WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING Begeleidend document bij het voorstel voor een aanbeveling van de Raad over de stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende sectoren /* SWD/2013/0312 final */
Deze effectbeoordeling vergezelt het voorstel van de
Commissie voor een aanbeveling van de Raad over de stimulering van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende sectoren. Hier
volgt een samenvatting van de hoofdpunten van de effectbeoordeling. 1. Inleiding In de mededeling van 2011 over de ontwikkeling van de
Europese dimensie van de sport wordt bevestigd dat lichaamsbeweging een van de
belangrijkste gezondheidsdeterminanten in de moderne samenleving is en dat
sport een fundamenteel onderdeel vormt van elk overheidsbeleid dat is gericht
op de bevordering van lichaamsbeweging. De Commissie en de lidstaten worden
opgeroepen om "op basis van de EU-richtsnoeren inzake lichaamsbeweging
voort [te] werken aan de vaststelling van nationale richtsnoeren, waaronder een
evaluatie- en coördinatieproces". Deze richtsnoeren, die zijn
opgesteld door een groep van 22 deskundigen uit diverse disciplines die
uit heel Europa afkomstig zijn en waarin de wetenschappelijke inzichten breed
zijn vertegenwoordigd, werden in 2008 op EU-beleidsniveau bevestigd. Hierin
worden de aanbevelingen van de WHO over het minimumniveau van lichaamsbeweging
bevestigd, wordt het belang van een sectoroverschrijdende benadering
beklemtoond en worden 41 concrete richtsnoeren voor maatregelen gegeven.
In deze effectbeoordeling worden de factoren aangeduid en geanalyseerd die ten
grondslag liggen aan het geplande EU-beleidsinitiatief op het gebied van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging, waarin wordt voortgebouwd op de
EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging. 2. Omschrijving van het probleem Lichaamsbeweging,
regelmatige sportbeoefening en lichaamsoefeningen behoren tot de meest
effectieve manieren om fysiek en mentaal fit te blijven, overgewicht en
zwaarlijvigheid tegen te gaan en daarmee samenhangende verschijnselen te
voorkomen. Daarnaast gaan sportbeoefening en lichaamsbeweging hand in hand met
onder meer sociale interactie en inclusie. De vele voordelen van
lichaamsbeweging zijn genoegzaam bekend en aangetoond. Omgekeerd ontstaat door
het gebrek aan lichaamsbeweging gezondheidsschade, wat leidt tot vroegtijdige
sterfte, toename van overgewicht en zwaarlijvigheid, borst- en colonkanker,
diabetes en ischemische hartaandoeningen. Gezondheidsklachten die worden
veroorzaakt door een gebrek aan lichaamsbeweging brengen aanzienlijke directe
en indirecte economische kosten mee als gevolg van ziekte, ziekteverlof en
vroegtijdige sterfte, vooral ook nu de samenlevingen in Europa snel vergrijzen. Het concept dat
ten grondslag ligt aan gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging komt voort uit
een betrekkelijk nieuwe discipline die snelle ontwikkelingen op
wetenschappelijk gebied doormaakt en die lichamelijke activiteiten, die nauw
verband houden met sportbeoefening en lichaamsoefeningen, enerzijds en
volksgezondheid anderzijds combineert. Gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging
is door de WHO met name behandeld in het kader van de algemene WHO-strategie
voor eetgewoonten, lichaamsbeweging en gezondheid uit 2004. Het welslagen van
de stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging is hoofdzakelijk
afhankelijk van de inspanningen in de lidstaten. Nu het besef toeneemt dat
lichaamsbeweging belangrijk is, voeren veel overheidsinstanties hun
inspanningen op om gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging te stimuleren. Ook
de EU heeft lichaamsbeweging aan de orde gesteld door middel van
beleidsmaatregelen en acties op het gebied van sport (bv. het Witboek over
sport, de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging, de mededeling over sport) en
gezondheid (bv. het Witboek over een EU-strategie voor aan voeding, overgewicht
en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties) alsmede door gebruik te maken van
de relevante structuren voor beleidscoördinatie op EU-niveau, met name via de
Deskundigengroep sport, gezondheid en participatie, die is opgericht door de
Raad in het kader van het EU-werkplan voor sport 2011-2014, en de groep op hoog
niveau betreffende voeding en lichaamsbeweging, die is opgericht in het kader
van de hiervoor genoemde strategie uit 2007, om de lidstaten bij gecoördineerde
activiteiten te betrekken en informatie over beleidsmaatregelen, beleidsideeën
en praktijken uit te wisselen. Ondanks de
toenemende aandacht voor de stimulering van lichaamsbeweging en de beschikbare
instrumenten ter stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging blijven
de percentages inzake onvoldoende lichaamsbeweging in de EU onaanvaardbaar hoog
(bv. in 2010 gaf 60 % van de respondenten in Europa te kennen zelden of
nooit aan sport te doen). Uit gegevens blijkt tevens dat er grote verschillen
tussen de afzonderlijke lidstaten bestaan. De meeste landen hebben de
voornaamste beleidsdoelstelling niet bereikt, namelijk ervoor zorgen dat meer
burgers het niveau van lichaamsbeweging halen dat door de WHO wordt aanbevolen
en dat in de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging wordt bekrachtigd. Het
grootste probleem dat middels het initiatief moet worden aangepakt, is dan ook
dat in het algemeen de beleidsmaatregelen ter stimulering van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging van de EU-lidstaten niet effectief
zijn gebleken. De redenen waarom
het beleid van de lidstaten zo weinig effectief is zijn legio, maar houden
hoofdzakelijk verband met tekortkomingen in de wijze waarop beleidsmaatregelen
ter stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging worden
geformuleerd en uitgevoerd. Gezien de in het referentiekader van de
EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging en andere wetenschappelijke instrumenten
vastgelegde criteria voor effectief beleid inzake gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging worden ten minste drie tekortkomingen in het beleid inzake
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging bevestigd door empirische gegevens
en de uitkomsten van raadplegingen: a) het ontbreekt aan een afdoende
sectoroverschrijdende benadering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging,
met inbegrip van samenwerking tussen verschillende ministeries en organen die
verantwoordelijk zijn voor de stimulering van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging, b) de doelstellingen op het gebied van beleidsmaatregelen
voor gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging zijn niet voldoende duidelijk
gedefinieerd en c) de mechanismen voor monitoring en evaluatie van
percentages en beleidsmaatregelen op het gebied van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging zijn ontoereikend. De oorzaken van deze tekortkomingen houden
verband met het feit dat gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging nog maar
betrekkelijk kort op de overheidsagenda staat (als dit onderwerp al aanwezig
is) en begrip van de factoren die bepalend zijn voor gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging, dat van cruciaal belang is voor het uitwerken van maatregelen
om ervoor te zorgen dat er meer aan lichaamsbeweging wordt gedaan, van nog
recentere datum is. Gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging wacht nog steeds
op erkenning als een ingewikkeld beleidsterrein waarop multisectorale
maatregelen moeten worden getroffen, zoals die waarin de EU-richtsnoeren voor
lichaamsbeweging voorzien, onder meer vanwege het gebrek aan pleitbezorgers.
