WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING Bij VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de vrijwillige regeling voor het ecologisch ontwerp van beeldverwerkingsapparatuur /* SWD/2013/014 final */
WERKDOCUMENT VAN DE DIENSTEN VAN DE
COMMISSIE SAMENVATTING VAN DE EFFECTBEOORDELING Bij VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET
EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
inzake de vrijwillige regeling voor
het ecologisch ontwerp van beeldverwerkingsapparatuur Dit werkdocument is bedoeld voor gebruik door
het personeel van de Europese Commissie en is uitsluitend voor
informatiedoeleinden bestemd. Het geeft geen officieel standpunt van de
Commissie weer en loopt niet op een dergelijk standpunt vooruit. Bevoegd DG: ENER Geassocieerd DG: ENTR Overige
betrokken diensten: SG, LS, CLIMA, CNECT, COMP, ECFIN, EMPL, ENV, JRC, JUST,
MARKT, SANCO, TAXUD, TRADE, RTD Samenvatting Beeldverwerkingsapparaten (printers, scanners,
faxtoestellen…) zijn energiegerelateerde producten die vallen onder
Richtlijn 2009/125/EG inzake ecologisch ontwerp. Bij de richtlijn inzake ecologisch ontwerp is
een kader gecreëerd voor de vaststelling van eisen inzake het ecologisch
ontwerp voor energiegerelateerde producten. Eisen voor het ecologisch ontwerp
van producten zijn een belangrijk instrument voor het verwezenlijken van de
beleidsdoelstellingen van het vlaggenschipinitiatief 'Efficiënt gebruik van
hulpbronnen in Europa'[1],
het strategisch document 'Energie 2020'[2]
en het 'Energie-efficiëntieplan 2011'[3]
van de Commissie. In dit document en in het
effectbeoordelingsverslag wordt nagegaan of in het kader van de richtlijn
ecologisch ontwerp eisen voor het ecologisch ontwerp van beeldverwerkingsapparatuur
moeten worden vastgesteld om het milieueffect van dergelijke apparatuur, met
name het energieverbruik ervan, te verminderen. 1. Probleemstelling In vergelijking met de situatie van de meeste
andere producten waarvoor maatregelen worden overwogen, zijn er bij beeldverwerkingsapparatuur
geen grote problemen qua ecologisch ontwerp aangezien er bij dergelijke
apparaten dankzij bepaalde beleidsinstrumenten reeds snelle vooruitgang is op
het gebied van energie-efficiëntie en papierbesparing. Dat het volledige technische
besparingspotentieel nog niet volledig wordt benut heeft vooral te maken met de
grote dynamiek van de sector, die efficiëntieverbeteringen met 6% per jaar en
een elektriciteitsbesparing van 87 % in de afgelopen 15 jaar mogelijk
heeft gemaakt. Een zorg is dat er geen garantie bestaat dat
de huidige positieve tendens op het gebied van de verbetering van de
energie-efficiëntie blijft aanhouden en dat de huidige horizontale wetgeving
uitsluitend betrekking heeft op bepaalde geselecteerde milieueffecten. 2. Doelstellingen Bij de voorbereidende studie[4] en het onderzoek van 2012[5] is aan het licht
gekomen dat er een kosteneffectief potentieel bestaat om het energieverbruik
van beeldverwerkingsapparatuur, alsmede het papierverbruik, te verbeteren en
dat het volledige potentieel momenteel niet wordt benut. De doelstelling is dan ook een maatregel
inzake ecologisch ontwerp, inclusief zelfregulering, uit te werken die ertoe bijdraagt
de beleidsdoelstellingen te bereiken, meer bepaald een energiebesparing van 20 %
en een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 20 % in de
periode 1990-2020, alsook de bevordering van de efficiëntie van het gebruik van
hulpbronnen (afgezien van energie) door o.m. de vermindering van het
materiaalgebruik (bv. papier), recycling (bv. van de grotere
kunststofonderdelen, electronica-onderdelen, metalen) en hergebruik (bv. inktcassettes). Uit het onderzoek van 2012 is gebleken dat,
