WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING /* SWD/2013/054 final */
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE
COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING bij Voorstel voor een besluit van het
Europees Parlement en de Raad tot instelling van een
ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en -monitoring 1. Inleiding Gedurende de afgelopen jaren is de
ontwikkeling van een Europese dienst voor ruimtebewaking en -monitoring (SST)
voorwerp geweest van politieke discussies tussen de EU-ministers
verantwoordelijk voor ruimtevaart. De resultaten van die discussies, die tot
uitdrukking komen in verscheidene conclusies van de Raad, laten zien dat
lidstaten, satellietexploitanten en andere belanghebbenden het eens zijn over
de noodzaak van bescherming van de ruimtevaartinfrastructuur, dat de oprichting
van een Europese SST-dienst met het oog op de bescherming van die
infrastructuur plaats moet vinden onder leiding van de EU (met technische
O&O-ondersteuning van het Europees Ruimteagentschap ESA), en dat daarbij
moet worden voortgebouwd op bestaande capaciteiten, aan te vullen met nieuwe
middelen. Verder is de publieke opinie ook bekend met de noodzaak van
bescherming van de ruimtevaartinfrastructuur en onderschrijft zij deze ook
(hierover zijn er de afgelopen drie jaar twee algemene publieke raadplegingen
geweest). 2. Omschrijving van het
probleem 2.1. De veiligheid van kritieke
Europese ruimtevaartinfrastructuur is niet verzekerd In de ruimte gestationeerde systemen maken een
breed scala van toepassingen mogelijk die een essentiële rol spelen in het
dagelijkse leven (tv, internet, gps enz.). Deze zijn inmiddels ook van vitaal
belang voor de uitvoering van het beleid van de EU. Met Galileo en Egnos wordt
de EU zelf binnenkort een van de grootste satellietexploitanten in Europa. Deze
ruimtevaartinfrastructuren worden echter in toenemende mate bedreigd door het
gevaar van botsingen tussen ruimtevaartuigen, in het bijzonder tussen
ruimteschepen en ruimteschroot. Ruimteschroot is inmiddels de ernstigste
bedreiging voor de haalbaarheid op lange termijn van ruimtevaartactiviteiten. Om het risico op botsingen terug te dringen,
moeten satellieten en ruimteschroot worden geïdentificeerd en geobserveerd
zodat de exploitant van een satelliet kan worden gewaarschuwd om zijn satelliet
te verplaatsen. Deze activiteit, die zeer gevoelig is wat betreft de nationale
veiligheid, staat bekend als ruimtebewaking en -monitoring (SST – space
surveillance and tracking). SST is ook een activiteit voor tweeërlei gebruik en
kan zowel civiele als militaire gebruikers ten dienste staan. Een SST-dienst
bestaat uit drie basisfuncties: –
sensorfunctie: radars en telescopen voor het
identificeren en volgen van ruimtevaartuigen en schroot; –
verwerkingsfunctie: voor het bepalen van de kans op
botsingen of de terugkeerroute van voorwerpen uit de ruimte; –
frontdeskfunctie: regelen van de verspreiding van
SST-informatie (bijvoorbeeld waarschuwingen over risico’s op botsing en
terugkeer) naar satellietexploitanten en relevante overheden. Europa heeft op dit moment geen SST-dienst: de
bestaande sensorcapaciteit is onvoldoende groot en bovendien verbrokkeld, de
verwerkingscapaciteit is zeer beperkt en er is helemaal geen frontdeskfunctie.
