|
15.1.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 12/75 |
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, tot wijziging van Verordening (EU) nr. XXX/XXXX van het Europees Parlement en de Raad (verordening officiële controles) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007
(COM(2014) 180 final — 2014/0100 (COD))
(2015/C 012/12)
|
Rapporteur: |
Armands Krauze |
Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 2 april en 28 april 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 43, lid 2, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, tot wijziging van Verordening (EU) nr. XXX/XXX van het Europees Parlement en de Raad (verordening officiële controles) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007
COM(2014) 180 final — 2014/0100 (COD).
De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 oktober 2014 goedgekeurd.
Het EESC heeft tijdens zijn op 15 en 16 oktober 2014 gehouden 502e zitting (vergadering van 16 oktober) onderstaand advies uitgebracht, dat met 61 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.
1. Conclusies en aanbevelingen
|
1.1 |
Het EESC is ingenomen met het wetgevingsvoorstel van de Commissie en met haar voornemen om de biologische landbouw in Europa te stimuleren, overeenkomstig de ontwikkeling van de vraag. Het is zaak dat de tekortkomingen van het huidige systeem worden aangepakt. De Commissie zou zowel de ontwikkeling van de biologische landbouw als het consumentenvertrouwen in biologische producten moeten bevorderen. |
|
1.2 |
Het baart het EESC wel zorgen dat de Commissie in haar effectbeoordeling heeft verzuimd om behoorlijk na te gaan hoe nieuwe regelgeving zal uitpakken voor de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw in Europa. Ook is er onvoldoende nagedacht over de impact op de biologische producenten en over de effecten van deze regelgeving op de continuïteit van de productie. |
|
1.3 |
Het EESC steunt het plan van de Commissie om kleine bedrijven aan te moedigen actief te worden in de biologische landbouw en om de administratieve lasten in de hele biologische sector te verminderen. |
|
1.4 |
De EU is een netto-importeur van biologische producten. Europese landbouwers gaan gebukt onder alsmaar stijgende productiekosten en administratieve lasten, waardoor de biologische landbouw in de EU zich niet zodanig kan ontwikkelen dat aan de toenemende vraag van de consument kan worden voldaan. |
|
1.5 |
Globaal genomen is het EESC voorstander van het streven van de Commissie naar volledige overschakeling van de huidige gemengde bedrijven op biologische landbouw, mits er voor bepaalde specifieke gevallen uitzonderingen worden gemaakt. Extra steunmaatregelen zijn noodzakelijk om de overschakeling van landbouwers op 100 % biologische landbouw te faciliteren. |
|
1.6 |
Het EESC zou graag zien dat de Commissie in haar voorgestelde verordening de bepalingen over vegetatief teeltmateriaal en zaaizaad nader uitwerkt, want het zal voor biologische landbouwers moeilijk haalbaar worden om in 2021 louter nog biologisch zaaigoed te gebruiken. |
|
1.7 |
Het EESC hoopt dat de onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) en over andere overeenkomsten er niet toe zullen leiden dat de EU-normen voor biologische landbouw worden ondermijnd of dat de voorwaarden voor de productie, verkoop en certificering van biologische producten opnieuw ter discussie gesteld of gewijzigd worden. |
|
1.8 |
In biologische landbouwbedrijven moeten op veel niveaus strengere dierenwelzijnsnormen worden toegepast dan in conventionele bedrijven. In sommige gevallen kan het echter moeilijk zijn voor biologische producenten om aan de veeleisende voorwaarden te voldoen. Waar het gaat om de specifieke voorschriften die van toepassing zijn in het kader van het dierenwelzijn in de biologische landbouw raadt het EESC de Commissie aan om de uitzonderingsmogelijkheden zorgvuldig te bestuderen en vast te stellen, met het oog op het behoud van traditionele maatregelen en teeltmethoden die al sinds jaar en dag voor lokale rassen worden gebruikt. |
