor WTI-statistiek gebruikte classificaties zijn
geactualiseerd, zodat deze overeenkomen met de herziene versies (voor
economische activiteiten – NACE, handelsproducten – SITC, onderwijs – ISCED,
beroepen – ISCO en territoriale eenheden – NUTS). Het belangrijkste
kanaal voor de verspreiding van gedetailleerde WTI-gegevens en de bijbehorende
documentatie is Eurobase, de onlinedatabase van Eurostat. Ook verspreidt de
Commissie de WTI-gegevens in verschillende beleidsverslagen (waaronder die met
betrekking tot de Europa 2020-strategie en de Europese Onderzoeksruimte). 2.3.
Implementatie van WTI-statistieken in de lidstaten De
nationale gegevensverzamelingen zijn en worden verder aangepast om tegemoet te
komen aan de herziene gegevensvereisten in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 995/2012.
Er zijn in december 2013 voor het eerst nieuwe gegevens opgevraagd voor GBAORD.
Innovatie en O&O volgen respectievelijk in juni 2014 en juni 2015. Een deel
van dit werk is tijdens de proeffase van de nieuwe of herziene
gegevensverzamelingen al van start gegaan. De
lidstaten hebben op zeer bevredigende wijze navolging gegeven aan de vereisten
voor gegevensverstrekking en jaarlijks twee formele vervolg-verslagronden
uitgevoerd. Er was in 2013 bijvoorbeeld slechts één lidstaat met ontbrekende
O&O-gegevens (in 2011 en 2012 waren dit er respectievelijk twee en drie).
Door deze verbetering kon de EU-doelindicator voor O&O in 2012 en 2013 al
16 respectievelijk 14 dagen na de verplichte inleverdatum (31 oktober) worden
gepubliceerd. Voorheen duurde dit 30 tot 40 dagen. Dekkingsproblemen
en vertragingen bij het leveren van de gegevens blijven grotendeels beperkt tot
geïsoleerde voorvallen in de nationale gegevensproductiesystemen (bijvoorbeeld
een tijdelijk gebrek aan middelen of een ingrijpende productiereorganisatie). 3. KWALITEIT VAN DE GEGEVENS Het kader voor de
kwaliteit van de gegevens van de WTI-statistiek is de Praktijkcode Europese
statistieken[11]. Deze code bevat 15 beginselen, waarvan verschillende
betrekking hebben op het algemene institutionele kader (professionele
onafhankelijkheid of toereikendheid van de middelen) van de autoriteiten van de
lidstaten en organisaties die bijdragen aan de algehele kwaliteit van de
Europese statistiek. Andere beginselen, zoals een doeltreffende methode op grond
van handleidingen, zijn internationaal vastgesteld voor WTI-statistiek en
worden door de lidstaten gezamenlijk regelmatig geëvalueerd. Verschillende
kwaliteitsbeginselen (onder meer accuraatheid, samenhang en vergelijkbaarheid)
die rechtstreeks verband houden met de WTI-enquêtes, worden gedekt en
gecontroleerd door middel van periodieke kwaliteitsverslagen. Eurostat
verzamelt al sinds 2007 en voor elke tweejaarlijkse ronde van de communautaire
innovatie-enquête sinds 2004 nationale kwaliteitsrapporten inzake O&O- en
GBAORD-statistieken. Er zijn geen ernstige tekortkomingen vastgesteld. Er is
echter voor de O&O-statistiek enige nazorg bepaald, in de vorm van
nationale kwaliteitsverbeteringsplannen betreffende O&O-statistieken (in
2011), met name op het gebied van een betere identificatie en regelmatige
actualisatie van de kaderpopulatie van O&O-uitvoerders (ondernemingen
waarvan bekend is of wordt aangenomen dat zij O&O uitvoeren). De
uitdagingen in verband met innovatie-enquêtes hebben vaak betrekking op meetkwesties.