Bovendien bestaat er geen passend alternatief op internationaal niveau, ook
niet het Amerikaanse systeem, dat onvoldoende nauwkeurig is, of andere systemen,
die niet openstaan voor internationale samenwerking. 2.2. Verhoogde risico's op
botsingen ten gevolge van ruimteschroot Gedurende de afgelopen vijftig jaar zijn er
geregeld voorwerpen in de ruimte gebracht. Dit materiaal, dat met zeer grote
snelheid en onbestuurbaar in een baan om de aarde draait, vormt een steeds
groter wordend risico bij de lancering van ruimtevaartuigen en de exploitatie
daarvan als gevolg van mogelijke botsingen met andere brokstukken of andere
ruimtevaartuigen om de aarde. Volgens de meest recente schattingen draaien
er 16 000 voorwerpen groter dan 10 cm om de aarde (deze worden
gecatalogiseerd) en nog eens 300 000 à 600 000 voorwerpen groter dan
1 cm (deze worden niet gecatalogiseerd). Volgens ESA blijft het aantal
voorwerpen groter dan 1 cm toenemen om in 2020 in totaal ongeveer 1
miljoen brokstukken uit te maken. Verder wordt geschat dat er nu al meer dan
300 miljoen voorwerpen groter dan 1 mm zijn. De overgrote meerderheid van
deze voorwerpen bevindt zich in die delen van de ruimte die zich het best voor
commerciële exploitatie lenen. Volgens de voorzichtigste schattingen (op basis
van gedeeltelijk traceerbare voorwerpen) is er nu kans op één botsing per drie
jaar. 2.3. Uitwijkmanoeuvres ter
voorkoming van botsingen verkorten de levensduur van satellieten Omdat de risico's op botsingen met al dan niet
traceerbaar schroot moeilijk te voorspellen zijn, voeren satellietexploitanten
veelal uitwijkmanoeuvres uit op basis van waarschuwingen voor dichtbij
passerend ruimteschroot. Voor elk uitwijkmanoeuvre moet ofwel aanwezige
brandstof worden gebruikt waardoor de actieve levensduur van de satelliet wordt
verkort, ofwel extra brandstof in de baan worden gebracht waardoor de kosten
voor de lancering toenemen. Ook moet er vanwege de onnauwkeurigheid in de
positiegegevens van de voorwerpen van worden uitgegaan dat een flink aantal
manoeuvres niet strikt noodzakelijk is maar uit voorzorg moet worden
uitgevoerd, wat tot extra kosten leidt. 2.4. Terugkeer van schroot of
onbestuurde ruimtevaartuigen naar de aarde bedreigt de veiligheid van
EU-burgers De terugkeer in de atmosfeer van
ruimtevaartuigen en schroot vormt een toenemend risico voor de veiligheid en
gezondheid van de bevolking op aarde. Hoewel de actieve terugkeer van
ruimtevaartuigen in de atmosfeer op gecontroleerde wijze plaatsvindt (zoals de
Amerikaanse Shuttle, de Russische Sojoez en de Europese onbemande vrachtcapsule
(Automated Transfer Vehicle)), keren er ook geregeld niet-actieve satellieten
en schroot op ongestuurde wijze in de atmosfeer terug. Het vermogen om het traject van een voorwerp
te voorspellen (dit hangt sterk af van de bewakings- en monitoringcapaciteit
van het ruimtevaartbewakingssysteem) is essentieel voor het terugdringen van de
risico's bij de terugkeer. Met een steeds groter aantal satellieten in een baan
om de aarde mag worden aangenomen dat het aantal gevallen van ongestuurde
terugkeer de komende jaren zal toenemen. 2.5. Overzicht van geschatte
verliezen op jaarbasis door risico's van ruimteschroot Op basis van beschikbare gegevens over en
schattingen voor de groei van de markt is het kwantificeerbare verlies op
jaarbasis ten gevolge van botsingen en uitwijkmanoeuvres (bijvoorbeeld door
uitval van satellieten, kortere levensduur van satellieten, verlies van door de
satelliet gegenereerde inkomsten) geschat op in totaal 140 miljoen EUR. Omdat
het aantal actieve satellieten om de aarde de komende tien jaar naar
verwachting met 50 % zal toenemen, kan worden verwacht dat de verliezen op
jaarbasis gedurende de komende tien jaar tot 210 miljoen EUR zullen
toenemen. Verder is het zo goed als zeker dat deze
kosten slechts een klein deel uitmaken van de potentiële niet-gekwantificeerde
kosten en tot op zekere hoogte van de niet-kwantificeerbare gevolgen van het
ontbreken van een Europese ruimtebewakings- en -monitoringcapaciteit. Zo kan de
uitval van een satelliet bijvoorbeeld leiden tot de uitval van kritieke
communicatiecapaciteit per satelliet in noodsituaties, met verlies van
mensenlevens als gevolg. 3. Het recht van de EU om
maatregelen te nemen; analyse van de subsidiariteit Artikel 189 VWEU verleent aan de EU een recht
om maatregelen te nemen door het opstellen van een Europees ruimtevaartbeleid,
voortbouwend op de reeds behaalde resultaten op het niveau van het Europees
Ruimteagentschap en de lidstaten, en geeft aan de Europese Commissie een
duidelijk mandaat om in dezen haar initiatiefrecht uit te oefenen. Het
ruimtevaartbeleid wordt omschreven als een gezamenlijke bevoegdheid van de EU
en haar lidstaten. Uit besprekingen met belanghebbenden gedurende
de afgelopen jaren is gebleken dat EU-optreden noodzakelijk is voor het
opzetten van operationele Europese SST-diensten. Dit vloeit voort uit een
consensus onder de voor ruimtevaart verantwoordelijke ministers van de EU en
ESA. In dit verband zal een Europese SST-dienst ook een veiligheidsdimensie
bezitten, waarvoor de EU is bevoegd, dit in tegenstelling tot ESA als
onderzoeks- en ontwikkelingsagentschap. De EU beoogt niet in de plaats te treden van
de door lidstaten individueel of in het kader van ESA genomen initiatieven. Zij
beoogt slechts de op dat niveau ondernomen acties aan te vullen (met name in