Tot dusverre is gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging steeds gekoppeld aan
andere volksgezondheidsagenda's (bv. "eetgewoonten"), maar wordt dit
thema niet beschouwd als een beleidsterrein op zichzelf, hoewel duidelijk is
dat er tal van onafhankelijke gezondheidseffecten en andere effecten zijn. De
hierboven geschetste situatie komt tevens tot uiting in de activiteiten en
structuren van de EU op het gebied van lichaamsbeweging. De beleidsvorming van
de EU biedt aanzienlijke mogelijkheden voor het bevorderen van de uitvoering van
de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging als effectief middel ter stimulering
van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging en voor het verbeteren van
bestaande vormen van beleidssamenwerking tussen de lidstaten op EU-niveau
teneinde de trend inzake het gebrek aan lichaamsbeweging te keren. Tot op heden
is er geen sprake van enige beleidscoördinatie, noch binnen de EU-aanpak noch
tussen de lidstaten op EU-niveau, die afdoende recht doet aan de complexiteit
van het onderwerp gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging als gedifferentieerd
(zelfstandig) beleidsterrein. Het
geplande initiatief is in de eerste plaats gericht tot de overheidsinstanties
van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de stimulering van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging en meer in het bijzonder de
thematische gebieden die aan bod komen in de EU-richtsnoeren voor
lichaamsbeweging. Het initiatief moet ertoe bijdragen dat er meer mogelijkheden
ontstaan om gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende
sectoren doeltreffender te stimuleren en gaat ten minste de instanties aan die
verantwoordelijk zijn voor: sport, gezondheid, onderwijs, vervoer en milieu,
stadsplanning, openbare veiligheid, werkomgeving en diensten voor ouderen.
Daarbij gaat de aandacht vooral uit naar lidstaten die tot nu toe minder goed
in staat zijn gebleken het niveau van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging
van hun burgers te verhogen (in het algemeen zijn dit landen in Zuid- en
Oost-Europa) teneinde regionale verschillen binnen de EU-28 aan te pakken. Uiteindelijk beoogt
het voorgestelde initiatief de EU-burgers in het algemeen (bv. kinderen,
werkenden en ouderen) te bereiken door nieuwe mogelijkheden te bieden om aan
lichaamsbeweging te gaan doen overeenkomstig de aanbevelingen van de WHO. Aangezien
het gebrek aan lichaamsbeweging met name onder specifieke risicogroepen
(sociaaleconomisch achtergestelde groepen, vrouwen, kinderen en ouderen)
evident is, levert het initiatief deze groepen meer voordelen op dan de
Europeanen als geheel. 3. Subsidiariteitsanalyse Het recht
van de EU om op het gebied van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging op
te treden is gebaseerd op twee artikelen van het VWEU, die beide de Unie
een ondersteunende bevoegdheid toekennen. Artikel 165 VWEU bepaalt dat de
Unie "[bij]draagt […] tot de bevordering van de Europese inzet op
sportgebied" en dat het optreden van de Unie erop is gericht "de
Europese dimensie van de sport te ontwikkelen". Artikel 168 VWEU
bepaalt dat "[h]et optreden van de Unie [...] is gericht op verbetering
van de volksgezondheid [...] en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de
lichamelijke en geestelijke gezondheid". Op grond van het VWEU kan de Raad
op beide terreinen (op voorstel van de Commissie) aanbevelingen aannemen en is
de Commissie gemachtigd de onderlinge coördinatie door de lidstaten van hun
beleid te bevorderen. Op het gebied van de volksgezondheid moeten initiatieven
ter bevordering van de onderlinge beleidscoördinatie met name erop gericht zijn
om "richtsnoeren en indicatoren vast te stellen, de uitwisseling van beste
praktijken te regelen en de nodige elementen met het oog op periodieke controle
en evaluatie te verzamelen". Wat de toepassing
van het subsidiariteitsbeginsel betreft, ligt de
hoofdverantwoordelijkheid voor het stimuleren van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging en voor de vaststelling van beleidsmaatregelen inzake sport en
gezondheid bij de lidstaten. Het optreden van de EU kan een aanzienlijke
toegevoegde waarde opleveren ten opzichte van datgene wat de lidstaten zelfstandig
kunnen bereiken. In het verlengde van het internationaal kader en maatregelen
ter bevordering van lichaamsbeweging kan de EU politiek elan geven aan op
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging gerichte actie in de EU-28 en het
bewustzijn verhogen dat er nu moet worden opgetreden. In het algemeen kan steun
