12.9.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 311/82


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie — Bouw van het kernvervoersnet: kernnetwerkcorridors en de Connecting Europe Facility

(COM(2013) 940 final)

2014/C 311/13

Rapporteur: de heer Coulon

Corapporteur: de heer Back

De Europese Commissie heeft op 13 februari 2014 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie — Bouw van het kernvervoersnet: kernnetwerkcorridors en de Connecting Europe Facility

COM(2013) 940 final.

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 april 2014 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 29 en 30 april 2014 gehouden 498e zitting (vergadering van 29 april) het volgende advies uitgebracht, dat met 209 stemmen vóór en 4 tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met de mededeling, die een wezenlijke en nuttige ondersteuning biedt bij de uitvoering van de kernnetwerkcorridors en de vooraf geselecteerde projecten op deze corridors, zoals omschreven in deel I van bijlage I bij de Verordening tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (de zgn. CEF-verordening (EU) nr. 1316/2013), op basis van de criteria die uiteengezet zijn in de Verordening betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (de zgn. richtsnoerenverordening (EU) nr. 1315/2013).

1.2

Het EESC waardeert dat de mededeling zich richt op het bestuurssysteem omdat dit bepalend is voor een efficiënte uitvoering en ondersteuning biedt bij de ontwikkeling van werkplannen voor de kernnetwerkcorridors als stap op weg naar een gecoördineerde grensoverschrijdende planning in de corridors teneinde een coherente capaciteit te realiseren en knelpunten te voorkomen.

1.3

Het EESC benadrukt het belang van harmonieuze en efficiënte interactie tussen de coördinatoren, die essentieel zijn voor een efficiënte uitvoering, de corridorfora met hun werkgroepen en vooral ook publieke en private partijen op verschillende niveaus, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld.

1.4

Het EESC beseft dat het allesbehalve gemakkelijk zal zijn om de maatregelen duidelijk en samenhangend te coördineren, gezien de geografische reikwijdte van de kernnetwerkcorridors en de noodzaak om voor afstemming te zorgen met andere initiatieven, zoals de corridors voor goederenvervoer per spoor, die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) 913/2010, het NAIADES II-programma voor de binnenwateren, de snelwegen op zee en ERTMS, het gemeenschappelijk spoorwegseinsysteem, alsmede de noodzaak om private en publieke partijen bij dit alles te betrekken. Er lijken nog instrumenten voorhanden te zijn, zoals werkgroepen, om dit probleem op te lossen.

1.5

Gezien de rol van het EESC als schakel tussen de EU-instellingen en het maatschappelijk middenveld en het initiatief om participatieoverleg over de implementatie van het Witboek Vervoer uit 2011 aan te gaan met het maatschappelijk middenveld (1), zou de deelname van een vertegenwoordiger van het EESC aan de werkzaamheden van elke corridorforum een meerwaarde opleveren.

1.6

In dit verband is het ook belangrijk dat het bestuurssysteem als begrijpelijk en transparant wordt gezien. Het EESC vertrouwt erop dat men zich voldoende zal inspannen om deze belangrijke doelstelling te realiseren, om zo de publieke belangstelling en het draagvlak voor de uitvoering van de TEN-T te verbeteren.

1.7

Het EESC wijst op de potentiële rol van grondige en objectieve voorbereidende projectstudies, ook als belangrijk onderdeel van een kader voor een transparante dialoog. Eveneens zou nagegaan kunnen worden of er een geschillenbeslechtingsmechanisme moet komen.

1.8

De doeltreffendheid van het bestuurssysteem kan echter sterk worden aangetast doordat alle besluiten goedkeuring van de lidstaten vergen en er geen krachtig rechtskader bestaat om handhaving af te dwingen ingeval de in de richtsnoeren of de CEF-verordening aangegeven doelstellingen onvoldoende verwezenlijkt worden.