ondanks de aanzienlijke besparingen die reeds zijn bereikt, de streefcijfers
voor 2020 nog steeds ambitieus mogen zijn, waarbij wordt gestreefd naar een
energiebesparing van 60 % en een niveau van tweezijdig afdrukken
(duplexing) van 90 % voor typische kantoorapparatuur over de periode 2012-2020. Overeenkomstig overweging 18 en 19 en
artikel 15, lid 6, van de richtlijn ecologisch ontwerp moet worden gekeken
naar zelfregulering als de voorkeursoptie. 3. Criteria voor maatregelen
betreffende ecologisch ontwerp De aanpak voor de uitwerking van de
voorgestelde maatregel en de daarmee verband houdende effectbeoordeling verliep
in vier stappen. Stap 1: Rechtsgrondslag
– tenuitvoerlegging van artikel 15 van de richtlijn ecologisch ontwerp In lijn met artikel 15, lid 4,
onder a), en de bijlagen I en II van de richtlijn ecologisch ontwerp
heeft de Commissie een voorbereidende technische, milieutechnische en economische
studie uitgevoerd om een evaluatie te maken van de criteria voor een uitvoeringsmaatregel
inzake het ecologisch ontwerp van beeldverwerkingsapparatuur[6]. Uit deze studie is gebleken dat aan deze
criteria is voldaan aangezien: (1) beeldverwerkingsapparatuur in de EU in grote
hoeveelheden in de handel wordt gebracht, (2) het milieueffect van het
elektriciteitsverbruik van beeldverwerkingsapparatuur over de levensduur ervan significant
is, (3) er grote verschillen bestaan wat de milieueffecten van de huidige in de
handel gebrachte beeldverwerkingsapparatuur betreft. Er bestaan
kosteneffectieve technische oplossingen die kunnen resulteren in aanmerkelijke
verbeteringen. Tabel 1: Criteria van artikel 15, lid 2,
van de richtlijn ecologisch ontwerp, toegepast op beeldverwerkingsapparatuur Art. 15, lid 2, onder a) || Jaarlijks omzet- en handelsvolume in de EU (eenheden) || 2010 31 miljoen 2020 37 miljoen 2030 41 miljoen Art. 15, lid 2, onder b) || Milieueffect: direct elektriciteitsverbruik van beeldverwerkingsapparatuur, in TWh elektriciteit en Mt CO2-equivalent per jaar [1] || direct (elektriciteit) 2010 8,7 TWh (3,6 Mt CO2) 2020 9,1 TWh (3,5 Mt CO2) 2030 10,4 TWh (3,6 Mt CO2) Milieueffect: indirecte energie voor de productie van het bij het gebruik van beeldverwerkingsapparatuur verbruikte papier, in TWh elektriciteitsequivalent en Mt CO2-equivalent per jaar [2] || indirect (papier) 2010 38,8 TWh (5,8 Mt CO2) 2020 42,8 TWh (6,4 Mt CO2) 2030 47,0 TWh (7,0 Mt CO2) Art. 15, lid 2, onder c) || Verbeteringspotentieel ten opzichte van het scenario van ongewijzigd beleid in hetzelfde jaar (met gebruikmaking van bestaande kosteneffectieve technologie, sub-optie 'vrijwilligheid'), uitgedrukt in de zelfde eenheden als hierboven. || direct energie (efficiëntieverbetering) 2020 7,9 TWh (4,1 Mt CO2) 2030 9,1 TWh (4,3 Mt CO2) indirect energie (duplexing en N-printing) 2020 7,1 TWh (1,1 Mt CO2) 2030 7,8 TWh (1,1 Mt CO2) [1] Bij de
omzetting van TWh elektriciteit naar Mt CO2-equivalent wordt rekening gehouden
met verbeteringen op het gebied van de CO2-uitstoot van elektriciteitscentrales
in de periode 2010-2030 (bron: MEErP 2011) [2] Papierproductie voor kantoorgebruik: primaire
energie 40 MJ/kg papier, omzetting naar elektriciteitsequivalent met
gebruikmaking van een primaire-energiefactor van 2,5 (40 MJ primair = 16 MJ elektrisch
= 4,44 kWh elektrisch), broeikasgasemissies 0,6 kg/kg papier (bron: MEErP
2011). Het papierverbruik is berekend overeenkomstig de ENERGY
STAR-bedrijfscycli. Aan de criteria wordt volledig voldaan door beeldverwerkingsapparatuur
(monochroom dan wel met kleurenoutput) die gebruik maakt van inktjet- (IJ),
electrofotografie- (EF/'laser') of solid-ink- (SI, opgenomen in de EF-categorie)