van de EU voor effectievere beleidsmaatregelen ter stimulering van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging dan ook bijdragen aan de vermindering
van de aanzienlijke sociale en economische kosten die gemoeid zijn met het
gebrek aan lichaamsbeweging en daarmee de lidstaten beter in staat stellen om
de groeidoelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken. Optreden van de EU is het middel bij uitstek
om de effectiviteit en het rendement van nationale inspanningen ter stimulering
van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging te verhogen, iets wat met name in
de huidige economische omstandigheden van belang is. De EU kan de
beleidscoördinatie vergemakkelijken en versterken door de lidstaten te helpen
om informatie en ervaringen uit te wisselen, peer learning toe te passen, goede
praktijken te verspreiden en samen te werken met het oog op de ontwikkeling van
gemeenschappelijke benaderingen. Op die manier kan zij meer mogelijkheden
verschaffen om gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende
sectoren te stimuleren en beleid uit te stippelen waarmee betere maatregelen
zijn gewaarborgd. Een dergelijke coördinatie op het gebied van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging lijkt met name van belang in het licht
van de grote verschillen die momenteel aanwezig zijn tussen de lidstaten als
het gaat om de prioriteit die wordt toegekend aan gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging en de gekozen benaderingen alsmede de culturele en economische
verschillen tussen de lidstaten die van invloed zijn op de mate waarin aan
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging wordt gedaan, en kan houvast bieden
bij de keuze van de meest veelbelovende maatregelen. Bovendien wordt de
uitwisseling van beste praktijken aanzienlijk versterkt wanneer uit de gegevens
blijkt hoe effectief de verschillende maatregelen en het beleid daadwerkelijk
zijn. Er zijn zelden deugdelijke gegevens beschikbaar, hoewel die van groot
belang zijn voor het formuleren en verfijnen van het beleid. De EU verkeert in
een goede positie om de bepalingen voor monitoring en evaluatie van
beleidsmaatregelen op het gebied van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging
aan te scherpen en de lidstaten daardoor te helpen de ontwikkelingen in de tijd
te volgen. 4. Doelstellingen In het algemeen beoogt het initiatief bij
te dragen tot een gezondere en productievere samenleving door middel van meer
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de EU. Het initiatief is erop gericht de effectiviteit van de beleidsmaatregelen
inzake gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging van de lidstaten te verhogen
door hen in staat te stellen om op basis van de EU-richtsnoeren voor
lichaamsbeweging beleidsmaatregelen te ontwikkelen en uit te voeren die hen
helpen de voornaamste tekortkomingen (gebrek aan sectoroverschrijdende aanpak,
onduidelijke doelstellingen, ontoereikende monitoring) aan te pakken. De
ontwikkeling en uitvoering van beleidsmaatregelen vindt hoofdzakelijk in de
lidstaten plaats. De enige specifieke doelstelling is derhalve ervoor te
zorgen dat de lidstaten effectieve beleidsmaatregelen op het gebied van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging ontwikkelen en uitvoeren door de
acceptatie en uitvoering van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging te
verbeteren. Hiertoe zijn twee operationele doelstellingen geformuleerd die
rechtstreeks verband houden met de oorzaken van het probleem en de parameters
van het voorgestelde initiatief, namelijk het versterken van de onderlinge
coördinatie van het beleid tussen de lidstaten en het vergemakkelijken
van het verzamelen van uitvoerige gegevens over gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging en beleidsmaatregelen op dat gebied. 5. Beleidsopties In deze
effectbeoordeling worden diverse beleidsopties tegen het licht gehouden om de
lidstaten te helpen bij het ontwikkelen en uitvoeren van effectieve
beleidsmaatregelen ter stimulering van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging. Drie hiervan zijn verworpen, namelijk volledige stopzetting
van de beleidsmatige coördinatie door de EU van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging, uitsluitend aandacht voor herziening van de EU-richtsnoeren
voor lichaamsbeweging en uitsluitend aandacht voor de vaststelling van nieuwe
stimuleringsmaatregelen op het gebied van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging.