1.9

Aangezien het bestuurssysteem in de vorm van zachte wetgeving is gegoten en fundamentele besluiten over de ontwikkeling van infrastructuur en nieuwe bouwwerkzaamheden alleen genomen kunnen worden als de lidstaten en de infrastructuureigenaren het met elkaar eens zijn, wordt medefinanciering door de EU bijzonder belangrijk. Het EESC vindt dat medefinanciering door de EU consequent ingezet moet worden als instrument om ervoor te zorgen dat er afspraken over bouwwerkzaamheden worden gemaakt en dat de werkzaamheden op tijd klaar zijn. Zie in dit verband ook paragraaf 4.7 van dit advies.

1.10

Het EESC maakt zich tevens zorgen over de bescheiden budgettaire middelen die op EU-niveau zijn uitgetrokken en over het langzame tempo en de onduidelijke vooruitzichten die de ontwikkeling van alternatieve financieringsmechanismen, zoals projectobligaties en publiek-private partnerschappen, lijken te kenmerken.

2.   Inleiding

2.1

In december 2013 hebben het Europees Parlement en de Raad de richtsnoeren en de CEF-verordening goedgekeurd.

2.2

De richtsnoeren bieden een nieuw kader voor de ontwikkeling van een multimodaal grensoverschrijdend infrastructuurnetwerk dat de mobiliteit van mensen en goederen in de EU op hulpbronnenefficiënte en duurzame wijze moet vergemakkelijken, om de toegankelijkheid en het concurrentievermogen in de Europese Unie tussen nu en 2030/2050 te verbeteren.

2.3

De financiële bijdrage van de EU aan de vervoersinfrastructuurprojecten en de desbetreffende prioriteiten tijdens het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 worden in de CEF-verordening uiteengezet.

2.4

Samen vormen de richtsnoeren en de CEF-verordening een belangrijk element bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het Witboek van 2011 over het vervoersbeleid.

2.5

De belangrijkste doelstellingen van de mededeling „Bouw van het kernvervoersnet: kernnetwerkcorridors en de Connecting Europe Facility” (COM(2013) 940) zijn:

uitleggen hoe de Commissie de uitvoering van de kernnetwerkcorridors en de beheersstructuur ervan wil steunen;

informatie verstrekken over het beschikbare budget, de ontwikkeling van financieringsinstrumenten en de financieringsprioriteiten;

aanvragers/begunstigden begeleiden bij het projectbeheer en uitleg geven over de verwachtingen van de Commissie.

2.6

De mededeling wordt geflankeerd door een werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2013) 542) over de planningsmethode die is toegepast bij het vaststellen van het uitgebreide netwerk en het kernnetwerk, zoals uiteengezet in de richtsnoeren.

3.   Belangrijkste onderdelen van de mededeling

3.1

In de mededeling worden de rol en het functioneren van de kernnetwerkcorridors toegelicht. Er wordt nader ingegaan op de rol van de Europese coördinatoren en van het corridorforum. Dit corridorforum is een overlegorgaan, dat eventueel wordt aangevuld door werkgroepen, en dient als schakel tussen de coördinator en de EU-lidstaten, overheden op alle niveaus en andere betrokken partijen.

3.2

Voorts wordt ingegaan op de rol van de coördinator en het forum bij het opstellen van het werkplan voor iedere corridor, wat vóór eind december 2014 moet gebeuren, alsook op de doorslaggevende rol van de betrokken lidstaten tijdens het uitvoeringsproces, o.a. wat de samenstelling van het forum en de goedkeuring van het werkplan betreft. Het werkplan zal worden geëvalueerd in 2017, net als het werkplan dat de Commissie voor de implementatie van de CEF-verordening zal opstellen, alsmede in 2023. Het werkplan moet een analyse van de huidige situatie in de corridor bevatten, problemen — knelpunten en interoperabiliteitsproblemen, waaronder administratieve factoren e.d. die optimale en duurzame multimodale vervoersdiensten in de weg staan — in kaart brengen en financiële en andere oplossingen aandragen.

