VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de oprichting van een Europees fonds voor kleine toepassingen op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen /* COM/2014/082 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD inzake de oprichting van een Europees fonds
voor kleine toepassingen op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen Samenvatting In Verordening (EG) nr. 1107/2009 zijn
regels vastgelegd voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.
Deze verordening omvat bijzondere bepalingen voor de toepassing en toelating
van zogeheten kleine toepassingen. Dit zijn toepassingen van
gewasbeschermingsmiddelen die economisch niet duurzaam zijn voor de
gewasbeschermingsindustrie, maar wel belangrijk zijn voor telers. In de
verordening is vastgelegd dat de Commissie het Europees Parlement en de Raad
een verslag voorlegt over de oprichting van een Europees stimuleringsfonds voor
kleine toepassingen, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel. Met dat
verslag wordt het volgende beoogd:
informatie verstrekken over de
situatie met betrekking tot kleine toepassingen zoals lidstaten en
belanghebbenden hebben aangegeven;
de
strategie voorleggen die in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt
aangeboden met betrekking tot kleine toepassingen;
de
opties voor maatregelen voorleggen die aan bod komen in de door de
Commissie gefinancierde voorbereidende studie;
het
Europees Parlement en de Raad op de hoogte brengen van de conclusies van
de Commissie over een mogelijk wetgevingsvoorstel voor de oprichting van
een Europees fonds voor kleine toepassingen.
Kleine
toepassingen hebben voornamelijk betrekking op kleine gewassen die tezamen
circa 70 miljard EUR per jaar vertegenwoordigen, wat neerkomt op 22 %
van de totale productiewaarde van gewassen in de EU. De directe gevolgen voor
de landbouwsector (dat wil zeggen productieverlies en aanvullende teeltkosten
voor landbouwers) bedragen naar schatting meer dan 1 miljard EUR per jaar. Voorts beschouwen de meeste lidstaten kleine toepassingen als dermate
belangrijk dat thans al structureel middelen en personeel worden ingezet
waarvan de kosten zo'n 8 miljoen EUR belopen. De Commissie merkt op dat de volgende oorzaken ten grondslag
liggen aan het probleem van kleine toepassingen:
afwezigheid van economische
stimuli om toelating van gewasbeschermingsmiddelen aan te vragen;
heterogene beschikbaarheid van
gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen, aangezien economische
stimuli en behoeften in de diverse lidstaten variëren;
moeilijke toegang tot en
complex gebruik van reglementaire mogelijkheden voor uitbreiding van
toepassingen voor derden;
gebrek aan informatie over
bestaande initiatieven in andere lidstaten.
Er zijn vier opties
voor maatregelen van de Commissie overwogen: 1) geen financiering
door de Commissie; 2) heroprichting van
de EU-deskundigengroep inzake kleine toepassingen; 3) de
Commissie biedt gedeeltelijke financiering voor een coördinatiefaciliteit (technisch
secretariaat), een onafhankelijk centraal secretariaat dat de werkzaamheden van
de lidstaten en belanghebbenden coördineert; 4) de
Commissie biedt gedeeltelijke financiering voor een coördinatiefaciliteit
(technisch secretariaat) en specifieke projecten. Uit de standpunten van de lidstaten en
belanghebbenden is gebleken dat er een duidelijke vraag is naar gecoördineerde
maatregelen op Europees niveau (96 % van de respondenten van de algemene
enquête van het Food Chain Evaluation Consortium, FCEC, heeft aangegeven
hiervóór te zijn; 4 % zei het niet te weten). Er is geen interesse getoond
in optie 1 of 2. De meerderheid van de beleidsmakers heeft een
voorkeur uitgesproken voor optie 3, maar de telers en de
gewasbeschermingsindustrie bleken een duidelijke voorkeur te hebben voor optie 4. Aangezien het probleem van kleine toepassingen alleen
kan worden opgelost door coördinatie op Europees niveau, de lidstaten zich op
nationaal niveau al inzetten en er op dit moment al een aantal initiatieven
door betrokken partijen wordt ontplooid, stelt de Commissie voor een
coördinatiegroep in het leven te roepen. De Commissie is van oordeel dat de oprichting van een
coördinatieplatform op korte en middellange termijn toereikend zou zijn. Zij is
bereid een financiële bijdrage te leveren aan dit platform op grond van
artikel 76, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009. Nadat de
faciliteit is ingesteld en operationeel is, zal de
Commissie haar functioneren en de bereikte resultaten beoordelen en kan zij