het kader van het SSA-voorbereidingsprogramma van ESA) en de coördinatie
daarvan te versterken, voor zover die coördinatie nodig is om de
gemeenschappelijke doelstellingen te realiseren. De betrokkenheid van de EU is nodig om de
vereiste investeringen voor de financiering van bepaalde ruimtevaartprojecten
bijeen te brengen, om de benodigde beheerstructuren in te stellen, om een
gegevensbeleid te formuleren en om te waarborgen dat de bestaande en
toekomstige capaciteiten op een gecoördineerde, efficiënte manier worden benut,
zodanig dat er een robuust, interoperabel systeem tot stand komt waarvan alle
relevante Europese belanghebbenden de vruchten plukken. Voorts beoogt het
hier voorgestelde EU-optreden niet in de plaats te treden van bestaande
beperkingsmaatregelen op internationaal of multilateraal niveau - of deze te
dupliceren - omdat die maatregelen geen oplossing bieden voor het voorliggende
probleem, doch slechts op langere termijn de toename van de hoeveelheid
ruimteschroot zullen afremmen. 4. Doelstellingen De algemene doelstelling van het voorgestelde
initiatief is de waarborging van de beschikbaarheid en veiligheid op lange
termijn van de Europese en nationale ruimtevaartinfrastructuren en -diensten
die van essentieel belang zijn voor het goed functioneren van de Europese
economieën en samenlevingen en voor de veiligheid van de Europese burgers. Specifieke doelstellingen || Operationele doelstellingen (a) verminderen van de risco's in verband met de lancering van Europese ruimtevaartuigen; (b) beoordelen en verminderen van de risico's voor de operationele diensten van zich in hun baan bevindende Europese ruimtevaartuigen met betrekking tot botsingen; exploitanten van ruimtevaartuigen in staat stellen de beperkingsmaatregelen efficiënter te plannen en uit te voeren (bijvoorbeeld nauwkeuriger uitwijkmanoeuvres ter voorkoming van botsingen of vermijding van onnodige, op zich al riskante manoeuvres die de levensduur van de satelliet kunnen bekorten); (c) bewaken van de ongecontroleerde terugkeer in de atmosfeer van ruimtevaartuigen of -schroot; geven van nauwkeurigere en efficiëntere vroegtijdige waarschuwingen voor de overheidsdiensten belast met de nationale veiligheid en burgerbescherming/rampenbestrijding, met als doel het verminderen van de potentiële risico's voor de veiligheid en gezondheid van de Europese burgers en het verminderen van potentiële schade aan kritieke terrestrische infrastructuur. || (a) opzetten van een operationele ruimtebewakings- en -monitoringcapaciteit op Europees niveau, voortbouwend op de bestaande Europese en nationale middelen en met de mogelijkheid van integratie van toekomstige nieuwe middelen; (b) implementeren van een passende beheersstructuur; (c) definiëren en ten uitvoer leggen van de beginselen van een gegevensbeleid voor de verwerking van SST-informatie door de Europese SST-capaciteit; (d) definiëren en verlenen van de SST-diensten die toegankelijk zullen zijn voor alle Europese en nationale openbare en particuliere/commerciële actoren; (e) waarborgen van de vereiste kwaliteit van de SST-diensten en de efficiënte, duurzame operationele verlening ervan; (f) toezicht houden op de uitvoering en efficiënte werking van de voorgestelde operationele SST-capaciteit en operationele SST-diensten, en waarborgen van een duurzame financiële bijdrage van de EU. 5. Beleidsopties 5.1. Optie 1: uitgangssituatie:
Geen financiële betrokkenheid van de EU bij SST In het basisscenario treft de EU geen
maatregelen en geeft zij geen (wettelijke of financiële) ondersteuning bij het
opzetten en de operationele verlening van Europese SST-diensten. Vanwege het ontbreken van een organisatorisch
kader is het onwaarschijnlijk dat er een bredere samenwerking tussen de
lidstaten zal ontstaan om een echte Europese SST-capaciteit te verwezenlijken
alsook operationele Europese SST-diensten. Aangezien de lidstaten voorts de ontwikkeling
van een Europese SST-dienst niet beschouwen als een project dat aan ESA kan worden
toevertrouwd, kan niet worden verwacht dat er in dit basisscenario
daadwerkelijk operationele SST-diensten op Europees niveau zullen worden
ontwikkeld. Verwacht moet worden dat de samenwerking
tussen de EU-lidstaten en derde landen op het huidige niveau blijft. Er bestaan initiatieven voor schrootreductie
op internationaal niveau, waarbij ook wordt getracht een exponentiële toename
van de hoeveelheid schroot te voorkomen. Deze initiatieven kunnen uitsluitend
op langere termijn effect hebben en kunnen niet dienen ter vervanging van
maatregelen voor gevolgenvermindering op korte termijn, zoals
uitwijkmanoeuvres. 5.2. Optie 2:
partnerschapsbenadering – EU-financiering voor de Europese SST-frontdeskfunctie In dit alternatief
wordt getracht het risico op botsingen, en daarmee het risico op economische
verliezen door uitval van satellieten of vernielingen, met een factor 3 tot 5
te reduceren. Deskundigen zijn het er steeds meer over eens dat, om een
dergelijke reductie te realiseren, de sensorfunctie zodanig moet worden opgezet
dat de bestaande middelen daarin worden gecombineerd en als één netwerk worden
aangestuurd; aan dit netwerk zouden vervolgens 1 monitoringradar, 1
bewakingsradar, 8 telescopen en een datacentrum moeten worden toegevoegd. Deze
middelen zouden onderling moeten worden gekoppeld via beveiligde verbindingen.