|
1.9 |
Het EESC verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de verschillen in tradities, geschiedenis en klimaat die er tussen de EU-lidstaten en -regio's bestaan, alsook naar de specifieke nationale productiekenmerken. Deze verschillen zouden in acht moeten worden genomen door bij de toepassing van de uitzonderingsbepalingen een zekere flexibiliteit aan de dag te leggen. Tegelijkertijd dient echter voor een bepaalde mate van harmonisatie te worden gezorgd. |
|
1.10 |
Biologische landbouwers moeten de aangegane verbintenissen kunnen nakomen. Na de inwerkingtreding van de nieuwe verordening, halverwege de financieringsperiode 2014-2020 voor de plattelandsontwikkelingsprogramma's, moeten de producenten dan ook de mogelijkheid krijgen om met hun eerder aangegane verbintenissen door te gaan of om de nieuwe verordening te volgen. Er dient op te worden toegezien dat wijzigingen die binnen een lopende contractperiode op het huidige wetskader worden doorgevoerd niet tot sancties met terugwerkende kracht leiden voor landbouwers die niet kunnen voldoen aan deze gewijzigde voorwaarden. |
|
1.11 |
Het EESC verzoekt de Commissie rekening te houden met de specifieke kenmerken van de Europese ultraperifere regio's, zodat zij de kans krijgen een lokale vorm van biologische landbouw te ontwikkelen (toegang tot zaaizaad, gebrek aan bevoorradingsmogelijkheden, gezondheidsproblemen). |
|
1.12 |
Het EESC verzoekt de Commissie om meer duidelijkheid met betrekking tot de status van koninginnengelei, pollen en bijenwas: deze producten zouden moeten worden opgenomen in de in bijlage I van de ontwerpverordening inzake biologische productie vermelde lijst van andere producten. |
|
1.13 |
Het EESC verzoekt de Commissie om voor innovatie en opleiding op het gebied van de biologische landbouw adequate steun te verlenen, waarbij specifiek belang moet worden gehecht aan de beroepsopleiding van jongeren en aan levenslang leren voor actieve producenten. |
|
1.14 |
Het EESC verzoekt de Commissie een voorstel voor een verordening uit te werken waarmee de directe verkoop en korte afzetkanalen voor biologische producten worden bevorderd. |
|
1.15 |
Het EESC verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de verordening de nodige bepalingen bevat om de publieke en collectieve aankoop van biologische levensmiddelen op scholen en in ziekenhuizen en andere openbare instellingen te bevorderen. |
2. Algemene opmerkingen
Algemene informatie over de standpunten van de belanghebbenden
|
2.1 |
De biologische landbouw is een op het beheer van natuurlijke hulpbronnen gebaseerd productiesysteem waarin strenge beperkingen gelden voor het gebruik van chemische en synthetische productiemiddelen, waarin moet worden afgezien van het gebruik van minerale meststoffen en waarin het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen is verboden. |
|
2.2 |
De biologische landbouw is niet zomaar een specifieke manier van produceren of van het voortbrengen van bepaalde producten; er ligt een ruimer concept aan ten grondslag. In de biologische landbouw wordt rekening gehouden met zowel het fysieke milieu waarin de productie plaatsvindt, als de sociale omstandigheden. Het gaat om een vorm van produceren met een veel bredere visie, waarbij ook de sociaaleconomische, politieke en sociaal-culturele dimensies in aanmerking worden genomen. |
|
2.3 |
Biologische bedrijven vertonen over het algemeen een grotere biodiversiteit; ze huisvesten meer planten- en insectensoorten dan niet-biologische bedrijven. De grond is er veel rijker aan levende organismen, wat bijdraagt aan het behoud van de bodemstructuur en van een hoog aandeel organische stoffen. Dit zorgt op zijn beurt voor een betere doorluchting en afwatering van de bodem. |
|
2.4 |
In de buurt van deze bedrijven is de waterkwaliteit beter, omdat biologische landbouwers geen schadelijke synthetische pesticiden of minerale meststoffen gebruiken. Een correcte toepassing van wisselbouw komt de vruchtbaarheid van de bodem en de efficiënte werking van voedingsstoffen ten goede. Vergelijkingen tussen landbouwbedrijven tonen aan dat de nitraatuitspoeling per hectare in biologische bedrijven 57 % lager is. |