3.3

De mededeling maakt ook kort melding van de twee horizontale coördinatoren die resp. met de snelwegen op zee en ERTMS, het gemeenschappelijk spoorwegseinsysteem, belast zullen worden.

3.4

Daarnaast wordt het belang onderstreept van samenwerking tussen de kernnetwerkcorridors en de negen bij Verordening (EG) nr. 913/2010 ingestelde corridors voor goederenvervoer per spoor, die in het corridorforum van het kernnetwerk vertegenwoordigd moeten zijn. Ook worden andere projecten genoemd en wordt de hoop uitgesproken dat de partijen die bij deze projecten zijn betrokken, belangstelling voor de corridorfora zullen tonen en aan de werkplannen van de corridors zullen bijdragen.

3.5

Het Marco Polo-programma wordt voortgezet, maar dan als onderdeel van de in de richtsnoeren voorziene innovatieve en duurzame goederenvervoersdiensten, dat als zodanig uit hoofde van de CEF-verordening wordt gefinancierd.

3.6

De rest van de mededeling is gewijd aan de CEF-financieringsprioriteiten, waarbij voorrang uitgaat naar corridorprojecten (grensoverschrijdende projecten, knelpunten en multimodale projecten). Ook wordt een overzicht gegeven van de beschikbare financiering voor andere prioriteiten dan de corridors, zoals een klein bedrag ten behoeve van projecten voor het uitgebreide netwerk.

3.7

De Commissie licht ook de beginselen van het beheer van subsidies toe en geeft aan wat zij van de projecten verwacht. Zij behoudt zich het recht voor een project slechts gedeeltelijk te financieren als het niet geheel in overeenstemming is met de prioriteiten van de CEF-verordening. Indien een project vertraging oploopt of niet goed wordt beheerd, kan de financiering verlaagd of ingetrokken en overgeheveld worden. De financieringsintensiteit voor werken (tot de in de CEF-verordening vastgestelde maxima) zal grotendeels aan de hand van een kosten-batenanalyse en de relevantie van de werken voor de werkplannen van de corridors worden bepaald.

3.8

Van de in totaal 26,3 miljard euro die in de periode 2014-2020 beschikbaar is voor het TEN-T, is 11,3 miljard gereserveerd voor de cohesielanden. Dit laatste bedrag gaat volledig naar vooraf geselecteerde projecten op het kernnetwerk in de cohesielanden, zoals vastgesteld in bijlage I bij de CEF-verordening. De toewijzing van deze middelen geschiedt in overeenstemming met de beginselen van het Cohesiefonds ten aanzien van de toewijzing per land in 2014, 2015 en 2016. De financieringsintensiteit zal boven de gewone TEN-T-plafonds uitkomen omdat de beginselen van het Cohesiefonds van toepassing zijn. Voor het overige zullen de governance- en managementbeginselen hetzelfde zijn. Er zullen extra inspanningen worden gedaan om programma-activiteiten in cohesielanden te ondersteunen.

3.9

Tot slot wordt in de mededeling kort ingegaan op de ontwikkelingsplannen en de middelen die voor de ontwikkeling van financiële instrumenten worden uitgetrokken. Er wordt geconcludeerd dat het bedrag dat voor dit project wordt gereserveerd, grotendeels afhankelijk is van de marktintroductie van deze instrumenten.

4.   Algemene opmerkingen

4.1

Het EESC is verheugd over de mededeling, want deze kan partijen die belang hebben bij de ontwikkeling van het TEN-T-netwerk waardevolle hulp bieden. De meerwaarde ervan is wellicht het grootst voor partijen die belang hebben bij een van de vooraf geselecteerde en in bijlage I bij de CEF-verordening opgenomen projecten en voor partijen die aan een van de kernnetwerkcorridors zijn gelegen of daarbij zijn betrokken, maar de mededeling is ook voor andere actoren interessant.