nadere gepaste maatregelen voorstellen. INHOUD 1. Inleiding 5 1.1. Achtergrond van het verslag
en Europees regelgevingskader 5 1.2. Doel van het verslag 6 2. Gewasbeschermingsmiddelen en
kleine toepassingen 6 2.1. Het probleem 6 2.2. Economische betekenis van
kleine toepassingen 8 2.3. Bestaande initiatieven op
EU-niveau en in lidstaten 9 2.4. Kleine toepassingen in landen
buiten de Unie 10 3. Strategie voor kleine
toepassingen krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 11 3.1. Geharmoniseerde
beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen 11 3.2. Stimulerende maatregelen voor
de industrie 12 3.3. Uitbreiding van toelatingen 12 3.4. Meer duidelijkheid 13 3.5. Europees fonds voor kleine
toepassingen 13 4. Overwogen beleidsopties 13 5. Conclusies 14 1. Inleiding 1.1 Achtergrond van het
verslag en Europees regelgevingskader Regelgeving voor het op de markt brengen van
gewasbeschermingsmiddelen in de Europese Unie is vastgelegd in Verordening (EG)
nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober
2009. In deze verordening, waarbij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van
14 juni 2011 is ingetrokken, is een uitvoerige procedure voor
risicobeoordeling en toelating vastgelegd voor werkzame stoffen en middelen die
deze stoffen bevatten. Werkzame stoffen die worden ingezet als
gewasbeschermingsmiddelen worden op EU‑niveau beoordeeld en goedgekeurd,
terwijl afzonderlijke gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten voor
specifieke gewassen en plaagorganismen volgens geharmoniseerde regels door
lidstaten worden beoordeeld en toegelaten. In Verordening (EG) nr. 1107/2009 ligt de
nadruk op de zogeheten "kleine toepassingen". Dit zijn toepassingen
van gewasbeschermingsmiddelen op landbouwarealen die zo klein zijn dat de
gewasbeschermingsindustrie niet investeert in de aanvraag van een winstgevende
toelating van een middel. Kleine toepassingen hebben voornamelijk betrekking op
kleine of zeer kleine gewassen (waaronder de meeste groente, fruit, kwekerijen
en bloemen). Hiermee is naar schatting zo'n 70 miljard EUR gemoeid,
wat neerkomt op 22 % van de totale waarde van de gewasproductie in de EU. In artikel 3, punt 26, van
Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt een kleine toepassing als volgt
gedefinieerd: "Het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een bepaalde
lidstaat op planten of plantaardige producten die: -
in die lidstaat niet op ruime schaal worden
geteeld, of -
op ruime schaal worden geteeld, om te voldoen
aan een uitzonderlijke behoefte op het gebied van gewasbescherming." Als de industrie geen aanvraag indient voor
een specifieke toepassing van een middel, kan er geen beoordeling noch
toelating plaatsvinden, waardoor in diverse gevallen niet genoeg opties
beschikbaar zijn voor gewasbescherming. Dit gebrek aan toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen heeft met name gevolgen voor kleine gewassen, maar
doet zich voor minder vaak voorkomende plaagorganismen of ziekten ook gevoelen
bij grote gewassen. Het probleem van kleine toepassingen heeft ook een
negatieve uitwerking op de biologische productie, aangezien geen enkel
gewasbeschermingsmiddel, inclusief middelen die zijn toegestaan in de
biologische landbouw, is vrijgesteld van beoordeling en toelating. De meeste lidstaten hebben te maken met
problemen op het gebied van kleine toepassingen en tijdens de besprekingen
voorafgaand aan de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1107/2009 heeft
een groot aantal lidstaten en een aantal belanghebbenden opgeroepen tot
stimulerende maatregelen in de vorm van een Europees fonds waarmee Europese
maatregelen voor het probleem van kleine toepassingen kunnen worden gecoördineerd.
De Europese Commissie heeft in 2011 een voorbereidende studie voor dit verslag
gefinancierd[1],
die op haar website kan worden geraadpleegd[2]. 1.2 Doel van het
verslag Met het verslag wordt het volgende beoogd:
informatie
verstrekken over de situatie met betrekking tot kleine toepassingen zoals
lidstaten en belanghebbenden hebben aangegeven;
de
strategie voorleggen die in Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt
aangeboden met betrekking tot kleine toepassingen;
de
opties voor maatregelen voorleggen die aan bod komen in de door de
Commissie gefinancierde voorbereidende studie;
het
Europees Parlement en de Raad op de hoogte stellen van de conclusies van
de Commissie over een mogelijk wetgevingsvoorstel voor de oprichting van
een Europees fonds voor kleine toepassingen.