Er zijn vier beleidsopties uitgewerkt om de gesignaleerde problemen aan te
pakken en om de vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken: een
basisscenario (optie A), een optie zonder monitoringkader (optie B), een optie
met een licht monitoringkader (optie C) en een optie met een uitgebreider
monitoringmechanisme alsmede benchmarks en streefcijfers (optie D). || Optie || Korte beschrijving A || Basisscenario (handhaving van status-quo) || § Doorlopende beleidscoördinatie met betrokkenheid van de Deskundigengroep sport, gezondheid en participatie en de groep op hoog niveau, geschraagd door de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging, zonder nieuw beleidsinitiatief. B || Streven naar versterking van beleidscoördinatie (Instrument: mededeling van de Commissie) || § Beleidsdocument (zonder bindende kracht) waarin een strategische benadering wordt vastgesteld voor de gerichte stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende sectoren; § versterking van beleidscoördinatie op EU-niveau met betrokkenheid van de Deskundigengroep sport, gezondheid en participatie en de groep op hoog niveau, gefaciliteerd door de Commissie; § maatregelen om de lidstaten aan te moedigen zich te houden aan de beginselen die ten grondslag liggen aan de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging; § een oproep aan de lidstaten om verslag uit te brengen over de voortgang bij de uitvoering van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging, rekening houdend met bestaande instrumenten en structuren voor verslaglegging. C || Streven naar versterking van beleidscoördinatie en monitoring, op basis van een beperkte reeks indicatoren voor de uitvoering van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging (Instrument: voorstel voor een aanbeveling van de Raad) || § Beleidsdocument met rechtsgevolgen (tot vaststelling van niet-bindende regels) waarin gerichte stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende sectoren wordt aanbevolen; § versterking van beleidscoördinatie op EU-niveau met betrokkenheid van de Deskundigengroep sport, gezondheid en participatie en de groep op hoog niveau, gefaciliteerd door de Commissie; § de lidstaten (in het kader van de Raad bijeen) bevestigen de beginselen die ten grondslag liggen aan de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging en zeggen toe zich daaraan te zullen houden; § de lidstaten komen overeen de ontwikkeling en de uitvoering van beleid inzake gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging te bewaken met behulp van een beperkte reeks overkoepelende en geaggregeerde indicatoren die betrekking hebben op de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging en verslag uit te brengen op EU-niveau; § de Commissie ondersteunt het monitoringkader en helpt de lidstaten bij hun uitvoeringsinspanningen. D || Streven naar versterking van beleidscoördinatie en monitoring, op basis van een uitgebreide reeks indicatoren die alle 41 EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging bestrijken en evaluatie aan de hand van streefcijfers/benchmarks (Instrument: voorstel voor een aanbeveling van de Raad) || § Beleidsdocument met rechtsgevolgen (tot vaststelling van niet-bindende regels) waarin gerichte stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende sectoren wordt aanbevolen; § versterking van beleidscoördinatie op EU-niveau met betrokkenheid van de Deskundigengroep sport, gezondheid en participatie en de groep op hoog niveau, gefaciliteerd door de Commissie; § de lidstaten (in het kader van de Raad bijeen) bevestigen de uitvoering van alle 41 EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging en zeggen toe zich daaraan te zullen houden; § de lidstaten komen overeen de ontwikkeling en de uitvoering van beleid inzake gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging te bewaken met behulp van een uitgebreide reeks kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren die betrekking hebben op de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging en verslag uit te brengen op EU-niveau; § de lidstaten komen benchmarks en streefcijfers overeen voor de uitvoering van de richtsnoeren; § de Commissie ondersteunt het monitoringkader, helpt de lidstaten bij hun uitvoeringsinspanningen en evalueert de prestaties van de lidstaten aan de hand van de vastgestelde benchmarks en het halen van de streefcijfers. Optie A houdt in dat de bestaande structuren en processen voor het coördineren
van beleidsmaatregelen inzake gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging op EU-niveau
worden gehandhaafd, zoals met name voorzien in de beleidsactiviteiten van de EU
op het gebied van sport en gezondheid. Optie B houdt in
dat er een herziene strategische visie voor de EU wordt ingevoerd met het oog
op een gerichte aanpak van de stimulering van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging in de verschillende sectoren en op gecoördineerde
beleidsmaatregelen in de lidstaten in de vorm van een beleidsdocument zonder
rechtsgevolgen (d.w.z. een mededeling van de Commissie). Voortbordurend op de
reeds bestaande beleidsdocumenten op het gebied van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging, zou een dergelijk initiatief nogmaals het politieke
engagement ten aanzien van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging
onderstrepen in overeenstemming met de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging,
alsook de kernactiviteiten schetsen waarbij de lidstaten, de Commissie en de
overige relevante actoren betrokken zijn. Bij opties C en D is in aanvulling op
de versterking van de beleidscoördinatie (zoals al is voorzien bij optie B) een
belangrijke rol weggelegd voor een monitoringkader. Het is de bedoeling dat een
herbevestiging van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in combinatie met
een specifiek monitoringmechanisme voor de uitvoering ervan leidt tot een meer stelselmatige
en constructieve vorm van coördinatie en peer learning, waardoor de nadruk meer
komt te liggen op effectieve beleidsmaatregelen inzake gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging op nationaal en subnationaal niveau. In de eerste plaats zou