4.2

Op een aantal punten gaat de mededeling verder dan de tekst van de richtsnoeren en van de CEF-verordening en biedt zij partijen betere mogelijkheden om proactief op te treden en hun planning te optimaliseren. Een aantal kwesties die in de mededeling worden behandeld, zijn door het EESC in zijn adviezen over het voorstel voor de richtsnoeren (2) en het voorstel voor de CEF-verordening (3) aan de orde gesteld.

4.3

Volgens het EESC biedt de mededeling het nodige om van nut te zijn als instrument bij de uitvoering van de TEN-T-richtsnoeren en om de aanzet te geven tot gedragspatronen die de grensoverschrijdende samenwerking tussen de betrokken partijen zullen verbeteren en synergie-effecten tussen de verschillende in de mededeling aangegeven programma's teweeg zullen brengen.

4.4

Wel wenst het EESC een aantal opmerkingen naar voren te brengen om bepaalde punten te verduidelijken, zodat de mededeling haar doel nog beter kan dienen.

4.5

De bestuursstructuur — met de coördinator, het corridorforum en het werkplan voor iedere kernnetwerkcorridor — maakt het mogelijk om de kernnetwerkcorridors sneller te verwezenlijken en de daarbij vooraf geselecteerde projecten sneller uit te voeren. Het is daarom belangrijk dat deze bestuursstructuur zo snel mogelijk haar beslag krijgt. Het EESC is dan ook ingenomen met de in de mededeling aangegeven planning voor het opzetten van het bestuurssysteem en het opstellen van het werkplan.

4.6

Het valt in dit verband echter te betreuren dat het bestuurssysteem dat nu voor de kernnetwerkcorridors wordt voorgesteld, wel wat zwakker is dan het systeem dat oorspronkelijk in de door de Commissie voorgestelde richtsnoeren (COM(2011) 650 final/2 — 2011/0294 (COD)) was gepland. Het EESC acht een adequaat toezicht op de uitvoering van cruciaal belang.

4.7

In dit licht wijst het EESC erop dat een vastgelegde planning van de bouwwerkzaamheden, die door de Europese Commissie, lidstaten en infrastructuureigenaren overeengekomen is en gecoördineerd wordt, bijzonder belangrijk is. De verbetering van het TEN-T staat of valt met deze planning. Het behoort volgens het EESC dan ook tot de belangrijkste taken van de coördinatoren om deze coördinatieprocedures te ondersteunen en te laten uitmonden in bindende afspraken, en hun invloed aan te wenden om ervoor te zorgen dat deze afspraken nagekomen worden. De uitbetaling van EU-financiering zou ingezet kunnen worden om te waarborgen dat er bindende afspraken worden gemaakt en dat deze worden uitgevoerd.

4.8

Anderzijds is het EESC zeer te spreken over de bepalingen inzake de betrokkenheid van publieke en private partijen in artikel 50 van de richtsnoeren, als basis voor een overlegcultuur, die ook in de mededeling aan de orde wordt gesteld (4). Het EESC wijst erop dat het belangrijk is om in een vroeg stadium een dialoog op te zetten, ook met het publiek, om transparantie te scheppen en vertrouwen te kweken.

4.9

Wat het optreden van de coördinator betreft, benadrukt het EESC dat deze belangrijke taken heeft en in de positie verkeert om problemen op te lossen en aan de vorderingen met de desbetreffende corridor bij te dragen. De coördinatoren hebben ook de belangrijke verantwoordelijkheid om er zorg voor te dragen dat de hele ontwikkeling van de corridors op harmonieuze wijze deel uitmaakt van de totstandbrenging van een eengemaakte, technisch interoperabele, duurzame en productieve Europese vervoersruimte. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is wel dat de coördinator over voldoende secretariële middelen beschikt.