afdruktechnologieën. EF-apparatuur omvat kopieerapparaten, printers,
multifunctionele apparaten en faxmachines, terwijl IJ-apparatuur is ingedeeld
in apparatuur met één, dan wel meerdere functies. Afdruktechnologieën uit het verleden, zoals
thermische overdracht, direct thermal (DT) en dye sublimation (DT), zijn uitgesloten
omdat de apparaten die dergelijke technologieën gebruiken slechts in beperkte
hoeveelheden worden verkocht, voornamelijk voor speciale toepassingen zoals het
(be)drukken van ontvangstbewijzen, labels en textielproducten. Om diezelfde
redenen worden ook printers met grote afmetingen, bv. voor het afdrukken van
technische tekeningen, uitgesloten. Ten slotte worden ook zeer snelle printers voor
bv. professionele print shops uitgesloten omdat kostenoverwegingen in dit
marktsegment kopers er automatisch toe brengen uitsluitend de meest
energie-efficiënte modellen te kopen. Step 2: Bestaande initiatieven en
capaciteit van marktkrachten om het probleem aan te pakken Overeenkomstig artikel 15, lid 2 en
lid 4, onder c), van de richtlijn ecologisch ontwerp moet rekening
worden gehouden met de relevante bestaande nationale en EU-wetgeving. Voor beeldverwerkingsapparatuur
zijn geen productspecifieke verplichte maatregelen ingevoerd, maar bepaalde
aspecten zijn aangepakt via horizontale wetgeving inzake het elektriciteitsverbruik
in de standby- en uitstand[7],
chemische stoffen[8]
en afvalstoffen[9].
Het energieverbruik van beeldverwerkingsapparatuur in de niet-residentiële
sector is een onderdeel van de energieboekhouding in het kader van de richtlijn
betreffende de energieprestatie van gebouwen[10]
en de komende energie-efficiëntierichtlijn[11].
Dit aspect wordt ook indirect verrekend bij de CO2-boekhouding in het kader van
het emissiehandelssysteem van de EU. De energie-efficiëntie en de belangrijkste
milieueffecten van beeldverwerkingsapparatuur worden voornamelijk aangepakt via
het vrijwillige EU ENERGY STAR-programma dat wordt uitgevoerd op basis van de
overeenkomst van 2001 tussen de EU en de Verenigde Staten. Er wordt verdere
ondersteuning gepland voor 2012 via de criteria voor groene openbare
aanbestedingen en de EU-milieukeur, waarbij grotendeels wordt uitgegaan van de
eisen en formaten van het ENERGY STAR-programma. Sinds 2008 moet kantoorapparatuur die wordt
aangekocht door de EU-instellingen en de centrale regeringen van de lidstaten, op
verplichte wijze voldoen aan de ENERGY STAR-criteria die om de drie of vier
jaar worden geactualiseerd[12].
De reactie op deze maatregelen van de sector die beeldverwerkingsapparatuur produceert
is steeds positief geweest, met een hoge deelnamegraad (>90 % marktdekking),
een groot overwicht van producten die aan de criteria voldoen (>90 % van
de modellen in het kader van de huidige eisen) en een zelfcertificatie die
voldoende betrouwbaar is gebleken[13]. Wanneer zich wat beeldverwerkingsapparatuur
betreft, marktfalen of falen op regelgevingsgebied voordoet, heeft dit
overeenkomstig de voorbereidende studie voornamelijk betrekking op weinig
verkochte apparatuur op de consumentenmarkt en niet zozeer op de professionele
markt van kantoorapparatuur. Een dergelijk falen kan het gevolg zijn van het
feit dat de huidige elektriciteitstarieven onvoldoende rekening houden met de
milieukosten voor de samenleving en dus een te kleine rol spelen in de
aankoopbeslissing (negatieve externaliteit). Voorts baseren de meeste
consumenten hun keuze van apparatuur vooral op de aankoopkosten en andere
elementen, zoals beschikbaarheid, dienstverlening en vertrouwde merknamen,
veeleer dan op de energiekosten waarover de nodige informatie ontbreekt (asymmetrische
informatie). In deze context is het relevant dat het ENERGY STAR-logo goed