een initiatief op basis van deze opties de lidstaten ertoe aansporen om a) een
nationale strategie en actieplan te ontwikkelen ter stimulering van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de verschillende sectoren,
overeenkomstig de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging; b) de uitvoering van
de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging op nationaal niveau te monitoren, op
basis van een overeengekomen reeks indicatoren voor het meten van veranderingen
op het gebied van lichaamsbeweging en beleid inzake gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging; en c) op gezette tijden verslag uit te brengen over de
geboekte voortgang. Ter ondersteuning van deze activiteiten wordt de lidstaten
gevraagd om "nationale contactpunten voor lichaamsbeweging" op te
richten die zijn belast met het verzamelen van gegevens voor het
monitoringkader en het verstrekken van landenspecifieke informatie over
relevante nationale beleidsmaatregelen en actieplannen. De Commissie zal dit
proces vereenvoudigen door de invoering en de werking van het monitoringmechanisme
te steunen en de mogelijkheden in de lidstaten voor het ontwikkelen en
uitvoeren van beleidsmaatregelen in overeenstemming met de EU-richtsnoeren voor
lichaamsbeweging te vergroten. Binnen het monitoringkader voor
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging kunnen daardoor bestaande vormen van
monitoring en gegevensverzameling op dit gebied verder worden ontwikkeld in
synergie met de WHO. Op basis van de gegevens worden landenspecifieke
overzichten betreffende gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging en de analyse
van trends op het gebied van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging opgesteld
die samen met andere relevante informatie over de ontwikkeling en uitvoering
van beleid inzake gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging de basis vormen voor
periodieke verslagen aan de relevante EU-fora (bv. de Deskundigengroep sport,
gezondheid en participatie, en de groep op hoog niveau). Het belangrijkste verschil
tussen opties C en D houdt verband met de beleidscoördinatie (optie D:
benchmarks, streefcijfers) en de volledigheid van de monitoring. 6. Beoordeling van effecten In dit onderdeel
van de effectbeoordeling worden eerst de algemene effecten (op sociaal,
economisch en milieugebied) van het initiatief geanalyseerd. De soorten
effecten die van een nieuw EU-initiatief op het gebied van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging kunnen worden verwacht zijn
vergelijkbaar voor alle beleidsopties, maar zullen waarschijnlijk qua omvang
verschillen naargelang van de effectiviteit van de verschillende opties. Vervolgens
wordt de effectiviteit bekeken en pas daarna worden de effecten per
optie geanalyseerd. De bevindingen hiervan worden samengevat in de
tabel aan het einde van dit onderdeel. De sociale
voordelen zijn terug te voeren op een toename van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging onder Europeanen als gevolg van effectiever beleid inzake
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging in de lidstaten en de uitvoering van
de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging. De aanbevolen hoeveelheid
lichaamsbeweging heeft een positieve uitwerking op tal van chronische ziekten
en gezondheidskwalen. Een toename van de lichaamsbeweging onder Europeanen zou
leiden tot een evenredige afname van het aantal mensen met een verhoogd
sterfterisico. In de EU is er een positieve correlatie tussen het niveau van
lichaamsbeweging en de levensverwachting, d.w.z. dat in landen waar meer aan
lichaamsbeweging wordt gedaan al gauw sprake is van een hogere
levensverwachting. Aangezien het gebrek aan lichaamsbeweging met name in
bepaalde landen en regio's (in het zuiden en oosten van Europa) en onder
specifieke risicogroepen (sociaaleconomisch achtergestelde groepen, vrouwen,
kinderen en ouderen) evident is, levert het initiatief deze landen, regio’s en
groepen meer voordelen op dan de Europeanen als geheel. Het initiatief is
tevens in overeenstemming met het Handvest van de grondrechten
(artikelen 21, 23-26, 35). Wat de mate betreft waarin effectief beleid en
kordaat optreden op de middellange en lange termijn kunnen leiden tot een
toename van het niveau van lichaamsbeweging, wijzen berekeningen op basis van
het gunstigste scenario op een blijvende toename van ca. 1 % per jaar
gedurende 25 jaar. Wat de economische
effecten betreft, zullen de verbetering van de gezondheid en het welzijn
naar verwachting leiden tot aanzienlijke economische voordelen aangezien de
kosten van de gezondheidszorg en de economische verliezen als gevolg van
ziekte, ziekteverlof en vroegtijdige sterfte afnemen. Dit is evenwel
afhankelijk van de mate waarin de lidstaten op alle relevante niveaus
maatregelen uitvoeren. In een onderzoek in Engeland werden de kosten die
gemoeid zijn met het gebrek aan lichaamsbeweging becijferd op iets meer dan
3 miljard EUR per jaar, oftewel 63 EUR per inwoner. Berekeningen voor
andere landen kwamen tot een vergelijkbaar cijfer. Bij extrapolatie van
dezelfde kosten per inwoner voor de gehele EU kunnen de kosten die gemoeid zijn
met het gebrek aan lichaamsbeweging in de EU worden geraamd op meer dan
31 miljard EUR jaar. Uitgaande van dit vereenvoudigde scenario en op basis
van deze kosten die gemoeid zijn met het gebrek aan lichaamsbeweging zullen
verbeterde beleidsmaatregelen ter stimulering van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging die overeenkomstig het geplande initiatief worden ontwikkeld en
uitgevoerd naar verwachting leiden tot een toename met ca. 1 % per jaar
van het aantal EU-burgers dat voldoet aan de aanbevelingen op het gebied van
lichaamsbeweging, hetgeen zal resulteren in een geleidelijke daling van de
kosten die gemoeid zijn met het gebrek aan lichaamsbeweging. Worden de meest
recente cijfers van de Eurobarometer voor 2010 als uitgangspunt genomen, dan
zou de uitvoering van een effectief beleid inzake gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging er in theorie toe kunnen leiden dat binnen 25 jaar ca.