4.10

In het belang van de geloofwaardigheid en om zo veel mogelijk nuttige input te verzamelen zouden alle betrokken partijen, waaronder nationale, regionale en lokale overheden, marktdeelnemers, werknemers uit de betrokken sectoren, sociale partners en gebruikers, in het corridorforum vertegenwoordigd moeten zijn.

4.11

Het is van groot belang om voor samenhang te zorgen tussen de werkplannen voor de corridors en het meerjarig werkplan dat de Commissie uit hoofde van de CEF-verordening zal uitwerken. Gezien de gemeenschappelijke prioriteiten die in de mededeling en in de lijst van vooraf geselecteerde projecten in bijlage I bij de CEF-verordening zijn vastgesteld, gaat het EESC ervan uit dat dit geen problemen zal opleveren. Aangezien het ernaar uitziet dat de respectieve plannen parallel aan elkaar opgesteld zullen worden, beklemtoont het EESC het belang van de instructies die in dit verband in de mededeling op basis van de bepalingen van de richtsnoeren en de CEF-verordening worden gegeven.

4.12

Terecht wordt in de mededeling belang gehecht aan afstemming van de corridoractiviteiten op de corridors voor goederenvervoer per spoor (Verordening (EU) nr. 913/2010), het NAIADES II-programma voor de binnenwateren (COM(2013) 623 final), het initiatief om havens efficiënter te maken (COM(2013) 295 final) en projecten voor duurzame ontwikkeling, opdat dubbel werk voorkomen wordt en synergie-effecten gecreëerd kunnen worden. Het EESC betreurt wel dat deze coördinatie niet op een systeem of rechtsgrondslag berust, met uitzondering van de in de richtsnoeren vastgelegde verplichting tot samenwerking tussen de kernnetwerkcorridor en de corridors voor goederenvervoer per spoor, waarbij ook is bepaald dat de betrokken spoorwegcorridors in het corridorforum vertegenwoordigd moeten zijn. Het EESC vraagt zich af of het niet zinvol zou zijn om er tenminste voor te zorgen dat in het corridorforum ook plaats is voor vertegenwoordigers van andere (programma's met) projecten die voor de corridor relevant zijn. Een voorbeeld van een dergelijk project is „Swiftly Green”, een grensoverschrijdend project in de vorm van een „groene corridor” dat geografisch gezien relevant is voor de kernnetwerkcorridor Scandinavië-Middellandse Zee. Hetzelfde zou kunnen gelden voor relevante lopende projecten in het kader van de snelwegen op zee, gezien het belang dat in de mededeling aan de snelwegen op zee wordt gehecht. In ieder geval dient zo veel mogelijk rekening gehouden te worden met werkzaamheden die al zijn uitgevoerd en dient zo veel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande infrastructuur.

4.13

Wanneer kernnetwerkcorridors elkaar kruisen of overlappen kunnen zich hetzelfde soort uitdagingen voordoen als tussen verschillende soorten corridors of projecten. Het EESC wijst erop dat het belangrijk is dat er manieren worden gevonden om dergelijke situaties op transparante wijze en met een efficiënt gebruik van middelen het hoofd te bieden.

4.14

Het EESC merkt op dat de bestuursstructuur van de corridors losstaat van de financieringsbesluiten, die door de Commissie op grond van specifieke andere criteria worden genomen. In dit verband vindt het EESC het een goede zaak dat in de mededeling wordt erkend dat de werkplannen van de corridors van belang zijn voor de financieringsbesluiten.

4.15

Het EESC is zich bewust van het belang, in praktische en formele zin, van de kernnetwerkcorridors en hun bestuursstructuur, waarop ook qua administratieve middelen en financiering de nadruk ligt. Dit neemt niet weg dat het zich net als eerder al in zijn advies over het voorstel voor de richtsnoeren (5) afvraagt of de kernnetwerkcorridors in feite niet een derde en hoogste categorie binnen het TEN-T-netwerk uitmaken.