bekend is in de kantoorsector maar minder bij de particuliere consument. Ten
slotte doet zich marktfalen voor wanneer de investeringskosten door één partij
worden gedragen en de gebruikskosten door een andere. De aankoopafdeling van
een onderneming kan een verschillend financieel perspectief hebben dan de
ondernemingseenheid die de apparatuur feitelijk gebruikt en betaalt voor de
lopende kosten ervan (gescheiden prikkels). Stap 3:
Beleidsdoelstellingen en niveau van ambitie De algemene doelstelling is een antwoord te
bieden op marktfalen en externaliteiten door passende maatregelen inzake
ecologisch ontwerp te treffen. De opties die in overweging zijn genomen voor
een gedetailleerde impactanalyse waren: geen EU-actie (business-as-usual, BAU),
zelfregulering (de 'vrijwillige' optie) en eisen inzake ecologisch ontwerp (de
optie 'ecologisch ontwerp'). De desbetreffende sector heeft zijn voorkeur
uitgesproken voor een overeenkomst op basis van vrijwilligheid
('zelfregulering') in plaats van een regelgevingsmaatregel. Overeenkomstig bijlage II bij de richtlijn
ecologisch ontwerp moeten eisen inzake energieverbruik normaliter op een niveau
worden gelegd waarbij de kosten over de gehele levenscyclus worden
geminimaliseerd (tenzij andere factoren dit te strikt maken). Het startpunt van de analyse was de
voorbereidende studie, die een basis leverde voor het BAU-scenario. De
verkoopsgegevens van de voorbereidende studie zijn gebruikt in het voorraadmodel
teneinde een berekening te maken van de voorraad, het elektriciteitsverbruik en
het papierverbruik voor alle opties. Er werd een aanvullende analyse uitgevoerd met
betrekking tot de in de EU ENERGY STAR-database van www.eu-energystar.org geregistreerde modellen. Daaruit bleek
dat het elektriciteitsverbruik en de duplexing-kenmerken van alle in de EU in
de handel gebrachte modellen van beeldverwerkingsapparatuur in 2012 in de EU
ENERGY STAR-database waren geregistreerd, maar ook al in de voorafgaande
referentiejaren terug tot 2009. Uit deze evaluatie is niet alleen aan het licht
gekomen welke modellen overeenstemmen met de ENERGY STAR-eisen versie 1.0,
versie 1.1 (waarop de huidige overeenkomst op basis van vrijwilligheid is
gebaseerd) en ontwerpversie 2.0 (die van kracht wordt in 2013 en waarop de
volgende versie van de overeenkomst op basis van vrijwilligheid zal gebaseerd
zijn), maar is ook gebleken hoeveel beter deze modellen hebben gescoord ten
aanzien van de ENERGY STAR-minimumeisen. De resultaten van deze evaluatie zijn
getoond voor de 'vrijwillige' optie. Bij deze optie werd aangenomen dat een
vrijwillige overeenkomst het tempo van de verbeteringen boven de ENERGY
STAR-eisen zal uittillen (zoals is gebleken in de afgelopen jaren). Bij de optie 'ecologisch ontwerp' worden
verplichte minimale efficiëntie-eisen voor in de handel gebrachte beeldverwerkingsapparatuur
vastgesteld. Het nadeel van een verordening die bij definitie een 100 %-naleving
eist/inhoudt, tegenover een effectieve overeenkomst op basis van vrijwilligheid
die gericht is op een 90 %-naleving, is het gebrek aan flexibiliteit; de
ambitie is dus doorgaans aanzienlijk beperkter. Op het eerste zicht kan dit tegenstrijdig
lijken, maar in wezen wordt overeenkomstig artikel 15, lid 5, van de richtlijn
ecologisch ontwerp ('geen significant nadelig effect' op de werking van het
product en op het concurrentievermogen van het bedrijfsleven) het niveau van
ambitie voor de eisen in het kader van een verordening voornamelijk bepaald
door de zwakste 10 % van de markt, bestaande uit speciale producten of
producten die worden vervaardigd door financieel zwakkere ondernemingen. In tegenstelling