2. Gewasbeschermingsmiddelen
en kleine toepassingen 2.1 Het probleem Het gebrek aan gewasbeschermingsopties voor
kleine toepassingen was al vóór 1991 bekend, toen het eerste Europese
regelgevingskader inzake gewasbeschermingsmiddelen werd vastgelegd in
Richtlijn 91/414/EEG. In deze richtlijn waren al twee belangrijke
bepalingen vastgelegd waarmee de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen
voor landbouwers moest worden vergroot en harmonisering in de EU moest worden
versterkt. Die bepalingen hadden betrekking op de mogelijkheid tot a)
wederzijdse erkenning in de ene lidstaat van toelatingen in een andere lidstaat
en b) uitbreiding van de bestaande toelatingen voor kleine toepassingen middels
een beperkt dossier. Ondanks de bepalingen van
Richtlijn 91/414/EEG is de situatie van kleine toepassingen niet
verbeterd. Dit is met name toe te schrijven aan:
de aanzienlijke daling van het
aantal werkzame stoffen dat op EU-niveau is goedgekeurd, wat onder meer
het gevolg is van het werkprogramma voor de beoordeling van bestaande
werkzame stoffen dat tussen 1993 en 2009 ten uitvoer is gelegd. Dit
programma leidde tot de intrekking van circa 70 % van de werkzame
stoffen die vóór 1993 op de markt beschikbaar waren;
het zeer beperkte gebruik van
de vereenvoudigingsinstrumenten voor kleine toepassingen die in Richtlijn
91/414/EEG zijn voorzien (d.w.z. wederzijdse erkenning en uitbreiding van
kleine toepassingen);
het gebrek aan maatregelen
waarmee de industrie ertoe wordt aangespoord een dossier in te dienen voor
de toelating van kleine toepassingen[3].
Aangezien toelatingen worden toegekend door de
lidstaten en er geen overzicht op EU‑niveau is van kleine toepassingen,
kan het totale aantal toepassingen waarvoor gewasbeschermingsoplossingen
ontbreken, moeilijk worden ingeschat. Het FCEC heeft meer dan 1 400
gevallen vastgesteld (gewassen × plaagorganismen) waarvoor geen
toegelaten gewasbeschermingsmiddel bestaat, en deze lijst is niet volledig.
Bovendien heeft de Commissie van vier lidstaten gegevens verzameld over vier
gewassen, en uit de analyse van deze gegevens blijkt duidelijk dat het aantal
beschikbare toelatingen voor doeltreffende gewasbescherming voor kleine
gewassen in de periode 1990-2010 drastisch is gedaald, zoals te zien is in figuur 1.
Voor 30 van de 209 plaagorganismen en ziekten op de
vier gewassen waarop deze studie is gebaseerd, waren geen
gewasbeschermingsmiddelen beschikbaar waarmee deze konden worden bestreden.
Bovendien waren er in ten minste één van de vier lidstaten in de studie voor
161 schadelijke organismen geen toegelaten gewasbeschermingsmiddelen
beschikbaar. Deze cijfers illustreren het probleem van kleine toepassingen en
de noodzaak van een oplossing. Er komt echter ook uit naar voren dat de
lidstaten de mogelijkheid van Richtlijn 91/414/EEG niet altijd ten volle hebben
benut wanneer er oplossingen bestonden in andere lidstaten, of wanneer deze
beschikbaar waren voor andere gewassen. Wanneer gewassen
onvoldoende worden beschermd tegen schadelijke organismen, kan dit op
verschillende niveaus gevolgen hebben. De duurzame productie van kwalitatief
hoogwaardige en zeer diverse voedselgewassen met een hoge waarde komt erdoor in
het gedrang. Het gebrek aan oplossingen voor gewasbescherming kan negatief
uitwerken op de volksgezondheid en het milieu doordat bepaalde
gewasbeschermingsmiddelen mogelijk illegaal worden ingezet. Voorts zou de
afwezigheid van toepassingen van gewasbescherming naast andere factoren het
concurrentievermogen van de Europese landbouw kunnen ondermijnen. De belanghebbenden beschikken weliswaar over weinig economische
gegevens, maar uit de studie van het FCEC komt een indicatie van de economische
gevolgen naar voren die zijn toe te schrijven aan het gebrek aan oplossingen
voor gewasbescherming voor kleine toepassingen. De directe gevolgen (dat wil
zeggen productieverlies en extra teeltkosten voor landbouwers) bedragen naar
schatting meer dan 1 miljard EUR per jaar. De indirecte
sociaaleconomische gevolgen en effecten op het milieu worden geschat op
ongeveer 100 miljoen EUR. Gevolgen zijn onder meer lokale
werkloosheid en verlies van biodiversiteit (bijvoorbeeld in Zuid-Europa, waar
bepaalde traditionele landbouwactiviteiten zoals de productie van aromatische
gewassen niet meer mogelijk zouden zijn). Die cijfers hebben betrekking op een
totaal landbouwareaal van meer dan 9 miljoen hectare. 2.2 Economische
betekenis van kleine toepassingen De term "kleine toepassing" kan de
indruk wekken dat hun economische dimensie eveneens beperkt is, maar het
tegendeel is waar. Kleine toepassingen betreffen in werkelijkheid speciale
gewassen met een hoge waarde, zoals groente en fruit, siergewassen,
kwekerijgewassen (planten voor opplant) en aromatische gewassen. In dit verslag
worden al deze gewassen als klein beschouwd, hoewel er een aantal groot zijn in
bepaalde lidstaten. Deze speciale gewassen worden op een waarde van 70 miljard EUR
per jaar geschat, wat neerkomt op 22 % van de totale productiewaarde van
de landbouwsector[4].