65 % van de Europeanen voldoet aan de aanbevelingen inzake
lichaamsbeweging, waarbij de kosten die gemoeid zijn met het gebrek aan
lichaamsbeweging geleidelijk aan afnemen. Hoewel een en ander afhankelijk is
van de mogelijkheden en de bereidheid van de lidstaten om voorrang te geven aan
een effectief beleid inzake gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging en dit op
de lange termijn uit te voeren, zouden de economische voordelen van het
vermijden van de kosten die gemoeid zijn met het gebrek aan lichaamsbeweging
enorm zijn en neerkomen op bijna 7 miljard EUR na 5 jaar,
22 miljard EUR na 10 jaar en 63 miljard EUR na 20 jaar. Wat de kosten van elke optie aangaat,
dient te worden opgemerkt dat de kosten in verband met de tenuitvoerlegging
van beleidsmaatregelen op het gebied van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging naar aanleiding van het voorgestelde initiatief
uiteindelijk voor rekening van de lidstaten komen. Het is moeilijk te
becijferen welk bedrag momenteel op de begroting wordt uitgetrokken voor
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging, omdat de kosten voor de stimulering
van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging zijn verdeeld over nationale
ministeries en overheden, diverse ngo's en de particuliere sector. Daarnaast
worden de uitgaven voor gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging niet overal in
de EU uitvoerig bijgehouden. Daarbij komt nog dat gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging per definitie sectoroverschrijdend is, dat veel
beleidsmaatregelen zijdelings betrekking hebben op gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging en dat het hoofddoel van beleidsmaatregelen ter stimulering
van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging vaak niet de stimulering daarvan
is. De administratieve kosten voor de lidstaten komen voort uit de
rapportageverplichtingen op EU-niveau (zoals voorzien bij optie B, en met name
in verband met het monitoringmechanisme bij opties C en D). Ze zouden in het
eerste jaar betrekkelijk laag zijn en verder teruglopen wanneer het mechanisme
eenmaal volledig operationeel is, aangezien het personeel vertrouwd raakt met
de monitoring en de beschikbaarheid van gegevens in de loop van de tijd beter
wordt. De kosten die uit de EU-begroting moeten worden gedekt, houden
verband met de instelling en de werking van het monitoringmechanisme en met de
verlening van steun aan de lidstaten in de vorm van capaciteitsopbouw. Er wordt
voorgesteld deze kosten te dekken uit hoofdstuk Sport van het programma
"Erasmus+" gedurende 2014-2020. De overige kosten zouden verband houden met de
organisatie van de bijeenkomsten van de deskundigengroep op EU-niveau en zouden
worden gefinancierd uit de algemene begroting. Wat de milieueffecten betreft, kan het
beleid dat is gericht op de uitvoering van het deel van de EU-richtsnoeren voor
lichaamsbeweging dat betrekking heeft op vervoer, milieu, stadsplanning en
openbare veiligheid, aanzienlijke milieuvoordelen opleveren en daarmee
bijdragen tot een hoog niveau van milieubescherming, zoals vastgelegd in
artikel 37 van het EU-Handvest van de grondrechten. Hoewel het uiterst
moeilijk is nauwkeurige voorspellingen te doen, kan recent wetenschappelijk
onderzoek inzicht bieden in wat als optimaal scenario kan worden beschouwd met
betrekking tot de milieuvoordelen van het initiatief. In een poging duidelijk
te maken hoe groot de milieuvoordelen van actief vervoersbeleid kunnen zijn, is
in een recent onderzoek geprobeerd te voorspellen in hoeverre een verschuiving
naar actief vervoer in Londen de CO2-uitstoot gedurende 20 jaar zou
beïnvloeden in vergelijking met een evolutie van het basisscenario. In het
onderzoek werd berekend dat de CO2-uitstoot per hoofd van de
bevolking bij het duurzame vervoersscenario (0,46 ton per jaar) 62 % lager
is dan bij voortzetting van het basisscenario (1,17 ton per jaar). Analyse van de effecten per optie: || Optie A (Basisscenario) || Optie B (Streven naar versterking van beleidscoördinatie) || Optie C (Streven naar versterking van beleidscoördinatie en monitoring, op basis van een beperkte reeks indicatoren) || Optie D (Streven naar versterking van beleidscoördinatie en monitoring, op basis van een uitgebreide reeks indicatoren en evaluatie aan de hand van streefcijfers) Outputs || § voortzetting van beleidscoördinatie en bevordering van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in het kader van bestaande structuren op EU-niveau § voortzetting van werkzaamheden voor lichaamsbeweging d.m.v. door de EU gesteunde initiatieven en projecten § voortzetting van verstrekking van gefragmenteerde gegevens || § minimale versterking van beleidscoördinatie en bevordering van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in het kader van bestaande structuren op EU-niveau § voortzetting van werkzaamheden voor lichaamsbeweging d.m.v. door EU gesteunde initiatieven en projecten in het kader van een nieuwe strategische EU-benadering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging § voortzetting van verstrekking van gefragmenteerde gegevens || § aanzienlijke versterking van beleidscoördinatie en bevordering van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in het kader van bestaande structuren op EU-niveau § verstrekking van nauwkeurige en vergelijkbare monitoringgegevens voor een beperkte reeks indicatoren inzake lichaamsbeweging en beleid || § mogelijkheid voor een grote versterking van beleidscoördinatie en bevordering van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in het kader van bestaande structuren, maar met het risico dat de deelname tegenvalt § mogelijkheid voor de verstrekking van uitgebreide monitoringgegevens voor een reeks kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren en verslaglegging over benchmarks en streefcijfers Uitkomsten || § geleidelijke verbetering van beleidsmaatregelen op het gebied van lichaamsbeweging en acceptatie van (de beginselen van) de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in een beperkt aantal lidstaten, bij gelijkblijvend beleid in de meeste andere || § geleidelijke verbetering van beleidsmaatregelen op het gebied van