daarmee wordt bij een vrijwillige overeenkomst het niveau van ambitie
vastgelegd door zich te richten op de 90 % 'normale' producten die door
innovatieve en financieel gezonde producenten worden geproduceerd. Bij de optie
'ecologisch ontwerp' wordt hiermee rekening gehouden: in eerste instantie werd
een efficiëntiestreefcijfer voor 2014 vastgesteld dat gelegen was 40 % onder
het BAU-niveau, terwijl het tweede streefcijfer, namelijk voor 2016, werd
vastgesteld op 60 % onder het BAU-niveau. Wat duplexing betreft, werd
– enigszins optimistisch – aangenomen dat na de formulering van een
lijst met uitzonderingen, de eisen konden worden vastgesteld op het zelfde
niveau als bij de 'vrijwillige' optie, d.w.z. voor typische kantoorprinters op
een duplexing-niveau van 75 % (voor 2014) en 85 % (voor 2016). Stap 4:
Evaluatie van de economische, maatschappelijke en milieueffecten Bij de analyse van de sub-opties zijn de in
tabel 2 weergegeven besparingsniveaus gevonden. In de tabel en de
onderstaande figuur wordt het directe elektriciteitsverbruik van beeldverwerkingsapparatuur,
het indirecte energieverbruik (berekend als elektriciteitsequivalent) dat
vereist is om papier te produceren en het totale energieverbruik (direct +
indirect) getoond in het geval van BAU en in het geval van de twee andere
opties in vergelijking met BAU. Tabel 2: Samenvatting
van de besparingen op het gebied van beeldverwerkingsapparatuur in de EU-27 naargelang
van de verschillende opties ten opzichte van het uitgangsscenario BAU (business-as-usual)
voor 2020 en 2030 (uitgedrukt in constante euro van 2010) Totale besparing (direct en indirect papier-energie excl. inkt) 2020 Versus uitgangsscenario BAU || BAU (niveaus) || Vrijwillig || Ecologisch ontwerp || 2020 || 2030 || 2020 || 2030 || 2020 || 2030 Energieverbruik (TWh) || || || || || || Direct || 9,13 || 10,40 || 7,92 || 9,07 || 5,56 || 6,31 Indirect || 42,75 || 49,99 || 7,12 || 7,83 || 6,54 || 7,83 Totaal || 51,88 || 57,39 || 15,04 || 16,91 || 12,10 || 14,15 || || || || || || CO2-emissies (Mt) || || || || || || Direct || 3,47 || 3,54 || 2,99 || 3,09 || 2,10 || 2,15 Indirect || 6,41 || 7,05 || 1,07 || 1,17 || 0,98 || 1,17 Totaal || 9,88 || 10,59 || 4,06 || 4,26 || 3,08 || 3,32 || || || || || || Kostenbesparing excl. toner (in miljard EUR) [14] || || || || || || Direct || 2,43 || 4,10 || 2,11 || 3,58 || 1,48 || 2,49 Indirect || 42,75 || 46,99 || 7,12 || 7,83 || 6,54 || 7,83 Totaal || 45,18 || 51,09 || 9,24 || 11,41 || 8,02 || 10,32 In figuur 1 wordt getoond dat, als er geen
maatregelen worden genomen, het elektriciteitsverbruik omhoog gaat. In de twee
opties, 'vrijwillig' en 'ecologisch ontwerp', wordt de groei van het
elektriciteitsverbruik aanzienlijk verminderd. Figuur 1: Totaal energieverbruik in de EU-27 (TWh/jaar) 4. Conclusies Aan de 'vrijwillige' optie wordt de voorkeur
gegeven. Deze optie draagt bij tot oplossing van het continuïteitsprobleem,
rekening houdend met de huidige positieve trend van energie-efficiëntie en
lager papierverbruik (duplexing en N-printing), en maakt het ook mogelijk
andere hulpbronnenefficiëntiekwesties, zoals recycling en hergebruik, aan te
pakken. In deze dynamische productsector worden zo aanzienlijk grotere
besparingen verwezenlijkt dan bij het alternatief van verplichte eisen inzake
ecologisch ontwerp, wordt flexibiliteit ingebouwd, wordt het mogelijk de
streefcijfers sneller te actualiseren en blijft de administratieve belasting
minimaal. Anders dan bij verplichte maatregelen ontstaat niet het risico van
negatieve effecten op doeltreffendheid van momenteel met succes lopende beleidsmaatregelen
zoals het EU ENERGY STAR-programma. Meer specifiek resulteert de 'vrijwillige'
optie in: ·