Alleen al de sector groente en fruit is goed voor circa 45 miljard EUR
in de EU-27[5]
voor een totale productie van 70 miljoen ton groente en
40 miljoen ton fruit per jaar. De marktwaarde voor sierplanten wordt
geschat op 27 miljard EUR per jaar. In figuur 2 is de economische opsplitsing
van kleine toepassingen weergegeven. De teeltarealen voor groente en fruit in de
EU-27 waarvan de gegevens per zone worden getoond in figuur 3, beslaan respectievelijk
4,6 miljoen hectare en 1,8 miljoen hectare, wat tezamen neerkomt op
circa 17 % van de totale productievolumes in de EU. 2.3 Bestaande initiatieven op
EU-niveau en in lidstaten De meeste lidstaten zijn bezorgd over het
probleem van kleine toepassingen en werken al sinds jaren aan oplossingen,
zowel op nationaal niveau als in het kader van de EU deskundigengroepen
inzake kleine toepassingen. 2.3.1 Nationale middelen Vaak zijn er nationale middelen beschikbaar
waarmee de uitbreiding van kleine toepassingen wordt ondersteund en waarmee werkzaamheids-
en residuonderzoek voor kleine toepassingen wordt gefinancierd. De jaarlijkse
begroting van lidstaten schommelt tussen 40 000 en 1 000 000 EUR
op basis van publieke, private of gemengde middelen, exclusief verborgen
bijdragen voor personeel en dienstverlening. De totale jaarlijkse financiering
in alle lidstaten kan worden geschat op circa 8 miljoen EUR voor
onderzoeksprojecten. Deze financiering wordt besteed aan specifieke nationale
projecten zonder coördinatie van de verschillende maatregelen die in de EU ten
uitvoer worden gelegd. In de enquête van het
FCEC hebben 15 lidstaten aangegeven dat kleine toepassingen zo belangrijk
worden geacht dat hiervoor structurele middelen en personeel worden ingezet. Niemand
is echter van oordeel dat het probleem met de beschikbare middelen op nationaal
niveau kan worden opgelost. Bovendien hebben tien lidstaten hiervoor geen
middelen beschikbaar. 2.3.2 EU-deskundigengroepen De EU-deskundigengroep inzake kleine toepassingen,
die tussen 2002 en 2009 door de Commissie is georganiseerd, bestond uit: 1) een stuurgroep bestaande uit beleidsvertegenwoordigers van
geselecteerde lidstaten, twee coördinatoren en de Commissie. De stuurgroep was
verantwoordelijk voor het algemene beleid en het beheer van de werkzaamheden
van de technische groepen; 2) twee technische groepen voor Zuid- en Noord-Europa,
aangestuurd door een coördinator (een uit Frankrijk en een uit Nederland),
bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten. Ook belanghebbenden
(vertegenwoordigers van producenten, landbouwers, ngo's, de
pesticidenindustrie) waren uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen
van de technische groepen. Deze groepen hadden de taak technische oplossingen
te vinden voor kleine toepassingen door problemen vast te stellen, informatie
te delen, gemeenschappelijke prioriteiten te stellen en werkzaamheden te
verdelen. Deze activiteiten mondden uit in de ontwikkeling van projecten over
gegevensuitwisseling, vrijwillige wederzijdse erkenning en het genereren van
gegevens. Door het initiatief van deskundigengroepen
hebben lidstaten bilaterale en multilaterale samenwerkingsverbanden weten te
ontplooien. De deskundigengroepen worden weliswaar
beschouwd als een goed platform voor de uitwisseling van ideeën en het verdelen
van werkzaamheden, maar hebben niet geleid tot een toereikende
tenuitvoerlegging van oplossingen voor kleine toepassingen. Om deze reden en
vanwege de zeer beperkte rol van de Commissie in het nationale toelatingsproces
heeft de Commissie in 2009 besloten het initiatief stop te zetten. Daarna is
een aantal lidstaten nationale of regionale initiatieven blijven ontplooien,
zoals technische werkgroepen voor coördinatie van nationale instanties en
belanghebbenden zoals telers, de industrie, onderzoeksinstanties en voorlichtingdiensten. 2.4 Kleine toepassingen
in landen buiten de Unie Kleine toepassingen worden thans
internationaal erkend als een prioriteit waarvoor oplossingen moeten worden
gezocht. In het kader van het pesticidenprogramma van
de OESO is in 2007 de deskundigengroep voor kleine toepassingen opgezet (EGMU,
Expert Group on Minor Uses) waarvan de leden[6]
internationale samenwerking en technische bijstand trachten op te zetten ter
vergemakkelijking van pesticidenregistratie voor kleine toepassingen. Een aantal landen heeft nationale initiatieven