De verwerkingsfunctie moet worden opgezet om de kans op botsingen of de
terugkeerroute van voorwerpen uit de ruimte te kunnen bepalen. Ook moet een
frontdesk worden opgezet om waarschuwingen te geven en verzoeken van
SST-gebruikers af te handelen. Hiervoor zou een
totale investering, afkomstig van de EU en de lidstaten, van ongeveer 60 miljoen
EUR per jaar nodig zijn (zie de berekeningsmethode in bijlage V voor de
details). In de voorzichtigste schatting zou het verlies op jaarbasis worden teruggebracht
van de huidige 140 miljoen EUR naar 28 à 46 miljoen EUR. In deze optie zouden de operationele Europese
SST-diensten worden opgezet in een partnerschap met de EU-lidstaten die over de
relevante middelen beschikken. De EU zou het wettelijke kader formuleren voor
de oprichting en activiteiten van de Europese SST-diensten (op grond van zowel
de bestaande sensoren en capaciteiten als de sensoren en capaciteiten die de
lidstaten eventueel nog besluiten te ontwikkelen), met inbegrip van het
gegevensbeleid. Een consortium van lidstaten zou de
verantwoordelijkheid dragen voor de sensorfunctie en de verwerkingsfunctie van
de Europese SST-capaciteit. De frontdeskfunctie zou worden toevertrouwd aan een
bestaande operationele entiteit/een bestaand operationeel agentschap met
aantoonbare veiligheidskwalificaties voor de verwerking van SST-informatie
(bijvoorbeeld het EU-satellietcentrum). De Europese Commissie zou zich niet
bezighouden met de dagelijkse operationele activiteiten, maar zorgen voor de
algehele coördinatie van de functionele elementen van het SST-systeem. De totale kosten voor de oprichting en
exploitatie van de Europese SST-capaciteit zouden worden gecofinancierd door de
lidstaten die het consortium vormen en door de EU. Terwijl het consortium alle
kapitaalinvesteringen voor de sensor (waaronder de ontwikkeling van de nieuwe
middelen) en de verwerkingsfuncties voor zijn rekening zou nemen (geraamd op 58 miljoen
EUR per jaar), zou de EU de financiële middelen leveren voor de oprichting en
exploitatie van de frontdeskfunctie (geraamd op in totaal 2 miljoen EUR per
jaar). In het kader van de uitvoering van het initiatief kan worden gedacht aan
het heffen van vergoedingen voor de diensten. 5.3. Optie 3:
partnerschapsbenadering – EU-financiering voor het koppelen tot een netwerk en
de exploitatie van de sensor-, verwerkings- en frontdeskfunctie Deze optie is in alle opzichten identiek aan
optie 2, behalve met betrekking tot de verdeling van de financiering tussen het
consortium van lidstaten en de EU. In deze optie leveren de in het consortium
deelnemende lidstaten wederom alle kapitaalsinvesteringen voor de sensorfunctie
(waaronder de ontwikkeling van nieuwe middelen: 1 bewakingsradar en 1 monitoringradar,
8 telescopen en een datacentrum) en de verwerkingsfunctie. De EU zou hier
echter, naast haar taken vermeld in optie 2, ook de financiering leveren voor
het onderhoud en de operationele kosten van de voor de Europese SST-dienst
benodigde sensor- en verwerkingsfuncties. Evenals bij optie 2 zullen de door de
lidstaten te verwerven nieuwe middelen om de streefwaarde 3 tot 5 van de
reductiefactor voor het botsingrisico te kunnen halen, naar schatting 50
miljoen EUR per jaar kosten. De EU-bijdrage hieraan zou 10 miljoen EUR per jaar
bedragen. Evenals bij optie 2 kan worden gedacht aan de invoering van
vergoedingen voor de diensten. 5.4. Optie 4: ontwikkeling en
exploitatie van SST onder leiding van de EU (risicoreductie met factor 3 tot 5) In deze optie is de reductiefactor van het
risico identiek aan die van opties 2 en 3, maar kunnen er bepaalde verschillen
zijn qua beheer en financiering, omdat het systeem eigendom zou zijn van de EU,
die ook de totale kosten voor haar rekening zou nemen. De EU formuleert het
desbetreffende wettelijke kader (waaronder het gegevensbeleid) en draagt de
verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de benodigde structuren voor het
samenvoegen van de bestaande nationale en Europese sensoren en capaciteiten en
voor de verlening van de SST-diensten. Nieuw op te zetten elementen van de
SST-infrastructuur zouden eigendom worden van de Commissie. Dit alternatief
gaat eveneens uit van de ontwikkeling van 1 bewakingsradar en 1 monitoringradar,
8 telescopen en een datacentrum, alsmede de vereiste inrichtingen om de
bestaande middelen tot een netwerk te koppelen. De totale bijdrage vanuit de EU
zou ongeveer 60 miljoen EUR per jaar bedragen. 5.5. Optie 5: ontwikkeling en
exploitatie van SST onder leiding van de EU (risicoreductie met factor 10) Optie 5 is gebaseerd op hetzelfde principe als
optie 4, maar hier is de opzet om het botsingsrisico met factor 10 te
verminderen, en derhalve de geraamde verliezen met een factor van meer dan 10.