|
2.5 |
De biologische landbouw bevordert het creëren van „groene” arbeidsplaatsen. In het Verenigd Koninkrijk en Ierland is in 2011 een studie naar de werkgelegenheid in biologische landbouwbedrijven verricht waaruit blijkt dat er in deze bedrijven 135 % (1) méér voltijdse arbeidsplaatsen zijn in dan in conventionele bedrijven. |
|
2.6 |
Tijdens de onlineraadpleging die de Commissie in 2013 heeft gehouden, hebben de belanghebbende partijen benadrukt dat de herziening van de wetgeving op het succes van de huidige wetgeving moet berusten en de EU in staat moet stellen om de biologische landbouw verder te ontwikkelen. De Commissie heeft verschillende scenario's voorgelegd. De meeste belanghebbenden zijn voorstander van het scenario „verbeterde status quo”, d.w.z. dat de bestaande wetgeving aangepast en beter gehandhaafd moet worden. |
|
2.7 |
In weerwil van de standpunten over de nieuwe wetgeving die door branche- en maatschappelijke organisaties zijn geuit, is de Europese Commissie met een wetgevingsinitiatief gekomen dat aanzienlijke wijzigingen met zich meebrengt. |
Algemene informatie over de wetgevingsinitiatieven van de Commissie
|
2.8 |
Het Commissievoorstel telt drie hoofddoelstellingen: behoud van het consumentenvertrouwen, behoud van het producentenvertrouwen en vergemakkelijking van de omschakeling van landbouwers op biologische landbouw. |
|
2.9 |
De Commissie stelt voor om zowel de in de EU geldende regels als de regels voor ingevoerde producten aan te scherpen en te harmoniseren door een groot deel van de huidige uitzonderingen op het vlak van productie en controles te schrappen; de internationale dimensie van de handel in biologische producten beter in aanmerking te nemen door nieuwe uitvoerbepalingen toe te voegen; en de controles te verbeteren door hierbij uit te gaan van de risico's. |
|
2.10 |
De Commissie beoogt vooral om het voor kleine landbouwers gemakkelijker te maken op biologische landbouw over te schakelen door hun de mogelijkheid te geven zich bij een groepscertificeringssysteem aan te sluiten, en om de wetgeving te vereenvoudigen. Dit moet leiden tot verlichting van de administratieve lasten voor de boeren en tot meer transparantie. |
3. Algemene en specifieke opmerkingen
|
3.1 |
Het EESC is van mening dat de tekortkomingen van het huidige systeem moeten worden weggewerkt. Zo is het absoluut zaak om kleine bedrijven aan te moedigen over te schakelen op biologische landbouw en om de administratieve lasten te verminderen, teneinde gelijke mededingingsvoorwaarden te waarborgen en het consumentenvertrouwen in de biologische landbouw te vergroten. |
|
3.2 |
Door de kwaliteitsnormen voor biologische producten te verhogen en de productievoorschriften aan te scherpen, kan het consumentenvertrouwen worden vergroot en kan ook het prijsverschil tussen biologische en conventionele producten gerechtvaardigd worden. Er mag echter niet worden vergeten dat kleine bedrijven die aan deze normen willen voldoen, op economische problemen dreigen te stuiten. |
|
3.3 |
Het EESC verzoekt de Commissie duidelijk aan te geven dat de voornaamste punten uit de huidige verordening zullen worden opgenomen in de nieuwe verordening i.p.v. in gedelegeerde handelingen, en dat ze van toepassing zullen blijven. Te zijner tijd zal in overleg met de belanghebbende partijen moeten worden bekeken welke gevallen uitvoeringshandelingen dan wel gedelegeerde handelingen vereisen. |
|
3.4 |
Het EESC wijst erop dat het in de biologische landbouw verboden is om in het productieproces genetisch gemodificeerde producten te gebruiken. Ook het verbouwen van genetisch gemodificeerde gewassen op en rond biologische landbouwbedrijven is uit den boze. |
|
3.5 |