ontplooid voor kleine toepassingen, met name de VS, Australië en Canada. In de Verenigde Staten is in 1963 het
zogeheten IR-4-programma (Interregional Research Project No. 4) opgezet door de
USDA Cooperative State Research, Education and Extension Service, in
samenwerking met het Amerikaanse Environmental Protection Agency voor bijstand
bij de verzameling van residu- en werkzaamheidsgegevens[7] ter ondersteuning van
de registratie of herregistratie van pesticiden voor kleine toepassingen en de tolerantiebepaling
voor residuen van chemicaliën voor kleine toepassingen in of op landbouwgrondstoffen. Het IR-4-programma is een gezamenlijk
initiatief van overheid en bedrijfsleven en heeft een federale begroting van
circa 8 miljoen EUR per jaar. Hierbij komen financiering en bijdragen
van belanghebbenden, waarmee de begroting naar schatting wordt verdubbeld. IR-4
heeft tussen 2008 en halverwege 2011 geleid tot meer dan 550 toelatingen. 3. Strategie voor kleine toepassingen krachtens
Verordening (EG) nr. 1107/2009 In Verordening (EG) nr. 1107/2009
betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen zijn diverse
bepalingen vastgelegd waarmee moet worden gewaarborgd dat diversifiëring van de
land- en tuinbouw niet in gevaar komt door een gebrek aan
gewasbeschermingsmiddelen. Deze bepalingen vormen een geïntegreerde
strategie, waarmee het probleem van kleine toepassingen naar verwachting
geleidelijk zal worden teruggedrongen als zij juist en volledig ten uitvoer
wordt gelegd. 3.1 Geharmoniseerde
beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen Ter vereenvoudiging van de procedures,
harmonisering van de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen en verlaging
van de werkbelasting voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen door
lidstaten, waarmee het toelatingsproces wordt
versneld, is in Verordening (EG) nr. 1107/2009 een systeem ingevoerd
voor beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen per zone. Daartoe is de Europese
Unie ingedeeld in drie zones (Noord, Centraal en Zuid), en de lidstaten moeten
de beoordeling en toelating van een gewasbeschermingsmiddel door een lidstaat
binnen de zone wederzijds erkennen. Voor bepaalde toepassingen, waaronder zeer
belangrijke kleine toepassingen in kassen, zaadbehandelingen of behandelingen
na het oogsten, is de toelating die door een lidstaat is verleend, in iedere
andere lidstaat geldig, ongeacht de zone waartoe deze behoort. Mits de
landbouwpraktijken vergelijkbaar zijn, is wederzijdse erkenning van toelatingen
verplicht binnen korte en vastgestelde termijnen, zodat de
gewasbeschermingsmiddelen sneller en geharmoniseerder op de markt beschikbaar
zijn, met name voor kleine toepassingen. Met dit zonesysteem (artikel 40)
wordt harmonisering bevorderd, omdat lidstaten ermee worden verplicht binnen
één zone (of in de hele EU als het gaat om gebruik in kassen, behandeling na de
oogst of behandeling van zaaizaad) één beoordeling uit te voeren. De enige afwijking van wederzijdse erkenning
is de mogelijkheid voor een lidstaat om toelating van het
gewasbeschermingsmiddel te weigeren als deze lidstaat vanwege specifieke
milieu- of landbouwomstandigheden gegronde redenen heeft om te stellen dat het
middel in kwestie een onaanvaardbaar risico vormt voor de gezondheid van mens
of dier of het milieu. Binnen de zones en op EU-niveau vinden reeds
coördinatiewerkzaamheden plaats, en er zijn nieuwe werkzaamheden gepland om te
waarborgen dat de nieuwe bepalingen volledig ten uitvoer worden gelegd.
Volledige en juiste uitvoering van het zonesysteem zal naar verwachting een
sterke en positieve invloed hebben op kleine toepassingen. In het kader van deze activiteit is
uitwisseling van informatie over toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die
worden beoordeeld of die al zijn verleend, van cruciaal belang. Daarom werkt de
Commissie thans aan een Europese database waarmee de Commissie, lidstaten en
derden informatie eenvoudiger met elkaar kunnen delen. Zo kunnen de Commissie, de
lidstaten en aanvragers uit het bedrijfsleven aan hun juridische verplichtingen
voldoen en bovendien het publiek informeren. 3.2 Stimulerende
maatregelen voor de industrie Verordening (EG) nr. 1107/2009 bevat
tevens twee belangrijke bepalingen waarmee de industrie ertoe wordt aangespoord
oplossingen voor kleine toepassingen te ontwikkelen.