lichaamsbeweging en acceptatie van (de beginselen van) de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in een beperkt maar groter aantal lidstaten dan bij optie A, bij gelijkblijvend beleid in vele andere || § aanzienlijke verbetering van beleidsmaatregelen op het gebied van lichaamsbeweging en acceptatie van de belangrijkste thema’s van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in de meerderheid van de lidstaten || § aanzienlijke verbetering van beleidsmaatregelen op het gebied van lichaamsbeweging en acceptatie van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in sommige lidstaten (met het risico dat vele lidstaten het initiatief niet uitvoeren) Effecten Sociaal || § stagnering of daling van het niveau van lichaamsbeweging in de meeste landen en voortbestaan van de maatschappelijke schade door onvoldoende lichaamsbeweging || § lichte verbetering van het niveau van lichaamsbeweging in enkele lidstaten, maar stagnering of daling van het niveau in vele andere, wat leidt tot slechts een geringe vermindering van de maatschappelijke schade door onvoldoende lichaamsbeweging || § toename van het niveau van lichaamsbeweging met ten hoogste 1 % per jaar, wat leidt tot een aanzienlijke vermindering van de maatschappelijke schade door het gebrek aan lichaamsbeweging || § toename van het niveau van lichaamsbeweging met ten hoogste 1 % per jaar (met het risico dat de lidstaten het initiatief niet uitvoeren), wat kan leiden tot een aanzienlijke vermindering van de maatschappelijke schade door het gebrek aan lichaamsbeweging Economisch (bijlage V biedt een uitvoerige evaluatie van de kosten voor de EU en de administratieve kosten in de lidstaten) || § voortbestaan van de kosten die gemoeid zijn met onvoldoende lichaamsbeweging (geschat op 31 miljard EUR per jaar) || § lichte vermindering van de economische kosten die gemoeid zijn met het gebrek aan lichaamsbeweging en enkele economische voordelen, maar aanzienlijk minder dan de 6,7 miljard EUR gedurende vijf jaar die op basis van effectief beleid zou worden verwachten § enige (moeilijk te kwantificeren) kosten voor de lidstaten die middelen uittrekken voor de bevordering van lichaamsbeweging || § aanzienlijke vermindering van de economische kosten die gemoeid zijn met het gebrek aan lichaamsbeweging § economische voordelen van ten hoogste 6,7 miljard EUR gedurende vijf jaar § enige (moeilijk te kwantificeren) kosten voor de lidstaten die meer middelen uittrekken voor de bevordering van lichaamsbeweging || § aanzienlijke vermindering van de economische kosten die gemoeid zijn met het gebrek aan lichaamsbeweging, maar alleen in de lidstaten die het initiatief uitvoeren § aanzienlijke (maar moeilijk te kwantificeren) economische voordelen in de lidstaten die het initiatief uitvoeren § enige (moeilijk te kwantificeren) kosten voor de lidstaten die meer middelen uittrekken voor de bevordering van lichaamsbeweging Milieu || § enige voordelen in de lidstaten die het beleid op het gebied van lichaamsbeweging verbeteren met betrekking tot actief vervoer || § beperkte maar opvallende voordelen in de lidstaten die het beleid op het gebied van lichaamsbeweging verbeteren met betrekking tot actief vervoer || § mogelijk aanzienlijke voordelen in de lidstaten die het beleid op het gebied van lichaamsbeweging verbeteren met betrekking tot actief vervoer || § mogelijk aanzienlijke voordelen in de lidstaten die het beleid op het gebied van lichaamsbeweging verbeteren met betrekking tot actief vervoer 7. Vergelijking van de opties en keuze van
de voorkeursoptie In de
effectbeoordeling worden de verschillende opties vergeleken op basis van hun
vermoedelijke effectiviteit, doelmatigheid, samenhang met de overkoepelende
beleidsdoelstellingen van de EU alsmede hun haalbaarheid en duurzaamheid. De effectiviteit van de vier opties is
afhankelijk van maatregelen van de lidstaten, die alle een vrijwillig karakter
zouden hebben. De opties verschillen echter met betrekking tot de mate waarin
de EU de lidstaten vraagt om specifieke (beleids)maatregelen uit te voeren en
zijn nauw verbonden met het instrument dat wordt gekozen om het initiatief uit
te voeren. Hoewel van alle opties mag worden verwacht dat ze in zekere mate
bijdragen tot de verwezenlijking van de twee operationele doelstellingen en
daarmee van de specifieke doelstelling, loopt de verwachte mate van succes per optie
uiteen. Daarbij is optie A net zo weinig effectief als de huidige situatie en
optie B minder effectief dan opties C en D. De haalbaarheid (de mate waarin elke
optie leidt tot de voor een vrijwillig initiatief onmisbare acceptatie door de
lidstaten) en de duurzaamheid (de mate waarin het op de korte termijn
bereikte elan standhoudt op de langere termijn) van de opties lopen aanzienlijk
uiteen. Met name de complexe regelingen inzake monitoring en verslaglegging die
bij optie D worden voorgesteld, hebben tot een lage haalbaarheidsscore geleid. Wat de verwachte mate betreft waarin elke
optie zal bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor een
bepaald middelenniveau (kosteneffectiviteit), houden de voornaamste
kosten van alle opties verband met de ontwikkeling en uitvoering van
beleidsmaatregelen ter bevordering van lichaamsbeweging. In een aantal recente
onderzoeken is aandacht besteed aan de kosten van diverse interventies ter
bevordering van lichaamsbeweging, waarbij met name is gekeken naar de
effectiviteit in kwaliteitsgewogen levensjaren (quality-adjusted life years –
QALY) of besparingen op de gezondheidszorg. Hoewel de vastgestelde
kosteneffectiviteit aanzienlijk uiteenloopt, bleek dat alle onderzochte
interventies kosteneffectief zijn, d.w.z. de kosten rechtvaardigen, met name
gezien de enorme kosten die het gebrek aan lichaamsbeweging veroorzaakt voor de
economie. Uit gegevens op micro- en macroniveau komt naar voren dat de
voordelen opwegen tegen de kosten die gemoeid zijn met uiteenlopende soorten
overheidsinvesteringen in de bevordering van lichaamsbeweging. Bovendien zijn
de economische voordelen van dergelijke beleidsmaatregelen, als gevolg van de
productiviteitsgroei en de verlaagde kosten voor de gezondheidszorg,
waarschijnlijk groot, waardoor deze de aanzienlijke kosten rechtvaardigen.