Het EESC verzoekt de Commissie om de wetenschappelijke studies over bestuiving in aanmerking te nemen. Bestuiving heeft zich gedurende een periode van miljoenen jaren ontwikkeld om bloeiende planten te bevruchten en vindt plaats over afstanden die vliegend kunnen worden afgelegd door bestuivers, met name bijen (Apis Mellifera). Bestuivers kunnen thans echter ook stuifmeel overbrengen dat genetisch gemodificeerde genen bevat. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de bij, een van de belangrijkste bestuivers, wel 14 km kan vliegen (2). |
|
3.6 |
Het EESC vreest dat landbouwers met aanzienlijke extra kosten te maken kunnen krijgen als gevolg van de invoering van aparte grenswaarden voor biologische landbouwproducten, waarin met name Richtlijn 2006/125/EG voorziet. Dergelijke extra kosten staan een florerende ontwikkeling van de sector in de weg. Vooral kleine biologische landbouwers zullen het moeilijk krijgen. Het EESC is van mening dat voor biologische landbouwers dezelfde milieuomstandigheden gelden als voor alle andere landbouwers en vindt dan ook dat er geen aparte grenswaarden moeten worden ingevoerd. De consumentenbescherming moet niet worden opgesplitst. |
|
3.7 |
Het EESC wijst erop dat er in biologische landbouwproducten wezenlijk minder residuen zitten dan in conventionele landbouwproducten. Grenswaarden voor residuen zijn thans echter nog niet vastgesteld. Het EESC beveelt derhalve aan om als uitgangspunt een zorgvuldige studie inclusief een effectbeoordeling te maken. Daarnaast wijst het EESC erop dat er geen gemeenschappelijke Europese regels bestaan voor de uitrusting van Europese laboratoria, de gebruikte methodes en de door de certificatie-instanties gehanteerde grenswaarden voor decertificering. Harmonisatie zou nochtans moeten voorafgaan aan de vaststelling van een Europese grenswaarde voor decertificering. Een en ander moet gepaard gaan met de invoering van een Europees mechanisme voor schadeloosstelling/compensatie van producenten die verlies lijden door onopzettelijke of secundaire verontreiniging. |
|
3.8 |
Globaal genomen kan het EESC het streven van de Commissie naar volledige overschakeling van gemengde bedrijven op biologische landbouw begrijpen. Er bestaan momenteel echter veel gemengde landbouwbedrijven waarvan een deel wordt gerund overeenkomstig de voorschriften voor de biologische landbouw en een ander deel volgens de beginselen van de conventionele landbouw. Volgens de voorgestelde wetgeving zullen gemengde bedrijven stapsgewijs worden afgeschaft. Dit moet in 2017 zijn voltooid. Het EESC merkt op dat het voor heel wat landbouwbedrijven lastig zal worden om het hele bedrijf om te vormen. Voorts is het zeer onduidelijk wat een strikte toepassing van dit beginsel voor gevolgen zou kunnen hebben. Het zou nogal averechts werken als landbouwers bedrijven strategisch zouden opsplitsen of in toenemende mate van de biologische productie zouden afstappen. Het EESC adviseert dan ook om in bepaalde gevallen de nodige flexibiliteit aan de dag te blijven leggen. |
|
3.9 |
Het EESC pleit voor het behoud van uitzonderingsbepalingen in specifieke gevallen van parallelle productie (bedrijven die zowel biologische als conventionele producten voortbrengen). Niet-toepassing van een uitzondering kan de ontwikkeling van de biologische landbouw afremmen. In de volgende gevallen moet worden vastgehouden aan uitzonderingen, te weten: 1) voor wetenschappelijke instituten die studies verrichten op het gebied van zowel de biologische als de conventionele landbouw; 2) voor non-foodproducten; zo zouden biologische bedrijven die ook actief zijn in het agrotoerisme, conventionele rijpaarden moeten kunnen houden; 3) voor persoonlijke consumptie, bijv. in akkerbouwbedrijven waarvan de eigenaren enkele koeien of kippen hebben voor hun eigen behoeften; 4) voor bedrijven die gelegen zijn in verschillende geografische zones, bijv. als een deel van de grond en de gebouwen van het bedrijf in de bergen ligt en een ander deel in het dal, of als twee bedrijven in het verleden zijn samengevoegd terwijl ze op tientallen kilometers afstand van elkaar liggen, zodat er geen vermenging kan zijn van biologische producten met conventionele; 5) voor vaste gewassen, met name boomteelt, wijnbouw, parfumplanten, enz.; 6) voor gewassen zonder biologische afzetmarkt. |