Vereenvoudigde procedure voor het instellen
van maximumresidugehalten
Voor de goedkeuringsprocedure wordt de
industrie ertoe aangespoord een aanvraag in te dienen voor alle gewenste
maximumresidugehalten, niet alleen voor grote, maar ook voor kleine
toepassingen (artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 6, van
Verordening (EG) nr. 1107/2009). Aanvragen voor maximumresidugehalten worden
tegelijk met de goedkeuring van de werkzame stof beoordeeld om op alle niveaus
tijd en middelen te besparen. Hiermee wordt beoogd op het moment van
goedkeuring van de werkzame stof zo veel mogelijk maximumresidugehalten te
kunnen instellen om de toelatingsprocedure voor de desbetreffende toepassingen
op het niveau van de lidstaat te vereenvoudigen en te versnellen.
Verlenging van gegevensbescherming
De gegevensbescherming (artikel 59) wordt
voor iedere uitbreiding van een toelating voor kleine toepassingen met drie
maanden verlengd, met een maximum van drie jaar, behalve wanneer voor de
toelatingsuitbreiding geen nieuwe residugegevens zijn ingediend. Deze bepaling zou
positief moeten uitwerken op het aantal kleine toepassingen. 3.3 Uitbreiding van
toelatingen In artikel 51 zijn vereenvoudigde regels
gedefinieerd op grond waarvan derden, houders van een toelating, officiële of
wetenschappelijke instanties, beroepsorganisaties op landbouwgebied en
professionele gebruikers kunnen verzoeken om bestaande toelatingen uit te
breiden tot kleine toepassingen die nog niet onder die toelating vallen.
Soortgelijke bepalingen waren al van kracht op grond van Richtlijn 91/414/EEG. Voorts kunnen lidstaten krachtens dit artikel
maatregelen treffen waarmee het gemakkelijker wordt dergelijke aanvragen in te
dienen of waarmee instanties ertoe worden aangespoord deze aanvragen in te
dienen. In de verordening wordt niet nader bepaald wat voor soort maatregelen
dit kunnen zijn, wat lidstaten veel ruimte voor eigen initiatief biedt. In Verordening (EG)
nr. 1107/2009 zijn de vereenvoudigingsregels zoals vastgelegd in
Richtlijn 91/414/EEG behouden en wordt lidstaten meer flexibiliteit
geboden om de uitbreidingsregels zo goed en doeltreffend mogelijk in te zetten.
Door deze extra flexibiliteit kunnen lidstaten nu maatregelen treffen waarmee
het gemakkelijker wordt aanvragen voor uitbreiding van bestaande toelatingen tot
kleine toepassingen in te dienen of waarmee instanties ertoe worden aangespoord
dergelijke aanvragen in te dienen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om lagere
te betalen vergoedingen, snellere procedures voor de beoordeling van aanvragen,
voorlichtingsprogramma's voor belanghebbende partijen, ontmoediging van de
inzet van andere maatregelen en met name de noodmaatregelen zoals bedoeld in
artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009. 3.4 Meer duidelijkheid Het in kaart brengen van het probleem van kleine
toepassingen wordt belemmerd doordat er geen overeengekomen lijst bestaat van
kleine toepassingen op basis waarvan kan worden gezocht naar gezamenlijke
oplossingen. Verordening (EG) nr. 1107/2009 biedt betere
transparantie doordat de lidstaten ertoe worden verplicht op nationaal niveau
een lijst van kleine toepassingen aan te leggen. 3.5 Europees fonds voor
kleine toepassingen De Commissie moet de noodzaak van en de mogelijkheden
voor de oprichting van een fonds verkennen (zie hoofdstuk 4) op basis van
artikel 51, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1107/2002. 4. Overwogen beleidsopties Uit de studie van het FCEC zijn na raadpleging
van lidstaten en belanghebbenden vier opties naar voren gekomen. Deze variëren
van geen financiering door de Commissie tot aanzienlijke financiering middels
een gestructureerd en erkend Europees fonds. 1) Geen financiering door de
Commissie Bij deze optie
neemt de Commissie niet rechtstreeks deel aan werkzaamheden op het gebied van
kleine toepassingen. De bepalingen van Verordening (EG) nr. 1107/2002
zoals beschreven in hoofdstuk 3 van dit verslag zullen naar verwachting
positief uitwerken en moeten volledig ten uitvoer worden gelegd voordat nadere
maatregelen worden getroffen. 2) EU-deskundigengroep inzake kleine toepassingen Deze optie bestaat
erin de voormalige EU-deskundigengroepen opnieuw in het leven te roepen, zoals
beschreven in punt 2.3.2 van dit verslag. De Commissie biedt twee keer per
jaar een vergaderruimte en neemt de reiskosten van één afgevaardigde per
lidstaat, alsmede de dagvergoeding voor de coördinatoren voor rekening. De directe kosten
voor de Commissie worden geschat op circa 44 000 EUR per jaar, zonder
de middelen die de Commissie moet inzetten voor het bijwonen en de follow-up
van vergaderingen. (Werkzaamheden:
kennis en ervaring uitwisselen die op nationaal niveau is opgebouwd en
bilaterale projecten tussen lidstaten opzetten) 3) De Commissie biedt gedeeltelijke financiering voor een coördinatiefaciliteit
(technisch secretariaat) Deze optie bestaat
uit optie 2 plus twee fte's in een technisch secretariaat buiten de Commissie.