Om beknopt maar nauwkeurig aan respondenten van ondernemingen aan te geven wat
van hen gevraagd wordt (nieuwe of significant verbeterde producten
en processen) en hen te stimuleren tot het leveren van de gewenste informatie,
moeten doorlopend inspanningen worden verricht. Ook de
kwantificering van de omzet uit innovatieve producten en de kosten van
innovatie blijft moeilijk. Samen
met de gegevens wordt in de onlinedatabase een synthese van de
kwaliteitsverslagen op basis van de innovatie-enquête gepubliceerd. Op grond
van Verordening (EU) nr. 995/2012 is kwaliteitsverslaggeving vanaf 2013
een onderdeel van de verplichte gegevensverstrekking. 4. KOSTEN EN
BELASTING 4.1
WTI-statistiek in het ESS De meest recente
totaalanalyse van Eurostat met betrekking tot de belasting voor respondenten en
de productiekosten in de lidstaten is in 2010 gehouden. Hierin zijn de kosten
voor het produceren van WTI-statistieken (over O&O en innovatie) beoordeeld
als gemiddeld, en de belasting voor respondenten als gemiddeld/hoog. In deze
evaluatie waren de resultaten met betrekking tot WTI-statistieken in
overeenstemming met de meeste statistische gebieden die onderdeel uitmaakten
van de totale beoordeling, met enigszins lagere productiekosten en een hogere
belasting voor respondenten dan bij zakelijke statistieken in het algemeen. 4.2
Gedetailleerde informatieverzameling over kosten en belasting Er is regelmatig
getracht om gegevens te verzamelen over de kosten en belasting van
WTI-gegevensverzamelingen. In de kwaliteitsverslaggeving zijn exacte cijfers
gevraagd, maar het blijkt moeilijk om afdoende gegevens te verkrijgen op grond
waarvan de totale kosten kunnen worden vergeleken of beoordeeld. Veel lidstaten
hebben erop gewezen dat het niet mogelijk zal zijn de kosten van de O&O- en
innovatie-enquêtes en de samenstelling van gegevens te scheiden van andere
zakelijke en gerelateerde statistieken of van soortgelijke alleen op nationale
behoeften gebaseerde activiteiten. Voor zover er gegevens beschikbaar zijn,
verschillen ook de verslagleggingsmethoden tussen de lidstaten en tussen
instellingen binnen lidstaten. Hierdoor is een zinvolle vergelijking of
publicatie van afzonderlijke kostenramingen niet mogelijk. Onder bovenstaand
voorbehoud varieert de gemiddelde belasting, gemeten aan de hand van de tijd
die is besteed aan het invullen van de sectorale vragenlijst inzake O&O,
voor de referentieperiode 2009 van 0,3 uur tot 6 uur in 13 van de 15 lidstaten
waarvan de gegevens beschikbaar zijn. Twee lidstaten hebben een uitzonderlijke
waarde van 11 uur gemeld. Veel minder gegevens zijn beschikbaar voor andere
economische sectoren, hoewel bij de overheid en het hoger onderwijs veel meer
tijd aan het invullen van de O&O-vragenlijst lijkt te zijn besteed dan in
het bedrijfsleven; de waarden van deze twee sectoren liggen relatief dicht bij
elkaar. Wat de
communautaire innovatie-enquête betreft, blijkt uit de informatie die in de
kwaliteitsrapportage van de enquêteronden 2008 en 2010 is opgenomen, dat de
tijd die is besteed aan het invullen van de innovatievragenlijst uiteenliep van
0,48 tot meer dan 3 uur. Twee landen meldden dat er meer tijd nodig was voor
het invullen van de vragenlijst in 2010 dan in 2008. Niet-innovatieve
ondernemingen besteedden in 2010 tussen 0,24 en 1,85 uur aan het invullen van
de vragenlijst. Vier van de tien landen meldden hogere kosten in 2010 dan in
2008, terwijl vijf landen lagere kosten hadden en één land voor beide jaren
dezelfde kosten meldde. 4.3 Medefinanciering
van WTI-gegevensverzamelingen in de lidstaten door Eurostat Er zijn na de oproepen tot het indienen van
subsidievoorstellen van 2006 en 2009 verschillende oproepen tot het indienen
van subsidievoorstellen gelanceerd ingevolge de Commissiebegroting van 2011,
voor medefinanciering van de niet-verplichte delen van de O&O- of
innovatiegegevensverzamelingen of voor bestudering van de haalbaarheid van het
ontwikkelen van nieuwe indicatoren of het financieren van de CDH-enquêtes (over
carrièreontwikkeling van houders van een doctorsgraad).