|
3.10 |
In biologische landbouwbedrijven moeten op veel niveaus strengere dierenwelzijnsnormen worden toegepast dan in conventionele bedrijven. Het EESC raadt de Commissie aan om zorgvuldig te kijken naar de specifieke eisen die aan biologische producenten worden gesteld en om na te denken over uitzonderingsmogelijkheden voor specifieke verbodsbepalingen (het couperen van staarten, het vastbinden van dieren, enz.) die van toepassing zijn in het kader van het dierenwelzijn in de biologische landbouw. Om een voorbeeld te geven: in verscheidene EU-lidstaten hebben vele jaren van selectie geleid tot traditionele schapenrassen waarbij de staarten wel gecoupeerd móéten worden, want een lange staart zou de dieren pijn doen. Als de toepassing van traditionele maatregelen en teeltmethoden die al sinds jaar en dag voor lokale rassen worden gebruikt wordt tegengehouden, kunnen sommige verbodsbepalingen alsook het ontbreken van uitzonderingen resulteren in minder dierenwelzijn. Verbodsbepalingen kunnen zelfs tot gevolg hebben dat sommige rassen niet meer geproduceerd worden, wat een aanzienlijk verlies zou betekenen in termen van genetische rijkdom. |
|
3.11 |
De uitzondering die het gebruik van niet-biologisch zaaigoed mogelijk maakt, zal geleidelijk worden opgeheven, en moet in 2021 zijn afgeschaft. Organisaties van biologische landbouwers merken op dat het in tal van landen voor boeren die bijzondere rassen telen niet gemakkelijk zal worden om in 2021 uitsluitend nog biologisch zaaigoed te gebruiken. Om de verwachte problemen voor biologische landbouwers op dit gebied te voorkomen, verzoekt het EESC de Commissie om het verordeningsvoorstel nader uit te werken. De uitzondering zou echter alleen moeten gelden voor gewassen waarvoor er op de markt geen zaaigoed voorhanden is dat aan de lokale klimaats- en andere omstandigheden is aangepast. |
|
3.12 |
Ter verwezenlijking van deze doelstelling zou de Commissie er goed aan doen om steunregelingen voor de ontwikkeling van de productie van zaaigoed in te voeren en om bepalingen toe te voegen waarmee het mogelijk wordt om het beoogde doel, nl. dat er alleen nog biologisch zaaigoed en vegetatief teeltmateriaal mag worden gebruikt, te halen. |
|
3.13 |
Ook andere aspecten van de markt voor biologisch zaaigoed verdienen bijzondere aandacht. Zo mag het recht van landbouwers om onderling zaaigoed uit te wisselen niet worden ingeperkt. Dat is namelijk een essentiële voorwaarde om zaaigoed te verkrijgen dat van 100 % biologische oorsprong is. Deze uitwisseling is onmisbaar voor de selectie van zaaigoed die landbouwers op lokaal niveau doorvoeren. Door deze keuze kunnen landbouwers de beschikking krijgen over rassen die bestand zijn tegen de plaatselijke klimatologische omstandigheden van een specifieke regio, en kunnen ze deze zonder minerale meststoffen of pesticiden verbouwen, met inachtneming van de historische en klimatologische verschillen en de nationale productiekenmerken. |
|
3.14 |
Belangrijk bij de biologische productie zijn volgens het EESC de ecotypen van de lokale variëteiten en gewassen die niet in het rassenregister zijn opgenomen. Ondersteund zou moeten worden dat de landbouwers bij de productie van zaaigoed en het zoeken naar nieuwe rassen een grotere rol krijgen. Een van de belangrijkste aangevoerde argumenten is het gebrek aan biologisch zaad, met name van groenten. Bij de conventionele landbouw ligt de nadruk op producten die van belang zijn voor de mondiale markt, nl. het wereldwijde gebruik van hybride rassen die eigendom zijn van multinationals en die — zoals alom bekend — op conventionele wijze worden geteeld en in de biologische productie onbruikbaar zijn. |
|
3.15 |