De Commissie is verder niet betrokken, maar biedt gedeeltelijke subsidie voor
het systeem. Het secretariaat is een rechtspersoon en brengt verslag uit aan
een stuurgroep bestaande uit lidstaten, medefinancierende belanghebbenden en de
Commissie. De benodigde
begroting voor de tenuitvoerlegging van optie 3 bedraagt naar schatting
tussen 0,5 en 0,7 miljoen EUR per jaar. Dit bedrag moet worden
opgebracht door de Commissie en de lidstaten. De medefinanciering van de
Commissie op basis van artikel 76, lid 1, van Verordening (EG)
nr. 1107/2009 kan ten uitvoer worden gelegd in de vorm van een subsidie
krachtens titel VI van het Financieel Reglement (Verordening (EU, Euratom)
nr. 966/2012). (Werkzaamheden:
naast de werkzaamheden onder punt 2, coördinatie van werkzaamheden op het
gebied van kleine toepassingen met lidstaten en belanghebbenden, opzetten en
onderhouden van een database over kleine toepassingen, stimulering van
harmonisering (bijvoorbeeld definities van gewasgroepen en
plaagorganismengroepen, ontwikkeling van richtlijnen)) 4) De Commissie biedt gedeeltelijke financiering voor een coördinatiefaciliteit
(technisch secretariaat) en specifieke projecten Optie 4
behelst optie 3, plus beperkte financiële steun van de EU voor projecten
met betrekking tot het genereren van gegevens voor werkzaamheid en veiligheid,
beoordeling van dossiers en toelating van afzonderlijke kleine toepassingen. De hiervoor
benodigde begroting bedraagt 1,2 à 6 miljoen EUR per jaar,
afhankelijk van het aantal gefinancierde projecten. Bij deze optie worden de
kosten gedeeld door de drie betrokken partijen (industrie, telers en
Commissie/lidstaten). (Werkzaamheden:
zoals bij optie 3, plus het genereren van gegevens over kleine
toepassingen voor het indienen van dossiers op zoneniveau, met een verwachte
uitwerking in de hele EU) 5. Conclusies Uit de standpunten van de lidstaten en
belanghebbenden is gebleken dat er een duidelijke vraag is naar gecoördineerde
maatregelen op Europees niveau (96 % van de respondenten van de algemene
enquête van het Food Chain Evaluation Consortium, FCEC, heeft aangegeven
hiervóór te zijn; 4 % zei het niet te weten). Er is geen interesse naar
voren gekomen voor optie 1 of 2. De meerderheid van de beleidsmakers heeft
weliswaar haar voorkeur uitgesproken voor optie 3, maar de telers en de
gewasbeschermingsindustrie bleken een duidelijke voorkeur te hebben voor
optie 4, aangezien hun voorkeur uitgaat naar de oprichting van een fonds,
dat wordt toegevoegd aan de reeds omvangrijke financiële steun die in de hele
EU op nationaal niveau wordt geboden (naar schatting 8 miljoen EUR). De Commissie is voorts van oordeel dat optie 4
verder reikt dan de werkingssfeer van artikel 76, lid 1, van
Verordening (EG) nr. 1107/2009 en dat de huidige rechtsgrondslag daarom
dient te worden gewijzigd. Dat is op korte en middellange termijn geen optie. De grootste noodzaak bestaat volgens lidstaten
uit coördinatie en het uitwisselen van informatie via een gemeenschappelijk
platform van EU-deskundigen inzake kleine toepassingen. Belanghebbenden hebben
een voorkeur aangegeven voor extra financiering bovenop de reeds bestaande
bronnen voor het genereren van gegevens. De Commissie erkent dat een dergelijke coördinatiefaciliteit
synergieën kan bevorderen en hiermee wordt voorkomen dat er dubbel werk wordt
verricht, en dat hiermee ook wordt gewaarborgd dat nationale middelen efficiënt
worden geïnvesteerd. De Commissie is bereid bijstand te verlenen en op
korte en middellange termijn een financiële bijdrage te leveren aan de
oprichting van deze onafhankelijke coördinatiefaciliteit (optie 3 van de
overwogen beleidsopties), op basis van artikel 76, lid 1, van
Verordening (EG) nr. 1107/2009. Uit een eerste analyse blijkt dat een
financiering van 350 000 EUR per jaar toereikend zou zijn voor de
noodzakelijke maatregelen in optie 3. De Commissie is dan ook van mening dat op dit