een bijdrage tot het bereiken van de '20-20-20'-streefcijfers
(periode 1990-2020) van 25 TWh/jaar in directe elektriciteitsbesparing door
efficiëntieverbeteringen en het equivalent van ongeveer 4 TWh/jaar
elektriciteitsbesparing door indirecte besparing met betrekking tot
papierverbruik; samen dus 29 TWh/jaar (wat neerkomt op 1,1 % van het
totale energieverbruik van de EU in 2007); ·
een bijdrage tot het bereiken van de
'20-20-20'-streefcijfers (periode 1990-2020) in de vorm van een directe
vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 9,6 MT CO2-eq/jaar (elektriciteit)
en 0,6 Mt CO2-eq/jaar (papier); samen dus 10,2 Mt CO2/jaar (0,2 % van de
broeikasgasemissies van de EU); ·
een bijdrage tot de hulpbronnenefficiëntie
(afgezien van energie) van meer dan 1 miljoen ton (1 Mt) ten gevolge
van lager papierverbruik in kantoren in de periode 1990-2020 en een bijdrage
tot recycling en hergebruik; ·
het voldoen aan de eisen van
Richtlijn 2009/125/EG inzake ecologisch ontwerp, met name de overwegingen 18
en 19, artikel 15, lid 6, en bijlage VIII; ·
het op kostenvriendelijkere en snellere wijze
voldoen aan de eisen dan in het geval van een verordening; ·
verenigbaarheid met en aanvullend karakter ten
aanzien van de bestaande beleidinstrumenten; ·
een slechts zeer beperkte administratieve belasting
voor producenten en detailhandelaars; ·
een verwaarloosbare of zelfs onbestaande toename
van de aankoopkosten, die ruimschoots worden gecompenseerd door bestparingen
gedurende de gebruiksfase van het product; ·
een verwaarloosbaar effect op de concurrentiekracht
van de bedrijfssector en op de werkgelegenheid, met name in het midden‑
en kleinbedrijf. [1] Efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa — Vlaggenschipinitiatief
in het kader van de 2020-strategie, COM(2011) 21 van 26.1.2011. [2] Energie 2020 - Een
strategie voor een concurrerende, duurzame en continu geleverde energie, COM(2010) 639 definitief van 10.11.2010. [3] Energie-efficiëntieplan 2011, COM(2011) 109 definitief
van 8.3.2011. [4] Voorbereidende studie inzake beeldverwerkingsapparatuur,
samengesteld door Fraunhofer IZM. [5] Onderzoek van de EU-ENERGY STAR-database door de consultants
(van Holsteijn en Kemna VHK) in 2012 ('2012-onderzoek'). [6] http://www.ecoimaging.org/. [7] Verordening (EG) nr. 1275/2008 betreffende voorschriften
inzake ecologisch ontwerp voor het elektriciteitsverbruik van elektrische en
elektronische huishoud- en kantoorapparatuur in de stand by-stand en de
uit-stand. [8] Richtlijn 2011/65/EG (herschikking). [9] Richtlijn 2012/19/EU (herschikking). [10] Richtlijn 2010/31/EG (herschikking). [11] Voorstel voor een richtlijn betreffende
energie-efficiëntie en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en
2006/32/EG [COM(2011) 370 van 22.6.2011]. [12] Zie artikel 16 van Verordening (EG) nr. 106/2008 van het Europees Parlement en de
Raad van 15 januari 2008 betreffende een communautair
energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur (herschikking), PB L39 van 13.2.2008, blz. 1. [13] Mededeling van de Commissie betreffende
de tenuitvoerlegging van het ENERGY STAR-programma in de Europese Unie in de
periode 2006-2010, COM(2011) 337 definitief
van 9.6.2011, Brussel. [14] De besparing van de papierkosten wordt berekend door het
aantal bespaarde bladzijden te vermenigvuldigen met 0,02 EUR (prijs voor 1 bladzijde;
zie ook berekening in hoofdstuk 2). De elektriciteitstarieven zijn per kWh
primaire energie. Voor elektriciteit worden de residentiële
elektriciteitstarieven van 2010, exclusief belastingen, gebruikt, i.e. 0,18 EUR/kWh,
uitgaande van een jaarlijkse (langetermijn 2011-2030-gemiddelde) verhoging van
het elektriciteitstarief met 4 %.