Het Europese logo voor biologische producten, dat nieuw is, is nog niet erg bekend. Nationale biologische logo's zijn voor de consumenten belangrijk en moeten gebruikt blijven worden. Het EESC vindt daarom dat de lidstaten de mogelijkheid zouden moeten krijgen om strengere eisen te stellen en nationale of particuliere normen vast te stellen voor diersoorten die niet onder de verordening vallen (bijv. hertachtigen, kwartels, wilde zwijnen), alsook voor collectieve maaltijdverzorging. |
|
3.16 |
Het EESC onderschrijft dat producten uit derde landen strenger gecontroleerd moeten worden om te garanderen dat zij aan de EU-voorschriften voldoen. De controle op invoer kan worden versterkt door de verschuiving van gelijkwaardigheid naar naleving op het gebied van de erkenning van controleorganen in derde landen. Deze verschuiving kan voor de nationale markten voor biologische producten in de EU echter negatieve gevolgen hebben, die nog niet allemaal in kaart zijn gebracht. De vaststelling van nieuwe regels voor ingevoerde producten in Japan in 2001 heeft er bijv. toe geleid dat de nationale markt voor biologische producten er klappen kreeg. Een grondigere effectbeoordeling is absoluut noodzakelijk. |
|
3.17 |
Wat de handel en de handelsovereenkomsten met derde landen betreft, acht het EESC het zaak om te garanderen dat voor export naar de EU bestemde producten voldoen aan productienormen die even hoog zijn als de normen die voor de biologische productie op Europees niveau zijn vastgesteld. Het EESC is er voorstander van dat er op basis van betrouwbare databanken elektronische certificaten voor partijen producten worden ingevoerd. Hierdoor krijgen de lidstaten de kans in geval van inbreuken snel te reageren door producten die niet aan de regels voldoen uit de handel te nemen. |
|
3.18 |
Het EESC gaat ervan uit dat de EU-normen voor biologische productie niet zullen worden ondermijnd en dat de onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) er niet toe zullen leiden dat de voorwaarden voor de productie, verkoop en certificering van biologische producten opnieuw ter discussie gesteld of gewijzigd worden. |
|
3.19 |
De biologische landbouw is als productiemethode gedefinieerd aan de hand van het hele proces dat erbij komt kijken, en kan dus niet gekenmerkt worden door eindproducten die aan bepaalde normen voldoen. Belangrijk is dat de controles gericht blijven op het proces. |
|
3.20 |
Het EESC is voorstander van het behoud van jaarlijkse controles en vindt dat deze moeten stoelen op het beginsel van risico-evaluatie. Deze benadering dient op EU-niveau te worden geharmoniseerd. De kosten van de controles moeten proportioneel zijn, zodat de uitgaven voor biologische landbouwers niet toenemen en de consumenten de mogelijkheid houden om biologische producten voor redelijke prijzen te kopen. Blijkt echter dat de op risico's gebaseerde aanpak van de controles veilig is en de geloofwaardigheid van het controlesysteem ten goede komt, dan zou wel de tijdspanne tussen de controles op het bedrijf kunnen worden aangepast. |
|
3.21 |
Het EESC stemt in met de door de Commissie voorgestelde invoering van een groepscertificeringssysteem voor kleine landbouwers om de inspectie- en certificeringskosten en de daarmee gepaard gaande administratieve belasting te verminderen en een gelijk speelveld met marktdeelnemers in derde landen te waarborgen. Het EESC merkt hierbij wel op dat de invoering van zo'n systeem een complexe zaak is en in de praktijk geleidelijk dient te verlopen. |
|
3.22 |
Het EESC kan zich niet vinden in het schrappen van de wetgevingsbepaling op grond waarvan detailhandelaren vrijstellingen kunnen krijgen, want hierdoor zouden commerciële bedrijven die voorverpakte biologische producten verkopen voortaan gecertificeerd moeten worden. Gevolg van deze vereiste zal zijn dat de handel in biologische producten wordt belemmerd, dat het aantal verkooppunten afneemt en dat deze producten minder toegankelijk worden voor de consument. Het zou bijv. kunnen dat kleine handelaren liever geen geld willen uitgeven voor het verkrijgen van een certificaat waarmee ze biologische producten mogen verkopen, als ze alleen maar in een bepaald seizoen sommige biologische producten willen verkopen. Voor biologische landbouwers zou het dan heel lastig worden om hun producten af te zetten. |