In 2011 bedroegen de totale financiële verplichtingen voor WTI-statistieken
1 019 974 EUR voor 13 lidstaten en Noorwegen. De
Phare-meerbegunstigdenprogramma's voor statistische samenwerking, het
meerbegunstigdenprogramma voor statistische integratie van de overgangsfaciliteit
en het instrument voor pretoetredingssteun (programma’s van 2004 tot en met
2011) hebben medefinanciering van in totaal 1 518 105 EUR betekend
voor de uitvoering van de O&O-, innovatie- en CDH-enquêtes in geassocieerde
derde landen en de lidstaten die vanaf 2004 zijn toegetreden tot de EU. 5. VERDERE ONTWIKKELING VAN DE WTI-STATISTIEK 5.1 Wijzigingen in de omgeving In
de mededeling van de Commissie betreffende een visie voor Europese statistieken[12] wordt
gepleit voor meer geïntegreerde, intelligentere benaderingen van de productie
van statistieken. Daartoe behoren het integreren van
statistische instrumenten en het in toenemende mate gebruik maken van
administratieve bronnen en ook het vereenvoudigen en verbeteren van de
statistische regelgevingsomgeving, met als doel rijkere prospectieve
statistische gegevens te verkrijgen, de productiviteit te verbeteren en de
responsbelasting te verminderen. Nu
de uitvoeringsregels voor WTI-statistieken op meer consistente wijze zijn
opgenomen in Verordening (EU) nr. 995/2012 is de volgende stap het
versterken van de koppeling met andere zakelijke statistiek door het opnemen
van O&O- en innovatiestatistiek in een toekomstige kaderverordening voor de
integratie van zakelijke statistiek, die momenteel binnen het ESS wordt
besproken. Dit zal eveneens de volgende gelegenheid bieden om de verplichte
inhoud van O&O- en innovatiegegevens te herevalueren. Bij
verschillende gelegenheden hebben nationale statistische autoriteiten een
gebrek aan middelen gerapporteerd en ernstige bezorgdheid geuit over het
vermogen om aan bestaande of nieuwe ESS-eisen te voldoen. Het stellen van
prioriteiten is daarom crucialer dan ooit en betreft evenzeer bestaande als
geplande statistische operaties. 5.2 Verbeteren en evalueren van bestaande WTI-statistieken Statistieken
moeten betrouwbaar en geschikt voor het beoogde doel zijn. De bestaande
gegevensverzamelingen, met name op het gebied van O&O en innovatie, worden
constant op relevantie en kwaliteit getoetst door volledige gebruikmaking van
de reguliere controle op de naleving en het systematisch verzamelen van
kwaliteitsverslagen. Dit is nu zelfs nog belangrijker aangezien de Europa
2020-strategie onder meer met sets van WTI-indicatoren zal worden gemonitord. Bij
de O&O-statistieken blijft men zich inspannen om erop toe te zien dat de
onderliggende gegevens door alle O&O-uitvoerders worden gemeld (of ten
minste geschat inzien noodzakelijk, ongeacht of de gegevens al dan niet van
tevoren bekend zijn) en dat deze betrekking hebben op alle economische sectoren
en subsectoren en bedrijfseenheden van elke omvang, dat wil zeggen de totale
O&O-uitgaven en personeelskosten in de economie op een gegeven moment. Voor
de Europese innovatiestatistieken wordt een beoordeling gemaakt of het uitbreiden van de dekking (tot alle bedrijfsactiviteiten, de
hele economie) voldoende nieuwe informatie zal toevoegen om de aanvullende
middelen te rechtvaardigen en of dit methodologisch haalbaar is. Naast
de nieuwe werkzaamheden zullen er verbeteringen in bestaande WTI-statistieken
worden aangebracht in nauwe samenwerking met de OESO en andere internationale
organisaties waarmee de coördinatie al is opgevoerd. Het gaat onder andere om
doorlopende activiteiten ter herziening van de methodologische
referentiehandboeken. 5.3 Nieuwe
indicatoren, nieuwe toepassingen Het inspelen op de
nieuwe behoeften van gebruikers vormt een bijzondere uitdaging in de huidige
omgeving van het ESS, met name gezien de kleinere begrotingen. Door de
gebruikersgemeenschap zal niettemin regelmatig om nieuwe indicatoren en nieuwe
gegevensbronnen worden verzocht. Ontwikkelingswerkzaamheden die verder gaan dan
het gebruiken van bestaande gegevensbronnen en waarbij sprake is van nieuwe
indicatoren, nieuwe gegevensbronnen en verdere uitsplitsingen van bestaande
gegevens, zullen (aangezien deze met grotere steekproeven of methodologische
werkzaamheden gepaard kunnen gaan) pas plaatsvinden na een grondige
doorlichting en, voor zover mogelijk, een kosten-batenanalyse. In dit verband
zullen ook haalbaarheidsstudies en proefenquêtes worden gebruikt. Verdere
internationalisering van O&O-, innovatie- en andere bedrijfsactiviteiten
zullen in het algemeen nu en in de toekomst nog meer uitdagingen opleveren voor
het opstellen van WTI-statistieken. Dit geldt zowel voor het verkrijgen van
nieuwe statistische gegevens betreffende internationalisering als voor het
succesvol uitvoeren van zakelijke enquêtes in een meer geglobaliseerde wereld
en daardoor complexere context. Het Europese
systeem van nationale en regionale rekeningen (ESA 2010)[13] is het nieuwste,
internationaal verenigbare EU-rekenkader voor het systematisch en gedetailleerd
beschrijven van een economie. Dit kader wordt vanaf september 2014 uitgevoerd.