Voor deze optie zouden 2 bewakingsradars, 2 monitoringradars, 14 telescopen
en een datacentrum moeten worden verworven, waarmee de kwaliteit en
nauwkeurigheid van de aan de verschillende gebruikersgroepen aangeboden
diensten zouden worden verbeterd; ook zou ter aanvulling gebruikgemaakt worden
van bestaande sensoren in Europa. De financiering zou op basis van hetzelfde
principe zijn als in optie 4, echter met tweemaal de hoeveelheid nieuwe
middelen. De EU-financiering kan voor de periode 2014-2020 worden geraamd op
ongeveer 120 miljoen EUR per jaar. 5.6. Samenvatting van de
zienswijzen van belanghebbenden inzake de opties Zowel de productiesector als de
satellietexploitanten zijn sterke voorstanders van het opzetten van een
Europese SST-capaciteit. Terwijl de productiesector sterke voorstander is van
de optie met de grootste investering en derhalve de grootste opbrengst voor de
industrie, kijken de exploitanten meer naar de systeemprestaties; zij hopen dat
betere prestaties niet gepaard zullen gaan met hogere kosten voor hen. De
industrie heeft geen duidelijke mening kenbaar gemaakt over beheer of
gegevensbeleid. De lidstaten anderzijds zijn het eens over de
noodzaak van een SST-systeem en over het feit dat het systeem zou moeten
voortbouwen op de bestaande middelen. Alle lidstaten zijn het eens dat het beheermodel
van opties 2 tot en met 5 de voorkeur verdient. Een van hen heeft bij diverse
gelegenheden laten weten de voorkeur te geven aan de oprichting van een
Europese entiteit om de sensor- en verwerkingsfuncties te beheren, hoewel deze
lidstaat de voorgestelde beheerstructuur slechts aanvaardt op voorwaarde dat
daarin alle lidstaten zijn vertegenwoordigd die bereid zijn deel te nemen aan
het consortium. Verder is men het unaniem eens over het voorgestelde
gegevensbeleid en staat men open voor het idee van een Europese entiteit die
als frontdesk optreedt. De lidstaten die reeds over SST-sensoren en
-capaciteiten onder militair beheer beschikken, beklemtoonden dat het
belangrijk was dat in het gegevensbeleid en het beheer ook rekening zou worden
gehouden met aspecten van nationale veiligheid. In alle opties wordt met deze
aspecten rekening gehouden. Wat de prestatie betreft, geven de lidstaten
de voorkeur aan een verbeterde prestatie zoals voorgesteld in opties 2 tot en
met 4. Met betrekking tot de financiering zijn sommige lidstaten bezorgd dat er
in geval van volledige financiering van het systeem door de EU geen garanties
meer zouden zijn van de geografische verdeling van het rendement op de
investeringen zoals deze thans binnen ESA wordt gewaarborgd. Niettegenstaande
het voorgaande hebben de lidstaten begrip voor de beperkte begrotingsmiddelen
en staan zij in beginsel open voor elk van de voorgestelde opties, hoewel ze
een voorkeur hebben voor opties 3 en 4. 6. Effectbeoordeling 6.1. Effecten van optie 1: basisscenario 6.1.1. Strategisch effect In het basisscenario investeert de EU niet in
de oprichting en exploitatie van de SST-diensten op Europees niveau. Hoewel dit
geen directe gevolgen heeft voor de uitvoering van de vlaggenschipprogramma's
van de EU Galileo en Copernicus (de nieuwe naam van GMES), zou dit niettemin
schadelijk kunnen zijn voor de veiligheid op lange termijn en de duurzame
exploitatie daarvan. 6.1.2. Economisch effect De aangegeven problemen zouden niet worden
aangepakt en zouden daardoor de komende jaren vermoedelijk verder verergeren.