moment geen specifiek wetgevingsvoorstel aan het Europees Parlement en de Raad
hoeft te worden voorgelegd voor een fonds voor kleine toepassingen. Zij zal de
vooruitgang de komende jaren echter op de voet volgen en eventueel gepaste
maatregelen voorstellen naar aanleiding van de tot dan toe opgedane ervaring
met bovengenoemde coördinatiefaciliteit. De Commissie is ervan
overtuigd dat de oprichting van een coördinatiefaciliteit in combinatie met de
volledige en juiste tenuitvoerlegging van de nieuwe bepalingen van Verordening (EG)
nr. 1107/2009 en die worden beschreven in hoofdstuk 3 van dit
verslag, het probleem van de kleine toepassingen in de tussentijd aanzienlijk
zullen verkleinen. Naast de voorgestelde
coördinatiefaciliteit inzake kleine toepassingen zal de Commissie krachtens de
meest recente oproep tot het indienen van voorstellen in het zevende
kaderprogramma voor onderzoek[8]
een Eranet ondersteunen inzake geïntegreerde gewasbescherming, met specifieke
verwijzing naar kleine toepassingen (IPM-Eranet). Eranets zijn instrumenten
voor onderzoekscoördinatie waarmee lidstaten hun nationale
onderzoeksactiviteiten op elkaar kunnen afstemmen en uiteindelijk gezamenlijke
projecten kunnen financieren. Dit is voor lidstaten en geassocieerde landen een
belangrijke kans om informatie uit te wisselen, middelen op elkaar af te
stemmen en gezamenlijke onderzoeksbenaderingen op specifieke terreinen overeen
te komen. Het IPM-Eranet gaat in de eerste maanden van 2014 van start, met als
doel synergieën tot stand te brengen en de tenuitvoerlegging van geïntegreerde
gewasbescherming voor kleine toepassingen bij Europese landbouwers naar een
hoger niveau te tillen. Coördinatie tussen dit Eranet en de voorgestelde coördinatiefaciliteit
is van levensbelang en zal de oplossing van problemen met kleine toepassingen
en gewassen dichterbij brengen. De Commissie roept ook op tot volledige betrokkenheid
van de belanghebbenden voor succesvolle tenuitvoerlegging van
Verordening (EG) nr. 1107/2009 en het zoeken naar haalbare
oplossingen in de hele EU voor problemen met plaagorganismen op kleine
gewassen. Er moet speciale aandacht uitgaan naar de tenuitvoerlegging van
praktijken voor geïntegreerde gewasbescherming en werkzame stoffen met een laag
risico, biologische pesticiden en basisstoffen, overeenkomstig de beginselen
van Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire
actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden. [1] De studie is uitgevoerd door het Food Chain Evaluation Consortium
(hierna het FCEC genoemd). [2] http://ec.europa.eu/food/plant/protection/evaluation/study_establishment_eu_fund.pdf. [3] De kosten voor het genereren en beoordelen van gegevens
voor een kleine toepassing kunnen meer dan 200 000 EUR bedragen. [4] Bovengenoemde waarden zijn schattingen op basis van
Eurostat-gegevens, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen kleine en grote
gewassen. Bepaalde groente- of fruitgewassen, zoals appels, zijn grote gewassen
in de meeste lidstaten, en bepaalde landbouwgewassen zoals rijst worden als
klein beschouwd in de meeste lidstaten waar rijst wordt verbouwd. [5] De studie is uitgevoerd vóór de toetreding van Kroatië. [6] Australië (voorzitter), België, Canada,
Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan,
Nederland, Nieuw-Zeeland, Oostenrijk, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Verenigd
Koninkrijk, Verenigde Staten, Europese Commissie, FAO, EPPO, IBMA, US IR-4 en
de industrie. [7] In het kader van het IR-4-programma zijn in
de VS 25 centra voor veldonderzoek opgericht, die betrokken zijn bij 100
studies die jaarlijks worden ondersteund door zo'n 650 veldexperimenten. [8] Werkprogramma voor
samenwerking in het zevende kaderprogramma: Voeding, landbouw en visserij en
biotechnologie, onderwerp KBBE.2013.1.4-02: Geïntegreerde gewasbescherming
(IPM) – ERANET, oproep: FP7-ERANET-2013-RTD).