Voorts blijkt uit een vergelijking van de uitvoeringskosten en de
kosteneffectiviteit van alle opties in vergelijking met de administratieve
kosten voor de lidstaten en de kosten voor de EU-begroting dat opties B, C en D
alle als kosteneffectief kunnen worden beschouwd, waarbij optie C het gunstigst
uitpakt. Wat de samenhang betreft, leveren de
maatregelen ter stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging een
bijdrage aan de Europa 2020-strategie. Meer specifiek sluiten opties B, C en D
het beste aan bij het EU-beleid op het gebied van gezondheid, vervoer, sociale
inclusie en onderzoek. Op grond van de analyse van de opties aan de
hand van deze vier criteria verdient optie C de voorkeur,
aangezien deze het meest gepaste en evenredige antwoord vormt voor de aanpak
van de gesignaleerde problemen. ·
Effectiviteit: de optie
levert een aanzienlijke bijdrage tot de verwezenlijking van beide operationele
doelstellingen en stelt de lidstaten in staat duidelijker prioriteiten te
stellen. Het valt te verwachten dat een beleidsdocument met rechtsgevolgen de
stimulering van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging en met name de
EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging aanzienlijk zal versterken. Het voornaamste
verschil met optie B is de opname van een monitoringmechanisme, dat de
effectiviteit van deze optie naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijk zal
vergroten, in het bijzonder (maar niet alleen) wat de voortgang bij het
verwezenlijken van de tweede operationele doelstelling betreft. ·
Haalbaarheid/duurzaamheid: door haar "pragmatisch" karakter, dat tevens tot uiting
komt in de steun van de lidstaten, deskundigen en belanghebbenden voor een
monitoringmechanisme op basis van een beperkt aantal overkoepelende en
geaggregeerde indicatoren, zal deze optie waarschijnlijk weinig
uitvoeringsproblemen veroorzaken vanwege de betrekkelijk lage kosten die ermee
gemoeid zijn en het feit dat aanpassing aan de nationale omstandigheden
mogelijk is. Bovendien zal het kader voor het verzamelen van gegevens en het
vastleggen van de geboekte voortgang als gevolg van het monitoringmechanisme en
de verslaglegging aan de Raad de duurzaamheid op de lange termijn van het
initiatief waarborgen. ·
Doelmatigheid: deze
optie brengt bepaalde kosten mee voor de begrotingen van de lidstaten, maar ook
de grootste voordelen, aangezien de lidstaten gegevens verzamelen voor het
monitoringmechanisme, middelen toewijzen aan nieuwe beleidsmaatregelen ter
stimulering van lichaamsbeweging en vervolgens de vruchten plukken van het
verhoogde niveau van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging. Hoewel de meeste
kosten voortvloeien uit beleidsveranderingen, vergt het opzetten, beheren en
onderhouden van (de gegevens in) het monitoringmechanisme enige uitgaven uit de
EU-begroting; van de EU wordt tevens verwacht dat ze de lidstaten op de een of
andere wijze assisteert bij het verzamelen van de relevante gegevens. ·
Samenhang: de bijdrage
van optie C aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU is
groter dan die van de andere opties, alleen al omdat deze optie waarschijnlijk
het effectiefst is. Waarschijnlijk leidt deze optie niet alleen tot de grootste
vooruitgang bij economische voordelen en productiviteitswinst, maar ook tot de
grootste verbeteringen op het gebied van de gezondheid, de aanpak van
ongelijkheden op gezondheidsgebied, de aanmoediging van actief pendelen en de
bevordering van sociale inclusie. Bovendien sluiten opties C en D nauw aan bij
het beleidsinstrument dat wordt voorgesteld voor de uitvoering ervan. Er is
gekozen voor een aanbeveling van de Raad omdat deze past bij een coherente
aanpak, gelet op het feit a) dat er al diverse "zachtere"
beleidsdocumenten voorhanden zijn of gepland zijn waarin de EU zich uitspreekt
voor steun aan gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging en b) dat hoofdzakelijk
in de lidstaten behoefte is aan maatregelen. 8. Monitoring en evaluatie In het kader van deze effectbeoordeling en ter
voorbereiding op het geplande initiatief hebben deskundigen, in overleg met de
lidstaten en de belanghebbenden, een monitoringkader ontwikkeld. Dit kader
omvat een tabel met 23 overkoepelende, geaggregeerde indicatoren aan de hand
waarvan de ontwikkeling van het niveau van gezondheidsbevorderende
lichaamsbeweging en beleidsmaatregelen op het gebied van
gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging alsmede de uitvoering van de
EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging kunnen worden gemeten. De gegevens voor
deze indicatoren worden verzameld in het kader van het EU-monitoringmechanisme
dat wordt voorzien in de voorkeursoptie (optie C) en vormen tevens het
leeuwendeel van de informatie die noodzakelijk is voor de monitoring en
evaluatie van het initiatief als geheel. Over de voortgang die bij de tenuitvoerlegging
van de aanbeveling van de Raad wordt geboekt wordt gerapporteerd in de vorm van
regelmatige verslagen van de Commissie aan de Raad, d.w.z. om de drie jaar, die
worden opgesteld met de hulp van de operationele structuren op het gebied van
sport (bv. de Deskundigengroep sport, gezondheid en participatie) en in
samenwerking met andere relevante fora (bv. de groep op hoog niveau, het
actieplatform op het gebied van eetgewoonten, lichaamsbeweging en gezondheid).
Dergelijke verslagen moeten met name een beoordeling/evaluatie omvatten van de
geboekte voortgang op basis van de gegevens die zijn verzameld middels het
monitoringmechanisme enerzijds en bredere informatie over de ontwikkeling van
beleid op het gebied van gezondheidsbevorderende lichaamsbeweging en de
uitvoering van de EU-richtsnoeren voor lichaamsbeweging in de lidstaten
anderzijds. Een volledige evaluatie van de tenuitvoerlegging van de aanbeveling
van de Raad dient na 6 jaar te worden opgesteld, met de hulp van een externe
contractant.