Door de toename van de activiteiten in de ruimte en daarmee ook van de
hoeveelheid ruimteschroot zullen er naar verwachting steeds grotere economische
verliezen worden geleden als gevolg van storingen in de lancering, uitval van
of schade aan satellieten en onderbrekingen in de dienstverlening. De
industriële activiteiten in Europa op het gebied van SST zouden op het huidige,
lage niveau blijven steken. 6.1.3. Maatschappelijk effect Bij gebrek aan EU-maatregelen en doordat de
lidstaten niet bereid lijken om in het kader van ESA belangrijke
SST-ontwikkelingsactiviteiten te ondernemen, zal deze optie een verwaarloosbaar
effect hebben op het gebied van werkgelegenheid. De in de probleemstelling
aangeduide veiligheidsrisico's van de ongestuurde terugkeer van ruimteschroot
naar de atmosfeer van de aarde zouden hierbij niet worden aangepakt, dan wel
verminderd. Met de toenemende activiteiten in de ruimte zouden er steeds
grotere risico's zijn voor de veiligheid van de Europese burgers of van
kritieke terrestrische infrastructuur. 6.1.4. Milieueffect In alle schattingen is sprake van een
voortdurende, grote toename van de schrootpopulatie in de toekomst (elke
botsing tussen voorwerpen in de ruimte leidt tot een exponentiële toename van
de schrootpopulatie) en van de noodzaak om maatregelen te treffen in het belang
van het milieuaspect in de ruimte. Zonder ingrijpen van de EU zullen hier geen
effecten merkbaar zijn. 6.2. Effecten van opties 2, 3 en
4: 6.2.1. Strategisch effect De voorgestelde regelingen voor beheer en
gegevensbeleid zullen de lidstaten in staat stellen actief bij te dragen en
tegelijk hun nationale veiligheidsbelangen te waarborgen. Deze opties moeten
voortbouwen op de bestaande internationale samenwerking met de Verenigde
Staten. In algemene zin zou de oprichting van een Europese SST-capaciteit de EU
in staat stellen als gelijkwaardige partner samen te werken met en invloed uit
te oefenen op de ontwikkelingen in de Verenigde Staten, teneinde de prestaties
van de SST-systemen wederzijds te verbeteren. Verder zouden deze opties de
zelfstandige toegang van Europa tot de ruimte versterken, alsmede de
mogelijkheid voor Europa om zelfstandig te beslissen over de veiligheid van de
activiteiten van ruimtevaartuigen. Ten slotte bieden deze opties een
pragmatisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van SST dat ook kan
worden gebruikt om nog meer sensoren te integreren wanneer dat in de toekomst
nodig mocht zijn. 6.2.2. Economisch effect Het voorgestelde initiatief
zou een verbetering betekenen voor het vermogen van de Europese SST om
gevaarlijke situaties op te sporen en nauwkeuriger SST-informatie te leveren
met het oog op de lancering van satellieten en de exploitatie daarvan in hun
baan. Ook zou het een verlaging betekenen van het risico op uitval van
satellieten en van het aantal uitwijkmanoeuvres, waardoor de economische
verliezen zouden worden teruggebracht. Het huidige verlies, geschat op 140
miljoen EUR op jaarbasis, zou met factor 3 tot 5 worden teruggebracht naar 28 à
46 miljoen EUR. Deze opties zouden voortbouwen op de bestaande SST-sensoren en
menselijke deskundigheid en daarnaast voorzien in de ontwikkeling van nieuwe
SST-sensoren. De ontwikkeling van nieuwe sensoren zoals in deze opties wordt voorgesteld,
zal waarschijnlijk een multipliereffect van 2,3 hebben op de industriële
bedrijvigheid. Wanneer men ervan uitgaat dat de investeringen in nieuwe
middelen circa 50 miljoen EUR per jaar zouden bedragen, d.w.z. 350 miljoen
EUR over het zevenjarige tijdvak 2014‑2020, dan kan de totale industriële
opbrengst op 805 miljoen EUR worden geschat. 6.2.3. Maatschappelijk effect De voorgestelde maatregelen zouden in ieder
geval vijftig permanente arbeidsplaatsen opleveren. Ook zouden ze leiden tot een verbetering van
het Europese vermogen om de baan van voorwerpen in de ruimte te voorspellen,
waardoor er ook meer mogelijkheden zouden zijn om de terugkeer van
ruimteschroot in de atmosfeer van de aarde te sturen. Vanwege het ontbreken van
enigerlei kwantitatieve gegevens en studies over de materiaalschade door
ongestuurde terugkeer in de atmosfeer kan dit positieve effect op dit moment
niet nader worden gekwantificeerd. 6.2.4. Milieueffect Deze opties zouden Europa beter in staat
stellen om de ongestuurde terugkeer van ruimteschroot in de atmosfeer te