|
3.23 |
Het EESC onderstreept dat er op EU-niveau markttoezichtmaatregelen moeten worden genomen om informatie te verzamelen over het op de Europese markt voorhanden zijn van de verschillende producten en over de marktontwikkelingen, met name de beschikbaarheid van biologisch zaaigoed in de verschillende lidstaten. |
|
3.24 |
Het EESC is ingenomen met het door de Commissie opgestelde actieplan over de ontwikkeling en de doelstellingen van de biologische productie in de EU, maar het vindt dit plan wel erg algemeen van opzet en onvolledig. De maatregelen die de Commissie in dit actieplan voorstelt, moeten hoe dan ook duidelijker omschreven en nader uitgewerkt worden. Op sommige gebieden bijv. beperkt de Commissie zich ertoe om voorstellen te doen, te adviseren, te helpen, na te denken of aan te moedigen, terwijl de landbouwers en de samenleving juist concrete acties verwachten. |
|
3.25 |
Volgens het EESC zou in het actieplan vooral ook moeten worden ingegaan op het naast elkaar leven van biologische producenten, conventionele producenten en producenten van genetisch gemodificeerde planten, teneinde het gevaar van vermenging met ggo's te verminderen. Om resultaat te boeken en co-existentie van de verschillende producenten mogelijk te maken is het absoluut noodzakelijk dat de betrokken personen tijdig met elkaar in gesprek gaan, dat de bestaande problemen worden besproken en dat er naar oplossingen wordt gezocht. Het EESC verzoekt de Commissie de nodige middelen beschikbaar te stellen om de belanghebbende partijen te informeren en bij het besluitvormingsproces te betrekken. |
|
3.26 |
Het voorstel uit het actieplan om de mensen vertrouwd te maken met de Europese instrumenten ter ondersteuning van de biologische landbouw, zal niet volstaan om het concurrentievermogen van biologische producenten in de EU of de productieomvang te vergroten. Volgens het EESC zou de EU er goed aan doen een campagne te financieren om meer informatie te verschaffen over het Europese stelsel van biologische productie in het algemeen, en over het nieuwe Europese logo voor biologische producten. |
|
3.27 |
Het EESC vindt dat de Commissie meer steun voor de beroepsopleiding van jongeren, levenslang leren en innovatie op het gebied van de biologische landbouw zou moeten verlenen door hiervoor middelen uit te trekken in het kader van Europese plattelandsontwikkelings- en andere programma's. Het EESC adviseert de Commissie de wetgeving en de desbetreffende programma's aan te vullen door vakopleidingsscholen en andere onderwijsinstellingen in aanmerking te laten komen voor steunmaatregelen om de opleiding en innovatie op het gebied van de biologische landbouw in goede banen te leiden. |
|
3.28 |
Bovendien kan biologische productie jongeren gemakkelijk over de streep halen om zich met landbouw te gaan bezighouden. Dankzij de ontwikkeling van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën en het feit dat jongeren uit steden worden aangetrokken door biologische landbouw, is het heel goed denkbaar dat deze sector innovatie in probleemgebieden een nieuwe impuls zal geven. |
Brussel, 16 oktober 2014
De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
Henri MALOSSE
(1) Morison, J., Hine, R. and Pretty, J., 2005. Survey and Analysis of Labour on Organic Farms in the UK and Republic of Ireland. International Journal of Agricultural Sustainability Volume 3 (1).
(2) Displaced honey bees perform optimal scale-free search flights Andrew M. Reynolds, Alan D. Smith, Randolf Menzel, Uwe Greggers, Donald R. Reynolds & Joseph R. Riley, Rothamsted Research, Harpenden, Hertfordshire AL5 2JQ United Kingdom, Freie Universität Berlin, FB Biologie/Chemie/Pharmazie, Institut für Biologie — Neurobiologie, Königin-Luise-Str. 28/30, 14195 Berlin, Germany, Natural Resources Institute, University of Greenwich, Chatham, Kent ME4 4TB United Kingdom
Ecology, 88(8), 2007, blz. 1955–1961.