4.16

Het EESC onderschrijft de prioriteiten die in de mededeling worden aangegeven en neemt kennis van de hoge prioriteit die aan spoorwegverbindingen en snelwegen op zee tussen eilanden of schiereilanden en het vasteland wordt toegekend en aan maatregelen om de BKG-voetafdruk van vervoer te verminderen. In dit verband wijst het EESC op de zeeverbindingen over de Oostzee, in de Noordzee over de Golf van Biskaje en tussen een aantal havens aan de Middellandse Zee. Al deze verbindingen hebben als kenmerk dat het vervoer over land wordt verkort en/of het gecombineerd vervoer wordt ontwikkeld.

4.17

Het EESC maakt zich zorgen over de ontoereikendheid van de beschikbare EU-middelen en over de vraagtekens rond de mogelijkheden om alternatieve financieringsmechanismen te ontwikkelen, waaronder projectobligaties en publiek-private partnerschappen.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1

Het EESC wijst erop dat de bedragen die worden voorgesteld voor medefinanciering door de EU met betrekking tot de in de mededeling aangegeven prioriteiten, bij elkaar opgeteld lijken uit te komen boven het totaalbedrag dat voor financiering beschikbaar is. Niets wijst erop dat er is gekeken naar de mogelijkheden om (deels) gebruik te maken van financiële instrumenten.

5.2

In de mededeling wordt groot belang gehecht aan kosten-batenanalyses als instrument voor het evalueren van projecten. In de mededeling wordt verwezen naar een specifieke methode die wordt gebruikt bij het berekenen van kosten en baten van projecten in de cohesielanden waarbij cohesiemiddelen worden ingezet. Niet-cohesielanden hoeven deze methode niet te gebruiken; zij moeten een „erkende methode” hanteren. Het EESC vraagt zich af of er niet één of meer aanbevolen methodes aangedragen kunnen worden, bijvoorbeeld bij de oproepen tot het indienen van voorstellen. Dit zou de transparantie kunnen bevorderen en gelijke voorwaarden kunnen creëren. Daarmee zou de Commissie één stap verder gaan dan de in artikel 51 van de richtsnoeren voorziene bekendmaking van de beginselen die zij bij de kosten-batenanalyse en de beoordeling van de Europese meerwaarde toepast.

5.3

Het EESC wijst in dit verband opnieuw op de noodzaak om bij het bestuderen van projecten ook naar sociale, economische en milieuaspecten te kijken, in overeenstemming met de EU 2020-strategie. Dit houdt ook in dat ervoor wordt gezorgd dat geplande infrastructuurvoorzieningen daadwerkelijk in een behoefte voorzien en adequaat gebruikt zullen worden.

5.4

De in de CEF-verordening aangegeven optie om voor de financiering van het TEN-T-netwerk meer gebruik te maken van innovatieve financiële instrumenten, wordt in de mededeling uiterst kort behandeld. Daarbij wordt vooral de mogelijke marktacceptatie aan de orde gesteld, hetgeen vooralsnog een open vraag lijkt te zijn. Het EESC neemt hiervan kennis en verwijst naar zijn opmerkingen in eerder genoemde adviezen over de voorstellen inzake de richtsnoeren en de CEF-verordening en zijn advies over het initiatief inzake projectobligaties (6). Het EESC wijst er in dit verband ook op dat de markt positief heeft gereageerd op de projecten die tijdens de testfase van de projectobligaties werden opgezet, en vestigt de aandacht op de evaluatie van de proefperiode van de projectobligaties, die binnenkort zal plaatsvinden.

Brussel, 29 april 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 299 van 4.10.2012, blz. 170.

(2)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 130.

(3)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 134.

(4)  PB C 299 van 4.10.2012, blz. 170.

(5)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 130.

(6)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 134.