monitoren en tevens een coherente, duidelijke procedure op te zetten om
nationale veiligheidsinstanties nuttige en tijdige waarschuwingen te geven. 6.3. Effecten van optie 5:
ontwikkeling en exploitatie van SST onder leiding van de EU (risicoreductie met
factor 10) 6.3.1. Strategisch effect en
beheerseffect Naast de reeds aangeduide strategische
effecten van de voorgaande opties zou optie 5 een duidelijke verbetering
betekenen van het strategische vermogen van de EU om de samenwerking met andere
ruimtevaartlanden (met name de Verenigde Staten) op het gebied van SST via de
gebruikelijke politieke kanalen te versterken en te intensiveren. In deze optie
zou de EU volledige controle hebben over de oprichting van de Europese
SST-capaciteit en zou zij ervoor zorgen dat het initiatief toegankelijk is voor
alle EU-lidstaten die eraan wensen deel te nemen. 6.3.2. Economisch effect Bij het in deze optie voorgestelde
SST-programma van de EU zou gedurende het tijdvak 2014‑2020 voor 810
miljoen EUR aan nieuwe SST-middelen worden ontwikkeld c.q. aangeschaft. Deze
investeringen zouden vermoedelijk een multipliereffect van 2,3 hebben op de
industriële bedrijvigheid. Dit zou leiden tot directe en indirecte industriële
omzetcijfers van 1 863 miljard EUR. Wanneer volgens dezelfde methode de
vermindering in economische uitval wordt geschat waartoe optie 3 waarschijnlijk
zou leiden, kan worden ingeschat dat optie 5 de in de probleemstelling
aangegeven risico's met factor 10 of meer zou kunnen verminderen. Dit zou
leiden tot een potentiële reductie van de geschatte jaarlijkse uitval door
botsingen tot 14 miljoen EUR, vergeleken met het huidige geschatte economische
verlies van 140 miljoen EUR op jaarbasis. 6.3.3. Maatschappelijk effect In deze optie zou er ruimte zijn voor het
scheppen van ongeveer honderd nieuwe vaste banen in Europa op het gebied van
techniek en gegevensanalyse. Evenals in opties 2, 3 en 4 zou ook deze optie
leiden tot een verbetering van het Europese vermogen om de terugkeer van
ruimteschroot in de atmosfeer van de aarde te voorspellen. Optie 5 biedt een
mogelijkheid om de risico's voor de veiligheid van de Europese burgers en
kritieke terrestrische infrastructuur nog verder te verminderen. 6.3.4. Milieueffect Evenals bij opties 2 tot en met 4 zou ook deze
optie de Europese capaciteit versterken om de schrootpopulatie te monitoren en
botsingen te voorkomen en daarmee het risico op verdere productie van
ruimteschroot te verminderen. Optie 5 zou het mogelijk maken om ook klein
schroot van 3 tot 5 cm te detecteren; dit schroot wordt op dit moment niet
gecatalogiseerd. Dit zou een aanzienlijke verbetering betekenen van de Europese
capaciteit om het risico op schrootwolken en de verspreiding daarvan op lange
termijn in de lage omloopbaan (Low Earth Orbit, LEO) te reduceren. Een
vergelijking van de opties en conclusies: || Sterke punten || Zwakke punten Optie 1: Uitgangssituatie || De Verenigde Staten verstrekken kosteloos een beperkte dienst. Overheidsmiddelen kunnen voor andere prioriteiten worden ingezet. || Het risico op botsingen blijft bestaan en wordt nog groter. EU niet in staat kritieke ruimtevaartinfrastructuur te beschermen. Negatieve strategische, economische, maatschappelijke en ecologische effecten. Voldoet niet aan de verwachtingen van zowel lidstaten als industrie. Optie 2 || Gestreefd wordt naar een reductie van het botsingsrisico met factor 3 tot 5. Positieve strategische, economische, maatschappelijke en ecologische effecten. Diverse lidstaten hebben blijk gegeven van de bereidheid om meer SST-middelen te ontwikkelen binnen het kader van een SST-initiatief onder EU-leiding. Deze optie stelt de lidstaten gerust in hun perceptie dat de ontwikkeling van eigen middelen zorgt dat de investeringen ten goede komen aan de nationale industrie. || Deze optie vereist aanzienlijke financiële middelen van zowel de EU als de lidstaten die bereid zijn de nieuwe middelen te ontwikkelen. Hoewel er aanwijzingen zijn dat bepaalde lidstaten inderdaad positief tegenover dit idee staan en bereid zullen zijn de nieuwe middelen te ontwikkelen, heeft de EU geen volledige controle over de vereiste financiële middelen voor de instelling van een Europese SST-dienst. De investering van de EU strekt zich niet uit tot een belangrijk deel van de rechtstreeks met de instelling van een Europese SST-dienst