Een belangrijk verschil ten opzichte van de voorgaande versie (ESA 95) is de
erkenning van O&O als investering in vaste activa in plaats van
intermediair verbruik. Met andere woorden: O&O-activiteiten worden nu
erkend als productie op zich en leiden tot een verhoging van het bbp van een
land; deze activiteiten worden niet meer beschouwd als intermediair verbruik
voor de hoofdproductie van een onderneming. Door deze wijziging worden nieuwe
eisen geïntroduceerd voor een meer gedetailleerde en bredere meting van
O&O. In verband met de door de OESO geleide herziening van het
Frascati-handboek wordt momenteel nagedacht over de mate waarin de
O&O-enquêtes kunnen bijdragen aan O&O-kapitalisatie en de wijzigingen
die kunnen worden geïntroduceerd. [1] Beschikking nr. 1608/2003/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 22 juli 2003 betreffende de productie en de ontwikkeling van een
communautaire statistiek inzake wetenschap en technologie, PB L 230 van
16.9.2003, blz. 1. [2] Verslag van de Commissie aan de
Raad en het Europees Parlement over de uitvoering van Beschikking nr.
1608/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad. COM(2007) 801 definitief. [3] Verslag van de Commissie aan
het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Beschikking nr.
1608/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een statistiek
inzake wetenschap en technologie. COM(2011) 184 definitief. [4] Conclusies van de Europese Raad van 17 juni 2010. CO EUR
9, CONCL 2. [5] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement,
de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de
Regio’s: Europa 2020-kerninitiatief Innovatie-Unie. COM(2010) 546 definitief. [6] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement,
de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de
Regio’s: Een versterkt partnerschap voor topkwaliteit en groei voor de Europese
onderzoekruimte[sic] COM(2012) 392 definitief. [7] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement,
de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de
Regio’s: Het meten van de innovatieresultaten in Europa: naar een nieuwe
indicator. COM(2013) 624 definitief. [8] Verordening (EG) nr. 753/2004 van de Commissie van 22
april 2004 tot uitvoering van Beschikking nr. 1608/2003/EG van het Europees
Parlement en de Raad betreffende de statistiek inzake wetenschap en
technologie, PB L 118 van 23.4.2004, blz. 23. [9] Verordening (EG) nr. 1450/2004 van de Commissie van 13
augustus 2004 tot uitvoering van Beschikking nr. 1608/2003/EG van het Europees
Parlement en de Raad, wat de productie en de ontwikkeling van een communautaire
innovatiestatistiek betreft, PB L 267 van 14.8.2004, blz. 32. [10] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 995/2012 van de Commissie
van 26 oktober 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van
Beschikking nr. 1608/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende
de productie en de ontwikkeling van een communautaire statistiek inzake
wetenschap en technologie, PB L 299 van 27.10.2012, blz. 18. [11] Aanbeveling
van de Commissie over de onafhankelijkheid, integriteit en verantwoordingsplicht
van de nationale en communautaire statistische instanties. COM(2005) 217
definitief. [12] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en
de Raad over de productiemethode voor EU-statistieken: een visie voor de
komende tien jaar. COM(2009) 404 definitief. [13] Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement
en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en
regionale rekeningen in de Europese Unie, PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1.