gemoeide kosten, namelijk de activiteiten van de sensor- en verwerkingsfunctie. Voldoet niet aan de verwachting van de lidstaten dat de EU in ieder geval de operationele kosten van de Europese SST-dienst voor haar rekening neemt, waardoor er mogelijk onvoldoende prikkels zijn voor investeringen door de lidstaten. Optie 3 || Evenals in optie 2 wordt gestreefd naar een reductie van het botsingsrisico met factor 3 tot 5. Positieve strategische, economische, maatschappelijke en ecologische effecten. Diverse lidstaten hebben blijk gegeven van de bereidheid om meer SST-middelen te ontwikkelen binnen het kader van een SST-initiatief onder EU-leiding. Deze optie stelt de lidstaten gerust in hun perceptie dat de ontwikkeling van eigen middelen zorgt dat de investeringen ten goede komen aan de nationale industrie. Deze optie voldoet aan de verwachting van de lidstaten dat de EU in ieder geval de operationele kosten van de Europese SST-dienst voor haar rekening neemt. || Evenals in optie 2 vereist dit aanzienlijke financiële middelen van zowel de EU als de lidstaten die bereid zijn de nieuwe middelen te ontwikkelen. Hoewel er aanwijzingen zijn dat bepaalde lidstaten inderdaad positief tegenover dit idee staan en bereid zullen zijn de nieuwe middelen te ontwikkelen, heeft de EU geen volledige controle over de vereiste financiële middelen voor de instelling van een Europese SST-dienst. Optie 4 || Gestreefd wordt naar een reductie van het botsingsrisico met factor 3 tot 5. Positieve strategische, economische, maatschappelijke en ecologische effecten. De EU krijgt bijna volledige controle over de vereiste financiële middelen voor de oprichting van een Europese SST-dienst. Bepaalde lidstaten zouden blij zijn met meer financiering van de EU, omdat dit garandeert dat de Europese SST-dienst daadwerkelijk tot stand komt, waarna zij alsnog de keuze hebben om verder in SST te investeren dan wel in andere ruimtevaartprojecten. || Als enige deelnemer draagt de EU een grotere verantwoordelijkheid voor het volledige systeem en moet zij met name toezicht houden op de verwerving van nieuwe middelen. Omdat de EU-financiering voor SST aan andere bronnen moet worden onttrokken, leidt het in deze optie vereiste bedrag tot een niet-verwaarloosbare belasting voor die bronnen. Optie 5 || Gestreefd wordt naar een reductie van het botsingsrisico met factor 10. Deze optie levert de meeste positieve strategische, economische, maatschappelijke en ecologische effecten op. De EU krijgt bijna volledige controle over de vereiste financiële middelen voor de oprichting van een Europese SST-dienst. Bepaalde lidstaten zouden blij zijn met meer financiering van de EU, omdat dit garandeert dat de Europese SST-dienst daadwerkelijk tot stand komt, waarna zij alsnog de keuze hebben om verder in SST te investeren dan wel in andere ruimtevaartprojecten. || Als enige deelnemer draagt de EU een grotere verantwoordelijkheid voor het volledige systeem en moet zij met name toezicht houden op de verwerving van nieuwe middelen. Omdat de EU-financiering voor SST aan andere bronnen moet worden onttrokken, wordt het in deze optie vereiste bedrag slechts beschikbaar door middel van grote bezuinigingen op andere programma's, waarvoor bijzonder lastige compromissen moeten worden gemaakt. Verdergaande vergelijkingen van de
doeltreffendheid, efficiëntie en coherentie van de verschillende opties zijn te
vinden in het IA-rapport. 7. Monitoring en evaluatie Er zal een tussentijdse evaluatie en een
evaluatie achteraf plaatsvinden. Wat de monitoring betreft, zal de Commissie
zorgen dat de binnen het kader van het voorgestelde initiatief gesloten
subsidieovereenkomsten dan wel contracten voorzien in toezicht en financiële
controle door de Commissie, indien noodzakelijk via controles ter plaatse,
steekproefcontroles en controles door de Rekenkamer. Naast het financiële toezicht zal de Commissie
ook regelingen treffen om de blijvende kwaliteit van de verleende SST-diensten
te waarborgen. Dit zal enerzijds worden ingevuld door metingen van de
gebruikerstevredenheid en anderzijds door technische controles. Het IA-rapport
bevat een tabel met doelstellingen en de bijbehorende indicatoren. Met
betrekking tot fraudebestrijding zal de EU-financiering worden verstrekt via
subsidieovereenkomsten, zodat de Commissie een passende financiële controle kan
uitvoeren.